De fiscale minimale bezoldiging van een bedrijfsleider

De belastinghervorming is niet onbesproken. Het belastingtarief voor een vennootschap bedraagt voor 2018 en 2019 (aanslagjaar 2019/2020) in principe 29%. Dit daalt in 2020 verder tot 25% voor vennootschappen waarvan boekjaar start op 1 januari 2020 (aanslagjaar 2021).

Daarnaast geldt vanaf 1 januari 2018 (aanslagjaar 2019) evenwel een nieuw verlaagd tarief van 20,40% vennootschapsbelasting op de eerste 100.000 EUR winst voor KMO’s die een minimale bezoldiging uitkeren aan hun bedrijfsleider (meer de crisisbijdrage).

Enkel als de vennootschap deze minimale bezoldiging uitkeert, kan zij genieten van het verlaagd tarief. In deze blog gaan we even dieper in op de veranderingen terzake.

Oude regeling – verlaagd opklimmend tarief

De vennootschapsbelasting voor KMO’s is lange tijd gekenmerkt door een verlaagd opklimmend tarief. Het tarief stijgt dan geleidelijk aan, naarmate het belastbaar inkomen hoger is. Zodra het inkomen een bepaalde grens heeft bereikt, gaat het over op het gewoon tarief.

Cijfers spreken hier misschien boekdelen:

  • op de schijf van 0 tot 25.000 EUR : 24,25% belastingen;
  • van 25.000 EUR tot 90.000 EUR : 31% belastingen;
  • van 90.000 EUR tot 322.500 EUR : 34,5% belastingen;
  • vanaf 322.500 EUR: gewoon tarief 33%; en
  • alle percentages vermeerderd met een aanvullende crisisbijdrage.

KMO’s staat hier niet gelijk aan kleine vennootschappen in de zin van het vennootschapsrecht. Om toegang te krijgen tot het verlaagd opklimmend tarief gold slechts één basisvoorwaarde: een belastbaar inkomen hebben dat niet hoger was dan 322.500 euro.

Één van de bijkomende voorwaarden was dat de vennootschap aan minstens één van haar bedrijfsleiders een bezoldiging toekent van minstens 36.000 euro.

Één van de nadelen was dan weer dat KMO’s met een belastbaar inkomen van meer dan 322.500 euro geen enkel tariefvoordeel meer genoten.

Nog meer frappant, grote en zelf heel grote vennootschappen konden wel genieten van het verlaagd opklimmend tarief.

Nieuwe regeling – Algemeen

Met ingang vanaf 1 januari 2018 komen de KMO’s nu in aanmerking voor een verlaagd belastingtarief van 20,40% (meer de crisisbijdrage). Niet alleen het tarief, maar ook de voorwaarden zijn gewijzigd.

Zoals in de oude regeling geldt ook voor de toepassing van het verlaagd tarief, dat de vennootschap aan minstens één van haar bedrijfsleiders een bepaalde minimumbezoldiging moet toekennen.

Nieuwe regeling – Iedereen bedrijfsleider?

Het al lang een uitgemaakte zaak dat enkel bezoldigingen uitgekeerd aan natuurlijke personen in aanmerking komen.

Dit kan bijgevolg een probleem opleveren voor de vennootschappen die bestuurd worden door een bestuurder-vennootschap. Deze bestuurders dienen wel een vaste vertegenwoordiger aan te duiden die op haar beurt dan weer een natuurlijke persoon is.  U kan alle nieuwtjes over de vaste vertegenwoordiger nalezen in onze eerdere bijdrage.
Maar, deze vaste vertegenwoordiger ontvangt zijn vergoeding niet van de vennootschap waarin het bestuurdersmandaat wordt uitgeoefend. In de betreffende vennootschap is er bijgevolg geen natuurlijke persoon bedrijfsleider aanwezig aan wie de minimale bezoldiging wordt toegekend.

De bedrijfsleider is die bestuurder die een leidende functie heeft. Het kan diegene zijn die het dagelijks bestuur uitoefent, maar dan mag deze niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst. Ingevolge het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn de bestuurders altijd verplicht zelfstandig! Enkel de dagelijks bestuurder kan nog verbonden zijn aan de vennootschap door een arbeidsovereenkomst.

Een aandachtspunt als de vennootschap wil gebruik maken van het verlaagd tarief.

Nieuwe regeling – Alles bezoldiging?

Als bezoldigingen van bedrijfsleiders moet onder meer worden aangemerkt:

  • de eigenlijke bezoldigingen, met inbegrip van tantièmes en de management fees die een vennootschap betaalt (anders dan als terugbetaling van de eigen kosten van de werkgever);
  • de voordelen van alle aard: denk bijvoorbeeld aan de doktersvennootschap die kosten heeft gemaakt aan een huis dat zij aankocht en gratis ter beschikking stelde als woonst aan haar bestuur;
  • de geherkwalificeerde bezoldigingen: het gaat dan bijvoorbeeld om het gedeelte van het huurinkomen van de bedrijfsleider dat wordt geherkwalificeerd als een bezoldiging.

Volgens het Hof van Cassatie volstaat het niet om aan te tonen dat de kosten daadwerkelijk gedaan of gedragen werden, maar moet ook kunnen worden aangetoond dat er voor de aangerekende vergoedingen werkelijke prestaties geleverd werden (Cass. 15 oktober 2015) en dat de hoogte van de aangerekende vergoeding marktconform is.

Het belang van een managementovereenkomst kan hier niet genoeg onderstreept worden.

Nieuwe regeling – Nieuwe limiet

De minimale bezoldiging was in de oude regeling gelijk aan 36.000 euro. In de nieuwe regeling bedraagt de minimale bezoldiging 45.000 EUR.

In de oude regeling was de voorwaarde nog geformuleerd als volgt: “op vennootschappen die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging hebben toegekend die gelijk is aan of hoger is dan het belastbare inkomen , wanneer die bezoldiging minder bedraagt dan 36.000 EUR.”

De nieuwe regeling leest: “op vennootschappen die niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging toekennen ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk die ten minste gelijk is aan 45.000 euro vanaf het vijfde belastbaar tijdperk vanaf hun oprichting zoals bedoeld in artikel 145/26, § 1, derde en vierde lid. Indien de bezoldiging minder bedraagt dan 45.000 euro, moet deze bezoldiging ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk gelijk zijn of hoger zijn dan het belastbaar inkomen van de vennootschap.(…)”.

Op het eerste zicht is er inhoudelijk op de verhoging van de limiet geen verschil.

In de nieuwe regeling is sprake van het “resultaat”, waar in de oude regeling sprake was van het “belastbaar inkomen”. Beide begrippen dekken echter dezelfde lading.

Toch een verschil gevonden?

De aandachtige lezer heeft evenwel opgemerkt dat de wetgever wél iets heeft toegevoegd.

De voorwaarde inzake de minimale bezoldiging geldt evenmin gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf de oprichting van de kleine vennootschap.

Vanaf de oprichting betekent vanaf de datum van neerlegging van de oprichtingsakte bij de griffie van de ondernemingsrechtbank. Wanneer de activiteit van de vennootschap bestaat uit de voortzetting van een werkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een andere rechtspersoon wordt de vennootschap geacht te zijn opgericht op het ogenblik van de eerste inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

Dit is geen onbelangrijke wijziging die misschien nog niet bij iedereen is doorgedrongen.

Een startende vennootschap dient bijgevolg geen bezoldiging toe te kennen aan haar bedrijfsleider om in aanmerking te komen voor het verlaagd belastingtarief!

Sanctie VOOR IEDEREEN – De wetgever trekt zijn staart in.

Volledig nieuw was de sanctie ten aanzien van alle vennootschappen wanneer de vennootschap lastens haar resultaat niet aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een bezoldiging toekent van minstens 45.000 euro (nieuw artikel 219quinquies WIB 1992).

De sanctie bestond uit een afzonderlijke aanslag van 5% op het verschil tussen de vereiste minimumbezoldiging en de lagere bezoldiging die in werkelijkheid was toegekend. Ten aanzien van een KMO is de sanctie dubbel:  bij gebrek aan voldoende minimumbezoldiging is niet enkel de afzonderlijke aanslag verschuldigd, maar verliest zij daarenboven het voordeel van het verlaagd tarief van 20,40% op de eerste schijf van 100.000 EUR.

Dit hadden we u ook meegedeeld in een voorgaande blog. Vergeet die dan ook! De wetgever heeft kort na de invoering van dit artikel blijkbaar toch beseft dat dit een stapje te ver was…..

Artikel 219quinquies WIB 1992 is ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en is bij de wet van 30 juli 2018 weer ingetrokken.

Conclusie

KMO’s kunnen genieten van een verlaagd belastingtarief van 20,40%, indien zij hun bedrijfsleider een fiscaal minimale bezoldiging toekennen. Zij vergeten best niet het belang van een managementovereenkomst om de uitgaven ook effectief te kunnen bewijzen.

Een startende vennootschap dient evenwel geen bezoldiging toe te kennen aan haar bedrijfsleider om in aanmerking te komen voor het verlaagd belastingtarief! Dit is in het verleden nochtans vaak gebruikt als techniek om de belastingen te drukken.

Contacteer aternio vrijblijvend. Om geld te besparen dient u immers ook geld uit te geven.