tekenen en indici√ęn

Tekenen en indici√ęn, zeg maar uw levensstijl en de fiscus

Tekenen en indici√ęn, het zegt u hoogstwaarschijnlijk niks. Voor de fiscus daarentegen zijn het begrippen die deel uitmaken van het wapenarsenaal waarmee ze een correcte inning van de belasting wil bereiken. Meer concreet wil de fiscale administratie door het toepassen van het bewijsmiddel van tekenen en indici√ęn niet aangegeven inkomsten belasten (art. 341 WIB'92). Het is vaste uitspraak van het Hof van Cassatie dat uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld kunnen worden aangemerkt als tekenen en indici√ęn van gegoedheid.

Gegoedheid

Er bestaat in het fiscale wetboek geen definitie van het begrip ‚Äúgegoedheid‚ÄĚ. In een traditionele betekenis verwijst het naar iemand's vermogenstoestand in geld of bezittingen. In haar fiscale toepassing verwijst het ook naar de levensstijl van de belastingplichtige. M.a.w. er hoeft geen sprake te zijn van een groot fortuin. Een levensstijl die onverenigbaar is met de aangegeven inkomsten komt ook in aanmerking. De¬†tekenen of indici√ęn moeten wel wijzen op inkomsten die merkelijk hoger zijn dan de aangegeven inkomsten. Het is immers nooit de bedoeling geweest van de wetgever om dit bewijsmiddel overmatig te gebruiken.

Tekenen en indici√ęn

De begrippen ‚Äútekenen en indici√ęn‚ÄĚ zijn evenmin gedefinieerd in de fiscale wetgeving. Zoals in de inleiding reeds gezegd is het vaste rechtspraak dat het kan gaan om¬†uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld. Een loutere vermogenstoestand op een moment binnen een belastbaar tijdperk is geen teken of indicie, een uitgave of een aangroei is dat wel. Zonder indicie is er geen indiciair tekort.

In de praktijk komt de fiscus tot een indiciaire afrekening door de bewezen uitgave of de effectieve vermogensaangroei van de belastingplichtige te vergelijken met de belastbare inkomsten en/of andere vermogensbestanddelen. Bij een inkomstentekort vermoedt de fiscale administratie dat dit afkomstig is van belastbare inkomsten tijdens het belastbaar tijdperk. De weerhouden tekenen en indici√ęn mogen niet steunen op eenvoudige vermoedens of op een anonieme verklikking. Een bekentenis door de belastingplichtige zelf kan wel een indicie zijn.

Tegenbewijs

Het vermoeden gevormd door¬†tekenen en indici√ęn¬†is een vermoeden iuris tantum. Dit betekent dat de belastingplichtige het tegenbewijs kan leveren door aan te tonen dat de uitgave of aangroei afkomstig is van ofwel aangegeven inkomsten ofwel uit niet-belastbare bronnen.

Net zoals de fiscus moet vertrekken van bekende feiten, volstaan loutere beweringen door de belastingplichtige niet als tegenbewijs. Het weerleggen van tekenen en indici√ęn vereist het voorleggen van¬†positieve en controleerbare gegevens. Belangrijk is wel dat de belastingplichtige niet moet bewijzen dat de ter verantwoording aangetoonde inkomsten of bronnen, ook werkelijk zijn gebruikt om de bedoelde uitgaven of aangroei te financieren.

Effectieve opnamen op lopende rekeningen, inkomsten van een samenwonende partner, opgenomen spaargelden, ... het zijn maar enkele geldige voorbeelden van tegenbewijs. Niet aanvaardt als tegenbewijs zijn inkomsten die niet werden aangegeven alhoewel dit wel het geval had moeten zijn of de loutere voorlegging van een bankuitreksel waaruit de betaling van een uitgave blijkt.

Het is niet vereist dat het tegenbewijs dateert uit een periode voorafgaand aan de uitgave. De fiscus moet immers rekening houden met alle inkomsten en uitgaven tijdens het belastbaar tijdperk. De opbrengst van een verkoop ontvangen na de als teken van welstand ingeroepen uitgave is geldig als tegenbewijs.

Voorbeelden

Ter illustratie volgen hierna enkele voorbeelden van tekenen en indici√ęn.

  • geldsommen of waarden die in het bezit worden gevonden van een belastingplichtige die ze naar het buitenland vervoert;
  • aflossing van een schuld;
  • allerhande luxe-uitgaven;
  • huishoudelijke uitgaven gerelateerd aan de werkelijke levensomstandigheden (let op: een algemene niet-gedetailleerde raming is geen geldig bewijs);
  • buitenlands onroerend goed; of
  • stortingen op lopende rekening bij een vennootschap.

Conclusie

Het is in eerste instantie aan de fiscale administratie om aan de hand van bekende feiten aan te tonen dat er sprake is van tekenen en indici√ęn waaruit een gegoedheid blijkt die hoger is dan de aangegeven inkomsten. Vervolgens kan de belastingplichtige eventueel bewijzen dat de hogere graad van gegoedheid voortkomt uit niet-belastbare inkomsten of aangegeven inkomsten uit vroegere aanslagjaren. Dit tegenbewijs gebeurt aan de hand van positieve en controleerbare gegevens. Inkomsten die niet werden aangegeven alhoewel dit wel het geval had moeten zijn geen geldig tegenbewijs.

Met aternio ziet u doorheen het fiscale bos de bomen nog. Contacteer ons bij fiscale vragen.


Terugbetaling kosten: let op uw fiscale fiches

Vanaf het inkomstenjaar 2022 is er een bijkomende verplichting bij terugbetaling van kosten aan een bedrijfsleider of een werknemer. Voortaan moeten alle forfaitaire (vaste) en met bewijsstukken (variabele) terugbetaalde kosten effectief worden vermeld op de individuele fiscale fiche en de samenvattende opgave. Het negeren van deze verplichting leidt tot fiscale toorn in de vorm van administratieve boetes. Dit is helaas geen voorbeeld van de beloofde vermindering van de administratieve lasten.

Principe

Een kost die door een bedrijfsleider of werknemer is gedaan voor rekening van de vennootschap of werkgever is in hoofde van deze laatste een aftrekbare beroepskost. Voor de bedrijfsleider of werknemer daarentegen is de terugbetaling geen belastbaar inkomen.

De terugbetaling van 'kosten eigen aan de werkgever' kan forfaitair gebeuren dan wel op basis van bewijsstukken. Wanneer de forfaitaire kosten vastgesteld zijn volgens ernstige normen is er geen probleem. In tegenstelling tot de RSZ is er voor de directe belastingen geen onkostentabel met maximumbijdragen. Wil men fiscaal meer zekerheid dan kan men terecht bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen ('de rulingdienst').

De fiscale fiches 281.10 of 281.20 moeten verwijzen naar de terugbetaling van dergelijke kosten. Bij terugbetaling op basis van bewijsstukken, vermeldt de fiche ‚ÄúJa ‚Äď bewijsstukken‚ÄĚ. Bij terugbetaling door middel van een forfaitaire vergoeding op basis van ‚Äėernstige met elkaar overeenstemmende normen‚Äô, is de vermelding ‚ÄúJa ‚Äď ernstige normen‚ÄĚ.

Waar tot 2021 de fiches enkel een bedrag moesten vermelden bij forfaitaire kosten die niet beantwoorden aan ernstige normen, is dit voortaan de regel. Van alle terugbetaalde kosten moet het bedrag van de onkostenvergoeding opgenomen worden in het vak ‚Äúdiverse inlichtingen‚ÄĚ. Een ¬†eenvoudige ‚ÄėJa‚Äô volstaat niet meer. De afsluitdatum van het boekjaar van de vennootschap is van geen tel, het kalenderjaar is de basis.

Sanctie

Bij de forfaitaire vergoedingen heeft het niet-verantwoorden door individuele fiches de niet-aftrekbaarheid als beroepskost tot gevolg. Dit is niet het geval bij de terugbetalingen op basis van bewijsstukken. Het niet-respecteren van de ficheplicht kan in die gevallen wel bestraft worden met een administratieve boete. Die boete bedraagt 50 euro voor een eerste overtreding (met een maximum van 1.250 euro) en/of een belastingverhoging van minstens 10%.

Rompslomp

Met de nieuwe ruimere ficheverplichting wil men enerzijds beter controle uitoefenen op het eventueel dubbel gebruik van forfaitaire vergoedingen en terugbetalingen op basis van bewijsstukken en anderzijds de onterechte aftrek als beroepskost door de bedrijfsleider of werknemer vermijden. Dit alles heeft zoals gezegd een prijs: meer administratief werk.

In het bijzonder voor de  terugbetaalde kosten op basis van bewijsstukken betekent dit extra rompslomp. Dergelijke terugbetaling wordt meestal niet verwerkt via de loonadministratie maar rechtstreeks, na controle van de verantwoordingsstukken, in de boekhouding. Om het een en ander in goede banen te leiden is een uitgewerkte procedure aangewezen. Het is voortaan van belang dat de verantwoordelijke van de loonadministratie op de hoogte is van de daadwerkelijk terugbetaalde kosten.

Conclusie

Het is misschien kort door de bocht maar probeer terugbetaling van variabele kosten te vermijden. Bijvoorbeeld door met bank- of tankkaarten op naam van de onderneming te werken, cash-betalingen door de. bedrijfsleider (opgelet voor de lopende rekening!) te mijden of waar het kan met forfaitaire onkostenvergoedingen op basis van ernstige normen te werken. Is dit niet mogelijk of blijven er toch onvermijdbare werkelijke variabele kosten over, laat dan een maandelijkse onkostennota met verantwoordingsstukken opstellen. Het maakt het extra werk voor de loonadministratie alvast op dat vlak iets eenvoudiger.


renovatie

Renovatie aan 6% btw: verklaring op factuur vervangt attest

Sinds 1 januari 2022 is een uitgebreide vermelding op de factuur verplicht bij renovatie- en herstellingswerken aan het btw-tarief van 6%. Hierdoor komt een einde aan het enigszins folkloristische niet-gestandaardiseerde btw-attest van de klant. Bij wijze van overgangsmaatregel mogen aannemers nog tot 30 juni 2022 gebruik maken van dergelijk attest. Een administratieve vereenvoudiging maar wel één die aandacht vraagt van zowel aannemer als klant.

Renovatie- en herstellingswerken: voorwaarden

Renovatie- en herstellingswerken aan oude woningen kunnen onder voorwaarden genieten van het verlaagde btw-tarief van 6%.

De handelingen moeten:

  1. de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben ('werken in onroerende staat');
  2. betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;
  3. worden verricht aan een woning die ten minste vijftien jaar dan wel tien jaar oud is;
  4. worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker.

Om het verlaagde tarief te rechtvaardigen moet de uitgereikte factuur en het dubbel van de aannemer verplicht een uitgebreide vermelding bevatten.

Het verplichte attest van de klant is dus verdwenen als voorwaarde. Dit is duidelijk een vermindering van de administratieve rompslomp: geen stress meer voor het verkrijgen én het bewaren van deze attesten.

Vermelding op de factuur

Bij renovatie- en herstellingswerken aan 6% btw moet volgende vermelding voortaan letterlijk te vinden zijn op de factuur.

"Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat ten minste tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."

Wanneer aan minstens een van die voorwaarden niet is voldaan, geldt het normale btw-tarief van 21%. Voortaan is de klant m.a.w. verantwoordelijk voor de juiste toepassing van het verlaagde btw-tarief. Betwisting door de klant gebeurt bij voorkeur met een aangetekende brief zodat de datum van betwisting met zekerheid aantoonbaar is.

De aannemer zal bij tijdige schriftelijke betwisting dus een corrigerende factuur moeten uitreiken. Let wel: als dit niet gebeurt zal de fiscus de financi√ęle rechtzetting uitvoeren bij de aannemer.

Onder de aandacht

Herstelling, omvorming of renovatie sluit nieuwbouw uit

Een uitbreiding van een bestaande woning kwalificeert als renovatie- en herstellingswerk voor zover de uitbreiding niet leidt tot een verdubbeling in oppervlakte en voor zover het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan bestaan. De fiscus aanvaardt ook dat werken die op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (in het bijzonder de buitenmuren) en op de wezenlijke structurele elementen, als renovatie gelden.

Plaatsing, herstelling en onderhoud, met uitsluiting van het reinigen, van volgende roerende goederen zijn gelijkgesteld met werk in onroerende staat:

  • centrale verwarming of airconditioning;
  • sanitaire installatie;
  • elektrische installatie van een gebouw (met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen);
  • installatie van brand- en diefstalalarm;
  • opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;
  • luiken, rolluiken en rolgordijnen aan de buitenkant van het gebouw;
  • wandbekleding of vloerbekleding volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.

Privé-woning

De werken moeten finaal betrekking hebben op een gebouw dat na uitvoering, uitsluitend of hoofdzakelijk, dienst doet als woning. Bij gemengd privé en professioneel gebruik is het essentieel dat het privé-deel meer dan 50% bedraagt. Opgelet: voor werken toewijsbaar aan het louter professioneel deel geldt het normale btw-tarief van 21%. Dit laatste is eveneens het geval voor werken die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning: oa. sauna, zwembad, tuinaanleg of tuinafsluiting.

Leeftijd woning

Er spelen twee leeftijdsgrenzen, nl. een woning van meer dan 15 jaar oud en een woning tussen 10 en 15 jaar oud.

Bij een woning tussen de 10 en de 15 jaar oud geldt het verlaagde tarief van 6% niet voor 'materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst’. De fiscus aanvaardt dat deze uitsluiting enkel geldt voor gemeenschappelijke verwarmingsketels in appartementsgebouwen en de bestanddelen of gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties (ongeacht of het een appartementsgebouw of eengezinswoning betreft).

De eerste ingebruikneming van de woning is het vertrekpunt voor het bepalen van de ouderdom. In het bijzonder zal de eerste ingebruikneming moeten hebben plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar dat ten minste 15 resp. 10 jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot de handelingen.

Klant

De klant moet ‚Äėeindgebruiker‚Äô zijn om recht te hebben op het verlaagd btw-tarief van 6%. Daarom moet de klant een zakelijk recht (bv. eigendom, vruchtgebruik ...) of een recht van genot (inzonderheid als huurder) hebben op de priv√©-woning. Ook een vennootschap kan, mits te voldoen aan de voorwaarden, genieten van het verlaagd tarief.

Opgelet: indien de klant een btw-plichtige is die periodieke btw-aangiften indient, wordt de betaling van de btw verlegd (art. 20, §1 KB nr. 1). De aannemer rekent dan geen btw op de factuur maar vermeldt "btw verlegd". Dit alles sluit de toepassing van het verlaagd tarief niet uit. Vanzelfsprekend moet steeds aan alle voorwaarden voldaan zijn. Het staat buiten kijf dat het professioneel gebruik altijd bijkomstig moet zijn. Het is uiteindelijk de klant die de btw voldoet via de btw-aangifte.

Conclusie

De afschaffing van het attest voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% is een echte administratieve vereenvoudiging. In de plaats is er nu een verplichte en uitvoerige verklaring op de facturen. De nieuwe regeling is sinds 1 januari 2022 van toepassing, maar aannemers krijgen nog een uitlooptijd tot 30 juni 2022. Daarna is het definitief gedaan met het ronselen van attesten bij klanten.

Bij afwezigheid van schriftelijke betwisting binnen de 30 dagen na de factuur is de klant voortaan verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de btw.

U kan steeds bij aternio terecht indien u vragen hebt of bijkomende informatie wenst over deze of andere btw-regels.


Gesleutel aan verlaagde roerende voorheffing op dividenden

Op 12 januari 2022 heeft de Kamer in plenaire zitting een wetsontwerp goedgekeurd waarbij men ondermeer sleutelt aan de verlaagde roerende voorheffing op dividenden. Dit regime is in het vakjargon gekend als het VVPRbis-regime, afkorting voor verminderde voorheffing/précompte réduit. Bis omdat het de opvolger is van een eerder gelijkaardig bestaand stelsel. Wat wijzigt er vanaf 1 januari 2022?

VVPRbis-regime

Onder bepaalde voorwaarden zorgt het VVPRbis-regime ervoor dat de roerende voorheffing en de personenbelasting verminderen. In het bijzonder in geval van dividenduitkeringen door kleine vennootschappen. Meer bepaald bij uitkering van dividenden uit nieuwe aandelen op naam die zijn uitgegeven vanaf 1 juli 2013 n.a.v. nieuwe inbrengen in geld.

Het goedkoper karakter zit hem natuurlijk in de belastingverlaging. Tot 20% voor dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng. Het is nog voordeliger in een tweede fase vermits de roerende voorheffing daalt tot 15% voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van de inbreng (art. 269, §2 WIB'92).

Om dus te kunnen genieten van het VVPRbis-stelsel is het noodzakelijk dat de vennootschap als klein wordt aangemerkt. Dit gebeurt op basis van artikel 1:24, §1 tot 6 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV). Deze kwalificatie gebeurt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de geldinbreng is gedaan. Dit principe is ongewijzigd.

Nieuwe aandelen en nieuwe inbrengen

De dividenden moeten voortkomen uit nieuwe aandelen op naam uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting van de vennootschap of een kapitaalverhoging. De volstorting van het kapitaal, dat deze aandelen vertegenwoordigt, gebeurt volledig door middel van nieuwe inbrengen in geld. De combinatie verlaagde roerende voorheffing en de techniek van de vrijstelling van de volstortingsverplichting is bijgevolg niet langer mogelijk.

Er is gelukkig een regularisatiemogelijkheid voorzien voor vennootschappen die toch de vrijstelling van de volstortingsverplichting hebben toegepast in de periode tussen 1 mei 2019 (inwerkingtreding WVV) en 15 december 2021. Deze vennootschappen¬†komen toch nog in aanmerking voor het VVPRbis-regime¬†indien zij een kapitaalverhoging in geld zonder uitgifte van nieuwe aandelen doorvoeren waardoor de inbreng opnieuw het initi√ęle niveau van v√≥√≥r de vrijstelling van volstorting bereikt. Deze kapitaalverhoging moet plaatsvinden v√≥√≥r 31 december 2022.

Voorbeeld. Een bvba (nu bv) werd opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met inbreng in geld van 18.550 EUR. Hiervan is slechts 6.200 EUR effectief gestort. Na 1 mei 2019 verricht deze bv een vrijstelling van volstortingsverplichting voor 12.350 EUR én verminderd tegelijkertijd haar kapitaal/inbreng tot 1 euro. Deze vennootschap moet tegen 31 december 2022 haar inbreng in geld verhogen met 12.350 EUR, wil ze het VVPRbis-statuut verliezen.

Hou er rekening me dat overboeking van een lopende rekening geen inbreng in geld is (Mond. Parl. Vr.nr. 3682 van de heer Van Biesen dd. 29.04.2015).

Geen voorkeursbehandeling

De onderschreven sommen bij de uitgifte van de VVPRbis-aandelen moeten niet alleen volledig volstort zijn maar aan deze aandelen mag ook geen voorkeursrecht verbonden zijn. In concreto betekent dit dat er voor deze aandelen geen voorkeursrecht mag zijn ten aanzien van de deelname in het kapitaal of in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen. Alle VVPRbis-aandelen moeten dus een gelijk recht op uitkering hebben. Er mag m.a.w. op geen enkel ogenblik een dergelijk voorkeursrecht zijn. Noch op het ogenblik van de uitgifte ervan, noch op enig ander moment.

Dat er eventueel andere aandelen (zonder fiscaal voordeel) zijn waaraan voorkeursrechten verbonden zijn, sluit blijkbaar de toepassing van het het VVPRbis-regime niet uit. Hetgeen aansluit bij een antwoord van de minister van Financi√ęn op een parlementaire vraag (V&A. Kamer 2020-21, nr. 55-058, 217). De wetswijziging belet bovendien niet dat¬†VVPRbis-aandelen geen ander voorkeursrecht mogen hebben. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan¬†meervoudig stemrecht of benoemingsrecht.

Antimisbruikbepaling

Een antimisbruikbepaling mag evenmin ontbreken. In casu kunnen uitgekeerde liquidatiereserves (onderworpen aan een anticipatieve heffing van 10% gevolg door een tarief van 5 % roerende voorheffing) van VVPRbis-vennootschappen, niet aangewend worden om te zorgen voor VVPRbis-kapitaal in een andere vennootschap. Het gebruik van geld van uitgekeerde liquidatiereserves die onderworpen werden aan hogere tarieven is blijkbaar geen probleem.

Dit is een verstrenging van én aanvulling op de oude regeling die een inbreng uitsluit van het VVPRbis-regime wanneer een natuurlijke persoon een geldinbreng doet afkomstig van een kapitaalvermindering in een vennootschap die verbonden of geassocieerd is met die persoon (in de zin van art. 1:20 en 1:21 WVV).

Relevante vraag is natuurlijk hoe de fiscus dit controleert.

Inwerkingtreding

De nieuwe regels zijn van toepassing op dividenden toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1 januari 2022.

Conclusie

De wijzigingen maken een einde aan de combinatie verlaagde roerende voorheffing en de techniek van de vrijstelling van de volstortingsverplichting. Er is gelukkig een regularisatiemogelijkheid die loopt tot 31 december 2022 voor die vennootschappen die dergelijke hebben toegepast in de periode tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021. Het verboden 'preferent karakter' van de VVPRbis-aandelen is verduidelijkt en er is verder nog gesleuteld aan de anti-misbruikbepaling.

Hebt u specifieke vragen over het VVPRbis-regime of wil u andere mogelijkheden inzake dividenduitkeringen bekijken dan helpen onze juristen en accountants u graag verder.


Feitelijk samenwonen, zonder echt samen te wonen?!

Eerder werd al de verplichting tot samenwonen van gehuwden bekeken. Ook de samenwoningsplicht van de wettelijke samenwoners kwam reeds aan bod. Het samenwonen bij het feitelijk samenwonen mag daarom niet in het rijtje ontbreken.

Wat is feitelijk samenwonen ook alweer?

Om te huwen of wettelijk samen te wonen moet men een actie ondernemen. Feitelijk samenwonen, daarentegen, gaat vanzelf. Het hoeft daarbij zelfs niet om partners te gaan, in de romantische betekenis. Iedereen kan samenwonen: kinderen met een ouder, broers en zussen, vrienden,... alles kan.

Zijn er ook fiscale voordelen verbonden aan feitelijk samenwonen?

Het antwoord daarop is volmondig "ja"! Echtgenoten en wettelijke samenwoners erven onmiddellijk van elkaar aan de tarieven in rechte lijn. Ook feitelijke samenwoners kunnen van elkaar erven aan die gunstige tarieven. In tegenstelling tot deze huwelijkse partners of wettelijke samenwoners, hebt u als feitelijke samenwoner wel wat geduld nodig. Bovendien komt u er niet met alleen geduld, u hebt ook een testament nodig.

Een belangrijk aspect hierbij, is de vrijstelling van de gezinswoning. Deze is van onschatbare waarde voor de partners, zowel emotioneel als financieel. Vrijstelling van erfbelasting kan daarom ook van toepassing zijn bij feitelijke samenwoning, indien u 3 jaar ononderbroken hebt samengewoond.
Voor alle andere (testamentaire) verervingen kunnen de tarieven in rechte lijn gelden, indien u, op het moment van het overlijden, minstens 1 jaar ononderbroken hebt samengewoond én u een gemeenschappelijke huishouding hebt gevoerd.

Maar, wat houden die begrippen nu eigenlijk in? Meer nog, veronderstellen die begrippen dat u ook effectief op hetzelfde adres ingeschreven bent? Het hof van Beroep te Gent heeft in een arrest van 19 oktober 2021 een belangrijke beslissing genomen.

Wat ging aan het arrest vooraf?

De erflater had enkele maanden voor het overlijden een eigenhandig testament opgemaakt en daarbij diens partner aangesteld als algemeen legataris. In de aangifte wordt ook bij de verwantschapsgraad "partner" aangeduid. De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) is echter een andere mening toegedaan en gaat hier niet mee akkoord. In het aanslagbiljet wordt het tarief "tussen anderen" toegepast. Hiertegen gaat de belastingplichtige, uiteraard, in bezwaar.

De belastingplichtige stelt namelijk dat de partners minstens 1 jaar ononderbroken hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, ondanks het gegeven dat zij op een verschillend adres in het bevolkingsregister waren ingeschreven.

Sleutelbegrip in de hele discussie is de "gemeenschappelijke huishouding".

Justice for all: de weg naar de rechtbank

Rechtbank van 1e aanleg

Gedurende de procedure overlijdt de belastingplichtige, waardoor de zaak wordt verdergezet door de erfgenamen.

De rechter in eerste aanleg oordeelt dat Vlabel terecht toepassing maakt van het tarief "tussen anderen". Hiertegen gaat de erfgenaam van de belastingplichtige in hoger beroep.

Hof van beroep Gent 19 oktober 2021

Het hof stelt dat het begrip "gemeenschappelijke huishouding" in zijn gebruikelijke betekenis begrepen moet worden. Het is met andere woorden een huishouding die men gemeenschappelijk voert, in die zin dat de leden blijk geven zorg te (willen) dragen voor elkaar. Dat kan door bij te dragen in (financi√ęle of andere) plichten van de huishouding. Deze zorgcomponent is daarbij van cruciaal belang en onderscheidt een gemeenschappelijke huishouding van een samenwoonst om louter zakelijke redenen.

Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding kan en mag men niet automatisch afleiden uit het louter samenwonen. Het vereist een ruimer beeld. De belastingplichtige kan het bewijs van de gemeenschappelijke huishouding voeren, met alle middelen van recht (met uitzondering van de eed).

Bewijs van de gemeenschappelijke huishouding

In casu stelt het hof dat het bewijs op afdoende wijze is geleverd.

Vooreerst is er het feit dat zij reeds jaar en dag samenwoonden in een gemeenschappelijke woning (ondanks verschillende inschrijvingen in het bevolkingsregister). Daarenboven blijkt uit de stukken dat er sprake is van een zekere financi√ęle verstrengeling, die verder gaat dan het louter delen van de vaste kosten voor het onroerend goed. Beide partners droegen namelijk bij in het voeren van het huishouden. Dat deze bijdrage al dan niet evenredig is met de inkomsten van elke partner, is niet relevant. De mate waarin men die zorg levert, verschilt namelijk van huishouding tot huishouding.

Vervolgens kunnen ook de omringende omstandigheden het bewijs van de zorgrelatie leveren. In concreto ging het om de vermelding van de partner op het overlijdensbericht, alsof het gehuwden waren. Dit was voor het hof eveneens een bewijs van de affectieve zorgrelatie. Mocht de relatie louter zakelijk geweest zijn, dan zouden de personen helemaal niet opgenomen zijn op het overlijdensbericht, of minstens anders beschreven worden.

Al dergelijke vaststellingen wijzen voor het hof op het bestaan van de zorgcomponent. Deze is van cruciaal belang om van een gemeenschappelijke huishouding te kunnen spreken.

Vandaar besluit het hof van beroep te Gent dat wel voldaan is aan de voorwaarden om van elkaar te erven, aan de tarieven zoals in rechte lijn.

Conclusie

Het klinkt dan wel een beetje "speciaal", samenwonen zonder op papier ook echt samen te wonen. Maar het is nu nog nogmaals bevestigd dat de inschrijving in het bevolkingsregister niet zaligmakend is. De zorg voor elkaar is van doorslaggevende aard. Hoe men dat interpreteert, is afhankelijk van uw concrete situatie: zowel de voor de hand liggende als de omringende factoren, spelen daarbij een rol.

Bezorgt 2022 u een nieuwe start of wenst u uw relatie een stapje hoger te tillen? aternio legal helpt u graag bij uw planning. Contacteer ons!


Webinar organiseren: hoe zit dat met de btw?

Een cursus of opleiding organiseren en deze met fysieke aanwezigheden laten volgen? Het zit er in deze covid-tijden helaas niet vaak meer in. Daarom gaan ondernemingen op zoek naar allerlei creatieve oplossingen om hun cursus of opleiding online te laten plaatsvinden. Tijdens deze 'webinars' is het soms zelf mogelijk om het publiek interactief te laten deelnemen.

Het is daarom interessant om toch eens stil te staan bij de btw-kwalificatie van dergelijke opleidingen.

In deze bijdrage gaan we enkel in op webinars, georganiseerd door in Belgi√ę gevestigde ondernemingen. De btw-vrijstellingen voor universiteiten of scholen laten we hier even buiten beschouwing.

Intellectueel werk of dienst verricht langs elektronische weg

Voor de btw-kwalificatie maakt het dus wel degelijk een verschil of de deelnemers van de cursus actief kunnen deelnemen of niet.

Indien het een interactief webinar betreft, waarbij het publiek vragen kan stellen tijdens het webinar, beschouwt men dit als een "intellectueel werk" in de zin van art.18, ¬ß1, lid 2, 1¬į van het Wetboek btw (hierna: wbtw):

Daarentegen, indien de opleiding op voorhand werd opgenomen en het publiek op eender welk moment de sessie kan bekijken, spreekt men van een "langs elektronische weg verrichte dienst" in de zin van art. 18, ¬ß1, lid 2, 16¬į wbtw. Het menselijk contact tussen de cursist en de deelnemer is bij een elektronische dienst uiteraard erg beperkt.

Plaats van de dienst

Vervolgens is het belangrijk om de plaats van de dienst te bepalen.

Bij een intellectueel werk - hier het webinar - is de plaats van de dienst, de plaats waar de activiteit effectief verricht wordt. Dit is zowel het geval wanneer de deelnemers belastingplichtigen (b2b) of particulieren (b2c) zijn.

Voorbeelden

In het geval van een interactieve opleiding zal de plaats van de dienst het land zijn van de organisator van het webinar. Daar wordt immers het materi√ęle werk verricht. Wanneer een Belgische onderneming een interactief webinar organiseert zal de plaats van de dienst dus Belgi√ę zijn. Hij rekent 21% btw aan.

Gaat het daarentegen om een elektronische dienst - dus zonder actieve tussenkomst van de cursist - is de plaats van de dienst daar waar de ontvanger gevestigd is. Dit is zowel het geval wanneer de ontvanger een particulier (b2c) of een belastingplichtige (b2b) is. Wanneer bijvoorbeeld een Belgische onderneming een elektronische dienst aan een Spaanse particulier verricht zal hierop Spaanse btw van toepassing zijn.

Indien de ontvanger een belastingsplichtige is (B2B) uit Spanje, zal de dienst in Spanje plaatsvinden. De organisator van de elektronische dienst zal bijgevolg kunnen factureren met "btw verlegd". Dit betekent dat de deelnemer van het webinar de Spaanse btw zal moeten voldoen via zijn btw-aangifte.

Is de ontvanger van de elektronische dienst afkomst uit een derdeland (denk aan Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, ...), dan zal dit derdeland de plaats van de dienst zijn. De organisator rekent op zijn factuur geen btw aan maar hij vermeld: "plaats van de dienst buiten de EU".

Samengevat

Organiseert u een interactief webinar, dan is de plaats van deze dienst deze waar de activiteit effectief verricht wordt. Is het echter een webinar zonder enige tussenkomt van docent en deelnemer, dan zal er eerder sprake zijn van een langs elektronische weg verrichtte dienst. Voor de plaatsbepaling van de elektronische dienst is de plaats waar de ontvanger gevestigd is bepalend.


Apart en toch samen: het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen

Huwen, 2 mensen die elkaar trouw beloven en dat verzegelen met een ring. Het leven kan mooi zijn. Het hoeft zich echter niet allemaal in een zeemzoete sfeer te bevinden. Wanneer we alle romantiek uit en rond het woord "huwelijk" weghalen, dan komen we namelijk in een heel zakelijke context terecht. Het huwelijk is dan bijna niet meer of niet minder dan twee mensen die overeenkomen dat ze onderworpen zullen zijn aan een aantal specifieke regels van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het belangrijkste woord van deze bijdrage is daarbij gevallen: "overeenkomst". Het instituut van het huwelijk kan conventioneel verder gevormd worden in een huwelijkscontract. Een bijzondere mogelijkheid in dergelijk huwelijkscontract is het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (afgekort TIGV).

Huwelijksvermogensstelsels

De verschillende huwelijksvermogensstelsels kwamen al eerder aan bod. Maar, bij wijze van synthese, hernemen we ze graag nog even kort

Wettelijk stelsel

Bij gebreke aan keuze voor een ander stelsel, valt u sowieso onder het wettelijk stelsel. Dit impliceert een stelsel van scheiding van goederen, met gemeenschap van aanwinsten. Kort samengevat betekent dit dat alles wat u al had van voor het huwelijk, alleen van u zal blijven. Ook schenkingen en/of legaten die u ontvangt zijn, tenzij anders bepaald, enkel van u. Dit noemt men eigen goederen. Als u deze niet in de gemeenschap brengt, dan blijven ze te allen tijde in uw eigen vermogen zitten. Alle overige goederen zullen in de gemeenschap terechtkomen. Het gaat dan om inkomsten, intresten, opbrengsten en andere zaken die men tijdens het huwelijk verwerft. Denk hierbij aan uw loon, huurinkomsten van (eigen) onroerende goederen, intresten van (eigen) beleggingen, … Ook alles waarvan u het eigen karakter niet kan aantonen, zal gemeenschappelijk zijn.

Stelsel van scheiding van goederen

Het stelsel van scheiding van goederen is vandaag de populairste van de klas. Dat is ook logisch, aangezien dit stelsel ook eenvoudiger is dan het wettelijk stelsel. Er zijn namelijk slechts 2 vermogens: de eigen vermogens van de twee echtgenoten. Het stelsel typeert zich door het gebrek aan gemeenschap. Maar, natuurlijk is er een "maar". Het is mogelijk om conventioneel (dat is bij overeenkomst) een gemeenschap te cre√ęren: het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV). Dat klinkt zeer artificieel en dat is het ergens ook. We loodsen u graag door de principes

Toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV)

We bevinden ons in het stelsel van scheiding van goederen. Dat is belangrijk. Dit stelsel blijft dominant, met alle daarop toepasselijke regels. We gaan er enkel een, vaak beperkt, gemeenschappelijk vermogen aan toevoegen: het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV). Anders dan het gemeenschappelijk vermogen in het wettelijk stelsel, zal dit vermogen niet automatisch gespijsd worden. Nee, minstens 1 van de echtgenoten moet effectief een inbreng doen.  U kiest ervoor om bepaalde zaken uit uw eigen vermogen in te brengen in een gemeenrechtelijke onverdeeldheid met uw partner.

TIGV als planningsinstrument

Het TIGV kan een mooi correctiemechanisme zijn op het strikte stelsel van scheiding van goederen. Het principe is dat we de scheiding van goederen gaan toepassen, maar, bij de ontbinding van het huwelijksstelsel gaan doen alsof we toch gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel. Door deze fictie te hanteren zal men het TIGV in beginsel verdelen bij helften.

Moduleren is mogelijk

Het is mogelijk om het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen te bewerken. Zo kunnen er verschillende verdeelsleutels aan gekoppeld worden.

Maar het is ook mogelijk om te werken met ontbindende voorwaarden. Dit zal vaak het geval zijn indien de inbreng in het TIGV hoofdzakelijk van 1 van de 2 echtgenoten komt. In dat geval zou de inbrengende echtgenoot kunnen stellen dat de vereffening van het TIGV op een andere manier zal gebeuren, afhankelijk van de wijze van ontbinding van het stelsel.

Zo zou u bij de inbreng in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen kunnen stipuleren dat, wanneer het TIGV een einde neemt door echtscheiding, de inbreng dan ontbonden wordt. In dat geval doen gaan we de gedane inbreng dus volledig annuleren en doen alsof deze nooit heeft bestaan. Indien het TIGV een einde zou nemen door overlijden van de inbrenger, dan mag er wel een vererving gebeuren door de langstlevende partner. De gekozen verdeelsleutel zal dan bepalen welk deel van het TIGV naar de langstlevende gaat en welk deel in de nalatenschap zal vallen.

De inbrengende echtgenoot zou ook kunnen stellen dat de inbreng gebeurt onder de ontbindende voorwaarde van het vooroverlijden van de andere echtgenoot. Indien die voorwaarde zich zou vervullen, zal de inbreng retroactief verdwijnen, alsof die nooit is gebeurd. Op die manier komt het vermogen terug naar de inbrengende echtgenoot en zal deze er helemaal alleen terug over kunnen beschikken. Niets van wat ingebracht was in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen zal naar de nalatenschap van de eerstoverleden partner gaan.

Het is zelfs mogelijk om meerdere ontbindende voorwaarden te koppelen.

Wat met de fiscaliteit?

De Vlaamse Belastingdienst heeft zich in een voorafgaande beslissing van 25 oktober 2021 nog uitgesproken over een combinatie van beide voornoemde ontbindende voorwaarden en het fiscale gevolg daarvan.

In de voorliggende aanvraag wou men bevestiging krijgen dat er geen verdelingsrecht van toepassing zal zijn bij de ontbinding van het stelsel door echtscheiding, noch dat er sprake zou zijn van erfbelasting, indien het stelsel een einde neemt door overlijden.

Vlabel is in deze helemaal meegegaan in de redenering en heeft gesteld dat er bij vervulling van een voornoemde ontbindende voorwaarde, geen taxatie zal plaatsvinden.

Conclusie

Planningen via huwelijkscontract verdienen het om in de kijker te staan. Dat de gehanteerde technieken nu ook expliciet bevestigd worden door Vlabel, kan enkel de populariteit nog maar vergroten.

Denkt u eraan om in 2022 in het huwelijksbootje te treden, of bent u al op volle koers maar wil u alles toch nog even laten nakijken? Contacteer aternio voor meer informatie en bijstand.


Geen aftrek van buitenlandse verliezen meer?

De aankondiging van de fisale hervorming in 2018 door regering Michel I, ligt al even achter ons, maar toch is het nuttig om bepaalde zaken nog even op te frissen.

Met ingang vanaf aanslagjaar 2021 ging immers de derde en laatste fase van deze belastinghervorming in. Eén van die maatregelen was de beperking van de aftrek van buitenlandse verliezen. Belgische vennootschappen met een buitenlandse vaste inrichting of vastgoed spitsen nu best even hun oren.

Wereldwijd inkomen

Een Belgische vennootschap is belastbaar op haar wereldwijd inkomen. Dit betekent dat ook de opbrengsten en kosten met betrekking tot een buitenlandse vaste inrichting of buitenlands onroerend goed tot het wereldwijd inkomen van de Belgische vennootschap zijn gerekend.

Maar vervolgens moeten we kijken naar de dubbelbelastingverdragen tussen Belgi√ę en het andere Verdragland (=waar de vaste inrichting of het onroerend goed gelegen is) gesloten zijn, om te bepalen waar men de inkomsten effectief gaat belasten.

In de meeste dubbelbelastingverdragen is de heffingsbevoegdheid voor winst van een buitenlandse vaste inrichting of onroerend goed toegekend aan het land waar de vaste inrichting of  onroerend goed gelegen is.

Het buitenlands inkomen zal dus wel moeten worden aangegeven, maar is vrijgesteld in Belgi√ę.

Wat met verliezen?

1. Oude wet vóór 1 januari 2020

Voor de boekjaren die een aanvang nemen vóór 1 januari 2020, kon men het verlies van zo’n vaste inrichting of onroerend goed gelegen in een verdragsland in principe aftrekken van de Belgische winst. Het was wel vereist dat de verliezen nog niet werden aangewend in de winstberekening van die vaste inrichting.

De meeste dubbelbelastingverdragen voorzien echter ook in een zogenaamde 'recapture'-regeling. Indien de verliezen later toch nog werden verrekend met de toekomstige winsten van de vaste inrichting, dan moest de Belgische vennootschap op dat moment haar belastbare basis terug corrigeren. Zo vermeed men een dubbele verliescompensatie.

2. Sinds 1 januari 2020 : enkel definitief verlies

Sinds 1 januari 2020 zijn de regels in de vennootschapsbelasting met betrekking tot de aftrek van buitenlandse verliezen verstrengd.

Voortaan kan het verlies van een buitenlandse vaste inrichting of onroerend goed niet zonder meer aftrekken van de Belgische winst.

  • verliezen bij de definitieve stopzetting van de activiteiten in een bepaalde lidstaat, waarbij er nog geen aftrek is verleend voor deze verliezen in die lidstaat; √©n
  • verliezen die bestaan wanneer de vennootschap geen activa meer bezit in een andere lidstaat en er nog geen aftrek is verleend in die lidstaat m.b.t. die verliezen.¬†

Anitmisbruikbepaling

Om te voorkomen dat een vennootschap haar activiteiten in het land van de vaste inrichting tijdelijk stopzet om vervolgens te hervatten (en dus 'definitieve' verliezen in Belgi√ę afgetrokken zijn), is er in artikel 185, ¬ß 3, lid 6 WIB 1992 een antimisbruikbepaling ingevoerd.
De antimisbruikbepaling voorziet namelijk in een recapture in het belastbaar tijdperk van de heropstart.
Dit gebeurt wanneer de Belgische vennootschap "binnen de 3 jaar na de aftrek van het definitieve beroepsverlies" van haar buitenlandse inrichting opnieuw activiteiten opstart in het land van de vaste inrichting. De recapture is onmiddellijk van toepassing, ongeacht het feit of de betreffende verliezen daadwerkelijk zijn afgetrokken in het land van de vaste inrichting.

Samengevat

Sinds aanslagjaar 2021 zijn verliezen met betrekking tot een buitenlandse vaste inrichting of buitenlands onroerend goed niet zonder meer aftrekbaar in de Belgische vennootschapsbelasting. Zij zullen voortaan slechts fiscaal aftrekbaar wanneer ze binnen de EER definitief geleden zijn, bijvoorbeeld bij de sluiting van de vaste inrichting.


Terugkeerschenking - geef eens een boemerang cadeau

Leven van dag tot dag... Dat is zowat hét motto van de voorbije twee jaar. Die voorzichtigheid, of mogen we het onzekerheid noemen, uit zich ook in onze planningstechnieken. Zo verdient de terugkeerschenking het om even extra in de spotlight te staan. Mogelijk hebt u al eens van het alias van deze schenkingstechniek gehoord: de "boemerang-schenking".

Waarover gaat het?

Donner et retenir ne vaut

Gegeven is gegeven. Het is in de schenkingssfeer niet zo evident om op uw daden terug te komen. Om dit kracht bij te zetten, kenmerken schenkingen zich zelfs door een versterkte onherropelijkheid. De schenker dient zich in principe dadelijk en onherroepelijk te ontdoen van de geschonken zaken en bovendien mag de schenker er niet, rechtstreeks of onrechtstreeks op terugkomen. De enige weg is vooruit; terugkomen op eerdere stappen is not done.

Maar, soms draait de klok wél terug

Het gaat hier dan niet over de hele jaarlijkse discussie over zomer- en winteruur. Neen het gaat erover dat het, onder bepaalde voorwaarden, wél mogelijk is om een schenking terug te draaien. We loodsten u al eerder door de meest gekende manieren om uw schenking aan een herkansing te onderwerpen.

Boemerang - schenking

Bij de terugkeerschenking gaat u de schenking echt als een boemerang inzetten. De toepassingen van deze schenkingsvorm kunnen divers zijn. Een treffend voorbeeld bestaat er uit dat u een bepaald vermogen schenkt, onder de welbepaalde ontbindende voorwaarde dat u op een bepaald moment nog in leven bent. Eenmaal dat moment voorbij is, komt het geschonkene terug naar u en bent u klaar voor het volgende rondje. Wow!? Dat kan dat zomaar?

Stel: u staat aan de vooravond (of neem de tijd gerust iets ruimer, gewoon voor de zekerheid) van een levensbedreigende ingreep. U wil het zekere voor het onzekere nemen en u gaat een schenking organiseren. Indien u de ingreep niet zou overleven, dan is dat alvast geregeld. Maar dan slaat de paniek u om het hart. Wat als ik de ingreep wel overleef? Gegeven was toch gegeven? Dan ben ik alles kwijt! Nee, dat nooit! Naast de andere, in de praktijk gebruikte modaliteiten, zal u de schenking transformeren tot een terugkeerschenking. Dit wil zeggen dat u schenkt onder de ontbindende voorwaarde dat u binnen, bijvoorbeeld, 6 maanden nog in leven bent. We willen op zeker spelen en dus zal de schenking plaatsvinden door middel van een notari√ęle akte en mits betaling van de toepasselijke schenkbelasting.

De ingreep verloopt voorspoedig en u bent klaar voor een zorgeloos leven. U haalt de vooropgestelde 6 maanden zonder moeite. Gevolg: de ontbindende voorwaarde treedt in werking en de schenking wordt van rechtswege ontbonden, alsof ze nooit heeft plaatsgevonden. Het geschonken vermogen komt daardoor, als een boemerang en zonder bijkomende belasting, terug naar uw vermogen.

Hoe vaak komt zo'n boemerang terug?

Enkele vooraanstaande auteurs in de rechtsleer stellen dat dergelijke schenkingstechniek wel wat uithoudingsvermogen heeft. U zou kunnen overwegen om dit systematisch, bijvoorbeeld met tussenposen van 3 jaar, uit te werken.

Allemaal goed en wel, maar wat met de fiscaliteit?

Wanneer de oorspronkelijke schenking onderworpen was aan de schenkbelasting, dan treedt er een bijzonder adagium in werking. U kan zich dan, mits het nauwgezet voldoen aan een aantal voorwaarden, beroepen op het non bis in idem-beginsel. Dit komt erop neer dat u geen 2 keer kan belast worden op het opnieuw uitvoeren van exact dezelfde feitenconstellatie. Wanneer een akte "hermaakt" wordt, dan zal deze vrijgesteld zijn van het evenredig recht.

Opnieuw verrichte rechtshandeling

Dat is de eerste vereiste. In theorie zullen er 3 rechtshandelingen voorhanden zijn, namelijk: het uitvoeren van de oorspronkelijke schenking, de ontbinding van rechtswege van deze schenking en de nieuwe schenking.

De nieuwe rechtshandeling moet van dezelfde aard zijn als de oorspronkelijke handeling. Is de eerste handeling een schenking, dan moet de tweede handeling dat ook zijn. Bovendien moeten beide rechtshandelingen betrekking hebben op exact dezelfde goederen (niet meer en niet minder) en moeten zij afgesloten zijn tussen dezelfde personen, in dezelfde hoedanigheid.

Evenredig recht mag niet vatbaar zijn voor teruggaaf

Wanneer het oorspronkelijk geheven registratierecht vatbaar is voor teruggaaf, kan al het voorgaande uiteraard geen doorgang vinden. Het valt niet te rijmen dat u een vrijstelling krijgt om een dubbele belasting te vermijden, indien u de oorspronkelijk betaalde belasting zou terugkrijgen. Non bis in idem beoogt de effectieve dubbele taxatie van exact dezelfde transactie.

Conclusie

De boemerang - schenking, of de terugkeerschenking, kan zeker perspectieven openen in het licht van uw planning. Echter, enige voorzichtigheid is daarbij wel geboden. Contacteer de juristen van aternio voor advies op uw persoonlijke maat.

Bron:
F. WERDEROY, Registratierechten I, Mechelen, Wolters Kluwer, 2020, nr. 627 e.v., p. 1030 e.v.
N. GEELHAND DE MERXEM, "De ontbinding van een schenking om een nieuwe schenking door te voeren is belastingvrij en geen fiscaal misbruik", LegalNews 13 februari 2020.


Doorprikt het erfrecht de feitelijke vereniging?

Recent werd de vraag gesteld of de fiscus erfbelasting kan heffen bij het overlijden van een lid van een feitelijke vereniging. Die vraag is ook niet verwonderlijk, aangezien een feitelijke vereniging wel effectief over een vermogen kan beschikken. Echter, daar waar het woord "vermogen" valt, daar zal ook de fiscus plots verschijnen. De meningen over het al dan niet verschuldigd zijn van erfbelasting, zijn echter verdeeld. We zetten de meest recente ontwikkelingen graag even voor u uiteen.

Feitelijke vereniging - definitie en praktijk

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV) definieert de feitelijke vereniging in artikel 1:6 als "een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid beheerst door de overeenkomst tussen partijen".
In die definitie zijn 2 begrippen van belang: het begrip "(zonder) rechtspersoonlijkheid" en het begrip "overeenkomst".

Overeenkomst

Vanaf wanneer komt een overeenkomst tot stand? Van zodra 2 of meer mensen een akkoord over een bepaald doel hebben, kan het al snel zo ver zijn. Laat ons verduidelijken met een voorbeeld. Vier vrienden zijn fervente sporters en helemaal bezeten van padel. Ze geven hun groepje een leuke naam en reserveren hun terrein bij de padelclub voortaan ook onder die naam. Ze leggen een groepspot aan om iets te drinken achteraf en als er iets van overschot is, dan kunnen ze er later iets leuks mee doen. Dit lijkt allemaal vrij onschuldig (en dat is het in feite ook), maar op dat moment bent u dus wel deel van een feitelijke vereniging.

Stel nu dat het enthousiasme van de vier vrienden zo aanstekelijk is, dat er nog meer gelijkgestemden willen "aansluiten" bij hen. Ze zouden dan misschien eigen kleine toernooitjes kunnen organiseren en... de idee√ęn swingen de pan uit. Ze vragen een kleine inbreng van alle deelnemers en kunnen zo wat extra's aanbieden.

Het hoeft geen betoog dat de, net gecre√ęerde, feitelijke vereniging al snel over bepaalde middelen zal beschikken. Denk hierbij aan een bankrekeningnummer of materialen. In het net aangehaalde voorbeeld zal dat "vermogen" nog wel meevallen. Maar er zijn ook andere groepsinitiatieven te bedenken, die als feitelijke vereniging w√©l over een aanzienlijk vermogen zullen beschikken.

Geen rechtspersoonlijkheid

Door het gebrek aan rechtspersoonlijkheid vormen de middelen van de feitelijke vereniging geen apart vermogen. Het wordt geacht om de onverdeelde eigendom van de delen van de feitelijke vereniging te zijn. De leden van de feitelijke vereniging kunnen daarop in principe geen eigendomsrecht claimen; zij krijgen daarvoor in ruil een onlichamelijk recht op deelname in het vermogen.

Erfbelasting?

In wat voorafgaat hebben we al vastgesteld dat er geen rechtspersoonlijkheid en dus ook geen afgescheiden vermogen is. Er is dus, als het ware, een onverdeeld eigenaarschap tussen de leden van de feitelijke vereniging ontstaan. Wat nu als een lid komt te overlijden. Moeten de erfgenamen aangifte doen van de deelname in de feitelijke vereniging en het "aandeel" van de overledene daarin? Of kan dit buiten schot blijven, gegeven de doelgebonden bestemming van het vermogen van de feitelijke vereniging?

Het antwoord op voornoemde vraag is genuanceerd.

Federaal standpunt

Op federaal niveau wordt als regel gesteld dat er effectief aangifte dient te gebeuren. Indien een lid van een feitelijke vereniging overlijdt, dan moeten de erfgenamen alle rechten van die persoon opnemen in de aangifte van nalatenschap. Ook indien het gaat om activa en passiva van een feitelijke vereniging. Het overlijden van een lid van een feitelijke vereniging zal, in deze stelling, dus effectief aanleiding geven tot erfbelasting.

Dit lijkt echter niet geheel te stroken met artikel 2.7.1.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat stelt dat er pas rechten worden geheven op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden. Met andere woorden: indien de overeenkomst tussen de leden van de feitelijke vereniging (dus de statuten) niet bepalen dat de vereniging stopt bij het overlijden van een lid en/of dat er in dat geval een vergoeding of verdeling zal plaatsvinden, dan is er toch ook geen overgang ingevolge het overlijden? Hoe kan er dan erfbelasting verschuldigd zijn?

Anders is het, uiteraard, indien de overeenkomst houdende feitelijke vereniging wel stelt dat de vereniging een einde neemt ingevolge een overlijden of dat er een vergoeding/verdeling zal plaatsvinden op dat moment. Dan is het uiteraard duidelijk. Op dat moment komt er effectief iets in het vermogen terecht, naar aanleiding van het overlijden en zal er effectief melding moeten worden gemaakt in de aangifte van nalatenschap.

Vlaams standpunt

Recent is een soortgelijke vraag ook op het Vlaamse niveau bekeken. De Vlaamse minister van Financi√ęn stelt dat er in de aangifte van nalatenschap enkel melding moet worden gemaakt van de bankrekeningen waarvan de overledene eigenaar was op het moment van overlijden. In het geval van een feitelijke vereniging, staan de gelden op de zichtrekening op naam van de feitelijke vereniging. De verrichtingen op die rekening gebeuren via een gevolmachtigde. Het moge ook duidelijk zijn dat een gevolmachtigde absoluut niet hetzelfde is dan een eigenaar.

Bij wijze van conclusie kan men dan ook stellen dat de gelden in kwestie toebehoren aan de feitelijke vereniging en niet aan de erflater zelf. Bijgevolg kan er dus ook geen erfbelasting op verschuldigd zijn. Mocht de financi√ęle instellingen een andere mening toegedaan zijn, dan kunnen de betrokken erfgenamen met alle middelen (met uitzondering van de eed) bewijzen dat dit niet zo is.

Conclusie

De beide standpunten vertrekken vanuit een andere premisse en dus komt het in zekere zin neer op het vergelijken van appelen met peren. Daar waar de federale minister het vooral heeft over het aandeel van de overledene in de feitelijke vereniging, gaat de Vlaamse minister eerder in op de volmacht op de zichtrekening.

Het louter lid zijn van een feitelijke vereniging lijkt, an sich, geen aanleiding te geven tot erfbelasting. Er moet minstens een uitkering, of althans een recht op overgang van een deel van het vermogen van de feitelijke vereniging, ontstaan door het overlijden. Anders kan er geen belasting plaatsvinden. Enkel een grondige analyse van de statuten zal hierover uitsluitsel kunnen geven.

aternio leest graag even met u mee. Contacteer onze juristen voor een screening van de statuten van uw feitelijke vereniging.