Liquidatiereserve vervroegd uitkeren: 36,36% belasting?!
De liquidatiereserve blijft een populair instrument bij kmo-vennootschappen. Ze laat toe om winsten fiscaal gunstig op te potten met het oog op een latere uitkering. Maar wat als u die reserve vroeger nodig hebt?
Sinds de programmawet van 18 juli 2025 kan een vervroegde uitkering leiden tot een opvallend hoge belastingdruk van 36,36 %. Hoe zit dat precies?
Wat is een liquidatiereserve?
Sinds aanslagjaar 2015 kunnen kleine vennootschappen (kmo’s) een liquidatiereserve aanleggen (art. 1:24 §§ 1–6 WVV).
Bij aanleg betaalt de vennootschap een afzonderlijke aanslag van 10 % (art. 219quater WIB 92). Concreet wordt de winst na belastingen gedeeld door 1,1. Het bekomen bedrag vormt de liquidatiereserve.
Het voordeel? Bij latere vereffening van de vennootschap kan deze reserve belastingvrij worden uitgekeerd (art. 21, 11° WIB'92). Er is dan geen roerende voorheffing meer verschuldigd.
De ratio legis van de liquidatiereserve was het versterken van het eigen vermogen van kmo-vennootschappen.
Vervroegde uitkering vóór 2026
Wie niet wilde wachten tot de vereffening van de vennootschap, kon de liquidatiereserve ook vroeger uitkeren.
Onder de oorspronkelijke regeling gold:
- 15 % roerende voorheffing bij uitkering binnen vijf jaar;
- 5 % roerende voorheffing bij uitkering na vijf jaar.
Samen met de vooraf betaalde 10 % leidde dat tot een totale belastingdruk van respectievelijk 22,73 % of 13,64 %.
Bij niet-naleving van de wachttermijn van vijf jaar werd het tarief later op 20 % gebracht, zodat de totale druk aansloot bij het standaardtarief van 30 % op gewone dividenden.
Het uitgangspunt was duidelijk: wie een liquidatiereserve vervroegd uitkeerde, betaalde niet meer belasting dan bij een gewone dividenduitkering.
Wat verandert door de programmawet van 18 juli 2025?
De programmawet van 18 juli 2025 (BS 29 juli 2025, art. 32–33) wijzigt de regeling grondig.
Voor liquidatiereserves aangelegd vanaf 1 januari 2026 geldt:
- een minimale wachttermijn van drie jaar voor een verlaagd tarief van 6,5%;
- bij uitkering binnen die drie jaar: toepassing van het standaardtarief van 30 % roerende voorheffing (art. 269 WIB'92).
Op zich lijkt dat logisch. Wie de wachttermijn niet respecteert, valt terug op het gewone dividendtarief. Maar hier ontstaat een probleem. Hoezo?
Hoe komt men aan 36,36 %?
Bij de aanleg werd reeds 10 % afzonderlijke aanslag betaald (art. 219quater WIB'92). Bij een uitkering binnen drie jaar wordt daarbovenop 30 % roerende voorheffing geheven.
Op het eerste gezicht lijkt dat neer te komen op 40 % belasting. Door de specifieke berekeningswijze ligt de effectieve belastingdruk echter op 36,36 %. De reden is dat de afzonderlijke aanslag van 10 % werd berekend op een lager bedrag (namelijk de winst gedeeld door 1,1).
Illustratie
- Winst na vennootschapsbelasting: € 100
- Liquidatiereserve: € 90,91
- Afzonderlijke aanslag (10 %): € 9,09
- Uitkering binnen drie jaar: 30 % RV op € 90,91 = € 27,27
- Totale belasting: € 36,36
De totale belastingdruk bedraagt dus 36,36 %, wat hoger is dan het standaardtarief van 30 % op een gewone dividenduitkering.
Parlementaire vraag: was dit de bedoeling?
In de Kamercommissie Financiën werd hierover een parlementaire vraag gesteld.
De minister van Financiën bevestigt dat bij uitkering binnen drie jaar het standaardtarief van 30 % geldt. Hij verwees hiervoor onder meer naar de verkorting van de wachttermijn van vijf naar drie jaar en het vervroegde karakter van de uitkering.
Op de vraag of de vooraf betaalde 10 % dan kan worden teruggevorderd, antwoordde de minister verrassend genoeg ontkennend. Volgens de minister blijft de afzonderlijke aanslag blijft definitief verschuldigd, en dit in lijn met het regeerakkoord. Er wordt geen correctiemechanisme voorzien.
Breuk met het verleden
Dat is toch opmerkelijk. In het verleden werd bij niet-naleving van de wachttermijn bewust gekozen voor een tarief dat samen met de 10 % uitkwam op het normale dividendtarief van 30 %.
Vandaag houdt het tarief van 30 % geen rekening meer met de reeds betaalde 10 %. De totale belastingdruk overstijgt dus het standaardtarief voor dividenden.
Noch in de wettekst, noch in het antwoord van de minister wordt een oplossing aangereikt voor deze cumulatie. Het regeerakkoord zelf vermeldt bovendien geen totale belastingdruk van 36,36 %, noch het behoud van de afzonderlijke aanslag bij vervroegde uitkering. Een oplossing zou dus wel mogelijk moeten zijn …
Conclusie
De hervorming van de liquidatiereserve heeft een onverwacht gevolg. Bij een vervroegde uitkering binnen drie jaar kan de totale belastingdruk oplopen tot 36,36 %, wat hoger is dan het standaardtarief van 30 % op een gewone dividenduitkering.
Dat resultaat vloeit voort uit de cumulatie van de afzonderlijke aanslag van 10 % bij de aanleg van de reserve en de roerende voorheffing van 30 % bij een vervroegde uitkering. De vooraf betaalde aanslag kan daarbij niet worden gerecupereerd.
Noch in de wettekst, noch in de parlementaire voorbereiding wordt een duidelijke beleidsmatige verantwoording gegeven voor deze hogere belastingdruk. De huidige regeling lijkt daardoor eerder het resultaat van een technische samenloop van tarieven dan van een expliciete fiscale keuze.
Voor kmo’s is een doordachte planning van winstreserves en dividendbeleid dan ook belangrijker dan ooit.
aternio begeleidt kmo-vennootschappen bij een doordachte financiële en fiscale planning.
Volg aternio op LinkedIn voor meer finance, tax & legal nieuws.
Sophie Claeys
Bron: Mond. Vr. nr. 56009796 C en 56009797 C (V. Van Quickenborne), 28 januari 2026, Criv 56 Com 308, 24 ev.