Vrijgestelde wederopbouwreserve moet solvabiliteit opkrikken

Heel wat vennootschappen kregen het hard te verduren door de meedogenloze COVID-19 crisis. Net daarom riep de wet van 19 november 2020 de ‚Äėvrijgestelde wederopbouwreserve‚Äô in het leven. Deze vrijgestelde wederopbouwreserve moet de solvabiliteit opkrikken van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. Maar wat zijn nu de voorwaarden en hoe gaat het concreet in zijn werk? U leest het hieronder.

Wie komt in aanmerking voor de vrijgestelde wederopbouwreserve?

Vennootschappen die een boekhoudkundig verlies geleden hebben in boekjaar 2020 komen in aanmerking voor de vrijgestelde wederopbouwreserve. Om de solvabiliteit opnieuw op te krikken kan u een reserve aanleggen die betrekking heeft op de aanslagjaren 2022, 2023 en 2024. Hier is één uitzondering op: vennootschappen waarvan het boekjaar afsloot van 1 januari 2020 tot 30 juli 2020 mogen zelf de referentieperiode kiezen. Zij hebben de keuze uit het boekjaar afgesloten in 2020 of in 2021. De keuze van het boekjaar wordt gemaakt op basis van wanneer de reserve voor het eerst wordt aangelegd én is onherroepelijk.

Er zijn echter wel een aantal restricties verbonden aan deze reserve, namelijk:

  • De wederopbouwreserve is beperkt tot het geleden boekhoudkundige verlies in boekjaar 2020. De aanleg van de reserve kan bijgevolg in geen enkel geval hoger zijn dan het geleden verlies. Let op: we hebben het hier over het boekhoudkundige verlies niet het fiscaal verlies. Dit impliceert het negatieve verschil tussen de bedrijfsopbrengsten en bedrijfskosten.
  • De aanleg van de reserve wordt elk aanslagjaar opnieuw beperkt tot de belastbare gereserveerde winst. Dit voor het belastbare tijdperk zoals berekend voor de aanleg van de vrijgestelde reserve en na aanpassingen van de beginstand van de reserves.
  • Ongeacht bovenstaande beperkingen mag de aanleg van de vrijgestelde wederopbouwreserve nooit meer bedragen dan 20 miljoen euro.

Onaantastbaarheidsvoorwaarde

De meest prominente regel om van dit voorrecht gebruik te kunnen maken is die van de onaantastbaarheidsvoorwaarde. Deze heeft als doel om erover te waken dat de wederopbouwreserve louter en alleen het opkrikken van de solvabiliteit als resultaat heeft. De gereserveerde winst is dus onaantastbaar, waardoor u deze op geen enkele manier kan uitkeren.

Terugname vrijstelling

Schending van de onaantastbaarheidsvoorwaarde resulteert immers in een terugname van de vrijstelling. Dit impliceert dat de wederopbouwreserve effectief belastbaar wordt. Om de voorwaarde te respecteren mag de vennootschap onder andere sinds 12 maart 2020 geen:

  • kapitaalvermindering gedaan hebben
  • eigen aandelen ingekocht hebben
  • dividenden uitgekeerd hebben
  • andere verminderingen van het eigen vermogen hebben plaatsgevonden (bv. tanti√®mes)
  • daling van de tewerkstelling hebben. Concreet wordt dit gemeten door post 620 (bezoldigingen en rechtstreekse sociale oordelen) in boekjaar 2019 als referentie te nemen. Wanneer in de opvolgende jaren blijkt dat het bedrag op post 620 met meer dan 15% daalt, wordt de vrijstelling teruggenomen ten belope het verschil tussen 15% en de overschrijding. Ziet u door de bomen het bos niet meer? Dan kan onderstaand voorbeeld verheldering scheppen.

Praktisch voorbeeld

In bijlage kan u een uitgebreid voorbeeld terugvinden met de daar bijhorende boekhoudkundige verwerking. We zoomen hier specifiek in op een situatie waarbij de belastbare gereserveerde winst groter is dan het geleden bedrijfsverlies.


zonne en warmte installaties

Tijdelijke btw-verlaging voor zonne en warmte installaties

Sinds 1 april 2022 geldt een tijdelijke btw-verlaging naar 6% voor zon en warmte installaties. Dit is een verlaging van 21% naar 6% voor de installatie van zonnepanelen, zonneboilers en warmtepompen. Dit voor alle woningen die jonger zijn dan 10 jaar, zoals nieuwbouwwoningen en woningen die na afbraak heropgebouwd zijn. (KB van 27 maart 2022)

Voor woningen ouder dan 10 jaar bestaat al langer het verlaagde 6% btw-tarief. Niettemin onderging deze regeling sinds 1 januari 2022 ook een kleine wijziging. Dit betreft een verschuiving van verantwoordelijkheid van leverancier naar klant. Meer informatie vindt u in een andere blog.

Tijdelijke periode voor btw-verlaging

De btw-verlaging naar het 6%-tarief is slechts een tijdelijke gunstmaatregel. Zo zal de verlaging alleen toepasbaar zijn voor de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers in de periode tussen 1 april 2022 tot en met 31 december 2023.

Merk op dat het hier specifiek gaat over de levering en installatie van deze goederen. Het aankopen van een nieuwe woning mits inbegrip van zonnepanelen en/of warmtepomp en/of zonneboiler is immers wel onderworpen aan de volle 21% btw.

‚ÄėLevering en installatie‚Äô worden hier dan ook bestempeld als werken in onroerende staat zoals in artikel 19 ¬ß2, lid twee, van het btw-wetboek is omschreven.

Hieronder de voorwaarden waaraan u moet voldoen om van deze gunstmaatregel te genieten.

Eindverbruiker

Een eerste voorwaarde is dat de leverancier alle handelingen, met betrekking tot levering en installatie, rechtsreeks moet verstrekken en factureren aan de eindverbruiker. Dit omvat voornamelijk privéwoningen van particulieren waarbij de eindverbruiker bijvoorbeeld als eigenaar, huurder of vruchtgebruiker fungeert.

Privéwoning

Een tweede voorwaarde omhelst het private kenmerk. De woning moet namelijk uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning dienst doen. Indien dit niet het geval is, geldt de gunstmaatregel niet. Merk wel op dat ook vennootschappen aanspraak kunnen maken op deze maatregel: Zij die immers in het bezit zijn van onroerende goederen, bestemd voor private bewoning (zoals verhuur), kunnen ook genieten van de verlaging.

Leeftijd woning

De derde voorwaarde kwam eerder al aan bod, met name de leeftijd van de woning. Deze dient jonger dan 10 jaar te zijn met inbegrip van nieuwbouwwoningen en woningen heropgebouwd na afbraak.

Uitstoot

Een vierde voorwaarde betreft het technische karakter van de installatie, namelijk: de referentienormen inzake uitstoot. Het streefdoel is immers om emissiearme verwarmingssystemen met een hoog rendement te installeren. De overgrote meerderheid van de bestaande zonneboilers en warmtepompen op de markt hebben nauwelijks of geen uitstoot. Bijgevolg voldoen de meeste installaties op de markt dan ook aan deze voorwaarde. Echter blijkt de slechtste leerling in de klas de ‚Äėhybride warmtepomp‚Äô te zijn. Deze is daarom sinds 1 juli 2022 uitgesloten van de tariefverlaging.

De concrete normering naar uitstoot zijn, voor de liefhebbers, terug te vinden in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie. Meer specifiek moet aan de installatie een EU-energielabel zijn toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad.

Vermelding op factuur

Tot slot is er de vijfde en laatste voorwaarde inzake de correcte factuurvermelding. Deze dient sinds 1 april 2022 als volgt te luiden:

“Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat
(1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken,
(2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en
(3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."

Conclusie

Samengevat geldt sinds 1 april 2022 tot en met 31 december 2023 een tijdelijke btw-verlaging naar 6% voor zonne en warmte installaties, meer specifiek voor de levering en installatie van zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers. Om van dit verlaagd tarief te kunnen genieten, gelden verscheidene voorwaarden. Met name rechtstreekse facturatie aan de eindverbruiker, het private karakter van de woning, ouderdom van de woonst, de emmissienorm van het toestel en tot slot de correcte vermelding op de factuur.

U kan steeds bij aternio terecht indien u vragen hebt of bijkomende informatie wenst over deze of andere btw-regels.


Niet getrouwd met de boze wolf: het toekenningsbeding

Trouwen onder het stelsel van scheiding van goederen klinkt helaas nog al te vaak als kil en afstandelijk. Toch hoeft dit niet zo te zijn. Het is een stelsel met heel wat mogelijkheden waarbij tal van huwelijksvoordelen kunnen worden toegekend. Door het inlassen van uitdrukkelijke bedingen in de huwelijksovereenkomst kunnen namelijk voordelen worden bekomen. In deze bijdrage belichten we het in de praktijk minder toegepaste toekenningsbeding voor goederen die exclusief aan één echtgenoot toebehoren. Laat ons mee de mythe helpen ontkrachten dat een scheiding van goederen gelijk staat aan trouwen met een hebzuchtige boze wolf.

Huwelijksvoordelen: wat zijn dat?

Het zijn voordelen, expliciet opgenomen in de huwelijksovereenkomst, die verkregen worden uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksstelsel en die een duidelijk onderdeel zijn van het gekozen stelsel. Dergelijke voordelen zijn nooit een civiele schenking, toch kan er mogelijk sprake zijn van inkorting. Er zijn immers plafonds aan huwelijksvoordelen in het geval er gemeenschappelijke of niet-gemeenschappelijke kinderen zijn (art. 2.3.5.7 en 2.3.5.8. BW).

Bij plafondoverschrijding behandelt de wetgever de huwelijksvoordelen, minstens erfrechtelijk, alsof het om een schenking gaat. Alle huwelijksvoordelen tot aan deze plafonds zijn volkomen én blijven onaantastbaar voor de kinderen. Ondanks een eventueel overstijging zijn en blijven de voordelen hoe dan ook huwelijksvoordelen.

Ingeval er gemeenschappelijke kinderen zijn, kan er inkorting zijn voor het aandeel boven de helft in waarde van de tegenwoordige (voorhuwelijkse) goederen of toekomstige goederen verkregen voor of tijdens het huwelijk door erfenis, schenking of testament. De andere helft en de aanwinsten zijn reservebestendige huwelijksvoordelen.

In aanwezigheid van niet-gemeenschappelijke kinderen zijn de huwelijksvoordelen reservebestendig zolang ze niet meer dan de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde aanwinsten toekennen aan de andere echtgenoot. Het surplus is bijgevolg vatbaar voor inkorting.

Voorbeelden van conventionele huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen zijn:

  • het beding van inbreng waarbij √©√©n of beide echtgenoten goederen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) brengen;
  • het verblijvingsbeding, niet zelden aangevuld met een keuzebeding, dat bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel goederen toekent die in onverdeeldheid aan beide echtgenoten toebehoren; of
  • het toekenningsbeding, eventueel ook met opties, ¬†dat bij vereffening en verdeling goederen toekent die exclusief toebehoren aan de echtgenoot-eigenaar.

Toekenningsbeding

Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen kunnen m.a.w. voordelen bedingen inzake goederen die exclusief toebehoren aan één van hen. Het voordeel van het toekenningsbeding is dat deze goederen tijdens het huwelijk in het bezit blijven van de echtgenoot-eigenaar. In tegenstelling tot het TIGV behoren de betrokken goederen niet in onverdeeldheid toe aan de echtgenoten. Pas bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel zullen ze finaal bij de andere echtgenoot terechtkomen. Het is perfect mogelijk om het toekenningsbeding optioneel te maken. Denk bijvoorbeeld aan de keuze van de langstlevende echtgenoot in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, voor de geheelheid of voor bepaalde percentages van alle of van bepaalde goederen, waarbij de keuze voor ieder goed verschillend kan zijn.

Net omdat de echtgenoot-eigenaar over de volle beschikkingsbevoegdheid blijft beschikken, zijn er een aantal knipperlichten.

Het is namelijk perfect mogelijk dat de eigenaar de goederen tijdens het huwelijk spontaan (of gedwongen) verkoopt of wegschenkt. Om die reden is het nuttig om te voorzien in een clausule van zaakvervanging of een bepaling waardoor de andere echtgenoot aanspraak kan maken op de waarde van de goederen. Het kan ook aangewezen zijn om in een verrekenregeling te voorzien ingeval de andere echtgenoot financi√ęle of andere bijdragen heeft geleverd. Idem dito voor wat betreft een passiefregeling met betrekking tot de openstaande schulden die verband houden met de toegekende goederen.

Door het opnemen van dergelijke clausules onderbouwen de echtgenoten zonder enige twijfel de kwalificatie van het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel. De bijkomende regelingen inzake het beding zorgen voor de duidelijke integratie en coherentie in het huwelijksvermogensstelsel.

Hoe zit het fiscaal?

De Vlaamse Belastingadministratie (Vlabel) erkent alvast het bestaan van een toekennings- of toebedelingsbeding. De voorafgaande beslissing 21018 van 15 maart 2021 laat hierover niet de minste twijfel. De burgerrechtelijke kwalificatie van een dergelijk beding wordt ook fiscaal als een niet-schenking aanvaard, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

Op het verkregen huwelijksvoordeel wordt niet alleen geen schenkbelasting geheven maar ook geen erfbelasting. Het voordeel is namelijk geen erfrechtelijke verkrijging vermits de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel steeds de vereffening-verdeling van de nalatenschap voorafgaat.

Een toekenningsbeding is echter een overeenkomst onder bezwarende titel van een onverdeeld deel en kan aldus worden belast. Het gevolg hiervan is dat Vlabel op de overdracht van onverdeelde onroerende goederen registratiebelasting, i.e. het verkooprecht, zal heffen. Indien de verrichting daarentegen betrekking heeft op roerende goederen, is hierop geen Vlaamse registratiebelasting verschuldigd.

Het blijft wel opletten voor de kwelduivel van fiscaal misbruik. Vlabel kan elke overeenkomst, gesloten vanaf 1 juni 2012, immers aftoetsen aan de antimisbruikbepalingen. Er is geen fiscaal misbruik indien er voldoende niet-fiscale motieven ten grondslag liggen aan het beding. Vlabel bekijkt dit met (te) strenge blik. De belastingpraktijk wijst op fiscaal misbruik bij bedingen in de huwelijksovereenkomst waarbij de onroerende goederen niet zijn betrokken. Wie geen fiscaal risico wil lopen onderwerpt alle goederen best aan eenzelfde regeling.

The way to go is alleszins om de niet-fiscale motieven voor het gekozen huwelijksstelsel en het toekenningsbeding, of enige ander beding, op te nemen in de huwelijksovereenkomst. De keuze voor het stelsel van scheiding van goederen is meestal ingegeven vanuit de bescherming die het stelsel biedt inzake mogelijk verhaal van schuldeisers en de gewaarborgde autonomie inzake het bestuur en beheer van de eigen goederen. Voor het toekenningsbeding lijkt het hoofdmotief allicht de bezorgdheid om de langstlevende echtgenoot te beschermen bij overlijden.

Conclusie

Het opnemen van een toekenningsbeding in een huwelijksovereenkomst kan nuttig zijn. Het biedt de mogelijkheid, om vanuit de bezorgdheid voor het welzijn van de langstlevende echtgenoot, bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel eigen goederen toe te kennen op een civielrechtelijke en fiscaal interessante manier. Tot het overlijden of bij echtscheiding blijven deze goederen alleszins onder het autonoom bestuur en beheer van de echtgenoot-eigenaar.  De redactie van een toekenningsbeding, meer algemeen ook deze van andere bedingen, vereist de nodige zorg teneinde de kwalificatie als huwelijksvoordeel veilig te stellen.

aternio adviseert u graag bij uw planning.


Elektronisch betalen (eindelijk) de nieuwe standaard

In de strijd tegen fiscale fraude heeft de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers op 10 maart 2022 een zoveelste wet "houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding" goedgekeurd. E√©n van de gevolgen hiervan is dat ondernemingen verplicht zijn om aan consumenten de mogelijkheid te geven elektronisch te betalen. Het Wetboek¬†van economisch recht is in die zin aangepast. Vraag is in hoeverre elektronisch betalen op vandaag, mede door Covid en commerci√ęle druk, niet reeds de standaard is.

Voor wie?

Alle ondernemingen die op regelmatige wijze economische activiteiten uitvoeren gericht op consumenten moeten elektronisch betalen mogelijk maken. De verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden, geldt bijgevolg alleen in een b2c-relatie. M.a.w. voor betalingen verricht tussen ondernemingen (in een B2B-verhouding) bestaat de verplichting niet. Ondernemingen zijn zowel handelaars, vrije beroepers en verenigingen.

Ook overheden kwalificeren als onderneming in zoverre het economische activiteiten betreft die geen taken zijn van algemeen belang. Voor dergelijke activiteiten gericht op consumenten, denk maar aan het beheer van een zwembad, een bibliotheek
of een cultureel centrum, zijn ook overheden verplicht om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden.

Zoals gezegd ontsnappen verenigingen evenmin aan de verplichting, mits zij regelmatige economische handelingen stellen waardoor concurrentie ontstaat met andere ondernemingen. De nieuwe verplichting geldt niet voor éénmalige of occasionele activiteiten van verenigingen.

Elektronisch betaalmiddel

Een ‚Äúelektronisch betaalmiddel‚ÄĚ is elk betaalmiddel waarbij men geen gebruik¬†maakt van eurobiljetten en -munten. Het is alvast duidelijk dat dit¬†betalingen met een bankkaart betreft, uitgevoerd via¬†conventionele betaalterminal of smartphoneapplicaties (Applepay, Payconiq, ...), betalingen per bankoverschrijving of online betaalplatformen (Paypal, Mollie, ...).

Maaltijdcheques, ecocheques en consumptiecheques, maar ook cryptomunten en virtuele valuta worden evenwel niet als elektronische betaalmiddelen beschouwd.

Voor het overige mag de onderneming dus vrij kiezen welk elektronisch betaalmiddel zij aanbiedt. Het begrip “elektronisch
betaalmiddel‚ÄĚ kan zeer ruim worden opgevat, zolang de onderneming maar minstens √©√©n elektronische betaalvorm aanbiedt. Gezien de diverse technologische mogelijkheden op vlak van elektronische betaalmogelijkheden hoeven echt geen¬†buitensporige kosten te worden gemaakt. Keuze genoeg.

Cash betalen blijft vanzelfsprekend nog steeds mogelijk. Het is zelfs zo dat ondernemingen cash betalingen in euro niet mogen weigeren. Uiteraard moeten zij rekening houden met de verplichtingen inzake het beperkt gebruik van contanten overeenkomstig de antiwitwaswetgeving, in casu mag geen enkele betaling in cash worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro.

De onderneming mag ook geen rechtstreekse kosten aanrekenen aan de consumenten voor het gebruik van een elektronisch betaalmiddel.

Verplichting en sancties

Vanaf 1 juli 2022 zijn ondernemingen verplicht minstens één elektronisch betaalvorm aan te bieden.

Om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd, is voorzien in een sanctie. Het betreft een sanctie van niveau 2 die is opgelegd in het artikel XV.83 van het Wetboek van economisch recht. Dit impliceert een geldboete van 26 tot 10.000 euro, te vermenigvuldigen met 8 om de opdeciemen mee te verrekenen. De Economische Inspectie houdt een oog in het zeil.

Conclusie

Vanaf 1 juli 2022 geldt voor ondernemingen onverminderd de verplichting om minstens één elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen in een B2C-verhouding. Voor betalingen verricht tussen ondernemingen (B2B-verhouding) tot slot is er geen verplichting.

Argumenten contra het aanvaarden van elektronische betalingen zijn niet langer van tel. De voordelen daarentegen zijn dat wel: geen kasverschillen, geen problemen met wisselgeld en geen risico's op diefstal.

Bij vragen omtrent deze of andere economische of fiscale maatregelen kan aternio u adviseren.


fiscaal co-ouderschao

Fiscaal co-ouderschap: is het een "moetje" of een "magje"?

Wanneer een relatie spaak loopt is, er niet alleen een emotionele component waarmee we moeten rekening houden. Na het nemen van de (al dan niet gewenste) beslissing om uit elkaar te gaan, moet ook het financi√ęle plaatje aan bod komen. Alsof dat alles nog niet genoeg is, dient u bovendien te "onderhandelen" over de regeling inzake de kinderen. Beslissen om uit elkaar te gaan kan emotioneel misschien de beste oplossing zijn en in een goede verstandhouding is veel mogelijk. Maar het betekent vaak het begin van een burgerrechtelijk en fiscaalrechtelijk getouwtrek. Het fiscaal co-ouderschap werd wettelijk verankerd om daaraan alvast tegemoet te komen.

Maar is die wettelijke regeling wel altijd de beste in uw situatie? Is het mogelijk dat de ex-partners onderling andere regelingen te treffen? We merken dat daar in de praktijk toch vaak discussies over ontstaan en zijn daarom de rechtspraak en rechtsleer ingedoken.

Wat is fiscaal co-ouderschap?

Wanneer ouders van een gemeenschappelijk kind beslissen om uit elkaar te gaan, zullen zij ook apart gaan wonen. Ze beslissen echter om wel gezamenlijk en gelijkwaardig de opvoeding en het ouderlijk gezag inzake de kinderen te blijven uitoefenen. Het uitgangspunt is "gelijkwaardigheid": we gaan zoveel mogelijk op gelijke basis verdelen. Dit is het burgerrechtelijke co-ouderschap.

Het fiscaal co-ouderschap werd met dezelfde saus overgoten. Het uitgangspunt is ook daar dat kinderen geacht worden, gelijk deel uit te maken van het fiscale gezin van de beide ouders. Door het fiscaal co-ouderschap zullen de beide ouders, elk voor de helft, van de fiscale voordelen inzake het ten laste nemen van de kinderen kunnen genieten.  De wettelijke basis is opgenomen in artikel 132bis WIB'92. Voornoemd artikel, bevat ook de formaliteiten waaraan vervuld moet zijn om van het fiscaal co-ouderschap te kunnen genieten.

Indien aan de formaliteiten voldaan is, zullen de ouders allebei, tegelijkertijd, de kinderen ten laste kunnen nemen.

Voorwaarden fiscaal co-ouderschap

Aan de toepassing van het fiscaal co-ouderschap zijn formaliteiten verbonden.

Zo moet er een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders zijn. In die overeenkomst moeten zij uitdrukkelijk vermelden dat de huisvesting van de kinderen gelijkmatig verdeeld is. Ook moet er genoteerd staan dat beide ouders bereid zijn om de toeslagen op de belastingvrije som voor de kinderen onder elkaar willen verdelen.

Indien er niet zo'n dergelijke overeenkomst tussen de ouders is, dan kan ook uit rechterlijke beslissing de gelijkmatige huisvesting van de kinderen blijken.

Strikte interpretatie

De ouders mogen geen deel meer uitmaken van hetzelfde gezin, maar ze dienen wel samen te voldoen aan de onderhoudsplicht richting de gezamenlijke kinderen. Daarover bestaat meestal geen discussie.

Vooral het principe van de gelijkmatige verdeling van de huisvesting kan zich echter weren als een duiveltje in een wijwatervat. Dat principe is namelijk strikt te interpreteren. In gevallen waarbij de huisvesting assymetrisch of (quasi)ongelijk is, zal het fiscaal co-ouderschap geen toepassing kunen vinden.

Ook het belang van de onderliggende overeenkomst of rechterlijke uitspraak mag men niet onderschatten. Zonder dergelijk document is fiscaal co-ouderschap niet mogelijk. Het woord niet dient men hier effectief te onderlijnen. Het volstaat niet om de gelijkmatige huisvesting feitelijk te kunnen bewijzen, door verklaringen of andere rechtsmiddelen. Het feitelijk gelijkmatig verblijf van de kinderen bij de ouders, is op zichzelf niet voldoende.

Met andere woorden: de rechterlijke beslissing, dan wel de geregistreerde of gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders, vormt het enige (weerlegbare) bewijsmiddel van de gelijkmatige huisvesting. Weerlegbaar, want het is niet omdat u over een dergelijk geschrift beschikt, dat de situatie in de praktijk ook effectief zo wordt uitgevoerd. De ouder bij wie de kinderen voornamelijk verblijven zal met alle middelen van recht het tegenbewijs kunnen leveren.

Is afwijken van de basisregels mogelijk?

Indien de ouders zelf een overeenkomst inzake het verblijf van de kinderen opmaken en willen genieten van het voordeel van het fiscaal co-ouderschap, moeten zij zich daarmee uitdrukkelijk akkoord verklaren. Dit is niet het geval indien de rechter een dergelijke uitspraak doet.

Het is ook mogelijk dat ouders bij overeenkomst beslissen om een gelijk verblijf van de kinderen te organiseren, maar zonder het fiscaal co-ouderschap erbij te nemen.

Ouders kunnen dus afwijken van het principe van het fiscaal co-ouderschap en dit via hun onderlinge geregistreerde/gehomologeerde overeenkomst.

Het behoeft ook de vermelding dat het fiscaal co-ouderschap zal vervallen indien de onderhoudsplichtige ouder beslist om periodieke onderhoudsbijdragen ten voordele van de kinderen in aftrek te brengen. Dit is uitdrukkelijk niet toegestaan door artikel 132bis WIB'92. Dat zou dan nog een achterpoortje kunnen zijn om het fiscaal co-ouderschap buiten spel te zetten.


Vruchtgebruik in de vennootschap - wat met uw planning?

De gesplitste aankoop van een onroerend goed, waarbij een vennootschap het vruchtgebruik verwerft, is vaste praktijk. Het is daarom een techniek die bij menig aandeelhouder of bestuurder van een patrimoniumvennootschap bekend in de oren klinkt. Klassieke configuratie: de aandeelhouder/bestuurder koopt de blote eigendom en de vennootschap verwerft voor 15 jaar of langer het vruchtgebruik. Het onroerend goed gaat na de duurtijd van dit zakelijk recht in principe kosteloos naar de blote eigenaar. Het is een mooi verhaal, niet?

Men verliest hierbij soms het aspect estate planning, zeg maar de successierechten op onroerende goederen, uit het oog. Welnu, actuele rechtspraak en de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) komen ons (on)bewust ter hulp. Deze bijdrage behandelt twee vragen. Wat is de fiscale kostprijs van de registratierechten bij verlenging van het vruchtgebruik?  Wat is in casu de belastbare grondslag bij schenking van de blote eigendom?

We laten hierna de mogelijke implicaties op vlak van directe belastingen buiten beschouwing.

Verlenging van het vruchtgebruik

Blote eigenaar en vruchtgebruiker kunnen overeenkomen om, voor het aflopen van het vruchtgebruik, de duurtijd te verlengen. Onder het oude goederenrecht kon men een verlenging bedingen zonder evenwel de maximale wettelijke looptijd van 30 jaar te overschrijden. Het nieuwe goederenrecht laat sinds 1 september 2021 toe dat het recht maximaal tot 99 jaar kan worden verlengd.

Vlabel houdt voor dat een dergelijke verlening kwalificeert als een nieuwe overeenkomst. Deze visie is om die reden terug te vinden in enkele voorafgaande beslissingen van Vlabel. Het gevolg hiervan is dat een verlenging (of bij uitbreiding een vernieuwing) aanleiding geeft tot heffing van het verkooprecht van 12%. Met het nieuwe goederenrecht is dit evenwel niet meer te verdedigen.

Ter herinnering de vier wettelijke cumulatieve voorwaarden voor het verkooprecht vereisen dat er sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel, een overdragende overeenkomst, een overdracht van eigendom of vruchtgebruik én een onroerend goed. Bij een verlenging van het vruchtgebruik is er geen sprake van een overdracht van een zakelijk recht. Een uitspraak van het hof van beroep van Gent (30 november 2021, 2020/AR/1541) stelt dat een verlenging de loutere bevestiging of het behoud van een bestaande toestand is. Dat de partijen bij de overeenkomst tot verlenging dezelfde zijn als bij de oorspronkelijke vestiging is irrelevant.

Vermits niet is voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden is geen verkooprecht verschuldigd bij de verlenging van het vruchtgebruik. Gevolg is dat de verlenging kosteloos kan gebeuren.

Schenking blote eigendom

Bij een schenking van blote eigendom waarbij de schenker zich het vruchtgebruik voorbehoudt, gebeurt de berekening van de schenkbelasting over de waarde van de volle eigendom. Zoals in de inleiding reeds vermeld is de latere aanwas van het vruchtgebruik bij de blote eigendom principieel belastingvrij. Wat is de fiscale situatie bij schenking van de blote eigendom wanneer de schenker niet (langer) het vruchtgebruik heeft?

De wetgeving stipuleert dat in dit geval de belastbare grondslag niet lager mag zijn de verkoopwaarde van de volle eigendom minus de waarde van het vruchtgebruik. Indien de vruchtgebruiker een rechtspersoon is, is de resterende looptijd van dit recht mee bepalend. De link met voornoemde verlenging van het vruchtgebruik behoeft daarom geen verduidelijking.

In een standpunt van 27 september 2021 bevestigt Vlabel dat een schenking met voorbehoud van eventueel vruchtgebruik dezelfde fiscale behandeling krijgt. Het is perfect mogelijk om als blote eigenaar te schenken met voorbehoud van eventueel vruchtgebruik wanneer de  vruchten van het onroerend goed toebehoren aan een vennootschap. In casu is schenkbelasting verschuldigd op de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het actuele vruchtgebruik.

Conclusie

Kortom, één en één is twee. Vermits het verlengen van het vruchtgebruik geen nieuwe overeenkomst betreft, is er geen verkooprecht verschuldigd. Dat is dus handig. Dergelijke kosteloze verlenging biedt daarom mogelijkheden bij een latere schenking van de blote eigendom. Hoe langer de vennootschap het vruchtgebruik van het onroerend goed nog aanhoudt: hoe hoger de waarde van het vruchtgebruik en des te lager de belastbare grondslag voor de berekening van de schenkbelasting. Weet dat de grondslag nooit lager is dan de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het actuele vruchtgebruik. Met andere woorden er zijn planningsmogelijkheden.

aternio legal begeleidt u graag bij uw planning.


verwarming en elektriciteit

Voordeel verwarming en elektriciteit: wettekst is (uitzonderlijk) duidelijk

Er zijn van die momenten dat je het met bijna iedereen oneens moet zijn. Welnu, de nieuwe wettekst inzake forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit zorgt voor zo een moment. Middels Koninklijk Besluit van 19 december 2021 grijpt de wetgever vanaf 1 januari 2022 in op het kosteloos verstrekken van energie. Dit is een kleine prelude op de broodnodige en aangekondige bredere fiscale hervorming en modernisering van het Belgisch belastingstelsel. Waarover gaat het?

Verwarming en elektriciteit - voordeel alle aard

Bij de kosteloze verstrekking van elektriciteit en verwarming door een vennootschap ontstaat er een voordeel alle aard in hoofde van de genieter. Om oeverloze discussies te vermijden omtrent de werkelijke waarde van het voordeel voorziet de wet in forfaitair belastbare bedragen.

Voor dergelijke kosteloze verstrekking bestaat er een onderscheid tussen leidinggevend personeel, zoals een bedrijfsleider, en ander personeel. In concreto betekent dit voor het aanslagjaar 2023 (inkomsten 2022) de volgende belastbare voordelen: bij leidinggevend personeel 2.130 euro voor verwarming en 1.060 euro voor elektriciteit , bij ander personeel respectievelijk 960 euro en 480 euro.

Dergelijke aanpak is al decennia helder en zorgt aldus voor rechtszekerheid. Geen gekissebis over de werkelijke waarde van het voordeel. De energiecrisis waar we nu met zijn allen inzitten zorgt echter voor turbulentie. Het is duidelijk dat de werkelijke kost, gedragen door de vennootschap, veel hoger is dan het forfaitair voordeel. De Minister van Financi√ęn zag in deze kloof een fiscale onrechtvaardigheid. De gebruikelijke oplossing is dan sleutelen aan de fiscale koterij.

Ter beschikking stellen onroerend goed

Op het einde van 2021 heeft de wetgever met een Koninklijk Besluit een einde willen maken aan de voordelige energieforfaits. Met name in die gevallen waarbij kosteloos elektriciteit en/of verwarming niet is gecombineerd met het kosteloos ter beschikking stellen van een woning. Althans dat wil het Verslag aan de Koning en bepaalde rechtsleer, waaronder Jef Wellens (Wolters Kluwer), ons doen geloven. Maar is dit echt wat in het gewijzigde artikel 18, § 3, punt 4, van het KB/WIB 92 staat?

Wat zonneklaar is dat er vanaf 1 januari 2022 geen forfaitair voordeel meer is voor verwarming en elektriciteit wanneer degene die het voordeel verleent niet tegelijk het onroerend goed waar de energie wordt verbruikt, ter beschikking stelt. In dergelijke situatie is het voordeel gelijk aan de werkelijke kostprijs. Bij gemengd gebruik zijn we dan  begonnen aan een rondje armworstelen met de fiscus over de verhouding beroeps- en privégebruik.

Het is echter onjuist om te beweren dat de vennootschap het onroerend goed gratis ter beschikking moet stellen. Een juiste lezing van de finale wettekst laat hierover geen discussie.

Gratis woning of toch niet?

Alles is te herleiden tot het tekstverschil tussen het Verslag aan de Koning en de finale wettekst.

Het Verslag zegt dat de forfaitair voordelen die gevallen beoogt "waarbij kosteloos elektriciteit en/of verwarming wordt verstrekt samen met het kosteloos ter beschikking stellen van een woning".

In de finale tekst van artikel¬†18, ¬ß 3, punt 4, 1¬į KB/WIB 92 staat echter dat het voordeel van kosteloze energieverstrekking forfaitair wordt geraamd "wanneer degene die het voordeel verleent ook het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, ter beschikking stelt."¬†Het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, verwijst naar de plaats van energieverbruik. Zoals hierboven reeds gesteld 'geen forfaitaire energieverstrekking zonder hiermee verbonden ter beschikking gestelde woning'. Men mag het woord "kosteloos"¬†echter niet lezen wanneer het er niet staat. De wettekst schrijft namelijk niet¬†"wanneer degene die het voordeel verleent ook het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, kosteloos ter beschikking stelt."

Een duidelijke wet behoeft geen interpretatie. Op basis van de wettekst kan men het forfaitair voordeel voor verwarming en elektriciteit nog steeds combineren met het niet-kosteloos ter beschikking stellen van de woning waar de vennootschap gratis energiegebruik verleent. Effectieve terugbetaling van het voordeel voor bewoning of het betalen van woninghuur aan de vennootschap beletten de forfaitaire benadering niet.

Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel

Bovendien is, volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Vraag is of dit √ľberhaupt het geval is met de wijziging van 10 december 2021? Laat staan of een onderscheid tussen kosteloze en niet-kosteloze ter beschikking stelling een dergelijke verschil verantwoord.

Conclusie

Sinds 1 januari 2022 is er geen forfaitair voordeel meer voor verwarming en elektriciteit wanneer degene die het voordeel verleent niet tegelijk het onroerend goed, waar men de energie verbruikt, ter beschikking stelt.

Op basis van de huidige wettekst is het forfaitair voordeel voor verwarming en elektriciteit wel degelijk combineerbaar met het niet-kosteloos ter beschikking stellen van de woning waarvoor het gratis energiegebruik is verleend. Terugbetaling van het voordeel voor bewoning of het betalen van woninghuur aan de vennootschap beletten de toepassing van de forfaitaire voordelen voor verwarming en elektriciteit niet. In casu delen we de lezing of interpretatie in sommige rechtsleer niet.

 


Fiscaal regime voor expats in wetgevend jasje

Al sinds 1983 kent Belgi√ę een fiscaal aantrekkelijk regime voor expats. Dit regime was echter louter gebaseerd op een administratieve circulaire. Voortaan is er nu ook een wettelijke basis in de Programmawet van 27 december 2021.

Het nieuwe regime voor expats bestaat uit 2 delen: namelijk het 'Bijzonder Belastingstel voor Ingekomen Belastingplichtigen (BBIB) en het 'Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Onderzoekers' (BBIO). De nieuwe fiscale regeling treedt in werking met ingang vanaf 1 januari 2022.

De bedoeling is nog steeds om Belgi√ę fiscaal aantrekkelijk te maken voor buitenlandse high potentials. Het wettelijk kader moet daarom extra rechtszekerheid bieden. De wettelijke verankering biedt alvast heel wat voordelen en verbeteringen. Echter, omwille van budgettaire redenen, zijn er ook beperkingen.

Expat voorwaarden

Zoals gezegd zal de nieuwe regeling van toepassing zijn voor 'ingekomen belastingplichtigen' en 'ingekomen onderzoekers'. Ingekomen belastingplichtigen kunnen zowel werknemers als bedrijfsleiders zijn. Ingekomen onderzoekers kunnen enkel werknemers zijn.

Een ingekomen belastingplichtige moet bovendien rechtstreeks aangeworven zijn in het buitenland en tewerkgesteld zijn binnen een multinationale groep of vzw. Ook een onderzoeker dient rechtstreeks aangeworven te zijn in het buitenland. Maar voor een onderzoeker hoeft de Belgische werkgever geen deel uit te maken van een multinationale groep.

Verder mag de expat 5 jaar voorafgaand aan de indiensttreding in Belgi√ę:
-geen rijksinwoner zijn geweest van Belgi√ę;
-niet gewoond hebben binnen een afstand van 150km van de Belgische grens (grensarbeiders vallen dus voortaan uit de boot);
-niet onderworpen zijn geweest aan de Belgische belasting niet-inwoners voor wat betreft zijn beroepsinkomsten.

Tot slot dienen ingekomen belastingplichtigen per jaar een minimum brutobezoldiging (dus voor aftrek sociale zekerheidsbijdragen) van 75.000,00 euro te hebben. Deze vereiste geldt niet voor onderzoekers. Onderzoekers dienen wel een specifiek wetenschappelijk masterdiploma te kunnen voorleggen, oftewel het equivalent van 10 jaar beroepservaring.

30%-regel

Het interessante aan het expat-egime is het feit dat heel wat kosten aangaande de tewerkstelling in Belgi√ę beschouwd worden als 'kosten eigen aan de werkgever'. Deze kosten kunnen dus belastingvrij worden terugbetaald.

Een percentage van 30% van de brutobezoldiging wordt beschouwd als kosten eigen aan de werkgever. Deze forfaitaire onkostenvergoeding bedraagt maximaal 90.000 euro per jaar. De onkostenvergoeding moet bovendien contractueel vastgelegd worden.

Daarnaast worden nog enkele uitzonderlijke kosten aanvaard, namelijk:
- verhuiskosten naar Belgi√ę (=eenmalig);
- kosten voor de inrichting van de woning in Belgi√ę, binnen de eerste 6 maanden na aankomst, met een maximum van 1.500 euro;
- schoolkosten voor de leerplichtige kinderen¬† in Belgi√ę.

Duurtijd statuut

De nieuwe regeling heeft voortaan een beperkte duurtijd. Men kan van het nieuwe regime genieten gedurende een periode van 5 jaar. Deze periode kan men verlengen met 3 jaar na de indiening van een nieuwe aanvraag, mits alle voorwaarden zijn voldaan.

Procedure

Om van het fiscaal regime voor expats te kunnen genieten dient de werkgever een elektronische aanvraag in te dienen bij de fiscale administratie binnen de 3 maanden na aanvang van terwerkstelling in Belgi√ę. Bij deze aanvraag voegt de werkgever een attest waarbij de betreffende werknemer of bedrijfsleider zijn akkoord geeft.

De fiscale administratie dient vervolgens binnen de 3 maanden een beslissing te nemen.

Inwerkingtreding

Het nieuwe expat-regime is zoals gezegd van toepassing sinds 1 januari 2022. Expats kunnen opteren voor dit nieuwe regime indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

Zij die nog geen geldige aanvraag hebben ingediend, of niet voldoen aan alle voorwaarden, kunnen nog 2 jaar genieten van een overgangsregeling overeenkomstig de oude administratieve circulaire van 8 augustus 1983.

Nog vragen? Neem gerust contact met ons op.


tekenen en indici√ęn

Tekenen en indici√ęn, zeg maar uw levensstijl en de fiscus

Tekenen en indici√ęn, het zegt u hoogstwaarschijnlijk niks. Voor de fiscus daarentegen zijn het begrippen die deel uitmaken van het wapenarsenaal waarmee ze een correcte inning van de belasting wil bereiken. Meer concreet wil de fiscale administratie door het toepassen van het bewijsmiddel van tekenen en indici√ęn niet aangegeven inkomsten belasten (art. 341 WIB'92). Het is vaste uitspraak van het Hof van Cassatie dat uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld kunnen worden aangemerkt als tekenen en indici√ęn van gegoedheid.

Gegoedheid

Er bestaat in het fiscale wetboek geen definitie van het begrip ‚Äúgegoedheid‚ÄĚ. In een traditionele betekenis verwijst het naar iemand's vermogenstoestand in geld of bezittingen. In haar fiscale toepassing verwijst het ook naar de levensstijl van de belastingplichtige. M.a.w. er hoeft geen sprake te zijn van een groot fortuin. Een levensstijl die onverenigbaar is met de aangegeven inkomsten komt ook in aanmerking. De¬†tekenen of indici√ęn moeten wel wijzen op inkomsten die merkelijk hoger zijn dan de aangegeven inkomsten. Het is immers nooit de bedoeling geweest van de wetgever om dit bewijsmiddel overmatig te gebruiken.

Tekenen en indici√ęn

De begrippen ‚Äútekenen en indici√ęn‚ÄĚ zijn evenmin gedefinieerd in de fiscale wetgeving. Zoals in de inleiding reeds gezegd is het vaste rechtspraak dat het kan gaan om¬†uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld. Een loutere vermogenstoestand op een moment binnen een belastbaar tijdperk is geen teken of indicie, een uitgave of een aangroei is dat wel. Zonder indicie is er geen indiciair tekort.

In de praktijk komt de fiscus tot een indiciaire afrekening door de bewezen uitgave of de effectieve vermogensaangroei van de belastingplichtige te vergelijken met de belastbare inkomsten en/of andere vermogensbestanddelen. Bij een inkomstentekort vermoedt de fiscale administratie dat dit afkomstig is van belastbare inkomsten tijdens het belastbaar tijdperk. De weerhouden tekenen en indici√ęn mogen niet steunen op eenvoudige vermoedens of op een anonieme verklikking. Een bekentenis door de belastingplichtige zelf kan wel een indicie zijn.

Tegenbewijs

Het vermoeden gevormd door¬†tekenen en indici√ęn¬†is een vermoeden iuris tantum. Dit betekent dat de belastingplichtige het tegenbewijs kan leveren door aan te tonen dat de uitgave of aangroei afkomstig is van ofwel aangegeven inkomsten ofwel uit niet-belastbare bronnen.

Net zoals de fiscus moet vertrekken van bekende feiten, volstaan loutere beweringen door de belastingplichtige niet als tegenbewijs. Het weerleggen van tekenen en indici√ęn vereist het voorleggen van¬†positieve en controleerbare gegevens. Belangrijk is wel dat de belastingplichtige niet moet bewijzen dat de ter verantwoording aangetoonde inkomsten of bronnen, ook werkelijk zijn gebruikt om de bedoelde uitgaven of aangroei te financieren.

Effectieve opnamen op lopende rekeningen, inkomsten van een samenwonende partner, opgenomen spaargelden, ... het zijn maar enkele geldige voorbeelden van tegenbewijs. Niet aanvaardt als tegenbewijs zijn inkomsten die niet werden aangegeven alhoewel dit wel het geval had moeten zijn of de loutere voorlegging van een bankuitreksel waaruit de betaling van een uitgave blijkt.

Het is niet vereist dat het tegenbewijs dateert uit een periode voorafgaand aan de uitgave. De fiscus moet immers rekening houden met alle inkomsten en uitgaven tijdens het belastbaar tijdperk. De opbrengst van een verkoop ontvangen na de als teken van welstand ingeroepen uitgave is geldig als tegenbewijs.

Voorbeelden

Ter illustratie volgen hierna enkele voorbeelden van tekenen en indici√ęn.

  • geldsommen of waarden die in het bezit worden gevonden van een belastingplichtige die ze naar het buitenland vervoert;
  • aflossing van een schuld;
  • allerhande luxe-uitgaven;
  • huishoudelijke uitgaven gerelateerd aan de werkelijke levensomstandigheden (let op: een algemene niet-gedetailleerde raming is geen geldig bewijs);
  • buitenlands onroerend goed; of
  • stortingen op lopende rekening bij een vennootschap.

Conclusie

Het is in eerste instantie aan de fiscale administratie om aan de hand van bekende feiten aan te tonen dat er sprake is van tekenen en indici√ęn waaruit een gegoedheid blijkt die hoger is dan de aangegeven inkomsten. Vervolgens kan de belastingplichtige eventueel bewijzen dat de hogere graad van gegoedheid voortkomt uit niet-belastbare inkomsten of aangegeven inkomsten uit vroegere aanslagjaren. Dit tegenbewijs gebeurt aan de hand van positieve en controleerbare gegevens. Inkomsten die niet werden aangegeven alhoewel dit wel het geval had moeten zijn geen geldig tegenbewijs.

Met aternio ziet u doorheen het fiscale bos de bomen nog. Contacteer ons bij fiscale vragen.


Terugbetaling kosten: let op uw fiscale fiches

Vanaf het inkomstenjaar 2022 is er een bijkomende verplichting bij terugbetaling van kosten aan een bedrijfsleider of een werknemer. Voortaan moeten alle forfaitaire (vaste) en met bewijsstukken (variabele) terugbetaalde kosten effectief worden vermeld op de individuele fiscale fiche en de samenvattende opgave. Het negeren van deze verplichting leidt tot fiscale toorn in de vorm van administratieve boetes. Dit is helaas geen voorbeeld van de beloofde vermindering van de administratieve lasten.

Principe

Een kost die door een bedrijfsleider of werknemer is gedaan voor rekening van de vennootschap of werkgever is in hoofde van deze laatste een aftrekbare beroepskost. Voor de bedrijfsleider of werknemer daarentegen is de terugbetaling geen belastbaar inkomen.

De terugbetaling van 'kosten eigen aan de werkgever' kan forfaitair gebeuren dan wel op basis van bewijsstukken. Wanneer de forfaitaire kosten vastgesteld zijn volgens ernstige normen is er geen probleem. In tegenstelling tot de RSZ is er voor de directe belastingen geen onkostentabel met maximumbijdragen. Wil men fiscaal meer zekerheid dan kan men terecht bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen ('de rulingdienst').

De fiscale fiches 281.10 of 281.20 moeten verwijzen naar de terugbetaling van dergelijke kosten. Bij terugbetaling op basis van bewijsstukken, vermeldt de fiche ‚ÄúJa ‚Äď bewijsstukken‚ÄĚ. Bij terugbetaling door middel van een forfaitaire vergoeding op basis van ‚Äėernstige met elkaar overeenstemmende normen‚Äô, is de vermelding ‚ÄúJa ‚Äď ernstige normen‚ÄĚ.

Waar tot 2021 de fiches enkel een bedrag moesten vermelden bij forfaitaire kosten die niet beantwoorden aan ernstige normen, is dit voortaan de regel. Van alle terugbetaalde kosten moet het bedrag van de onkostenvergoeding opgenomen worden in het vak ‚Äúdiverse inlichtingen‚ÄĚ. Een ¬†eenvoudige ‚ÄėJa‚Äô volstaat niet meer. De afsluitdatum van het boekjaar van de vennootschap is van geen tel, het kalenderjaar is de basis.

Sanctie

Bij de forfaitaire vergoedingen heeft het niet-verantwoorden door individuele fiches de niet-aftrekbaarheid als beroepskost tot gevolg. Dit is niet het geval bij de terugbetalingen op basis van bewijsstukken. Het niet-respecteren van de ficheplicht kan in die gevallen wel bestraft worden met een administratieve boete. Die boete bedraagt 50 euro voor een eerste overtreding (met een maximum van 1.250 euro) en/of een belastingverhoging van minstens 10%.

Rompslomp

Met de nieuwe ruimere ficheverplichting wil men enerzijds beter controle uitoefenen op het eventueel dubbel gebruik van forfaitaire vergoedingen en terugbetalingen op basis van bewijsstukken en anderzijds de onterechte aftrek als beroepskost door de bedrijfsleider of werknemer vermijden. Dit alles heeft zoals gezegd een prijs: meer administratief werk.

In het bijzonder voor de  terugbetaalde kosten op basis van bewijsstukken betekent dit extra rompslomp. Dergelijke terugbetaling wordt meestal niet verwerkt via de loonadministratie maar rechtstreeks, na controle van de verantwoordingsstukken, in de boekhouding. Om het een en ander in goede banen te leiden is een uitgewerkte procedure aangewezen. Het is voortaan van belang dat de verantwoordelijke van de loonadministratie op de hoogte is van de daadwerkelijk terugbetaalde kosten.

Conclusie

Het is misschien kort door de bocht maar probeer terugbetaling van variabele kosten te vermijden. Bijvoorbeeld door met bank- of tankkaarten op naam van de onderneming te werken, cash-betalingen door de. bedrijfsleider (opgelet voor de lopende rekening!) te mijden of waar het kan met forfaitaire onkostenvergoedingen op basis van ernstige normen te werken. Is dit niet mogelijk of blijven er toch onvermijdbare werkelijke variabele kosten over, laat dan een maandelijkse onkostennota met verantwoordingsstukken opstellen. Het maakt het extra werk voor de loonadministratie alvast op dat vlak iets eenvoudiger.