Het is inmiddels algemeen aanvaard door de Rulingcommissie dat bedrijfsleiders zich vanuit hun managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten kunnen uitkeren. Dit is een variant op het uitkeren van auteursrechten op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging. Hierna frissen we de reeds gekende criteria hiervoor nog eens op. Uit de laatste rulings blijkt echter dat de Rulingcommissie (Dienst Voorafgaande Beslissingen, DVB) bijkomende beperkingen oplegt. Is dit een manier om het populair fiscaal regime van auteursrechten in te dijken?

Basiscriteria

Het is door de Rulingcommissie aanvaard dat een bedrijfsleider zich, vanuit zijn vennootschap, een deel van de omzet als auteursrecht kan toekennen. Dit kan echter niet zomaar. De vennootschap én de bedrijfsleider dienen zich daarvoor aan volgende spelregels te houden.

Vooreerst moet het gaan om een auteursrechtelijk beschermd werk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan letterkundige werken, kunstwerken, maar ook bijvoorbeeld aan computerprogramma’s. De auteur, zeg maar de maker, moet daarbij een zekere intellectuele of artistieke inspanning geleverd hebben. Het werk moet bovendien voldoende origineel zijn en in een concrete vorm gegoten zijn. Een louter idee op zich is absoluut onvoldoende.

In de praktijk vereist de Rulingcommissie een schriftelijk overeenkomst voor de overdracht van de auteursrechten. Deze overeenkomst bevat duidelijke afspraken, zo ook over de vergoeding. Het is de logica zelf: tegenover de overdracht van auteursrechten staan vergoedingen.

Welke vergoeding?

De belangrijkste vraag blijft uiteraard hoeveel die vergoeding mag zijn. Het mag immers niet de bedoeling zijn om een volledig loon onder het mom van fiscaal gunstige auteursrechten uit te keren. Auteursrechten kunnen immers als een gunstig roerend inkomen kwalificeren.

De fiscale wet begrenst de jaarlijkse roerende inkomsten op maximaal €61.200,00 (geïndexeerd basisbedrag van €37.500,00 voor aanslagjaar 2020). Bovendien mag men op de eerste schijf van €16.320,00 (geïndexeerd basisbedrag van 10.000,00 voor aanslagjaar 2020) een forfaitaire kostenaftrek van 50% toepassen. Op de tweede schijf van  €16.320,00 mag men een kostenforfait van 25% toepassen. De inkomsten boven deze grens worden belast als divers of beroepsinkomen.

Criteria voor bedrijfsleiders met een managementvenootschap

De auteursrechten moeten steeds bovenop de gewone vergoeding voor de prestaties van de bedrijfsleider komen. Ze mogen in geen geval een vervanging van loon inhouden. Wanneer de vennootschap een deel van haar omzet aan de bedrijfsleider uitkeert als auteursrechten moet zij bovendien rekening houden met enkele beperkingen.

Zo mag de vergoeding niet tot gevolg hebben dat minder dan de helft van wat de vennootschap van derden ontvangt uit de overdracht van auteursrechten, daadwerkelijk in de vennootschap blijft. M.a.w. de vennootschap mag maximaal 50% van omzet uit auteursrechten uitkeren.

Bovendien mag de vergoeding niet meer bedragen dan de helft van het  resultaat van het boekjaar vóór belasting en vóór aanrekening van de vergoeding voor auteursrechten aan de bedrijfsleider.

Bovenvermelde beperkingen mogen er echter niet toe leiden dat de vergoeding minder dan 5% bedraagt van de netto omzet uit de exploitatie van de auteursrechtelijk beschermde werken. Hiertoe worden de relevante kosten afgetrokken van de relevante omzet uit auteursrechten. Dit impliceert ook de vergoedingen voor bijvoorbeeld de overdracht van auteursrechten aan werknemers en freelancers.

Ook moet de vennootschap rekening houden met de minimumbezolding van € 45.000,00 voor de bedrijfsleider. Indien de bezoldiging minder dan  €45.000,00 bedraagt, moet men de vergoeding voor auteursrechten beperken tot 5% van de netto creatieve omzet per bedrijfsleider.

Extra voorwaarde voor de bedrijfsleider

In haar recentste rulings van 7 mei 2019 (nr. 2019.0109 en 2019.0300) voegt de Rulingcommissie nu nog een nieuwe bijkomende voorwaarde toe voor bedrijfsleiders met een managementvennootschap.

De nieuwe beperking geldt niet enkel voor de bedrijfsleider, maar ook voor andere medewerkers voor de omzet uit auteursrechten zorgen. In dat geval moet men de vergoeding van de bedrijfsleider beperken in functie van de vergoeding aan de andere medewerkers.

Concreet mag de vergoeding voor auteursrechten, in geen geval hoger zijn dan het tweevoud van het gemiddelde van de vergoeding voor auteursrechten die de huidige en toekomstige medewerkers (werknemers of freelancers) in de loop van hetzelfde jaar ontvangen voor de overdracht van hun auteursrechten.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn dat de Rulingcommissie verwoede pogingen blijft doen om het populair regime van de auteursrechten te ontraden.

De interpretatie van de wetgeving door de Rulingcommissie evolueert in de praktijk continu. Helaas leidt dit tot té veel en té ingewikkelde criteria.  Vanuit een managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten uitkeren aan een bedrijfleider is hierdoor minder interessant.

De vergoeding die wordt bepaald op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging van de bedrijfsleider lijkt ons daarom veel eenvoudiger. Daarvoor gelden de ingewikkelde criteria immers niet.

Vragen? aternio helpt u wegwijs.