Elektronisch betalen (eindelijk) de nieuwe standaard

In de strijd tegen fiscale fraude heeft de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers op 10 maart 2022 een zoveelste wet "houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding" goedgekeurd. Eén van de gevolgen hiervan is dat ondernemingen verplicht zijn om aan consumenten de mogelijkheid te geven elektronisch te betalen. Het Wetboek van economisch recht is in die zin aangepast. Vraag is in hoeverre elektronisch betalen op vandaag, mede door Covid en commerciële druk, niet reeds de standaard is.

Voor wie?

Alle ondernemingen die op regelmatige wijze economische activiteiten uitvoeren gericht op consumenten moeten elektronisch betalen mogelijk maken. De verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden, geldt bijgevolg alleen in een b2c-relatie. M.a.w. voor betalingen verricht tussen ondernemingen (in een B2B-verhouding) bestaat de verplichting niet. Ondernemingen zijn zowel handelaars, vrije beroepers en verenigingen.

Ook overheden kwalificeren als onderneming in zoverre het economische activiteiten betreft die geen taken zijn van algemeen belang. Voor dergelijke activiteiten gericht op consumenten, denk maar aan het beheer van een zwembad, een bibliotheek
of een cultureel centrum, zijn ook overheden verplicht om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden.

Zoals gezegd ontsnappen verenigingen evenmin aan de verplichting, mits zij regelmatige economische handelingen stellen waardoor concurrentie ontstaat met andere ondernemingen. De nieuwe verplichting geldt niet voor éénmalige of occasionele activiteiten van verenigingen.

Elektronisch betaalmiddel

Een “elektronisch betaalmiddel” is elk betaalmiddel waarbij men geen gebruik maakt van eurobiljetten en -munten. Het is alvast duidelijk dat dit betalingen met een bankkaart betreft, uitgevoerd via conventionele betaalterminal of smartphoneapplicaties (Applepay, Payconiq, ...), betalingen per bankoverschrijving of online betaalplatformen (Paypal, Mollie, ...).

Maaltijdcheques, ecocheques en consumptiecheques, maar ook cryptomunten en virtuele valuta worden evenwel niet als elektronische betaalmiddelen beschouwd.

Voor het overige mag de onderneming dus vrij kiezen welk elektronisch betaalmiddel zij aanbiedt. Het begrip “elektronisch
betaalmiddel” kan zeer ruim worden opgevat, zolang de onderneming maar minstens één elektronische betaalvorm aanbiedt. Gezien de diverse technologische mogelijkheden op vlak van elektronische betaalmogelijkheden hoeven echt geen buitensporige kosten te worden gemaakt. Keuze genoeg.

Cash betalen blijft vanzelfsprekend nog steeds mogelijk. Het is zelfs zo dat ondernemingen cash betalingen in euro niet mogen weigeren. Uiteraard moeten zij rekening houden met de verplichtingen inzake het beperkt gebruik van contanten overeenkomstig de antiwitwaswetgeving, in casu mag geen enkele betaling in cash worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro.

De onderneming mag ook geen rechtstreekse kosten aanrekenen aan de consumenten voor het gebruik van een elektronisch betaalmiddel.

Verplichting en sancties

Vanaf 1 juli 2022 zijn ondernemingen verplicht minstens één elektronisch betaalvorm aan te bieden.

Om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd, is voorzien in een sanctie. Het betreft een sanctie van niveau 2 die is opgelegd in het artikel XV.83 van het Wetboek van economisch recht. Dit impliceert een geldboete van 26 tot 10.000 euro, te vermenigvuldigen met 8 om de opdeciemen mee te verrekenen. De Economische Inspectie houdt een oog in het zeil.

Conclusie

Vanaf 1 juli 2022 geldt voor ondernemingen onverminderd de verplichting om minstens één elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen in een B2C-verhouding. Voor betalingen verricht tussen ondernemingen (B2B-verhouding) tot slot is er geen verplichting.

Argumenten contra het aanvaarden van elektronische betalingen zijn niet langer van tel. De voordelen daarentegen zijn dat wel: geen kasverschillen, geen problemen met wisselgeld en geen risico's op diefstal.

Bij vragen omtrent deze of andere economische of fiscale maatregelen kan aternio u adviseren.


fiscaal co-ouderschao

Fiscaal co-ouderschap: is het een "moetje" of een "magje"?

Wanneer een relatie spaak loopt is, er niet alleen een emotionele component waarmee we moeten rekening houden. Na het nemen van de (al dan niet gewenste) beslissing om uit elkaar te gaan, moet ook het financiële plaatje aan bod komen. Alsof dat alles nog niet genoeg is, dient u bovendien te "onderhandelen" over de regeling inzake de kinderen. Beslissen om uit elkaar te gaan kan emotioneel misschien de beste oplossing zijn en in een goede verstandhouding is veel mogelijk. Maar het betekent vaak het begin van een burgerrechtelijk en fiscaalrechtelijk getouwtrek. Het fiscaal co-ouderschap werd wettelijk verankerd om daaraan alvast tegemoet te komen.

Maar is die wettelijke regeling wel altijd de beste in uw situatie? Is het mogelijk dat de ex-partners onderling andere regelingen te treffen? We merken dat daar in de praktijk toch vaak discussies over ontstaan en zijn daarom de rechtspraak en rechtsleer ingedoken.

Wat is fiscaal co-ouderschap?

Wanneer ouders van een gemeenschappelijk kind beslissen om uit elkaar te gaan, zullen zij ook apart gaan wonen. Ze beslissen echter om wel gezamenlijk en gelijkwaardig de opvoeding en het ouderlijk gezag inzake de kinderen te blijven uitoefenen. Het uitgangspunt is "gelijkwaardigheid": we gaan zoveel mogelijk op gelijke basis verdelen. Dit is het burgerrechtelijke co-ouderschap.

Het fiscaal co-ouderschap werd met dezelfde saus overgoten. Het uitgangspunt is ook daar dat kinderen geacht worden, gelijk deel uit te maken van het fiscale gezin van de beide ouders. Door het fiscaal co-ouderschap zullen de beide ouders, elk voor de helft, van de fiscale voordelen inzake het ten laste nemen van de kinderen kunnen genieten.  De wettelijke basis is opgenomen in artikel 132bis WIB'92. Voornoemd artikel, bevat ook de formaliteiten waaraan vervuld moet zijn om van het fiscaal co-ouderschap te kunnen genieten.

Indien aan de formaliteiten voldaan is, zullen de ouders allebei, tegelijkertijd, de kinderen ten laste kunnen nemen.

Voorwaarden fiscaal co-ouderschap

Aan de toepassing van het fiscaal co-ouderschap zijn formaliteiten verbonden.

Zo moet er een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders zijn. In die overeenkomst moeten zij uitdrukkelijk vermelden dat de huisvesting van de kinderen gelijkmatig verdeeld is. Ook moet er genoteerd staan dat beide ouders bereid zijn om de toeslagen op de belastingvrije som voor de kinderen onder elkaar willen verdelen.

Indien er niet zo'n dergelijke overeenkomst tussen de ouders is, dan kan ook uit rechterlijke beslissing de gelijkmatige huisvesting van de kinderen blijken.

Strikte interpretatie

De ouders mogen geen deel meer uitmaken van hetzelfde gezin, maar ze dienen wel samen te voldoen aan de onderhoudsplicht richting de gezamenlijke kinderen. Daarover bestaat meestal geen discussie.

Vooral het principe van de gelijkmatige verdeling van de huisvesting kan zich echter weren als een duiveltje in een wijwatervat. Dat principe is namelijk strikt te interpreteren. In gevallen waarbij de huisvesting assymetrisch of (quasi)ongelijk is, zal het fiscaal co-ouderschap geen toepassing kunen vinden.

Ook het belang van de onderliggende overeenkomst of rechterlijke uitspraak mag men niet onderschatten. Zonder dergelijk document is fiscaal co-ouderschap niet mogelijk. Het woord niet dient men hier effectief te onderlijnen. Het volstaat niet om de gelijkmatige huisvesting feitelijk te kunnen bewijzen, door verklaringen of andere rechtsmiddelen. Het feitelijk gelijkmatig verblijf van de kinderen bij de ouders, is op zichzelf niet voldoende.

Met andere woorden: de rechterlijke beslissing, dan wel de geregistreerde of gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders, vormt het enige (weerlegbare) bewijsmiddel van de gelijkmatige huisvesting. Weerlegbaar, want het is niet omdat u over een dergelijk geschrift beschikt, dat de situatie in de praktijk ook effectief zo wordt uitgevoerd. De ouder bij wie de kinderen voornamelijk verblijven zal met alle middelen van recht het tegenbewijs kunnen leveren.

Is afwijken van de basisregels mogelijk?

Indien de ouders zelf een overeenkomst inzake het verblijf van de kinderen opmaken en willen genieten van het voordeel van het fiscaal co-ouderschap, moeten zij zich daarmee uitdrukkelijk akkoord verklaren. Dit is niet het geval indien de rechter een dergelijke uitspraak doet.

Het is ook mogelijk dat ouders bij overeenkomst beslissen om een gelijk verblijf van de kinderen te organiseren, maar zonder het fiscaal co-ouderschap erbij te nemen.

Ouders kunnen dus afwijken van het principe van het fiscaal co-ouderschap en dit via hun onderlinge geregistreerde/gehomologeerde overeenkomst.

Het behoeft ook de vermelding dat het fiscaal co-ouderschap zal vervallen indien de onderhoudsplichtige ouder beslist om periodieke onderhoudsbijdragen ten voordele van de kinderen in aftrek te brengen. Dit is uitdrukkelijk niet toegestaan door artikel 132bis WIB'92. Dat zou dan nog een achterpoortje kunnen zijn om het fiscaal co-ouderschap buiten spel te zetten.


Vruchtgebruik in de vennootschap - wat met uw planning?

De gesplitste aankoop van een onroerend goed, waarbij een vennootschap het vruchtgebruik verwerft, is vaste praktijk. Het is daarom een techniek die bij menig aandeelhouder of bestuurder van een patrimoniumvennootschap bekend in de oren klinkt. Klassieke configuratie: de aandeelhouder/bestuurder koopt de blote eigendom en de vennootschap verwerft voor 15 jaar of langer het vruchtgebruik. Het onroerend goed gaat na de duurtijd van dit zakelijk recht in principe kosteloos naar de blote eigenaar. Het is een mooi verhaal, niet?

Men verliest hierbij soms het aspect estate planning, zeg maar de successierechten op onroerende goederen, uit het oog. Welnu, actuele rechtspraak en de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) komen ons (on)bewust ter hulp. Deze bijdrage behandelt twee vragen. Wat is de fiscale kostprijs van de registratierechten bij verlenging van het vruchtgebruik?  Wat is in casu de belastbare grondslag bij schenking van de blote eigendom?

We laten hierna de mogelijke implicaties op vlak van directe belastingen buiten beschouwing.

Verlenging van het vruchtgebruik

Blote eigenaar en vruchtgebruiker kunnen overeenkomen om, voor het aflopen van het vruchtgebruik, de duurtijd te verlengen. Onder het oude goederenrecht kon men een verlenging bedingen zonder evenwel de maximale wettelijke looptijd van 30 jaar te overschrijden. Het nieuwe goederenrecht laat sinds 1 september 2021 toe dat het recht maximaal tot 99 jaar kan worden verlengd.

Vlabel houdt voor dat een dergelijke verlening kwalificeert als een nieuwe overeenkomst. Deze visie is om die reden terug te vinden in enkele voorafgaande beslissingen van Vlabel. Het gevolg hiervan is dat een verlenging (of bij uitbreiding een vernieuwing) aanleiding geeft tot heffing van het verkooprecht van 12%. Met het nieuwe goederenrecht is dit evenwel niet meer te verdedigen.

Ter herinnering de vier wettelijke cumulatieve voorwaarden voor het verkooprecht vereisen dat er sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel, een overdragende overeenkomst, een overdracht van eigendom of vruchtgebruik én een onroerend goed. Bij een verlenging van het vruchtgebruik is er geen sprake van een overdracht van een zakelijk recht. Een uitspraak van het hof van beroep van Gent (30 november 2021, 2020/AR/1541) stelt dat een verlenging de loutere bevestiging of het behoud van een bestaande toestand is. Dat de partijen bij de overeenkomst tot verlenging dezelfde zijn als bij de oorspronkelijke vestiging is irrelevant.

Vermits niet is voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden is geen verkooprecht verschuldigd bij de verlenging van het vruchtgebruik. Gevolg is dat de verlenging kosteloos kan gebeuren.

Schenking blote eigendom

Bij een schenking van blote eigendom waarbij de schenker zich het vruchtgebruik voorbehoudt, gebeurt de berekening van de schenkbelasting over de waarde van de volle eigendom. Zoals in de inleiding reeds vermeld is de latere aanwas van het vruchtgebruik bij de blote eigendom principieel belastingvrij. Wat is de fiscale situatie bij schenking van de blote eigendom wanneer de schenker niet (langer) het vruchtgebruik heeft?

De wetgeving stipuleert dat in dit geval de belastbare grondslag niet lager mag zijn de verkoopwaarde van de volle eigendom minus de waarde van het vruchtgebruik. Indien de vruchtgebruiker een rechtspersoon is, is de resterende looptijd van dit recht mee bepalend. De link met voornoemde verlenging van het vruchtgebruik behoeft daarom geen verduidelijking.

In een standpunt van 27 september 2021 bevestigt Vlabel dat een schenking met voorbehoud van eventueel vruchtgebruik dezelfde fiscale behandeling krijgt. Het is perfect mogelijk om als blote eigenaar te schenken met voorbehoud van eventueel vruchtgebruik wanneer de  vruchten van het onroerend goed toebehoren aan een vennootschap. In casu is schenkbelasting verschuldigd op de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het actuele vruchtgebruik.

Conclusie

Kortom, één en één is twee. Vermits het verlengen van het vruchtgebruik geen nieuwe overeenkomst betreft, is er geen verkooprecht verschuldigd. Dat is dus handig. Dergelijke kosteloze verlenging biedt daarom mogelijkheden bij een latere schenking van de blote eigendom. Hoe langer de vennootschap het vruchtgebruik van het onroerend goed nog aanhoudt: hoe hoger de waarde van het vruchtgebruik en des te lager de belastbare grondslag voor de berekening van de schenkbelasting. Weet dat de grondslag nooit lager is dan de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het actuele vruchtgebruik. Met andere woorden er zijn planningsmogelijkheden.

aternio legal begeleid u graag bij uw planning.


verwarming en elektriciteit

Voordeel verwarming en elektriciteit: wettekst is (uitzonderlijk) duidelijk

Er zijn van die momenten dat je het met bijna iedereen oneens moet zijn. Welnu, de nieuwe wettekst inzake forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit zorgt voor zo een moment. Middels Koninklijk Besluit van 19 december 2021 grijpt de wetgever vanaf 1 januari 2022 in op het kosteloos verstrekken van energie. Dit is een kleine prelude op de broodnodige en aangekondige bredere fiscale hervorming en modernisering van het Belgisch belastingstelsel. Waarover gaat het?

Verwarming en elektriciteit - voordeel alle aard

Bij de kosteloze verstrekking van elektriciteit en verwarming door een vennootschap ontstaat er een voordeel alle aard in hoofde van de genieter. Om oeverloze discussies te vermijden omtrent de werkelijke waarde van het voordeel voorziet de wet in forfaitair belastbare bedragen.

Voor dergelijke kosteloze verstrekking bestaat er een onderscheid tussen leidinggevend personeel, zoals een bedrijfsleider, en ander personeel. In concreto betekent dit voor het aanslagjaar 2023 (inkomsten 2022) de volgende belastbare voordelen: bij leidinggevend personeel 2.130 euro voor verwarming en 1.060 euro voor elektriciteit , bij ander personeel respectievelijk 960 euro en 480 euro.

Dergelijke aanpak is al decennia helder en zorgt aldus voor rechtszekerheid. Geen gekissebis over de werkelijke waarde van het voordeel. De energiecrisis waar we nu met zijn allen inzitten zorgt echter voor turbulentie. Het is duidelijk dat de werkelijke kost, gedragen door de vennootschap, veel hoger is dan het forfaitair voordeel. De Minister van Financiën zag in deze kloof een fiscale onrechtvaardigheid. De gebruikelijke oplossing is dan sleutelen aan de fiscale koterij.

Ter beschikking stellen onroerend goed

Op het einde van 2021 heeft de wetgever met een Koninklijk Besluit een einde willen maken aan de voordelige energieforfaits. Met name in die gevallen waarbij kosteloos elektriciteit en/of verwarming niet is gecombineerd met het kosteloos ter beschikking stellen van een woning. Althans dat wil het Verslag aan de Koning en bepaalde rechtsleer, waaronder Jef Wellens (Wolters Kluwer), ons doen geloven. Maar is dit echt wat in het gewijzigde artikel 18, § 3, punt 4, van het KB/WIB 92 staat?

Wat zonneklaar is dat er vanaf 1 januari 2022 geen forfaitair voordeel meer is voor verwarming en elektriciteit wanneer degene die het voordeel verleent niet tegelijk het onroerend goed waar de energie wordt verbruikt, ter beschikking stelt. In dergelijke situatie is het voordeel gelijk aan de werkelijke kostprijs. Bij gemengd gebruik zijn we dan  begonnen aan een rondje armworstelen met de fiscus over de verhouding beroeps- en privégebruik.

Het is echter onjuist om te beweren dat de vennootschap het onroerend goed gratis ter beschikking moet stellen. Een juiste lezing van de finale wettekst laat hierover geen discussie.

Gratis woning of toch niet?

Alles is te herleiden tot het tekstverschil tussen het Verslag aan de Koning en de finale wettekst.

Het Verslag zegt dat de forfaitair voordelen die gevallen beoogt "waarbij kosteloos elektriciteit en/of verwarming wordt verstrekt samen met het kosteloos ter beschikking stellen van een woning".

In de finale tekst van artikel 18, § 3, punt 4, 1° KB/WIB 92 staat echter dat het voordeel van kosteloze energieverstrekking forfaitair wordt geraamd "wanneer degene die het voordeel verleent ook het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, ter beschikking stelt." Het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, verwijst naar de plaats van energieverbruik. Zoals hierboven reeds gesteld 'geen forfaitaire energieverstrekking zonder hiermee verbonden ter beschikking gestelde woning'. Men mag het woord "kosteloos" echter niet lezen wanneer het er niet staat. De wettekst schrijft namelijk niet "wanneer degene die het voordeel verleent ook het onroerend goed waarvoor het voordeel wordt verleend, kosteloos ter beschikking stelt."

Een duidelijke wet behoeft geen interpretatie. Op basis van de wettekst kan men het forfaitair voordeel voor verwarming en elektriciteit nog steeds combineren met het niet-kosteloos ter beschikking stellen van de woning waar de vennootschap gratis energiegebruik verleent. Effectieve terugbetaling van het voordeel voor bewoning of het betalen van woninghuur aan de vennootschap beletten de forfaitaire benadering niet.

Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel

Bovendien is, volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Vraag is of dit überhaupt het geval is met de wijziging van 10 december 2021? Laat staan of een onderscheid tussen kosteloze en niet-kosteloze ter beschikking stelling een dergelijke verschil verantwoord.

Conclusie

Sinds 1 januari 2022 is er geen forfaitair voordeel meer voor verwarming en elektriciteit wanneer degene die het voordeel verleent niet tegelijk het onroerend goed, waar men de energie verbruikt, ter beschikking stelt.

Op basis van de huidige wettekst is het forfaitair voordeel voor verwarming en elektriciteit wel degelijk combineerbaar met het niet-kosteloos ter beschikking stellen van de woning waarvoor het gratis energiegebruik is verleend. Terugbetaling van het voordeel voor bewoning of het betalen van woninghuur aan de vennootschap beletten de toepassing van de forfaitaire voordelen voor verwarming en elektriciteit niet. In casu delen we de lezing of interpretatie in sommige rechtsleer niet.

 


Fiscaal regime voor expats in wetgevend jasje

Al sinds 1983 kent België een fiscaal aantrekkelijk regime voor expats. Dit regime was echter louter gebaseerd op een administratieve circulaire. Voortaan is er nu ook een wettelijke basis in de Programmawet van 27 december 2021.

Het nieuwe regime voor expats bestaat uit 2 delen: namelijk het 'Bijzonder Belastingstel voor Ingekomen Belastingplichtigen (BBIB) en het 'Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Onderzoekers' (BBIO). De nieuwe fiscale regeling treedt in werking met ingang vanaf 1 januari 2022.

De bedoeling is nog steeds om België fiscaal aantrekkelijk te maken voor buitenlandse high potentials. Het wettelijk kader moet daarom extra rechtszekerheid bieden. De wettelijke verankering biedt alvast heel wat voordelen en verbeteringen. Echter, omwille van budgettaire redenen, zijn er ook beperkingen.

Expat voorwaarden

Zoals gezegd zal de nieuwe regeling van toepassing zijn voor 'ingekomen belastingplichtigen' en 'ingekomen onderzoekers'. Ingekomen belastingplichtigen kunnen zowel werknemers als bedrijfsleiders zijn. Ingekomen onderzoekers kunnen enkel werknemers zijn.

Een ingekomen belastingplichtige moet bovendien rechtstreeks aangeworven zijn in het buitenland en tewerkgesteld zijn binnen een multinationale groep of vzw. Ook een onderzoeker dient rechtstreeks aangeworven te zijn in het buitenland. Maar voor een onderzoeker hoeft de Belgische werkgever geen deel uit te maken van een multinationale groep.

Verder mag de expat 5 jaar voorafgaand aan de indiensttreding in België:
-geen rijksinwoner zijn geweest van België;
-niet gewoond hebben binnen een afstand van 150km van de Belgische grens (grensarbeiders vallen dus voortaan uit de boot);
-niet onderworpen zijn geweest aan de Belgische belasting niet-inwoners voor wat betreft zijn beroepsinkomsten.

Tot slot dienen ingekomen belastingplichtigen per jaar een minimum brutobezoldiging (dus voor aftrek sociale zekerheidsbijdragen) van 75.000,00 euro te hebben. Deze vereiste geldt niet voor onderzoekers. Onderzoekers dienen wel een specifiek wetenschappelijk masterdiploma te kunnen voorleggen, oftewel het equivalent van 10 jaar beroepservaring.

30%-regel

Het interessante aan het expat-egime is het feit dat heel wat kosten aangaande de tewerkstelling in België beschouwd worden als 'kosten eigen aan de werkgever'. Deze kosten kunnen dus belastingvrij worden terugbetaald.

Een percentage van 30% van de brutobezoldiging wordt beschouwd als kosten eigen aan de werkgever. Deze forfaitaire onkostenvergoeding bedraagt maximaal 90.000 euro per jaar. De onkostenvergoeding moet bovendien contractueel vastgelegd worden.

Daarnaast worden nog enkele uitzonderlijke kosten aanvaard, namelijk:
- verhuiskosten naar België (=eenmalig);
- kosten voor de inrichting van de woning in België, binnen de eerste 6 maanden na aankomst, met een maximum van 1.500 euro;
- schoolkosten voor de leerplichtige kinderen  in België.

Duurtijd statuut

De nieuwe regeling heeft voortaan een beperkte duurtijd. Men kan van het nieuwe regime genieten gedurende een periode van 5 jaar. Deze periode kan men verlengen met 3 jaar na de indiening van een nieuwe aanvraag, mits alle voorwaarden zijn voldaan.

Procedure

Om van het fiscaal regime voor expats te kunnen genieten dient de werkgever een elektronische aanvraag in te dienen bij de fiscale administratie binnen de 3 maanden na aanvang van terwerkstelling in België. Bij deze aanvraag voegt de werkgever een attest waarbij de betreffende werknemer of bedrijfsleider zijn akkoord geeft.

De fiscale administratie dient vervolgens binnen de 3 maanden een beslissing te nemen.

Inwerkingtreding

Het nieuwe expat-regime is zoals gezegd van toepassing sinds 1 januari 2022. Expats kunnen opteren voor dit nieuwe regime indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

Zij die nog geen geldige aanvraag hebben ingediend, of niet voldoen aan alle voorwaarden, kunnen nog 2 jaar genieten van een overgangsregeling overeenkomstig de oude administratieve circulaire van 8 augustus 1983.

Nog vragen? Neem gerust contact met ons op.


tekenen en indiciën

Tekenen en indiciën, zeg maar uw levensstijl en de fiscus

Tekenen en indiciën, het zegt u hoogstwaarschijnlijk niks. Voor de fiscus daarentegen zijn het begrippen die deel uitmaken van het wapenarsenaal waarmee ze een correcte inning van de belasting wil bereiken. Meer concreet wil de fiscale administratie door het toepassen van het bewijsmiddel van tekenen en indiciën niet aangegeven inkomsten belasten (art. 341 WIB'92). Het is vaste uitspraak van het Hof van Cassatie dat uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld kunnen worden aangemerkt als tekenen en indiciën van gegoedheid.

Gegoedheid

Er bestaat in het fiscale wetboek geen definitie van het begrip “gegoedheid”. In een traditionele betekenis verwijst het naar iemand's vermogenstoestand in geld of bezittingen. In haar fiscale toepassing verwijst het ook naar de levensstijl van de belastingplichtige. M.a.w. er hoeft geen sprake te zijn van een groot fortuin. Een levensstijl die onverenigbaar is met de aangegeven inkomsten komt ook in aanmerking. De tekenen of indiciën moeten wel wijzen op inkomsten die merkelijk hoger zijn dan de aangegeven inkomsten. Het is immers nooit de bedoeling geweest van de wetgever om dit bewijsmiddel overmatig te gebruiken.

Tekenen en indiciën

De begrippen “tekenen en indiciën” zijn evenmin gedefinieerd in de fiscale wetgeving. Zoals in de inleiding reeds gezegd is het vaste rechtspraak dat het kan gaan om uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld. Een loutere vermogenstoestand op een moment binnen een belastbaar tijdperk is geen teken of indicie, een uitgave of een aangroei is dat wel. Zonder indicie is er geen indiciair tekort.

In de praktijk komt de fiscus tot een indiciaire afrekening door de bewezen uitgave of de effectieve vermogensaangroei van de belastingplichtige te vergelijken met de belastbare inkomsten en/of andere vermogensbestanddelen. Bij een inkomstentekort vermoedt de fiscale administratie dat dit afkomstig is van belastbare inkomsten tijdens het belastbaar tijdperk. De weerhouden tekenen en indiciën mogen niet steunen op eenvoudige vermoedens of op een anonieme verklikking. Een bekentenis door de belastingplichtige zelf kan wel een indicie zijn.

Tegenbewijs

Het vermoeden gevormd door tekenen en indiciën is een vermoeden iuris tantum. Dit betekent dat de belastingplichtige het tegenbewijs kan leveren door aan te tonen dat de uitgave of aangroei afkomstig is van ofwel aangegeven inkomsten ofwel uit niet-belastbare bronnen.

Net zoals de fiscus moet vertrekken van bekende feiten, volstaan loutere beweringen door de belastingplichtige niet als tegenbewijs. Het weerleggen van tekenen en indiciën vereist het voorleggen van positieve en controleerbare gegevens. Belangrijk is wel dat de belastingplichtige niet moet bewijzen dat de ter verantwoording aangetoonde inkomsten of bronnen, ook werkelijk zijn gebruikt om de bedoelde uitgaven of aangroei te financieren.

Effectieve opnamen op lopende rekeningen, inkomsten van een samenwonende partner, opgenomen spaargelden, ... het zijn maar enkele geldige voorbeelden van tegenbewijs. Niet aanvaardt als tegenbewijs zijn inkomsten die niet werden aangegeven alhoewel dit wel het geval had moeten zijn of de loutere voorlegging van een bankuitreksel waaruit de betaling van een uitgave blijkt.

Het is niet vereist dat het tegenbewijs dateert uit een periode voorafgaand aan de uitgave. De fiscus moet immers rekening houden met alle inkomsten en uitgaven tijdens het belastbaar tijdperk. De opbrengst van een verkoop ontvangen na de als teken van welstand ingeroepen uitgave is geldig als tegenbewijs.

Voorbeelden

Ter illustratie volgen hierna enkele voorbeelden van tekenen en indiciën.

  • geldsommen of waarden die in het bezit worden gevonden van een belastingplichtige die ze naar het buitenland vervoert;
  • aflossing van een schuld;
  • allerhande luxe-uitgaven;
  • huishoudelijke uitgaven gerelateerd aan de werkelijke levensomstandigheden (let op: een algemene niet-gedetailleerde raming is geen geldig bewijs);
  • buitenlands onroerend goed; of
  • stortingen op lopende rekening bij een vennootschap.

Conclusie

Het is in eerste instantie aan de fiscale administratie om aan de hand van bekende feiten aan te tonen dat er sprake is van tekenen en indiciën waaruit een gegoedheid blijkt die hoger is dan de aangegeven inkomsten. Vervolgens kan de belastingplichtige eventueel bewijzen dat de hogere graad van gegoedheid voortkomt uit niet-belastbare inkomsten of aangegeven inkomsten uit vroegere aanslagjaren. Dit tegenbewijs gebeurt aan de hand van positieve en controleerbare gegevens. Inkomsten die niet werden aangegeven alhoewel dit wel het geval had moeten zijn geen geldig tegenbewijs.

Met aternio ziet u doorheen het fiscale bos de bomen nog. Contacteer ons bij fiscale vragen.


Terugbetaling kosten: let op uw fiscale fiches

Vanaf het inkomstenjaar 2022 is er een bijkomende verplichting bij terugbetaling van kosten aan een bedrijfsleider of een werknemer. Voortaan moeten alle forfaitaire (vaste) en met bewijsstukken (variabele) terugbetaalde kosten effectief worden vermeld op de individuele fiscale fiche en de samenvattende opgave. Het negeren van deze verplichting leidt tot fiscale toorn in de vorm van administratieve boetes. Dit is helaas geen voorbeeld van de beloofde vermindering van de administratieve lasten.

Principe

Een kost die door een bedrijfsleider of werknemer is gedaan voor rekening van de vennootschap of werkgever is in hoofde van deze laatste een aftrekbare beroepskost. Voor de bedrijfsleider of werknemer daarentegen is de terugbetaling geen belastbaar inkomen.

De terugbetaling van 'kosten eigen aan de werkgever' kan forfaitair gebeuren dan wel op basis van bewijsstukken. Wanneer de forfaitaire kosten vastgesteld zijn volgens ernstige normen is er geen probleem. In tegenstelling tot de RSZ is er voor de directe belastingen geen onkostentabel met maximumbijdragen. Wil men fiscaal meer zekerheid dan kan men terecht bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen ('de rulingdienst').

De fiscale fiches 281.10 of 281.20 moeten verwijzen naar de terugbetaling van dergelijke kosten. Bij terugbetaling op basis van bewijsstukken, vermeldt de fiche “Ja – bewijsstukken”. Bij terugbetaling door middel van een forfaitaire vergoeding op basis van ‘ernstige met elkaar overeenstemmende normen’, is de vermelding “Ja – ernstige normen”.

Waar tot 2021 de fiches enkel een bedrag moesten vermelden bij forfaitaire kosten die niet beantwoorden aan ernstige normen, is dit voortaan de regel. Van alle terugbetaalde kosten moet het bedrag van de onkostenvergoeding opgenomen worden in het vak “diverse inlichtingen”. Een  eenvoudige ‘Ja’ volstaat niet meer. De afsluitdatum van het boekjaar van de vennootschap is van geen tel, het kalenderjaar is de basis.

Sanctie

Bij de forfaitaire vergoedingen heeft het niet-verantwoorden door individuele fiches de niet-aftrekbaarheid als beroepskost tot gevolg. Dit is niet het geval bij de terugbetalingen op basis van bewijsstukken. Het niet-respecteren van de ficheplicht kan in die gevallen wel bestraft worden met een administratieve boete. Die boete bedraagt 50 euro voor een eerste overtreding (met een maximum van 1.250 euro) en/of een belastingverhoging van minstens 10%.

Rompslomp

Met de nieuwe ruimere ficheverplichting wil men enerzijds beter controle uitoefenen op het eventueel dubbel gebruik van forfaitaire vergoedingen en terugbetalingen op basis van bewijsstukken en anderzijds de onterechte aftrek als beroepskost door de bedrijfsleider of werknemer vermijden. Dit alles heeft zoals gezegd een prijs: meer administratief werk.

In het bijzonder voor de  terugbetaalde kosten op basis van bewijsstukken betekent dit extra rompslomp. Dergelijke terugbetaling wordt meestal niet verwerkt via de loonadministratie maar rechtstreeks, na controle van de verantwoordingsstukken, in de boekhouding. Om het een en ander in goede banen te leiden is een uitgewerkte procedure aangewezen. Het is voortaan van belang dat de verantwoordelijke van de loonadministratie op de hoogte is van de daadwerkelijk terugbetaalde kosten.

Conclusie

Het is misschien kort door de bocht maar probeer terugbetaling van variabele kosten te vermijden. Bijvoorbeeld door met bank- of tankkaarten op naam van de onderneming te werken, cash-betalingen door de. bedrijfsleider (opgelet voor de lopende rekening!) te mijden of waar het kan met forfaitaire onkostenvergoedingen op basis van ernstige normen te werken. Is dit niet mogelijk of blijven er toch onvermijdbare werkelijke variabele kosten over, laat dan een maandelijkse onkostennota met verantwoordingsstukken opstellen. Het maakt het extra werk voor de loonadministratie alvast op dat vlak iets eenvoudiger.


renovatie

Renovatie aan 6% btw: verklaring op factuur vervangt attest

Sinds 1 januari 2022 is een uitgebreide vermelding op de factuur verplicht bij renovatie- en herstellingswerken aan het btw-tarief van 6%. Hierdoor komt een einde aan het enigszins folkloristische niet-gestandaardiseerde btw-attest van de klant. Bij wijze van overgangsmaatregel mogen aannemers nog tot 30 juni 2022 gebruik maken van dergelijk attest. Een administratieve vereenvoudiging maar wel één die aandacht vraagt van zowel aannemer als klant.

Renovatie- en herstellingswerken: voorwaarden

Renovatie- en herstellingswerken aan oude woningen kunnen onder voorwaarden genieten van het verlaagde btw-tarief van 6%.

De handelingen moeten:

  1. de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben ('werken in onroerende staat');
  2. betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;
  3. worden verricht aan een woning die ten minste vijftien jaar dan wel tien jaar oud is;
  4. worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker.

Om het verlaagde tarief te rechtvaardigen moet de uitgereikte factuur en het dubbel van de aannemer verplicht een uitgebreide vermelding bevatten.

Het verplichte attest van de klant is dus verdwenen als voorwaarde. Dit is duidelijk een vermindering van de administratieve rompslomp: geen stress meer voor het verkrijgen én het bewaren van deze attesten.

Vermelding op de factuur

Bij renovatie- en herstellingswerken aan 6% btw moet volgende vermelding voortaan letterlijk te vinden zijn op de factuur.

"Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat ten minste tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."

Wanneer aan minstens een van die voorwaarden niet is voldaan, geldt het normale btw-tarief van 21%. Voortaan is de klant m.a.w. verantwoordelijk voor de juiste toepassing van het verlaagde btw-tarief. Betwisting door de klant gebeurt bij voorkeur met een aangetekende brief zodat de datum van betwisting met zekerheid aantoonbaar is.

De aannemer zal bij tijdige schriftelijke betwisting dus een corrigerende factuur moeten uitreiken. Let wel: als dit niet gebeurt zal de fiscus de financiële rechtzetting uitvoeren bij de aannemer.

Onder de aandacht

Herstelling, omvorming of renovatie sluit nieuwbouw uit

Een uitbreiding van een bestaande woning kwalificeert als renovatie- en herstellingswerk voor zover de uitbreiding niet leidt tot een verdubbeling in oppervlakte en voor zover het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan bestaan. De fiscus aanvaardt ook dat werken die op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (in het bijzonder de buitenmuren) en op de wezenlijke structurele elementen, als renovatie gelden.

Plaatsing, herstelling en onderhoud, met uitsluiting van het reinigen, van volgende roerende goederen zijn gelijkgesteld met werk in onroerende staat:

  • centrale verwarming of airconditioning;
  • sanitaire installatie;
  • elektrische installatie van een gebouw (met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen);
  • installatie van brand- en diefstalalarm;
  • opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;
  • luiken, rolluiken en rolgordijnen aan de buitenkant van het gebouw;
  • wandbekleding of vloerbekleding volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.

Privé-woning

De werken moeten finaal betrekking hebben op een gebouw dat na uitvoering, uitsluitend of hoofdzakelijk, dienst doet als woning. Bij gemengd privé en professioneel gebruik is het essentieel dat het privé-deel meer dan 50% bedraagt. Opgelet: voor werken toewijsbaar aan het louter professioneel deel geldt het normale btw-tarief van 21%. Dit laatste is eveneens het geval voor werken die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning: oa. sauna, zwembad, tuinaanleg of tuinafsluiting.

Leeftijd woning

Er spelen twee leeftijdsgrenzen, nl. een woning van meer dan 15 jaar oud en een woning tussen 10 en 15 jaar oud.

Bij een woning tussen de 10 en de 15 jaar oud geldt het verlaagde tarief van 6% niet voor 'materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst’. De fiscus aanvaardt dat deze uitsluiting enkel geldt voor gemeenschappelijke verwarmingsketels in appartementsgebouwen en de bestanddelen of gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties (ongeacht of het een appartementsgebouw of eengezinswoning betreft).

De eerste ingebruikneming van de woning is het vertrekpunt voor het bepalen van de ouderdom. In het bijzonder zal de eerste ingebruikneming moeten hebben plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar dat ten minste 15 resp. 10 jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot de handelingen.

Klant

De klant moet ‘eindgebruiker’ zijn om recht te hebben op het verlaagd btw-tarief van 6%. Daarom moet de klant een zakelijk recht (bv. eigendom, vruchtgebruik ...) of een recht van genot (inzonderheid als huurder) hebben op de privé-woning. Ook een vennootschap kan, mits te voldoen aan de voorwaarden, genieten van het verlaagd tarief.

Opgelet: indien de klant een btw-plichtige is die periodieke btw-aangiften indient, wordt de betaling van de btw verlegd (art. 20, §1 KB nr. 1). De aannemer rekent dan geen btw op de factuur maar vermeldt "btw verlegd". Dit alles sluit de toepassing van het verlaagd tarief niet uit. Vanzelfsprekend moet steeds aan alle voorwaarden voldaan zijn. Het staat buiten kijf dat het professioneel gebruik altijd bijkomstig moet zijn. Het is uiteindelijk de klant die de btw voldoet via de btw-aangifte.

Conclusie

De afschaffing van het attest voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% is een echte administratieve vereenvoudiging. In de plaats is er nu een verplichte en uitvoerige verklaring op de facturen. De nieuwe regeling is sinds 1 januari 2022 van toepassing, maar aannemers krijgen nog een uitlooptijd tot 30 juni 2022. Daarna is het definitief gedaan met het ronselen van attesten bij klanten.

Bij afwezigheid van schriftelijke betwisting binnen de 30 dagen na de factuur is de klant voortaan verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de btw.

U kan steeds bij aternio terecht indien u vragen hebt of bijkomende informatie wenst over deze of andere btw-regels.


Gesleutel aan verlaagde roerende voorheffing op dividenden

Op 12 januari 2022 heeft de Kamer in plenaire zitting een wetsontwerp goedgekeurd waarbij men ondermeer sleutelt aan de verlaagde roerende voorheffing op dividenden. Dit regime is in het vakjargon gekend als het VVPRbis-regime, afkorting voor verminderde voorheffing/précompte réduit. Bis omdat het de opvolger is van een eerder gelijkaardig bestaand stelsel. Wat wijzigt er vanaf 1 januari 2022?

VVPRbis-regime

Onder bepaalde voorwaarden zorgt het VVPRbis-regime ervoor dat de roerende voorheffing en de personenbelasting verminderen. In het bijzonder in geval van dividenduitkeringen door kleine vennootschappen. Meer bepaald bij uitkering van dividenden uit nieuwe aandelen op naam die zijn uitgegeven vanaf 1 juli 2013 n.a.v. nieuwe inbrengen in geld.

Het goedkoper karakter zit hem natuurlijk in de belastingverlaging. Tot 20% voor dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng. Het is nog voordeliger in een tweede fase vermits de roerende voorheffing daalt tot 15% voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van de inbreng (art. 269, §2 WIB'92).

Om dus te kunnen genieten van het VVPRbis-stelsel is het noodzakelijk dat de vennootschap als klein wordt aangemerkt. Dit gebeurt op basis van artikel 1:24, §1 tot 6 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV). Deze kwalificatie gebeurt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de geldinbreng is gedaan. Dit principe is ongewijzigd.

Nieuwe aandelen en nieuwe inbrengen

De dividenden moeten voortkomen uit nieuwe aandelen op naam uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting van de vennootschap of een kapitaalverhoging. De volstorting van het kapitaal, dat deze aandelen vertegenwoordigt, gebeurt volledig door middel van nieuwe inbrengen in geld. De combinatie verlaagde roerende voorheffing en de techniek van de vrijstelling van de volstortingsverplichting is bijgevolg niet langer mogelijk.

Er is gelukkig een regularisatiemogelijkheid voorzien voor vennootschappen die toch de vrijstelling van de volstortingsverplichting hebben toegepast in de periode tussen 1 mei 2019 (inwerkingtreding WVV) en 15 december 2021. Deze vennootschappen komen toch nog in aanmerking voor het VVPRbis-regime indien zij een kapitaalverhoging in geld zonder uitgifte van nieuwe aandelen doorvoeren waardoor de inbreng opnieuw het initiële niveau van vóór de vrijstelling van volstorting bereikt. Deze kapitaalverhoging moet plaatsvinden vóór 31 december 2022.

Voorbeeld. Een bvba (nu bv) werd opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met inbreng in geld van 18.550 EUR. Hiervan is slechts 6.200 EUR effectief gestort. Na 1 mei 2019 verricht deze bv een vrijstelling van volstortingsverplichting voor 12.350 EUR én verminderd tegelijkertijd haar kapitaal/inbreng tot 1 euro. Deze vennootschap moet tegen 31 december 2022 haar inbreng in geld verhogen met 12.350 EUR, wil ze het VVPRbis-statuut verliezen.

Hou er rekening me dat overboeking van een lopende rekening geen inbreng in geld is (Mond. Parl. Vr.nr. 3682 van de heer Van Biesen dd. 29.04.2015).

Geen voorkeursbehandeling

De onderschreven sommen bij de uitgifte van de VVPRbis-aandelen moeten niet alleen volledig volstort zijn maar aan deze aandelen mag ook geen voorkeursrecht verbonden zijn. In concreto betekent dit dat er voor deze aandelen geen voorkeursrecht mag zijn ten aanzien van de deelname in het kapitaal of in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen. Alle VVPRbis-aandelen moeten dus een gelijk recht op uitkering hebben. Er mag m.a.w. op geen enkel ogenblik een dergelijk voorkeursrecht zijn. Noch op het ogenblik van de uitgifte ervan, noch op enig ander moment.

Dat er eventueel andere aandelen (zonder fiscaal voordeel) zijn waaraan voorkeursrechten verbonden zijn, sluit blijkbaar de toepassing van het het VVPRbis-regime niet uit. Hetgeen aansluit bij een antwoord van de minister van Financiën op een parlementaire vraag (V&A. Kamer 2020-21, nr. 55-058, 217). De wetswijziging belet bovendien niet dat VVPRbis-aandelen geen ander voorkeursrecht mogen hebben. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan meervoudig stemrecht of benoemingsrecht.

Antimisbruikbepaling

Een antimisbruikbepaling mag evenmin ontbreken. In casu kunnen uitgekeerde liquidatiereserves (onderworpen aan een anticipatieve heffing van 10% gevolg door een tarief van 5 % roerende voorheffing) van VVPRbis-vennootschappen, niet aangewend worden om te zorgen voor VVPRbis-kapitaal in een andere vennootschap. Het gebruik van geld van uitgekeerde liquidatiereserves die onderworpen werden aan hogere tarieven is blijkbaar geen probleem.

Dit is een verstrenging van én aanvulling op de oude regeling die een inbreng uitsluit van het VVPRbis-regime wanneer een natuurlijke persoon een geldinbreng doet afkomstig van een kapitaalvermindering in een vennootschap die verbonden of geassocieerd is met die persoon (in de zin van art. 1:20 en 1:21 WVV).

Relevante vraag is natuurlijk hoe de fiscus dit controleert.

Inwerkingtreding

De nieuwe regels zijn van toepassing op dividenden toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1 januari 2022.

Conclusie

De wijzigingen maken een einde aan de combinatie verlaagde roerende voorheffing en de techniek van de vrijstelling van de volstortingsverplichting. Er is gelukkig een regularisatiemogelijkheid die loopt tot 31 december 2022 voor die vennootschappen die dergelijke hebben toegepast in de periode tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021. Het verboden 'preferent karakter' van de VVPRbis-aandelen is verduidelijkt en er is verder nog gesleuteld aan de anti-misbruikbepaling.

Hebt u specifieke vragen over het VVPRbis-regime of wil u andere mogelijkheden inzake dividenduitkeringen bekijken dan helpen onze juristen en accountants u graag verder.


Feitelijk samenwonen, zonder echt samen te wonen?!

Eerder werd al de verplichting tot samenwonen van gehuwden bekeken. Ook de samenwoningsplicht van de wettelijke samenwoners kwam reeds aan bod. Het samenwonen bij het feitelijk samenwonen mag daarom niet in het rijtje ontbreken.

Wat is feitelijk samenwonen ook alweer?

Om te huwen of wettelijk samen te wonen moet men een actie ondernemen. Feitelijk samenwonen, daarentegen, gaat vanzelf. Het hoeft daarbij zelfs niet om partners te gaan, in de romantische betekenis. Iedereen kan samenwonen: kinderen met een ouder, broers en zussen, vrienden,... alles kan.

Zijn er ook fiscale voordelen verbonden aan feitelijk samenwonen?

Het antwoord daarop is volmondig "ja"! Echtgenoten en wettelijke samenwoners erven onmiddellijk van elkaar aan de tarieven in rechte lijn. Ook feitelijke samenwoners kunnen van elkaar erven aan die gunstige tarieven. In tegenstelling tot deze huwelijkse partners of wettelijke samenwoners, hebt u als feitelijke samenwoner wel wat geduld nodig. Bovendien komt u er niet met alleen geduld, u hebt ook een testament nodig.

Een belangrijk aspect hierbij, is de vrijstelling van de gezinswoning. Deze is van onschatbare waarde voor de partners, zowel emotioneel als financieel. Vrijstelling van erfbelasting kan daarom ook van toepassing zijn bij feitelijke samenwoning, indien u 3 jaar ononderbroken hebt samengewoond.
Voor alle andere (testamentaire) verervingen kunnen de tarieven in rechte lijn gelden, indien u, op het moment van het overlijden, minstens 1 jaar ononderbroken hebt samengewoond én u een gemeenschappelijke huishouding hebt gevoerd.

Maar, wat houden die begrippen nu eigenlijk in? Meer nog, veronderstellen die begrippen dat u ook effectief op hetzelfde adres ingeschreven bent? Het hof van Beroep te Gent heeft in een arrest van 19 oktober 2021 een belangrijke beslissing genomen.

Wat ging aan het arrest vooraf?

De erflater had enkele maanden voor het overlijden een eigenhandig testament opgemaakt en daarbij diens partner aangesteld als algemeen legataris. In de aangifte wordt ook bij de verwantschapsgraad "partner" aangeduid. De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) is echter een andere mening toegedaan en gaat hier niet mee akkoord. In het aanslagbiljet wordt het tarief "tussen anderen" toegepast. Hiertegen gaat de belastingplichtige, uiteraard, in bezwaar.

De belastingplichtige stelt namelijk dat de partners minstens 1 jaar ononderbroken hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, ondanks het gegeven dat zij op een verschillend adres in het bevolkingsregister waren ingeschreven.

Sleutelbegrip in de hele discussie is de "gemeenschappelijke huishouding".

Justice for all: de weg naar de rechtbank

Rechtbank van 1e aanleg

Gedurende de procedure overlijdt de belastingplichtige, waardoor de zaak wordt verdergezet door de erfgenamen.

De rechter in eerste aanleg oordeelt dat Vlabel terecht toepassing maakt van het tarief "tussen anderen". Hiertegen gaat de erfgenaam van de belastingplichtige in hoger beroep.

Hof van beroep Gent 19 oktober 2021

Het hof stelt dat het begrip "gemeenschappelijke huishouding" in zijn gebruikelijke betekenis begrepen moet worden. Het is met andere woorden een huishouding die men gemeenschappelijk voert, in die zin dat de leden blijk geven zorg te (willen) dragen voor elkaar. Dat kan door bij te dragen in (financiële of andere) plichten van de huishouding. Deze zorgcomponent is daarbij van cruciaal belang en onderscheidt een gemeenschappelijke huishouding van een samenwoonst om louter zakelijke redenen.

Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding kan en mag men niet automatisch afleiden uit het louter samenwonen. Het vereist een ruimer beeld. De belastingplichtige kan het bewijs van de gemeenschappelijke huishouding voeren, met alle middelen van recht (met uitzondering van de eed).

Bewijs van de gemeenschappelijke huishouding

In casu stelt het hof dat het bewijs op afdoende wijze is geleverd.

Vooreerst is er het feit dat zij reeds jaar en dag samenwoonden in een gemeenschappelijke woning (ondanks verschillende inschrijvingen in het bevolkingsregister). Daarenboven blijkt uit de stukken dat er sprake is van een zekere financiële verstrengeling, die verder gaat dan het louter delen van de vaste kosten voor het onroerend goed. Beide partners droegen namelijk bij in het voeren van het huishouden. Dat deze bijdrage al dan niet evenredig is met de inkomsten van elke partner, is niet relevant. De mate waarin men die zorg levert, verschilt namelijk van huishouding tot huishouding.

Vervolgens kunnen ook de omringende omstandigheden het bewijs van de zorgrelatie leveren. In concreto ging het om de vermelding van de partner op het overlijdensbericht, alsof het gehuwden waren. Dit was voor het hof eveneens een bewijs van de affectieve zorgrelatie. Mocht de relatie louter zakelijk geweest zijn, dan zouden de personen helemaal niet opgenomen zijn op het overlijdensbericht, of minstens anders beschreven worden.

Al dergelijke vaststellingen wijzen voor het hof op het bestaan van de zorgcomponent. Deze is van cruciaal belang om van een gemeenschappelijke huishouding te kunnen spreken.

Vandaar besluit het hof van beroep te Gent dat wel voldaan is aan de voorwaarden om van elkaar te erven, aan de tarieven zoals in rechte lijn.

Conclusie

Het klinkt dan wel een beetje "speciaal", samenwonen zonder op papier ook echt samen te wonen. Maar het is nu nog nogmaals bevestigd dat de inschrijving in het bevolkingsregister niet zaligmakend is. De zorg voor elkaar is van doorslaggevende aard. Hoe men dat interpreteert, is afhankelijk van uw concrete situatie: zowel de voor de hand liggende als de omringende factoren, spelen daarbij een rol.

Bezorgt 2022 u een nieuwe start of wenst u uw relatie een stapje hoger te tillen? aternio legal helpt u graag bij uw planning. Contacteer ons!