Einde aan automatische belastingverhoging van 10%?
In november 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de automatische belastingverhoging van 10% bij een eerste fout in de aangifte strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Die uitspraak bracht beweging in het sanctiebeleid van de fiscus, maar was op zichzelf onvoldoende. Ondanks interne richtlijnen bleef de administratie een ruime beoordelingsvrijheid behouden om toch een belastingverhoging op te leggen. Dat leidde tot rechtsonzekerheid voor belastingplichtigen die onbewust of per vergissing fouten maakten.
Met de programmawet van 18 juli 2025 voert de wetgever nu een fundamentele wijziging door. Artikel 444 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (WIB'92) wordt aangepast. De nieuwe regeling, van kracht vanaf 29 juli 2025, bevestigt het wettelijk vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding en biedt mogelijkheden voor de belastingplichtigen.
Wat stond er vroeger in artikel 444 WIB'92?
Oorspronkelijk bepaalde artikel 444 WIB'92 dat bij een fout in de aangifte – bijvoorbeeld een laattijdige indiening, een onvolledigheid of een onjuiste aangifte – een belastingverhoging van 10% tot 200% kon worden opgelegd. De verhoging werd bepaald volgens schalen bij koninklijk besluit. In theorie kon de administratie bij afwezigheid van kwade trouw afzien van de minimale verhoging van 10%. In de praktijk gebeurde dat zelden. Die 10% werd quasi automatisch toegepast, ongeacht de context of de intentie van de belastingplichtige.
Wat verandert er onder de nieuwe wet?
De gewijzigde versie van voornoemd artikel bepaalt uitdrukkelijk dat geen belastingverhoging wordt opgelegd wanneer de belastingplichtige voor het eerst een fout begaat en te goeder trouw handelt. Meer nog: de goede trouw wordt wettelijk vermoed, behalve in twee uitzonderingsgevallen.
Zo komt er een duidelijke kentering: de bewijslast verschuift in het voordeel van de belastingplichtige. De fiscus moet voortaan aantonen dat er géén sprake is van goede trouw, of dat de omstandigheden een afwijking rechtvaardigen.
Wanneer geldt het vermoeden van goede trouw niet?
Het vermoeden van goede trouw wordt doorbroken in twee situaties.
De fiscus weerlegt het vermoeden actief.
De administratie kan alsnog een belastingverhoging opleggen indien zij bewijst dat de belastingplichtige niet te goeder trouw was, of met opzet de belasting trachtte te ontduiken. In dat geval geldt een verhoging van 10%, of zelfs 50% bij bewezen opzet.
Er wordt een aanslag van ambtswege gevestigd.
Bij een ambtshalve aanslag (zoals bedoeld in artikel 351 WIB'92) geldt het wettelijke vermoeden van goede trouw niet. De belastingplichtige zal dan zélf moeten bewijzen dat hij te goeder trouw handelde – een zwaardere bewijslast.
Hoe definieert de fiscus “goede trouw”?
De fiscale administratie verduidelijkt haar interpretatie van goede trouw in Circulaire 2025/C/49. Enkele voorbeelden maken duidelijk wanneer een belastingplichtige te goeder trouw wordt geacht:
- Wie zich vergist bij de interpretatie van een fiscaal attest en daardoor een fout maakt in de aangifte, handelt te goeder trouw.
- Ook wie de beroepsmatige oppervlakte van zijn woning foutief inschat – bijvoorbeeld 30% in plaats van 20% – geniet het voordeel van de twijfel. Pas bij manifest overdrijving, zoals 80%, wordt gesproken van kwade trouw.
- Belastingplichtigen die onvolledig aangeven omdat ze nog niet alle fiscale fiches ontvangen hebben, worden eveneens vermoed te goeder trouw te zijn;
- Te kwader trouw is ook wetens en willens kosten aftrekken die duidelijk niet beroepsmatig zijn.
Wanneer de fiscus echter het opzet tot belastingontduiking aantoont, geldt automatisch een verhoging van 50%, ook al gaat het om een eerste fout.
Wat als er toch een belastingverhoging volgt?
Als de fiscus het vermoeden van goede trouw kan weerleggen, blijft de klassieke verhoging van 10% gelden. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer duidelijk blijkt dat de belastingplichtige informatie achterhield, bewust onnauwkeurige gegevens doorgaf of een constructie opzettelijk verkeerd voorstelde.
In het geval van een ambtshalve aanslag geldt, zoals gezegd, het vermoeden van goede trouw niet. De belastingplichtige moet dan actief aantonen dat hij te goeder trouw was – wat in de praktijk vaak lastig is.
Wordt een eerste overtreding vergeten?
Nee. Ook al wordt er geen verhoging toegepast wegens goede trouw, de eerste fout blijft meetellen voor toekomstige sancties. Wie binnen de vier daaropvolgende aanslagjaren opnieuw een fout begaat, krijgt wél een verhoging van 20%, zelfs zonder opzet. Pas na vier jaren zonder overtreding begint de teller opnieuw van nul te lopen (conform artikel 227 KB WIB'92).
Vanaf wanneer geldt de nieuwe regeling?
De nieuwe versie van artikel 444 WIB'92 is van toepassing op alle aanslagen die zijn ingekohierd vanaf 29 juli 2025, de dag van publicatie van de programmawet in het Belgisch Staatsblad.
Conclusie: geen automatisme meer, maar ook geen vrijgeleide
De hervorming van artikel 444 WIB'92 maakt definitief komaf met het onterechte automatisme van belastingverhogingen bij eerste overtredingen. Dat is een belangrijke stap richting rechtszekerheid en een eerlijker sanctiebeleid. Maar let op: wie herhaaldelijk fouten maakt of in het vizier komt van een ambtshalve aanslag, blijft kwetsbaar voor fiscale sancties.
Zeker bij betwisting of twijfel over de toepassing van sancties is professionele begeleiding aangewezen.
aternio helpt en ondersteunt bij fiscale geschillen, betwistingen en het omgaan met belastingverhogingen.
Volg aternio op LinkedIn voor meer finance, tax & legal nieuws.
Sophie Claeys
Bron: Programmawet van 18 juli 2025, BS 29 juli 2025; Circulaire 2025/C/49.