Een bedrijfswagen of extra cash? Loont de mobiliteitsvergoeding?

Sinds 15 maart 2018 is de mobiliteitsvergoeding daadwerkelijk een feit. In het zomerakkoord van 2017 is er al sprake van de zogenaamde ‚Äúcash for car‚ÄĚ. De regering wil hiermee burgers stimuleren om hun bedrijfswagen in te ruilen. De Raad van State was evenwel niet overtuigd. Na enkele aanpassingen is de wet betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding dan toch goedgekeurd.

Wat is de mobiliteitsvergoeding?

De mobiliteitsvergoeding is ook wel bekend als de ‚Äúcash for car‚ÄĚ-regeling. Deze benaming geeft exact de inhoud weer. Iemand die een bedrijfswagen heeft, kan deze inruilen voor geld. De wet is er gekomen naar aanleiding van de Belgische mobiliteitsproblematiek. Zoals velen elke dag meemaken, kent Belgi√ę teveel auto‚Äôs waardoor er ellenlange files ontstaan. Ondanks het verkeersinfarct blijven werknemers massaal opteren voor bedrijfswagens.

Uit cijfergegevens van Febiac blijkt dat van de 5,7 miljoen wagens één vijfde geregistreerd staat als bedrijfswagen. Daarnaast steeg in 2017 de nieuw ingeschreven bedrijfswagens met 3,2%. Deze cijfers staan in scherp contrast met de mobiliteitsproblematiek. Omwille daarvan heeft de regering beslist om de mobiliteitsvergoeding in te voeren.

Het mag, maar moet niet

De mobiliteitsvergoeding is een keuze. Vooreerst is het de keuze van de werkgever om de mobiliteitsvergoeding binnen de onderneming in te voeren. Werkgevers zijn hier in geen geval verplicht.

Indien de werkgever beslist dat de mobiliteitsvergoeding kan, beslist de werknemer vervolgens nog steeds zelf of hij de bedrijfswagen inruilt. Indien een werknemer liever zijn bedrijfswagen houdt, kan niemand hem daartoe verplichten.

Voorwaarden voor de werkgever

Om in aanmerking te komen voor de mobiliteitsvergoeding moeten zowel de werkgever als de werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoen.

De werkgever moet reeds gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de invoering van de mobiliteitsvergoeding, bedrijfswagens aanbieden in zijn ondernemingen. Indien de onderneming minder lang bestaat, geldt deze termijn niet. In dat geval volstaat het dat de werkgever op het ogenblik van het invoeren van de mobiliteitsvergoeding bedrijfswagens aanbiedt.

Voorwaarden voor de werknemer

Ook de werknemer dient aan bepaalde voorwaarden te voldoen om een aanvraag bij zijn werkgever in te dienen.  Op het ogenblik van de aanvraag moet de werkgever gedurende een ononderbroken termijn van 3 maanden over een bedrijfswagen beschikken en gedurende 12 maanden in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een bedrijfswagen ter beschikking gesteld gekregen hebben. Ook deze termijnen zijn niet van toepassing indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat.

Indien een werknemer in dienst treedt bij een nieuwe werkgever gelden de hierboven vermelde voorwaarden niet. In dergelijk geval voorziet de wet een specifieke regeling. De werknemer zal in twee gevallen een mobiliteitsvergoeding bij de nieuwe werkgever kunnen aanvragen. Dit kan wanneer hij bij zijn vorige werkgever reeds een mobiliteitsvergoeding had gekregen of  bij de vorige werkgever in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 12 maanden over een bedrijfswagen beschikte, waarvan minstens 3 maanden ononderbroken voorafgaand aan de uitdiensttreding.

Indien de werknemer zich niet in de twee bovengenoemde situaties bevindt, is er ook de mogelijkheid om bij de nieuwe werkgever de termijnen verder te zetten. Dit heeft als gevolg dat het veranderen van werkgever de opbouw van de termijnen niet teniet doet.  Dit is mogelijk wanneer de werknemer in een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitdiensttreding beschikte over een bedrijfswagen bij de oude werkgever.

Wat betreft de nieuwe werknemers dienen zij uiterlijk 1 maand na de indiensttreding bij de nieuwe werkgever een aanvraag tot mobiliteitsvergoeding of respectievelijk verdere opbouw van termijnen, in te dienen.

Formaliteiten

De werkgever zal aan zijn werknemers moeten meedelen dat de mobiliteitsvergoeding wordt ingevoerd. Indien hij voorwaarden koppels aan de mobiliteitsvergoeding moeten deze ook duidelijk kenbaar gemaakt worden aan de werknemers. Werknemers moeten de aanvraag schriftelijk indienen. De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk aan de betrokken werknemer verstrekt. Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, geldt de aanvraag en de positieve beslissing van de werkgever als overeenkomst. Deze maakt dan inhoudelijk dan deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Hoeveel cash?

De mobiliteitsvergoeding wordt berekend aan de hand van de cataloguswaarde van de bedrijfswagen. De vergoeding dient het gebruiksvoordeel op jaarbasis van de ingeleverde bedrijfswagen te vergoeden.

Mobiliteitsvergoeding = 20% (of 24%) x cataloguswaarde x 6/7

Deze waarde wordt bepaald door 20% van de cataloguswaarde te vermenigvuldigen met 6/7. Indien de werknemer ook een tankkaart tot zijn beschikking had, wordt in de formule 24% toegepast op de cataloguswaarde.

Fiscaal

De mobiliteitsvergoeding wordt niet geacht loon te zijn. Hierdoor worden noch door de werkgever als de werknemer RSZ-bijdragen betaald. De werkgever betaalt enkel een solidariteitsbijdrage, gelijk aan de solidariteitsbijdrage inzake CO² van de desbetreffende bedrijfswagen.

De belasting die de werknemer moet betalen bedraagt 4% van de catalogusprijs vermenigvuldigd met 6/7.

Wat de fiscale regeling betreft, is dit zeker gunstig voor zowel de werkgever als werknemer. Let wel de mobiliteitsvergoeding is niet combineerbaar met een verplaatsingsvergoeding voor woon-werkver- keer en kan ¬†niet vooraf gegaan worden door een zogenaamde ‚Äúsalary sacrifice‚ÄĚ, zeg maar een vermindering van het loon in ruil voor een bedrijfswagen.

Conclusie

Of de mobiliteitsvergoeding het nodige aantal mensen zal stimuleren om hun bedrijfswagens in te ruilen, zal de toekomst moeten uitwijzen.  Op zich is deze vergoeding een mooi initiatief met een fiscale gunstige regeling. Vragen blijven natuurlijk. Zal het aantal wagens op onze wegen hierdoor daadwerkelijk verminderen? Is de eventuele aankoop van een privé auto en de hiermee gepaard gaande kosten wel  gedekt door de mobiliteitsvergoeding?


Vlaams verkooprecht van 7% bij aankoop van de enige gezinswoning

Met ingang van 1 juni 2018 wordt in Vlaanderen het verkooprecht voor de aankoop van de (enige) gezinswoning hervormd.  Er worden tal van tarieven op ons afgevuurd: 10%, 7% , 6%, 1%.  Voor wie door het bos de bomen even niet meer ziet, zetten we de de nieuwe basisprincipes graag op een rijtje. In deze bijdrage richten we onze spot op het basisprincipe en het nieuwe tarief van 7%.

Verkooprecht van 10% is en blijft de regel

Voor wie een in Vlaanderen gelegen onroerend goed koopt, blijft 10% verkooprecht de basisregel. Concreet zal het oorspronkelijke tarief wel enkel nog gelden indien:
- men een bedrijfsgebouw aankoopt; of
- wanneer een rechtspersoon een onroerend goed aankoopt; of
- wanneer een natuurlijk persoon een tweede verblijf  aankoopt; of
- wanneer een investeringsgoed aangekocht wordt (maar ook hier bestaat een uitzondering op).

In de praktijk wordt dus in een hele reeks uitzonderingen voorzien om aan die 10% "te ontsnappen".

Verkooprecht van 7% voor enige gezinswoning voor eigen gebruik

In heel de hervorming van het verkooprecht verdwijnen een aantal gevestigde waarden. Zo verdwijnt het abattement van 15.000 euro en ook het klein beschrijf sneuvelt. In de plaats daarvan komt een eenvoudig verlaagd tarief van 7% voor de aankoop van de eigen gezinswoning.

Wat zijn nu de cumulatieve voorwaarden voor dit verlaagd tarief?

  1. Het moet gaan om een woning. De definitie die de Vlaamse Codex Fiscaliteit aan een woning geeft, is "het huis of het geheel of een gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings-of onderhoudswerken dient of zal dienen tot huisvesting van een gezin of 1 persoon, met in voorkopend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen."
    Het moge duidelijk zijn: op de aankoop van een bouwgrond zal het verkooprecht van 10% betaald worden.Voorlopig vallen ook woningen op plan of in aanbouw uit de spreekwoordelijke boot, aangezien deze nog niet effectief bewoonbaar zijn. Het is onduidelijk of dit de bedoeling is van de wetgever
  2. De woning bevindt  zich in het Vlaams gewest. 
  3. De aankoop moet gebeuren door natuurlijke personen.
  4. Het moet om een zuivere aankoop gaan. De woning moet verkregen zijn ingevolge een koopovereenkomst.Verwerving via ruil of door een uitonverdeeldheidtreding valt buiten de nieuwe regeling. Ook de verkrijging die gelijkgesteld worden met een verkoop, maar het dus niet echt zijn, zullen ook het 10%-tarief ondergaan. Het gaat bijvoorbeeld om de onttrekking van een onroerend goed uit een vennootschap.
  5. De geheelheid van de woning moet in volle eigendom aangekocht worden. Om deze voorwaarde te beoordelen, mogen alle kopers van de woning samen in aanmerking worden genomen. Zo zal bijvoorbeeld kunnen kwalificeren: 1 koper koopt 100% van de blote eigendom en 1 koper koopt 100% van het vruchtgebruik of een aantal kopers kopen elk een onverdeeld deel van een woning in onverdeeldheid, maar samen hebben ze wel het geheel in volle eigendom. Anderzijds, als alleen de blote eigendom of alleen het vruchtgebruik wordt aangekocht, zal wel 10% moeten worden betaald.
  6. Vestiging hoofdverblijfplaats binnen de 2 jaar. Binnen de 2 jaar na de datum van de notari√ęle aankoopakte moet elke koper zijn inschrijving nemen in het bevolkings- of vreemdelingenregister. Er is echter geen minimumtermijn voorzien voor bewoning. Kopen en quasi onmiddellijk na de inschrijving terug verkopen is dus mogelijk.
  7. De koper mag niet reeds eigenaar zijn van een andere woning of bouwgrond. Dit geldt als uitsluitingsregel: als koper mag men nog niet voor de geheelheid in volle eigendom eigenaar zijn van een andere woning of bouwgrond. Het is daarbij niet relevant¬†hoe iemand eigenaar geworden is van die andere woning (bv. via schenking of door middel van erfenis). Anderzijds, wanneer de aankoop door meerdere kopers samen plaats heeft gevonden, dan mogen ze samen niet voor de totaliteit volle eigenaar zijn van een andere woning of bouwgrond. Het reeds aanhouden van een andere woning of bouwgrond vormt het "verhinderd bezit". Dit zal beoordeeld worden op datum van de notari√ęle aankoopakte. Met andere woorden: als iemand nog eigenaar is van een andere woning op het moment van het ondertekenen van de onderhandse aankoopakte (compromis), maar niet meer op het moment dat de notari√ęle akte wordt ondertekend, is er geen probleem.¬†Kleine randbemerking: de uitsluitingsregel wordt per koper, individueel, bekeken. Het zou dus mogelijk kunnen zijn dat de ene koper een andere tarief moet betalen dan de andere koper.
  8. Vervulling van een aantal vormvoorwaarden.  Het gaat om een aantal pro fisco - clausules die in de aankoopakte moeten worden opgenomen. Zo zal er bijvoorbeeld formeel moeten worden verzocht om het tarief van 7% toe te passen of zal er van het verhinderd bezit melding moeten worden gemaakt. Bovenop dit alles is ook nog een vangnetbepaling opgenomen. Als men toch vergeten is om specifieke verklaringen op te nemen in de akte en men zou 10% betaald hebben in plaats van 7%, dan kan het teveel geheven recht via verzoekschrift worden teruggevraagd binnen een termijn van 5 jaar vanaf 1 januari volgend op het jaar waarin de belasting opeisbaar is geworden.

 


Winstpremie: winstdeelname voor werknemers zonder dat zij aandeelhouder zijn

Het is geen sinecure om in Belgi√ę werknemers op een financieel vriendelijke manier te belonen. Zowel werknemers als werkgevers ervaren maar al te goed de fiscale en parafiscale druk.¬†Het systeem van de ‚Äúniet-recurrente resultaatsgebonden voordelen‚ÄĚ, de zogenaamde loonbonus, laat toe om werknemers te belonen onder een voordelig sociaal- en fiscaalrechtelijk regime. Sinds 1 januari 2018 is er een nieuw interessant beloningsinstrument:¬†de winstpremie. Een introductie.

Wat is deze winstpremie?

De wet van 25 december 2017 heeft de winstpremie ingevoerd. Dit is een premie in speci√ęn die toegekend wordt aan werknemers. Werknemers hoeven hiervoor geen aandelen te bezitten in de vennootschap.¬†Als werkgever bent u wel verplicht deze winstpremie toe te kennen aan alle werknemers. Het is dus niet mogelijk om sommige wel en andere niet te betrekken. De wet voorziet in twee soorten winstdeelnames: de gecategoriseerde en de identieke.

Gecategoriseerde winstpremie

De gecategoriseerde winstpremie is verschillend naargelang de categorie van de werknemer. Deze winstpremie laat toe om de ene categorie werknemers meer toe te kennen dan de andere. Zoals reeds gezegd, zal u als werkgever wel elke categorie iets moeten toekennen. Het nadeel aan deze premie is dat dit enkel ingevoerd kan worden door een ondernemings-cao of toetredingsakte. Dit kan er mogelijk voor zorgen dat het in praktijk minder gebruikt zal worden dan de identieke winstpremie.

Identieke winstpremie

De identieke winstpremie is een premie die bestaat uit een vast bedrag of een vast percentage op het loon. De beslissing om deze premie uit te keren kan genomen worden door een algemene vergadering met meerderheid van stemmen. De werkgever is verplicht om de werknemers schriftelijk op de hoogte te brengen van de toekenning en de modaliteiten.

In de notulen van de algemene vergadering moeten bepaalde vermeldingen zijn opgenomen. Vooreerst moet het bedrag of het percentage duidelijk worden vastgelegd. Indien er gekozen wordt voor een vast percentage, moet worden vastgelegd wat als loon wordt beschouwd waarop het percentage zal worden toegepast. Het is mogelijk om in een anci√ęnniteitsvoorwaarde (maximum 1 jaar) te voorzien. De berekeningswijze, indien een werknemer de onderneming in dat jaar verlaat, moet duidelijk vermeld zijn.

Geen recht van de werknemer

Het toekennen van een winstpremie is een mogelijkheid voor de werkgever. Het is geenszins een recht van de werknemer. De toekenning van de premie het ene jaar betekent niet dat dit ook het volgende jaar moet worden toegekend. Het staat de werkgever elk jaar vrij om hiervoor te kiezen.

Maximale bedrag

De wet heeft wel een maximum bepaalt. Zij stelt dat het totale bedrag van de winstpremie niet meer mag bedragen dan 30% van het brutoloon bij afsluiting van datzelfde boekjaar. Daarnaast is het niet de bedoeling dat de winstpremie een deel van het loon vervangt. De premie is een bonus die bovenop het loon wordt toegekend. Het is uitdrukkelijk verboden dat de winstpremie andere premies of voordelen in natura vervangt.

Sociaalrechtelijke en fiscale regime

De winstpremie kent een gunstig sociaalrechtelijk en fiscaal regime. Eerst en vooral moet de werkgever geen sociale bijdragen betalen op de premie. De werknemer bepaalt het gewone percentage van 13,07%. Voor de werkgever is dit natuurlijk uiterst aantrekkelijk.

Fiscaal is de winstpremie gunstig te noemen. In de personenbelasting zal de werknemer deze premie moeten vermelden. Deze zal belast worden aan een tarief van 7%. Wat de werkgever betreft is de toegekende premie een verworpen uitgaven en aldus fiscaal niet aftrekbaar. De winstpremie is m.a.w. aan de vennootschapsbelasting onderworpen.

Inwerkingtreding

De wet is op 1 januari 2018 in werking getreden. Er is wel voorzien dat winstpremies ten vroegste kunnen worden toegekend op grond van de winst van het boekjaar met afsluitdatum ten vroegste op 30 september 2017.

Conclusie

Deze nieuwe premie laat werkgevers toe om hun werknemers te belonen, zonder dat dit beiden een fortuin kost. De relatieve eenvoudigheid, in het bijzonder van de identieke winstpremie, is zeker welkom. De combinatie van deze elementen zorgt dat het de moeite waard is om de winstpremie als beloningsmiddel te overwegen.


Onterechte boekingen op rekening-courant, wees fiscaal op uw hoede

We merken in praktijk vaak dat bedrijfsleiders hun bankrekening en de bankrekening van de vennootschap door elkaar gebruiken. Dergelijke financi√ęle stromen worden in de boekhouding tot uiting gebracht op de rekening-courant (i.e.¬†lopende rekening) van de bedrijfsleider bij de vennootschap.

Het nazicht van de rekening-courant is een typische activiteit einde boekjaar. Zowel voor het bestuursorgaan als voor de accountant is hier een belangrijke taak weggelegd. Niet zelden worden bij het overlopen van de openstaande leveranciersschulden van de vennootschap overboekingen gedaan naar lopende rekeningen.

Een simpele aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening van de bedrijfsleider kan soms zorgen voor onaangename verrassingen. Dit blijkt opnieuw uit een recent vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

Openstaande leveranciersschulden

In het kader van de jaarafsluiting van de vennootschap merkt de accountant van de vennootschap op dat er een belangrijk bedrag aan openstaande leveranciersschulden is. Omdat de vennootschap over onvoldoende financi√ęle beschikte neemt de accountant aan dat deze leveranciers betaald werden door de bedrijfsleider.

De accountant rekent het openstaande leverancierssaldo aan op de rekening-courant van de bedrijfsleider bij de vennootschap. Bij een fiscale controle kunnen de door de bedrijfsleider beweerde betalingen niet worden aangetoond.

De fiscus was van oordeel dat er sprake was van niet-aangegeven meerwinsten. De boeking op de creditzijde van de lopende rekening wordt door de fiscus eveneens aanzien als een voordeel en dus als een belastbare bezoldiging van de bedrijfsleider. Het bedrag van de leveranciersschulden wil de fiscus tevens belasten in de bijzondere aanslag geheime commissielonen in de zin van art. 219 WIB'92.

De bedrijfsleider en de vennootschap gaan hier niet mee akkoord en trekken naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen die de zaak moet beslechten.

Belastbare bezoldiging

Het gegeven dat de bedrijfsleider geen enkel bewijs levert dat hij effectief met privé-gelden leveranciers van de vennootschap heeft betaald, leidt er niet noodzakelijk toe dat de creditering van de rekening-courant in hoofde van de bedrijfsleider een vorm van bezoldiging zou zijn.

De fiscus moet namelijk aantonen dat dat de sommen die op de rekening-courant van de bedrijfsleider worden ingeschreven, de tegenprestatie zijn voor diens activiteit binnen de vennootschap (Cass. 30 januari 1981, FJF, No. 82/26). Als dit bewijs niet wordt geleverd dan is er geen sprake van een belastbare bezoldiging.

Geheime commissielonen

De rechtbank is van oordeel dat het niet de bedrijfsleider is die met privé-middelen de leveranciers heeft betaald. Neen, zij stelt dat de vennootschap in het verleden met eigen (niet-aangegeven) opbrengsten haar leveranciers heeft betaald. Dergelijke verdoken meeromzet verantwoordt volgens haar evenwel geen aanslag geheime commissielonen.

De leveranciers die bij het afsluiten van de jaarrekening zijn afgeboekt, moeten als een ‚Äúfictieve schuld‚ÄĚ van de vennootschap worden beschouwd. De niet-aangegeven meeromzet wordt in de boekhouding eigenlijk verborgen door deze te boeken op het credit van de lopende rekening van de bedrijfsleider. Dergelijke boeking is een overschatting van passief. Indien door de fiscus een overschatting van passief wordt vastgesteld, kan er conform art. 219 WIB'92 geen sprake zijn van geheime commissielonen.

Verdoken meerwinsten

Wanneer boekhoudkundige of fiscale bepalingen worden overtreden en passiefbestanddelen worden overgewaardeerd, dan moeten deze elementen moeten worden beschouwd als ‚Äúonzichtbare‚ÄĚ reserves. De fiscale administratie stelt zelf dat dergelijke reserves kunnen bestaan uit ‚Äúreserves die onder een onjuiste benaming onder de passiefbestanddelen voorkomen en aldus in feite winst verbergen (vermelding van fictieve of uitgedoofde schulden)‚ÄĚ. In casu¬†betreft het hier de onterechte boeking op de rekening-courant van de bedrijfsleider.

Overschattingen van passief behoren fiscaal steeds tot het vermogen van de vennootschap. Dergelijke onzichtbare vermogensbestanddelen kunnen op basis van art. 361 WIB'92 door de fiscus op ieder ogenblik worden belast. Het is hierbij van geen belang of deze overwaardering ontstaan is in vroegere belastbare tijdperken. In concreto oordeelt de rechtbank dat de leveranciersschulden die werden afgeboekt en ten onrechte werd gecrediteerd op de lopende rekening van de bedrijfsleider, als een overschatting van passief moeten worden belasten.

Conclusie

Spring steeds omzichtig om met niet gefundeerde boekingen op rekening-courant. Indien u het bewijs van privébetalingen aan leveranciers van de vennootschap niet kan leveren, hangt er namelijk een fiscaal zwaard van Damocles boven het hoofd van de vennootschap. Dergelijke boekingen kunnen door de fiscus in  elk geval op ieder moment worden belast als verdoken meerwinst.

Bron: Fisc. Koer., 2017/19/20, p. 902-904, Rb. Antwerpen 3 november 2017, rolnr. 16/4441/A


Effectentaks is (helaas) eindelijk een feit

Op 1 februari 2018 is de wet inzake de effectentaks aangenomen. Sinds lange tijd pleitten bepaalde politieke partijen voor een vermogenstaks. De effectentaks moet deze honger stillen. Nu de taks er finaal is, geven we u graag enige toelichting.

Personeel toepassingsgebied effectentaks

De effectentaks treft enkel natuurlijke personen. Vennootschappen blijven aldus buiten schot. Zowel rijksinwoners als niet-rijksinwoners worden aan de effectentaks onderworpen. Om onder de toepassing van de effectentaks te vallen moet men titularis zijn van √©√©n of meerdere effectenrekeningen. Voor rijksinwoners wordt rekening gehouden met de effectenrekeningen in Belgi√ę √©n het buitenland. De wetgever heeft er aldus bewust voor gekozen om een buitenlandse ontsnappingsroute uit te sluiten. Voor niet-rijksinwoners zal wel enkel rekening worden gehouden met effectenrekeningen bij Belgische tussenpersonen. Indien zij buitenlandse effectenrekeningen bezitten, zullen die niet tot het toepassingsgebied behoren.

Grens van 500.000 euro

Daarnaast geldt de effectentaks enkel voor natuurlijke personen die effecten bezitten die gelijk of meer dan 500.000 euro gemiddelde waarde hebben. Deze grens wordt per titularis bekeken.

Indien meerdere personen samen titularis van een effectenrekening zijn, wordt ieders aandeel bepaald om de te beoordelen of de grens van 500.000 bereikt is. Dit heeft tot gevolg dat bijvoorbeeld een koppel dat samen titularis is van een effectenrekening ter waarde van 1.000.000 euro onder de grens blijft. Zij zullen dan geen taks betalen. Indien er sprake is van een vruchtgebruiker en blote eigenaar, is het afhankelijk van wie ge√Įdentificeerd wordt als titularis. Dit kunnen ook beide zijn. In dat geval zal elk hun aandeel bepaald worden.

Het overschrijden van het grensbedrag, wordt jaarlijks bekeken. De periode loopt steeds van 1 oktober tot 30 september. Enkel voor het jaar 2018 zal dit bekeken worden van 1 januari 2018 tot 30 september 2018.

Eenmaal men de grens overschrijdt, wordt men onderworpen aan de taks over het gehele bedrag. Met andere woorden is er geen sprake van een algemene vrijstelling van de eerste 500.000 euro.  Dit betekent dat iemand met een effectenrekening van 500.000 euro geen taks zal moeten betalen, terwijl iemand met een effectenrekening van 500.001 euro wel een taks zal moeten betalen. Daarenboven wordt de taks berekend op de volledige som, namelijk 500.001 euro.

Belastbare financi√ęle instrumenten

Eerst en vooral is het belangrijk dat de belastbare financi√ęle instrumenten op een effectenrekening worden gehouden. Daarnaast is het van belang om te weten welke financi√ęle instrumenten tot het voorwerp van de effectentaks behoren. De wet bepaalt dat aandelen of obligaties, al dan niet beursgenoteerd of certificaten van dergelijke tot de belastbare financi√ęle instrumenten worden gerekend.

Verder behoren de rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen, aandelen in beleggingsvennootschappen die niet verkocht of waarop ingeschreven is i.v.m. een levensverzekering of regeling voor pensioensparen, kasbons en warrants tot het toepassingsgebied.

Indien aandelen niet op een effectenrekening, maar enkel op naam in een aandeelhoudersregister staan, worden zij niet tot de belastbare financi√ęle instrumenten gerekend.

Tarief en gemiddelde waarde

De effectentaks bedraagt 0,15% op de gemiddelde waarde van het aandeel van de titularis. Voor de gemiddelde waarde te kennen, maakt de wetgever gebruik van referentietijdstippen.  In een normale referentieperiode zijn 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september de referentietijdstippen. Daarnaast is elk moment waarop een wijziging gebeurt met betrekking tot de effectenrekening, ook een referentietijdstip. De waarden op die tijdstippen worden opgeteld, om uiteindelijk een gemiddelde te berekenen.

Aangifte en inning

Normaliter zal de Belgische tussenpersoon de taks inhouden, aangeven en betalen. Als Belgische tussenpersoon wordt bedoeld de Belgische kredietinstelling, beursvennootschap of vertegenwoordiger van een niet in Belgi√ę gevestigde tussenpersoon. Moeilijker is het wanneer een titularis bij verschillende tussenpersonen effectenrekeningen heeft, die afzonderlijk minder zijn dan 500.000 euro, maar samen wel het grensbedrag overschrijden. Indien dit het geval is, zal de titularis een verklaring van inhouding kunnen afleggen. Op deze wijze kan de Belgische tussenpersoon alsnog de taks inhouden.

Indien op geen enkele wijze de taks door de Belgische tussenpersoon wordt ingehouden, dient de titularis zelf een aangifte te doen. Deze aangifte zal elektronisch gebeuren ten laatste op de laatste dag voor de indiening van de personenbelasting via Tax-on-Web. Indien de titularis een taks verschuldigd is, moet deze uiterlijk op 31 augustus van het volgende jaar betaald worden.

Controle

Om te kunnen controleren of een natuurlijke persoon effectenrekeningen bezit, zullen de belastingplichtigen in hun personenbelasting moeten aangeven of en waar ze titularis van belastbare financi√ęle instrumenten zijn. Deze maatregel moet vermijden dan de taks omzeild wordt door een effectenportefeuille te spreiden over meerdere rekeningen.

De wet voorziet dat de administratie om inlichtingen kan vragen. De titularis, die niet meewerkt of foutieve informatie geeft, kan een boete ontvangen van 750 tot 1.250 euro. Indien er geen sprake is van kwade trouw, kan beslist worden om de minimale boete van 750 euro niet op te leggen.

Indien een titularis geen, laattijdig of onvolledige aangifte doet, wordt hij bestraft met een boete. De boete bedraagt 10 % tot 200%. Deze boete geldt ook ingeval van laattijdige betaling, vermeerderd met de verschuldigde interesten. Ook bij deze boete kan de minimale boete van 10% weggelaten worden indien er geen sprake is van kwade trouw.

Antimisbruikbepaling

Om te voorkomen dat de effectentaks omzeild wordt, heeft de wetgever een antimisbruikbepaling ingevoerd. Inbrengen van een effectenrekening in een rechtspersoon die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, worden vanaf 1 januari 2018 fiscaal genegeerd. Wat betekent dat de inbrenger nog steeds geacht wordt titularis te zijn van de effectenrekening. Dit is weliswaar enkel indien de inbreng louter gedaan wordt met het oog op het omzeilen van de taks. Indien er andere motieven zijn, kan een inbreng nog steeds zonder dat deze antimisbruikbepaling speelt.