BTW en esthetische prestaties in groepspraktijken: wie moet rapporteren?
De btw-behandeling van niet-therapeutische esthetische prestaties blijft in medische en tandheelkundige groepspraktijken een aandachtspunt. Vooral wanneer een groepspraktijk centraal factureert en de erelonen nadien intern verdeelt, rijst de vraag wie de esthetische omzet moet rapporteren: de groepspraktijk of de individuele arts of tandarts?
Die vraag is niet louter administratief. Zij bepaalt ook op welk niveau de drempel van 25.000 EUR voor de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis WBTW moet worden beoordeeld.
Vertrekpunt: wie verricht de prestatie?
Voor de btw moet worden nagegaan wie de prestatie verricht in eigen naam en voor eigen rekening. Die partij wordt als belastingplichtige aangemerkt voor de betrokken handeling.
In een klassieke situatie waarin een arts of tandarts zelf aan de patiënt factureert, is de individuele zorgverlener of diens professionele vennootschap de btw-plichtige. Hij of zij moet dan de niet-therapeutische esthetische omzet opvolgen en, indien van toepassing, rapporteren.
Dat ligt anders wanneer de prestaties worden verricht via een groepspraktijk of professionele vennootschap die zelf als btw-plichtige optreedt en in eigen naam factureert. In dat geval verschuift de rapportering naar het niveau van die vennootschap.
Professionele vennootschap of groepspraktijk als btw-plichtige
Een belangrijke administratieve referentie is de Beslissing Btw nr. E.T.127.740 van 22 maart 2016. Daaruit volgt dat bij professionele vennootschappen, met of zonder rechtspersoonlijkheid, de vennootschap zelf als belastingplichtige kan optreden wanneer zij de medische prestaties in eigen naam en voor eigen rekening verricht.
Meer bepaald blijkt uit randnrs. 31, punten 3 en 4, en randnrs. 34 en 35 van voornoemde Beslissing dat, wanneer een professionele vennootschap zelf als belastingplichtige handelt en over een btw-identificatienummer beschikt, de btw-verplichtingen op het niveau van die vennootschap worden gecentraliseerd. In die hypothese rapporteert de vennootschap de esthetische omzet en niet de individuele artsen of tandartsen afzonderlijk.
Wanneer de groepspraktijk of professionele vennootschap dus zelf factureert in eigen naam, is zij de belastingplichtige voor die prestaties. Zij staat dan in voor de btw-identificatie, de rapportering en de eventuele listing van de esthetische omzet (.
De individuele artsen of tandartsen moeten diezelfde prestaties dan niet nog eens afzonderlijk opnemen.
Geen dubbele rapportering voor dezelfde prestatie
In de praktijk wordt soms verdedigd dat zowel de groepspraktijk als de individuele zorgverleners zouden moeten rapporteren, bijvoorbeeld door de esthetische omzet te verdelen volgens de interne verdeelsleutel of het doorbetaalde percentage.
Die benadering is moeilijk verdedigbaar. Zij combineert twee systemen die niet tegelijk kunnen gelden voor dezelfde handeling: enerzijds de groepspraktijk als btw-plichtige; anderzijds de individuele arts of tandarts als btw-plichtige voor diezelfde prestatie.
Voor de btw is niet de interne vergoeding doorslaggevend, maar de juridische toerekening van de prestatie. Eén en dezelfde esthetische ingreep kan niet tegelijk aan twee afzonderlijke belastingplichtigen worden toegerekend. Anders ontstaat een dubbele rapportering van dezelfde omzet.
Artikel 56bis WBTW: drempel per belastingplichtige
De vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis WBTW wordt beoordeeld per belastingplichtige. Dat betekent concreet:
- factureert de individuele arts of tandarts zelf, dan wordt de drempel op zijn of haar niveau beoordeeld;
- factureert de groepspraktijk of professionele vennootschap in eigen naam, dan wordt de drempel op het niveau van die vennootschap beoordeeld;
- oefent een arts of tandarts daarnaast nog eigen activiteiten uit buiten de groepspraktijk, dan moeten die afzonderlijk worden opgevolgd.
Een zorgverlener kan dus in verschillende hoedanigheden actief zijn. Dat leidt echter enkel tot afzonderlijke btw-verplichtingen voor onderscheiden prestaties, niet voor één en dezelfde esthetische handeling.
Ziekenhuis of privékliniek: centrale inning is niet altijd doorslaggevend
Bij ziekenhuizen en privéklinieken kan de situatie anders liggen. Daar komt het geregeld voor dat de instelling de erelonen centraal int, maar dit doet in naam en voor rekening van de arts. In dat geval blijft de arts of diens vennootschap in principe de belastingplichtige voor de betrokken prestaties, tenzij een bijzondere regeling van toepassing is waarbij het ziekenhuis of de kliniek bepaalde formaliteiten technisch op zich neemt.
Dit bevestigt vooral dat centrale inning op zich niet volstaat om te bepalen wie btw-plichtige is. Doorslaggevend blijft steeds: wie handelt juridisch in eigen naam en voor eigen rekening?
Doorfacturatie van producten: fillers, botox en andere kosten
Ook de doorrekening van producten verdient aandacht. Wanneer een artsen- of tandartsenvennootschap producten zoals fillers of botox in eigen naam aankoopt en nadien doorrekent, gaat het doorgaans niet om een zuivere kostenverdeling buiten btw.
Die bedragen kwalificeren in principe als btw-relevante omzet: hetzij als onderdeel van de esthetische prestatie, hetzij als afzonderlijke levering van goederen. Past de vennootschap de vrijstellingsregeling van artikel 56bis WBTW toe, dan worden deze bedragen zonder btw gefactureerd, maar tellen zij wel mee voor de drempel van 25.000 EUR.
Vrijgestelde medische prestaties in de zin van artikel 44 WBTW blijven daarentegen buiten beschouwing voor die drempel.
Praktische aandachtspunten voor groepspraktijken
Voor groepspraktijken is het essentieel om de juridische en administratieve organisatie consequent te documenteren. Daarbij zijn onder meer volgende vragen relevant:
- wie factureert aan de patiënt;
- wie treedt op in eigen naam;
- aan wie komen de erelonen juridisch toe;
- wie is btw-geïdentificeerd;
- oefenen de individuele zorgverleners daarnaast nog eigen activiteiten uit.
Een consequente kwalificatie voorkomt dat dezelfde omzet dubbel wordt gerapporteerd of dat de drempel van artikel 56bis WBTW op het verkeerde niveau wordt beoordeeld.
Besluit
De rapportering van esthetische omzet gebeurt door de belastingplichtige die de prestatie verricht in eigen naam en voor eigen rekening.
Is dat de individuele arts of tandarts, dan rapporteert hij of zij zelf. Is dat de groepspraktijk of professionele vennootschap, dan gebeurt de rapportering op dat niveau.
De administratieve beslissing Btw nr. E.T.127.740 van 22 maart 2016 is op dit punt duidelijk: wanneer een professionele vennootschap zelf als belastingplichtige optreedt en over een btw-identificatienummer beschikt, worden de btw-verplichtingen op dat niveau gecentraliseerd. In die hypothese rapporteert de vennootschap de esthetische omzet.
Voor dezelfde esthetische prestatie is er in principe geen dubbele rapportering. De interne verdeling van de erelonen wijzigt niets aan die btw-toerekening.
Volg aternio op LinkedIn voor meer finance, tax & legal nieuws.
Johan Lemmens
Bron: Beslissing Btw nr. E.T.127.740 dd. 22.03.2016