Restaurant en all-in menu: wat met de btw?

Het btw-tarief voor restaurant- en cateringdiensten werd al sinds 1 januari 2010 verlaagd van 21% naar 12%. Maar dit geldt wel enkel voor het eten. Dranken zijn nog steeds onderworpen aan het tarief van 21%.

Indien een restaurant een all-in menu aanbiedt, drank en eten inbegrepen dus, moet zij de prijs uitsplitsen.

In 2009 had de Administratie hierover reeds een circulaire gepubliceerd. Die circulaire zorgde in de praktijk echter nog voor heel wat onduidelijkheden en discussies bij controle. Daarom werd nu op 4 april 2019 - bijna 10 jaar later - opnieuw een circulaire gepubliceerd (Circulaire 2019/C/26) die de oude circulaire van 2009 vervangt.

Globale prijs onder oude circulaire

Indien de restaurateur een globale prijs vraagt voor zowel eten als drank bevat moet hij de prijs uitsplitsen: namelijk 12% voor het eten en 21% voor de drank. Maakt hij die uitsplitsing niet, dan is de gehele prijs onderworpen aan 21%.

Volgens de oude circulaire van 2009 diende bij een globale prijs het gedeelte van de dranken in principe overeen te stemmen met de 'normale waarde' ervan. Lees: de prijs die de klant normaal zou moeten betalen bij afzonderlijke afname van de drank.

De fiscus vergat hierbij evenwel dat de prijs van een menu vaak goedkoper is dan wanneer men de diverse consumpties afzonderlijk afneemt van de kaart. Een dergelijke opsplitsing zou dus kunnen leiden tot een overwaardering van de drank ten aanzien van de totale prijs.

De oude circulaire aanvaardde wel reeds een forfait van 35% voor bepaalde all-in menu's van drie of meer gangen.  Bij dergelijke menu's is aperitief, wijn, water en koffie/thee inbegrepen. Maar in praktijk bleef het toch voor discussie zorgen. De nieuwe circulaire staat daarom nog 2 uitzonderingen toe.

Uitzondering 1: procentueel aandeel van de drank in de globale menuprijs

Zo kan onder de nieuwe circulaire de opsplitsing gebeuren op basis van het procentueel aandeel van de prijs van de drank in het totaal van de forfaire menuprijs. De korting van een menuprijs is zo gelijk verdeeld over de drank en het eten. De nieuwe circulaire illustreert dit met een voorbeeld.

Een menu in een fastfoodrestaurant, bestaande uit een hamburger, frietjes en een drankje, heeft een forfaitaire prijs van 6,74 euro, inclusief btw.

Bij een afzonderlijke afname is de prijs van de hamburger en frietjes 6,24 euro en het drankje 2,05 euro, inclusief btw. De forfaitaire menuprijs is dus 1,55 euro goedkoper dan wanneer de producten afzonderlijk worden afgenomen. Het procentueel aandeel van de drank (2,05 euro) en het eten (6,24 euro) in de totale ‘à la carte’ prijs (8,29) bedraagt respectievelijk 24,73% en 75,27%.

De waarde van de drank in de globale menuprijs is dus 1,67 euro (24,73% van 6,74 euro). Deze prijs is inclusief 21% btw. De waarde van het eten in de globale menuprijs is dus 5,07 euro (75,27% van 6,74 euro). Deze prijs is inclusief 12% btw.

Uitzondering 2: coëfficiënt van 35%

Ook de nieuwe circulaire bevestigt opnieuw de toepassing van een forfaitair coëfficient van 35% om het drankenaandeel te bepalen in een standaard all-in menuformule. Dezee coëfficiënt geldt dus bijvoorbeeld niet voor all-in formules waarbij sterke drank, champagne of alle dranken na middernacht inbegrepen zijn.

De coëfficiënt is overigens niet bindend. De restauranthouder kan er dus steeds van afwijken, onder controle van de administratie, indien het restaurant een andere prijzenpolitiek voert. Ook de fiscale administratie kan het percentage van 35% betwisten wanneer het afwijkt van de werkelijkheid.


Associatie van (para)medische beroepen en btw - the sequel

(Para)medische beroepsuitoefenaars, zoals artsen en tandartsen, werken geregeld samen in een samenwerkingsverband om hun kosten te delen. In die zogeheten ‘kostendelende associaties’ of ‘zelfstandige groeperingen van personen’ kan men kosten poolen. Vervolgens zal het samenwerkingsverband deze gepoolde kosten verrekenen onder haar leden. Op btw-vlak loert er evenwel mogelijke ellende om de hoek.

Een nieuwe administratieve circulaire beantwoordt een aantal vragen inzake de praktische toepassingsgevallen en bekijkt of er mogelijk vrijstelling is van btw. De circulaire bespreekt de meest voorkomende associatievormen en het bijhorende btw-regime. Wij geven u hierna een samenvatting van de circulaire die van toepassing is vanaf 1 januari 2020.

Btw-problematiek

In praktijk zorgen samenwerkingsverbanden in de (para)medische sector voor heel wat btw-problemen. De diensten (bijvoorbeeld verrekeningen van algemene kosten, terbeschikkingstelling van personeel en infrastructuur) die een associatie voor haar leden verricht en vervolgens verrekend naar de leden kunnen immers onder btw vallen. Het samenwerkingsverband is namelijk een afzonderlijke btw-plichtige ten aanzien van haar leden.

Deze diensten zijn alsnog vrijsteld zijn van btw op voorwaarde dat (art. 44, §2bis WBTW) :

  • de leden van het samenwerkingsverband overwegend een activiteit uitoefenen die is vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, §1 WBTW, zoals (para)medische prestaties;
  • de activiteiten van de groepering  voor de leden direct nodig zijn voor hun vrijgestelde activiteit;
  • de aan ieder lid aangerekende vergoeding  enkel de terugbetaling van zijn aandeel in de gezamenlijke uitgaven betreft; én
  • de vrijstelling niet leidt tot concurrentieverstoring.

In het kader van gewijzigde regels voor btw inzake kostendelende verenigingen en de eerdere administratieve circulaire van 12 december 2016  was er heel wat commotie en onduidelijkheden ontstaan in de medische wereld. Het was al die tijd wachten op een nieuwe verduidelijkende circulaire van de fiscus.

De nieuwe circulaire van 5 juni 2019 verduidelijkt nu - eindelijk - deze problematiek.

In de circulaire gaat men na of de verrekening van kosten door de associatie in aanmerking komt voor de btw-vrijstelling voor prestaties van  zelfstandige groeperingen aan haar leden in de zin van artikel 44, §2bis WBTW.

Associatie zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld maatschap of feitelijke vereniging)

Het primair doel van de associatie zonder rechtspersoonlijkheid is het poolen van kosten. Er zijn 4 manieren waarop dit type van associatie zich volgens de fiscus kan organiseren. Zij hebben allen gemeen dat de beroepsbeoefenaars in eigen naam en voor eigen rekening getuigschriften uitreiken voor hun prestaties.

Type 1: associatie poolt enkel kosten en poolt geen inkomsten

De leden storten periodiek bijdragen zodat de associatie de kosten kan betalen. Jaarlijks is er een afrekening waarbij moet worden bijbetaald of terugbetaald.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bisWBTW is voldaan.

Type 2: associatie poolt kosten en financieert deze mede door ontvangsten van het Globaal Medisch Dossier (GMD)

De associatie int de GMD-vergoedingen en brengt deze voor elke beroepsbeoefenaar in mindering van de te betalen vergoeding voor de diensten van de associatie.

Jaarlijks is er een afrekening waarbij een bijkomend saldo moet worden gestort of teveel betaalde voorschotten worden terugbetaald.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bis WBTW is voldaan.

Type 3: associatie poolt kosten en verdeelt ontvangsten van het GMD via een vooraf bepaalde verdeelsleutel

Na verdeling wordt een eindafrekening gemaakt waarbij GMD-vergoedingen volgens een voorafgaande verdeelsleutel in mindering worden gebracht van de door elk lid te betalen vergoeding voor de diensten van de associatie.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bis WBTW is voldaan.

Let op! Indien men de kosten eerst verrekent met de totale GMD-vergoedingen en het saldo vervolgens toewijst aan de leden dan zullen niet alle leden hun eigen aandeel in de kosten dragen. Bijgevolg kan de btw-vrijstelling voor de associatie niet worden toegepast.

Type 4: associatie poolt zowel kosten als ontvangsten

De associatie poolt de kosten en int de ontvangsten in naam en voor rekening van haar leden.

De ontvangsten worden toegewezen aan de leden en doorgestort, na afhouding van het aandeel van het lid in de gemaakte kosten.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bisWBTW is voldaan én indien de ontvangsten eerst worden toegewezen aan de leden vooraleer de kosten worden verrekend.

Associatie met rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld besloten vennootschap)

Hier voorziet de circulaire 2 situaties.

Type 1: vennootschap ontvangt de erelonen in naam en voor rekening van de beroepsbeoefenaars

- De beroepsbeoefenaars reiken in eigen naam en voor eigen rekening getuigschriften uit voor hun prestaties.

- De vennootschap ontvangt de honoraria in naam en voor rekening van de beroepsbeoefenaars.

- Vervolgens verrekent de vennootschap de kosten per beroepsbeoefenaar.

Gevolg: btw-vrijstelling indien de toewijzing van de opbrengsten voorafgaat aan de verrekening van de kosten per beroepsbeoefenaar.

Type 2: beroepsbeoefenaars hebben zich georganiseerd in een professionele associatievennootschap

- De (para)medische beroepsbeoefenaars hebben hun activiteit ingebracht in een afzonderlijke professionele vennootschap die de erelonen in naam van de vennootschapontvangt. De vennootschap poolt alle kosten.

- Op de getuigschriften staat het ondernemingsnummer van de vennootschap.

- De medische prestaties van de vennootschap zijn vrijgesteld op grond van artikel 44, §1 WBTW

- De vennootschap vergoedt de beroepsbeoefenaars voor hun eigen prestaties ten aanzien van de vennootschap. Indien ze dat doen als zelfstandige, aanvaardt de fiscus dat zij niet als afzonderlijk (vrijgestelde) btw-plichtige worden aangemerkt. Indien ze dat doen via hun eigen vennootschap, is deze wel een aparte btw-plichtige. De prestaties die de beroepsbeoefenaar via zijn vennootschap verricht voor de associatievennootschap valt onder de vrijstelling van art. 44, §1 WBTW.

Terbeschikkingstelling praktijk

Een beroepsbeoefenaar, eigenaar van een prakijk (kabinet, wachtzaal, toilet, inkom, …) stelt deze ter beschikking van een of meer andere beroepsbeoefenaars. De andere beroepsbeoefenaars betalen een vaste maandelijkste vergoeding of een vast percentage van hun ereloon voor het gebruik van de praktijk én de infrastructuur. Elkeen treedt in eigen naam en voor eigen rekening op.

De praktijk van de eigenaar (en de huurder) kan in theorie optreden als een zelfstandige groepering die is vrijgesteld op grond van art. 44, § 2bis WBTW. Dit blijkt in de praktijk vaak een heikele zaak omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan. Vooral het aspect aanrekening aan kostprijs én prestaties verricht aan patiënten zijn hindernissen. Bijgevolg is er dan btw verschuldigd op de verhuur van (para)medische apparatuur.

Indien ook andere bijkomende diensten, zoals IT of administratieve ondersteuning, worden aangeboden, zijn deze eveneens aan btw onderworpen. Let op, indien de terbeschikkingstelling van het onroerend goed ondergeschikt is aan de andere diensten dan is het geheel, inclusief het aandeel voor het gebruik van het gebouw, onderworpen aan btw.

Ziekenhuis

Het erkend ziekenhuis de erelonen int de erelonen in naam en voor rekening van de associatie van beroepsbeoefenaars die werkzaam zijn in het ziekenhuis. Vervolgens houdt het ziekenhuis een deel van de honoraria in ter dekking van de terbeschikkingstelling van een geheel van (medische)prestaties. De btw-administratie is van oordeel dat deze inhoudingen op de erelonen moeten aanzien worden als een vergoeding voor gezondheidskundige verzorging van de patiënt. Bijgevolg zijn ze vrijgesteld van btw.

Conclusie

(Para)medische beroepsbeoefenaars moeten de werking van hun associatie tegen het licht houden van de nieuwe btw-circulaire van 5 juni 2019. Vanaf 1 januari 2020 zijn de bepalingen opgenomen in de circulaire namelijk van toepassing. aternio helpt u graag met de doorlichting van uw associatie.


Belasting op tweede verblijven in Frankrijk

Voor heel wat Belgen is het hun ultieme droom om een tweede verblijf te hebben in "la douce France". Maar soms 'vergeten' mensen dat er ook belasting is verschuldigd op een buitenverblijf in Frankrijk.

In deze bijdrage gaan we dieper in op de zogenaamde "impôt sur la fortune immobilière", kortweg IFI, die geldt vanaf 1 januari 2018. Dit is een Franse belasting op onroerende goederen gelegen in Frankrijk. Deze vermogensbelasting geldt zowel voor rijksinwoners (Fransen) als niet-rijksinwoners (zoals Belgen). Ook Frans onroerend goed aangehouden via een vennootschapsstructuur kan onder deze belasting vallen.

Belastbare basis

Voor natuurlijke personen die geen Frans rijksinwoner zijn, bijvoorbeeld Belgen, is de belastbare basis de nettowaarde op 1 januari van de onroerende goederen gelegen in Frankrijk.

Ofwel, de aandelen van Franse of buitenlandse vennootschappen voor de fractie van hun waarde die het onroerend goed in Frankrijk vertegenwoordigt.

De IFI is verschuldigd van zodra de belastbare basis meer dan € 1.300.000,00 € bedraagt. Onder dit bedrag betaalt men dus geen belasting.

Let wel, de vruchtgebruiker is IFI verschuldigd over de volledige waarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

Tarieven IFI

Navolgende barema's zijn van toepassing:

Belastingschrijven Tarieven Formule Belasting
Tot € 800.000 0% € 0
€ 800.000 - € 1.300.000 0,5% € 2.500
€ 1.300.000 - € 2.570.000 0,7% (B x 0,007) – € 6.600 € 8.890
€ 2.570.000 - € 5.000.000 1% (B x 0,01) – € 14.310 € 24.300
€ 5.000.000 - € 10.000.000 1,25% (B x 0,0125) – € 26.810 € 62.500
Boven € 10.000.000 1,5 (B x 0,015) – € 51.810 € 180.000

Waardering

De belastbare basis van het Frans onroerend goed is de 'venale waarde' van het onroerend goed op 1 januari van het betreffende jaar. Dit is de vrije verkoopwaarde en dus de waarde die een geïnteresseerde koper wil betalen voor het onroerend goed.

In de praktijk kan men wel kortingen krijgen bij verhuur of onverdeeldheid.

Wordt het onroerend goed aangehouden via een vennootschap (zoals een SCI)?

Dan dient men volgende formule toe te passen om de belastbare basis te berekenen:

Belastbare basis  = venale waarde van de aandelen x (venale waarde Frans onroerend goed/venale waarde activa vennootschap)

Aftrekbare kosten

Schulden die werden aangegaan voor verwerving van de activa mag u onder bepaalde voorwaarden aftrekken. Het gaat onder meer over kosten m.b.t.  de aankoop, de herstelling, het onderhoud van het onroerend goed. Finaal leidt dit tot een lagere belastbare basis en dus mogelijk geen of minder belasting.

Echter, de aftrek is beperkt wanneer de waarde van de onroerende goederen/aandelen meer dan € 5.000.000 bedraagt én de aftrek van de schulden meer dan 60% van deze waarde betreft.

Bovendien mogen de schulden niet zijn aangegaan met een hoofdzakelijk fiscaal doel. Schulden aangegaan vóór 1 januari 2018 doorstaan gelukkig de toets van de antimisbruikbepaling.

Aangifte

Er dient een jaarlijkse aangifte te worden ingediend via het speciaal formulier n°2042-IFI.

Indien de aangifte niet, foutief of laattijdig gebeurt, kan de Franse fiscus een rechtzetting doen.  Bovenop de verschuldigde belasting, zullen nalatigheidsinteresten en desgevallend een belastingverhoging worden opgelegd.

Nog vragen? Contacteer ons vrijblijvend.


Geen voordeel bij marktconforme vergoeding?

In een recent arrest van 28 mei 2019 spreekt het Hof van Beroep van Antwerpen zich uit in het voordeel van een belastingplichtige inzake voordelen alle aard bij betaling van een marktconforme vergoeding. Met dit arrest gaat het Hof  regelrecht in tegen de strenge visie van de Minister van Financiën. Zo past de fiscus steeds de forfaits bij voordelen alle aard toe. Met een marktconforme bijdrage van de belastingplichtige houdt de fiscus absoluut geen rekening. Het Hof van Beroep fluit de fiscus hierin nu terug.

Voordelen alle aard

Een werknemer of bedrijfsleider kan, naast een bezoldiging in geld, ook allerhande voordelen van alle aard verkrijgen in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfswagens, leningen, bewoning, verwarming en elektriciteit enz.

Deze voordelen zijn belastbaar voor de werkelijke waarde bij de verkrijger (art. 36 WIB'92).

De wetgever heeft aan de Koning de bevoegdheid verleend om de waarde van die voordelen op een vast bedrag - dus forfaitair - te ramen. De meeste forfaits vinden we terug in artikel 18 van het KB/WIB'92.

Indien het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt voornoemd forfait verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider.

Forfait versus werkelijke waarde

Al decennialang woedt de discussie of deze forfaits in alle omstandigheden moeten worden toegepast.  Niet in het minste indien een werknemer of bedrijfsleider een marktconforme vergoeding betaalt, is er dan nog sprake van een belastbaar voordeel?

In dat geval is er immers geen sprake meer van een verrijking. Men bespaart immers niet op privéuitgaven die men anders wel had moeten doen. Ook indien de betaalde marktconforme vergoeding láger is dan de wettelijke forfaits, zou er geen sprake meer mogen zijn van een belastbaar voordeel.

Fiscus is streng

Maar de fiscus is streng. De fiscus past altijd het forfait toe.  Zo bevestigde  de Minister van Financiën in het verleden duidelijk gemaakt dat de eigen bijdrage enkel kon worden afgetrokken van het forfaitair gewaardeerde voordeel, niet van de werkelijke waarde.

Met het marktconforme karakter van de bijdrage houdt de fiscus dus geen rekening. Indien de bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider dus lager is dan het forfait, wordt hij nog steeds belast op het saldo, ook al is de bijdrage marktconform.

Rechtspraak is meegaander

Het recente arrest voor het Hof van Beroep te Antwerpen betreft een zaak waarbij de zaakvoerder met zijn vennootschap een overeenkomst rekening-courant sluit. De partijen komen een interest van 4,5% overeen. De forfaitaire rentevoet uit art. 18 KB/WIB'92 bedraagt op dat ogenblik echter 9%.

De fiscus belast de zaakvoerder op het saldo, met name 4,5% (9% minus 4,5%).

Maar volgens het Hof kan er slechts sprake zijn van een voordeel indie er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen voor de lening. De belastingplichtige kan dus nog steeds het tegenbewijs leveren dat het werkelijke voordeel lager ligt. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet kan leveren, is het forfait zonder meer van toepassing.

In deze zaak toont de zaakvoerder aan dat de aangerekende interestvoet van 4,5% marktconform (zoals tussen onafhankelijke contractspartijen) is. De aangerekende interestvoet is dus een evenwaardige tegenprestatie.

Het Hof besluit dus dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt dan de forfaire rentevoet zodat er in casu geen sprake meer is van een belastbaar voordeel alle aard.

Besluit

Eén zwaluw maakt de lente natuurlijk nog niet. Maar deze rechtspraak geeft wel moed en is hopelijk de voorbode voor meer. Deze uitspraak is bovendien niet enkel relevant voor leningen, maar  voor alle andere forfaitaire ramingen van voordelen alle aard.


Doe uw investering nog in 2019!

U bent van plan om binnenkort een investering te doen in uw vennootschap? Doe het dan zeker nog vóór 2020! De fiscale voordelen voor kleine vennootschappen worden vanaf 2020 immers minder interessant.

Zomerakkoord 

Met het zomerakkoord 2017 werden enkele wijzigingen in de vennootschapbelasting aangekondigd. Deze zullen weldra in werking treden. Specifiek op het vlak van investeringen zal de fiscaliteit grondig wijzigen vanaf 2020.

We frissen het nog even voor u op:

  • vennootschappen kunnen niet meer degressief afschrijven;
  • een kleine vennootschap zal in het jaar van investering verplicht pro rata temporis moeten afschrijven.
  • een kleine vennootschap zal bijkomende kosten in één keer ofwel samen met betreffende actief moeten afschrijven;
  • het tarief voor de gewone investeringsaftrek voor een kleine vennootschap zakt naar 8%.

Bovenstaande regels zijn van toepassing op investeringen vanaf 1 januari 2020. Dit ongeacht het aanslagjaar en ongeacht of uw vennootschap een gebroken boekjaar heeft of niet.

Voordelen in 2019

Als u de investering nog in 2019 doet geniet u nog van volgende fiscale voordelen:

  • de vennootschap mag nog degressief afschrijven.
  • de kleine vennootschap mag in het boekjaar van de investering een volledige afschrijvingsannuïteit toepassen, ook als de investering gebeurd op de laatste dag van het boekjaar
  • bijkomende kosten mogen naar wens worden afgeschreven.
  • de investering kan nog genieten van een investeringsaftrek van 20%.

Conclusie

Indien u al van plan was om investeringen te doen - zeker als kleine vennootschap- doe het dan nog in 2019. Zo geniet u nog van de fiscale voordelen.


Uw vereniging onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

In een eerdere bijdrage werd toegelicht dat de fiscus het gemunt heeft op verenigingen die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Dergelijke vorm van sponsoring is niet ongewoon bij sportclubs.
Verenigingen bevinden zich bovendien vaak in een fiscale schemerzone. Het is niet altijd even duidelijk. Verrichten zij (te) veel activiteiten die winst opleveren lopen zij het risico om onder de vennootschapsbelasting te vallen. Soms vallen zij onder de rechtspersonenbelasting. Een andere vereniging valt dan weer onder een btw-vrijstellingsregeling.

Optiestelsel

Het nieuw Koninklijk Besluit tot invoering van een optiestelsel voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid van 6 juni 2019 is in werking getreden op 14 juni 2019. Dit KB geeft aan een vereniging een duidelijk keuze.

De rechtspersonenbelasting is in principe enkel van toepassing op de in België gevestigde rechtspersonen.

Politieke organisaties, vakverenigingen, parochiale werken, jeugdbewegingen, verenigingen met vermaakdoeleinden of culturele verenigingen hebben in de meeste gevallen geen rechtspersoonlijkheid. Zij vallen dus niet onder de rechtspersonenbelasting.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan echter zelf de optie lichten om wél onder de rechtspersonenbelasting te vallen. Uw vereniging onderworpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

Ratio legis

Roerende inkomsten op een rekening van een vereniging worden belast in hoofde van de rijksinwoner die beschikt over de handtekeningsbevoegdheid van deze rekening.

De vereniging moet dus op zoek gaan naar iemand die nog mandaat wil nemen in de vereniging. De mandaathouder wordt dan belast in de personenbelasting. De belastingadministratie behandelt dit als een eigen inkomen van de beheerder van de bankrekening.

De wetgever laat nu de ruimte. De vereniging kiest zelf om zich vrijwillig te onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting. De mandaathouder loopt aldus geen fiscaal risico meer. De vereniging moet haar leden wel inlichten over die keuze.

Hoe kiezen?

Een vereniging zal een brief aan de bevoegde directeur van de directe belastingen moeten richten. De vereniging verstuurt deze brief uiterlijk voor de 60ste dag voor de laatste dag van het belastbaar tijdperk, dus tot en met 31 oktober.

Aangezien dit voor het belastbare tijdperk dat samenvalt met het jaar 2018 niet meer mogelijk is, voorziet het KB in een overgangsmaatregel. Verenigingen die wensen te opteren voor de rechtspersonenbelasting voor de inkomsten die in 2018 werden verkregen, moeten hun brief verzenden voor 11 juli 2019.

Kiest de vereniging in een belastbaar tijdperk voor de rechtspersonenbelasting, dan geldt haar keuze ook voor de vijf volgende belastbare tijdperken.

Wat moet u meesturen?

De vereniging zal bij deze brief een lijst van haar leden en statuten van de vereniging dienen toe te voegen.

In de brief vermeldt u ook het adres van de zetel van de vereniging en de naam en het adres van het lid dat de aangifte  zal indienen.

Tot slot vraagt de fiscus ook om een overzicht van alle roerende en onroerende goederen en alle kapitalen en rekeningen van de vereniging mee te sturen.

Volledigheidshalve…

en omdat een gewaarschuwd man er twee waard is (een vrouw – drie) geven we graag het volgende mee:

“Een vereniging mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel.”

Voor de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen was het niet wettelijk verboden om een onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen aan de leden van de vereniging. De grijze zone vervaagt.

 


WLTP of NEDC? Bent u nog mee?

Wie nu een nieuwe wagen koopt, zal het zich zeker al hebben afgevraagd. Hoeveel CO2 stoot mijn wagen uit? In onze huidige maatschappij denken we immers allemaal wel na over het klimaat.

Nieuwe norm = WLTP

Wel, de CO2-uitstoot van nieuwe  wagens wordt voortaan gemeten volgens een nieuwe testprocedure, de zogenaamde WLTP (Worldwide Harmonised Light vehicle Test Procedure).

Deze WLTP-norm vervangt de oude NEDC-norm. De auto-industrie evolueert namelijk zodanig snel dat de NEDC-test niet meer aangepast is aan het huidige drukke verkeer. De Europese Unie heeft daarom beslist om gaandeweg de nieuwe WLTP-norm in te voeren.

Let wel, de nieuwe WLTP-norm is strenger en leidt tot hogere waardes van CO2-uitstoot.

Fiscaliteit

De CO2-uitstoot is niet enkel van belang voor het milieu. Deze normen zijn ook van belang in de fiscaliteit.

Denk maar aan de aftrek autokosten, het voordeel alle aard, de verkeersbelasting, de BIV enzovoort, die worden berekend aan de hand van de CO2-uitstoot.

Maar welke norm past de fiscus toe?

De fiscus bevestigt in haar FAQ dat u de oude NEDC-norm mag gebruiken tot eind 2020 voor de berekening van het voordeel alle aard. We nemen aan dat dit ook geldt voor de kostenaftrek.

Bij Vlabel bevestigen ze dan weer dat men enkel rekening houdt met de NEDC-norm voor de verkeersbelasting en BIV.

Tot eind 2020 mag nog de gunstigere NEDC-waarde (gemeten of omgerekend) gebruikt worden als basis voor de autofiscaliteit.

Gelijkvormigheidsattest

Waar kan ik de CO2-uitstoot van mijn wagen terugvinden?

Op het gelijkvormigheidsattest van uw nieuwe wagen (vanaf eind 2018) zou u - in principe - onder code 49 beide normen moeten terugvinden. Op het inschrijvingsbewijs zal u enkel de WLTP-norm vinden.

Oudere wagens zullen in principe enkel de oude NEDC-norm op hun documenten vermelden.

Conclusie

Indien u slechts één uitstoot terugvindt, verifieer dan eerst goed of dit weldegelijk de gunstigere NEDC-norm is en niet de strengere WLTP-norm.


Alleenstaand en geen kinderen? Wie erft en wie niet?

U denkt aan vermogensplanning. Check! Dat is de eerste stap: u staat open voor een (fiscale) optimalisatie van uw vermogen en u bent bereid om hierover grondig na te denken. U wil nog niet meteen de deur van de notaris binnenwandelen en u begint een beetje op te zoeken. U wordt overladen door een zondvloed aan artikels over het oude erfrecht en het nieuwe erfrecht sinds 1 september 2018. Plots ziet u door het bos de bomen niet meer. Om u alvast op het meest recente pad te brengen kan u hier en hier een aantal artikels van de nieuwe regels terugvinden. Ok, dat is alvast 1 frustratie opgelost. Maar, u leest en leest en overal gaat het over situaties waarin men gehuwd of samenwonend is en men liefst ook nog minstens 1 kind heeft. Frustratie 2  duikt op, want u bent alleenstaand en u hebt geen kinderen. Is vermogensplanning dan niets voor u? Moet u zomaar aanvaarden dat de overheid met (een aanzienlijk deel van) uw vermogen aan de haal gaat? Nee! In deze bijdrage zetten we alles graag even op een rijtje voor u.

Eerst komt de orde

Wanneer u zelf geen regeling voorziet, zullen de wettelijke regels van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich laten gelden. Dit wil zeggen dat u een heuse cascade op uw familie zal ondergaan. In wat volgt zetten we even de wettelijke regels uiteen. Uiteraard kunnen de juiste planningstechnieken hierop inwerken, dit komt later aan bod.

De wetgever voorziet in een viertal groepen (de ordes) om te bepalen wie er, in dalende volgorde, tot uw nalatenschap komt. Vanaf dat er erfgenamen in een bepaalde orde aanwezig zijn, worden de andere ordes uitgesloten.

De eerste orde omvat de afstammelingen. Van zodra er afstammelingen zijn, is al de rest "irrelevant" voor de wetgever.
Indien er geen afstammelingen zijn, komt de  tweede orde aan bod.

De tweede orde omvat broers en zussen en de ouders (uiteraard indien deze nog in leven zijn). In dat geval zullen de ouders samen de helft van de nalatenschap krijgen. Indien er nog maar 1 ouder in leven is, zal deze een kwart van de nalatenschap erven. Het overige wordt evenredig verdeeld tussen de broers en zussen.

U denkt nu, ik heb geen broers of zussen, dus alles dan naar mijn ouders (of de langstlevende van hen)? Nee, dat is niet noodzakelijk zo.
Wanneer er geen broers en/of zussen zijn, vallen de ouders namelijk in de derde orde. Deze derde orde omvat alle zogenaamde "ascendenten". Dit zijn alle bloedverwanten in een opgaande lijn: ouders, grootouders, misschien zelfs nog overgrootouders. Opnieuw volgt een evenredige verdeling, tenzij u anders hebt voorzien.

De vierde en laatste orde omvat de niet-bevoorrechte zijverwanten: nonkels, tantes, neven en nichten.

Is hiermee de kous af? Nee, want de wetgever gaat nog een stapje verder: naast de opdeling in ordes, gaan we binnen elke orde ook nog eens de graad van verwantschap bepalen.

Daarna komt de graad

Niet iedereen in een "ervende orde" zal ook effectief erven. Enkel degene die het dichtste in graad bij u, als erflater, staat zal erven. Bijvoorbeeld:
- uw grootmoeder zal niet automatisch erven, als uw moeder nog in leven is. We zitten in de derde orde, maar uw moeder is erfgenaam in de eerste graad, uw grootmoeder pas in de tweede graad.
- uw neef zal niet erven als die zijn vader (uw nonkel) nog in leven is. We zitten in de vierde orde, maar uw nonkel is tweede graad, uw neef is derde graad.

Nu zijn er nog een aantal wettelijke "figuren" die inwerken op de voornoemde regels van orde en graad: de plaatsvervulling en de grote en kleine kloving.

Plaatsvervulling

Het is jammer genoeg mogelijk dat een mogelijke erfgenaam reeds vooroverleden is. Stel, u bent alleenstaand en u hebt geen kinderen. Maar, u hebt een broer en een zus, die elk op hun beurt wél kinderen hebben. Door een ongelukkig voorval overlijdt uw zus. Sluit uw broer (tweede orde) dan de afstammelingen van uw zus (vierde orde) uit? Indien de plaatsvervulling niet zou bestaan, zou het antwoord ja zijn. De wetgever heeft dit echter, terecht, als onrechtvaardig aanzien en daardoor de figuur van de plaatsvervulling gecreëerd. De kinderen van de overleden zus zullen zo, samen, in de plaats komen van hun overleden moeder. Op die manier zullen zij samen het erfdeel van hun moeder ontvangen. Het woord "samen" is hier wel van belang: ongeacht het aantal afstammelingen de vooroverleden zus heeft, zij erven samen wat de vooroverleden erfgenaam op zichzelf zou erven.

Kloving

Vooreerst is er het principe van de kleine kloving. Stel u hebt een broer, maar ook een halfzus. In dat geval moeten we onze heil zoeken in de kleine kloving. Dit wil zeggen dat de nalatenschap in twee gelijke delen wordt verdeeld, namelijk vaderlijke lijn en de moederlijke lijn. Uw broer zal erven uit beide lijnen. Uw halfzus zal enkel erven uit de lijn van de gemeenschappelijke ouder.

We kennen ook het principe van de grote kloving. Wanneer uw nalatenschap niet kan toekomen aan erfgenamen van de eerste of de tweede orde, dan zal deze kloving optreden. Dit wil zeggen dat men uw nalatenschap opnieuw zal opdelen in 2 helften: een helft voor de vaderlijke lijn en een helft voor de moederlijke lijn. Binnen elk van deze lijnen geldt vervolgens dat diegene(n) erven die in de dichtste orde en vervolgens in de dichtste graad staat/staan. Als er geen erfgenamen (meer) zijn in een bepaalde lijn, dan zal dat deel geërfd worden door de andere lijn.

Afwijken van de wettelijke regels

In wat voorafgaat werden de wettelijke regels uiteengezet. Wanneer u geen planning onderneemt, zal uw nalatenschap aan deze regels onderworpen worden. U kan hiervan echter afwijken. Aangezien u alleenstaand bent, hebt u geen reservataire erfgenamen om rekening mee te houden. Reservatair wil zeggen dat het "bevoorrechte" erfgenamen zijn, die sowieso een erfrecht hebben waar u niet aan kan raken. Typevoorbeeld hiervan zijn de kinderen en de partner. Maar die zijn er niet, dus u kan volledig zelf regelen aan wie u zaken wil nalaten.

U beschikt over tal van mogelijkheden om te plannen.
Zo kan u uw vermogen bijvoorbeeld bij leven regelen via een schenking. Indien u echter nog niet zo goed weet wie u wat wil geven, kan een testament steeds de oplossing bieden. Daar waar een schenking een definitieve regeling is, biedt een testament het voordeel dat u dit altijd nog kan aanpassen. Bovendien kan u in uw testament ook kiezen voor de opname van het fiscaal gunstige duo-legaat.

En wat betekent dit op fiscaal vlak?

Belangrijk om nog mee te geven is dat aan dit alles wel een fiscaal kostenplaatje hangt. De tarieven in Vlaanderen zijn afhankelijk van wat u juist onderneemt:
- schenking van roerende goederen aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen;
- schenking van onroerende goederen aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen;
- testament aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen  

Het is belangrijk dat u volledig geïnformeerd bent en zo de juiste afwegingen maakt van wat u zelf wil dat er met uw vermogen gebeurt. De juristen van aternio staan u graag om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Statutaire zetelleer en de Belgische fiscaliteit

De werkelijke zetelleer is voor Belgische vennootschappen verleden tijd. Met de invoering van het Wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) is, naar het voorbeeld van heel wat andere Europese landen, gekozen voor de toepassing van de statutaire zetelleer.

Gelet op de grondige hervorming van het vennootschapsrecht was het evenwel ook noodzaak om het fiscaal recht aan te passen. De wetgever achtte het immers onbillijk dat de fiscale situatie teveel zou wijzigen.

Situatie voor het WVV - werkelijke zetelleer

Het oude Wetboek Vennootschappen bepaalt het toepasselijk recht van een vennootschap op grond van waar een vennootschap haar voornaamste activiteiten uitvoert of haar bestuur voert.

Dit zorgt er historisch voor dat België geen aandacht heeft voor waar een vennootschap is opgericht. Bepalend is of een vennootschap haar voornaamste activiteiten of haar bestuur in België heeft. Als dit het geval is dient de vennootschap zich aan het Belgische vennootschapsrecht te onderwerpen.

Dit maakt België maar weinig aantrekkelijk voor buitenlandse vennootschappen.

Situatie ingevolge het WVV - statutaire zetelleer

België kon niet achterop hinken en keek gretig over haar landgrenzen heen om inspiratie op te doen. Nederland bijvoorbeeld heeft van haar vennootschapsrecht een belangrijk exportproduct gemaakt en veel buitenlandse vennootschappen hebben hun weg naar daar gevonden.

Nederland maakt gebruikt van de statutaire zetelleer. Hierbij is het vennootschapsrecht van het land waar de statutaire zetel gevestigd is het toepasselijk recht op de vennootschap.

Middels het WVV heeft België nu ook resoluut gekozen voor de statutaire zetelleer. Vrijheid en flexibiliteit voor iedereen.

De blijheid hinkt evenwel nog steeds achterop aangezien de geplande onlineregistratie voor vennootschappen nog niet mogelijk is. Dit is een administratief hiaat, waardoor ondernemingen wederom België alsnog links zouden kunnen laten liggen.

Fiscaliteit en de werkelijke zetelleer

Een vennootschap is een fiscale inwoner van België en zij wordt in België op haar wereldwijde winst belast indien haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur in België is gevestigd. Dit spoort met de werkelijke zetelleer. Hier wijzigt niks aan.

De werkelijke zetelleer  is én blijft dus primeren op fiscaal gebied.

Door de invoering van het WVV is een vennootschap onderworpen aan het vennootschapsrecht van het land waar haar maatschappelijk zetel is gevestigd. Als gevolg daarvan kan men niet langer meer veronderstellen dat de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, noodzakelijkerwijze ook aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen. Er moet immers steeds werkelijke leiding vanuit België zijn.

In principe moet een onderneming ook rechtspersoonlijkheid bezitten om onder de vennootschapsbelasting te kunnen vallen. Maar een bijzondere bepaling belast reeds buitenlandse lichamen zonder rechspersoonlijkheid die in België winsten behalen, zo zij een gelijkaardige vorm aannemen als een vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht (artikel 227, 2° WIB ’92).

Nieuw wettelijk vermoeden met dubbel tegenbewijs

Zoals gezegd, kan men niet langer veronderstellen dat een vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, ook aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen. Met gevolg dat de fiscus voortaan geval per geval zou moeten beoordelen. Dit is onbegonnen werk.

Daarom heeft men het wettelijk vermoeden met dubbel tegenbewijs ingevoerd. Dit stelt: behoudens tegenbewijs, wordt de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, geacht haar werkelijke leiding in België te hebben én dus fiscaal inwoner te zijn.

Dit vermoeden kan worden weerlegd door aan te tonen dat de vennootschap 1) haar werkelijke zetel in een andere staat heeft én 2) fiscaal inwoner is van deze andere staat.

Ook de boekhouding moet mee

De wetgever diende evenwel in te grijpen om ook éffectief een vennootschap met een statutaire zetel in het buitenland, en dus beheerst door buitenlands recht, te kunnen belasten in België (nieuw artikel 320/1 WIB ’92). Elke Belgische vaste inrichting van dergelijke vennootschappen zal nu een boekhouding en een jaarrekening moeten opmaken volgens Belgisch recht, tenzij zij een vrijstelling hebben gekregen. De jaarrekening wordt tevens aan de aangifte in de vennootschapsbelasting gehecht, tenzij zij reeds gepubliceerd werd.

Conclusie

Als het gevolg van deze hervorming hinkt België niet langer achterop. Ons vennootschapsrecht is alvast gewapend om meer ondernemingen naar België te halen. Of we voldoende concurrentieel zijn op bijvoorbeeld  fiscaal vlak blijft nog maar de vraag.

Meer weten? Contacteer ons vrijblijvend.


Hoe vergoeding bepalen bij einde opstalrecht?

Een bestuurder koopt een stuk bouwgrond en verleent een opstalrecht aan zijn vennootschap voor 15 jaar. De vennootschap heeft het recht om op de grond te bouwen. Na 15 jaar wordt de bestuurder (gratis) eigenaar van het gebouw.

Op burgerrechtelijk vlak is deze klassieke opstalconstructie perféct legaal. Toch viseert de fiscus deze constructies, veelal bij het einde van het opstalrecht. Hoe komt dit? Waarop moet u letten om dit te vermijden?

Recht van opstal

Bij een opstalrecht verleent een opstalgever (grondeigenaar) een tijdelijk recht aan de opstalhouder om te mogen bouwen op diens grond. In praktijk zal de grondeigenaar meestal de bestuurder zijn die een opstalrecht geeft aan zijn vennootschap. Gedurende de looptijd van het opstalrecht is de vennootschap eigenaar van de gebouwen, de zogenaamde opstallen.

Op het einde van het opstalrecht wordt de opstalgever automatisch eigenaar van de gebouwen door natrekking. In de al wat oudere opstalovereenkomsten is vaak geen vergoeding afgesproken op het einde van het opstalrecht. De opstalgever wordt zo dus 'gratis' eigenaar van de gebouwen.

Dergelijke kosteloze overdracht is uiteraard een doorn in het oog van de fiscus ...

Geen vergoeding is mogelijk voordeel alle aard

De fiscus belast de opstalgever maar al te graag in de personenbelasting. Door de gratis verwerving krijgt de bestuurder immers een voordeel in natura van zijn vennootschap.

De fiscus moet wel kunnen aantonen dat de belastingsbelastingplichtige dit voordeel kreeg in de hoedanigheid van bedrijfsleider. Zoniet, kan de fiscus de belastingplichtige niet belasten op een voordeel alle aard.

Om dit voordeel te vermijden zou men een vergoeding kunnen afspreken die de opstalgever moet betalen aan de opstalhouder bij het einde van het opstalrecht.

Artikel 6 van de opstalwet bepaalt overigens dat de opstalhouder in principe recht heeft op de waarde van zijn gebouwen, werken en beplantingen. Hoe die waarde moet worden bepaald, daarover zwijgt de wet in alle talen.

Welke vergoeding dan?

Dé belangrijkste vraag blijft dus: hoe groot moet die vergoeding zijn?  Daarover is intussen al heel wat geschreven, maar het blijft nog steeds een moeilijk vraagstuk. Veel hangt uiteraard ook af van het concrete feitenrelaas.

Zo heeft de fiscus al geoordeeld dat voor het bepalen van het voordeel van alle aard de "actuele waarde" van de opstallen moet worden vergoed. De fiscus meent dat dit de venale waarde van de constructie is op het ogenblik van het einde van het opstalrecht.

Maar de meeste rechtsleer en sommige rechtspraak gaan hier niet mee akkoord. Zij menen dat men een waarderingsmethode moet hanteren waarbij rekening wordt gehouden met alle concrete omstandigheden zoals de bouwkosten, de duurtijd van het opstal, de vergoeding tijdens het opstalrecht, eventuele verbouwingen enzovoort. Er moet dus meer gekeken worden naar de "economische waarde" van de opstallen.

Zo gaat bepaalde rechtsspraak de vergoeding bepalen in functie van de normale gebruiksduur van de opstallen. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG, Fisc. Act. 2019, 8/1).

Een alternatieve methode bestaat er bijvoorbeeld in om het opstalrecht te vergelijken met huur. De meerkost voor het zelf bouwen, t.o.v. de totale huur over de duurtijd van het opstalrecht, is de vergoeding. Hierbij moet een actualisatievoet worden toegepast gelijk aan het rendement dat de opstalhouder zou hebben gehad indien hij zijn geld op een andere manier had belegd. (Ph. Salens, "De waardering van onroerende zakelijke rechten (her)bekeken door een fiscale bril", Not.Fisc.M. 2016, 4, 102).

Ook de rulingcommissie besluit dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een "economische waarde" van de opstallen bij het einde van het opstalrecht (dus niet enkel de verkoopswaarde), minus de gederfde inkomsten.