Op 23 april 2021 heeft de FOD Financiën een circulaire (nr.2021/C/36) gepubliceerd over de toepassing van de verlaagde roerende voorheffing (VVPRbis) bij de uitkering van interimdividenden en tussentijdse dividenden. Enkele onduidelijkheden uit de praktijk zijn daarbij uitgeklaard.

VVPRbis: de voorwaarden

First things first. Wat is VVPRbis nu weer?

Indien aan alle voorwaarden van artikel 269§2 WIB’92 is voldaan, kunnen KMO’s sinds juli 2013 dankzij het VVPRbis-regime bij een latere dividenduitkering genieten van een verlaagde roerende voorheffing van 15 of 20%, in plaats van het standaardtarief van 30%.

In het bijzonder geldt het verlaagde tarief van 20% voor dividenden die toekomen aan nieuwe aandelen, voor zover zij zijn “verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng”. Het tarief daalt verder naar 15% wanneer de dividenden worden “verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng”.

Wat was het probleem?

In principe is het de jaarlijkse algemene vergadering die ‘gewone dividenden’ toekent.

De toekenning van ‘interimdividenden’ is daarentegen een beslissing van het bestuursorgaan. Interimdividenden hebben -kort gesteld- betrekking op de winst van het lopende boekjaar. Sinds de invoering van het WVV kan men voortaan ook interimdividenden toekennen in bv’s. Voor nv’s bestond deze mogelijkheid al langer. De statuten moeten wel in deze mogelijkheid voorzien.

Daarnaast zijn ook ‘tussentijdse dividenden’ door de rechtspraak en rechtsleer algemeen aanvaard. De algemene vergadering kan daarbij op elk moment tijdens het boekjaar beslissen tot dividenduitkering. Dit gebeurt door een onttrekking aan de beschikbare reserves en/of uit de overgedragen winst.

Een interimdividend en een tussentijds dividend hebben dus een verschillende oorsprong, maar ze worden beide in de winstverdeling van het lopende boekjaar opgenomen.

Met betrekking tot de toepassing van VVPRbis bij interimdividenden en tussentijdse dividenden, rezen er in praktijk heel wat vragen, zoals: maakt het uit of een dividend door de algemene vergadering dan wel door het bestuur wordt toegekend? En: aan welk boekjaar moeten we de dividenduitkering toekennen (om het exacte tarief te kunnen bepalen)?

Algemene vergadering of bestuur: maakt niet uit

Over de vraag of de toekenning van een dividend voor de toepassing van VVPRbis door een algemene vergadering dan wel door het bestuur moet gebeuren is de circulaire duidelijk: het maakt niet uit.

Ze verwijst hiervoor naar een antwoord op een parlementaire vraag die reeds dateert van 2017.

“De wettelijke bepalingen schrijven niet voor op welke wijze de winstverdeling moet gebeuren, al dan niet door de algemene vergadering.”

Oorsprong van de winst

Verder stelt de Administratie in haar circulaire dat een interimdividend en een tussentijds dividend weliswaar een verschillende oorsprong hebben, maar dat ze beide in de winstverdeling van het lopende boekjaar opgenomen worden.

Dat boekjaar is bijgevolg doorslaggevend om te bepalen of het om het tweede, dan wel om het derde (of een volgend) boekjaar gaat “na dat van de inbreng”, en dus om te bepalen of het tarief 20%, dan wel 15% is.

Voorbeeld

Om dit alles nog eens te verduidelijken, gebruikt de cirulaire volgend voorbeeld:
Een vennootschap is opgericht in november 2015. Haar eerste boekjaar sluit af op 31 december 2016. Op 30 november 2019 keert zij een interimdividend uit. Dit interimdividend maakt deel uit van de winstverdeling van het lopende boekjaar 2019. Het is dus toegekend uit de winstuitkering van het derde boekjaar (2019) na het boekjaar van de inbreng (november 2015 – 31 december 2016). Het verlaagd tarief van de roerende voorheffing bedraagt dus 15%.

Samenvatting

Voor zover aan alle andere wettelijke voorwaarden is voldaan, kan een belastingplichtige bij de toekenning van interimdividenden of tussentijdse dividenden genieten van de verlaagde roerende voorheffing (VVPRbis). Dit werd recent nog bevestigd in de administratieve circulaire van 23 april 2021.