Veel zaken in het leven bestaan uit drie elementen. Zo ook de gronden van ondankbaarheid die kunnen leiden tot de ontbinding van een schenking. Het Burgerlijk Wetboek geeft in artikel 955 een limitatieve opsomming van de ondankbaarheidsgronden. Het zijn deze drie uitzonderingen die de principi√ęle regel van de onherroepelijkheid van een schenking bevestigen.

Een aanslag, minstens een poging daartoe, door de begiftigde op het leven van de schenker bijt de spits af. De begiftigde die zich tegenover de schenker schuldig maakt aan fysieke of morele mishandelingen, persoons- of vermogensmisdrijven of opzettelijke grove beledigingen loopt eveneens het risico op ontbinding van de schenking. De derde grond ten slotte is misschien niet zo bekend maar daarom niet minder interessant: de begiftigde weigert om de schenker levensonderhoud te verschaffen.

Wat een begiftigde van een schenking zich vermoedelijk onvoldoende realiseert is het feit dat door het aanvaarden van de schenking een impliciete onderhoudsplicht ontstaat. De verplichting is impliciet vermits de begiftigde zich ervan moet onthouden om op onrechtmatige wijze te weigeren levensonderhoud te verschaffen aan de behoeftige schenker. Er rust op de begiftigde m.a.w. een positieve verplichting.

Weigering om levensonderhoud te verschaffen

Een weigering om levensonderhoud te verschaffen kan een daad van ondankbaarheid zijn die kan leiden tot de ontbinding van de schenking. Vooraleer men kan besluiten tot ondankbaarheid zijn er zijn wel enkele voorwaarden te vervullen. Met name moet:
(a) de schenker behoeftig zijn;
(b) de schenker de kosten van levensonderhoud via een aanmaning eisen van de begiftigde;
(c) de begiftigde in staat zijn levensonderhoud aan de schenker te verschaffen; én
(d) de begiftigde dit op onrechtmatige wijze weigeren.

Behoeftigheid betekent dat men niet kan beschikken over datgene wat noodzakelijk is om een menswaardig bestaan te leiden. De meerderheid van de rechtspraak oordeelt dat het irrelevant is dat de behoeftige schenker zich tot andere instellingen of personen zou kunnen richten dan de begiftigde om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Ontbinding van de schenking is de facto de sanctie indien de begiftigde weigert aan de behoeftige schenker levensonderhoud te verschaffen. De begiftigde is er evenwel niet toe gehouden levensonderhoud te voorzien voor meer dan wat hij heeft gekregen.

Een weigering door de begiftigde moet daarenboven foutief of onrechtmatig zijn. De uiteindelijke beoordeling hiervan behoort toe aan de bevoegde rechter die rekening zal houden met alle feitelijke elementen. De feitenrechter heeft hierin een ruime beoordelingsbevoegdheid. Vanzelfsprekend is de behoeftigheid van de schenker essentieel. In ieder geval zal de begiftigde geen positief gevolg hebben gegeven aan het expliciet verzoek van de schenker.  De begiftigde moet natuurlijk zelf over voldoende middelen beschikken om in het levensonderhoud van de schenker te kunnen voorzien.

Vordering tot ontbinding

Een klassieke gedwongen uitvoering op basis van ondankbaarheid is in principe niet mogelijk. Eventueel kan een vordering van levensonderhoud worden gevorderd op basis van de wettelijke onderhoudsplicht voorzien in art. 205 en 206 BW, o.a. jegens (klein)kind of schoonkind. Dit kan uiteraard enkel wanneer de begiftigde behoort tot deze categorie van wettelijke onderhoudsplichtigen. Wat indien dit niet zo is, wat rest de behoeftige schenker dan?

De enige mogelijkheid waarover de behoeftige schenker beschikt is de vordering tot ontbinding wegens ondankbaarheid van de begiftigde. De vordering is persoonlijk, enkel de behoeftige schenker kan de ontbinding van de schenking vorderen. Het wetboek voorziet wel dat erfgenamen van de schenker de ontbinding kunnen vorderen indien de overleden schenker de eis reeds had ingesteld of indien de schenker is overleden binnen het jaar na de weigering. Na het overlijden van de ondankbare begiftigde kan de schenker de herroeping vorderen tegen de erfgenamen van de begiftigde.

Hoewel het Burgerlijk Wetboek spreekt over herroeping van de schenking, betreft het wel degelijk een vordering tot ontbinding. In geen geval kan een schenking wegens ondankbaarheid van rechtswege ontbonden worden.

De termijn waarbinnen de vordering tot ontbinding wegens ondankbaarheid moet worden ingesteld is van groot belang. Want het is een vervaltermijn, schorsing of stuiting van verjaring zijn bijgevolg niet mogelijk. Na het verstrijken van de termijn ontstaat een onweerlegbaar vermoeden van vergiffenis door de schenker aan de begiftigde.

De vordering tot ontbinding wegens ondankbaarheid moet door de schenker worden ingesteld binnen het jaar te rekenen vanaf de dag van de weigering tot het verschaffen van levensonderhoud.

Gevolgen van de ontbinding

In geval van ontbinding van de schenking wegens ondankbaarheid worden de schenker en de begiftigde teruggeplaatst in de staat waarin ze zich zouden bevonden hebben indien de schenking niet was gebeurd. De begiftigde moet bijgevolg de geschonken goederen teruggeven. Eventuele waardevermeerderingen of waardeverminderingen sinds de schenking komen ten goede respectievelijk ten laste van de schenker.

Bij de ontbinding van de schenking van een geldsom heeft de schenker enkel recht op de terugbetaling van het nominale bedrag op het ogenblik van de schenking. Er zijn door de begiftigde geen compensatoire interesten verschuldigd aan de schenker om zo de geschonken geldsom alsnog te herwaarderen.

Indien de geschonken goederen door de begiftigde zijn vervreemd dan is er teruggaveplicht bij equivalent. Hetgeen impliceert dat de begiftigde gehouden is tot teruggave van de waarde van de geschonken goederen op het tijdstip van de eis, en tot teruggave van de vruchten vanaf de dag van de eis.

Conclusie

Foutief weigeren levensonderhoud te verschaffen aan de behoeftige schenker is een grond van ondankbaarheid in hoofde van de begiftigde. De behoeftige schenker die zich geconfronteerd weet met een weigerende begiftigde kan, behoudens autonome gronden tot vorderen van levensonderhoud, enkel terugvallen op de vordering tot ontbinding van de schenking.

Gezien het zwaar sanctionerend karakter van dergelijke vordering behoort het aan de feitenrechter om te oordelen over de behoeftigheid van de schenker en het al dan niet foutieve karakter van de weigering door de begiftigde.

Een schenker die zich vooraf beter wil beschermen kan overwegen om te schenken met een last die bestaat uit de tussenkomst in de kosten van levensonderhoud van de schenker. Hierbij kan dan bijvoorbeeld gedetailleerd en limitatief worden opgesomd wat het levensonderhoud concreet zal inhouden.

Schenken doe je best niet over één nacht ijs. aternio kan u hierin bijstaan.