Afzonderlijke aanslag op minimum inkomen sterft een snelle dood

De  afzonderlijke aanslag voor het niet voldoen aan de minimumbezoldiging heeft al heel wat stof doen opwaaien. Deze aanslag is initieel door het zomerakkoord van 2017 ingevoerd met inwerkingtreding vanaf het aanslagjaar 2019. Evenwel voor één aangifte in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2019 is ingediend, sterft de nieuwe afzonderlijke aanslag al een snelle dood.

Vereiste minimumbezoldiging

Zoals eerder uiteengezet, is de minimumbezoldiging door het zomerakkoord van 2017 opgetrokken naar 45.000 euro.  Een vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider deze minimumbezoldiging toekennen. Al snel reeds de discussie of een bedrijfsleider ook een natuurlijke persoon moest zijn. Deze vraag was van belang voor vennootschappen die geen natuurlijke personen als bedrijfsleiders aan boord hadden. De wetgever heeft dit punt inmiddels uitgeklaard. Enkel de minimumbezoldiging voor een bedrijfsleider natuurlijke persoon voldoet.

Elke vennootschap dient vanaf het boekjaar dat start vanaf 1 januari 2018 een minimumbezoldiging van 45.000 euro toe te kennen aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon. Indien het belastbaar resultaat lager is dan 45.000 euro, is de minimale bezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat na bezoldiging.

Afzonderlijke aanslag

De afzonderlijke aanslag is de facto een “sanctie” indien niet aan de vereiste van de minimumbezoldiging was voldaan. Deze sanctie bedraagt 5% van het tekort. Aanvankelijk zou vanaf aanslagjaar 2021 de sanctie zelfs 10% bedragen. Deze verdubbeling werd reeds door een eerdere wetswijziging afgeschaft. De wetgever heeft aldus de afzonderlijke aanslag op 5% behouden.

Snelle dood

Ondertussen is een wetsvoorstel ingediend tot opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider.  Op 19 maart 2019 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Commissie Financiën en Begroting. Naar alle verwachtingen volgt de bevestiging in het federale parlement.

Dit heeft als gevolg dat het niet voldoen aan het uitkeren van de minimumbezoldiging niet langer een extra sanctie oplevert. Het uitkeren van een minimumbezoldiging van 45.000 euro blijft wel een voorwaarde om recht te hebben op het verlaagd vennootschapstarief van 20%.

Conclusie

Een vennootschap die niet de minimumbezoldiging aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon uitkeert wordt niet langer bestraft. Weet wel dat vennootschappen die geen zo'n minimumbezoldiging uitkeren geen recht hebben op het verlaagd vennootschapstarief.


Appartement aan zee en de fiscus, het blijft moeilijk.

We weten het al langer dan vandaag: de fiscus is geen fan van een appartement aan zee in een vennootschap. In een arrest van 21 september 2018 bevestigt het Hof van Cassatie nu ook dat de kosten voor een appartement aan de zee niet aftrekbaar zijn indien duidelijk is dat die investering nooit kan renderen. Het feit dat een zaakvoerder een vergoeding betaalt ten belope van het voordeel alle aard, doet er blijkbaar niet toe.

Voorwaarden artikel 49 WIB'92

Krachtens artikel 49 WIB'92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken.

Uit artikel 49 WIB'92 volgt echter niet dat de aftrek van beroepskosten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap, zoals die blijkt uit haar doelsomschrijving.

Het Hof van Cassatie velde in 2015 hierover reeds enkele positieve arresten, en bevestigt dit standpunt hier gelukkig opnieuw.

Schamele inkomsten

De rechters vallen echter wél over de andere feitelijke elementen in het dossier.

De appelrechters stellen vast dat het onroerend goed bijna voor het volledige bedrag is gefinancierd met geleend geld.

Volgens de rechters is het  niet bewezen dat de vennootschap de intentie heeft om het onroerend te rentabiliseren. Het appartement is immers ter beschikking gesteld van de zaakvoerder tegen een zeer bescheiden vergoeding. Een symbolische huur vanwege de zaakvoerder volstaat dus niet als bewijs dat de intentie bestaat om belastbare inkomsten te verkrijgen. Er is ook geen verhuring van het appartement aan derden.

Evenmin is het bewezen dat het onroerend goed op korte termijn kan verkocht worden met een grote meerwaarde.

Die "schamele" inkomsten staan tegenover de zware kosten van het appartement. De belastingplichtige toont bovendien niet aan dat het de bedoeling is om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten overstijgen.

Besluit

Het Hof besloot daaruit dat de enige bedoeling van de verrichting is om privékosten van de zaakvoerder ten laste te nemen.  Bijgevolg gaat het niet om beroepskosten van de vennootschap in de zin van artikel 49 WIB'92. De aftrek is dus verworpen in hoofde van de vennootschap.

Kortom: een appartement aan zee en de fiscus, het blijft nog steeds een moeilijke combinatie. Bezint eer ge begint stelt een oude zegswijze.


Schenken of toch niet. Al gedacht aan een volmachtschenking?

De schenking wordt courant gebruikt en vormt een interessante manier om bij leven goederen van het ene vermogen naar het andere te laten gaan. Vaak gaat dit gepaard met enkele persoonlijke ongemakken voor de schenker, deze ontdoet zich namelijk dadelijk en onherroepelijk van deze goederen. De geschonken goederen verdwijnen immers definitief uit het vermogen. Dit zal vaak een hinderpaal vormen om effectief tot schenking over te gaan.

Daarvoor heeft de praktijk een oplossing bedacht: het voorbereiden van de schenking via volmachten. Het gaat hier met andere woorden om een schenking in extremis. Men gaat proberen om de ongemakken die de schenker ervaart, zo lang mogelijk uit te stellen.

De vraag is echter waarom men dat zou doen? Wat zijn de positieve en negatieve punten van deze constructie?

Fiscaal aantrekkelijke schenking

Fiscaal gezien zijn schenkingen veel aantrekkelijker dan erfenissen. Wanneer dezelfde goederen vererft worden, via de normale devolutie of via testament, wordt de dubbel progressieve erfbelasting toegepast. De tarieven zijn afhankelijk van de netto-waarde van de vererfde goederen (roerend of onroerend) en van de verwantschapsgraad tussen begiftigde erfgenaam en de erflater.

Schenkingen daarentegen vallen onder de schenkbelasting. Voor roerende goederen geldt in Vlaanderen een toegankelijk tarief: 3% voor schenkingen in de rechte lijn of 7% voor alle andere schenkingen. De tarieven gelden voor schenkingen, zelfs al zijn ze amper enkele minuten geleden voor een notaris verleden. Het is zo dat deze schenkingsrechten van toepassing blijven, ongeacht het moment van overlijden.

Naaktheidssyndroom

Door deze techniek wil de schenker zijn schenking zo lang mogelijk uitstellen, effectief tot op het allerlaatste moment. Schenkers lijden niet zelden aan een ‘naaktheidssyndroom’. Zij voelen zich in hun blootje gezet door de goederen weg te schenken. Het is dus zo dat hoe langer men wacht om te schenken, hoe minder nadelige gevolgen de schenker ondervindt met betrekking tot het onmiddellijke en de onherroepelijke ‘verlies’ van de goederen uit zijn vermogen.

Echter, dat wachten tot op het laatste moment houdt ook een risico in, want het kan op een bepaald moment plots heel snel gaan. Zo snel dat de schenker fysiek niet meer in de mogelijkheid is  om te schenken. Vandaar de oplossing: de schenking in extremis.  Middels de voorbereiding van de schenking via volmachten kan de schenker, zolang niet overleden, alsnog schenken.

Volmachtschenking

Bij de schenking via volmacht wordt de schenking van a tot z voorbereid. Daarbij is de eerste stap het schenkingsaanbod. Dit is de intentie van de schenker om effectief bepaalde goederen te schenken. Vervolgens geeft de schenker volmacht om, als het cruciale moment daar is, dit schenkingsaanbod voor notaris aan te bieden aan de begiftigden. Deze gaan vervolgens persoonlijk over tot aanvaarding van de schenking. Maar om snel te kunnen schakelen kunnen ook de begiftigden reeds een volmacht opmaken om de schenking te aanvaarden.

Belangrijk hierbij is dat de schenking effectief aanvaard is voor het overlijden. Vanaf dat moment is de schenking definitief.

Volgorde van bewerkingen

Eerst wordt een schenkingsaanbod opgemaakt; vervolgens stelt men de nodige volmachten op en daarna steekt men dit alles in de spreekwoordelijke koelkast van de notaris. Op het moment dat het ‘nodig’ is, verwittigt men de notaris en start de volmachtencarrousel.

Let wel zolang de volmachten niet worden uitgevoerd is er nog geen sprake van een effectieve schenking.  Er zijn enkel volmachten. Deze constructie heeft als doel om zo lang mogelijk te wachten om de schenking effectief uitwerking te laten krijgen.

Conclusie

Middels de volmachtschenking schakelt men de nadelen die aan een schenking verbonden zijn, grotendeels uit.

Deze techniek van voorbereiding van een schenking is echter niet zaligmakend, want men loopt steeds het risico dat men te laat is. Wanneer de toekomstige schenker plots overlijdt, zijn de getroffen voorbereidingen een maat voor niets geweest. Daardoor gaat het concreet om een schenking die verleden is binnen de 3 jaar voor het overlijden waarop nog geen schenkbelasting is betaald! In dat geval valt men onder één van de fictiebepalingen uit het Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 2.7.1.0.5, §1), waardoor er wél erfbelasting verschuldigd is.

De juristen van aternio adviseren u graag bij het voorbereiden en uitwerken van uw schenking. Tempus fugit 


Bedrijfswagen inruilen voor een groener self-made pakket

Door de goedkeuring van de wet betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, bestaat het mobiliteitsbudget sinds 1 maart 2019. Na de mobiliteitsvergoeding is dit een nieuw initiatief om het klimaat te sparen en de mobiliteit te ontlasten.

Wat is het mobiliteitsbudget?

In een eerder artikel spraken we over de "cash for car"-regeling, waarbij de bedrijfswagen wordt ingeruild voor extra cash. Sindsdien was het wachten op de meer vrije regeling, namelijk het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is een budget dat de werknemer krijgt voor het inruilen van zijn bedrijfswagen. Dit budget wordt berekend op jaarbasis. De werknemer kan dit budget besteden in drie pijlers, namelijk een milieuvriendelijkere wagen; duurzame vervoersmiddelen,  vervoersdiensten en georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en extra loon.

Een milieuvriendelijkere wagen

De eerste pijler waarin een werknemer zijn mobiliteitsbudget kan besteden, is een milieuvriendelijkere wagen. Enerzijds betreft dit een elektrische wagen. Anderzijds kan dit ook een wagen zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • een CO²- uitstoot gelijk of minder dan 105gr per kilometer;
  • de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen mag maximaal evenveel zijn als de geldende norm voor nieuwe voertuigen. Hierop bestaat een uitzondering voor einde reeks modellen;
  • in het geval van een hybride mag de elektrische batterij geen energiecapaciteit van minder dan 0,5 kWh per 100 kg van het wagengewicht;  en
  • de waarde van het voertuig is ten minste gelijk aan de waarde van het voertuig waarover de werknemer vroeger beschikte

Deze wagen zal fiscaal op dezelfde wijze behandeld worden als een “gewone” bedrijfswagen.

Duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen

De tweede pijler bestaat uit duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen. De wet splitst de duurzame vervoermiddelen en-diensten op in twee delen, namelijk de zachte mobiliteit en het openbaar vervoer. De zachte mobiliteit betreft de motorfietsen die enkel elektrisch worden aangedreven en de (elektrische) fietsen, bromfietsen en andere gemotoriseerde rijwielen en voortbewegingstoestellen zoals deze gedefinieerd zijn in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Onder deeloplossingen wordt verstaan carpooling en autodelen, taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur, de huur van maximaal 30 kalenderdagen per jaar van voertuigen zonder chauffeur.

Daarnaast kan de werknemer ook een combinatie van de hiervoor opgesomde duurzame vervoersmiddelen combineren.

Fiscaal is deze pijler zeer voordelig voor een werknemer, want deze is volledig vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.

Extra loon

Zoals reeds gezegd , verkrijgt de werknemer een mobiliteitsbudget op jaarbasis. Indien de werknemer op het einde van het jaar zijn budget niet volledig heeft opgebruikt, verkrijgt hij  het restsaldo als extra loon. Op dit gedeelte loon moet de werknemer geen belastingen betalen. Dit is wel onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Als tegenprestatie geldt dit extra loon wel bij de opbouw van sociale rechten, zoals het pensioen.

Het mag, maar moet niet

Net zoals de mobiliteitsvergoeding, is ook het mobiliteitsbudget een keuze. Eerst en vooral moet de werkgever bereid zijn om het mobiliteitsbudget binnen de onderneming in te voeren. Indien de werkgever hiertoe bereid is, beslist elke werknemer zelf of hij van zijn mobiliteitsbudget gebruik wenst te maken. Niemand kan de werknemer verplichten.

Voorwaarden voor de werkgever

Om in aanmerking te komen voor het mobiliteitsbudget moeten zowel de werkgever als de werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Alvorens de invoering van het mobiliteitsbudget, moet de werkgever onmiddellijk voorafgaand gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden bedrijfswagens aanbieden in zijn ondernemingen. Indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat, geldt deze termijn niet. In dergelijk geval volstaat het dat de werkgever op het ogenblik van de invoering van het mobiliteitsbudget bedrijfswagens aanbiedt.

Voorwaarden voor de werknemer

Net zoals de werkgever dient ook de de werknemer aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Van zodra de werknemer aan deze voorwaarden voldoet kan hij een aanvraag bij zijn werkgever indienen.

Op het ogenblik van de aanvraag moet de werknemer gedurende een ononderbroken termijn van 3 maanden over een bedrijfswagen beschikken. Daarenboven dient de werknemer gedurende 12 maanden in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een bedrijfswagen ter beschikking gesteld gekregen hebben. Ook deze termijnen zijn niet van toepassing indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat.

Indien een werknemer in dienst treedt bij een nieuwe werkgever gelden de hierboven vermelde voorwaarden niet. In dergelijk geval voorziet de wet een specifieke regeling. De werknemer zal in twee gevallen het mobiliteitsbudget bij de nieuwe werkgever kunnen aanvragen. Dit kan wanneer hij bij zijn vorige werkgever reeds een mobiliteitsbudget had gekregen of  bij de vorige werkgever in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 12 maanden over een bedrijfswagen beschikte, waarvan minstens 3 maanden ononderbroken voorafgaand aan de uitdiensttreding.

De derde mogelijkheid bestaat uit de verdere opbouw van de termijn bij de nieuwe werkgever. Dit is mogelijk wanneer de werknemer in een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitdiensttreding beschikte over een bedrijfswagen bij de oude werkgever.

Wat betreft de nieuwe werknemers dienen zij uiterlijk 1 maand na de indiensttreding bij de nieuwe werkgever een aanvraag tot het mobiliteitsbudget of respectievelijk verdere opbouw van termijnen, in te dienen.

Formaliteiten

De werkgever zal aan zijn werknemers moeten meedelen dat de mobiliteitsvergoeding wordt ingevoerd. Indien hij voorwaarden koppels aan de mobiliteitsvergoeding moeten deze ook duidelijk kenbaar gemaakt worden aan de werknemers. Werknemers moeten de aanvraag schriftelijk indienen. De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk aan de betrokken werknemer verstrekt. Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, geldt de aanvraag en de positieve beslissing van de werkgever als overeenkomst. Deze maakt dan inhoudelijk dan deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

Het mobiliteitsbudget laat de werknemer toe een keuze te maken hoe hij zijn "bedrijfswagen" zelf invult. Op deze manier probeert de overheid te keuze voor milieuvriendelijkere wagens en alternatieven te stimuleren en de mobiliteitsproblematiek aan te pakken.

Wenst u het mobiliteitsbudget in te voeren in uw onderneming? Contacteer ons voor meer informatie.


Big Brother is watching you - observatie door de fiscus

Fiscale inspecteurs mogen herhaaldelijk vanop de openbare weg de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige in de gaten houden. Ook de beroepsmatige handelingen die hij met andere belastingplichtige verricht mag de fiscus “observeren”. Dergelijke soort van observatie bevestigt het Hof van Cassatie (14 december 2018).

Zwart circuit in horeca

De zaak in kwestie betrof een grootschalige fraude in de horecasector. Dankzij een tip van een cafébaas bij de fiscus werd een opgezet zwart circuit tussen een drankhandelaar en horeca-uitbaters volledig ontrafeld.

De fiscus zette immers na deze tip haar inspectiediensten in. Na vaststellingen bij diverse klanten van de drankenhandelaar, bevestigden deze het bestaan van een zwart circuit.

Procedureslag

Op basis van de processen verbaal van de fiscale inspecteurs legde de fiscus officieel klacht neer bij het parket. Dit leidde niet alleen tot een strafrechtelijke vervolging van de drankenhandelaar. Maar het leidde ook tot een fiscale procedure bij de afnemers.

De verschillende horeca-uitbaters kregen een bijkomende aanslag in de bus. Eén van die horeca-uitbaters liet het daar niet bij en startte een ware procedureslag.

Strikte voorwaarden observatie uit Wetboek Strafvordering

Artikel 47 sexies WSV voorziet specifieke voorwaarden voor een "observatie". Zo is een observatie - in het strafrecht - meer dan vijf opeenvolgende dagen, of van meer dan vijf niet-opeenvolgende dagen gespreid over een periode van een maand, of een observatie waarbij technische hulpmiddelen worden aangewend. Hiervoor is een machtiging van de Procureur des Konings nodig.

Een van de argumenten van de horeca-uitbater was dat de fiscale ambtenaren niet beschikten over dergelijke machtiging.

Recht op privacy

Daarnaast riep de café-uitbater ook een schending van zijn privacy (art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in. Volgens dit artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de privésfeer verboden, tenzij daarin bij wet is voorzien en het in een democratische samenleving noodzakelijk is, onder meer in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land.

Beslissing Hof: geen schending

De café-uitbater moet echter tot voor het Hof van Cassatie telkens in het zand bijten. Een observatie in strafzaken is immers géén observatie door de fiscus.

Ook het feit dat de fiscus door eigen observaties gegevens inzamelt in de openbare ruimte om zo de correcte belasting te kunnen heffen, vormt voor Cassatie in beginsel geen schending van de privacy van de belastingplichtige. De waarnemingen van de fiscale inspecteurs (in casu het in- en uitladen van drank en leeggoed) was zichtbaar van op de openbare weg en behoort volgens het Hof dus niet tot de privésfeer van de belastingplichtige.

Bron: Cass. 14 december 2018,  F.18.0093.N, Fisc.Act. 2019/02, 5-6.


Het belastbaar moment bij een wederzijdse aan- en verkoopbelofte

Voor het Hof van Beroep te Gent (arrest dd. 13 november 2018) is een discussie tussen de fiscus en een belastingplichtige beslecht aangaande het belastbaar moment van een meerwaarde bij een wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

Feiten

In mei 2010 zet een uitbater van een krantenwinkel zijn beroepsactiviteit stop. Een echtpaar heeft interesse om de handelszaak over te nemen, met inbegrip van het onroerend goed.

Voor de overdracht van het handelspand is een wederzijdse aan-en verkoopbelofte getekend. Deze belofte blijft 5 jaar geldig. Partijen komen daarbij overeen om de authentieke akte voor de verkoop van het onroerend goed uiterlijk op 1 mei 2015 te verlijden.

Naar aanleiding van een fiscale controle wil de fiscus de meerwaarden op het handelspand belasten op het moment van het sluiten van de wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

De belastingplichtige is hier niet mee akkoord en trekt naar de rechtbank. De belastingplichtige stelt dat – als er al sprake zou zijn van een meerwaarde – deze slechts belastbaar is op het moment van de authentieke akte.  Dus niet op het moment van de wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

De kernvraag is dus: volstaat het tekenen van een wederzijdse aan- en verkoopbelofte voor de belastbaarheid van een meerwaarde?

Wat zegt de wet?

Volgens artikel 1583 Burgerlijk Wetboek is de verkoop van een onroerend goed in principe gesloten zodra partijen het eens zijn over de zaak en de prijs. Hiertoe is geen authentieke akte vereist. De authentieke akte is immers enkel nodig voor de tegenstelbaarheid aan derden.

Artikel 1589 BW stelt dan weer dat een “verkoopbelofte” als koop geldt, wanneer er wederzijdse toestemming van de partijen is omtrent de zaak en de prijs.

Specifieke modaliteiten van de belofte

In deze concrete zaak hebben de partijen in de wederzijdse aan- en verkoopbelofte een specifieke afspraak gemaakt. Met name dat de verkoop pas tot stand zou komen op het moment van de authentieke akte.

Er stond letterlijk te lezen: “Partijen zijn in afwijking van het gemeen recht, uitdrukkelijk overeengekomen dat de verkoop zelf pas stond komt door, en op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte vaststellende die verkoop, zodat zij van deze verkoop een plechtig contract hebben gemaakt.

Zolang de authentieke akte niet werd verleden, bestaat er dus volgens de beloften geen verkoop. Bijgevolg betrof het enkel een verbintenis tot verkopen en/of een verbintenis tot kopen.

Conclusie

In casu besliste het Hof dat het moment van de ondertekening van de aan- en verkoopbelofte nog niet zorgde voor de belastbaarheid van een meerwaarde. Volgens vaste rechtspraak is een stopzettingsmeerwaarde ook pas belastbaar op het ogenblik dat de schuldvordering zeker en vaststaand is.

Uit de bewoordingen van de aan-en verkoopbelofte kon het Hof besluiten dat de belastingplichtige het bij het rechte eind had. Op het moment van de belofte was er nog geen sprake van een zeker en vaststaande schuldvordering. Het Hof besliste dat de schuldvordering pas zeker en vaststaand was bij het definitief verlijden van de authentieke akte.


Buitenlandse voordelen voor werknemers in België

Vanaf 1 maart 2019 is het in België voorbij om vanuit een buitenlandse vennootschap 'onbelast' voordelen toe te kennen aan werknemers in België. Voortaan gelden nieuwe regels inzake de verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing en de verplichte melding op fiches.

Vaak gaat het voordelen in de vorm van aandelenopties ('stock options') of gratis aandelen ('restricted stock units'). Het zijn dergelijke voordelen die niet zelden een behoorlijk financiële gewicht hebben.

Hoe het was

Wanneer in het kader van gepresteerde werkzaamheden een buitenlandse vennootschap voordelen toekent   aan een werknemer in België dan is er in principe sprake van een belastbaar voordeel van alle aard. Onder de oude regels was inhouding van bedrijfsvoorheffing enkel verplicht voor de Belgische werkgever die actief tussenkomt in de toekenning van de buitenlandse voordelen.

In de praktijk kwam de Belgische werkgever echter zelden of nooit tussen en was inhouding van bedrijfsvoorheffing niet aan de orde. Het was vervolgens aan de werknemer om het voordeel aan te geven in de aangifte personenbelasting en zo te laten belasten. Welnu, sommige Belgische werknemers bleken op dat vlak soms 'vergeetachtig'.

Nieuwe fictie: altijd bedrijfsvoorheffing

Om misbruiken uit te schakelen is een nieuwe fiscale fictie in het leven geroepen (art. 270 WIB'92). Alle buitenlandse voordelen of bezoldigingen die een Belgische werknemer ontvangt, n.a.v. zijn beroepsactiviteit, worden geacht toegekend te zijn door de Belgische werkgever wanneer deze verbonden is met de buitenlandse toekennende vennootschap. Opgelet bij werknemers die ook werken buiten België, bijvoorbeeld via een salary split. In dergelijke situatie kan een opsplitsing van het voordeel aan de orde zijn.

De nieuwe regel geldt voor toegekende voordelen of lonen vanaf 1 maart 2019. Het is nu al duidelijk dat problemen kunnen opduiken. Het is perfect mogelijk dat de Belgische werkgever, bijvoorbeeld dochteronderneming van een buitenlandse moeder, niet op de hoogte is van de toegekende voordelen. Vragenrondes bij alle verbonden vennootschappen zijn voortaan standaard procedure. Daarenboven is inhouding van bedrijfsvoorheffing verplicht op het ogenblik van toekenning van het voordeel. In het bijzonder bij gratis aandelen of aandelenopties kan dit voor de werknemer zorgen voor financiële druk. Het is immers niet ondenkbaar dat de ingehouden bedrijfsvoorheffing hoger is dan het maandloon.

Verplichte fiche is het gevolg

De verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing leidt tot de verplichting om fiches op te stellen voor de  voordelen. Voor de Belgische vennootschappen zorgt dit voor meer opvolging en administratieve formaliteiten. In ieder geval geldt de verplichting nog niet voor inkomsten 2018. Voor de voordelen die zijn betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019 is er geen ontsnappen aan. De fiches dienen voor het eerst te worden ingediend voor 1 maart 2020.

Socialezekerheidsbijdragen: welcome in troubled paradise

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft in september 2018 haar instructies aangepast. Volgens het administratief  standpunt zijn socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zodra de toekenning van de voordelen het gevolg is van prestaties die zijn geleverd in het kader van de arbeidsovereenkomst die met de werkgever werd afgesloten of die verband houdt met de functie die de werknemer bij de werkgever uitoefent.

Indien dit standpunt wordt bevestigd door de rechtspraak of er geen nieuwe wetgeving volgt, zullen buitenlandse voordelen in veel gevallen niet ontsnappen aan socialezekerheidsbijdragen. Een bittere pil voor gratis aandelen of aandelenopties toegekend buiten de wet van 26 maart 1999.

Conclusie

De nieuwe regels zijn opnieuw een voorbeeld van reactieve wetgeving. Al dan niet bewuste vergeetachtigheid van sommige belastingplichtigen zorgt nu voor meer administratieve rompslomp voor Belgische vennootschappen. Belgische werkgevers die deel uitmaken van een internationale groep zullen het geweten hebben. Opvolging van buitenlandse voordelen verkregen door hun werknemers in België is voortaan een nieuwe verantwoordelijkheid.


Opeisbaarheid btw op een voucher: bij uitgifte of gebruik?

Een voucher, in de volksmond ook bekend als "de cadeaubon", is een alom vertegenwoordigd "betaalmiddel". Tof om te krijgen, leuk om te geven. Veel ondernemingen voorzien dan ook in deze vouchers, maar moet u hierop btw aanrekenen? En wanneer moet u deze overdragen?

Wat is een voucher?

Een voucher is een “betaalmiddel” dat gebruikt wordt voor leveringen van goederen of diensten. Vouchers kunnen zowel op een fysieke (de echte bon) als op een elektronische drager staan. Die elektronische drager is niet gelijk aan een betaalkaart. Er is slechts sprake van een voucher wanneer op het ogenblik dat de voucher verhandeld wordt, de goederen, diensten of de verrichters ervan bekend zijn. Een voorbeeld is een cadeaubon van een bepaalde winkel of restaurant, een bongobon, … Op het ogenblik dat de koper de voucher koopt, zal reeds bekend zijn voor wat of waar de voucher gebruikt kan worden, ongeacht wie deze zal gebruiken.

Soorten vouchers

Er bestaan twee soorten vouchers. De eerste soort zijn de vouchers voor enkelvoudig gebruik. Bij deze soort staat de handeling en dus ook de btw van de onderliggende handeling (tarief en plaats) reeds vast. Een voorbeeld hiervan is een voucher voor een hoofdgerecht ter waarde van 34,99 euro. Het is duidelijk dat het btw-tarief van toepassing zijnde op de handeling 12% zal bedragen.

De tweede soort zijn de vouchers voor meervoudig gebruik. Hierbij staat de btw-behandeling nog niet vast, aangezien de handeling ook nog niet vast staat. Een voorbeeld is een voucher ter waarde van 34,99 euro te besteden in restaurant X. in dit voorbeeld staat nog niet vast wat er aangekocht zal worden. De gebruiker van de voucher kan een maaltijd ter waarde van 34,99 euro bestellen, maar evengoed ook nog een fles wijn. Beide handelingen hebben een ander btw-tarief.

Opeisbaarheid btw

Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw opeisbaar op het moment van het verhandelen van de voucher. Dit betekent dat bij de uitgifte van dergelijke voucher, de btw zal moeten worden afgedragen. Bovendien dient deze bij horeca ingegeven worden in het geregistreerd kassasysteem.

Bij vouchers voor meervoudig gebruik is de btw-behandeling nog niet gekend, waardoor de btw ook nog niet opeisbaar is bij het uitgeven van deze vouchers. Zij dienen in de horeca dan ook nog niet geregistreerd te worden in het geregistreerd kassasysteem.

Teruggave btw

Het gebeurt meer dan eens dat een voucher niet wordt ingeruild. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw wel reeds opeisbaar geworden op het ogenblik van verhandelen van de voucher. De vraag rijst dan of men de btw kan terugvragen van niet ingeruilde vouchers. Aangezien vouchers vroeger aanzien werden als een vooruitbetaling, was dit mogelijk. (Vr. nr. 72 Dirk Van der Maelen, 8 november 2007, vr. en Ant. Kamer 2007-08, afl. 5, 240).

Vanaf 1 januari 2019 kan dit niet meer op grond van de richtlijn (EU) 2016/1065 van 27 juni 2016. De nieuwe wetgeving voorziet namelijk in het vermoeden dat de handeling is verricht op het ogenblik van de verhandeling van de voucher voor enkelvoudig gebruik. Omwille hiervan kan de btw dan ook niet meer gerecupereerd worden bij het niet inruilen van de voucher.

Dit heeft als gevolg dat vouchers voor meervoudig gebruik op dit vlak een groot voordeel hebben. Aangezien bij deze vouchers de btw slechts opeisbaar wordt bij het inruilen van de voucher, houdt dit in er geen btw opeisbaar is bij niet ingeruilde vouchers. Daarnaast kent het verschil in tijdstip van opeisbaarheid ook een cashflow-voordeel toe aan het gebruik van vouchers voor meervoudig gebruik.

Uitzondering

Een vreemd fenomeen doet zich voor met betrekking tot vervoersbewijzen en toegangskaarten. De FAQ hieromtrent voorziet dat vervoersbewijzen en toegangskaarten uitgesloten zijn. Vreemd, aangezien noch de Belgische wetgeving noch de richtlijn in een dergelijke uitsluiting voorziet. Hoe dan ook heeft dit tot gevolg dat zij wel degelijk als voorafbetaling worden aanzien. Bij het niet komen opdagen bij dergelijke vouchers zal aldus de btw wel nog teruggevraagd kunnen worden. Het lijkt dan ook niet geheel duidelijk of de FAQ doelt op de vervoersbewijzen en toegangskaarten zelf of vouchers die recht geven op vervoersbewijzen of toegangskaarten.

Vanaf wanneer?

Zoals hiervoor bepaald gelden deze regels vanaf 1 januari 2019. Dit moet begrepen worden als vouchers die uitgegeven zijn vanaf 1 januari 2019. “Oude” vouchers volgen nog het oude regime. Dit wil zeggen dat de geldigheidsdatum van de voucher geen belang heeft bij het al dan niet toepassen van de nieuwe regels.

Conclusie

De regeling voor vouchers kent twee soorten, elk met een eigen btw-regels en bijhorende gevolgen. Door de nieuwe regel zal het niet inruilen van vouchers met enkelvoudig gebruik geen recht geven op teruggave van de afgedragen btw. Dit is een belangrijke verschil met de vroegere regeling. Tevens heeft deze soort voucher een nadelig gevolg op de cashflow van uw onderneming.


Terbeschikkingstelling van bergruimte: 10% wordt 50%

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is in sommige gevallen onderworpen aan btw. Interessant voor de aftrek van de betaalde btw inzake de gemaakte kosten van dergelijke bergruimte. Door de wet van 14 oktober 2018 zijn vanaf 1 januari 2019 meer bergruimtes aan btw onderworpen . Laten we hier even dieper op ingaan.

Wel of geen btw?

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is op grond van artikel 18 WBTW een dienst. Normaliter is het verrichten van diensten onderworpen aan btw. Dit betekent in veel gevallen dat de dienstverrichter btw aanrekent op zijn factuur, die hij vervolgens doorstort naar de fiscus. Daartegenover staat dat de dienstverrichter btw die hij betaald heeft, mag aftrekken. Dit noemen ze de neutraliteit van de btw. Btw heeft namelijk als principe dat de eindverbruiker betaalt. Met andere woorden de tussenstappen in de ketting mogen hiervan geen extra kost ondervinden.

Zoals op vele zaken, voorziet ook hier de wet vrijstellingen. Zo is de verhuur van de uit hun aard onroerende goederen vrijgesteld van btw. Dit betekent dat er geen btw wordt aangerekend, maar ook niet kan worden afgetrokken. Dit is in sommige gevallen nadelig. Echter sluit de wet de terbeschikkingstelling van bergruimtes expliciet uit, zodat deze niet onder de vrijstellingen valt. Een uitzondering op een uitzondering laten we maar zeggen.

Illustratie

Laten we dit even illustreren aan de hand van een voorbeeld.

Een btw-plichtige koopt een woning, met btw. Na de koop verhuurt hij de woning aan een andere btw-plichtige. Deze huur zal niet onderworpen zijn aan btw. De huurder betaalt aldus de huurprijs zonder btw. De btw-plichtige mag ook de oorspronkelijk betaalde btw niet aftrekken. Hij zal deze dus “kwijt” zijn.

Stel nu dat hetzelfde voorbeeld met een loods. Hierbij gaat het dan om een bergruimte. In dat geval zal de terbeschikkingstelling van de loods wel onderworpen zijn aan btw en kan de btw-plichtige de btw wel aftrekken.

10% regel

Tot hiertoe waren er nog niet echt problemen of onduidelijkheden. Maar in de praktijk zijn bergruimtes vaak ook voorzien van kantoren, of andere ruimtes dan louter bergruimte. In dat geval was de fiscale administratie altijd van mening dat men onderworpen werd aan btw zolang de andere ruimte niet meer dan 10% van de totale oppervlakte bedroeg. Was dit meer, dan was de terbeschikkingstelling van de ruimte(s) vrijgesteld van btw, met het gevolg dat er geen aftrek van btw was.

Versoepeling

U voelt dat vele btw-plichtigen liever diensten stellen die onderworpen zijn aan btw, zodat zij van btw-aftrek kunnen genieten. Echter was de grens van 10% krap, zodat vele hierdoor toch onder de vrijstelling vielen. Door de wet van 14 oktober 2018 (BS 25 oktober 2018) heeft de wetgever de invulling van het begrip “bergruimte” soepeler ingevuld. Vanaf 1 januari 2019  geldt het volgende: “ de terbeschikkingstelling van ruimten die voor meer dan 50 pct. gebruikt worden voor het opslaan van goederen, op voorwaarde dat de ruimten niet voor meer dan 10 pct. worden aangewend als verkoopsruimte”.

Dit betekent dat vanaf 1 januari 2019 alle ruimtes die hoofdzakelijk als bergruimte worden gebruikt onderworpen worden aan btw. Dit is een hele versoepeling, die vele btw-plichtigen ten goede zal komen.

Conclusie

Door deze versoepeling kan het zijn dat de door u terbeschikkinggestelde ruimte(s) aan btw onderworpen worden vanaf 1 januari 2019. Dit wil zeggen dat u btw zal moeten aanrekenen op uw facturen, maar daarentegen ook de btw zal kunnen aftrekken met betrekking deze ruimte(s).

Stelt u reeds een “bergruimte” ter beschikking of heeft u deze toekomstplannen? Contacteer ons en wij helpen u graag bij het optimaliseren.


Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.