we make the road
Terugkeer naar de redelijkheid: nieuwe (kortere) onderzoeks- en aanslagtermijnen voor fiscus
Terugkeer naar de redelijkheid: nieuwe (kortere) onderzoeks- en aanslagtermijnen voor fiscus
De Wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen markeert een duidelijke koerswijziging in het fiscale procedurele recht. De regering-De Wever komt hiermee tegemoet aan een vaak gehoorde kritiek van belastingplichtigen: de steeds verder opgerekte controle- en aanslagtermijnen. Door deze termijnen opnieuw te beperken, wil de wetgever de rechtszekerheid versterken zonder de controlebevoegdheid van de fiscus uit te hollen.
Onderzoeks- en aanslagtermijnen opnieuw ingeperkt
Wettelijk kader
De termijnen waarbinnen de fiscale administratie een controle kan uitvoeren, zijn vastgelegd in artikel 333 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB'92). De aanslagtermijnen zelf zijn opgenomen in de artikelen 353 en 354 WIB'92. Beide categorieën hangen nauw samen: zonder geldige onderzoekshandelingen kan geen rechtsgeldige aanslag worden gevestigd.
Inkomstenbelastingen: einde van de tienjarige termijnen
De meest ingrijpende wijziging is het afschaffen van de tienjarige fraudetermijn. Voortaan geldt opnieuw een zevenjarige termijn wanneer er aanwijzingen van fraude zijn.
Daarnaast verdwijnen ook:
- de tienjarige termijn bij zogenoemde complexe aangiften (bv. aangiften met internationale structuren of bijzondere fiscale mechanismen); en
- de zesjarige termijn die in bepaalde bijzondere gevallen van toepassing was.
Wat overblijft, is een overzichtelijk systeem met drie duidelijke termijnen:
- drie jaar bij een tijdige maar onvolledige of onjuiste aangifte;
- vier jaar bij een laattijdige, ontbrekende of administratief complexe aangifte;
- zeven jaar bij aanwijzingen van fraude.
Deze termijnen zijn van toepassing op aanslagjaren vanaf 2023, voor zover de aanslag nog niet definitief is gevestigd. Het gaat dus om een toepassing op lopende en toekomstige dossiers, niet om onaantastbare aanslagen uit het verleden.
Voorafgaande kennisgeving opnieuw centrale waarborg
Een tweede belangrijk luik van de hervorming betreft de voorafgaande kennisgeving bij verlengde termijnen.
Volgens artikel 333 WIB'92 kan de fiscus buiten de gewone driejarige termijn enkel onderzoeksdaden stellen indien zij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en nauwkeurig in kennis stelt. Gebeurt dit niet, dan is de daaropvolgende aanslag nietig.
Eind 2022 werd deze waarborg aanzienlijk afgezwakt. De voorafgaande kennisgeving was toen enkel nog verplicht bij toepassing van de fraudetermijn. In andere gevallen, zoals bij complexe aangiften zonder fraude-indicaties, kon de fiscus controles uitvoeren zonder voorafgaande melding. Ook de vereiste dat de kennisgeving “nauwkeurig” moest zijn, werd versoepeld.
Met de Wet van 18 december 2025 keert de wetgever terug naar de regeling van vóór aanslagjaar 2023. Voortaan geldt opnieuw dat de fiscus na afloop van de gewone termijn enkel verder onderzoek mag verrichten mits een voorafgaande, schriftelijke en voldoende gemotiveerde kennisgeving. Dit principe, opgenomen in artikel 333, derde lid WIB'92, werd niet alleen hersteld, maar ook expliciet bevestigd door de wetgever.
Voor belastingplichtigen vormt dit een essentieel procedureel beschermingsmechanisme, omdat zij tijdig en duidelijk moeten weten waarom de fiscus haar controle uitbreidt
Administratieve toelichting door de fiscus
Om de verschillende controle- en aanslagtermijnen te verduidelijken, publiceerde de fiscale administratie haar circulaire 2026/C/1 van 2 januari 2026, waarin de toepasselijke termijnen vanaf aanslagjaar 2023 schematisch worden weergegeven.
Hoewel een circulaire geen bindende rechtsbron is voor de belastingplichtige, biedt zij wel inzicht in de manier waarop de administratie de nieuwe regels toepast.
Bewaartermijnen opnieuw beperkt tot zeven jaar
De hervorming werkt logisch door in de bewaarplicht voor documenten en boekhoudkundige stukken. Waar belastingplichtigen tot voor kort verplicht waren hun documenten tien jaar bij te houden, geldt voortaan opnieuw een bewaartermijn van zeven jaar.
Deze termijn is van toepassing op zowel:
- papieren documenten;
- elektronische gegevens en boekhoudbestanden.
De aanpassing zorgt voor meer proportionaliteit tussen controlebevoegdheden en administratieve lasten.
Wat verandert er voor de btw?
Ook in de btw-regelgeving volgt de wetgever dezelfde beweging:
- een zevenjarige verjaringstermijn bij fraude (art. 81bis Wetboek btw);
- een verplichte en nauwkeurige voorafgaande kennisgeving bij toepassing van de fraudetermijn (art. 84ter Wetboek btw);
- een bewaarplicht van zeven jaar voor documenten en elektronische gegevens (art. 60, § 3 en 4 Wetboek btw).
Een belangrijk verschil met de inkomstenbelastingen blijft bestaan: in de btw is er geen wettelijke onderzoekstermijn. De controlebevoegdheid van de administratie wordt uitsluitend begrensd door de bewaartermijn.
Bij gezamenlijke controles (inkomstenbelastingen en btw) moeten beide controleurs zich strikt houden aan hun eigen wettelijke regels. Informatie die op rechtmatige wijze werd verkregen, mag wel tussen de administraties worden gedeeld.
Conclusie
Met de hervorming van de onderzoeks-, aanslag- en bewaartermijnen keert de wetgever terug naar een evenwichtiger fiscaal controlesysteem. Belastingplichtigen krijgen opnieuw meer rechtszekerheid en procedurele bescherming, terwijl de fiscus haar controlebevoegdheden behoudt in geval van fraude. De herbevestiging van de voorafgaande en nauwkeurige kennisgeving vormt daarbij een cruciale waarborg.
aternio volgt de fiscale en juridische actualiteit op de voet en helpt ondernemers en particulieren.
Volg aternio op LinkedIn voor meer finance, tax & legal nieuws.
Sophie Claeys
Bron: Wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, BS 30 december 2025.