Beroepskosten die betrekking hebben op de toekomst kunnen fiscaal toch worden afgetrokken van het belastbaar resultaat in het jaar waarin ze werkelijk worden betaald of gedragen. Het is in de huidige stand van de fiscale wetgeving nog steeds mogelijk om op die manier met vooruitbetaalde kosten een éénmalige belastingbesparing te realiseren.

Vooruitbetaalde kosten en boekhoudkundige verwerking

Op basis van het boekhoudrecht moeten vooruitbetaalde kosten worden toegerekend aan het boekjaar waarop zij betrekking hebben. In concreto betekent dit dat kosten die in de boekhouding werden opgenomen maar die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een later boekjaar, als ‘over te dragen kosten’ moeten worden opgenomen op het actief van de balans.

Mutatis mutandis geldt dit ook voor de ontvangen opbrengsten die betrekking hebben op de toekomst, i.e. opname op het passief onder de rubriek ‘over te dragen dragen opbrengsten’. Via de techniek van de overlopende rekeningen wordt aldus de juiste economische toewijzing gerespecteerd en krijgt men een getrouw beeld van de onderneming.

Hoe zit het fiscaal ?

De relatie tussen boekhoudrecht en fiscaal recht is duidelijk: het belastbaar resultaat wordt bepaald door de boekhoudregels, tenzij de fiscale wetgeving in een uitdrukkelijke afwijking voorziet.

Wat betreft de over te dragen opbrengsten voorziet de fiscale wetgeving niet in een expliciete afwijking waardoor de fiscus de opbrengstoverdracht,  middels overlopende rekening, naar één of meer volgende boekjaren moet aanvaarden. Dergelijk geboekte opbrengsten worden dus later belast.

Voor vooruitbetaalde kosten voorziet de fiscale wet met artikel 49, tweede lid WIB 1992 wel in een expliciete uitzondering.¬†Artikel 49 WIB 1992 stelt dat “als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt“. Met andere woorden het is toegelaten om vooruitbetaalde beroepskosten ineens in aftrek te nemen door ze volledig in kosten te boeken. Dit is niet meer of min dan een zuivere toepassing¬†van¬†het zogenaamde ‚Äú√©√©njarigheidsbeginsel‚ÄĚ zoals voorzien in artikel 360 WIB 1992.

Toepassing

Een belastingplichtige die van de fiscale uitzondering gebruik wenst te maken zal de boekhoudregels moeten overtreden. Naleving van de boekhoudkundige spelregels, lees boeking via een overlopende rekening, sluit immers uit dat de vooruitbetaalde kosten ineens in aftrek kunnen worden genomen.  Om onmiddellijk aftrekbaar te zijn vereist de fiscale wet de rechtstreekse boeking als kost door de belastingplichtige.

Het feit dat hierdoor de boekhoudregels niet worden gerespecteerd is fiscaal irrelevant. De fiscus mag zich niet beroepen op de niet-naleving van boekhoudkundige bepalingen om een aftrek van een beroepskost te weigeren, zo niet zou een voorwaarde worden toegevoegd aan de wet. Op basis van het fiscaal legaliteitsbeginsel van artikel 170 van de Grondwet heeft de belastingplichtige zonder meer recht op de onmiddellijke aftrek van de werkelijk betaalde of gedragen kosten.

In de praktijk kunnen zo bijvoorbeeld vooruitbetaalde huurkosten van onroerende en roerende goederen rechtstreeks worden geboekt in kosten, zelfs al hebben ze betrekking op een toekomstig tijdperk. Dit biedt fiscale opportuniteiten voor het verschuiven van winsten van een winstgevende naar een verlieslatende vennootschap. Maar ook privé-personen kunnen beter worden van de juiste boekingskeuze. Denk hierbij aan de privé-verhuurder die zo de vooruitbetaalde huur gespreid in de tijd opneemt in de aangifte personenbelasting en de vennootschap-huurder voor wie de betaalde huur ineens aftrekbaar is.

Conclusie

Er schuilen fiscale kansen in het miskennen van de boekhoudregels. Een boeking conform artikel 49 WIB 1992 overstijgt de bepaling van het boekhoudrecht. Het rechtstreeks boeken van vooruitbetaalde maar toekomstige kosten ten laste van de resultatenrekening vormt weliswaar een inbreuk op de boekhoudregels, maar belet niet dat men kan genieten van een rechtmatig fiscaal voordeel. Een principe dat door rechtspraak en rechtsleer wordt onderschreven.