opstalrecht

Hoe vergoeding bepalen bij einde opstalrecht?

Een bestuurder koopt een stuk bouwgrond en verleent een opstalrecht aan zijn vennootschap voor 15 jaar. De vennootschap heeft het recht om op de grond te bouwen. Na 15 jaar wordt de bestuurder (gratis) eigenaar van het gebouw.

Op burgerrechtelijk vlak is deze klassieke opstalconstructie perféct legaal. Toch viseert de fiscus deze constructies, veelal bij het einde van het opstalrecht. Hoe komt dit? Waarop moet u letten om dit te vermijden?

Recht van opstal

Bij een opstalrecht verleent een opstalgever (grondeigenaar) een tijdelijk recht aan de opstalhouder om te mogen bouwen op diens grond. In praktijk zal de grondeigenaar meestal de bestuurder zijn die een opstalrecht geeft aan zijn vennootschap. Gedurende de looptijd van het opstalrecht is de vennootschap eigenaar van de gebouwen, de zogenaamde opstallen.

Op het einde van het opstalrecht wordt de opstalgever automatisch eigenaar van de gebouwen door natrekking. In de al wat oudere opstalovereenkomsten is vaak geen vergoeding afgesproken op het einde van het opstalrecht. De opstalgever wordt zo dus 'gratis' eigenaar van de gebouwen.

Dergelijke kosteloze overdracht is uiteraard een doorn in het oog van de fiscus ...

Geen vergoeding is mogelijk voordeel alle aard

De fiscus belast de opstalgever maar al te graag in de personenbelasting. Door de gratis verwerving krijgt de bestuurder immers een voordeel in natura van zijn vennootschap.

De fiscus moet wel kunnen aantonen dat de belastingsbelastingplichtige dit voordeel kreeg in de hoedanigheid van bedrijfsleider. Zoniet, kan de fiscus de belastingplichtige niet belasten op een voordeel alle aard.

Om dit voordeel te vermijden zou men een vergoeding kunnen afspreken die de opstalgever moet betalen aan de opstalhouder bij het einde van het opstalrecht.

Artikel 6 van de opstalwet bepaalt overigens dat de opstalhouder in principe recht heeft op de waarde van zijn gebouwen, werken en beplantingen. Hoe die waarde moet worden bepaald, daarover zwijgt de wet in alle talen.

Welke vergoeding dan?

Dé belangrijkste vraag blijft dus: hoe groot moet die vergoeding zijn?  Daarover is intussen al heel wat geschreven, maar het blijft nog steeds een moeilijk vraagstuk. Veel hangt uiteraard ook af van het concrete feitenrelaas.

Zo heeft de fiscus al geoordeeld dat voor het bepalen van het voordeel van alle aard de "actuele waarde" van de opstallen moet worden vergoed. De fiscus meent dat dit de venale waarde van de constructie is op het ogenblik van het einde van het opstalrecht.

Maar de meeste rechtsleer en sommige rechtspraak gaan hier niet mee akkoord. Zij menen dat men een waarderingsmethode moet hanteren waarbij rekening wordt gehouden met alle concrete omstandigheden zoals de bouwkosten, de duurtijd van het opstal, de vergoeding tijdens het opstalrecht, eventuele verbouwingen enzovoort. Er moet dus meer gekeken worden naar de "economische waarde" van de opstallen.

Zo gaat bepaalde rechtsspraak de vergoeding bepalen in functie van de normale gebruiksduur van de opstallen. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG, Fisc. Act. 2019, 8/1).

Een alternatieve methode bestaat er bijvoorbeeld in om het opstalrecht te vergelijken met huur. De meerkost voor het zelf bouwen, t.o.v. de totale huur over de duurtijd van het opstalrecht, is de vergoeding. Hierbij moet een actualisatievoet worden toegepast gelijk aan het rendement dat de opstalhouder zou hebben gehad indien hij zijn geld op een andere manier had belegd. (Ph. Salens, "De waardering van onroerende zakelijke rechten (her)bekeken door een fiscale bril", Not.Fisc.M. 2016, 4, 102).

Ook de rulingcommissie besluit dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een "economische waarde" van de opstallen bij het einde van het opstalrecht (dus niet enkel de verkoopswaarde), minus de gederfde inkomsten.


Verminderde roerende voorheffing en inbreng aandelen in maatschap?

Heeft u nog recht op verminderde roerende voorheffing (VVPRbis) nadat u de aandelen van uw vennootschap heeft ingebracht in een maatschap? We lichten het voor u toe.

VVPRbis-voorwaarden

In principe betaalt u 30% roerende voorheffing op de uitkeringen van dividenden uit uw vennootschap.

Echter, aandelen die werden uitgegeven sinds 1 juli 2013 kunnen onder bepaalde voorwaarden aan slechts 15% worden uitgekeerd. Zo moet het onder meer gaan om kleine vennootschappen, aandelen op naam, inbrengen in geld, volstorting, minimumkapitaal én moeten de aandelen ononderbroken worden aangehouden in volle eigendom vanaf de inbreng.

Met uitzondering van de naamloze vennootschap is de kapitaalvereiste verdwenen in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV). Hierover verder meer.

Het tarief van 15% roerende voorheffing is van toepassing op dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar.

Het tarief van 15% blijft ook van toepassing bij :

-een overdracht van volle eigendom in rechte lijn of tussen echtgenoten via schenking of vererving

-een overdracht in rechte lijn of tussen echtgenoten die het gevolg is van een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op een wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfopvolging

Inbreng aandelen in maatschap

In het kader van familiale successieplanning worden aandelen vaak ingebracht in een maatschap. De vraag stelt zich wel of het VVPRbis-regime daarmee niet verloren gaat.

Goed nieuws ! De Rulingcommissie (ruling nr. 2018.0467 van 26 juni 2018) heeft bevestigd dat het VVPRbis-voordeel niet verloren gaat indien de aandelen in volle eigendom werden ingebracht. De maatschap is immers volledig transparant, de aandelen blijven van de originele aandeelhouder en de inkomsten ervan blijven aan de aandeelhouder toekomen.

Let op bij schenking in blote eigendom

Zoals gezegd moeten de aandelen ononderbroken worden aangehouden in volle eigendom. Een inbreng in volle eigendom lijkt dus geen probleem te vormen voor de toepassing van VVPRbis.

Maar let op, het VVPRbis-regime gaat wellicht wel verloren indien men eerst de blote eigendom van de aandelen wegschenkt en vervolgens de blote eigendom en het vruchtgebruik van de aandelen inbrengt in de maatschap.

Ook de inbreng van de aandelen in volle eigendom in de maatschap, gevolgd door een schenking van de blote eigendom van de deelbewijzen van de maatschap zal problematisch zijn voor VVPRbis.

Wat met het nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen?

Onder het oude Wetboek van vennootschappen waren vennootschappen zonder minimumkapitaal uitgesloten van het VVPRbis-gunstregime.

Het nieuwe WVV heeft het vennootschapsrechtelijk kapitaalbegrip, behalve voor de naamloze vennootschap, afgeschaft. Daardoor is ook op fiscaal vlak de voorwaarde van het minimumkapitaal voor VVPRbis afgeschaft. Een minimumkapitaal is dus ná 1 mei 2019 niet langer vereist voor de toepassing  van VVPRbis.

Conclusie

Wie de VVPRbis-regeling wil behouden zal zijn ambities op het vlak van successieplanning moeten bijstellen. Het maken van de juiste afweging is, zoals zo vaak, van bijzonder belang.


Fiscale consolidatie: de eerste stapjes.

Vanaf het aanslagjaar 2020,  in casu voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019, kunnen Belgische groepsvennootschappen een onvolledige vorm van fiscale consolidatie toepassen. Hiermee treedt België eindelijk in de voetsporen van de meeste andere EU-lidstaten. In Nederland bijvoorbeeld bestaat het principe van de fiscale eenheid als sinds het  midden van vorige eeuw. Daarom, onder het motto 'beter laat dan nooit', probeert ook België te charmeren met de nieuwe aftrekregeling van ‘groepsbijdragen’.

Beperkte fiscale consolidatie

Dit beperkte systeem van fiscale consolidatie op vlak van vennootschapsbelasting laat groepsvennootschappen toe om winsten en verliezen met elkaar te compenseren. Het is met andere woorden geen volledige consolidatie maar een techniek van verliesoverdracht, gedefinieerd als groepsbijdragen, tussen verbonden vennootschappen.

Niet zelden blinkt de Belgische fiscale wetgever uit in het neerschrijven van complexe teksten. Welnu, het is deze keer niet anders (art. 205/5 WIB'92). De voorwaarden voor de groepsbijdragen zijn behoorlijk streng en de werking van de groepsbijdragen is ingewikkeld.

Hoe werkt het?

Via een overeenkomst kan tussen twee groepsvennootschappen fiscaal verlies van het belastbare tijdperk worden overgedragen.  De regeling van ‘groepsbijdrage’ bestaat uit een fiscale aftrek voor de vennootschap die de bijdrage betaalt en een afzetting tegen fiscaal verlies voor de vennootschap die de groepsbijdrage ontvangt. De aandachtige lezer bemerkt dat enkel verliezen van het boekjaar zelf kunnen aangewend worden. Fiscale verliezen uit het verleden komen niet in aanmerking.

In tegenstelling tot de fiscale consolidatie op btw-vlak middels een btw-eenheid verandert er niets aan de individuele aangifteprocedure voor elke vennootschap. Er is geen sprake van een gezamenlijke aangifte in de vennootschapsbelasting. Elke vennootschap verwerkt de groepsbijdrage via de eigen fiscale aangifte. De winstgevende vennootschap neemt de groepsbijdrage in de fiscale aangifte op als een nieuwe aftrekpost in de ‘Uiteenzetting van de winst’.  De verliesmakende vennootschap vermeldt de groepsbijdrage in het vak van de ‘Aanpassingen in min van de begintoestand van de belaste reserves’.

Een voorbeeld illustreert de werking van de regeling. Vennootschap A heeft een winst van 1.000 en vennootschap B een verlies van -400. Middels het systeem van groepsbijdragen kan  vennootschap A (gebruiker) een deel van haar winst ten belope van 400 overdragen aan B (begunstigde). B heeft hierdoor geen fiscale verliezen en A wordt slechts belast op 600.

Vergoedingsregeling

Voor het gebruik van de verliezen moet effectief een vergoeding betaalt worden gelijk aan de realisatie van het belastingvoordeel dat ontstaat door de beschikking over de verliezen. Toegepast op ons voorbeeld betekent dit dat gebruiker A een vergoeding betaalt aan begunstigde B. De vergoeding is gelijk aan 400 vermenigvuldigt met het tarief in de vennootschapsbelasting.

De  vergoedingsregeling zorgt ervoor dat het systeem vermogensneutraal is. Er is aldus geen sprake van vermogensoverdracht. Schuldeisers of minderheidsaandeelhouders zijn bijgevolg niet benadeeld door de regeling. De betaling van de vergoeding door de gebruiker aan de begunstigde gebeurt in het volgende belastbaar tijdperk. De vergoeding kwalificeert niet als een dividend of abnormaal en goedgunstig voordeel.

De vergoeding is fiscaal neutraal. Daarom vormt ze bij de winstgevende vennootschap een niet-aftrekbare beroepskost (verworpen uitgave).  Bij de begunstigde is ze vrijgesteld van de belastbare grondslag (verhoging van de begintoestand van de reserves).

Overeenkomst

Een essentiële voorwaarde is dat de betrokken vennootschappen jaarlijks een burgerrechtelijke overeenkomst afsluiten. Ze heeft slechts betrekking op één belastbaar tijdperk. Een modelovereenkomst wordt nog via Koninklijk Besluit bekendgemaakt. De overeenkomst is een bijlage bij de aangifte vennootschapsbelasting.

Deze groepsbijdrageovereenkomst bevat onder meer de hoogte van de groepsbijdrage. Een bijdrage die actueel niet hoger kan zijn dan het verlies dat door de begunstigde in het belastbare tijdperk zou zijn geleden zonder groepsbijdrage. Het is mogelijk dat een begunstigde vennootschap partij is in meer dan één overeenkomst. In geen geval mag de cumul van de in de overeenkomsten opgenomen bedragen van de groepsbijdrage hoger zijn dan het genoemde verlies.

Verder verbindt de winstgevende vennootschap zich ertoe om aan de begunstigde een vergoeding te betalen. Zoals gezegd is deze vergoeding gelijk is aan het belastingsurplus dat zou verschuldigd zijn indien er geen groepsbijdrage is.

Welke vennootschappen?

De overeenkomst kan worden afgesloten tussen Belgische vennootschappen (of EU/EER-vennootschappen met een vaste inrichting in België) onderworpen aan de gewone regels van de Belgische vennootschapsbelasting én die verbonden zijn door:

  • een rechtstreekse aandeelhoudersrelatie van minstens 90% (moeder- en dochtervennootschappen); of
  • een gemeenschappelijke moeder (een Belgische of een EU/EER vennootschap) die rechtstreeks minstens 90% van de aandelen houdt in betrokken vennootschappen (zustervennootschappen).

Onrechtstreekse deelnemingen zijn uitdrukkelijk uitgesloten.

Alvorens een groepsbijdrage kan worden afgesproken moet de minimumparticipatie gedurende gedurende een onafgebroken periode van 5 jaar voldaan zijn. Periode die aanvangt op 1 januari van het vierde kalenderjaar voor het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar is genoemd. Behoudens bij vereffening is het tevens vereist dat de verbonden vennootschappen gelijklopende boekjaren hebben.

Bepaalde vennootschappen zijn expliciet uitgesloten. Bijvoorbeeld: vennootschappen die een onroerend goed, of een zakelijk recht op een onroerend goed ter beschikking stellen aan een bedrijfsleider, beleggingsvennootschappen, zeescheepvaartvennootschappen en diamanthandelaars.

Conclusie

De nieuwe fiscale consolidatie is een lichtpunt voor Belgische en multinationale groepen van vennootschappen. Gezien de strenge participatievoorwaarden is succes niet gegarandeerd. De toekomst zal het uitwijzen.

Contacteer ons indien u meer info wenst over dit onderwerp.


Fiscus viseert sportclubs bij sponsoring

De fiscus heeft het nu blijkbaar gemunt op sportclubs die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Denk bijvoorbeeld aan clubs die korting krijgen op drank bij de brouwer in ruil voor een exclusieve afname. Of de truitjes met sponsoring van een slager op voorwaarde dat de sportclub haar inkopen voor het jaarlijks eetfestijn ook bij die slager doet.

Volgens de fiscus moet een sportclub op deze sponsoring roerende voorheffing betalen.

Roerende voorheffing

De vergoeding voor het toestaan van exclusiviteit is immers een roerend inkomen, meent de fiscus. Een vergoeding voor het verkrijgen van het recht om iets te doen (bijvoorbeeld het exclusief leveren van drank), is een vergoeding voor een roerend goed.

Een vergoeding voor de concessie van een roerend goed is een roerend inkomen, waarop dus roerende voorheffing moet worden ingehouden.

In de redenering van de fiscus zouden de truitjes met sponsoring op voor de sportclubs een roerend inkomen vormen waarop roerende voorheffing verschuldigd is.

Let op: ruime toepassing ?

Voorlopig viseert de fiscus enkel sportclubs. Maar de redenering zou ook perfect kunnen gelden voor andere verenigingen, culturele organisaties, scholen ...

Het is dus niet uitgesloten dat de fiscus zich binnenkort ook wel eens op andere sectoren zou kunnen richten voor het navorderen van roerende voorheffing. De fiscus lijkt immers heel snel van een concessie van roerende inkomsten te spreken.

Hoe bedrag bepalen?

Indien deze clubs roerende voorheffing zouden moeten inhouden, moeten zij uiteraard wel weten op welk bedrag. Het probleem is echter dat het hier telkens om voordelen in natura gaat. De waarde van bijvoorbeeld bedrukte truitjes is dus niet zo eenvoudig te bepalen. In de praktijk zal het dus ook niet eenvoudig zijn om het correcte bedrag aan roerende voorheffing te bepalen en in te houden.

Wie moet inhouden?

Maar we stuiten ook nog op een ander praktisch probleem. Het is ook niet steeds zo duidelijk wie deze roerende voorheffing moet inhouden.

In principe moet de betaler van het inkomen roerende voorheffing inhouden. Maar als de verkrijger van roerende inkomsten onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting, zoals de meeste sportclubs en sportverenigingen, is de verkrijger van de roerende inkomsten in principe de schuldenaar van de roerende voorheffing. Tot voor kort ging de fiscus bij de verkrijger (lees de sportclubs) de roerende voorheffing navorderen. Maar in navolging van Cassatierechtspraak heeft de fiscus nu ook haar standpunt gewijzigd. Voortaan zou ze enkel de betaler van het inkomen aanspreken.

Wordt ongetwijfeld vervolgd ... Ondertussen toch maar opletten met kosteloze voordelen.

Bron: Fisc. Act. nr.7, week 21-29 februari 2019


Hoe omgaan met voorwaarden in de aangifte nalatenschap?

Wanneer iemand overlijdt moet er een aangifte van nalatenschap ingediend worden. Dit is een aangifte bij de Vlaamse Belastingdienst en betreft het vermogen (actief en passief) van de overledene. Deze aangifte vormt de basis voor de berekening van de erfbelasting die de erfgenamen zullen moeten betalen. De aangifte van nalatenschap moet worden ingediend door de wettige erfgenamen of de algemeen legatarissen (bij testament).

Is deze aangifte van nalatenschap definitief vanaf het moment van indiening? Wijzigt er iets aan de aangifte als er zich ontbindende of opschortende voorwaarden vervullen? Gaat het enkel om wijzigingen binnen de oorspronkelijke aangiftetermijn? Hangt er ook een prijskaartje aan die wijziging? We zetten de principes graag even op een rijtje.

Tijdstip van overlijden

De aangifte nalatenschap maakt een foto van het vermogen van de overledene op het moment van overlijden. Daarbij neemt men zowel het actief als het passief in aanmerking. Het is niet ondenkbaar dat het vermogen op een later tijdstip nog met terugwerkende kracht wijzigt. Dit kan zowel in plus als in min. Het gaat hierbij om het intreden van een opschortende of ontbindende voorwaarde. Indien een dergelijk feit zich voordoet, betekent dit een aanpassing van de nalatenschap met bijhorende weerslag op de heffing van de erfbelasting.

Opschortende voorwaarde bij verkregen goederen door de erflater

Een opschortende voorwaarde schort de gevolgen van een bepaalde overeenkomst op, tot zolang de voorwaarde niet vervuld is. Daarom maken de goederen of rechten die de overledene had verkregen onder opschortende voorwaarde, maar die op het moment van het overlijden nog niet vervuld is, geen belastbaar actief uit van de nalatenschap. Bijgevolg moet dit niet worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap en komt dit ook niet in aanmerking voor de erfbelasting.

Wanneer de opschortende voorwaarde zich vervult, bevinden de goederen of rechten zich retroactief in het vermogen van de overledene en vergroten (of verkleinen) daardoor het actief (of passief) van de nalatenschap. Op basis van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 3.3.1.0.6, eerste lid, 2°) zal er dan een nieuwe aangifte worden ingediend. De heffing van de erfbelasting zal plaatsvinden op basis van de nieuwe toestand en rekening houdend met de waarde van de "nieuwe" goederen, op het moment van de vervulling van de voorwaarde en volgens het toepasselijke tarief op het moment van overlijden (artt. 2.7.3.3.7. en 2.7.4.1.5. VCF)

Opschortende voorwaarde bij door de erflater vervreemde goederen

Het is ook mogelijk dat de erflater goederen heeft vervreemd onder een opschortende voorwaarde en dat deze voorwaarde zich op het moment van overlijden nog niet heeft vervuld. In dat geval bevinden de goederen zich nog steeds in het vermogen van de erflater, op het moment van zijn/haar overlijden. Logisch gevolg is dat deze goederen opgenomen worden in aangifte van nalatenschap.

Wanneer de opschortende voorwaarde zich vervult, zullen de betreffende goederen met terugwerkende kracht uit het vermogen van de overledene verdwijnen. Hier staat wel tegenover dat er hiervoor iets in de plaats komt: een waarde (verkoopprijs) of andere goederen (in geval van wederbelegging of ruil,...).

Opnieuw zal er een nieuwe aangifte moeten worden ingediend en kan de heffing van de erfbelasting desgevallend herzien worden. Als er volgens de nieuwe toestand minder erfbelasting verschuldigd is, kan een teruggave aan de orde zijn (op basis van art. 3.6.0.0.4. eerste lid, 1°, a VCF).

Ontbindende voorwaarde?

Een ontbindende voorwaarde verschilt van een opschortende voorwaarde, in die zin dat er aan de ontbindende voorwaarde onmiddellijk rechtsgevolgen gekoppeld zijn. Echter, bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde worden de rechtsgevolgen teniet gedaan. Ook dit is retroactief. Indien de overledene goederen heeft verkregen of vervreemd onder een ontbindende voorwaarde, bevinden deze goederen zich respectievelijk wel of niet meer in zijn vermogen op het moment van het overlijden.

Indien het gaat om een verwerving onder ontbindende voorwaarde bevinden de goederen zich in de nalatenschap en worden zij mee opgenomen in de aangifte van nalatenschap. Bijgevolg zijn ze onderworpen aan de erfbelasting. Indien de ontbindende voorwaarde zich vervult, verdwijnen de goederen met terugwerkende kracht uit het vermogen van de erflater en wordt de heffing van de erfbelasting herzien. In geval van teveel betaalde erfbelasting, kan ook hier een teruggave gevorderd worden (op basis van art. 3.6.0.0.4. eerste lid, 1°, a VCF).

Indien het gaat om een vervreemding onder ontbindende voorwaarde is er geen belastbaar actief. Bijgevolg is er geen opname in de aangifte van nalatenschap en is er geen erfbelasting op het moment van overlijden. Indien de ontbindende voorwaarde zich vervult en de goederen retroactief terugkomen in het vermogen van de overledene, zal er ook opdat moment een aanpassing van het actief van de nalatenschap zijn. Er moet vervolgens een nieuwe aangifte worden ingediend en met heffing van erfbelasting als gevolg.

Termijnen

Om af te sluiten hernemen we nog even dat de aangifte van nalatenschap moet ingediend worden binnen een termijn van:
- 4 maanden als het overlijden plaatsheeft in België;
- 5 maanden als het overlijden plaatsheeft in een land van de Europese Economische Ruimte (EER); of
- 6 maanden als het overlijden plaatsheeft buiten de EER.

De voornoemde termijn begint te lopen vanaf de exacte dag van overlijden.

Echter, wanneer één van voorgaande situaties zich voordoet, starten de voornoemde termijnen opnieuw. Binnen deze termijn moet een nieuwe (bijvoeglijke) aangifte worden ingediend, om de nieuwe situatie te melden.

Verjaringstermijn voor de erfbelasting is 5 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de aangiftetermijn start.  Indien zich een opschortende of ontbindende voorwaarde voordoet binnen deze termijn, moet u een nieuwe aangifte indienen. Op dat moment start de nieuwe termijn om de bijkomende rechten te innen, dan wel om de teruggaven te vorderen.


Afzonderlijke aanslag op minimum inkomen sterft een snelle dood

De  afzonderlijke aanslag voor het niet voldoen aan de minimumbezoldiging heeft al heel wat stof doen opwaaien. Deze aanslag is initieel door het zomerakkoord van 2017 ingevoerd met inwerkingtreding vanaf het aanslagjaar 2019. Evenwel voor één aangifte in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2019 is ingediend, sterft de nieuwe afzonderlijke aanslag al een snelle dood.

Vereiste minimumbezoldiging

Zoals eerder uiteengezet, is de minimumbezoldiging door het zomerakkoord van 2017 opgetrokken naar 45.000 euro.  Een vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider deze minimumbezoldiging toekennen. Al snel reeds de discussie of een bedrijfsleider ook een natuurlijke persoon moest zijn. Deze vraag was van belang voor vennootschappen die geen natuurlijke personen als bedrijfsleiders aan boord hadden. De wetgever heeft dit punt inmiddels uitgeklaard. Enkel de minimumbezoldiging voor een bedrijfsleider natuurlijke persoon voldoet.

Elke vennootschap dient vanaf het boekjaar dat start vanaf 1 januari 2018 een minimumbezoldiging van 45.000 euro toe te kennen aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon. Indien het belastbaar resultaat lager is dan 45.000 euro, is de minimale bezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat na bezoldiging.

Afzonderlijke aanslag

De afzonderlijke aanslag is de facto een “sanctie” indien niet aan de vereiste van de minimumbezoldiging was voldaan. Deze sanctie bedraagt 5% van het tekort. Aanvankelijk zou vanaf aanslagjaar 2021 de sanctie zelfs 10% bedragen. Deze verdubbeling werd reeds door een eerdere wetswijziging afgeschaft. De wetgever heeft aldus de afzonderlijke aanslag op 5% behouden.

Snelle dood

Ondertussen is een wetsvoorstel ingediend tot opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider.  Op 19 maart 2019 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Commissie Financiën en Begroting. Naar alle verwachtingen volgt de bevestiging in het federale parlement.

Dit heeft als gevolg dat het niet voldoen aan het uitkeren van de minimumbezoldiging niet langer een extra sanctie oplevert. Het uitkeren van een minimumbezoldiging van 45.000 euro blijft wel een voorwaarde om recht te hebben op het verlaagd vennootschapstarief van 20%.

Conclusie

Een vennootschap die niet de minimumbezoldiging aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon uitkeert wordt niet langer bestraft. Weet wel dat vennootschappen die geen zo'n minimumbezoldiging uitkeren geen recht hebben op het verlaagd vennootschapstarief.


Appartement aan zee en de fiscus, het blijft moeilijk.

We weten het al langer dan vandaag: de fiscus is geen fan van een appartement aan zee in een vennootschap. In een arrest van 21 september 2018 bevestigt het Hof van Cassatie nu ook dat de kosten voor een appartement aan de zee niet aftrekbaar zijn indien duidelijk is dat die investering nooit kan renderen. Het feit dat een zaakvoerder een vergoeding betaalt ten belope van het voordeel alle aard, doet er blijkbaar niet toe.

Voorwaarden artikel 49 WIB'92

Krachtens artikel 49 WIB'92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken.

Uit artikel 49 WIB'92 volgt echter niet dat de aftrek van beroepskosten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap, zoals die blijkt uit haar doelsomschrijving.

Het Hof van Cassatie velde in 2015 hierover reeds enkele positieve arresten, en bevestigt dit standpunt hier gelukkig opnieuw.

Schamele inkomsten

De rechters vallen echter wél over de andere feitelijke elementen in het dossier.

De appelrechters stellen vast dat het onroerend goed bijna voor het volledige bedrag is gefinancierd met geleend geld.

Volgens de rechters is het  niet bewezen dat de vennootschap de intentie heeft om het onroerend te rentabiliseren. Het appartement is immers ter beschikking gesteld van de zaakvoerder tegen een zeer bescheiden vergoeding. Een symbolische huur vanwege de zaakvoerder volstaat dus niet als bewijs dat de intentie bestaat om belastbare inkomsten te verkrijgen. Er is ook geen verhuring van het appartement aan derden.

Evenmin is het bewezen dat het onroerend goed op korte termijn kan verkocht worden met een grote meerwaarde.

Die "schamele" inkomsten staan tegenover de zware kosten van het appartement. De belastingplichtige toont bovendien niet aan dat het de bedoeling is om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten overstijgen.

Besluit

Het Hof besloot daaruit dat de enige bedoeling van de verrichting is om privékosten van de zaakvoerder ten laste te nemen.  Bijgevolg gaat het niet om beroepskosten van de vennootschap in de zin van artikel 49 WIB'92. De aftrek is dus verworpen in hoofde van de vennootschap.

Kortom: een appartement aan zee en de fiscus, het blijft nog steeds een moeilijke combinatie. Bezint eer ge begint stelt een oude zegswijze.


Schenken of toch niet. Al gedacht aan een volmachtschenking?

De schenking wordt courant gebruikt en vormt een interessante manier om bij leven goederen van het ene vermogen naar het andere te laten gaan. Vaak gaat dit gepaard met enkele persoonlijke ongemakken voor de schenker, deze ontdoet zich namelijk dadelijk en onherroepelijk van deze goederen. De geschonken goederen verdwijnen immers definitief uit het vermogen. Dit zal vaak een hinderpaal vormen om effectief tot schenking over te gaan.

Daarvoor heeft de praktijk een oplossing bedacht: het voorbereiden van de schenking via volmachten. Het gaat hier met andere woorden om een schenking in extremis. Men gaat proberen om de ongemakken die de schenker ervaart, zo lang mogelijk uit te stellen.

De vraag is echter waarom men dat zou doen? Wat zijn de positieve en negatieve punten van deze constructie?

Fiscaal aantrekkelijke schenking

Fiscaal gezien zijn schenkingen veel aantrekkelijker dan erfenissen. Wanneer dezelfde goederen vererft worden, via de normale devolutie of via testament, wordt de dubbel progressieve erfbelasting toegepast. De tarieven zijn afhankelijk van de netto-waarde van de vererfde goederen (roerend of onroerend) en van de verwantschapsgraad tussen begiftigde erfgenaam en de erflater.

Schenkingen daarentegen vallen onder de schenkbelasting. Voor roerende goederen geldt in Vlaanderen een toegankelijk tarief: 3% voor schenkingen in de rechte lijn of 7% voor alle andere schenkingen. De tarieven gelden voor schenkingen, zelfs al zijn ze amper enkele minuten geleden voor een notaris verleden. Het is zo dat deze schenkingsrechten van toepassing blijven, ongeacht het moment van overlijden.

Naaktheidssyndroom

Door deze techniek wil de schenker zijn schenking zo lang mogelijk uitstellen, effectief tot op het allerlaatste moment. Schenkers lijden niet zelden aan een ‘naaktheidssyndroom’. Zij voelen zich in hun blootje gezet door de goederen weg te schenken. Het is dus zo dat hoe langer men wacht om te schenken, hoe minder nadelige gevolgen de schenker ondervindt met betrekking tot het onmiddellijke en de onherroepelijke ‘verlies’ van de goederen uit zijn vermogen.

Echter, dat wachten tot op het laatste moment houdt ook een risico in, want het kan op een bepaald moment plots heel snel gaan. Zo snel dat de schenker fysiek niet meer in de mogelijkheid is  om te schenken. Vandaar de oplossing: de schenking in extremis.  Middels de voorbereiding van de schenking via volmachten kan de schenker, zolang niet overleden, alsnog schenken.

Volmachtschenking

Bij de schenking via volmacht wordt de schenking van a tot z voorbereid. Daarbij is de eerste stap het schenkingsaanbod. Dit is de intentie van de schenker om effectief bepaalde goederen te schenken. Vervolgens geeft de schenker volmacht om, als het cruciale moment daar is, dit schenkingsaanbod voor notaris aan te bieden aan de begiftigden. Deze gaan vervolgens persoonlijk over tot aanvaarding van de schenking. Maar om snel te kunnen schakelen kunnen ook de begiftigden reeds een volmacht opmaken om de schenking te aanvaarden.

Belangrijk hierbij is dat de schenking effectief aanvaard is voor het overlijden. Vanaf dat moment is de schenking definitief.

Volgorde van bewerkingen

Eerst wordt een schenkingsaanbod opgemaakt; vervolgens stelt men de nodige volmachten op en daarna steekt men dit alles in de spreekwoordelijke koelkast van de notaris. Op het moment dat het ‘nodig’ is, verwittigt men de notaris en start de volmachtencarrousel.

Let wel zolang de volmachten niet worden uitgevoerd is er nog geen sprake van een effectieve schenking.  Er zijn enkel volmachten. Deze constructie heeft als doel om zo lang mogelijk te wachten om de schenking effectief uitwerking te laten krijgen.

Conclusie

Middels de volmachtschenking schakelt men de nadelen die aan een schenking verbonden zijn, grotendeels uit.

Deze techniek van voorbereiding van een schenking is echter niet zaligmakend, want men loopt steeds het risico dat men te laat is. Wanneer de toekomstige schenker plots overlijdt, zijn de getroffen voorbereidingen een maat voor niets geweest. Daardoor gaat het concreet om een schenking die verleden is binnen de 3 jaar voor het overlijden waarop nog geen schenkbelasting is betaald! In dat geval valt men onder één van de fictiebepalingen uit het Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 2.7.1.0.5, §1), waardoor er wél erfbelasting verschuldigd is.

De juristen van aternio adviseren u graag bij het voorbereiden en uitwerken van uw schenking. Tempus fugit 


Bedrijfswagen inruilen voor een groener self-made pakket

Door de goedkeuring van de wet betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, bestaat het mobiliteitsbudget sinds 1 maart 2019. Na de mobiliteitsvergoeding is dit een nieuw initiatief om het klimaat te sparen en de mobiliteit te ontlasten.

Wat is het mobiliteitsbudget?

In een eerder artikel spraken we over de "cash for car"-regeling, waarbij de bedrijfswagen wordt ingeruild voor extra cash. Sindsdien was het wachten op de meer vrije regeling, namelijk het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is een budget dat de werknemer krijgt voor het inruilen van zijn bedrijfswagen. Dit budget wordt berekend op jaarbasis. De werknemer kan dit budget besteden in drie pijlers, namelijk een milieuvriendelijkere wagen; duurzame vervoersmiddelen,  vervoersdiensten en georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en extra loon.

Een milieuvriendelijkere wagen

De eerste pijler waarin een werknemer zijn mobiliteitsbudget kan besteden, is een milieuvriendelijkere wagen. Enerzijds betreft dit een elektrische wagen. Anderzijds kan dit ook een wagen zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • een CO²- uitstoot gelijk of minder dan 105gr per kilometer;
  • de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen mag maximaal evenveel zijn als de geldende norm voor nieuwe voertuigen. Hierop bestaat een uitzondering voor einde reeks modellen;
  • in het geval van een hybride mag de elektrische batterij geen energiecapaciteit van minder dan 0,5 kWh per 100 kg van het wagengewicht;  en
  • de waarde van het voertuig is ten minste gelijk aan de waarde van het voertuig waarover de werknemer vroeger beschikte

Deze wagen zal fiscaal op dezelfde wijze behandeld worden als een “gewone” bedrijfswagen.

Duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen

De tweede pijler bestaat uit duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen. De wet splitst de duurzame vervoermiddelen en-diensten op in twee delen, namelijk de zachte mobiliteit en het openbaar vervoer. De zachte mobiliteit betreft de motorfietsen die enkel elektrisch worden aangedreven en de (elektrische) fietsen, bromfietsen en andere gemotoriseerde rijwielen en voortbewegingstoestellen zoals deze gedefinieerd zijn in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Onder deeloplossingen wordt verstaan carpooling en autodelen, taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur, de huur van maximaal 30 kalenderdagen per jaar van voertuigen zonder chauffeur.

Daarnaast kan de werknemer ook een combinatie van de hiervoor opgesomde duurzame vervoersmiddelen combineren.

Fiscaal is deze pijler zeer voordelig voor een werknemer, want deze is volledig vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.

Extra loon

Zoals reeds gezegd , verkrijgt de werknemer een mobiliteitsbudget op jaarbasis. Indien de werknemer op het einde van het jaar zijn budget niet volledig heeft opgebruikt, verkrijgt hij  het restsaldo als extra loon. Op dit gedeelte loon moet de werknemer geen belastingen betalen. Dit is wel onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Als tegenprestatie geldt dit extra loon wel bij de opbouw van sociale rechten, zoals het pensioen.

Het mag, maar moet niet

Net zoals de mobiliteitsvergoeding, is ook het mobiliteitsbudget een keuze. Eerst en vooral moet de werkgever bereid zijn om het mobiliteitsbudget binnen de onderneming in te voeren. Indien de werkgever hiertoe bereid is, beslist elke werknemer zelf of hij van zijn mobiliteitsbudget gebruik wenst te maken. Niemand kan de werknemer verplichten.

Voorwaarden voor de werkgever

Om in aanmerking te komen voor het mobiliteitsbudget moeten zowel de werkgever als de werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Alvorens de invoering van het mobiliteitsbudget, moet de werkgever onmiddellijk voorafgaand gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden bedrijfswagens aanbieden in zijn ondernemingen. Indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat, geldt deze termijn niet. In dergelijk geval volstaat het dat de werkgever op het ogenblik van de invoering van het mobiliteitsbudget bedrijfswagens aanbiedt.

Voorwaarden voor de werknemer

Net zoals de werkgever dient ook de de werknemer aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Van zodra de werknemer aan deze voorwaarden voldoet kan hij een aanvraag bij zijn werkgever indienen.

Op het ogenblik van de aanvraag moet de werknemer gedurende een ononderbroken termijn van 3 maanden over een bedrijfswagen beschikken. Daarenboven dient de werknemer gedurende 12 maanden in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een bedrijfswagen ter beschikking gesteld gekregen hebben. Ook deze termijnen zijn niet van toepassing indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat.

Indien een werknemer in dienst treedt bij een nieuwe werkgever gelden de hierboven vermelde voorwaarden niet. In dergelijk geval voorziet de wet een specifieke regeling. De werknemer zal in twee gevallen het mobiliteitsbudget bij de nieuwe werkgever kunnen aanvragen. Dit kan wanneer hij bij zijn vorige werkgever reeds een mobiliteitsbudget had gekregen of  bij de vorige werkgever in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 12 maanden over een bedrijfswagen beschikte, waarvan minstens 3 maanden ononderbroken voorafgaand aan de uitdiensttreding.

De derde mogelijkheid bestaat uit de verdere opbouw van de termijn bij de nieuwe werkgever. Dit is mogelijk wanneer de werknemer in een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitdiensttreding beschikte over een bedrijfswagen bij de oude werkgever.

Wat betreft de nieuwe werknemers dienen zij uiterlijk 1 maand na de indiensttreding bij de nieuwe werkgever een aanvraag tot het mobiliteitsbudget of respectievelijk verdere opbouw van termijnen, in te dienen.

Formaliteiten

De werkgever zal aan zijn werknemers moeten meedelen dat een  mobiliteitsbudget wordt ingevoerd. Indien hij voorwaarden koppelt aan het budget moeten deze ook duidelijk kenbaar gemaakt worden aan de werknemers. Werknemers moeten de aanvraag schriftelijk indienen. De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk aan de betrokken werknemer verstrekt. Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, geldt de aanvraag en de positieve beslissing van de werkgever als overeenkomst. Deze maakt dan inhoudelijk dan deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

Het mobiliteitsbudget laat de werknemer toe een keuze te maken hoe hij zijn "bedrijfswagen" zelf invult. Op deze manier probeert de overheid te keuze voor milieuvriendelijkere wagens en alternatieven te stimuleren en de mobiliteitsproblematiek aan te pakken.

Wenst u het mobiliteitsbudget in te voeren in uw onderneming? Contacteer ons voor meer informatie.


Big Brother is watching you - observatie door de fiscus

Fiscale inspecteurs mogen herhaaldelijk vanop de openbare weg de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige in de gaten houden. Ook de beroepsmatige handelingen die hij met andere belastingplichtige verricht mag de fiscus “observeren”. Dergelijke soort van observatie bevestigt het Hof van Cassatie (14 december 2018).

Zwart circuit in horeca

De zaak in kwestie betrof een grootschalige fraude in de horecasector. Dankzij een tip van een cafébaas bij de fiscus werd een opgezet zwart circuit tussen een drankhandelaar en horeca-uitbaters volledig ontrafeld.

De fiscus zette immers na deze tip haar inspectiediensten in. Na vaststellingen bij diverse klanten van de drankenhandelaar, bevestigden deze het bestaan van een zwart circuit.

Procedureslag

Op basis van de processen verbaal van de fiscale inspecteurs legde de fiscus officieel klacht neer bij het parket. Dit leidde niet alleen tot een strafrechtelijke vervolging van de drankenhandelaar. Maar het leidde ook tot een fiscale procedure bij de afnemers.

De verschillende horeca-uitbaters kregen een bijkomende aanslag in de bus. Eén van die horeca-uitbaters liet het daar niet bij en startte een ware procedureslag.

Strikte voorwaarden observatie uit Wetboek Strafvordering

Artikel 47 sexies WSV voorziet specifieke voorwaarden voor een "observatie". Zo is een observatie - in het strafrecht - meer dan vijf opeenvolgende dagen, of van meer dan vijf niet-opeenvolgende dagen gespreid over een periode van een maand, of een observatie waarbij technische hulpmiddelen worden aangewend. Hiervoor is een machtiging van de Procureur des Konings nodig.

Een van de argumenten van de horeca-uitbater was dat de fiscale ambtenaren niet beschikten over dergelijke machtiging.

Recht op privacy

Daarnaast riep de café-uitbater ook een schending van zijn privacy (art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in. Volgens dit artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de privésfeer verboden, tenzij daarin bij wet is voorzien en het in een democratische samenleving noodzakelijk is, onder meer in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land.

Beslissing Hof: geen schending

De café-uitbater moet echter tot voor het Hof van Cassatie telkens in het zand bijten. Een observatie in strafzaken is immers géén observatie door de fiscus.

Ook het feit dat de fiscus door eigen observaties gegevens inzamelt in de openbare ruimte om zo de correcte belasting te kunnen heffen, vormt voor Cassatie in beginsel geen schending van de privacy van de belastingplichtige. De waarnemingen van de fiscale inspecteurs (in casu het in- en uitladen van drank en leeggoed) was zichtbaar van op de openbare weg en behoort volgens het Hof dus niet tot de privésfeer van de belastingplichtige.

Bron: Cass. 14 december 2018,  F.18.0093.N, Fisc.Act. 2019/02, 5-6.