Met de intrede van het  nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) is een dubbele test ingevoerd wanneer een besloten vennootschap (of een coöperatieve vennootschap) beslist om tot een uitkering over te gaan. Het gaat om de liquiditeitstest en de netto-actieftest.

Het doel van beide tests is belanghebbenden beschermen nu het mogelijk is om een kapitaalloze vennootschap te vormen met beperkte aansprakelijkheid. Het verdwijnen van het minimum kapitaal in de besloten vennootschap (bv) heeft dus een prijs. Het is vooral de liquiditeitstest die in de praktijk zal zorgen voor tandengeknars en hersenbrekers bij het bestuur. We leggen uit waarom.

Waarom een dubbele test?

Vanuit een traditionele opvatting neemt men aan dat kapitaal in een vennootschap twee doelen heeft. In de eerste plaats moet het kapitaal ervoor zorgen dat er voldoende vermogen is om de activiteiten te verrichten die de vennootschap tot voorwerp heeft. Vervolgens moet kapitaal er  voor zorgen dat er voldoende financiële middelen aanwezig zijn om de schuldeisers te betalen. In de besloten vennootschap is er geen sprake meer van kapitaal.

De wetgever heeft daarom twee mechanismen ingevoerd die mee moet zorgen voor de nodige waarborgen. De netto-actieftest moet verhinderen dat het vennootschapsvermogen ten gevolge van uitkeringen negatief wordt of zou dalen tot beneden het bedrag van het onbeschikbare eigen vermogen. Het bestuursorgaan van de vennootschap moet middels de liquiditeitstest nagaan of de vennootschap ten gevolge van uitkeringen aan de aandeelhouders wel in staat blijft om de opeisbare schulden te betalen.

Beide tests zijn zoals een Siamese tweeling onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze treffen elke uitkering. Er is geen onderscheid tussen dividenden, tantièmes of andere soortgelijke verrichtingen zoals de inkoop van eigen aandelen, de financiële steunverlening of het scheidingsaandeel bij uittreding van een aandeelhouder. De terugbetaling van eerdere inbrengen in geld of in natura van de aandeelhouders  kwalificeren eveneens als uitkering.

Een beslissing tot uitkering heeft slechts uitwerking nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de uitkering niet tot gevolg heeft dat de vennootschap haar opeisbare schulden gedurende een periode van minstens twaalf maanden niet zou kunnen voldoen.

Wanneer de liquiditeitstest uitvoeren?

Een uitkering kan enkel gebeuren na beslissing door de algemene vergadering of, mits statutaire delegatie, door het bestuursorgaan. Dergelijke beslissing moet vooreerst gebeuren op grond van de netto-actieftest. Basis hiervoor is de laatst goedgekeurde jaarrekening, of een recentere staat van activa en passiva, waaruit blijkt dat het netto-actief voldoende is om een uitkering te doen. Na deze beslissing tot uitkering zal het bestuursorgaan via de liquiditeitstest formeel nagaan of er tot effectieve uitbetaling kan worden overgegaan.

Er zijn evenwel geen wettelijke termijnen vastgelegd waarbinnen het bestuur de liquiditeitstest moet uitvoeren. De logica zegt dat de tijd tussen de liquiditeitstest en de werkelijke uitbetaling van de uitkering zo kort mogelijk moet zijn. Bovendien is er de onvermijdelijke band met de netto-actieftest. Een positieve netto-actieftest is nochtans geen garantie voor een positieve liquiditeitstest. Het verdient daarom aanbeveling om de liquiditeitstest voor te bereiden voorafgaand aan het besluit tot uitkering van de algemene vergadering of het hiertoe statutair bevoegd bestuursorgaan.

Het bestuursorgaan verantwoordt haar besluit in een bijzonder verslag.

Wat is de basis voor de liquiditeitstest?

Het bestuur steunt haar beslissing op basis van redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen. In het bijzonder moet de financiële positie van de vennootschap het toelaten om, na de uitkering, haar schulden te voldoen naarmate hun opeisbaarheid over een periode van ten minste twaalf maanden te rekenen van de datum van de uitkering. De fundamenten voor het besluit van het bestuur zijn historische en prospectieve boekhoudkundige en financiële gegevens.

De jaarrekening vormt slechts een eerste vertrekpunt zijn, aangezien het bestuur hoofdzakelijk moet kijken naar de toekomstige ontwikkelingen. Inzake de historische boekhoudkundige en financiële gegevens zijn vooral de elementen relevant die het werkkapitaal bepalen. Uiteraard zijn de historische gegevens opgesteld conform de door de vennootschap gehanteerde waarderingsregels.

De prospectieve boekhoudkundige en financiële gegevens zijn cruciaal. Het bestuur moet immers vooral inzicht hebben in het toekomstig voldoen van de schulden en verplichtingen. Vanuit die optiek vertrekt het bestuur van veronderstellingen die een redelijke basis moeten vormen voor de toekomstgerichte boekhoudkundige en financiële gegevens. Typisch voor toekomstgerichte financiële informatie is dat deze gestoeld is op gebeurtenissen en acties die zich nog niet hebben voorgedaan en die zich misschien ook niet zullen realiseren. Het is een enorme verantwoordelijkheid die rust op het bestuur. Zorgvuldigheid en voorzichtigheid zijn de ordewoorden. Dit alles in de wetenschap dat er nooit volledige zekerheid zal zijn over de aanvaardbaarheid van de gemaakte veronderstellingen.

Toekomstgerichte boekhoudkundige en financiële informatie

Subjectiviteit is hierbij nooit veraf. Bij toekomstgerichte financiële informatie steunt men op verwachtingen omtrent toekomstige gebeurtenissen en mogelijke acties. Het is belangrijk om de juiste afwegingen te maken bij het opstellen van prognoses (“best-estimate assumptions”) en/of projecties. Het IBR verstaat onder  ‘projectie’ die toekomstgerichte financiële informatie welke is gebaseerd op (a) hypothetische veronderstellingen (“hypothetical assumptions”) waarvan niet zeker is dat ze effectief zullen plaatsvinden of (b) een combinatie van prognoses en hypothetische veronderstellingen.

Prognoses vinden alleszins hun grondslag in een redelijk opgesteld kasstroomoverzicht en hypothetische veronderstellingen vinden op een juiste wijze aansluiting met de toekomstgericht financiële informatie. Het bestuur licht alles wat enigszins van materieel belang is toe in het bijzonder verslag. Tevens vermeldt het bestuur duidelijk of het over prognoses dan wel hypothetische assumpties gaat.

Ook de toekomstgerichte financiële informatie heeft in principe dezelfde grondslag als de historische financiële informatie. M.a.w. de cijfers zijn opgesteld volgens dezelfde basisprincipes als deze die gebruikt worden voor het opstellen van de jaarrekening. Indien het bestuur hiervan wil afwijken zal zij dit op een passende en toereikende manier verantwoorden in het verslag.

Vorm van het verslag

De liquiditeitsbeoordeling steunt niet alleen op boekhoudkundige maar ook op financiële gegevens, zowel historisch als toekomstig van aard. Zoals reeds vermeld zal het bestuur de liquiditeitstest uitvoeren aan de hand van een kasstroomoverzicht. Dit kasstroomoverzicht neemt bij voorkeur de vorm aan van een financieel plan. Dit plan maakt integraal deel uit van het bijzonder bestuursverslag.

Uit het verslag blijkt of, volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen na de uitkering, de vennootschap in staat zal zijn haar schulden te betalen naarmate deze opeisbaar worden over een periode van ten minste twaalf maanden te rekenen van de datum van de uitkering. De termijn van twaalf maanden is een minimumtermijn. Er moet dus rekening worden gehouden met kennis van gebeurtenissen die buiten deze termijn een belangrijke impact kunnen hebben op de liquiditeitspositie. Een eventuele (rechterlijke) toetsing achteraf zal slechts marginaal zijn.

Er is geen neerleggings- of publicatieverplichting voor het verslag. Evenmin is het verslag van het bestuur op straf van nietigheid voorgeschreven. Vanzelfsprekend is het bestuursorgaan in alle omstandigheden  eindverantwoordelijk voor de beslissing tot effectieve uitbetaling van de uitkering. Hetgeen resulteert in hoofdelijke aansprakelijkheid tegenover de vennootschap en derden voor alle daaruit voortvloeiende schade.

Conclusie

De prijs voor de kapitaalloze besloten vennootschap resulteert in een grotere verantwoordelijkheid voor het bestuur. De combinatie van de netto-actieftest en de liquiditeitstest verhogen immers de bijhorende aansprakelijkheid van het bestuursorgaan. Het besluit tot uitkering van de algemene vergadering of het hiertoe statutair bevoegd bestuursorgaan heeft immers pas uitwerking nadat alle genoemde stappen zijn doorlopen.

Het bestuur van een besloten vennootschap zal voortaan extra aandachtig en voorzichtig moeten zijn bij effectieve uitkeringen. Een degelijk onderbouwd bijzonder verslag is op zijn plaats. Het stelt het bestuur in staat om zich te verdedigen indien de rechtsgeldigheid van een uitkering  wordt betwist. Het indekken van deze verantwoordelijkheid zal bij heel wat vennootschappen een effectieve financiële kostprijs hebben. In veel gevallen zal het bestuur zich bij het opstellen van het bijzonder verslag immers laten bijstaan door haar accountant.

aternio helpt u graag indien u vragen hebt over uw vennootschap.

Bron: IBR, Advies 2019/13, 30 augustus 2019.