Onroerende verhuur met btw – verklaring is vereist

Bijna twee jaar geleden (wat gaat de tijd vlug) verscheen onze bijdrage  “Onroerende verhuur optioneel met btw: dan toch?!”.

Het Zomerakkoord 2017 introduceerde een optioneel stelsel waarbij men onroerende verhuur kan onderwerpen aan btw. De nieuwe btw-regeling inzake de onroerende verhuur is op 1 januari 2019 in werking getreden. De Koning was belast met de opdracht de nieuwe optieregeling verder uit te werken. Dit is gebeurd middels het Koninklijk Besluit van 7 november 2019.

We staan hier even bij stil aangezien mogelijkerwijze actie is vereist voor eind februari 2020.

Optionele btw-heffing - toepassingsgebied

De verhuurder en de huurder kunnen sinds 1 januari 2019 samen kiezen om hun onroerende verhuurovereenkomst te onderwerpen aan btw. De optionele regeling is voorbehouden voor nieuwe of vernieuwde gebouwen waarvoor de btw op de werken met betrekking tot het gebouw die specifiek bijdragen tot de oprichting ervan of, bij uitbreiding, tot de ingrijpende of belangrijke renovatie ervan ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is geworden.

Dit kan enkel als de huurder een belastingplichtige is die het gebouw gebruikt voor zijn economische activiteit. Bovendien is een specifieke verklaring vereist die de wil van de partijen bevestigt om de optie uit te oefenen.

Een gebouw is ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden. Het kan aldus ook gaan om een geasfalteerd opslagterrein bestemd voor de opslag van containers. Ook al lijkt dit op het eerste zicht geen gebouw an sich.

Voorwaarden van de optionele btw-heffing

Eén van de voorwaarden om de verhuur te kunnen onderwerpen aan btw is dat de huurder de hoedanigheid heeft van btw-plichtige. In concreto betekent dit dat men beschikt over een geldig btw-nummer en dat de huurder het onroerend goed zal gebruiken in het kader van de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. Wanneer men louter beschikt over een btw-nummer en het onroerende goed huurt in het kader van privé-activiteiten valt men wederom uit het toepassingsgebied.

Een andere voorwaarde is dat de gebouwen ook effectief economisch zelfstandig kunnen worden verhuurd en gebruikt. Dit houdt onder meer in dat men zich van buitenaf toegang moet kunnen verschaffen tot die gedeelten, zonder zich doorheen ruimten te moeten begeven die uitsluitend voor andere doeleinden dan de economische activiteit worden aangewend door de huurder of andere huurders. Zo is het dus ook mogelijk dat een gebouw met btw wordt verhuurd aan een kapper voor het gedeelte waarin zijn kapsalon is gevestigd, terwijl het andere gedeelte dat voor privédoeleinden wordt aangewend buiten de btw-heffing blijft.

De keuze voor toepassing van btw op een onroerende verhuur dient, zoals gezegd, te gebeuren middels een verklaring.

Optie lichten tegen uiterlijk 29 februari 2020!

Het voormelde Koninklijk Besluit verduidelijkt hoe de verklaring moet gebeuren voor de optionele BTW-heffing op onroerende verhuur.

De optie voor onderwerping aan btw blijkt uit een door de verhuurder en de huurder gedateerde en ondertekende verklaring. Deze verklaring omvat:

- de identificatiegegevens: naam of maatschappelijke benaming, adres en btw-identificatienummer van de verhuurder en de huurder;

- de identificatie van het gebouw of het gedeelte van het gebouw;

- de wilsverklaring van de partijen om de verhuur te belasten; en

- de datum waarop de optie uitwerking heeft.

De verklaring moet worden opgemaakt ten laatste op het tijdstip dat het huurcontract uitwerking heeft tussen de partijen. Het eenvoudigste is dan ook om dit in de huurovereenkomst zelf op te nemen als een pro fisco-verklaring. Indien de huurovereenkomst reeds afgesloten is en er geen verklaring is opgenomen, kan een addendum de oplossing zijn.

Het Koninklijk Besluit verduidelijkt dat er bij een stilzwijgende verlenging van een huurovereenkomst onder btw geen aanvullende optieverklaring vereist is.

Voor reeds lopende overeenkomsten waarbij er de intentie was om te opteren voor de btw moet de optie voor toepassing van de btw voor 29 februari 2020 worden gelicht.

Besluit

De btw-optie bij onroerend verhuur is een grote btw-hervorming. Kort samengevat is het sinds 1 januari 2019 mogelijk om onder bepaalde voorwaarden nieuwe en vernieuwde bedrijfsgebouwen te opteren voor verhuur met btw. Deze optie vereist een gedagtekende en ondertekende verklaring door verhuurder en huurder. Voor lopende huurovereenkomsten is het van belang om tegen 29 februari 2020 de optie te lichten.

Indien u meer wil weten over onroerende verhuur met btw kan u ook de circulaire met FAQ raadplegen (circulaire 2019/C/25 van 21.03.2019).

Uiteraard staat aternio ter beschikking indien u vragen zou hebben.


Aftrekbaarheid vastgoed: strand, zee en appartementje?

Een vennootschap koopt een onroerend goed aan dat zij gebruikt als kantoorruimten of bedrijfsgebouwen. Zij kan de gemaakte kosten die in aftrek brengen van haar vennootschapsbelasting.  Een bepaalde situatie bleef echter onduidelijk. Wat met een vastgoed dat werd aangekocht door de vennootschap, maar gratis ter beschikking wordt gesteld aan de bedrijfsleider. Het Hof van Beroep te Gent velde op 3 december 2019, over de aftrekbaarheid van een appartement aan zee, een opmerkelijke uitspraak.

Heersende theorie

Zoals we hieronder zullen uiteenzetten, wijkt het Hof te Gent met haar uitspraak af van wat voordien werd aangenomen. Het Hof van Cassatie oordeelde in het verleden namelijk dat de regels over de fiscale aftrekbaarheid van vastgoed beperkter geïnterpreteerd moesten worden.

Cassatie stelde dat om aftrekbaar te zijn, een kost niet inherent moet zijn aan een maatschappelijk doel van de vennootschap. Wel is vereist dat de kosten door de vennootschap zijn gemaakt om (belastbare) inkomsten te verkrijgen of te behouden. Wanneer niet aan deze voorwaarde is voldaan, doordat de vennootschap deze kosten enkel maakt in het belang van een derde, bijvoorbeeld de bedrijfsleider, en hier zelf geen voordeel van geniet, dan zijn deze kosten niet aftrekbaar.

Dit hield volgens Cassatie in dat wanneer de vennootschap een eigen economisch belang heeft aan de kosten van een appartement, deze kosten wel aftrekbaar zijn. De kosten zijn aldus aftrekbaar indien de vennootschap het appartement beroepsmatig aanwendt, verhuurt of indien de bedrijfsleider een vergoeding betaalt voor de terbeschikkingstelling. Zo ook wanneer de vennootschap het appartement ter beschikking stelt aan de bedrijfsleider als deel van zijn/haar bezoldiging. Voor dit laatste was wel vaak vereist dat deze terbeschikkingstelling deel uitmaakte van de bezoldigingspolitiek van de vennootschap.

Alles fiscaal aftrekbaar?

Het Hof te Gent gaat met haar uitspraak deze interpretatie voorbij en neemt een ruimer standpunt in. Het Hof oordeelt namelijk dat zelfs wanneer een bedrijfsleider een appartement gratis mag gebruiken en zelfs wanneer het gebruik volledig privé is, dat de kosten door de vennootschap nog steeds aftrekbaar zijn. De vennootschap dient, volgens het Hof, dus niet langer het appartement beroepsmatig te gebruiken of een vergoeding te eisen van de bedrijfsleider voordat zij de kosten van het appartement fiscaal kan aftrekken.

De zaak voor het Hof te Gent betrof een vennootschap die twee appartementen aan de Belgische kust had aangekocht. Zij stelde deze gratis ter beschikking van haar bedrijfsleider en er was geen beroepsmatig gebruik. De fiscus ging niet akkoord met de aftrekbaarheid als beroepskosten voor de kosten in de beide appartementen en had deze verworpen. Nadat de vennootschap ongelijk kreeg in eerste aanleg, werd hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Gent.

Elke investering gericht op het creëren van waarde voor de vennootschap, zal voor de vennootschap een aftrekbare kost zijn. Hierbij moet zij niet enkel kijken naar het verwerven van inkomsten op korte termijn, zoals huurgelden, maar een potentiële meerwaarde op lange termijn zal ook volstaan, zo stelde het Hof. Het Hof oordeelde in de bij haar aanhangige zaak dan ook dat zowel de aankoopwaarde als de intresten van de lening aftrekbare kosten zijn.

Concreet oordeelde het Hof van Beroep te Gent dat de aankoop van een appartement aan zee aftrekbaar zal zijn, wanneer de vennootschap het aankoopt als investeringsgoed. Het hof besloot namelijk dat een appartement aan zee een interessant investeringsgoed uitmaakt, gelet op de waardevastheid ervan. Er zal bijna steeds een waardestijging plaatsvinden, waardoor er voor de vennootschap een potentiële meerwaarde op lange termijn bestaat.

Aftrekbaarheid van vruchtgebruik?

De redenering van het Hof gaat niet op wanneer het appartement zich slechts in vruchtgebruik bij de vennootschap bevindt. Een vruchtgebruik is namelijk maar een tijdelijk recht, dat na verloop van de overeengekomen termijn uitdooft. De vennootschap zal dan niet kunnen genieten van de waardestijging van het goed. De meerwaarde die wordt gecreëerd bij de uiteindelijke verkoop van het goed komt enkel ten goede aan de blote eigenaar. De vennootschap zal dus geen gebruik kunnen maken van de ruime interpretatie van het Hof te Gent. De meerwaarde komt namelijk niet toe aan de vennootschap.

Besluit

Het arrest van het Hof van Beroep te Gent lijkt zeer goed nieuws voor vennootschappen met een appartementje aan zee. Zij zouden dit dan ook gratis en geheel voor het privégebruik van de bedrijfsleider ter beschikking kunnen stellen. Het is belangrijk te beseffen dat dit slechts één arrest uitmaakt en (slechts) van een Hof van Beroep. De waarde ervan mag u dus niet overschatten. De toekomst zal uitwijzen of andere hoven en rechtbanken (en in het bijzonder het Hof van Cassatie) deze ruime interpretatie zullen volgen.


Wat heeft 2020 voor de vennootschap in petto?

Het lijstje van goede voornemens krijgt al vorm.

Duurzaam te werk gaan!

Uit de comfortzone stappen!

CReAtIeVeR OnDeRnEmEn!

Minder belastingen betalen?

Meer dividenden uitkeren?

Een elektrische bedrijfswagen kopen?

Met ingang van belastbaar tijdperk 2020 kijkt aternio graag naar wat ons te komen staat. aternio anticipeert het liefst op nieuwe wijzigingen in plaats van achterop te hinken.

Kennis is macht. Klaar om ietwat machtiger te worden en te ontdekken wat de vennootschap te wachten staat in 2020? Is 2020 het jaar van de optimalisatie?

Hervorming van de vennootschapsbelastingen - minder belastingen betalen!

De grootste blikvanger van het Zomerakkoord verlicht de fiscale druk voor vennootschappen. Voor het belastbaar tijdperk 2020 treedt de tweede fase van de Wet van 25 december 2017 tot hervorming van het stelsel van de vennootschapsbelasting in werking.

De vennootschapsbelastingen zijn gestart op 33,99 %. Voor boekjaren 2018 en 2019 bedraagt het nominale tarief nog 29,58 % (29 % plus 2 % aanvullende crisisbijdrage). Vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2020 is het nominale tarief gelijk aan 25 %.

Het eenvoudigste is als het boekjaar van de vennootschap gelijk is aan het kalenderjaar. Dan profiteert de vennootschap vanaf 1 januari 2020 al van dit verlaagde tarief. De vennootschap heeft minder geluk als het boekjaar start op 1 juli. De winsten tot en met 30 juni worden belast onder het hogere tarief.

Een optimalisatie door het boekjaar te wijzigen heeft echter geen zin. De fiscus heeft duidelijk aangegeven met dergelijke wijzigingen geen rekening te houden.

Bedrijfswagens

De omvang van het bedrijfswagenpark spreekt boekdelen. Fiscaal gezien zijn bedrijfswagens voor een vennootschap interessant.

But winter is coming… De bestaande aftrekregels blijven nog even aan de orde: de financieringskosten zijn voor 100% aftrekbaar, brandstofkosten kan je voor 75% aftrekken en de overige autokosten zijn aftrekbaar van 50% tot 120% (afhankelijk van de CO2-uitstoot). De categorie van 120% geldt wel enkel voor 100% elektrische wagens.

De ‘fake’ hybride bedrijfswagen gaan voor de bijl. Heeft de wagen een elektrische motor met een kracht van minder dan 0,5 kWh per 100 kg van het autogewicht en is die na 1 januari 2018 besteld door de vennootschap? Dan zal de vennootschap gestraft worden en belast worden aan een hoger voordeel vanaf 2020. Niet langer de erg lage officiële CO2-uitstoot, maar de veel hogere reële uitstoot van de niet-hybride tegenhanger telt als basis voor het belastbaar voordeel.

Optimalisatie kan hier zeker.

Investeringen

In een voorgaande blog hebben we de ondernemers wakker proberen schudden: “U bent van plan om binnenkort een investering te doen in uw vennootschap? Doe het dan zeker nog vóór 2020! De fiscale voordelen voor kleine vennootschappen worden vanaf 2020 immers minder interessant.”

Degressieve afschrijvingen worden niet langer toegestaan vanuit fiscaal oogpunt voor activa die zijn verkregen vanaf 1 januari 2020. Reden waarom aternio adviseerde om uw investeringen nog dit jaar te doen, waardoor de eerste afschrijving nog vóór 1 januari 2020 plaatsvindt en die activa nog de oude regeling kunnen genieten. Vooral kleine vennootschappen hadden hier het meeste voordeel bij want tot 1 januari 2020 kunnen zij investeringen in het jaar van verwerving al voor een volledig jaar afschrijven. Vanaf 1 januari 2020 kan de eerste afschrijving slechts pro rata als beroepskost worden geboekt.

Voor investeringen die gebeuren in 2020 zal men echter wel gebruik kunnen maken van het verlaagde gunsttarief van 10 %, maar enkel in de mate dat er in dat jaar ook investeringen gebeuren. Ook hier kan optimalisatie gebeuren, doch dient men aandachtig te zijn voor de wettelijke voorwaarden.

Winstuitkeringen in 2020 – uitkering liquidatiereserves

Inzake winstuitkeringen is 2020 eveneens een belangrijk jaar. Voor het eerst kan gebruik gemaakt worden van het uitkeren van een aangelegde liquidatiereserve.

Kleine vennootschappen die een liquiditeitsreserve aanleggen kunnen die bij de vereffening uitkeren zonder dat er nog roerende voorheffing moet worden ingehouden.

Met het oog op optimalisatie is het hier niet onbelangrijk mee te geven dat er een lager belastingtarief geldt dan voor de uitkering van een gewone reserve.

Voor liquidatieboni die worden toegekend of betaalbaar gesteld sinds 1 oktober 2014, bedraagt de roerende voorheffing 25%. De afzonderlijke aanslag van 10% die de vennootschap betaalt is dus (behalve de vennootschapsbelasting) de enige belasting op de uitkering van de liquidatiebonus.

De uitkering van een liquidatiereserve als gewoon dividend is ook onderworpen aan de roerende voorheffing. Het tarief is 15 % voor een uitkering binnen 5 jaar te rekenen vanaf de laatste dag van het betreffende belastbaar tijdperk, en 5 % voor een latere uitkering. De uitkering met slecht 5 % roerende voorheffing is nu voor het eerst mogelijk vanaf 1 januari 2020 indien de liquidatiereserve is aangelegd in boekjaar 2014.

Dit kan dus een groot verschil opleveren in de te betalen belastingen. De combinatie van de 10% afzonderlijke aanslag en de 15% of 5% roerende voorheffing levert immers een totaal belastingtarief op van 22,73% of 13,64%, dus minder dan de 25% of 15% roerende voorheffing op de uitkering van een dividend uit een gewone belaste reserve.

De uitkering van een liquidatiereserve na vijf jaar is bijgevolg een interessant alternatief voor de VVPR-bis-regeling.

Juist kiezen en zo minder geld verliezen!

Conclusie

aternio heeft geen glazen bol. Uiteraard zijn er nog een groot aantal andere wijzigingen die de vennootschap zullen treffen in 2020 waarop we niet kunnen ingaan in deze beperkte blog.

aternio heeft als goed voornemen om haar kennis nog meer te delen en de ondernemers met kennis van zaken bij te staan, nu en in 2020!

Contacteer ons vrijblijvend.


Vastgoedvennootschap en fiscaal gunstig schenken of vererven

In Vlaanderen bestaat een fiscaal gunstige regeling voor de overdracht van familiale vennootschappen. De bedoeling van de regeling is om bedrijfsleiders-aandeelhouders actief aan te zetten om tijdens hun leven reeds na te denken over hun opvolging. Om de overdracht van aandelen van familiale vennootschappen bij leven te stimuleren bestaat er een vrijstelling van schenkbelasting. Bij afwezigheid van schenking kan een latere vererving alsnog gunstig gebeuren aan een vast tarief van 3% of 7%. Komt een vastgoedvennootschap hiervoor in aanmerking?

Tal van voorwaarden moeten zijn voldaan om te kunnen genieten van beide gunstmaatregelen. Eén daarvan heeft betrekking op de vennootschapsactiviteit. Indien de vennootschap uitsluitend vastgoedactiviteiten heeft dan is meestal niet voldaan aan de activiteitsvoorwaarde. Althans tot voor kort. De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) lijkt blijkbaar haar invulling van de activiteitsvoorwaarde te verruimen. We gaan hier dieper op in.

Fiscaal gunstregime 

Tarief 

Het fiscaal gunstregime voor familiale vennootschappen betekent een volledige vrijstelling van schenkbelasting en een verlaagd tarief in de erfbelasting. Wat betreft de erfbelasting betekent dit voor de partner of de erfgenamen in rechte lijn dat de nettowaarde van de aandelen wordt belast aan 3%. In alle andere gevallen is de nettowaarde van deze verkrijging belast aan 7%, wat nog steeds veel lager is dan de normale progressieve tarieven.

Uiteraard moeten een aantal voorwaarden voldaan zijn om te kunnen genieten van deze fiscale gunst. Indien men niet voldoet aan de voorwaarden zijn de normale tarieven opeisbaar.

Participatievoorwaarde

De participatievoorwaarde wil het familiaal karakter van de vennootschap toetsen. In tegenstelling tot vroeger is sinds 1 mei 2019 niet langer het percentage aandelen van belang maar wel het percentage van de stemrechten in de vennootschap. Het nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) maakt het immers mogelijk dat aan een aandeel meerdere stemrechten zijn verbonden.

In concreto betekent dit dat de schenker/erflater (samen met zijn familie in ruime zin) aandelen in volle eigendom heeft die minstens 50% van de stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigen. 30% van de stemrechten volstaat wanneer de schenker/erflater samen met zijn familie samen met één andere aandeelhouder (natuurlijk persoon) minstens 70% of met twee andere aandeelhouders minstens 90% van de stemrechten in de vennootschap heeft.

Activiteitsvoorwaarde 

De familiale vennootschap moet ook de activiteitsvoorwaarde kunnen afvinken. Dit houdt in dat de vennootschap een werkelijke economische activiteit moet hebben. Vennootschappen zonder enige reële economische activiteit kunnen nooit onder de gunsttarieven worden overgedragen.

Een vennootschap heeft geen reële economische activiteit als tegelijkertijd:

  1. de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen (code 62 van de resultatenrekening) een percentage gelijk of lager dan 1,50% uitmaken van de totale activa (code 20/58 van de balans); én
  2. de terreinen en gebouwen (code 22 van de balans) meer dan 50% uitmaken van het totaal actief (code 20/58 van de balans).

Continuïteitsvoorwaarden

Het volstaat niet om te voldoen aan de participatie- en activiteitsvoorwaarden. Neen, om zich te verzekeren van de vrijstelling of het verminderd tarief is het noodzakelijk dat gedurende een periode van 3 jaar na de overdracht nog enkele voorwaarden vervuld blijven.

Behoud activiteiten. De vennootschap dient haar reële economische activiteiten ononderbroken te behouden. De controle gebeurt aan de hand van de statuten en de neergelegde jaarrekeningen.

Behoud kapitaal/eigen vermogen. Het kapitaal of het eigen vermogen wanneer het een vennootschap betreft heeft waarbij er geen kapitaalbegrip bestaat, mag niet dalen door uitkeringen of terugbetalingen. Zoniet, zullen deze uitkeringen of terugbetalingen belast worden aan de normale tarieven.

Behoud zetel. De vennootschap behoudt haar maatschappelijke zetel binnen de EER.

Vastgoedactiviteiten volgens Vlabel

Omzendbrief 2015

In haar omzendbrief van 2015 stelt Vlabel dat het het louter exploiteren en beheren van onroerende goederen niet volstaat als economische activiteit. Bovendien is er ook het (weerlegbaar) wettelijk vermoeden van afwezigheid van reële economische activiteit als niet cumulatief is voldaan aan de twee voornoemde wettelijke voorziene boekhoudkundige parameters. Hierdoor vallen vastgoedvennootschappen quasi steevast uit de boot.

Voorafgaande beslissing nr. 19008 van 29 april 2019

Vlabel lijkt hier anno 2019 anders over te denken. Getuige haar voorafgaande beslissing nr. 19008 van 29 april 2019.

De Vlaamse Belastingdienst stelt vast dat de invulling van het ondernemersbegrip geleidelijk aan is geëvolueerd. Met ingang van 1 november 2018 is er in het ondernemingsrecht namelijk geen sprake meer van een eventueel onderscheid tussen vennootschappen die louter onroerend goed verhuren enerzijds, en anderzijds vennootschappen die onroerende goederen kopen en verkopen. Ten gevolge van de verruiming van het ondernemersbegrip begrijpt Vlabel ook dat een ruimere invulling van de activiteitsvoorwaarde noodzakelijk is.

Blijkbaar kunnen vastgoedvennootschappen nu in bepaalde gevallen toch de toets van een economische activiteit doorstaan. In het bijzonder wanneer het professioneel vastgoed betreft waarbij regelmatig verkopen met meerwaarde plaatsvinden. Verder houdt Vlabel ook rekening met verbetering van de rentabiliteit en de marktwaarde, de betrokkenheid van externe partijen (zoals aannemers, architecten, immobiliënkantoren) en de aanwezigheid van externe financiering. Het louter beheren van privé-patrimonium blijft uitgesloten.

Het niet voldoen aan de boekhoudkundige parameters is volgens Vlabel niet noodzakelijk een probleem. Indien de vennootschap kan bewijzen dat er wel degelijk een werkelijke economische activiteit is er niks aan de hand. De vennootschap zal moet aantonen dat de onroerende goederen worden aangewend voor haar economische activiteit en dat het vastgoed geen privaat patrimonium betreft.

Het principieel standpunt van Vlabel is nog steeds dat de verhuring van onroerend goed aan derden (woning- of handelshuur) – buiten de groepsstructuur – niet volstaat als tegenbewijs. Het aandeel of percentage van dergelijke verhuurde onroerend goederen ten opzichte van alle onroerende goederen is niet relevant. Met het nieuwe ondernemingsrecht voor ogen kan Vlabel niet ontkennen dat vastgoedactiviteiten soms toch een economische activiteit zijn. Althans, zolang het maar niet gaat om residentieel vastgoed.

Conclusie

Vlabel aanvaardt dat als onroerende goederen voor de economische activiteit van de vastgoedvennootschap worden aangewend de vrijstelling van de schenkbelasting of de vermindering van het tarief in de erfbelasting kan worden toegepast. Vlabel draait echter geen 180 graden.

Wat de Vlaamse Belastingdienst betreft blijft residentieel onroerend goed in een vastgoedvennootschap taboe. Gelet op de evolutie van het ondernemingsbegrip is haar standpunt inzake vastgoed milder dan vroeger. Vlabel lijkt alvast te ontdooien als het gaat over professionele en commerciële vastgoedvennootschappen.

Zijn hiermee de deuren geopend voor de fiscaal gunstige overdracht van commerciële vastgoedvennootschappen?

aternio kan u helpen bij de overdracht van uw onderneming of de planning van uw familiaal vermogen. Contacteer onsvrijblijvend.


Streep door effectentaks: wat betekent dit voor u?

De notoire effectentaks is vernietigd. De belasting is discriminerend en onverenigbaar met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Dat bevestigt het Grondwettelijk Hof in een arrest van 17 oktober 2019. Wat betekent dit nu juist en wat zijn de gevolgen voor u?

Tegenwind

Het idee ontsproot twee jaar geleden in het Zomerakkoord van de regering-Michel. In maart 2018 werd vervolgens de Wet houdende invoering van een taks op effectenrekeningen gepubliceerd.

Door middel van deze effectentaks, een heffing van 0,15 procent op effectenrekeningen waar minstens een half miljoen euro op staat, streefde de wetgever naar fiscale rechtvaardigheid. Bovendien was het de bedoeling om zo’n dikke 250 miljoen in de staatskas te brengen.

De Raad van State uitte eerder al kritiek op deze wet en achtte ze discriminerend. De wetgever viseerde enkel effectenrekeningen van natuurlijke personen en liet onder andere effectenrekeningen van vennootschappen, levensverzekeringen, aandelen, goud, kunst en vastgoed buiten beschouwing. Door allerlei achterpoortjes miste de effectentaks bovendien zijn effect.

Toch gehandhaafd

Ondanks fameuze tegenwind ging de regering-Michel evenwel door met de inning van de taks. Echter was deze geen lang leven beschoren. Het Grondwettelijk Hof oordeelde heel recent (lees: vorige maand) namelijk dat de wet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel op drie punten schendt en heeft ze bijgevolg vernietigd. Daardoor heeft de taks zelf geen wettelijke basis meer.

De Staat vernietigt de taks enkel voor de toekomst. Dit wil zeggen dat de overheid voor de belasting van 2020 (de periode van oktober 2019 tot september 2020) geen effectentaks meer zal heffen, maar de gevolgen van de effectentaks nog wel zal handhaven voor de referentieperiodes die liepen tot 30 september 2019.

Concreet

Er is geen restitutie door de overheid voor de reeds geïnde taks en voor de referentieperiode die liep tot 30 september 2019, zal u nog belast worden.

Tegen de nog te betalen belastingen kan u beroep aantekenen. Echter is het moeilijk te voorspellen hoe de rechtbanken zich hierover zullen uitspreken.

Wanneer u heeft gekozen voor een opt-in, zullen de banken waar u effectenrekeningen aanhoudt automatisch de taks doorstorten naar de Staat. Indien u echter nog de keuze heeft, adviseren wij om hiervoor niet te opteren. Desgevallend kan u zich de moeite getroosten van het indienen van een bezwaarschrift om teruggaaf te bekomen.

Neem zeker contact op met onze tax advisors, indien u vragen heeft.


Geen geld? Dan maar arbeid inbrengen in de besloten vennootschap?

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (hierna "CBN" of "Commissie") heeft zich gewaagd aan een advies met betrekking tot de mogelijkheid om een inbreng van nijverheid te doen. Inbreng van arbeid is nu mogelijk geworden in de besloten vennootschap.

Dit is een nieuwigheid ten gevolge van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (afgekort WVV).

Het advies heeft duidelijk bloed, zweet en tranen gekost. Noeste arbeid gaat erachter verscholen, maar wat onthouden we?

WVV

Overeenkomstig artikel 1:8, § 2, laatste lid van het WVV is de inbreng in nijverheid een verbintenis om arbeid of diensten te presteren.

Het betreft een inbreng in natura die tot voor kort niet mogelijk was.

Maar, de inbrenger denkt toch beter twee keer na over dergelijke inbreng.  De inbrenger van arbeid is de vennootschap rekenschap verschuldigd van alle winsten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de activiteit die hij heeft ingebracht. De inbreng verbindt zich dan ook integraal tot de vennootschap. Men kan dan maar beter heel zeker zijn van dit huwelijk. Het is vanaf de inbreng verboden om nog activiteiten te ontwikkelen buiten de vennootschap, laat staan concurrentie toe te brengen aan de vennootschap. Als dit niet de bedoeling is, liggen maar beter goed geredigeerde statuten voor.

Overlijden, onbekwaamheid of vreemde oorzaak

De inbreng in nijverheid behelst de inbreng van nog te presteren, toekomstige diensten. Wanneer de inbrenger overlijdt, onbekwaam wordt verklaard of om enige andere reden niet langer in de mogelijkheid is om te presteren, zitten zowel de inbrenger als de vennootschap met een probleem.

Ook deze situatie wordt voorzien door het WVV. Indien de inbrenger definitief in de onmogelijkheid verkeert om zijn verbintenissen na te komen, komen de aandelen die hem zijn uitgereikt te vervallen. Zij geven dan enkel pro rata temporis recht op een eventueel dividend met betrekking tot het lopende boekjaar. Is de inbrenger slechts tijdelijk buiten spel (maar wel voor minimaal 3 maanden), dan worden de rechten verbonden aan de aandelen opgeschort.

Wederom is het niet onbelangrijk om hier de statuten goed op te maken, daar de statuten kunnen afwijken van voorgaande wettelijke regeling.

Hoeveel aandelen voor mijn arbeid?

De oprichters maken een bijzonder verslag op. Dit verslag beschrijft het belang van de inbreng voor de vennootschap. Het bevat tevens een gemotiveerde waardering van de inbreng.

Het pijnpunt, wat ook weerspiegelt is in het advies, is de waardering van de inbreng. Het wetsontwerp bij het WVV luidde ook zonder schaamte: “Hoewel de inbreng in nijverheid in de BV en de CV onder het WVV een volwaardige inbreng vormt die door de uitgifte van aandelen kan worden vergoed, blijft de inbreng zeer moeilijk waardeerbaar. Overwaarderingen en misbruik, ook voor fiscale doeleinden, zijn bijgevolg niet uitgesloten.

Inbreng binnen het vermogen van de vennootschap of buiten kapitaal?

Het CBN blijft vaag. De inbreng van nijverheid is boekhoudkundig geen evidentie.

De inbreng van nijverheid wordt alvast door de wetgever uit het fiscale kapitaalbegrip gesloten. Inbreng van nijverheid is een inbreng buiten kapitaal en kan ook onder die rubriek worden geboekt.

Maar wat is dan de tegenboeking? Hét kenmerk van een balans is immers dat ze in balans is.

Deze beslissing komt toe aan het bestuursorgaan.

De Commissie wil het niet boeken als een actiefpost. Nijverheid voldoet namelijk niet aan de kenmerken van een "echte" actiefpost, te weten: een identificeerbaar "iets" wat toekomstige economische voordelen oplevert en waar de betrokken entiteit zeggenschap over heeft.

De Commissie is de mening toegedaan dat de inbreng in nijverheid over het algemeen niet ab initio kan worden erkend als eigen vermogensbestanddeel. Ze legt opnieuw de hete patat bij het bestuursorgaan om zich daarover uit te spreken.

Uiteindelijk stelt de Commissie dan toch voor om de inbreng op te nemen binnen de rechten en verplichtingen buiten balans. Het hoort dus thuis in de klasse 0. De CBN boekt deze rechten bij voorkeur in de subrekening van rekening “00 Zekerheden door derden gesteld of onherroepelijk beloofd voor rekening van de vennootschap”.

Conclusie. Inbreng van arbeid?

Een wijziging aan het algemeen rekeningstelsel zou het meest eenvoudige zijn geweest. De verplichting om een verslag en een waardering op te maken zorgt daarenboven voor een zware last. Of deze vorm van inbrengen populair zal zijn, is dan maar de vraag. Wel is duidelijk dat bij dergelijke inbrengen goede statuten noodzakelijk zijn en de bijstand van een cijferberoeper onontbeerlijk is.

aternio verricht graag wat arbeid voor u. Contacteer ons vrijblijvend.


Duolegaat afgeschaft, maar goede vrienden gaan er op vooruit

Driewerf hoera, we hebben sinds kort een Vlaamse regering. Het is geen nieuwtje dat onze begroting er niet zo rooskleurig uitziet. Recent werden de begrotingstabellen vrijgegeven. Daaruit blijkt dat de kersverse Vlaamse regering fors wil bezuinigen. Zo willen ze 75 miljoen euro besparen door het duolegaat niet meer toe te staan vanaf 2021. Maar de vererving aan goede vrienden wordt erfrechtelijk beter koop, wat op zich dan weer nieuwe opportuniteiten kan creëren.

Een duolegaat?

Nog even hernemen dat het duolegaat vooral zijn verdienste bewijst wanneer men iemand wil bevoordelen die normaal gezien onderworpen is aan een hoog tarief in de erfbelasting. Dit is het geval voor broers en zussen, neven of nichten en alle anderen.

De techniek van het duolegaat levert daarbij een fiscaal interessante oplossing aan. De erflater laat een deel van zijn bezittingen na aan een rechtspersoon/goed doel onder de last om een bijzonder legaat uit te keren aan of meerdere van die hoog belaste personen. De rechtspersoon/het goede doel zal bovendien de erfbelasting op het bijzonder legaat moeten betalen. U kan deze techniek of enkele varianten verder nalezen in een eerdere bijdrage.

De regering is van oordeel dat hierdoor de samenleving betaalt voor een enkel individu, wat blijkbaar niet de bedoeling kan zijn. Daardoor: aanschouw het einde van het duolegaat. Maar het is niet al "slaan" wat de klok slaat, de Vlaamse regering wil ook zalven. De tarieven op schenkingen aan goede doelen ondergaan tegelijkertijd daarom een verlaging.

Best friends for e(r)ver?

Bij wijze van tegengewicht voor het afschaffen van het duolegaat, worden verervingen aan goede vrienden dan weer goedkoper.

De Vlaamse regering creëert een zogenaamd "best friends”-tarief in de erfbelasting. Dit is een gunsttarief voor het begunstigen van goede vrienden.  Het regeerakkoord stelt dat u een bepaald deel van uw erfenis kan toewijzen aan een ‘derde’, maar dat zij daarop toch de erfrechtelijke tarieven in de rechte lijn toepassen (in plaats van het tarief tussen derden/vreemden).

Een klein cijfervoorbeeld toont aan dat dit toch wel een aanzienlijk verschil geeft.
De tarieven voor vererving tussen derden/vreemden starten momenteel op 25% op de eerste schijf van 35.000 euro en kan oplopen tot  55% voor verkrijgingen boven 75.000 euro). In rechte lijn starten de tarieven op 3% op de eerste schijf van 50.000 euro en loopt dit percentage "slechts" op tot 27% voor wat men erft boven de 250.000 euro.

Uiteraard is dit te mooi om waar te zijn om ongelimiteerd te kunnen gelden. Het bedrag per "goede vriend" zal namelijk beperkt zijn tot 12.500 euro.

Het is nog maar de vraag of de regering effectief gaat vastleggen hoeveel van die BFF's u juist mag hebben. Het regeerakkoord spreekt van “een bepaald deel van hun erfenis”, maar heeft dit verder niet verduidelijkt.

Beter goede vrienden dan verre familie

Het is positief dat de Vlaamse regering zich op dit vlak "hip" wil opstellen en oog en oor heeft voor wat geregeld in de media komt als "framilie". Door het standpunt in het regeerakkoord erkennen zij de discrepantie tussen de tarieven. Het is namelijk niet ondenkbaar dat mensen die bijvoorbeeld zelf geen kinderen hebben, meer contact en affiniteit hebben met een goede vriend, dan dat zij hebben met bijvoorbeeld hun zijverwanten (broers, zussen,...)

Besluit

Het klinkt allemaal zeer aanlokkelijk in de oren, maar het is momenteel nog niet duidelijk hoe dit concreet vorm krijgt en of er bijvoorbeeld voorwaarden aan zullen verbonden worden. Het is daarbij niet ondenkbaar dat het leveren van het bewijs van deze "best friend-relatie" enige administratieve rompslomp met zich mee zal brengen.

Bovendien kan u er ook nog steeds voor kiezen om reeds bij leven uw beste vriend(en) te bevoordelen. Wanneer het dan gaat om roerende goederen zal er slechts een tarief van 7% schenkbelasting van toepassing zijn. Schenkingen van onroerende goederen beginnen in dat geval aan een tarief van 10% voor de eerste schijf van 150.000 euro en kunnen oplopen tot 40% voor alles boven de 450.000 euro.

Contacteer ons indien u samen met ons uw vermogensplanning wenst te optimaliseren.


Franse baksteen in Belgische vennootschapsmaag

Het gezegde ‘de Belg heeft een baksteen in de maag’ is niet zomaar uit de duim gezogen. Op het ogenblik dat er geen koopjes meer te doen zijn in eigen land kijkt men al snel eens over de landgrens heen.

In een eerdere bijdrage werd uiteengezet dat het voor heel wat Belgen nog steeds een ultieme droom is om een tweede verblijf te hebben in “la douce France“. Hoe zit het nu als een Belgische vennootschap een onroerend goed bemachtigd in Frankrijk? Investeren in Frans vastgoed. Een goed idee?

Deze blog gaat in op een aantal fiscale gevolgen van een investering in Frans vastgoed door een Belgische vennootschap.

Aankoop onroerend goed, registratierechten - btw?

Niet anders dan in België zijn er ook in Frankrijk registratierechten te voldoen op de aankoop van een Frans onroerend goed. Het tarief bedraagt 5,09 % op de marktwaarde, vermeerderd met de lasten en vergoedingen ten voordele van de verkoper. Het btw-tarief bedraagt 20 % voor woningen die als nieuw kwalificeren.

Voorgaand is weinig wereldschokkend. Wel is er veel verschil bij de verkoop van aandelen.

Aankopen van aandelen van een vastgoedvennootschap

Op de aankoopprijs van de aandelen van een ‘vastgoedvennootschap’ heft de Franse fiscus een registratierecht van 5%. Een vennootschap kwalificeert als een vastgoedvennootschap voor Franse fiscale doeleinden indien de helft van haar activa bestaat uit Frans onroerend goed, ongeacht haar nationaliteit.

Dit is dus helemaal anders dan in België. De overdracht van een vennootschap gebeurt door de verkoop van de aandelen. In feite doet het er niet toe welke activa die vennootschap bezit. Dit kunnen bijvoorbeeld voorraden, onroerend goed of beleggingen zijn. Aandelen zijn roerende goederen en bijgevolg zijn er ook geen registratierechten verschuldigd. De (onderhandse) verkoop van aandelen is in principe niet belastbaar in België, zelfs niet voor een vastgoedvennootschap in België.

In uitzonderlijke omstandigheden zal de fiscale administratie wél kunnen aantonen dat de overdracht van de aandelen in feite neerkomt op de verkoop van het onroerend goed. Dit maakt dus veinzing uit met alle fiscale gevolgen hieromtrent.

Gebruik door aandeelhouder of bedrijfsleider

Wanneer de woning niet wordt verhuurd, maar ter beschikking staat van een aandeelhouder of bedrijfsleider, kunnen hieraan zowel in België als in Frankrijk fiscale gevolgen verbonden zijn.

In Frankrijk zal een fictief huurinkomen aan vennootschapsbelasting worden onderworpen. Dit is enigszins nattevingerwerk aangezien Frankrijk geen kadastraal inkomen kent en het een inschatting betreft. Er zijn al stemmen opgegaan om ook een KI toe te kennen aan Frans vastgoed. Maar de invoering is niet eenvoudig. Een andere mogelijkheid is dat Belgische tweede verblijven worden belast aan de werkelijke huurwaarde. Een plotse belastingverhoging op Belgisch vastgoed is echter politiek moeilijk te verantwoorden. In de praktijk is deze optie dus even onwaarschijnlijk als de eerste.

In België krijgt de bedrijfsleider een fiscaal voordeel alle aard toegekend bij kosteloze terbeschikkingstelling. De bedrijfsleider kan hieraan ontkomen door betaling van een marktconforme huurvergoeding. Ook hier kan discussie ontstaan omtrent de werkelijke waarde.

Dit brengt bijgevolg fiscale onzekerheid met zich mee.

Taxe de 3 %

Er wordt een jaarlijkse belasting van 3% geheven op de verkoopwaarde van het onroerend goed dat de vennootschap aanhoudt. Deze "taxe sur la valeur vénale des immeubles possédés en France par des entités juridiques" treft ook Belgische vennootschappen.

Er volgt geen inning indien de Belgische natuurlijke personen-aandeelhouders de identiteit en het adres van de aandeelhouders meedelen. Zelfs het engagement om dit mee te delen wanneer de belastingadministratie hierom vraagt, volstaat om de belasting te vermijden. Hiertoe dient jaarlijks een aangifte ingediend te worden. Maar dit wordt snel vergeten…met een pijnlijk fiscaal prijskaartje tot gevolg.

Vermogensbelasting

Zoals in een voorgaande blog uiteengezet, is de vennootschap vermogensbelasting verschuldigd van zodra het onroerend vermogen in Frankrijk meer dan 1,3 miljoen bedraagt. Het aanhouden van aandelen van een vastgoedvennootschap biedt geen ontsnapping aan de IFI (impot sûr la fortune immobilière).

Er is voor de berekening van de belastbare basis wel rekening te houden met onder andere de overige activa die worden aangehouden door de vennootschap. De progressieve tarieven in de vermogensbelasting lopen op van 0,5% op de eerste schijf (800.000 EUR -1.300.000 EUR) tot 1,5% op het deel boven 10 miljoen.

Verkoop onroerend goed of aandelen met meerwaarde

Wanneer de Belgische vennootschap een Frans onroerend goed met een meerwaarde verkoopt, zal de meerwaarde belast worden in de Franse vennootschapsbelasting.

Wanneer de aandeelhouders hun aandelen van de vennootschap met een meerwaarde verkopen is de fiscale situatie verschillend. Frankrijk zal actueel geen belastingen heffen omdat zij niet bevoegd is in deze situatie en in principe is de meerwaarde in België belastingvrij. De kans dat dit zo blijft is twijfelachtig gezien de verwachte aanpassing van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag.

Wat bij overdacht van aandelen bij schenking of vererving?

Bij overlijden van een Belgisch rijksinwoner is op de vererving van aandelen van een Belgische vennootschap met Frans onroerend goed België heffingsbevoegd. M.a.w. de Belgische regels, in casu de gewestelijke erfbelastingtarieven, zijn van toepassing. Wil men het successieprobleem oplossen middels een schenking zal men mogelijk wel rekening moeten houden met de Franse schenkbelasting. Dit is het geval wanneer de Belgische vennootschap kwalificeert als een vastgoedvennootschap voor Franse fiscale doeleinden.

Conclusie

Het is duidelijk dat met verschillende fiscale aspecten rekening dient te worden gehouden, zowel in Frankrijk als in België. Voorgaande situatie kan echter veranderen door enerzijds nieuwe fiscale spelregels in België en anderzijds door veranderingen in Frankrijk. Er gaan immers stemmen op dat Frankrijk toch bevoegd zou worden om belastingen te heffen op meerwaarde van aandelen voorkomend uit de verkoop van aandelen van vennootschappen die overwegend onroerende goederen hebben in Frankrijk. Dat zou betekenen dat in de nabije toekomst de Franse fiscus meerwaarden op aandelen van Belgische vennootschappen met overwegend Frans vastgoed zal belasten.

Vastgoed in Frankrijk via een Belgische vennootschap kan een goed idee zijn maar handelen met kennis van zaken is onontbeerlijk, denk maar aan de taxe van 3 % die eenvoudig te vermijden is. Investeren in Frans vastgoed? Bezint eer je begint, het is zeker op zijn plaats. Maak van de Franse droom geen nachtmerrie. Een bedachtzame fiscale planning is alvast aangewezen.

aternio helpt u graag met raad en daad, ook wanneer u over de grenzen heen trekt.


Onderhoudsgeld gestort aan een persoon in het buitenland

Betaalt u momenteel onderhoudsgeld aan uw kinderen of ex-partner ? Dan weet u allicht dat deze - onder bepaalde voorwaarden - voor 80% fiscaal aftrekbaar zijn in de personenbelasting. Wonen de begunstigden van het onderhoudsgeld inmiddels in het buitenland? Ja, dan moet u extra goed opletten wanneer u onderhoudsgeld betaalt.

Wat is onderhoudsgeld?

Onderhoudsgeld of alimentatie is een uitkering voor levensonderhoud aan de kinderen of de ex-partner na een echtscheiding. Dit kan het gevolg zijn van een rechterlijke beslissing (bijvoorbeeld een echtscheidingsvonnis) of een akkoord tussen de onderhoudsplichtige en de begunstigde.

80% aftrekbaar

Indien de onderhoudsplichtige voldoet aan de wettelijke voorwaarden is 80% van de betaalde onderhoudsgelden aftrekbaar van het gezamenlijk netto-belastbaar inkomen in de personenbelasting.

Zo moet het gaan om een wettelijke onderhoudsverplichting. Verder mag de begunstigde van het onderhoudsgeld geen deel uitmaken van het gezin van de onderhoudsplichtige. Tot slot moet de betaling van de onderhoudsgelden ook op regelmatige basis gebeuren. Dit alles moet u steeds kunnen verantwoorden met bewijskrachtige documenten.

Om uiteindelijk recht te hebben op de fiscale aftrek van het betaalde onderhoudsgeld mag u niet vergeten  het effectief betaald bedrag in uw belastingaangifte te vermelden.

Begunstigde woont in het buitenland

Indien u als begunstigde in het buitenland woont, moet u niks doen in België. U moet dus geen Belgische aangifte 'belasting niet-inwoners - natuurlijke personen' (BNI) indienen.

Voor diegene die onderhoudsgeld betaalt zijn er principieel drie belangrijke fiscale verplichtingen:

  • een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen via e-service Finprof;
  • bedrijfsvoorheffing betalen; én
  • een fiche 281.30 opmaken via e-service Belcotax.

De praktijk leert dat dit weleens wordt vergeten. De fiscus controleert dit evenwel effectief. Het is een vergetelheid die u duur kan komen te staan.

Vrijstelling van betaling bedrijfsvoorheffing

Gelukkig bent u in bepaalde gevallen vrijgesteld van betaling van bedrijfsvoorheffing. Dit is het geval wanneer:

  • er een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting bestaat tussen België en het land waar de begunstigde woont;
  • in deze overeenkomst de heffingsbevoegdheid uitsluitend aan de woonstaat van de begunstigde is toegekend; én
  • u kunt bewijzen dat de voorwaarden van de overeenkomst vervuld zijn. Afhankelijk van het land is dit    middels een fiscaal woonplaatsattest, dan wel een combinatie van fiscaal woonplaatsattest en een bewijs dat de onderhoudsuitkering in dat ander land belast is.

Een lijst van alle bestaande overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting met vermelding van hun belastingregime vindt u hier. Let op: u betaalt sowieso bedrijfsvoorheffing indien de woonstaat van de begunstigde niet voorkomt in de lijst van overeenkomsten.

Praktische formaliteiten

Let op, zelfs indien u vrijgesteld bent van betaling van bedrijfsvoorheffing verwacht de fiscus dat u nog steeds een fiche 281.30 invult én een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indient.

Fiche 281.30

Per begunstigde maakt u jaarlijks vóór 1 maart van het jaar na het jaar waarin het onderhoudsgeld is betaald een fiche 281.30 op.

Bedrijfsvoorheffing

Op het onderhoudsgeld moet u een bedrijfsvoorheffing berekenen en inhouden van 26,75% op 80% van de uitkering.

Als u onderhoudsgeld stort aan iemand in het buitenland moet u binnen de twee weken na het verstrijken van het trimester waarin u de uitkeringen betaald heeft een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen. Indien de bedrijfsvoorheffing hoger of gelijk is aan 40.800 euro (voor aanslagjaar 2020) dan moet u binnen de twee weken na het verstrijken van de maand waarin u de uitkering heeft betaald een aangifte doen.

Vervolgens betaalt u de bedrijfsvoorheffing ten laatste binnen de 15 dagen na het verstrijken van het trimester waarin u de uitkeringen heeft betaald. Indien de bedrijfsvoorheffing hoger of gelijk is aan 40.800 euro (voor aanslagjaar 2020)  dan betaalt u de bedrijfsvoorheffing binnen de 15 dagen na het verstrijken van de maand waarin de uitkeringen werden betaald.

Conclusie

De fiscus besteedt al geruime tijd extra aandacht aan de controle van betalers van onderhoudsgelden naar het buitenland. Het is daarom van belang om de fiscale verplichtingen terzake juist na te leven. Check de lijst met dubbelbelastingverdragen en vergeet vervolgens de praktische kant van de zaak niet!


Fiscale controle, wie is er aan de beurt?

Net als de voorbije jaren kondigt de fiscus een aantal controleacties aan die gepland of lopende zijn. Daarmee wil zij belastingplichtigen er via een constructieve samenwerking toe aanzetten om hun fiscale verplichtingen correct na te komen.

Met de aankondiging van controleacties hebben belastingplichtigen alvast een idee van de kans op fiscale controle of de ontvangst van een vraag om inlichtingen.

U bent een particulier

Dit jaar plant de administratie fiscale controle als u:

  • aanspraak maakt op de aftrek van een onderhoudsgeld, met name bij overschrijving naar het buitenland;
  • als bedrijfsleider of loontrekkende werkelijke beroepskosten hebt afgetrokken;
  • de inkomsten uit de verhuur van een onroerend goed, waarvan u eigenaar bent in België en dat door uw huurder voor professionele doeleinden wordt gebruikt, niet juist hebt aangegeven;
  • de roerende inkomsten die verband houden met het houden van een buitenlandse rekening niet hebt aangegeven; of
  • uw belastingaangifte niet hebt ingediend ondanks de verzonden herinnering.

U vertegenwoordigt een onderneming

Een onderneming loopt onder meer een hoger risico op een fiscale controle als zij:

  • de voorwaarden bij het aanleggen van een liquidatiereserve niet heeft nageleefd;
  • niet al haar inkomsten heeft aangegeven, in het bijzonder de buitenlandse inkomsten;
  • niet-recurrente kosten van uitzonderlijke omvang of van uitzonderlijke impact heeft opgenomen in de jaarrekening;
  • een gebrek aan samenhang in haar omzetcijfer vertoont. Denk hierbij aan omzet die abnormaal lijkt in verhouding tot de omzet van gelijkaardige ondernemingen. Ook het evolueren in een a priori abnormale verhouding en dit volgens diverse parameters die enkel door de fiscus gekend zijn.
  • is opgericht als holding en achtereenvolgens een kapitaalsverhoging en een niet-belaste kapitaalsvermindering heeft doorgevoerd.

De fiscus wil naar eigen zeggen een gelijke fiscale behandeling garanderen. Daarom zullen zij de particulieren en de ondernemingen selecteren op basis van indicatoren die wijzen op een groter fiscaal risico.

Conclusie

Het is altijd handig om de hoogte te zijn van de intenties tot fiscale controle. Naast deze specifieke aandachtspunten blijft de fiscus uiteraard nog andere en minder voorzienbare controles uitvoeren. Net het onverwachte gegeven van een fiscale controle moet zowel particulieren als ondernemingen aanzetten tot het naleven van hun fiscale verplichtingen.