Doe uw investering nog in 2019!

U bent van plan om binnenkort een investering te doen in uw vennootschap? Doe het dan zeker nog vóór 2020! De fiscale voordelen voor kleine vennootschappen worden vanaf 2020 immers minder interessant.

Zomerakkoord 

Met het zomerakkoord 2017 werden enkele wijzigingen in de vennootschapbelasting aangekondigd. Deze zullen weldra in werking treden. Specifiek op het vlak van investeringen zal de fiscaliteit grondig wijzigen vanaf 2020.

We frissen het nog even voor u op:

  • vennootschappen kunnen niet meer degressief afschrijven;
  • een kleine vennootschap zal in het jaar van investering verplicht pro rata temporis moeten afschrijven.
  • een kleine vennootschap zal bijkomende kosten in één keer ofwel samen met betreffende actief moeten afschrijven;
  • het tarief voor de gewone investeringsaftrek voor een kleine vennootschap zakt naar 8%.

Bovenstaande regels zijn van toepassing op investeringen vanaf 1 januari 2020. Dit ongeacht het aanslagjaar en ongeacht of uw vennootschap een gebroken boekjaar heeft of niet.

Voordelen in 2019

Als u de investering nog in 2019 doet geniet u nog van volgende fiscale voordelen:

  • de vennootschap mag nog degressief afschrijven.
  • de kleine vennootschap mag in het boekjaar van de investering een volledige afschrijvingsannuïteit toepassen, ook als de investering gebeurd op de laatste dag van het boekjaar
  • bijkomende kosten mogen naar wens worden afgeschreven.
  • de investering kan nog genieten van een investeringsaftrek van 20%.

Conclusie

Indien u al van plan was om investeringen te doen - zeker als kleine vennootschap- doe het dan nog in 2019. Zo geniet u nog van de fiscale voordelen.


Uw vereniging onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

In een eerdere bijdrage werd toegelicht dat de fiscus het gemunt heeft op verenigingen die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Dergelijke vorm van sponsoring is niet ongewoon bij sportclubs.
Verenigingen bevinden zich bovendien vaak in een fiscale schemerzone. Het is niet altijd even duidelijk. Verrichten zij (te) veel activiteiten die winst opleveren lopen zij het risico om onder de vennootschapsbelasting te vallen. Soms vallen zij onder de rechtspersonenbelasting. Een andere vereniging valt dan weer onder een btw-vrijstellingsregeling.

Optiestelsel

Het nieuw Koninklijk Besluit tot invoering van een optiestelsel voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid van 6 juni 2019 is in werking getreden op 14 juni 2019. Dit KB geeft aan een vereniging een duidelijk keuze.

De rechtspersonenbelasting is in principe enkel van toepassing op de in België gevestigde rechtspersonen.

Politieke organisaties, vakverenigingen, parochiale werken, jeugdbewegingen, verenigingen met vermaakdoeleinden of culturele verenigingen hebben in de meeste gevallen geen rechtspersoonlijkheid. Zij vallen dus niet onder de rechtspersonenbelasting.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan echter zelf de optie lichten om wél onder de rechtspersonenbelasting te vallen. Uw vereniging onderworpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

Ratio legis

Roerende inkomsten op een rekening van een vereniging worden belast in hoofde van de rijksinwoner die beschikt over de handtekeningsbevoegdheid van deze rekening.

De vereniging moet dus op zoek gaan naar iemand die nog mandaat wil nemen in de vereniging. De mandaathouder wordt dan belast in de personenbelasting. De belastingadministratie behandelt dit als een eigen inkomen van de beheerder van de bankrekening.

De wetgever laat nu de ruimte. De vereniging kiest zelf om zich vrijwillig te onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting. De mandaathouder loopt aldus geen fiscaal risico meer. De vereniging moet haar leden wel inlichten over die keuze.

Hoe kiezen?

Een vereniging zal een brief aan de bevoegde directeur van de directe belastingen moeten richten. De vereniging verstuurt deze brief uiterlijk voor de 60ste dag voor de laatste dag van het belastbaar tijdperk, dus tot en met 31 oktober.

Aangezien dit voor het belastbare tijdperk dat samenvalt met het jaar 2018 niet meer mogelijk is, voorziet het KB in een overgangsmaatregel. Verenigingen die wensen te opteren voor de rechtspersonenbelasting voor de inkomsten die in 2018 werden verkregen, moeten hun brief verzenden voor 11 juli 2019.

Kiest de vereniging in een belastbaar tijdperk voor de rechtspersonenbelasting, dan geldt haar keuze ook voor de vijf volgende belastbare tijdperken.

Wat moet u meesturen?

De vereniging zal bij deze brief een lijst van haar leden en statuten van de vereniging dienen toe te voegen.

In de brief vermeldt u ook het adres van de zetel van de vereniging en de naam en het adres van het lid dat de aangifte  zal indienen.

Tot slot vraagt de fiscus ook om een overzicht van alle roerende en onroerende goederen en alle kapitalen en rekeningen van de vereniging mee te sturen.

Volledigheidshalve…

en omdat een gewaarschuwd man er twee waard is (een vrouw – drie) geven we graag het volgende mee:

“Een vereniging mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel.”

Voor de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen was het niet wettelijk verboden om een onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen aan de leden van de vereniging. De grijze zone vervaagt.

 


WLTP of NEDC? Bent u nog mee?

Wie nu een nieuwe wagen koopt, zal het zich zeker al hebben afgevraagd. Hoeveel CO2 stoot mijn wagen uit? In onze huidige maatschappij denken we immers allemaal wel na over het klimaat.

Nieuwe norm = WLTP

Wel, de CO2-uitstoot van nieuwe  wagens wordt voortaan gemeten volgens een nieuwe testprocedure, de zogenaamde WLTP (Worldwide Harmonised Light vehicle Test Procedure).

Deze WLTP-norm vervangt de oude NEDC-norm. De auto-industrie evolueert namelijk zodanig snel dat de NEDC-test niet meer aangepast is aan het huidige drukke verkeer. De Europese Unie heeft daarom beslist om gaandeweg de nieuwe WLTP-norm in te voeren.

Let wel, de nieuwe WLTP-norm is strenger en leidt tot hogere waardes van CO2-uitstoot.

Fiscaliteit

De CO2-uitstoot is niet enkel van belang voor het milieu. Deze normen zijn ook van belang in de fiscaliteit.

Denk maar aan de aftrek autokosten, het voordeel alle aard, de verkeersbelasting, de BIV enzovoort, die worden berekend aan de hand van de CO2-uitstoot.

Maar welke norm past de fiscus toe?

De fiscus bevestigt in haar FAQ dat u de oude NEDC-norm mag gebruiken tot eind 2020 voor de berekening van het voordeel alle aard. We nemen aan dat dit ook geldt voor de kostenaftrek.

Bij Vlabel bevestigen ze dan weer dat men enkel rekening houdt met de NEDC-norm voor de verkeersbelasting en BIV.

Tot eind 2020 mag nog de gunstigere NEDC-waarde (gemeten of omgerekend) gebruikt worden als basis voor de autofiscaliteit.

Gelijkvormigheidsattest

Waar kan ik de CO2-uitstoot van mijn wagen terugvinden?

Op het gelijkvormigheidsattest van uw nieuwe wagen (vanaf eind 2018) zou u - in principe - onder code 49 beide normen moeten terugvinden. Op het inschrijvingsbewijs zal u enkel de WLTP-norm vinden.

Oudere wagens zullen in principe enkel de oude NEDC-norm op hun documenten vermelden.

Conclusie

Indien u slechts één uitstoot terugvindt, verifieer dan eerst goed of dit weldegelijk de gunstigere NEDC-norm is en niet de strengere WLTP-norm.


Alleenstaand en geen kinderen? Wie erft en wie niet?

U denkt aan vermogensplanning. Check! Dat is de eerste stap: u staat open voor een (fiscale) optimalisatie van uw vermogen en u bent bereid om hierover grondig na te denken. U wil nog niet meteen de deur van de notaris binnenwandelen en u begint een beetje op te zoeken. U wordt overladen door een zondvloed aan artikels over het oude erfrecht en het nieuwe erfrecht sinds 1 september 2018. Plots ziet u door het bos de bomen niet meer. Om u alvast op het meest recente pad te brengen kan u hier en hier een aantal artikels van de nieuwe regels terugvinden. Ok, dat is alvast 1 frustratie opgelost. Maar, u leest en leest en overal gaat het over situaties waarin men gehuwd of samenwonend is en men liefst ook nog minstens 1 kind heeft. Frustratie 2  duikt op, want u bent alleenstaand en u hebt geen kinderen. Is vermogensplanning dan niets voor u? Moet u zomaar aanvaarden dat de overheid met (een aanzienlijk deel van) uw vermogen aan de haal gaat? Nee! In deze bijdrage zetten we alles graag even op een rijtje voor u.

Eerst komt de orde

Wanneer u zelf geen regeling voorziet, zullen de wettelijke regels van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich laten gelden. Dit wil zeggen dat u een heuse cascade op uw familie zal ondergaan. In wat volgt zetten we even de wettelijke regels uiteen. Uiteraard kunnen de juiste planningstechnieken hierop inwerken, dit komt later aan bod.

De wetgever voorziet in een viertal groepen (de ordes) om te bepalen wie er, in dalende volgorde, tot uw nalatenschap komt. Vanaf dat er erfgenamen in een bepaalde orde aanwezig zijn, worden de andere ordes uitgesloten.

De eerste orde omvat de afstammelingen. Van zodra er afstammelingen zijn, is al de rest "irrelevant" voor de wetgever.
Indien er geen afstammelingen zijn, komt de  tweede orde aan bod.

De tweede orde omvat broers en zussen en de ouders (uiteraard indien deze nog in leven zijn). In dat geval zullen de ouders samen de helft van de nalatenschap krijgen. Indien er nog maar 1 ouder in leven is, zal deze een kwart van de nalatenschap erven. Het overige wordt evenredig verdeeld tussen de broers en zussen.

U denkt nu, ik heb geen broers of zussen, dus alles dan naar mijn ouders (of de langstlevende van hen)? Nee, dat is niet noodzakelijk zo.
Wanneer er geen broers en/of zussen zijn, vallen de ouders namelijk in de derde orde. Deze derde orde omvat alle zogenaamde "ascendenten". Dit zijn alle bloedverwanten in een opgaande lijn: ouders, grootouders, misschien zelfs nog overgrootouders. Opnieuw volgt een evenredige verdeling, tenzij u anders hebt voorzien.

De vierde en laatste orde omvat de niet-bevoorrechte zijverwanten: nonkels, tantes, neven en nichten.

Is hiermee de kous af? Nee, want de wetgever gaat nog een stapje verder: naast de opdeling in ordes, gaan we binnen elke orde ook nog eens de graad van verwantschap bepalen.

Daarna komt de graad

Niet iedereen in een "ervende orde" zal ook effectief erven. Enkel degene die het dichtste in graad bij u, als erflater, staat zal erven. Bijvoorbeeld:
- uw grootmoeder zal niet automatisch erven, als uw moeder nog in leven is. We zitten in de derde orde, maar uw moeder is erfgenaam in de eerste graad, uw grootmoeder pas in de tweede graad.
- uw neef zal niet erven als die zijn vader (uw nonkel) nog in leven is. We zitten in de vierde orde, maar uw nonkel is tweede graad, uw neef is derde graad.

Nu zijn er nog een aantal wettelijke "figuren" die inwerken op de voornoemde regels van orde en graad: de plaatsvervulling en de grote en kleine kloving.

Plaatsvervulling

Het is jammer genoeg mogelijk dat een mogelijke erfgenaam reeds vooroverleden is. Stel, u bent alleenstaand en u hebt geen kinderen. Maar, u hebt een broer en een zus, die elk op hun beurt wél kinderen hebben. Door een ongelukkig voorval overlijdt uw zus. Sluit uw broer (tweede orde) dan de afstammelingen van uw zus (vierde orde) uit? Indien de plaatsvervulling niet zou bestaan, zou het antwoord ja zijn. De wetgever heeft dit echter, terecht, als onrechtvaardig aanzien en daardoor de figuur van de plaatsvervulling gecreëerd. De kinderen van de overleden zus zullen zo, samen, in de plaats komen van hun overleden moeder. Op die manier zullen zij samen het erfdeel van hun moeder ontvangen. Het woord "samen" is hier wel van belang: ongeacht het aantal afstammelingen de vooroverleden zus heeft, zij erven samen wat de vooroverleden erfgenaam op zichzelf zou erven.

Kloving

Vooreerst is er het principe van de kleine kloving. Stel u hebt een broer, maar ook een halfzus. In dat geval moeten we onze heil zoeken in de kleine kloving. Dit wil zeggen dat de nalatenschap in twee gelijke delen wordt verdeeld, namelijk vaderlijke lijn en de moederlijke lijn. Uw broer zal erven uit beide lijnen. Uw halfzus zal enkel erven uit de lijn van de gemeenschappelijke ouder.

We kennen ook het principe van de grote kloving. Wanneer uw nalatenschap niet kan toekomen aan erfgenamen van de eerste of de tweede orde, dan zal deze kloving optreden. Dit wil zeggen dat men uw nalatenschap opnieuw zal opdelen in 2 helften: een helft voor de vaderlijke lijn en een helft voor de moederlijke lijn. Binnen elk van deze lijnen geldt vervolgens dat diegene(n) erven die in de dichtste orde en vervolgens in de dichtste graad staat/staan. Als er geen erfgenamen (meer) zijn in een bepaalde lijn, dan zal dat deel geërfd worden door de andere lijn.

Afwijken van de wettelijke regels

In wat voorafgaat werden de wettelijke regels uiteengezet. Wanneer u geen planning onderneemt, zal uw nalatenschap aan deze regels onderworpen worden. U kan hiervan echter afwijken. Aangezien u alleenstaand bent, hebt u geen reservataire erfgenamen om rekening mee te houden. Reservatair wil zeggen dat het "bevoorrechte" erfgenamen zijn, die sowieso een erfrecht hebben waar u niet aan kan raken. Typevoorbeeld hiervan zijn de kinderen en de partner. Maar die zijn er niet, dus u kan volledig zelf regelen aan wie u zaken wil nalaten.

U beschikt over tal van mogelijkheden om te plannen.
Zo kan u uw vermogen bijvoorbeeld bij leven regelen via een schenking. Indien u echter nog niet zo goed weet wie u wat wil geven, kan een testament steeds de oplossing bieden. Daar waar een schenking een definitieve regeling is, biedt een testament het voordeel dat u dit altijd nog kan aanpassen. Bovendien kan u in uw testament ook kiezen voor de opname van het fiscaal gunstige duo-legaat.

En wat betekent dit op fiscaal vlak?

Belangrijk om nog mee te geven is dat aan dit alles wel een fiscaal kostenplaatje hangt. De tarieven in Vlaanderen zijn afhankelijk van wat u juist onderneemt:
- schenking van roerende goederen aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen;
- schenking van onroerende goederen aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen;
- testament aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen  

Het is belangrijk dat u volledig geïnformeerd bent en zo de juiste afwegingen maakt van wat u zelf wil dat er met uw vermogen gebeurt. De juristen van aternio staan u graag om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Statutaire zetelleer en de Belgische fiscaliteit

De werkelijke zetelleer is voor Belgische vennootschappen verleden tijd. Met de invoering van het Wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) is, naar het voorbeeld van heel wat andere Europese landen, gekozen voor de toepassing van de statutaire zetelleer.

Gelet op de grondige hervorming van het vennootschapsrecht was het evenwel ook noodzaak om het fiscaal recht aan te passen. De wetgever achtte het immers onbillijk dat de fiscale situatie teveel zou wijzigen.

Situatie voor het WVV - werkelijke zetelleer

Het oude Wetboek Vennootschappen bepaalt het toepasselijk recht van een vennootschap op grond van waar een vennootschap haar voornaamste activiteiten uitvoert of haar bestuur voert.

Dit zorgt er historisch voor dat België geen aandacht heeft voor waar een vennootschap is opgericht. Bepalend is of een vennootschap haar voornaamste activiteiten of haar bestuur in België heeft. Als dit het geval is dient de vennootschap zich aan het Belgische vennootschapsrecht te onderwerpen.

Dit maakt België maar weinig aantrekkelijk voor buitenlandse vennootschappen.

Situatie ingevolge het WVV - statutaire zetelleer

België kon niet achterop hinken en keek gretig over haar landgrenzen heen om inspiratie op te doen. Nederland bijvoorbeeld heeft van haar vennootschapsrecht een belangrijk exportproduct gemaakt en veel buitenlandse vennootschappen hebben hun weg naar daar gevonden.

Nederland maakt gebruikt van de statutaire zetelleer. Hierbij is het vennootschapsrecht van het land waar de statutaire zetel gevestigd is het toepasselijk recht op de vennootschap.

Middels het WVV heeft België nu ook resoluut gekozen voor de statutaire zetelleer. Vrijheid en flexibiliteit voor iedereen.

De blijheid hinkt evenwel nog steeds achterop aangezien de geplande onlineregistratie voor vennootschappen nog niet mogelijk is. Dit is een administratief hiaat, waardoor ondernemingen wederom België alsnog links zouden kunnen laten liggen.

Fiscaliteit en de werkelijke zetelleer

Een vennootschap is een fiscale inwoner van België en zij wordt in België op haar wereldwijde winst belast indien haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur in België is gevestigd. Dit spoort met de werkelijke zetelleer. Hier wijzigt niks aan.

De werkelijke zetelleer  is én blijft dus primeren op fiscaal gebied.

Door de invoering van het WVV is een vennootschap onderworpen aan het vennootschapsrecht van het land waar haar maatschappelijk zetel is gevestigd. Als gevolg daarvan kan men niet langer meer veronderstellen dat de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, noodzakelijkerwijze ook aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen. Er moet immers steeds werkelijke leiding vanuit België zijn.

In principe moet een onderneming ook rechtspersoonlijkheid bezitten om onder de vennootschapsbelasting te kunnen vallen. Maar een bijzondere bepaling belast reeds buitenlandse lichamen zonder rechspersoonlijkheid die in België winsten behalen, zo zij een gelijkaardige vorm aannemen als een vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht (artikel 227, 2° WIB ’92).

Nieuw wettelijk vermoeden met dubbel tegenbewijs

Zoals gezegd, kan men niet langer veronderstellen dat een vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, ook aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen. Met gevolg dat de fiscus voortaan geval per geval zou moeten beoordelen. Dit is onbegonnen werk.

Daarom heeft men het wettelijk vermoeden met dubbel tegenbewijs ingevoerd. Dit stelt: behoudens tegenbewijs, wordt de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, geacht haar werkelijke leiding in België te hebben én dus fiscaal inwoner te zijn.

Dit vermoeden kan worden weerlegd door aan te tonen dat de vennootschap 1) haar werkelijke zetel in een andere staat heeft én 2) fiscaal inwoner is van deze andere staat.

Ook de boekhouding moet mee

De wetgever diende evenwel in te grijpen om ook éffectief een vennootschap met een statutaire zetel in het buitenland, en dus beheerst door buitenlands recht, te kunnen belasten in België (nieuw artikel 320/1 WIB ’92). Elke Belgische vaste inrichting van dergelijke vennootschappen zal nu een boekhouding en een jaarrekening moeten opmaken volgens Belgisch recht, tenzij zij een vrijstelling hebben gekregen. De jaarrekening wordt tevens aan de aangifte in de vennootschapsbelasting gehecht, tenzij zij reeds gepubliceerd werd.

Conclusie

Als het gevolg van deze hervorming hinkt België niet langer achterop. Ons vennootschapsrecht is alvast gewapend om meer ondernemingen naar België te halen. Of we voldoende concurrentieel zijn op bijvoorbeeld  fiscaal vlak blijft nog maar de vraag.

Meer weten? Contacteer ons vrijblijvend.


Hoe vergoeding bepalen bij einde opstalrecht?

Een bestuurder koopt een stuk bouwgrond en verleent een opstalrecht aan zijn vennootschap voor 15 jaar. De vennootschap heeft het recht om op de grond te bouwen. Na 15 jaar wordt de bestuurder (gratis) eigenaar van het gebouw.

Op burgerrechtelijk vlak is deze klassieke opstalconstructie perféct legaal. Toch viseert de fiscus deze constructies, veelal bij het einde van het opstalrecht. Hoe komt dit? Waarop moet u letten om dit te vermijden?

Recht van opstal

Bij een opstalrecht verleent een opstalgever (grondeigenaar) een tijdelijk recht aan de opstalhouder om te mogen bouwen op diens grond. In praktijk zal de grondeigenaar meestal de bestuurder zijn die een opstalrecht geeft aan zijn vennootschap. Gedurende de looptijd van het opstalrecht is de vennootschap eigenaar van de gebouwen, de zogenaamde opstallen.

Op het einde van het opstalrecht wordt de opstalgever automatisch eigenaar van de gebouwen door natrekking. In de al wat oudere opstalovereenkomsten is vaak geen vergoeding afgesproken op het einde van het opstalrecht. De opstalgever wordt zo dus 'gratis' eigenaar van de gebouwen.

Dergelijke kosteloze overdracht is uiteraard een doorn in het oog van de fiscus ...

Geen vergoeding is mogelijk voordeel alle aard

De fiscus belast de opstalgever maar al te graag in de personenbelasting. Door de gratis verwerving krijgt de bestuurder immers een voordeel in natura van zijn vennootschap.

De fiscus moet wel kunnen aantonen dat de belastingsbelastingplichtige dit voordeel kreeg in de hoedanigheid van bedrijfsleider. Zoniet, kan de fiscus de belastingplichtige niet belasten op een voordeel alle aard.

Om dit voordeel te vermijden zou men een vergoeding kunnen afspreken die de opstalgever moet betalen aan de opstalhouder bij het einde van het opstalrecht.

Artikel 6 van de opstalwet bepaalt overigens dat de opstalhouder in principe recht heeft op de waarde van zijn gebouwen, werken en beplantingen. Hoe die waarde moet worden bepaald, daarover zwijgt de wet in alle talen.

Welke vergoeding dan?

Dé belangrijkste vraag blijft dus: hoe groot moet die vergoeding zijn?  Daarover is intussen al heel wat geschreven, maar het blijft nog steeds een moeilijk vraagstuk. Veel hangt uiteraard ook af van het concrete feitenrelaas.

Zo heeft de fiscus al geoordeeld dat voor het bepalen van het voordeel van alle aard de "actuele waarde" van de opstallen moet worden vergoed. De fiscus meent dat dit de venale waarde van de constructie is op het ogenblik van het einde van het opstalrecht.

Maar de meeste rechtsleer en sommige rechtspraak gaan hier niet mee akkoord. Zij menen dat men een waarderingsmethode moet hanteren waarbij rekening wordt gehouden met alle concrete omstandigheden zoals de bouwkosten, de duurtijd van het opstal, de vergoeding tijdens het opstalrecht, eventuele verbouwingen enzovoort. Er moet dus meer gekeken worden naar de "economische waarde" van de opstallen.

Zo gaat bepaalde rechtsspraak de vergoeding bepalen in functie van de normale gebruiksduur van de opstallen. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG, Fisc. Act. 2019, 8/1).

Een alternatieve methode bestaat er bijvoorbeeld in om het opstalrecht te vergelijken met huur. De meerkost voor het zelf bouwen, t.o.v. de totale huur over de duurtijd van het opstalrecht, is de vergoeding. Hierbij moet een actualisatievoet worden toegepast gelijk aan het rendement dat de opstalhouder zou hebben gehad indien hij zijn geld op een andere manier had belegd. (Ph. Salens, "De waardering van onroerende zakelijke rechten (her)bekeken door een fiscale bril", Not.Fisc.M. 2016, 4, 102).

Ook de rulingcommissie besluit dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een "economische waarde" van de opstallen bij het einde van het opstalrecht (dus niet enkel de verkoopswaarde), minus de gederfde inkomsten.


Verminderde roerende voorheffing en inbreng aandelen in maatschap?

Heeft u nog recht op verminderde roerende voorheffing (VVPRbis) nadat u de aandelen van uw vennootschap heeft ingebracht in een maatschap? We lichten het voor u toe.

VVPRbis-voorwaarden

In principe betaalt u 30% roerende voorheffing op de uitkeringen van dividenden uit uw vennootschap.

Echter, aandelen die werden uitgegeven sinds 1 juli 2013 kunnen onder bepaalde voorwaarden aan slechts 15% worden uitgekeerd. Zo moet het onder meer gaan om kleine vennootschappen, aandelen op naam, inbrengen in geld, volstorting, minimumkapitaal én moeten de aandelen ononderbroken worden aangehouden in volle eigendom vanaf de inbreng.

Met uitzondering van de naamloze vennootschap is de kapitaalvereiste verdwenen in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV). Hierover verder meer.

Het tarief van 15% roerende voorheffing is van toepassing op dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar.

Het tarief van 15% blijft ook van toepassing bij :

-een overdracht van volle eigendom in rechte lijn of tussen echtgenoten via schenking of vererving

-een overdracht in rechte lijn of tussen echtgenoten die het gevolg is van een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op een wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfopvolging

Inbreng aandelen in maatschap

In het kader van familiale successieplanning worden aandelen vaak ingebracht in een maatschap. De vraag stelt zich wel of het VVPRbis-regime daarmee niet verloren gaat.

Goed nieuws ! De Rulingcommissie (ruling nr. 2018.0467 van 26 juni 2018) heeft bevestigd dat het VVPRbis-voordeel niet verloren gaat indien de aandelen in volle eigendom werden ingebracht. De maatschap is immers volledig transparant, de aandelen blijven van de originele aandeelhouder en de inkomsten ervan blijven aan de aandeelhouder toekomen.

Let op bij schenking in blote eigendom

Zoals gezegd moeten de aandelen ononderbroken worden aangehouden in volle eigendom. Een inbreng in volle eigendom lijkt dus geen probleem te vormen voor de toepassing van VVPRbis.

Maar let op, het VVPRbis-regime gaat wellicht wel verloren indien men eerst de blote eigendom van de aandelen wegschenkt en vervolgens de blote eigendom en het vruchtgebruik van de aandelen inbrengt in de maatschap.

Ook de inbreng van de aandelen in volle eigendom in de maatschap, gevolgd door een schenking van de blote eigendom van de deelbewijzen van de maatschap zal problematisch zijn voor VVPRbis.

Wat met het nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen?

Onder het oude Wetboek van vennootschappen waren vennootschappen zonder minimumkapitaal uitgesloten van het VVPRbis-gunstregime.

Het nieuwe WVV heeft het vennootschapsrechtelijk kapitaalbegrip, behalve voor de naamloze vennootschap, afgeschaft. Daardoor is ook op fiscaal vlak de voorwaarde van het minimumkapitaal voor VVPRbis afgeschaft. Een minimumkapitaal is dus ná 1 mei 2019 niet langer vereist voor de toepassing  van VVPRbis.

Conclusie

Wie de VVPRbis-regeling wil behouden zal zijn ambities op het vlak van successieplanning moeten bijstellen. Het maken van de juiste afweging is, zoals zo vaak, van bijzonder belang.


Fiscale consolidatie: de eerste stapjes.

Vanaf het aanslagjaar 2020,  in casu voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019, kunnen Belgische groepsvennootschappen een onvolledige vorm van fiscale consolidatie toepassen. Hiermee treedt België eindelijk in de voetsporen van de meeste andere EU-lidstaten. In Nederland bijvoorbeeld bestaat het principe van de fiscale eenheid als sinds het  midden van vorige eeuw. Daarom, onder het motto 'beter laat dan nooit', probeert ook België te charmeren met de nieuwe aftrekregeling van ‘groepsbijdragen’.

Beperkte fiscale consolidatie

Dit beperkte systeem van fiscale consolidatie op vlak van vennootschapsbelasting laat groepsvennootschappen toe om winsten en verliezen met elkaar te compenseren. Het is met andere woorden geen volledige consolidatie maar een techniek van verliesoverdracht, gedefinieerd als groepsbijdragen, tussen verbonden vennootschappen.

Niet zelden blinkt de Belgische fiscale wetgever uit in het neerschrijven van complexe teksten. Welnu, het is deze keer niet anders (art. 205/5 WIB'92). De voorwaarden voor de groepsbijdragen zijn behoorlijk streng en de werking van de groepsbijdragen is ingewikkeld.

Hoe werkt het?

Via een overeenkomst kan tussen twee groepsvennootschappen fiscaal verlies van het belastbare tijdperk worden overgedragen.  De regeling van ‘groepsbijdrage’ bestaat uit een fiscale aftrek voor de vennootschap die de bijdrage betaalt en een afzetting tegen fiscaal verlies voor de vennootschap die de groepsbijdrage ontvangt. De aandachtige lezer bemerkt dat enkel verliezen van het boekjaar zelf kunnen aangewend worden. Fiscale verliezen uit het verleden komen niet in aanmerking.

In tegenstelling tot de fiscale consolidatie op btw-vlak middels een btw-eenheid verandert er niets aan de individuele aangifteprocedure voor elke vennootschap. Er is geen sprake van een gezamenlijke aangifte in de vennootschapsbelasting. Elke vennootschap verwerkt de groepsbijdrage via de eigen fiscale aangifte. De winstgevende vennootschap neemt de groepsbijdrage in de fiscale aangifte op als een nieuwe aftrekpost in de ‘Uiteenzetting van de winst’.  De verliesmakende vennootschap vermeldt de groepsbijdrage in het vak van de ‘Aanpassingen in min van de begintoestand van de belaste reserves’.

Een voorbeeld illustreert de werking van de regeling. Vennootschap A heeft een winst van 1.000 en vennootschap B een verlies van -400. Middels het systeem van groepsbijdragen kan  vennootschap A (gebruiker) een deel van haar winst ten belope van 400 overdragen aan B (begunstigde). B heeft hierdoor geen fiscale verliezen en A wordt slechts belast op 600.

Vergoedingsregeling

Voor het gebruik van de verliezen moet effectief een vergoeding betaalt worden gelijk aan de realisatie van het belastingvoordeel dat ontstaat door de beschikking over de verliezen. Toegepast op ons voorbeeld betekent dit dat gebruiker A een vergoeding betaalt aan begunstigde B. De vergoeding is gelijk aan 400 vermenigvuldigt met het tarief in de vennootschapsbelasting.

De  vergoedingsregeling zorgt ervoor dat het systeem vermogensneutraal is. Er is aldus geen sprake van vermogensoverdracht. Schuldeisers of minderheidsaandeelhouders zijn bijgevolg niet benadeeld door de regeling. De betaling van de vergoeding door de gebruiker aan de begunstigde gebeurt in het volgende belastbaar tijdperk. De vergoeding kwalificeert niet als een dividend of abnormaal en goedgunstig voordeel.

De vergoeding is fiscaal neutraal. Daarom vormt ze bij de winstgevende vennootschap een niet-aftrekbare beroepskost (verworpen uitgave).  Bij de begunstigde is ze vrijgesteld van de belastbare grondslag (verhoging van de begintoestand van de reserves).

Overeenkomst

Een essentiële voorwaarde is dat de betrokken vennootschappen jaarlijks een burgerrechtelijke overeenkomst afsluiten. Ze heeft slechts betrekking op één belastbaar tijdperk. Een modelovereenkomst wordt nog via Koninklijk Besluit bekendgemaakt. De overeenkomst is een bijlage bij de aangifte vennootschapsbelasting.

Deze groepsbijdrageovereenkomst bevat onder meer de hoogte van de groepsbijdrage. Een bijdrage die actueel niet hoger kan zijn dan het verlies dat door de begunstigde in het belastbare tijdperk zou zijn geleden zonder groepsbijdrage. Het is mogelijk dat een begunstigde vennootschap partij is in meer dan één overeenkomst. In geen geval mag de cumul van de in de overeenkomsten opgenomen bedragen van de groepsbijdrage hoger zijn dan het genoemde verlies.

Verder verbindt de winstgevende vennootschap zich ertoe om aan de begunstigde een vergoeding te betalen. Zoals gezegd is deze vergoeding gelijk is aan het belastingsurplus dat zou verschuldigd zijn indien er geen groepsbijdrage is.

Welke vennootschappen?

De overeenkomst kan worden afgesloten tussen Belgische vennootschappen (of EU/EER-vennootschappen met een vaste inrichting in België) onderworpen aan de gewone regels van de Belgische vennootschapsbelasting én die verbonden zijn door:

  • een rechtstreekse aandeelhoudersrelatie van minstens 90% (moeder- en dochtervennootschappen); of
  • een gemeenschappelijke moeder (een Belgische of een EU/EER vennootschap) die rechtstreeks minstens 90% van de aandelen houdt in betrokken vennootschappen (zustervennootschappen).

Onrechtstreekse deelnemingen zijn uitdrukkelijk uitgesloten.

Alvorens een groepsbijdrage kan worden afgesproken moet de minimumparticipatie gedurende gedurende een onafgebroken periode van 5 jaar voldaan zijn. Periode die aanvangt op 1 januari van het vierde kalenderjaar voor het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar is genoemd. Behoudens bij vereffening is het tevens vereist dat de verbonden vennootschappen gelijklopende boekjaren hebben.

Bepaalde vennootschappen zijn expliciet uitgesloten. Bijvoorbeeld: vennootschappen die een onroerend goed, of een zakelijk recht op een onroerend goed ter beschikking stellen aan een bedrijfsleider, beleggingsvennootschappen, zeescheepvaartvennootschappen en diamanthandelaars.

Conclusie

De nieuwe fiscale consolidatie is een lichtpunt voor Belgische en multinationale groepen van vennootschappen. Gezien de strenge participatievoorwaarden is succes niet gegarandeerd. De toekomst zal het uitwijzen.

Contacteer ons indien u meer info wenst over dit onderwerp.


Fiscus viseert sportclubs bij sponsoring

De fiscus heeft het nu blijkbaar gemunt op sportclubs die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Denk bijvoorbeeld aan clubs die korting krijgen op drank bij de brouwer in ruil voor een exclusieve afname. Of de truitjes met sponsoring van een slager op voorwaarde dat de sportclub haar inkopen voor het jaarlijks eetfestijn ook bij die slager doet.

Volgens de fiscus moet een sportclub op deze sponsoring roerende voorheffing betalen.

Roerende voorheffing

De vergoeding voor het toestaan van exclusiviteit is immers een roerend inkomen, meent de fiscus. Een vergoeding voor het verkrijgen van het recht om iets te doen (bijvoorbeeld het exclusief leveren van drank), is een vergoeding voor een roerend goed.

Een vergoeding voor de concessie van een roerend goed is een roerend inkomen, waarop dus roerende voorheffing moet worden ingehouden.

In de redenering van de fiscus zouden de truitjes met sponsoring op voor de sportclubs een roerend inkomen vormen waarop roerende voorheffing verschuldigd is.

Let op: ruime toepassing ?

Voorlopig viseert de fiscus enkel sportclubs. Maar de redenering zou ook perfect kunnen gelden voor andere verenigingen, culturele organisaties, scholen ...

Het is dus niet uitgesloten dat de fiscus zich binnenkort ook wel eens op andere sectoren zou kunnen richten voor het navorderen van roerende voorheffing. De fiscus lijkt immers heel snel van een concessie van roerende inkomsten te spreken.

Hoe bedrag bepalen?

Indien deze clubs roerende voorheffing zouden moeten inhouden, moeten zij uiteraard wel weten op welk bedrag. Het probleem is echter dat het hier telkens om voordelen in natura gaat. De waarde van bijvoorbeeld bedrukte truitjes is dus niet zo eenvoudig te bepalen. In de praktijk zal het dus ook niet eenvoudig zijn om het correcte bedrag aan roerende voorheffing te bepalen en in te houden.

Wie moet inhouden?

Maar we stuiten ook nog op een ander praktisch probleem. Het is ook niet steeds zo duidelijk wie deze roerende voorheffing moet inhouden.

In principe moet de betaler van het inkomen roerende voorheffing inhouden. Maar als de verkrijger van roerende inkomsten onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting, zoals de meeste sportclubs en sportverenigingen, is de verkrijger van de roerende inkomsten in principe de schuldenaar van de roerende voorheffing. Tot voor kort ging de fiscus bij de verkrijger (lees de sportclubs) de roerende voorheffing navorderen. Maar in navolging van Cassatierechtspraak heeft de fiscus nu ook haar standpunt gewijzigd. Voortaan zou ze enkel de betaler van het inkomen aanspreken.

Wordt ongetwijfeld vervolgd ... Ondertussen toch maar opletten met kosteloze voordelen.

Bron: Fisc. Act. nr.7, week 21-29 februari 2019


Hoe omgaan met voorwaarden in de aangifte nalatenschap?

Wanneer iemand overlijdt moet er een aangifte van nalatenschap ingediend worden. Dit is een aangifte bij de Vlaamse Belastingdienst en betreft het vermogen (actief en passief) van de overledene. Deze aangifte vormt de basis voor de berekening van de erfbelasting die de erfgenamen zullen moeten betalen. De aangifte van nalatenschap moet worden ingediend door de wettige erfgenamen of de algemeen legatarissen (bij testament).

Is deze aangifte van nalatenschap definitief vanaf het moment van indiening? Wijzigt er iets aan de aangifte als er zich ontbindende of opschortende voorwaarden vervullen? Gaat het enkel om wijzigingen binnen de oorspronkelijke aangiftetermijn? Hangt er ook een prijskaartje aan die wijziging? We zetten de principes graag even op een rijtje.

Tijdstip van overlijden

De aangifte nalatenschap maakt een foto van het vermogen van de overledene op het moment van overlijden. Daarbij neemt men zowel het actief als het passief in aanmerking. Het is niet ondenkbaar dat het vermogen op een later tijdstip nog met terugwerkende kracht wijzigt. Dit kan zowel in plus als in min. Het gaat hierbij om het intreden van een opschortende of ontbindende voorwaarde. Indien een dergelijk feit zich voordoet, betekent dit een aanpassing van de nalatenschap met bijhorende weerslag op de heffing van de erfbelasting.

Opschortende voorwaarde bij verkregen goederen door de erflater

Een opschortende voorwaarde schort de gevolgen van een bepaalde overeenkomst op, tot zolang de voorwaarde niet vervuld is. Daarom maken de goederen of rechten die de overledene had verkregen onder opschortende voorwaarde, maar die op het moment van het overlijden nog niet vervuld is, geen belastbaar actief uit van de nalatenschap. Bijgevolg moet dit niet worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap en komt dit ook niet in aanmerking voor de erfbelasting.

Wanneer de opschortende voorwaarde zich vervult, bevinden de goederen of rechten zich retroactief in het vermogen van de overledene en vergroten (of verkleinen) daardoor het actief (of passief) van de nalatenschap. Op basis van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 3.3.1.0.6, eerste lid, 2°) zal er dan een nieuwe aangifte worden ingediend. De heffing van de erfbelasting zal plaatsvinden op basis van de nieuwe toestand en rekening houdend met de waarde van de "nieuwe" goederen, op het moment van de vervulling van de voorwaarde en volgens het toepasselijke tarief op het moment van overlijden (artt. 2.7.3.3.7. en 2.7.4.1.5. VCF)

Opschortende voorwaarde bij door de erflater vervreemde goederen

Het is ook mogelijk dat de erflater goederen heeft vervreemd onder een opschortende voorwaarde en dat deze voorwaarde zich op het moment van overlijden nog niet heeft vervuld. In dat geval bevinden de goederen zich nog steeds in het vermogen van de erflater, op het moment van zijn/haar overlijden. Logisch gevolg is dat deze goederen opgenomen worden in aangifte van nalatenschap.

Wanneer de opschortende voorwaarde zich vervult, zullen de betreffende goederen met terugwerkende kracht uit het vermogen van de overledene verdwijnen. Hier staat wel tegenover dat er hiervoor iets in de plaats komt: een waarde (verkoopprijs) of andere goederen (in geval van wederbelegging of ruil,...).

Opnieuw zal er een nieuwe aangifte moeten worden ingediend en kan de heffing van de erfbelasting desgevallend herzien worden. Als er volgens de nieuwe toestand minder erfbelasting verschuldigd is, kan een teruggave aan de orde zijn (op basis van art. 3.6.0.0.4. eerste lid, 1°, a VCF).

Ontbindende voorwaarde?

Een ontbindende voorwaarde verschilt van een opschortende voorwaarde, in die zin dat er aan de ontbindende voorwaarde onmiddellijk rechtsgevolgen gekoppeld zijn. Echter, bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde worden de rechtsgevolgen teniet gedaan. Ook dit is retroactief. Indien de overledene goederen heeft verkregen of vervreemd onder een ontbindende voorwaarde, bevinden deze goederen zich respectievelijk wel of niet meer in zijn vermogen op het moment van het overlijden.

Indien het gaat om een verwerving onder ontbindende voorwaarde bevinden de goederen zich in de nalatenschap en worden zij mee opgenomen in de aangifte van nalatenschap. Bijgevolg zijn ze onderworpen aan de erfbelasting. Indien de ontbindende voorwaarde zich vervult, verdwijnen de goederen met terugwerkende kracht uit het vermogen van de erflater en wordt de heffing van de erfbelasting herzien. In geval van teveel betaalde erfbelasting, kan ook hier een teruggave gevorderd worden (op basis van art. 3.6.0.0.4. eerste lid, 1°, a VCF).

Indien het gaat om een vervreemding onder ontbindende voorwaarde is er geen belastbaar actief. Bijgevolg is er geen opname in de aangifte van nalatenschap en is er geen erfbelasting op het moment van overlijden. Indien de ontbindende voorwaarde zich vervult en de goederen retroactief terugkomen in het vermogen van de overledene, zal er ook opdat moment een aanpassing van het actief van de nalatenschap zijn. Er moet vervolgens een nieuwe aangifte worden ingediend en met heffing van erfbelasting als gevolg.

Termijnen

Om af te sluiten hernemen we nog even dat de aangifte van nalatenschap moet ingediend worden binnen een termijn van:
- 4 maanden als het overlijden plaatsheeft in België;
- 5 maanden als het overlijden plaatsheeft in een land van de Europese Economische Ruimte (EER); of
- 6 maanden als het overlijden plaatsheeft buiten de EER.

De voornoemde termijn begint te lopen vanaf de exacte dag van overlijden.

Echter, wanneer één van voorgaande situaties zich voordoet, starten de voornoemde termijnen opnieuw. Binnen deze termijn moet een nieuwe (bijvoeglijke) aangifte worden ingediend, om de nieuwe situatie te melden.

Verjaringstermijn voor de erfbelasting is 5 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de aangiftetermijn start.  Indien zich een opschortende of ontbindende voorwaarde voordoet binnen deze termijn, moet u een nieuwe aangifte indienen. Op dat moment start de nieuwe termijn om de bijkomende rechten te innen, dan wel om de teruggaven te vorderen.