Voortaan minder risico op monsterboeten

U heeft wellicht ooit al iets gehoord over de zogenaamde 'aanslag geheime commissielonen', beter bekend als de 'monsterboete'.
Wanneer bijvoorbeeld lonen of bepaalde vergoedingen door de uitkerende vennootschap niet zijn vermeld op een fiscale fiche, kan zij worden gesanctioneerd door een aanslag geheime commissielonen.

De wet van 27 juni 2021 (B.S. 30 juni 2021) versoepelt nu de voorwaarden om aan de toepassing van deze bijzondere aanslag te kunnen ontsnappen.

Ficheplicht

In principe zijn kosten voor een onderneming pas fiscaal aftrekbaar wanneer zij door de nodige bewijsstukken zijn verantwoord.

Voor lonen en voordelen alle aard toegekend aan werknemers of bedrijfsleiders en vergoedingen toegekend aan zelfstandige verkrijgers (commissies, makelaarslonen) geldt zelfs een bijzondere ficheplicht.

Vennootschappen moeten deze fiches jaarlijks opmaken en indienen bij de fiscus. Op die manier kan de fiscale administratie nagaan of de uiteindelijke verkrijgers van de vergoedingen deze ook correct hebben aangegeven.

Aanslag geheime commissielonen

Wanneer de vennootschap echter niet heeft voldaan aan voornoemde ficheverplichting kan zij worden onderworpen aan een aanslag geheime commissielonen. De vergoedingen worden daarbij afzonderlijk belast bij de uitkerende vennootschap.

Het tarief van de bijzondere aanslag bedraagt op vandaag 100% wanneer de verkrijger een natuurlijke persoon is, en 50% wanneer de verkrijger een rechtspersoon is (voorheen was dit 309% !).

Ontsnappingsroutes

De wet voorzag echter in 2 ontsnappingsroutes.

Ten eerste is de monsterboete niet verschuldigd wanneer de verkrijger van lonen of voordelen ze aangegeven heeft (art. 219, lid 5 WIB 92).

Daarnaast is de monsterboete evenmin verschuldigd wanneer de fiscus de genieter van de lonen of voordelen 'tijdig en op ondubbelzinnige wijze' kan identificeren (art. 219, lid 6 WIB 92). (De fiscus hoeft de bedragen nog niet effectief te hebben belast.)

De identificatie is 'tijdig' wanneer dit uiterlijk gebeurt binnen 2 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari van het betrokken aanslagjaar.

Wanneer de fiscus de verkrijger identificeerde buiten deze periode, dan kon de fiscus bij de vennootschap alsnog een aanslag geheime commissielonen opleggen, ook had er een belasting plaatsgevonden bij de verkrijger.

Dit heeft de wetgever nu aangepast.

Nieuwe wetgeving versoepelt ontsnappingsroute

De fiscus mag de bijzondere aanslag voortaan ook niet meer opleggen - na de periode voor ondubbelzinnige identificatie  -  wanneer de binnenlandse verkrijger akkoord gaat met de belasting in zijn hoofde. Die belasting kan binnen de gewone aanslagtermijn van 3 jaar of de bijzondere termijn van 7 jaar bij fraude.

Conclusie

De aanslag geheime commissielonen heeft al sinds haar invoering de gemoederen beroerd. Zowel het tarief als de concrete toepassing ervan werd door de belastingplichtigen telkens als zéér onredelijk aangevoeld. Ook de fiscale wetgever heeft dit uiteindelijk erkend, getuige de laatste wetswijziging. De monsterboete is voortaan de uitzondering in plaats van de regel.

aternio gidst u doorheen de fiscale jungle. Toch twijfels of vragen: contacteer ons.


Weg ermee! Geen dubbele erfbelasting op buitenlandse goederen

Niemand betaalt graag dubbel. Dat is zo in het dagelijkse leven en dat is dus niet anders wanneer het over bijzondere gebeurtenissen gaat zoals een overlijden. In deze bijdrage gaat het specifiek over de erfbelasting naar aanleiding van het overlijden van iemand met fiscale woonplaats in België die goederen bezit in het buitenland.

Het is al jarenlang een wettelijke regel dat erfgenamen in principe geen Belgische erfbelasting moeten betalen op buitenlandse onroerende goederen. Meer bepaald kan de erfbelasting die betrekking heeft op de buitenlandse onroerende goederen, verminderd worden met de buitenlandse erfbelasting op deze goederen. Voor roerende goederen (aandelen, bank- en effectenrekeningen, ...) was er geen regeling voorzien. Het Grondwettelijk Hof heeft daar nu, in een arrest van 3 juni 2021, evenwel paal en perk aan gesteld. Onderscheid maken in belastbaarheid tussen buitenlandse onroerende en roerende goederen is ongrondwettig.

Een beetje geschiedenis inzake internationale erfbelasting

De wet van 10 augustus 1923 heeft een successieregel ingevoerd om dubbele erfbelasting te vermijden. Echter, in die wetgeving ging het enkel over dubbele belasting op onroerende goederen. Meer specifiek kan men de belasting die in het buitenland betaald werd op onroerende goederen, verrekenen met de in België verschuldigde erfbelasting op deze buitenlandse onroerende goederen. Weliswaar mits het voldoen van de cruciale voorwaarde dat de erfbelasting ook daadwerkelijk in het buitenland is betaald. De erfgenamen bewijzen dit aan de hand van een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs, een afschrift van de buitenlandse aangifte en een berekening van de buitenlandse belasting.

Raar maar waar, over roerende goederen wordt in een Belgische context met geen woord gerept. Wat niet uitsluit dat er in het andere land geen vermindering zou kunnen zijn van de in België verschuldigde erfbelasting.

Daar is het Grondwettelijk Hof

Bijna honderd jaar na de wet van 1923 heeft het Grondwettelijk Hof de rug gerecht en uitspraak gedaan over het redelijk en objectief verantwoord karakter van dit verschil in behandeling.

De feiten

Een man is Belgisch rijksinwoner, maar overlijdt in Spanje. De erfgenamen dienden Belgische en Spaanse aangiftes in. België zal namelijk belasten op het wereldwijde vermogen, maar ook Spanje wil de lokale onroerende goederen en banktegoeden belasten. De erfgenamen zien zich dus geconfronteerd met dubbele erfbelasting en de fiscale administratie wou enkel verrekening doorvoeren voor het onroerend vermogen.

De uitspraak

Het Grondwettelijk Hof stelt dat niets de verantwoording voor het verschil in behandeling nog kan staande houden. Historisch gezien vormde het onroerend goed quasi het enige belangrijke deel van het vermogen. Vandaag de dag moeten roerende goederen daar vaak niet meer voor onder doen. Het tegendeel is soms zelfs waar. Het Hof kan dan ook niet anders dan besluiten tot een schending van het grondwettelijk (fiscaal) gelijkheids en non-discriminatiebeginsel.

Het Grondwettelijk Hof heeft bijgevolg de betreffende bepaling van het federale Wetboek van successierechten (art. 17 W.Succ) ongrondwettig verklaard. Voor Vlaanderen is echter sinds 1 januari 2015 de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), met eigen regels, van kracht. Het arrest heeft echter ook belang voor Vlaanderen, aangezien er eenzelfde letterlijke bepaling in de VCF (art. 2.7.3.2.1 VCF) is opgenomen.

Het is nu aan de verschillende wetgevers om deze ongelijkheid (zo snel mogelijk) op te heffen.

Het gevolg

Het arrest van het Grondwettelijk Hof maakt het mogelijk om teruggave te bekomen van de ten onrechte teveel betaalde belasting. De termijn hiervoor bedraagt vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd. Voor het Vlaamse Gewest kan dit met een bezwaar dan wel een verzoek tot ambtshalve ontheffing. Voor de andere gewesten kan een verzoek tot teruggave worden ingesteld.

Conclusie

Erfgenamen kunnen op basis van het voornoemde arrest, de in het buitenland betaalde erfbelasting voor roerende goederen alvast verrekenen met de in België betaalde erfbelasting. Dit kan uiteraard niet zonder meer. De belastingsplichtige dient een aantal bewijsstukken voor te leggen, zoals het betalingsbewijs, de buitenlandse aangifte en berekening van de erfbelasting.

Weet wel dat, als de betaalde buitenlands erfbelasting lager is dan die in België, dat men nog gedeeltelijk zal moeten bijbetalen. Als de buitenlandse erfbelasting hoger is, dan hoeft u hier in België niets meer te voldoen.

Het arrest is alleen maar toe te juichen, aangezien de ongelijkheid in behandeling al enkele jaren een doorn in het oog is van menig fiscalist.

aternio is deel van een PrimeGlobal en kan u helemaal ontzorgen bij een nalatenschap met internationale aspecten. Neem zeker contact op voor meer informatie.


Zal mijn (tand)arts binnenkort btw aanrekenen?

Op vandaag is een medische behandeling bij een arts, tandarts, diëtist of kinesist in principe vrijgesteld van btw. Dit betekent dat zij geen btw aanrekenen op hun erelonen aan patiënten.

Hierop bestaat één uitzondering: de louter "esthetische" behandelingen door een arts. Voorlopig zijn dus enkel de louter esthetische behandelingen door een arts onderworpen aan btw (denk bijvoorbeeld aan een botox-behandeling).

Vanaf 1 januari 2022 komt daar verandering in.

Therapeutische handelingen

In haar arrest van 5 december 2019 vernietigde het Grondwettelijk Hof -  in navolging van de Europese rechtspraak- diverse wetsbepalingen over btw voor medische handelingen. De wet van 11 juli 2021 (BS 20 juli 2021) wijzigt daarom het Wetboek btw op vlak van de vrijstelling van btw inzake medische verzorging. Deze tekstueel zeer korte wet treedt dus op 1 januari 2022 in werking.

Vanaf dan zullen alleen zogenaamde "therapeutische" behandelingen en ingrepen nog vrijgesteld zijn van btw. Dat geldt niet alleen voor artsen en tandartsen, maar voor alle medische en kwalificerende paramedische beroepen.

Voer voor discussie

Volgens de Europese rechtspraak dient met het oog op de btw-vrijstelling de medische behandeling een diagnose, de behandeling, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen tot doel hebben.

Een niet-therapeutische behandeling wordt in principe dus 21% duurder. Een kost die onvermijdelijk aan de patiënt zal worden doorgerekend.

Het hoeft geen betoog dat het begrip "therapeutische" behandeling voer voor discussie zal zijn. Hoe moet men dit interpreteren?
Wat met een beugel? Of een sterk verkleurde of gebroken tand?

De diverse beroepsorganisaties treden hierover alvast in overleg met het kabinet van de Minister van Financiën. Het is de bedoeling dat er vóór het einde van het jaar 2021 een administratieve circulaire wordt gepubliceerd.

Gemengde btw-plichtige

Als gevolg van deze nieuwe regeling zullen vanaf volgend jaar heel wat (tand)artsen gemengde btw-plichtige worden. Dit heeft tot voordeel dat zij (een deel van) van hun betaalde btw op bepaalde kosten en investeringen kunnen aftrekken.

Gemengde btw-plichtigen hebben echter geen volledig recht op aftrek. Zij kunnen de btw op hun aankopen slechts aftrekken in de mate dat deze aankopen worden aangewend voor hun uitgaande handelingen waarover btw is verschuldigd.

De btw-plicht heeft evenwel als nadeel dat er heel wat administratieve en boekhoudkundige verplichtingen bijkomen.

Kleine onderneming

In praktijk zullen wellicht niet alle (para)medische beroepers btw aanrekenen. Indien zij op jaarbasis minder dan 25.000,00 euro omzet hebben uit louter niet-therapeutische behandelingen kunnen zij kiezen voor de btw-vrijstelling als "kleine onderneming".

(Para)medici die willen genieten van deze btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen dienen dit aan te vragen bij hun lokaal btw-kantoor.


Testament - het ene geschrift is het andere niet

Wanneer u het woord "testament" hoort, denkt u ongetwijfeld aan onze eerdere bijdragen waarbij het ging over de verschillende soorten testamenten. En gelijk hebt u, want er zijn inderdaad verschillende vormen. Wat nu wanneer er twee versies van zo'n laatste wilsbeschikking op tafel liggen, het ene notarieel opgemaakt en het andere eigenhandig geschreven? Welke versie primeert?

Verschillende soorten van testament

Een testament is, volgens ons Burgerlijk Wetboek (BW) een eenzijdige rechtshandeling, die ad nutum (lees: te allen tijde) kan worden herroepen en die slechts uitwerking heeft bij het overlijden van de testator.

Er zijn 3 basis-verschijningsvormen mogelijk. Zo is er:

  • het notarieel of openbaar testament;
  • het eigenhandig of holografisch testament; en
  • het internationaal testament.

Handig weetje is dat er, naast de voornoemde gewone testamentsvormen, er ook nog buitengewone testamentsvormen zijn, zoals:

  • het testament gemaakt in oorlogstijd;
  • het militair testament; en
  • het maritiem testament.

Deze buitengewone wilsbeschikkingen hebben vaak slechts een beperkte geldigheidsduur. We laten deze echter, in het bestek van deze bijdrage, verder buiten beschouwing.

Het notarieel of openbaar testament

Dit is het meest formalistische van de testamentsvormen. Oorspronkelijk diende het notarieel testament te worden opgemaakt voor een notaris, in het bijzijn van getuigen. Maar gelukkig is hieraan enige tijd geleden gesleuteld en beschikken we nu over ietwat meer moderne regels.

Maar, het is niet omdat het dictée nu weggevallen is, dat al de andere formaliteiten ook niet meer gelden. Nee hoor, het is en blijft een notariële akte die mede-ondertekend wordt door de notaris, als bevoegde ambtenaar.

Het hoeft dus geen verder betoog dat dit zeer formele karakter zorgt voor een sterke bewijswaarde. Indien iemand wenst aan te tonen dat het document ongeldig zou zijn, dan moet dit via de procedure van valsheid in geschrifte verlopen. Kleine noot hierbij: dit is een zeer zware procedure die vaak niet succesvol is, indien het tegen een notaris wordt opgenomen.

Het eigenhandig of holografisch testament

Dit is de minst formele testamentsvorm, die ook al eerder aan bod kwam.

U zal merken dat er een verregaande trend tot deformalisering inzake testamenten is. Deze trend is er om zoveel mogelijk testamenten uitwerking te laten krijgen. Dat is absoluut een goede zaak.

Het internationaal testament

In tegenstelling tot wat de terminologie laat vermoeden, is deze testamentsvorm niet enkel bruikbaar in een internationale context. Er hoeven ook niet noodzakelijk internationale aanknopingspunten te zijn om dit testament op te maken. De term "internationaal" is historisch en verwijst naar het Verdrag van Washington (1973). Het was de bedoeling om een uniforme basis voor testamenten in te voeren, voor de staten die het Verdrag zouden onderschrijven.

Een internationaal testament moet schriftelijk zijn, maar het maakt niet uit in welke vorm het is. Ook het middel waarmee het geschreven is, maakt niet uit. Bovendien moet de testator het ook niet per definitie zelf geschreven hebben.

Op straffe van nietigheid is het wel vereist dat er verklaard wordt dat het document effectief de wil van de testator vertegenwoordigt. Dat moet in aanwezigheid van getuigen en een bevoegd persoon, vaak een notaris. Het is ook op dat moment dat het testament een handtekening moet krijgen.

Vervolgens zal het ook aangewezen zijn dat de notaris het document dateert en de pagina's nummert en laat paraferen. Maar het ontbreken hiervan triggert enkel de aansprakelijkheid van de notaris, niet de nietigheid van het document.

Welke vorm primeert?

In principe beschikt de testator over de keuze van de testamentsvorm. Op zich zijn alle vormen ook even geldig. Maar, wat als er plots, bij een overlijden, meerdere testamenten boven water komen? Moeten we dan kijken naar het meest recente qua datum? Of primeert de notariële versie sowieso boven de eigenhandig geschreven variant?

De rechtbank van eerste aanleg in Gent heeft zich op 2 april 2020 over dergelijke kwestie uitgesproken. Vooreerst moet het duidelijk zijn dat er een verschil is tussen bewijswaarde en bewijskracht.

Het eigenhandig testament verliest namelijk elke bewijswaarde, van zodra iemand het testament ontkent en vanaf het moment dat een rechter zich hierbij aansluit. Het eigenhandig testament verliest bovendien elke bewijskracht, na een dergelijke ontkenning. Dit alles leidt tot de conclusie dat de inhoud van het eigenhandig testament in feite irrelevant is geworden.

Vlabel gooit de stok in het hoenderhok

Boter bij de vis, moet Vlabel gedacht hebben en zij namen door te taxeren het heft in eigen handen.

In het voorliggende geval waren er dus twee testamenten: één notarieel waarin de ex-echtgenote als begunstigde was opgenomen en één onderhands, waarin iemand anders als begunstigde was vermeld. De ex-echtgenote betwist de geldigheid van het (latere) eigenhandig testament. Dit was voor Vlabel voldoende om te concluderen tot belasting van de eerste begunstigde, namelijk de ex-echtgenote. Los van wat de uitkomst van de rechtbank ook zou zijn, had zij een aangifte moeten indienen, als begunstigde van het testament. De geldigheid van het latere document werd betwist en dient daardoor dus (tijdelijk) voor onbestaande te worden beschouwd. Als later de geldigheid van de eigenhandige versie wordt bewezen, kan een ontheffing plaatsvinden, maar dat is dus niet zeker.

In het omgekeerde geval, wanneer de begunstigde van het eigenhandig testament, de notariële versie zou betwisten, zou dit geen verschil geven. Het notariële testament behoudt namelijk de volledige bewijswaarde tot zolang het niet nietig werd verklaard. Ook in dat geval zou de ex-echtgenote dus gehouden zijn tot betaling van erfbelasting. Deze gehoudenheid vervalt slechts ingeval van officiële nietigverklaring van het notariële testament.

Conclusie

Wanneer u als testator duidelijk weet wat u wil en zeker bent dat u in de toekomst niet meer van gedacht zal veranderen, kan een eigenhandig testament de job echt wel aan. Zelfs als u in een meer turbulent leven verzeild bent geraakt, dan kan u ook uw heil zoeken in het eigenhandig testament maar enkel als u zelf consequent bent. Laat de regel zijn: eens eigenhandig, altijd eigenhandig. Let op wanneer u de vormen begint te vermengen, want dan kan u dus in bovengenoemde situatie terechtkomen. Tenzij u uiteraard uw aangifte van nalatenschap graag een beetje spannend maakt...

aternio adviseert u graag wanneer u overweegt om een laatste wilsbeschikking op te maken voor uw nabestaanden.


Beding van voorafname - be careful what you wish for

Dat het erg belangrijk is om de juiste woordkeuzes te maken, is een waarheid als een koe. Keer op keer worden dergelijke "clichés" bevestigd. Dit keer door onze Vlaamse Belastingdienst (Vlabel). In de voorliggende casus was er onduidelijkheid over de interpretatie van een beding van voorafname in het huwelijkscontract. Het ging specifiek over een keuzebeding en de implicaties daarvan bij de verdeling van de huwgemeenschap.

Gaat u mee met ons doorheen de wondere wereld van de modaliteiten in een huwelijkscontract?

Beding van voorafname - keuzebeding

Het beding van voorafname zorgt ervoor dat de langstlevende partner, bij een overlijden, kan kiezen wat deze alvast naar zich toe wil trekken.

Een gekende verschijningsvorm van een dergelijk beding, is het keuzebeding. Dat is heden ten dage een bijzonder gegeerde clausule in menig huwelijkscontract. Hierdoor kan de langstlevende partner zelf een pakket goederen uit de gemeenschap samenstellen. De gekozen goederen zullen dan toebedeeld worden door de werking van het huwelijkscontract en niet door het overlijden van de ene partner. Daardoor komt de erfbelasting ook alvast niet in het vizier. Handig toch?

No words needed - of misschien toch wel?

Behoudens wanneer het huwelijkscontract iets anders voorziet, kan de voorafname gebeuren zonder aanrekening op het deel van de langstlevende in het gemeenschappelijk vermogen. De verdeling van het saldo van dat gemeenschappelijk vermogen gebeurt dan nog tussen de langstlevende en de nalatenschap van de overleden partner.

U heeft de bui vermoedelijk voelen hangen bij het lezen van de intro. Het woordje "behoudens" voorspelt alvast niet veel goeds. Althans niet in de besproken interpretatie van Vlabel.

Zich van geen kwaad bewust, ging de langstlevende er van uit dat de helft van het resterende gemeenschappelijk vermogen aan haar zou toekomen. Bovendien zou ook het vruchtgebruik over de goederen uit de nalatenschap haar worden toegekend. Zo stond het althans opgenomen in de aangifte van nalatenschap.

Maar dit is buiten Vlabel gerekend. Zij stellen dat de langstlevende afstand had gedaan van haar helft in de huwgemeenschap. Daardoor diende de aanslag ten aanzien van de kinderen niet berekend te worden op de helft van de resterende goederen uit de gemeenschap. Nee, men diende de aanslag te vestigen op de totaliteit van de resterende goederen.

Hoe kan dat?

Ja, dat is natuurlijk de vraag. Want u hebt met ons meegelezen dat het beding van voorafname normaal gezien geen impact heeft op de verdeling van het saldo van het gemeenschappelijk vermogen. Dat laatste kan "gewoon" verdeeld worden, bij helften.

Men verwacht van een huwelijkscontract dat het voordelen en duidelijkheid brengt. Dat is in de overgrote meerderheid van de situaties ook echt wel het geval. Maar in dit geval zit de clue in de bewoordingen. Vlabel publiceert in de voorliggende casus namelijk een uittreksel van het huwelijkscontract in kwestie. Het contract stelt onder meer dat: "de bezittingen die na keuze niet toekomen aan de langstlevende echtgenoot zullen afhangen van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot". 

Die zin is het probleem. Een klassiek beding van vooruitmaking impliceert dat wat rest van het gemeenschappelijk vermogen, gelijkmatig verdeeld wordt. Herinner u echter de zinsnede: "behoudens wanneer het huwelijkscontract iets anders voorziet". De bewuste clausule in stelt duidelijk dat de resterende goederen onmiddellijk afhangen van de nalatenschap. Daardoor maken zij dus geen deel uit van het gemeenschappelijk vermogen. Bijgevolg wordt geargumenteerd dat partijen uitdrukkelijk hebben afgeweken van de aanrekening op het deel van de langstlevende in het gemeenschappelijk vermogen.

Conclusie

Vaak gaat men, om economische redenen of wegens tijdsgebrek, te snel voorbij aan formuleringen in officiële documenten. Jammer, maar heel erg "helaas", want daardoor kan men in geval van betwistingen vaak tot ongewenste resultaten komen. Wees kritisch, wik en weeg uw woorden en neem uw tijd voor dergelijke documenten. Probeer de inhoud en draagwijdte steeds ten volle te begrijpen. Vindt u die juridische termen wat lastig? Geen nood, de juristen van aternio staan u graag bij om alles door te nemen en het u in "mensentaal" uit te leggen.


Vastgoed in een familiale vennootschap dan toch fiscaal niet vergeten?

Over familiale vennootschappen is de laatste jaren al heel wat gezegd en geschreven. Het fiscaal gunstige schenk- en erfregime bestaat al sinds 2015 en heeft sindsdien best wat stof doen opwaaien. Het was, en is nog steeds, de bedoeling om de ondernemer aan te zetten om tijdens het leven actie te ondernemen en aan opvolging te denken. Vooral wanneer er vastgoed mee gemoeid is, is tijdig beginnen plannen aangewezen!

In een ideale wereld is alles duidelijk en hoeven er geen toetsstenen te zijn. Maar in real life moet er wel aan de participatie- en de activiteitsvoorwaarde voldaan zijn, alvorens te kunnen kwalificeren als familiale vennootschap.

Participatievoorwaarde

Ondertussen is het al deel van het collectief geheugen, maar volledigheidshalve hernemen we hier toch nog even dat de schenker/erflater een bepaald minimumaantal aandelen moet bezitten om in aanmerking te kunnen komen voor de gunstregeling.

Voor het overige verwijzen we u graag naar eerdere bijdragen, aangezien deze voorwaarde hier verder buiten beschouwing blijft.

Activiteitsvoorwaarde en vastgoed

De activiteitsvoorwaarde is echter iets minder recht door zee. Om van het gunstregime te kunnen genieten, moet de vennootschap in kwestie een reële economische activiteit hebben. De discussie of dat al dan niet het geval is, gaat meestal over het aanhouden van vastgoed in die familiale vennootschap.

Zo was het vroeger - anno 2015

In den beginne... stond de Vlaamse Belastingdienst (a.k.a. Vlabel) argwanend tegenover vastgoed in de familiale vennootschap. Zonder wettelijke definitie over het begrip reële economische activiteit, werd dit aan de interpretatie overgelaten. Vlabel argumenteerde dat het louter exploiteren en beheren van onroerend goed nooit een reëele economische activiteit kon uitmaken.

De beoordeling hiervan gebeurt op basis van een tweetal parameters, namelijk:
- het vastgoed (terreinen en gebouwen) bedraagt meer dan 50% van het totale actief; en/of
- de sociale lasten, bezoldigingen en pensioenen bedragen 1,5% of minder van het totale actief.

Indien aan beide parameters cumulatief voldaan is, is een vennootschap eerder een patrimoniumvennootschap en heeft ze bijgevolg geen reële economische activiteit. Enige uitzondering hierop betreft onroerend goed, dienstig voor de groepsstructuur.

Zo was het vroeger - anno 2019

In een voorafgaande beslissing met nr. 19008 van 29 april 2019 leek het tij alvast te keren. Vlabel aanvaardt sinds dat moment dat vastgoed wel als economische activiteit zou kunnen gelden en staat zo de toepassing van de gunsttarieven niet meer noodzakelijkerwijze in de weg.

Deze voorafgaande beslissing werd reeds uitvoering besproken in een eerder blogbericht.

Rechtbanken hakken de interpretatieknoop door -  anno 2020/2021

Wanneer een vennootschap, volgens de parameters, geen reële economisch activiteit heeft, dan is uitsluiting van het gunstregime dus zeer waarschijnlijk. Echter, de belastingplichtige kan wel tegenbewijs leveren om zo aan te tonen dat de vennootschap in kwestie wel degelijk een reële economische activiteit heeft.

In een vonnis van 4 februari 2020 diende de rechtbank van eerste aanleg te Gent te oordelen over volgende feiten. Een vennootschap heeft als activiteit: het opkweken van dieren en het uitbaten van een slagerij. Daarnaast heeft de vennootschap ook nog enkele onroerende goederen, met een private bestemming. Het ging om een appartement dat af en toe verhuurd werd en een woning. Vlabel weigerde om de gunsttarieven toe te passen op de vennootschap en liet geen tegenbewijs terzake toe. De rechtbank van eerste aanleg te Gent stelde Vlabel op dat punt echter in het ongelijk.

Tegen die beslissing stelde Vlabel hoger beroep in. Een tussenarrest van het hof van beroep te Gent, op 1 juni 2021, bevestigde echter de eerdere uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Met andere woorden: tegenbewijs is toegelaten, ook als er privaat vastgoed op de balans van de vennootschap in kwestie staat. Ondanks de onroerende goederen met private bestemming, kan het tegenbewijs van de reële economische activiteit wel degelijk geleverd worden.

Het hof van beroep te Gent gaat zelfs nog verder en stelt dat verhuur van onroerend goed ook een echte economische activiteit is. Eureka!

Discriminatie?

Creërt het voorgaande een discriminatie tussen de familiale onderneming en de familiale vennootschap? Bij de familiale onderneming is vastgoed, hoofdzakelijk bestemd voor bewoning, principieel uitgesloten van de gunstregeling. Voor familiale vennootschappen zou dit nu ander liggen, van zodra de vennootschap kwalificeert. Zij komt dan voor haar gehele waarde, inclusief het onroerend goed, in aanmerking voor de gunsttarieven.

Hierover is het laatste woord nog niet gezegd. Tijd zal uitwijzen wat het standpunt hierover zal zijn.

Conclusie

De interpretatie inzake de reële economische activiteit van familiale vennootschappen evolueert gunstig. Het niet toelaten van tegenbewijs, in vennootschappen met vastgoed maar waar duidelijk een dergelijke activiteit is, is onlogisch. In het verleden heeft dit trouwens al tot onbegrijpelijke situaties geleid. Het is positief dat de rechtbanken nu paal en perk stellen aan deze interpretatieve "willekeur".

Aarzel niet en vraag voorafgaand aan uw schenking een testattest aan bij Vlabel. Discussies worden zo op voorhand gevoerd, waardoor u desgevallend uw strategie nog wat kan bijsturen. aternio helpt u graag bij het vermijden van slapeloze nachten. Contacteer ons voor meer informatie.


Is investeren in een "kot" als tweede verblijf wel goed idee?

De Belg heeft een baksteen in de maag. Dat is al jaren zo en zal vermoedelijk ook nog wel een tijdje zo blijven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat u begint na te denken over investeren, wanneer zoon- of dochterlief wil gaan studeren. U overweegt om een fris appartement of een pittige studio te kopen in een bruisende (studenten-)stad. Dat is handig als uitvalsbasis voor de studerende kinderen en bovendien kan dat later als tweede verblijf ook nog opportuniteiten bieden. Het onroerend goed kan verhuurd worden of u kan het opnieuw verkopen (liefst met een mooi winstpercentage). Maar ook, wanneer u zelf een dagje ouder wordt, zou het wel handig kunnen zijn om in een stad te wonen en overal dichtbij te zitten. Rozengeur en maneschijn... Maar hebt u ook al aan de financiële en fiscale implicaties gedacht?

Tweede verblijf

Een bijkomende woning kopen, betekent dat u bepaalde belastingen dubbel zal moeten betalen. Zo gaat het alvast met de onroerende voorheffing, beter bekend onder het alter ego van de grondlasten, en de gemeentebelasting. Die zal u jaarlijks voor elk onroerend goed waarvan u eigenaar bent, moeten voldoen. Bovendien moet u het onroerend goed ook jaarlijks opnemen in uw aangifte personenbelasting.

Vervolgens hebt u ongetwijfeld al gehoord over de bijkomende belasting die van toepassing is op een tweede verblijf. Meestal leest u dit in het kader van een tweede verblijf aan de kust of in de ardennen. Maar, eigenlijk is elke woning waar u eigenaar van bent, maar die niet verhuurd is of kortom: waar niemand  gedomicilieerd is, een tweede verblijf. Elke stad of gemeente hanteert daarbij eigen/andere tarieven om deze te belasten.

Kan u daar iets aan veranderen? Ja dus! U kan uw studerende zoon en/of dochter in het tweede verblijf laten domiciliëren. Op die manier kan die laatste, specifieke, belasting op tweede verblijven alvast de kop indrukken. Is dit verstandig?

Groeipakket?

Niet meteen fiscaal getint, maar wel een prijskaartje waarmee u rekening dient te houden indien uw studerende kind zich in het tweede verblijf zou domiciliëren.

In principe is er recht op het groeipakket, in de volksmond bekend als de "kinderbijslag", tot de maand dat het kind 25 jaar wordt. Zolang het studerende kind thuis blijft wonen, en dus onder het ouderlijke dag gedomicilieerd is, zal dit aan de ouders uitbetaald worden. Gaat het kind op kot, maar wijzigt het domicilieadres niet, dan blijft dit ongewijzigd van toepassing.

Wijzigt het domicilie wel, omwille van het voorgaande, dan zal het studerende kind zelf deze sommen ontvangen!

Kind ten laste?

Kinderen ten laste zorgen voor een belastingvoordeel op uw jaarlijkse belastingbrief. Een voorwaarde om fiscaal ten laste te zijn, is dat het kind op 1 januari van het aanslagjaar nog in het gezin woont. Met andere woorden, als uw studerende kind zich domicilieert in het tweede verblijf, dan wonen dat kind en de rest van het gezin niet meer onder hetzelfde dak. Daardoor is dus de basisvoorwaarde niet meer vervuld en zal het betreffende kind dus niet meer fiscaal ten laste zijn.

Wat met planningen?

De klassieke planning in rechte lijn, lees: van ouders naar kinderen, ondervindt geen "hinder" van het feit dat uw kind zich elders domicilieert. U hoeft niet met uw ouders onder hetzelfde dak of op hetzelfde adres te wonen om van de schenk- en/of erfbelasting in rechte lijn te kunnen genieten.

Anders is het wanneer we dit bekijken vanuit het oogpunt van broers en/of zussen. De Vlaamse belastingadministratie aanvaardt dat het tarief in rechte lijn ook van toepassing is in hoofde van minderjarige of meerderjarige broers en/of zussen, die met hun ouders in de gezinswoning samenwonen. Zij voeren namelijk een zogenaamde "gezamenlijke huishouding" en worden bijgevolg als samenwoners beschouwd. Hierdoor zijn ook op dit punt de tarieven in rechte lijn van toepassing.

Indien een kind zich elders gaat domiciliëren, gaat dit argument dus ten onder. Vanaf dat moment zullen de hogere tarieven tussen broers en/of zullen dus toepassing vinden.

Als u 2 (of meer) studerende kinderen hebt, die samen in het tweede verblijf hun intrek en domicilie nemen tijdens hun studie, dan zullen zij op hun beurt ook weer als samenwonenden kwalificeren. Daardoor zullen schenkingen en legaten tussen hen, ook aan de lagere tarieven in rechte lijn kunnen plaatsvinden.

We geven u graag de tarieven in zowel de schenkbelasting als de erfbelasting nog even mee.

Conclusie

Het is van belang om eerst even alles in kaart te brengen en tegenover elkaar af te wegen, vooraleer bepaalde beslissingen worden genomen. Op die manier kan u onaangename bijwerkingen vermijden.

aternio bekijkt dit graag samen met u. Contacteer ons voor een fiscale optimalisatie van uw plannen.


Hoe het formulier KI buitenlands onroerend goed correct invullen?

In een vorige blog hebben we het reeds uitvoerig gehad over de toekenning van een Belgisch Kadastraal Inkomen (KI) voor buitenlands vastgoed.

Om dit KI te kunnen bepalen, zullen alle eigenaars van buitenlands vastgoed zeer binnenkort een vragenlijst krijgen. Sommige eigenaars hebben het formulier misschien al ontvangen. Hoe vult u dit formulier correct in? U leest het hierna.

Onverdeelde eigenaars?

Elke Belgische belastingplichtige die zakelijke rechten (eigendom, vruchtgebruik, erfpacht, opstal) heeft op een in het buitenland gelegen onroerend goed, is verplicht daarvan aangifte te doen.

Indien het een onroerend goed in onverdeeldheid betreft, moet elke deelgenoot afzonderlijk het formulier indienen. Elke deelgenoot vermeldt zijn eigendomsrechten 'onder de vorm van een breuk'. (zie vak 3 van het formulier)
Bijvoorbeeld: U bent samen met uw broer (eveneens een Belg) onverdeeld eigenaar van het onroerend goed. U vermeldt beiden afzonderlijk op het formulier "1/2" bij de eigendomsrechten.
Dit geldt eveneens voor echtgenoten, ook wanneer het onroerend goed in gemeenschap is aangehouden. Zij dienen dus ook elk afzonderlijk een aangifteformulier in te dienen.

Gebouwd onroerend goed

De bepaling van het KI voor buitenlandse gebouwde onroerende goederen gebeurt op dezelfde wijze als voor in België gelegen gebouwen. We moeten dus kijken naar de "normale nettohuurwaarde" op 1 januari 1975. Indien deze waarde niet voorhanden is  zal men het KI bepalen aan de hand van de huidige verkoopwaarde.  De huidige verkoopswaarde brengt men terug tot de waarde van 1975 door toepassing van een correctiefactor. Die correctiefactor (15,036 voor inkomstenjaar 2020) zal men jaarlijks in een Koninklijk Besluit publiceren. Vervolgens moet men op deze waarde de kapitalisatiefactor van 5,3% toepassen.

- Actuele verkoopswaarde is gekend

Indien u de actuele verkoopwaarde (normale verkoopwaarde) van uw onroerend goed kent, kan u dit invullen in vak 4 van het formulier. Dit is de verkoopprijs die op het tijdstip van de aangifte onder normale verkoopvoorwaarden zou kunnen worden verkregen.

- Actuele verkoopswaarde is niet gekend

Indien u de 'actuele verkoopwaarde' van het onroerend goed echter niet kent, maakt het aangifteformulier een onderscheid tussen 3 verschillende situaties;

1) Terrein waarop u een gebouw hebt laten optrekken

In deze situatie moet u in vak 5 de verwervingsprijs van de grond aangeven (exclusief notariskosten en registratierechten) en de datum van de verwerving. Daarnaast vermeldt u ook de kostprijs van de constructie (exclusief BTW of andere gelijkgestelde buitenlandse belasting) en de datum van het einde van de werken.

2) Gebouwd goed verworven zonder verdere verbouwingswerken uit te voeren

In dit geval moet u de verwervingsprijs in vak 6 opgeven, samen met de datum van verwerving. De verwervingsprijs is opnieuw exclusief notariskosten en registratierechten.

3) Gebouwd onroerend goed waaraan vervolgens wel verbouwingswerken zijn uitgevoerd

Indien er intussen wel verbouwingswerken zijn uitgevoerd, moet u in vak 7 van het formulier de "actuele normale verkoopwaarde" opgeven (zijnde, de verkoopprijs "die op het tijdstip van de aangifte onder normale verkoopvoorwaarden zou kunnen worden verkregen").

- Verkoopwaarde in 1975 is gekend

Tot slot voorziet vak 8 van het formulier de de mogelijkheid om toch "de normale verkoopwaarde in 1975" of "het jaarlijks bruto huurinkomen in 1975" (namelijk: de som van de ontvangen huurgelden en huurvoordelen) aan te geven.

Uit een eerdere circulaire bleek immers dat wanneer de belastingplichtige voormelde waarden in 1975 kent, hij aan de fiscale administratie kan vragen om deze waarden te gebruiken in plaats van de huidige waarde aangepast met de voormelde correctiefactor.

Ongebouwde onroerende goederen

Het KI van ongebouwde onroerende goederen  zal men vaststellen op basis van de schaal van 2 euro per hectare.

Materieel en outillage

Om KI van  materieel en de outillage te berekenen, zal men op de gebruikswaarde de correctiefactor van 5,3 % toe te passen.Men acht de gebruikswaarde  gelijk aan 30 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde als nieuw, eventueel vermeerderd met de kosten van de opeenvolgende veranderingen.

Timing

Belastingplichtigen hebben tijd tot eind 2021 om het aangifteformulier terug te sturen.

Belastingplichtigen die voor de eerste keer buitenlands vastgoed aangeven in hun aangifte in de personenbelasting van 2021 zullen in september/oktober" het formulier ontvangen. Ook zij hebben tijd tot 31 december 2021 om het formulier terug te sturen.

Heeft u pas na 1 januari 2021 een buitenlands onroerend goed gekocht? Dan moet u dat spontaan melden binnen de 4 maanden na de aankoop.


btw-forfait voor kleinhandelaars dooft uit

Op vandaag zijn er in België nog steeds enkele duizenden kleinhandelaars die gebruik maken van de zogenaamde forfaitaire btw-regeling. Dit betekent dat men de btw niet berekent op hun werkelijke verkopen en aankopen, maar op een forfait, bepaald per sector. Het gaat hierbij voornamelijk om caféhouders, bakkers, slagers en kappers.

De huidige regering heeft nu beslist om dit regime te laten uitdoven. Tegen 1 januari 2028 moet het regime volledig afgeschaft zijn.

btw-forfait

De btw-administratie heeft met bepaalde sectoren forfaits afgesproken om hun omzet te belasten. De omzet van deze btw-plichtigen wordt daarbij forfaitair berekend op basis van hun aankopen of hun uurtarieven.

Om van het forfaitaire regime te kunnen genieten, zijn er uiteraard wel enkele voorwaarden:

  • Zo mag de jaaromzet, exclusief btw, niet hoger zijn dan € 750.000,00;
  • Vanaf 1 januari 2020 kan ook enkel een onderneming/natuurlijke persoon nog genieten van het forfaitaire regime. Vennootschappen zijn voortaan dus uitgesloten;
  • Minstens 3/4 van de omzet komt uit handelingen waarvoor het niet verplicht is een factuur uit te schrijven;
  • Tot slot moet de kleinhanderaar tot een van volgende toegelaten sectoren of beroepen behoren:- apothekers- bakkers, brood- en banketbakkers;
    - caféhouders;
    - consumptie-ijsbereiders;
    - exploitanten van frietkramen;
    - foornijveraars;
    - herenkappers, dameskappers, heren- en dameskappers;
    - kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren, kranten en tijdschriften, levensmiddelen, zuivelproducten en melkventers;
    - schoenherstellers;
    - slagers en spekslagers.

Een boekhouding voor iedereen

De forfaitaire btw-regeling vormt sowieso een uitzondering op het voeren van een gedetailleerde en bewijskrachtige boekhouding. Sinds de hervorming van het Wetboek van Economisch Recht moet nochtans elke onderneming een boekhouding voeren.

Kleinhandelaars die nog altijd zonder boekhouding werken, zullen hier vanaf 2028 niet langer aan ontsnappen. De regering maakt namelijk komaf met de forfaitaire btw.

In het forfait voor de caféhouders is bijvoorbeeld vastgelegd hoeveel pinten je uit een vat bier kan tappen. Dit is uiteraard een fraudegevoelig systeem en voer voor discussie.

In haar voortdurende strijd tegen fiscale fraude, wil de regering daarom ook dit forfaitaire btw-regime afschaffen. Dit heeft tot gevolg dat vanaf 2028 elke ondernemer - hoe klein ook - een boekhouding zal moeten voeren.

Timing

Tijdens een vergadering vorig jaar met de FOD Financiën en de vertegenwoordigers van alle betrokken sectoren werd de afschaffing vanaf 1 januari 2023 vooropgesteld. Echter, dit was voor de betrokken sectoren te kort dag. Daarom werd een uitdoofscenario overeengekomen. De afschaffing van de forfaitaire belastingregeling zal dus pas gelden vanaf 1 januari 2028. Dit geldt ook enkel voor zij die reeds het forfait toepassen.

Vanaf 1 januari 2022 kan niet meer gestart worden met de forfaitaire belastingregeling.

Conclusie

Het effectieve einde van de forfaitaire btw-regeling voor kleinhandelaars is nu heel dichtbij. Vanaf 1 januari 2022 zal alvast niet meer gestart kunnen worden onder de forfaitaire regeling. Voor diegene die er actueel nog gebruik van maken, valt het doek op 1 januari 2028.

Laat ons eerlijk zijn: dit fiscaal anachronisme hoort niet langer in een moderne economie waar digitalisering en elektronische betalingen mee het ritme bepalen. Bovendien is het een finale en logische stap in het belasten van de werkelijke resultaten.


Nanny nodig? Kosten aftrekbaar voor uw vennootschap!

Met al dat telewerk heeft u het misschien even gehad om voor de kinderen te zorgen. Wat dacht u van het inhuren van een nanny voor uw kinderen op kosten van uw vennootschap? Te mooi om waar te zijn? Toch niet! Maar. Er is een maar, uiteraard.

Er zijn voorwaarden verbonden aan de aftrekbaarheid van de kosten binnen uw vennootschap voor het inhuren van een nanny voor uw kinderen. Voor u als bestuurder ontstaat er bovendien een voordeel van alle aard dat forfaitair geraamd mag worden.

Situatie

Aan de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) werd de volgende situatie voorgelegd. Een vennootschap wil via een uitzendkantoor een nanny halftijds in dienst nemen en die kosteloos ter beschikking stellen van haar bestuurder. Het is wel degelijk de vennootschap die een overeenkomst sluit met het uitzendkantoor en de arbeidsvoorwaarden van de nanny bepaalt. Het staat vast dat de bestuurder prestaties levert voor de vennootschap en dat zij daarvoor een bezoldiging ontvangt van de vennootschap.

De vraag rees of de kosten voor het inhuren van de nanny voor de vennootschap aftrekbaar zijn en of het voordeel van alle aard in hoofde van de bestuurder forfaitair bepaald mocht worden.

Economisch belang

In haar beslissing zet de DVB het licht op groen, maar legt ze wel een aantal voorwaarden op. Zo is vereist dat de nanny ingeschakeld wordt in het economisch belang van de vennootschap. Met andere woorden: als de bestuurder gedwongen wordt om minder tijd in haar vennootschap te investeren om voor de kinderen te zorgen, dan zou dit onvermijdelijk een daling van inkomsten voor de vennootschap tot gevolg hebben. De kost voor de nanny wordt dus gemaakt om inkomsten binnen de vennootschap te behouden of te verkrijgen.

In dat opzicht mag de nanny alleen tewerkgesteld worden op normale werkdagen en tijdens de normale werkuren. Wat "normaal" is, hangt uiteraard af van de sector waarin de vennootschap actief is. Wordt de nanny uitzonderlijk toch buiten de normale werkuren ingezet, dan moet de bestuurder dit melden aan de vennootschap. Denk bijvoorbeeld aan een meeting met een klant die enkel mogelijk is om 20u. Verantwoording hiervoor op basis van schriftelijke bewijsstukken zal nodig zijn. Kan de bestuurder geen verantwoording geven, dan is de kost voor de nanny niet aftrekbaar. Er is in dat geval immers geen verband meer met het behoud van inkomsten voor de vennootschap.

Voordeel alle aard

Voor de bestuurder zelf is de terbeschikkingstelling van de nanny een belastbaar voordeel van alle aard. Dit voordeel mag forfaitair begroot worden volgens het forfait voor dienstboden en huispersoneel, zijnde 5.950 euro per jaar. Bij deeltijdse arbeid mag het forfait proportioneel verminderd worden (waarbij een voltijdse tewerkstelling overeenstemt met 1.672 uur per jaar).

Meer weten?

Dat er meer en meer beroep wordt gedaan op een nanny, al dan niet via een vennootschap, bewijzen de uitzendkantoren die zich hierin specialiseren.

Heeft u ook wel oren naar zo'n extra hulp in huis aan een gunstig tarief? aternio bekijkt het graag samen met u.