Franse baksteen in Belgische vennootschapsmaag

Het gezegde ‘de Belg heeft een baksteen in de maag’ is niet zomaar uit de duim gezogen. Op het ogenblik dat er geen koopjes meer te doen zijn in eigen land kijkt men al snel eens over de landgrens heen.

In een eerdere bijdrage werd uiteengezet dat het voor heel wat Belgen nog steeds een ultieme droom is om een tweede verblijf te hebben in “la douce France“. Hoe zit het nu als een Belgische vennootschap een onroerend goed bemachtigd in Frankrijk? Investeren in Frans vastgoed. Een goed idee?

Deze blog gaat in op een aantal fiscale gevolgen van een investering in Frans vastgoed door een Belgische vennootschap.

Aankoop onroerend goed, registratierechten - btw?

Niet anders dan in België zijn er ook in Frankrijk registratierechten te voldoen op de aankoop van een Frans onroerend goed. Het tarief bedraagt 5,09 % op de marktwaarde, vermeerderd met de lasten en vergoedingen ten voordele van de verkoper. Het btw-tarief bedraagt 20 % voor woningen die als nieuw kwalificeren.

Voorgaand is weinig wereldschokkend. Wel is er veel verschil bij de verkoop van aandelen.

Aankopen van aandelen van een vastgoedvennootschap

Op de aankoopprijs van de aandelen van een ‘vastgoedvennootschap’ heft de Franse fiscus een registratierecht van 5%. Een vennootschap kwalificeert als een vastgoedvennootschap voor Franse fiscale doeleinden indien de helft van haar activa bestaat uit Frans onroerend goed, ongeacht haar nationaliteit.

Dit is dus helemaal anders dan in België. De overdracht van een vennootschap gebeurt door de verkoop van de aandelen. In feite doet het er niet toe welke activa die vennootschap bezit. Dit kunnen bijvoorbeeld voorraden, onroerend goed of beleggingen zijn. Aandelen zijn roerende goederen en bijgevolg zijn er ook geen registratierechten verschuldigd. De (onderhandse) verkoop van aandelen is in principe niet belastbaar in België, zelfs niet voor een vastgoedvennootschap in België.

In uitzonderlijke omstandigheden zal de fiscale administratie wél kunnen aantonen dat de overdracht van de aandelen in feite neerkomt op de verkoop van het onroerend goed. Dit maakt dus veinzing uit met alle fiscale gevolgen hieromtrent.

Gebruik door aandeelhouder of bedrijfsleider

Wanneer de woning niet wordt verhuurd, maar ter beschikking staat van een aandeelhouder of bedrijfsleider, kunnen hieraan zowel in België als in Frankrijk fiscale gevolgen verbonden zijn.

In Frankrijk zal een fictief huurinkomen aan vennootschapsbelasting worden onderworpen. Dit is enigszins nattevingerwerk aangezien Frankrijk geen kadastraal inkomen kent en het een inschatting betreft. Er zijn al stemmen opgegaan om ook een KI toe te kennen aan Frans vastgoed. Maar de invoering is niet eenvoudig. Een andere mogelijkheid is dat Belgische tweede verblijven worden belast aan de werkelijke huurwaarde. Een plotse belastingverhoging op Belgisch vastgoed is echter politiek moeilijk te verantwoorden. In de praktijk is deze optie dus even onwaarschijnlijk als de eerste.

In België krijgt de bedrijfsleider een fiscaal voordeel alle aard toegekend bij kosteloze terbeschikkingstelling. De bedrijfsleider kan hieraan ontkomen door betaling van een marktconforme huurvergoeding. Ook hier kan discussie ontstaan omtrent de werkelijke waarde.

Dit brengt bijgevolg fiscale onzekerheid met zich mee.

Taxe de 3 %

Er wordt een jaarlijkse belasting van 3% geheven op de verkoopwaarde van het onroerend goed dat de vennootschap aanhoudt. Deze "taxe sur la valeur vénale des immeubles possédés en France par des entités juridiques" treft ook Belgische vennootschappen.

Er volgt geen inning indien de Belgische natuurlijke personen-aandeelhouders de identiteit en het adres van de aandeelhouders meedelen. Zelfs het engagement om dit mee te delen wanneer de belastingadministratie hierom vraagt, volstaat om de belasting te vermijden. Hiertoe dient jaarlijks een aangifte ingediend te worden. Maar dit wordt snel vergeten…met een pijnlijk fiscaal prijskaartje tot gevolg.

Vermogensbelasting

Zoals in een voorgaande blog uiteengezet, is de vennootschap vermogensbelasting verschuldigd van zodra het onroerend vermogen in Frankrijk meer dan 1,3 miljoen bedraagt. Het aanhouden van aandelen van een vastgoedvennootschap biedt geen ontsnapping aan de IFI (impot sûr la fortune immobilière).

Er is voor de berekening van de belastbare basis wel rekening te houden met onder andere de overige activa die worden aangehouden door de vennootschap. De progressieve tarieven in de vermogensbelasting lopen op van 0,5% op de eerste schijf (800.000 EUR -1.300.000 EUR) tot 1,5% op het deel boven 10 miljoen.

Verkoop onroerend goed of aandelen met meerwaarde

Wanneer de Belgische vennootschap een Frans onroerend goed met een meerwaarde verkoopt, zal de meerwaarde belast worden in de Franse vennootschapsbelasting.

Wanneer de aandeelhouders hun aandelen van de vennootschap met een meerwaarde verkopen is de fiscale situatie verschillend. Frankrijk zal actueel geen belastingen heffen omdat zij niet bevoegd is in deze situatie en in principe is de meerwaarde in België belastingvrij. De kans dat dit zo blijft is twijfelachtig gezien de verwachte aanpassing van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag.

Wat bij overdacht van aandelen bij schenking of vererving?

Bij overlijden van een Belgisch rijksinwoner is op de vererving van aandelen van een Belgische vennootschap met Frans onroerend goed België heffingsbevoegd. M.a.w. de Belgische regels, in casu de gewestelijke erfbelastingtarieven, zijn van toepassing. Wil men het successieprobleem oplossen middels een schenking zal men mogelijk wel rekening moeten houden met de Franse schenkbelasting. Dit is het geval wanneer de Belgische vennootschap kwalificeert als een vastgoedvennootschap voor Franse fiscale doeleinden.

Conclusie

Het is duidelijk dat met verschillende fiscale aspecten rekening dient te worden gehouden, zowel in Frankrijk als in België. Voorgaande situatie kan echter veranderen door enerzijds nieuwe fiscale spelregels in België en anderzijds door veranderingen in Frankrijk. Er gaan immers stemmen op dat Frankrijk toch bevoegd zou worden om belastingen te heffen op meerwaarde van aandelen voorkomend uit de verkoop van aandelen van vennootschappen die overwegend onroerende goederen hebben in Frankrijk. Dat zou betekenen dat in de nabije toekomst de Franse fiscus meerwaarden op aandelen van Belgische vennootschappen met overwegend Frans vastgoed zal belasten.

Vastgoed in Frankrijk via een Belgische vennootschap kan een goed idee zijn maar handelen met kennis van zaken is onontbeerlijk, denk maar aan de taxe van 3 % die eenvoudig te vermijden is. Investeren in Frans vastgoed? Bezint eer je begint, het is zeker op zijn plaats. Maak van de Franse droom geen nachtmerrie. Een bedachtzame fiscale planning is alvast aangewezen.

aternio helpt u graag met raad en daad, ook wanneer u over de grenzen heen trekt.


Onderhoudsgeld gestort aan een persoon in het buitenland

Betaalt u momenteel onderhoudsgeld aan uw kinderen of ex-partner ? Dan weet u allicht dat deze - onder bepaalde voorwaarden - voor 80% fiscaal aftrekbaar zijn in de personenbelasting. Wonen de begunstigden van het onderhoudsgeld inmiddels in het buitenland? Ja, dan moet u extra goed opletten wanneer u onderhoudsgeld betaalt.

Wat is onderhoudsgeld?

Onderhoudsgeld of alimentatie is een uitkering voor levensonderhoud aan de kinderen of de ex-partner na een echtscheiding. Dit kan het gevolg zijn van een rechterlijke beslissing (bijvoorbeeld een echtscheidingsvonnis) of een akkoord tussen de onderhoudsplichtige en de begunstigde.

80% aftrekbaar

Indien de onderhoudsplichtige voldoet aan de wettelijke voorwaarden is 80% van de betaalde onderhoudsgelden aftrekbaar van het gezamenlijk netto-belastbaar inkomen in de personenbelasting.

Zo moet het gaan om een wettelijke onderhoudsverplichting. Verder mag de begunstigde van het onderhoudsgeld geen deel uitmaken van het gezin van de onderhoudsplichtige. Tot slot moet de betaling van de onderhoudsgelden ook op regelmatige basis gebeuren. Dit alles moet u steeds kunnen verantwoorden met bewijskrachtige documenten.

Om uiteindelijk recht te hebben op de fiscale aftrek van het betaalde onderhoudsgeld mag u niet vergeten  het effectief betaald bedrag in uw belastingaangifte te vermelden.

Begunstigde woont in het buitenland

Indien u als begunstigde in het buitenland woont, moet u niks doen in België. U moet dus geen Belgische aangifte 'belasting niet-inwoners - natuurlijke personen' (BNI) indienen.

Voor diegene die onderhoudsgeld betaalt zijn er principieel drie belangrijke fiscale verplichtingen:

  • een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen via e-service Finprof;
  • bedrijfsvoorheffing betalen; én
  • een fiche 281.30 opmaken via e-service Belcotax.

De praktijk leert dat dit weleens wordt vergeten. De fiscus controleert dit evenwel effectief. Het is een vergetelheid die u duur kan komen te staan.

Vrijstelling van betaling bedrijfsvoorheffing

Gelukkig bent u in bepaalde gevallen vrijgesteld van betaling van bedrijfsvoorheffing. Dit is het geval wanneer:

  • er een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting bestaat tussen België en het land waar de begunstigde woont;
  • in deze overeenkomst de heffingsbevoegdheid uitsluitend aan de woonstaat van de begunstigde is toegekend; én
  • u kunt bewijzen dat de voorwaarden van de overeenkomst vervuld zijn. Afhankelijk van het land is dit    middels een fiscaal woonplaatsattest, dan wel een combinatie van fiscaal woonplaatsattest en een bewijs dat de onderhoudsuitkering in dat ander land belast is.

Een lijst van alle bestaande overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting met vermelding van hun belastingregime vindt u hier. Let op: u betaalt sowieso bedrijfsvoorheffing indien de woonstaat van de begunstigde niet voorkomt in de lijst van overeenkomsten.

Praktische formaliteiten

Let op, zelfs indien u vrijgesteld bent van betaling van bedrijfsvoorheffing verwacht de fiscus dat u nog steeds een fiche 281.30 invult én een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indient.

Fiche 281.30

Per begunstigde maakt u jaarlijks vóór 1 maart van het jaar na het jaar waarin het onderhoudsgeld is betaald een fiche 281.30 op.

Bedrijfsvoorheffing

Op het onderhoudsgeld moet u een bedrijfsvoorheffing berekenen en inhouden van 26,75% op 80% van de uitkering.

Als u onderhoudsgeld stort aan iemand in het buitenland moet u binnen de twee weken na het verstrijken van het trimester waarin u de uitkeringen betaald heeft een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen. Indien de bedrijfsvoorheffing hoger of gelijk is aan 40.800 euro (voor aanslagjaar 2020) dan moet u binnen de twee weken na het verstrijken van de maand waarin u de uitkering heeft betaald een aangifte doen.

Vervolgens betaalt u de bedrijfsvoorheffing ten laatste binnen de 15 dagen na het verstrijken van het trimester waarin u de uitkeringen heeft betaald. Indien de bedrijfsvoorheffing hoger of gelijk is aan 40.800 euro (voor aanslagjaar 2020)  dan betaalt u de bedrijfsvoorheffing binnen de 15 dagen na het verstrijken van de maand waarin de uitkeringen werden betaald.

Conclusie

De fiscus besteedt al geruime tijd extra aandacht aan de controle van betalers van onderhoudsgelden naar het buitenland. Het is daarom van belang om de fiscale verplichtingen terzake juist na te leven. Check de lijst met dubbelbelastingverdragen en vergeet vervolgens de praktische kant van de zaak niet!


Fiscale controle, wie is er aan de beurt?

Net als de voorbije jaren kondigt de fiscus een aantal controleacties aan die gepland of lopende zijn. Daarmee wil zij belastingplichtigen er via een constructieve samenwerking toe aanzetten om hun fiscale verplichtingen correct na te komen.

Met de aankondiging van controleacties hebben belastingplichtigen alvast een idee van de kans op fiscale controle of de ontvangst van een vraag om inlichtingen.

U bent een particulier

Dit jaar plant de administratie fiscale controle als u:

  • aanspraak maakt op de aftrek van een onderhoudsgeld, met name bij overschrijving naar het buitenland;
  • als bedrijfsleider of loontrekkende werkelijke beroepskosten hebt afgetrokken;
  • de inkomsten uit de verhuur van een onroerend goed, waarvan u eigenaar bent in België en dat door uw huurder voor professionele doeleinden wordt gebruikt, niet juist hebt aangegeven;
  • de roerende inkomsten die verband houden met het houden van een buitenlandse rekening niet hebt aangegeven; of
  • uw belastingaangifte niet hebt ingediend ondanks de verzonden herinnering.

U vertegenwoordigt een onderneming

Een onderneming loopt onder meer een hoger risico op een fiscale controle als zij:

  • de voorwaarden bij het aanleggen van een liquidatiereserve niet heeft nageleefd;
  • niet al haar inkomsten heeft aangegeven, in het bijzonder de buitenlandse inkomsten;
  • niet-recurrente kosten van uitzonderlijke omvang of van uitzonderlijke impact heeft opgenomen in de jaarrekening;
  • een gebrek aan samenhang in haar omzetcijfer vertoont. Denk hierbij aan omzet die abnormaal lijkt in verhouding tot de omzet van gelijkaardige ondernemingen. Ook het evolueren in een a priori abnormale verhouding en dit volgens diverse parameters die enkel door de fiscus gekend zijn.
  • is opgericht als holding en achtereenvolgens een kapitaalsverhoging en een niet-belaste kapitaalsvermindering heeft doorgevoerd.

De fiscus wil naar eigen zeggen een gelijke fiscale behandeling garanderen. Daarom zullen zij de particulieren en de ondernemingen selecteren op basis van indicatoren die wijzen op een groter fiscaal risico.

Conclusie

Het is altijd handig om de hoogte te zijn van de intenties tot fiscale controle. Naast deze specifieke aandachtspunten blijft de fiscus uiteraard nog andere en minder voorzienbare controles uitvoeren. Net het onverwachte gegeven van een fiscale controle moet zowel particulieren als ondernemingen aanzetten tot het naleven van hun fiscale verplichtingen.


Restaurant en all-in menu: wat met de btw?

Het btw-tarief voor restaurant- en cateringdiensten werd al sinds 1 januari 2010 verlaagd van 21% naar 12%. Maar dit geldt wel enkel voor het eten. Dranken zijn nog steeds onderworpen aan het tarief van 21%.

Indien een restaurant een all-in menu aanbiedt, drank en eten inbegrepen dus, moet zij de prijs uitsplitsen.

In 2009 had de Administratie hierover reeds een circulaire gepubliceerd. Die circulaire zorgde in de praktijk echter nog voor heel wat onduidelijkheden en discussies bij controle. Daarom werd nu op 4 april 2019 - bijna 10 jaar later - opnieuw een circulaire gepubliceerd (Circulaire 2019/C/26) die de oude circulaire van 2009 vervangt.

Globale prijs onder oude circulaire

Indien de restaurateur een globale prijs vraagt voor zowel eten als drank bevat moet hij de prijs uitsplitsen: namelijk 12% voor het eten en 21% voor de drank. Maakt hij die uitsplitsing niet, dan is de gehele prijs onderworpen aan 21%.

Volgens de oude circulaire van 2009 diende bij een globale prijs het gedeelte van de dranken in principe overeen te stemmen met de 'normale waarde' ervan. Lees: de prijs die de klant normaal zou moeten betalen bij afzonderlijke afname van de drank.

De fiscus vergat hierbij evenwel dat de prijs van een menu vaak goedkoper is dan wanneer men de diverse consumpties afzonderlijk afneemt van de kaart. Een dergelijke opsplitsing zou dus kunnen leiden tot een overwaardering van de drank ten aanzien van de totale prijs.

De oude circulaire aanvaardde wel reeds een forfait van 35% voor bepaalde all-in menu's van drie of meer gangen.  Bij dergelijke menu's is aperitief, wijn, water en koffie/thee inbegrepen. Maar in praktijk bleef het toch voor discussie zorgen. De nieuwe circulaire staat daarom nog 2 uitzonderingen toe.

Uitzondering 1: procentueel aandeel van de drank in de globale menuprijs

Zo kan onder de nieuwe circulaire de opsplitsing gebeuren op basis van het procentueel aandeel van de prijs van de drank in het totaal van de forfaire menuprijs. De korting van een menuprijs is zo gelijk verdeeld over de drank en het eten. De nieuwe circulaire illustreert dit met een voorbeeld.

Een menu in een fastfoodrestaurant, bestaande uit een hamburger, frietjes en een drankje, heeft een forfaitaire prijs van 6,74 euro, inclusief btw.

Bij een afzonderlijke afname is de prijs van de hamburger en frietjes 6,24 euro en het drankje 2,05 euro, inclusief btw. De forfaitaire menuprijs is dus 1,55 euro goedkoper dan wanneer de producten afzonderlijk worden afgenomen. Het procentueel aandeel van de drank (2,05 euro) en het eten (6,24 euro) in de totale ‘à la carte’ prijs (8,29) bedraagt respectievelijk 24,73% en 75,27%.

De waarde van de drank in de globale menuprijs is dus 1,67 euro (24,73% van 6,74 euro). Deze prijs is inclusief 21% btw. De waarde van het eten in de globale menuprijs is dus 5,07 euro (75,27% van 6,74 euro). Deze prijs is inclusief 12% btw.

Uitzondering 2: coëfficiënt van 35%

Ook de nieuwe circulaire bevestigt opnieuw de toepassing van een forfaitair coëfficient van 35% om het drankenaandeel te bepalen in een standaard all-in menuformule. Dezee coëfficiënt geldt dus bijvoorbeeld niet voor all-in formules waarbij sterke drank, champagne of alle dranken na middernacht inbegrepen zijn.

De coëfficiënt is overigens niet bindend. De restauranthouder kan er dus steeds van afwijken, onder controle van de administratie, indien het restaurant een andere prijzenpolitiek voert. Ook de fiscale administratie kan het percentage van 35% betwisten wanneer het afwijkt van de werkelijkheid.


Associatie van (para)medische beroepen en btw - the sequel

(Para)medische beroepsuitoefenaars, zoals artsen en tandartsen, werken geregeld samen in een samenwerkingsverband om hun kosten te delen. In die zogeheten ‘kostendelende associaties’ of ‘zelfstandige groeperingen van personen’ kan men kosten poolen. Vervolgens zal het samenwerkingsverband deze gepoolde kosten verrekenen onder haar leden. Op btw-vlak loert er evenwel mogelijke ellende om de hoek.

Een nieuwe administratieve circulaire beantwoordt een aantal vragen inzake de praktische toepassingsgevallen en bekijkt of er mogelijk vrijstelling is van btw. De circulaire bespreekt de meest voorkomende associatievormen en het bijhorende btw-regime. Wij geven u hierna een samenvatting van de circulaire die van toepassing is vanaf 1 januari 2020.

Btw-problematiek

In praktijk zorgen samenwerkingsverbanden in de (para)medische sector voor heel wat btw-problemen. De diensten (bijvoorbeeld verrekeningen van algemene kosten, terbeschikkingstelling van personeel en infrastructuur) die een associatie voor haar leden verricht en vervolgens verrekend naar de leden kunnen immers onder btw vallen. Het samenwerkingsverband is namelijk een afzonderlijke btw-plichtige ten aanzien van haar leden.

Deze diensten zijn alsnog vrijsteld zijn van btw op voorwaarde dat (art. 44, §2bis WBTW) :

  • de leden van het samenwerkingsverband overwegend een activiteit uitoefenen die is vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, §1 WBTW, zoals (para)medische prestaties;
  • de activiteiten van de groepering  voor de leden direct nodig zijn voor hun vrijgestelde activiteit;
  • de aan ieder lid aangerekende vergoeding  enkel de terugbetaling van zijn aandeel in de gezamenlijke uitgaven betreft; én
  • de vrijstelling niet leidt tot concurrentieverstoring.

In het kader van gewijzigde regels voor btw inzake kostendelende verenigingen en de eerdere administratieve circulaire van 12 december 2016  was er heel wat commotie en onduidelijkheden ontstaan in de medische wereld. Het was al die tijd wachten op een nieuwe verduidelijkende circulaire van de fiscus.

De nieuwe circulaire van 5 juni 2019 verduidelijkt nu - eindelijk - deze problematiek.

In de circulaire gaat men na of de verrekening van kosten door de associatie in aanmerking komt voor de btw-vrijstelling voor prestaties van  zelfstandige groeperingen aan haar leden in de zin van artikel 44, §2bis WBTW.

Associatie zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld maatschap of feitelijke vereniging)

Het primair doel van de associatie zonder rechtspersoonlijkheid is het poolen van kosten. Er zijn 4 manieren waarop dit type van associatie zich volgens de fiscus kan organiseren. Zij hebben allen gemeen dat de beroepsbeoefenaars in eigen naam en voor eigen rekening getuigschriften uitreiken voor hun prestaties.

Type 1: associatie poolt enkel kosten en poolt geen inkomsten

De leden storten periodiek bijdragen zodat de associatie de kosten kan betalen. Jaarlijks is er een afrekening waarbij moet worden bijbetaald of terugbetaald.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bisWBTW is voldaan.

Type 2: associatie poolt kosten en financieert deze mede door ontvangsten van het Globaal Medisch Dossier (GMD)

De associatie int de GMD-vergoedingen en brengt deze voor elke beroepsbeoefenaar in mindering van de te betalen vergoeding voor de diensten van de associatie.

Jaarlijks is er een afrekening waarbij een bijkomend saldo moet worden gestort of teveel betaalde voorschotten worden terugbetaald.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bis WBTW is voldaan.

Type 3: associatie poolt kosten en verdeelt ontvangsten van het GMD via een vooraf bepaalde verdeelsleutel

Na verdeling wordt een eindafrekening gemaakt waarbij GMD-vergoedingen volgens een voorafgaande verdeelsleutel in mindering worden gebracht van de door elk lid te betalen vergoeding voor de diensten van de associatie.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bis WBTW is voldaan.

Let op! Indien men de kosten eerst verrekent met de totale GMD-vergoedingen en het saldo vervolgens toewijst aan de leden dan zullen niet alle leden hun eigen aandeel in de kosten dragen. Bijgevolg kan de btw-vrijstelling voor de associatie niet worden toegepast.

Type 4: associatie poolt zowel kosten als ontvangsten

De associatie poolt de kosten en int de ontvangsten in naam en voor rekening van haar leden.

De ontvangsten worden toegewezen aan de leden en doorgestort, na afhouding van het aandeel van het lid in de gemaakte kosten.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bisWBTW is voldaan én indien de ontvangsten eerst worden toegewezen aan de leden vooraleer de kosten worden verrekend.

Associatie met rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld besloten vennootschap)

Hier voorziet de circulaire 2 situaties.

Type 1: vennootschap ontvangt de erelonen in naam en voor rekening van de beroepsbeoefenaars

- De beroepsbeoefenaars reiken in eigen naam en voor eigen rekening getuigschriften uit voor hun prestaties.

- De vennootschap ontvangt de honoraria in naam en voor rekening van de beroepsbeoefenaars.

- Vervolgens verrekent de vennootschap de kosten per beroepsbeoefenaar.

Gevolg: btw-vrijstelling indien de toewijzing van de opbrengsten voorafgaat aan de verrekening van de kosten per beroepsbeoefenaar.

Type 2: beroepsbeoefenaars hebben zich georganiseerd in een professionele associatievennootschap

- De (para)medische beroepsbeoefenaars hebben hun activiteit ingebracht in een afzonderlijke professionele vennootschap die de erelonen in naam van de vennootschapontvangt. De vennootschap poolt alle kosten.

- Op de getuigschriften staat het ondernemingsnummer van de vennootschap.

- De medische prestaties van de vennootschap zijn vrijgesteld op grond van artikel 44, §1 WBTW

- De vennootschap vergoedt de beroepsbeoefenaars voor hun eigen prestaties ten aanzien van de vennootschap. Indien ze dat doen als zelfstandige, aanvaardt de fiscus dat zij niet als afzonderlijk (vrijgestelde) btw-plichtige worden aangemerkt. Indien ze dat doen via hun eigen vennootschap, is deze wel een aparte btw-plichtige. De prestaties die de beroepsbeoefenaar via zijn vennootschap verricht voor de associatievennootschap valt onder de vrijstelling van art. 44, §1 WBTW.

Terbeschikkingstelling praktijk

Een beroepsbeoefenaar, eigenaar van een prakijk (kabinet, wachtzaal, toilet, inkom, …) stelt deze ter beschikking van een of meer andere beroepsbeoefenaars. De andere beroepsbeoefenaars betalen een vaste maandelijkste vergoeding of een vast percentage van hun ereloon voor het gebruik van de praktijk én de infrastructuur. Elkeen treedt in eigen naam en voor eigen rekening op.

De praktijk van de eigenaar (en de huurder) kan in theorie optreden als een zelfstandige groepering die is vrijgesteld op grond van art. 44, § 2bis WBTW. Dit blijkt in de praktijk vaak een heikele zaak omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan. Vooral het aspect aanrekening aan kostprijs én prestaties verricht aan patiënten zijn hindernissen. Bijgevolg is er dan btw verschuldigd op de verhuur van (para)medische apparatuur.

Indien ook andere bijkomende diensten, zoals IT of administratieve ondersteuning, worden aangeboden, zijn deze eveneens aan btw onderworpen. Let op, indien de terbeschikkingstelling van het onroerend goed ondergeschikt is aan de andere diensten dan is het geheel, inclusief het aandeel voor het gebruik van het gebouw, onderworpen aan btw.

Ziekenhuis

Het erkend ziekenhuis de erelonen int de erelonen in naam en voor rekening van de associatie van beroepsbeoefenaars die werkzaam zijn in het ziekenhuis. Vervolgens houdt het ziekenhuis een deel van de honoraria in ter dekking van de terbeschikkingstelling van een geheel van (medische)prestaties. De btw-administratie is van oordeel dat deze inhoudingen op de erelonen moeten aanzien worden als een vergoeding voor gezondheidskundige verzorging van de patiënt. Bijgevolg zijn ze vrijgesteld van btw.

Conclusie

(Para)medische beroepsbeoefenaars moeten de werking van hun associatie tegen het licht houden van de nieuwe btw-circulaire van 5 juni 2019. Vanaf 1 januari 2020 zijn de bepalingen opgenomen in de circulaire namelijk van toepassing. aternio helpt u graag met de doorlichting van uw associatie.


Belasting op tweede verblijven in Frankrijk

Voor heel wat Belgen is het hun ultieme droom om een tweede verblijf te hebben in "la douce France". Maar soms 'vergeten' mensen dat er ook belasting is verschuldigd op een buitenverblijf in Frankrijk.

In deze bijdrage gaan we dieper in op de zogenaamde "impôt sur la fortune immobilière", kortweg IFI, die geldt vanaf 1 januari 2018. Dit is een Franse belasting op onroerende goederen gelegen in Frankrijk. Deze vermogensbelasting geldt zowel voor rijksinwoners (Fransen) als niet-rijksinwoners (zoals Belgen). Ook Frans onroerend goed aangehouden via een vennootschapsstructuur kan onder deze belasting vallen.

Belastbare basis

Voor natuurlijke personen die geen Frans rijksinwoner zijn, bijvoorbeeld Belgen, is de belastbare basis de nettowaarde op 1 januari van de onroerende goederen gelegen in Frankrijk.

Ofwel, de aandelen van Franse of buitenlandse vennootschappen voor de fractie van hun waarde die het onroerend goed in Frankrijk vertegenwoordigt.

De IFI is verschuldigd van zodra de belastbare basis meer dan € 1.300.000,00 € bedraagt. Onder dit bedrag betaalt men dus geen belasting.

Let wel, de vruchtgebruiker is IFI verschuldigd over de volledige waarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

Tarieven IFI

Navolgende barema's zijn van toepassing:

Belastingschrijven Tarieven Formule Belasting
Tot € 800.000 0% € 0
€ 800.000 - € 1.300.000 0,5% € 2.500
€ 1.300.000 - € 2.570.000 0,7% (B x 0,007) – € 6.600 € 8.890
€ 2.570.000 - € 5.000.000 1% (B x 0,01) – € 14.310 € 24.300
€ 5.000.000 - € 10.000.000 1,25% (B x 0,0125) – € 26.810 € 62.500
Boven € 10.000.000 1,5 (B x 0,015) – € 51.810 € 180.000

Waardering

De belastbare basis van het Frans onroerend goed is de 'venale waarde' van het onroerend goed op 1 januari van het betreffende jaar. Dit is de vrije verkoopwaarde en dus de waarde die een geïnteresseerde koper wil betalen voor het onroerend goed.

In de praktijk kan men wel kortingen krijgen bij verhuur of onverdeeldheid.

Wordt het onroerend goed aangehouden via een vennootschap (zoals een SCI)?

Dan dient men volgende formule toe te passen om de belastbare basis te berekenen:

Belastbare basis  = venale waarde van de aandelen x (venale waarde Frans onroerend goed/venale waarde activa vennootschap)

Aftrekbare kosten

Schulden die werden aangegaan voor verwerving van de activa mag u onder bepaalde voorwaarden aftrekken. Het gaat onder meer over kosten m.b.t.  de aankoop, de herstelling, het onderhoud van het onroerend goed. Finaal leidt dit tot een lagere belastbare basis en dus mogelijk geen of minder belasting.

Echter, de aftrek is beperkt wanneer de waarde van de onroerende goederen/aandelen meer dan € 5.000.000 bedraagt én de aftrek van de schulden meer dan 60% van deze waarde betreft.

Bovendien mogen de schulden niet zijn aangegaan met een hoofdzakelijk fiscaal doel. Schulden aangegaan vóór 1 januari 2018 doorstaan gelukkig de toets van de antimisbruikbepaling.

Aangifte

Er dient een jaarlijkse aangifte te worden ingediend via het speciaal formulier n°2042-IFI.

Indien de aangifte niet, foutief of laattijdig gebeurt, kan de Franse fiscus een rechtzetting doen.  Bovenop de verschuldigde belasting, zullen nalatigheidsinteresten en desgevallend een belastingverhoging worden opgelegd.

Nog vragen? Contacteer ons vrijblijvend.


Geen voordeel bij marktconforme vergoeding?

In een recent arrest van 28 mei 2019 spreekt het Hof van Beroep van Antwerpen zich uit in het voordeel van een belastingplichtige inzake voordelen alle aard bij betaling van een marktconforme vergoeding. Met dit arrest gaat het Hof  regelrecht in tegen de strenge visie van de Minister van Financiën. Zo past de fiscus steeds de forfaits bij voordelen alle aard toe. Met een marktconforme bijdrage van de belastingplichtige houdt de fiscus absoluut geen rekening. Het Hof van Beroep fluit de fiscus hierin nu terug.

Voordelen alle aard

Een werknemer of bedrijfsleider kan, naast een bezoldiging in geld, ook allerhande voordelen van alle aard verkrijgen in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfswagens, leningen, bewoning, verwarming en elektriciteit enz.

Deze voordelen zijn belastbaar voor de werkelijke waarde bij de verkrijger (art. 36 WIB'92).

De wetgever heeft aan de Koning de bevoegdheid verleend om de waarde van die voordelen op een vast bedrag - dus forfaitair - te ramen. De meeste forfaits vinden we terug in artikel 18 van het KB/WIB'92.

Indien het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt voornoemd forfait verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider.

Forfait versus werkelijke waarde

Al decennialang woedt de discussie of deze forfaits in alle omstandigheden moeten worden toegepast.  Niet in het minste indien een werknemer of bedrijfsleider een marktconforme vergoeding betaalt, is er dan nog sprake van een belastbaar voordeel?

In dat geval is er immers geen sprake meer van een verrijking. Men bespaart immers niet op privéuitgaven die men anders wel had moeten doen. Ook indien de betaalde marktconforme vergoeding láger is dan de wettelijke forfaits, zou er geen sprake meer mogen zijn van een belastbaar voordeel.

Fiscus is streng

Maar de fiscus is streng. De fiscus past altijd het forfait toe.  Zo bevestigde  de Minister van Financiën in het verleden duidelijk gemaakt dat de eigen bijdrage enkel kon worden afgetrokken van het forfaitair gewaardeerde voordeel, niet van de werkelijke waarde.

Met het marktconforme karakter van de bijdrage houdt de fiscus dus geen rekening. Indien de bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider dus lager is dan het forfait, wordt hij nog steeds belast op het saldo, ook al is de bijdrage marktconform.

Rechtspraak is meegaander

Het recente arrest voor het Hof van Beroep te Antwerpen betreft een zaak waarbij de zaakvoerder met zijn vennootschap een overeenkomst rekening-courant sluit. De partijen komen een interest van 4,5% overeen. De forfaitaire rentevoet uit art. 18 KB/WIB'92 bedraagt op dat ogenblik echter 9%.

De fiscus belast de zaakvoerder op het saldo, met name 4,5% (9% minus 4,5%).

Maar volgens het Hof kan er slechts sprake zijn van een voordeel indie er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen voor de lening. De belastingplichtige kan dus nog steeds het tegenbewijs leveren dat het werkelijke voordeel lager ligt. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet kan leveren, is het forfait zonder meer van toepassing.

In deze zaak toont de zaakvoerder aan dat de aangerekende interestvoet van 4,5% marktconform (zoals tussen onafhankelijke contractspartijen) is. De aangerekende interestvoet is dus een evenwaardige tegenprestatie.

Het Hof besluit dus dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt dan de forfaire rentevoet zodat er in casu geen sprake meer is van een belastbaar voordeel alle aard.

Besluit

Eén zwaluw maakt de lente natuurlijk nog niet. Maar deze rechtspraak geeft wel moed en is hopelijk de voorbode voor meer. Deze uitspraak is bovendien niet enkel relevant voor leningen, maar  voor alle andere forfaitaire ramingen van voordelen alle aard.


Doe uw investering nog in 2019!

U bent van plan om binnenkort een investering te doen in uw vennootschap? Doe het dan zeker nog vóór 2020! De fiscale voordelen voor kleine vennootschappen worden vanaf 2020 immers minder interessant.

Zomerakkoord 

Met het zomerakkoord 2017 werden enkele wijzigingen in de vennootschapbelasting aangekondigd. Deze zullen weldra in werking treden. Specifiek op het vlak van investeringen zal de fiscaliteit grondig wijzigen vanaf 2020.

We frissen het nog even voor u op:

  • vennootschappen kunnen niet meer degressief afschrijven;
  • een kleine vennootschap zal in het jaar van investering verplicht pro rata temporis moeten afschrijven.
  • een kleine vennootschap zal bijkomende kosten in één keer ofwel samen met betreffende actief moeten afschrijven;
  • het tarief voor de gewone investeringsaftrek voor een kleine vennootschap zakt naar 8%.

Bovenstaande regels zijn van toepassing op investeringen vanaf 1 januari 2020. Dit ongeacht het aanslagjaar en ongeacht of uw vennootschap een gebroken boekjaar heeft of niet.

Voordelen in 2019

Als u de investering nog in 2019 doet geniet u nog van volgende fiscale voordelen:

  • de vennootschap mag nog degressief afschrijven.
  • de kleine vennootschap mag in het boekjaar van de investering een volledige afschrijvingsannuïteit toepassen, ook als de investering gebeurd op de laatste dag van het boekjaar
  • bijkomende kosten mogen naar wens worden afgeschreven.
  • de investering kan nog genieten van een investeringsaftrek van 20%.

Conclusie

Indien u al van plan was om investeringen te doen - zeker als kleine vennootschap- doe het dan nog in 2019. Zo geniet u nog van de fiscale voordelen.


Uw vereniging onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

In een eerdere bijdrage werd toegelicht dat de fiscus het gemunt heeft op verenigingen die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Dergelijke vorm van sponsoring is niet ongewoon bij sportclubs.
Verenigingen bevinden zich bovendien vaak in een fiscale schemerzone. Het is niet altijd even duidelijk. Verrichten zij (te) veel activiteiten die winst opleveren lopen zij het risico om onder de vennootschapsbelasting te vallen. Soms vallen zij onder de rechtspersonenbelasting. Een andere vereniging valt dan weer onder een btw-vrijstellingsregeling.

Optiestelsel

Het nieuw Koninklijk Besluit tot invoering van een optiestelsel voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid van 6 juni 2019 is in werking getreden op 14 juni 2019. Dit KB geeft aan een vereniging een duidelijk keuze.

De rechtspersonenbelasting is in principe enkel van toepassing op de in België gevestigde rechtspersonen.

Politieke organisaties, vakverenigingen, parochiale werken, jeugdbewegingen, verenigingen met vermaakdoeleinden of culturele verenigingen hebben in de meeste gevallen geen rechtspersoonlijkheid. Zij vallen dus niet onder de rechtspersonenbelasting.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan echter zelf de optie lichten om wél onder de rechtspersonenbelasting te vallen. Uw vereniging onderworpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

Ratio legis

Roerende inkomsten op een rekening van een vereniging worden belast in hoofde van de rijksinwoner die beschikt over de handtekeningsbevoegdheid van deze rekening.

De vereniging moet dus op zoek gaan naar iemand die nog mandaat wil nemen in de vereniging. De mandaathouder wordt dan belast in de personenbelasting. De belastingadministratie behandelt dit als een eigen inkomen van de beheerder van de bankrekening.

De wetgever laat nu de ruimte. De vereniging kiest zelf om zich vrijwillig te onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting. De mandaathouder loopt aldus geen fiscaal risico meer. De vereniging moet haar leden wel inlichten over die keuze.

Hoe kiezen?

Een vereniging zal een brief aan de bevoegde directeur van de directe belastingen moeten richten. De vereniging verstuurt deze brief uiterlijk voor de 60ste dag voor de laatste dag van het belastbaar tijdperk, dus tot en met 31 oktober.

Aangezien dit voor het belastbare tijdperk dat samenvalt met het jaar 2018 niet meer mogelijk is, voorziet het KB in een overgangsmaatregel. Verenigingen die wensen te opteren voor de rechtspersonenbelasting voor de inkomsten die in 2018 werden verkregen, moeten hun brief verzenden voor 11 juli 2019.

Kiest de vereniging in een belastbaar tijdperk voor de rechtspersonenbelasting, dan geldt haar keuze ook voor de vijf volgende belastbare tijdperken.

Wat moet u meesturen?

De vereniging zal bij deze brief een lijst van haar leden en statuten van de vereniging dienen toe te voegen.

In de brief vermeldt u ook het adres van de zetel van de vereniging en de naam en het adres van het lid dat de aangifte  zal indienen.

Tot slot vraagt de fiscus ook om een overzicht van alle roerende en onroerende goederen en alle kapitalen en rekeningen van de vereniging mee te sturen.

Volledigheidshalve…

en omdat een gewaarschuwd man er twee waard is (een vrouw – drie) geven we graag het volgende mee:

“Een vereniging mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel.”

Voor de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen was het niet wettelijk verboden om een onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen aan de leden van de vereniging. De grijze zone vervaagt.

 


WLTP of NEDC? Bent u nog mee?

Wie nu een nieuwe wagen koopt, zal het zich zeker al hebben afgevraagd. Hoeveel CO2 stoot mijn wagen uit? In onze huidige maatschappij denken we immers allemaal wel na over het klimaat.

Nieuwe norm = WLTP

Wel, de CO2-uitstoot van nieuwe  wagens wordt voortaan gemeten volgens een nieuwe testprocedure, de zogenaamde WLTP (Worldwide Harmonised Light vehicle Test Procedure).

Deze WLTP-norm vervangt de oude NEDC-norm. De auto-industrie evolueert namelijk zodanig snel dat de NEDC-test niet meer aangepast is aan het huidige drukke verkeer. De Europese Unie heeft daarom beslist om gaandeweg de nieuwe WLTP-norm in te voeren.

Let wel, de nieuwe WLTP-norm is strenger en leidt tot hogere waardes van CO2-uitstoot.

Fiscaliteit

De CO2-uitstoot is niet enkel van belang voor het milieu. Deze normen zijn ook van belang in de fiscaliteit.

Denk maar aan de aftrek autokosten, het voordeel alle aard, de verkeersbelasting, de BIV enzovoort, die worden berekend aan de hand van de CO2-uitstoot.

Maar welke norm past de fiscus toe?

De fiscus bevestigt in haar FAQ dat u de oude NEDC-norm mag gebruiken tot eind 2020 voor de berekening van het voordeel alle aard. We nemen aan dat dit ook geldt voor de kostenaftrek.

Bij Vlabel bevestigen ze dan weer dat men enkel rekening houdt met de NEDC-norm voor de verkeersbelasting en BIV.

Tot eind 2020 mag nog de gunstigere NEDC-waarde (gemeten of omgerekend) gebruikt worden als basis voor de autofiscaliteit.

Gelijkvormigheidsattest

Waar kan ik de CO2-uitstoot van mijn wagen terugvinden?

Op het gelijkvormigheidsattest van uw nieuwe wagen (vanaf eind 2018) zou u - in principe - onder code 49 beide normen moeten terugvinden. Op het inschrijvingsbewijs zal u enkel de WLTP-norm vinden.

Oudere wagens zullen in principe enkel de oude NEDC-norm op hun documenten vermelden.

Conclusie

Indien u slechts één uitstoot terugvindt, verifieer dan eerst goed of dit weldegelijk de gunstigere NEDC-norm is en niet de strengere WLTP-norm.