Telewerk: nieuwe spelregels voor onkostenvergoeding

COVID-19 zorgde ervoor dat telewerk in menig bedrijf in ijltempo ingeburgerd geraakte. En dat het naar alle waarschijnlijkheid een blijvertje is, ook in post-COVID-19-tijden, beseft ook de fiscus. Voor de kosten en vergoedingen die dat met zich meebrengt, heeft de fiscus de fiscale spelregels nu vastgelegd in een nieuwe circulaire. De nieuwe fiscale regels overstijgen dus de coronaproblematiek.

Thuiswerk

Vooreerst: wat verstaat de fiscus onder telewerk? Als een werknemer of ambtenaar regelmatig thuis werk verricht dat hij ook op de werkvloer kan uitvoeren, dan is er sprake van telewerk. Het gaat wel degelijk om private lokalen van de werknemer. Werken in een satellietkantoor van de werkgever valt niet onder de toepassing van de circulaire. Bovendien moet het gaan om thuiswerk tijdens de normale werkdagen.

Wie kan een vergoeding krijgen?

Werknemers die structureel en regelmatig thuiswerken kunnen een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangen. Concreet moet het gaan om het equivalent van één werkdag per week. Twee halve dagen per week? Elke ochtend twee uur van thuis uit werken alvorens naar kantoor te gaan? Drie weken op kantoor werken en één week thuiswerk? Alles kan, zolang op maandbasis het equivalent van één werkdag per week wordt behaald. Een werknemer die sporadisch 's avonds thuis zijn laptop nog eens even openklapt, komt dus niet in aanmerking.

Bedrijfsleiders vallen eveneens niet onder het toepassingsgebied van de circulaire.

Forfaitaire kantoorvergoeding

Een werkgever kan met een forfaitaire kantoorvergoeding de algemene kantoorkosten van telewerkers belastingvrij vergoeden. Die vergoeding kan maximum 129,48 euro per maand bedragen. De regering besliste om dit bedrag tijdelijk te verhogen tot 144,31 euro voor de maanden april, mei en juni 2021.

Tijdens normale vakantieperiodes mag de vergoeding worden doorbetaald. Voor deeltijdse werknemers moet u de vergoeding niet prorateren.

Keert een werkgever een hogere vergoeding uit, zonder daarvoor bewijsstukken voor te leggen, dan wordt het deel van de vergoeding dat het maximumbedrag overstijgt wel belast.

Cumul met andere vergoedingen

De forfaitaire onkostenvergoeding dekt alle kantoorkosten. Het gaat om alle kosten die een werknemer maakt om zijn beroepsactiviteit van thuis uit te kunnen uitoefenen. Denk bijvoorbeeld aan papier, pennen, nutsvoorzieningen zoals water, verwarming en elektriciteit, onderhoud, verzekering, onroerende voorheffing, koffie, versnaperingen... Daarnaast kunnen werkgevers eveneens tussenkomen in aankopen van kantoormeubilair en/of informaticamateriaal door de werknemer. Wat in aanmerking kan komen, wordt door de fiscus beperkend opgelijst. Het gaat bijvoorbeeld om een bureaustoel, een printer/scanner, een hoofdtelefoon... voor zover de werkgever deze zaken ook in normale omstandigheden op de werkvloer ter beschikking zou stellen.

De fiscus beschouwt deze terugbetalingen als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever en dus belastingvrij. Maar redelijkheid is hier geboden. Dergelijke uitgaven kunnen niet elk jaar opnieuw vergoed worden. Daarom legde de fiscus de normale levensduur van een aantal zaken vast, bijvoorbeeld 10 jaar voor een bureaustoel en 3 jaar voor een printer/scanner.

De werkgever kan er ook voor opteren om de terugbetaling van een eenmalige aankoop te spreiden over een aantal jaren. Bewijsstukken moet de werkgever ter beschikking houden. U zal dus de factuur bij uw werknemer moeten opvragen.

Stopt de werknemer met telewerken en mag hij het materiaal houden, dan ontstaat er wel een voordeel van alle aard voor de werknemer.

Andere forfaitaire vergoedingen

Bovenop de forfaitaire kantoorvergoeding kan een werkgever nog andere forfaitaire vergoedingen toekennen aan telewerkende werknemers.

Het gaat dan om volgende forfaitaire vergoedingen:

  • maximum 20 euro per maand voor het professioneel gebruik van een priv√©-internetaansluiting en -abonnement;
  • maximum 20 euro per maand voor het professioneel gebruik van een priv√©-computer OF maximum 5 euro per maand voor het professioneel gebruik van een eigen tweede computerscherm en/of printer/scanner zonder priv√©-computer. De vergoeding van 5 euro per maand geldt per item, met een absoluut maximum van 10 euro per maand, en dat gedurende maximum drie jaar.

De werkgever mag dan wel niet op een andere manier in de kosten ervan zijn tussengekomen.

Terbeschikkingstelling kantoormeubilair/informaticamateriaal

In plaats van de kosten te vergoeden kan een werkgever er voor opteren om het materiaal zelf aan te kopen en ter beschikking te stellen van zijn werknemer. De fiscus aanvaardt dat hier geen voordeel van alle aard ontstaat. De werknemer is hier immers geen eigenaar van het materiaal.

Ook hier is redelijkheid de leidraad. Het moet gaan om goederen die noodzakelijk zijn om de beroepsactiviteit op een normale wijze thuis te kunnen uitoefenen. Alles wat daar boven uitstijgt, zal aanleiding geven tot het belasten van een voordeel van alle aard.

Niet-structureel thuiswerk

Werknemers die minder dan (het equivalent van) één dag per week thuiswerken kunnen in principe geen forfaitaire kantoorvergoeding krijgen. Betaalt u in dat geval toch een vergoeding voor de gemaakte kosten? Zorg er dan voor dat de vergoeding overeenstemt met de gemaakte kosten en dat die daarvoor ook effectief werd gebruikt. Is dat niet het geval, dan zal de vergoeding niet belastingvrij zijn.

Samengevat

Onkostenvergoedingen voor structureel en niet-structureel thuiswerk zijn en blijven onderworpen aan fiscale (en sociale) spelregels. De fiscale circulaire van 26 februari 2021 zorgt alvast voor een kader.

Om rechtszekerheid te bekomen over de door u toegepaste onkostenvergoedingen, kan u nog altijd, zoals voorheen vaak gebeurde, een ruling aanvragen bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (DVB).

De nieuwe circulaire trad in werking op 1 maart 2021, maar de regels zijn wel degelijk van toepassing vanaf 1 januari 2020. Aan bestaande rulings doet de circulaire geen afbreuk.

U wil graag een onkostenvergoeding uitbetalen aan uw werknemers die telewerken? aternio bekijkt graag samen met u de mogelijkheden.


Schenking: rechtstreeks maar via een onderhands document

Carpe diem - pluk de dag. Leef elke dag alsof het je laatste is. Het leven is te kort, dus maak het de moeite waard. Het zouden geen clichés zijn, mocht er geen grond van waarheid in zitten. Door een dergelijke levenswijsheid te hanteren leef je inderdaad van dag tot dag. Vermogensplanning, dat zijn zorgen voor later. Maar wat als "later" plots heel dichtbij komt? Is uw kans op een fiscaal optimaliseerde planning dan verkeken? Nee hoor, en u leest in deze bijdrage waarom niet: via de rechtstreekse, onderhandse schenking, een nieuwe aanvaarde vorm van planning in extremis.

Gent 15 december 2020: de schenking in extremis

Het hof van beroep van Gent diende zich in het arrest van 15 december 2020 uit te spreken over  de rechtstreekse schenking van een som geld, die werd georganiseerd via een onderhands document. Het onderhandse document werd kort voor het overlijden van de schenker, vrijwillig geregistreerd.Hierdoor zou men de schenking taxeren onder de schenkbelasting en zou men de hogere erfbelasting buiten spel kunnen zetten.

Voornoemde schenking respecteert niet de vormvoorschriften die het Burgerlijk Wetboek oplegt voor schenkingen. Komen we hier dan binnen de reikwijdte van de alternatieve schenkingsvormen? Of bevinden we ons in de donkere steegjes van een mogelijke nietigverklaring? Bovendien, als dat al vernietigbaar zou zijn, kan dat ook nog door de ontvanger van de erfbelasting, na het overlijden van de schenker?

Waarover ging het concreet?

Vader en moeder, gehuwd onder het wettelijk stelsel, verrichten een schenking van een geldsom aan hun 2 kinderen. Van de schenking wordt een onderhands document opgemaakt, de titel. Alle betrokken partijen ondertekenen dit document. Een dag later wordt het onderhands document aangeboden ter registratie. De effectieve uitvoering van de schenking zou pas 2 maanden later plaatsvinden.

Pittig, maar cruciaal, detail: amper 20 minuten na de registratie van de onderhandse akte, overlijdt 1 van de schenkers, met behulp van euthanasie.

Het aanslagbiljet om de schenkbelasting te betalen (naar aanleiding van de registratie) komt enige tijd later toe. Nog een paar maanden later, wordt de aangifte van nalatenschap van de overleden schenker ingediend, waarin men melding maakt van de geregistreerde geldschenking.

De situatie wordt nog enigszins complexer aangezien de geschonken gelden nog op rekening van de schenker(s) stonden, op het moment van overlijden. Uiteraard verzoeken de indieners om deze gelden buiten beschouwing te laten. U kan het gevolg al raden: de belastingadministratie geeft hier geen gevolg aan. Daarna is de mallemolen van bewaarschriften en rechtbanken begonnen, hetgeen resulteerde in de voorliggende uitspraak van het hof van beroep te Gent van 15 december 2020.

Schenking in het Vlaamse Gewest

In het Vlaamse gewest is het voldoende voor een schenking dat zij voorafgaand aan het overlijden van de schenker ter registratie wordt aangeboden. Het is niet vereist dat de schenkbelasting al effectief betaald is. Het aanslagbiljet wordt namelijk pas (enige tijd) na de registratieformaliteit bezorgd. Dit principe geldt niet voor het Brussels Hoofdstedelijk en het Waalse Gewest: daar is het enregistrer = payer.

Enkel schenkingen die verricht zijn binnen de 3 jaar voor het overlijden van de schenker én die niet voorafgaandelijk geregistreerd zijn, zal de fiscus belasten in de erfbelasting. Iemand die een schenking uitvoert vlak voor het overlijden en daarop dus wel schenkbelasting voldoet, zal fiscaal buiten schot blijven. Dit zal men nooit als fiscaal misbruik kunnen aanzien. Dat is ook niet meer dan terecht: niemand ontduikt enige belasting. Toch heeft Vlabel zich in deze discussie geweerd.

Argumentatie Vlabel

Inzake de rechtstreekse schenking via onderhandse akte

Vlabel veronderstelt dat de voorliggende schenking geen rechtstreekse schenking kan zijn, aangezien zij niet voldoet aan de vormvoorschriften van het Burgerlijk Wetboek. Een onderhandse akte is namelijk geen notari√ęle akte en laat dat nu net √©√©n van die vormvoorschriften zijn. Vlabel stelt dat de onderhandse akte en een bevestiging kan zijn van een eerder uitgevoerde bank- of handgift. Argument voor deze stelling vinden ze in het feit dat de geldsom nog niet was overgeschreven, op het moment van het overlijden.

Het hof van beroep gaat hiermee niet akkoord. Het hof stelt dat er effectief een rechtstreekse schenking voorligt. Bovendien stellen ze dat die schenking ook voldoet aan de constitutieve elementen, te weten: verarming en bijhorende verrijking, met het oogmerk om te begiftigen.

Het is ook duidelijk dat de verrichting geen bankgift vormt. Bij een bankgift maakt men namelijk een eenzijdig bewijsdocument (de zogenaamde pacte adjoint) op na het overschrijven van de gelden. In de voorliggende casus wordt het document door zowel de schenkers als de begiftigden ondertekend en omvat het de effectieve schenking. Het onderhands document is de effectieve titel van de schenking. Bovendien zijn bewoordingen opgenomen in de tegenwoordige tijd: zowel de wil om te schenken als de aanvaarding door de begiftigde.

Inzake de vernietigbaarheid van de schenking

Het Burgerlijk Wetboek legt de vormvoorschriften voor schenkingen op, op straffe van nietigheid. Maar, dit dienen we te nuanceren. De wet stelt niet dat een miskenning van de vormvoorschriften een nietigheid van rechtswege triggerd. Nee, er staat enkel dat die voorschriften op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven.

Het gaat om een absolute nietigheid, zolang de schenker nog in leven is. Dit wil zeggen dat, wanneer een belanghebbende partij (lees: ook de fiscus) de nietigheid zou inroepen, niemand daar iets aan kan veranderen. De nietigheid zal dus een feit zijn. De verjaringstermijn hiervoor is 10 jaar, te rekenen vanaf de datum van de schenking. De vraag is echter waarom een instantie, zoals de fiscus, dit zou doen. Ze ontvangen namelijk schenkbelasting en er kunnen dus niet opperen dat zij hierin enig belang hebben.

Die absolute nietigheid verandert echter in een relatieve nietigheid, na het overlijden van de schenker. Dit wil zeggen dat enkel de erfgenamen en rechtverkrijgenden van de schenking deze nietigheid nog kunnen inroepen. De erfgenamen kunnen de schenking alsnog bekrachtigen of bevestigen door ze toch uit te voeren.  Ook hier is de verjaringtermijn 10 jaar, te rekenen vanaf het moment van de schenking.

Vlabel argumenteerde dat zij alsnog de nietigheid van de schenking konden inroepen, aangezien 1 van de 2 schenkers toch nog in leven was. Jammer maar helaas voor Vlabel. De schenking had namelijk plaatsgevonden vanuit de huwgemeenschap en dan is die één en ondeelbaar, tot zolang de huwgemeenschap niet ontbonden is. Als de schenking tijdens het huwelijk wordt aangevochten, dan zijn beide schenkers inderdaad getroffen. Maar wanneer de huwgemeenschap ontbonden is, en laat dat nu net het geval geweest zijn door het overlijden van een schenker, dan heben we te maken met een deelbare schenking. Een integrale vernietiging van de schenking, zou dan niet opportuun zijn.

Conclusie

In wat voorafgaand is een sterk staaltje van planning in extremis omschreven. Het standpunt van het hof van beroep te Gent kunnen we dan ook enkel maar toegejuichen. Planning zou voor iedereen, altijd, toegankelijk moeten zijn. Dat geldt sowieso al voor een testament: dat kan u te allen tijde opmaken, aanpassen, vernietigen,... Naderhand zal men u belasten in de erfbelasting.

Voor een schenking kon dat niet, daarvoor moest u naar de notaris. De notaris zal de akte dan laten registereren en u dient daarna de schenkbelasting te betalen. Het enige wat het hof van beroep nu toestaat is dat men die tussenstap van de notaris kan elimineren. Voor het overige blijft alles hetzelfde: geschrift - registratie - schenkbelasting.

Is dit een techniek die men nu continu dient aan te wenden? Nee, want er is nog altijd wel de nietigheid waarmee men rekening moet houden. Als een partij zich benadeelt voelt of indien de fiscus er tijdens het leven van de schenker lucht van krijgt, kan men alles nog teniet doen. Wat uiteraard niet kan wanneer u de regels van het Burgerlijk Wetboek netjes volgt.

Is dit een techniek die men in het achterhoofd moeten houden "just in case". Dat zeker wel! Als het snel moet gaan en u door omstandigheden geen notaris meer te pakken krijgt... aarzel dan om de bovenstaande techniek aan te wenden.

aternio kan u hierbij zeker bijstaan: van de opmaak van het document tot aan de registratieverplichting. Zo kan u nog tijd maken voor wat ongetwijfeld één van de meest intense momenten in het leven zal zijn.


Voortdurend verlies maken: hold your horses!

Voortdurend verlies maken, economisch is het niet gezond. Fiscaal is het verleidelijk. Getuige hiervan is  een interessant arrest van 15 september 2020 over een paardenfokkerij die al 20 jaar lang geen winst maakte, maar toch btw bleef aftrekken. Het gebrek aan winst deed de fiscus er toe besluiten dat de belastingplichtige geen professional was, maar een loutere amateur. De kosten van zijn zogenaamde 'hobby' zouden dan ook niet aftrekbaar zijn.

Het hof van beroep te Antwerpen (rolnr: 2019/AR/518) ziet het tóch anders...

Rechtspraak inkomstenbelasting paardenfokkerij

Op het vlak van inkomstenbelastingen vinden we heel wat rechtspraak over paardenfokkerijen die er in werkelijkheid niet op gericht zouden zijn om winst te behalen. De fiscus en rechtbanken oordelen daarbij doorgaans dat uit het geheel van omstandigheden blijkt dat de belastingplichtigen enkel het stelselmatig verrekenen van de verliezen beogen. Op die manier kunnen ze hun belastingen verlagen. De fiscus herkwalificeert de paardenfokkerij dan als "hobby" en verwerpt de kostenaftrek, zodat het resultaat op nul komt te staan.

Btw: economische activiteit

Op het vlak van btw wordt deze redenering echter niet doorgetrokken. Daar is het winstoogmerk immers van geen tel.

Artikel 4 van btw-wetboek definieert een belastingplichtige als: "eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht [...]".

Op het vlak van btw moet er dus sprake zijn van een "economische activiteit".

Bij de beoordeling ervan kijkt men naar alle feitelijke elementen. Denk aan de wijze van financiering, de exploitatievoorwaarden, de hoedigheid van de exploitant, de commercialisering, de aard van het cli√ęnteel enz.

In eerste aanleg had de rechtbank de fiscus nog gelijk gegeven. De verrichtingen van de vennootschap zouden geen economische waarde hebben, omdat er geen werkelijk duurzame opbrengsten uit voortkwamen. Het hof van beroep verbreekt - geheel terecht -dit vonnis.

Oordeel hof

Zoals gezegd, is het al dan niet winst maken, niet relevant voor de btw-plicht. De aanwezigheid van een 'economische activiteit' is dat wel. Het hof oordeelt in onderhavige zaak dat dit weldegelijk het geval is. Er worden paarden gefokt en trainingen gegeven. Ook is er de verkoop van sperma en inschrijvingen voor professionele wedstrijden. Verder beschikt de vennootschap over de nodige vergunningen en professionele infrastructuur en personeel. Het ontbreken van winst doet hier geen afbreuk aan.

Besluit

Via intelligente software gaat de fiscus op zoek naar alle ondernemingen die de laatste 5 jaar geen winst konden optekenen, om vervolgens de kostenaftrek te verwerpen en het resultaat op nul te zetten. Weet dat op het vlak van btw, de fiscus dit niet zomaar mag doen, hoewel de rechtspraak hierover wel nog wat verdeeld is.

Wij adviseren u graag en met kennis van zaken. Contacteer ons gerust.


Update - Steunmaatregelen coronavirus COVID-19

Volg hier de laatste updates aangaande de financi√ęle steunmaatregelen van de overheid inzake het coronavirus.

1. A) Vlaams beschermingsmechanisme 7

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 7 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 6. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 6 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 7, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 7 betrekking op de periode van 1 april 2021 tot en met 30 april 2021.

Ook hier moet de onderneming aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in de volgende periode, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen.

  • Periode van 1 april 2021 tot en met 30 april 2021.

De niet-essenti√ęle handelszaken waren niet verplicht gesloten en kunnen niet gebruikmaken van bovenstaande regeling. Zij moeten steeds de omzetdaling van 60% aantonen. Hierbij mogen zij wel de referentieomzet uit de gehele maand april 2019 gebruiken ten opzichte van de periode van 1 april 2021 t.e.m. 25 april 2021. Hierbij is wel de voorwaarde gesteld dat zij voor de maand april 2021 minstens deeltijds open waren op afspraak. De niet-essenti√ęle handelszaken dienen geen rekening te houden met de omzet behaald uit de verkoop van vooraf bestelde goederen (afhaal en thuislevering)

Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 april 2019 tot en met 30 april 2019 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 15 % van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 april t.e.m. 30 april 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

VLAIO staat in voor de verwerkingen van de aanvragen.

De premie kan u aanvragen vanaf 3 mei 2021 tot en met 15 juni 2021.

1. B) Vlaams beschermingsmechanisme 6

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 6 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 5. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 5 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 6, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 6 betrekking op de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 maart 2021.

De onderneming moet aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in één van volgende periodes, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen.

  • Periode van 27 maart 2021 tot en met 31 maart 2021 (voor niet-medische contactberoepen); of
  • Periode van 1 maart 2021 tot en met 31 maart 2021.

Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 maart 2019 tot en met 31 maart 2019 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 maart 2019 t.e.m. 31 maart 2019, ofwel van 27 maart 2019 t.e.m. 31 maart 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.
Als voorbeeld kunnen we hierbij wel vernoemen dat voor een niet-medische contactberoepen met minder dan 10 werknemers die verplicht diende te sluiten in de periode van 27 maart 2021 t.e.m. 31 maart 2021, de volgende premies zouden gelden:

  • Periode van 27 maart 2021 t.e.m. 31 maart 2021: minimaal 97,00 en maximaal 1.210,00 euro;

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

VLAIO staat in voor de verwerkingen van de aanvragen.

De premie kan u aanvragen tot en met 15 mei 2021.

1. C) Vlaams beschermingsmechanisme 5

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 5 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 4. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 4 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 5, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 5 betrekking op de periode van 1 februari 2021 tot en met 28 februari 2021.

Ook hier moet de onderneming aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2020. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in één van volgende periodes, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen.

  • Periode van 1 februari 2021 tot en met 7 februari 2021 (voor vakantiehuizen in vakantieparken, bungalowparken en campings); of
  • Periode van 1 februari 2021 tot en met 12 februari 2021 (voor kappers); of
  • Periode van 1 februari 2021 tot en met 28 februari 2021.

Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 februari 2020 tot en met 28 februari 2020 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 februari t.e.m. 28 februari 2020, ofwel van 1 februari 2020 t.e.m. de laatste verplichte sluitingsdag zijnde 7 of 12 februari 2021. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.
Als voorbeeld kunnen we hierbij wel vernoemen dat voor een niet-medische contactberoepen met minder dan 10 werknemers die verplicht diende te sluiten in de periode van 1 februari t.e.m. 28 februari 2021, de volgende premies zouden gelden:

  • Periode van 1 februari 2021 t.e.m. 28 februari 2021: minimaal 600,00 en maximaal 7.500,00 euro;

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme 5 kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 6.

1. D) Vlaams beschermingsmechanisme 4

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 4 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 3. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 3 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 4, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 4 betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 januari 2021.

Ook hier moet de onderneming aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2020. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in de periode van 1 januari tot en met 31 januari 2021, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen. Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 januari 2020 tot en met 31 januari 2020 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 januari t.e.m. 31 januari 2020, ofwel van 1 januari 2020 t.e.m. de laatste verplichte sluitingsdag (uiterlijk 14 januari) ofwel van 15 januari 2020 tot en met 31 januari 2020. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.
Als voorbeeld kunnen we hierbij wel vernoemen dat voor een niet-medische contactberoepen met minder dan 10 werknemers die verplicht diende te sluiten in de periode van 1 januari t.e.m. 31 januari 2021, de volgende premies zouden gelden:

  • Periode van 1 januari 2021 t.e.m. 31 januari 2021: minimaal 600,00 en maximaal 7.500,00 euro;

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme 4 kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 5.

1. E) Vlaams Beschermingsmechanisme 3

Wat?

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 3 was de opvolger van het Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme. Ook hier diende de onderneming aan te tonen dat zij getroffen werd door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop was echter wel 1 uitzondering: voor de periode van de verplichte sluiting tot 30 november of tot 31 december, diende zij geen omzetdaling aan te tonen. Dezelfde voorwaarden golden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme.

De maatregel gold voor één van volgende periodes:

  • van 16 november 2020 tot en met 30 november 2020; of
  • van 16 november 2020 tot en met 31 december 2020.

Een cumulatie van de premie voor de beide periodes samen was niet mogelijk. Ondernemingen dienden te kiezen voor welke periode zij de premie aanvragen. Indien de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 16 november 2019 t.e.m. 31 december 2019 voor meer dan de helft afhankelijk was van afhaal-activiteiten dan diende de omzetdaling toch bewezen worden.

Hoeveel?

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 3 bestond uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode vanaf 16 november t.e.m. 30 november 2019 of vanaf 16 november 2019 t.e.m. 31 december 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hadden eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hadden enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineerden met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hadden recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant waren van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verrichten en die niet beschikken over een "witte kassa", hadden slechts recht op de premie tot maximaal 2.250 euro.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme 3 kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 4.

1. F) Nieuw Vlaams beschermingsmechanisme

Wat?

Het nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme is de opvolger van het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme. Ook hier diende de onderneming aan te tonen dat zij getroffen werd door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop was echter wel 1 uitzondering: voor de periode vanaf de verplichte sluiting tot 15 november, diende zij geen omzetdaling aan te tonen. Dezelfde voorwaarden golden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing waren.

De maatregel gold voor één van volgende periodes:

  • van 1 oktober 2020 tot en met 15 november 2020; of
  • van 19 oktober 2020 tot en met 15 november 2020; of
  • vanaf de verplichte sluiting van de onderneming tot en met 15 november 2020.

Een cumulatie van de premie met het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme of voor de beide periodes samen was niet mogelijk. Ondernemingen dienden te kiezen voor welke periode zij de premie aanvragen.

De keuze van de periode was voornamelijk van belang voor ondernemingen die verplicht gesloten werden: indien ondernemingen in de horecasector kozen voor de periode van 19 oktober t.e.m. 15 november moeten zij geen omzetdaling aantonen. Koos een andere onderneming die diende te sluiten vanaf 2 november 2020, voor de periode startende vanaf die datum t.e.m. 15 november, dan diende zij ook geen omzetdaling aan te tonen. Koos een onderneming echter voor een andere periode, dan diende zij wel een omzetdaling van 60% te bewijzen. Bovendien: was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 19 oktober 2019 t.e.m. 15 november 2019 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten, dan diende de omzetdaling toch bewezen te worden.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestond uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode vanaf 1 oktober t.e.m. 15 november 2019, vanaf 19 oktober t.e.m. 18 november 2019 of de periode vanaf de verplichte sluiting t.e.m. 15 november 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hadden eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie was afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming verplicht diende te sluiten en het aantal werknemers. Vlaio voorzag hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hadden enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineerden met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hadden recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant waren van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht en die niet beschikken over een "witte kassa", hadden slechts recht op de premie tot maximaal 2.250 euro.

Aanvraag

Het Nieuw Vlaams beschermingsmechanisme kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 3.

1. G) Vlaams beschermingsmechanisme

Wie?

De Vlaamse overheid kwam met een nieuwe steunmaatregel voor ondernemingen die zwaar getroffen werden door een omzetverlies van minstens 60% in de maanden augustus en september 2020. Het gaat dus enkel om ondernemingen die geen recht hadden op de Vlaamse Hinderpremie voor de maanden augustus en september 2020. De premie was ook enkel van toepassing op ondernemingen die op 1 augustus 2020 als actief ingeschreven waren in de KBO.

Voor ondernemingen die te kampen hadden met een omzetdaling van minstens 60%, in de periode van 1 augustus 2020 en 30 september 2020 tegenover dezelfde periode van 2019 voorzag de Vlaamse overheid nu een premie. Starters dienden de omzetdaling te vergelijken met het neergelegde financieel plan. De omzetdaling betrof niet de daling van de omzet door uitgestelde facturatie, maar deze omwille van de verminderde prestaties van de onderneming. Om de omzetdaling aan te tonen diende er gekeken te worden naar dagontvangsten, geleverde prestaties of tijdsregistratie.

De Vlaamse overheid beperkte het recht op het Vlaams beschermingsmechanisme tot ondernemingen wiens hoofdactiviteit (zoals opgenomen in de KBO) behoort tot de lijst van NACE-codes die VLAIO publiceerde. Ook ondernemingen die verplicht gesloten waren omwille van de maatregelen van de Nationale Veiligheidsraad konden gebruik maken van deze premie.

Naast de ondernemingen die reeds genoten van de hinderpremie, zijn holding-, patrimoniumvennootschappen, activiteiten van hoofdkantoren en managementvennootschappen van ondernemingen die een compensatie- of hinderpremie genieten uitdrukkelijk uitgesloten.

Substanti√ęle exploitatiebeperkingen

Ondernemingen dienden te bewijzen dat zij getroffen werden door substanti√ęle exploitatiebeperkingen ingevolge de coronamaatregelen. Hierbij gaat het niet om de vrijwillig genomen maatregelen, maar om omzetdalingen die het gevolg waren van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad. Bij het indienen van de aanvraag, diende u dit omstandig te motiveren.

Hoeveel?

Het Vlaams Beschermingsmechanisme bestond uit een premie van 7,5% van de omzet, exclusief btw, van augustus en september 2019. De premie kon echter maximaal 15.000 euro bedragen. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hadden van minstens 13.993,78 euro, hadden eveneens recht op deze premie. Ondernemingen die exploitant waren van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht en die niet beschikken over een "witte kassa", hadden slechts recht op de premie tot maximaal 3000 euro.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hadden enkel recht op premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hadden recht op een gehalveerde premie van 3,75% van de omzet, exclusief btw, van augustus en september 2019.

Om recht te hebben op het volledige bedrag van de premie diende de onderneming vanaf 24 augustus 2020 minder openingsdagen te hebben dan in dezelfde periode in 2019.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme.

2) Corona ondersteuningspremie

De overheid voorzag in een bijkomende compensatiepremie voor ondernemingen. De premie bestaat uit het ondersteunen van ondernemingen die nog steeds getroffen werden door omzetverlies naar aanleiding van Covid-19. Ondernemingen die in aanmerking kwamen voor de Corona-hinderpremie of voor de corona-compensatiepremie konden dan aanspraak maken op deze aanvullende premie. De premie had dus voornamelijk ondernemingen op het oog die gesloten waren en die hun activiteiten heropstarten.

De onderneming diende een omzetverlies te lijden van 60% in de periode van 1 maand na de heropening. Deze periode diende vergeleken te worden met een referentieperiode van 2019. Bijvoorbeeld voor winkels loopt deze periode van 11 mei tot 11 juni 2020 en voor de horeca van 8 juni tot 8 juli 2020. Net als bij de corona-compensatiepremie diende er gekeken te worden naar dagontvangsten, geleverde prestaties of tijdsregistratie.

Het betrof een eenmalige premie van 2000 euro. Indien de aanvrager een zelfstandige in bijberoep is, in de zin van de corona-compensatiepremie, is de premie 1000 euro.

Aanvraag

De Corona ondersteuningspremie kan u niet langer aanvragen.

3) Vlaamse Compensatiepremie

Wat?

De Vlaamse overheid kwam tijdens de eerste Covid-Lockdown met een nieuwe steunmaatregel op de proppen. Dit voor ondernemingen die openbleven, maar getroffen werden door een groot omzetverlies. Het ging enkel om ondernemingen die geen recht hadden op de Vlaamse Hinderpremie. De premie was ook enkel van toepassing op ondernemingen die op 12 maart 2020 als actief ingeschreven zijn in de KBO. VZW's konden eveneens recht hebben op de premie, indien zij minstens één VTE personeelslid te werk stellen.

Het betrof een eenmalige premie van 3000 euro. Indien de aanvrager een zelfstandige in bijberoep is, is de premie 1500 euro.

Aanvraag

De Vlaamse Compensatiepremie kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door de corona-ondersteuningspremie.

4) Corona - hinderpremie 

Wat?

Alle ondernemingen met een fysieke locatie, zoals een winkel of een kantoor, in het Vlaamse Gewest die de deuren hebben moeten sluiten bij de eerste Covid-lockdown, konden een aanvraag indienen voor decorona-hinderpremie. De sluiting diende evenwel een rechtstreeks gevolg te zijn van de verplicht opgelegde sluiting door de overheid. Bij een vrijwillige sluiting had u dus geen recht op de premie. De premie werd toegekend per vestiging voor zover in de bijkomende vestigingen minstens één voltijds personeelslid tewerkgesteld was. Het aantal premies werd beperkt tot maximaal vijf per onderneming.

Zelfstandigen die gemengde activiteiten hadden en slechts gedeeltelijk opnieuw zijn kunnen starten hadden nog steeds recht op de hinderpremie.

Aanvragen

De corona-hinderpremie kan niet meer aangevraagd worden. Bij de tweede Covid-lockdown werd corona-hinderpremie vervangen door het Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme.

5. a) Overbruggingsrecht: quarantaine en sluiting school en kinderopvang

Wie?

Zelfstandigen in hoofdberoep die in quarantaine moeten of die moeten instaan voor de opvang en zorg van een kind door sluiting van scholen of kinderopvang hebben, kunnen gebruik maken van een speciaal daarvoor in het leven geroepen overbruggingsrecht. Deze regeling geldt voor zelfstandige die gedurende minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen zijn/haar activiteiten volledig moet onderbreken. Deze opeenvolgende dagen moeten echter niet in dezelfde kalendermaand vallen. Echter geldt de premie voorlopig enkel voor de maanden januari, februari en maart 2021.

Dient men in quarantaine of in isolatie te gaan, dan heeft men enkel recht indien een quarantaine-attest beschikbaar is op naam van de zelfstandige of van een persoon die ingeschreven is op hetzelfde adres. Is men bewust naar een rode zone gereisd of is men ziek (hier heeft men recht op een ziekteuitkering), dan heeft men geen recht op het overbruggingsrecht.

Indien het gaat om de opvang van een kind jonger dan 18 jaar, dan dient het kind op hetzelfde adres als de zelfstandige te wonen. Er is enkel recht op de premie indien het kind in quarantaine of isolatie moet, scholen, klassen of het kinderdagverblijf gesloten is omwille van Covid-19 of er voorzien werd in afstandsonderwijs. Voor de dagen dat een kind andere jaren ook thuis zou verblijven, bijvoorbeeld tijdens schoolvakanties is er geen recht op de premie. De zelfstandige zal deze toestand moeten aantonen met een attest van het kinderdagverblijf of school.

Deze maatregel is niet van toepassing op zelfstandigen die hun activiteiten van thuis uit kunnen verderzetten. De activiteiten moeten namelijk geheel stopgezet zijn gedurende deze periode. Zelfstandigen die recht heeft op andere vervangingsinkomen (zoals een ziekte-uitkering), heeft eveneens geen recht op het klassiek overbruggingsrecht.

Bedrag

Het overbruggingsrecht bedraagt voor een onderbreking vanaf 7 dagen 322,92 euro of 403,52 euro (met gezinslast). Duurt de onderbreking 14 dagen en meer dan is het bedrag 645,84 euro of 807,05 euro (met gezinslast). Bij een onderbreking van 21 dagen en meer 968,77 euro of 1.210,58 euro (met gezinslast) en vanaf 28 dagen heeft de zelfstandige recht op de gehele premie van 1.291,69 euro of 1.614,10 euro (met gezinslast).

Zelfstandigen in bijberoep, 65-plussers zonder pensioen (die een bijdrage betalen tussen 370,85 en 741,63 euro) en student-zelfstandige (met een bijdrage van minder dan 741,63 euro) hebben recht op een halve uitkering.

Aanvraag

Het overbruggingsrecht quarantaine, isolatie en kinderopvang dient men aan te vragen via het sociaal verzekeringsfonds. De aanvraag kan men aanvragen voor 30 november 2021 voor de maanden januari, februari en maart 2021.

5. b) (Dubbel) overbruggingsrecht voor zelfstandigen (Crisis-overbruggingsrecht)

5.b)1. Enkel overbruggingsrecht

Het overbruggingsrecht was er tot nu enkel voor zelfstandigen die hun activiteit voor minstens één maand dienden te onderbreken of stopzetten. In volle corona-crisis publiceerde de overheid op 24 maart 2020 een nieuwe wet om het klassiek overbruggingsrecht uit te breiden en te versoepelen.

Wie?

Voor zelfstandigen die hun activiteiten volledig stopzetten of moeten sluiten omwille van het coronavirus is op 23 maart een nieuwe wet gepubliceerd. Onder "zelfstandige" wordt hier verstaan hoofdberoepers, helpers, meewerkende echtgenoten, maar ook starters (die nog geen 4 kwartalen sociale bijdragen hebben betaald).

Artsen-specialisten, medisch beroepers, zorgverleners en dierenartsen die enkel dringen en absoluut noodzakelijke behandelingen voeren, hebben ook recht op het overbruggingsrecht. Ook zelfstandigen in hoofdberoep die de pensioenleeftijd niet bereikt hebben, maar die een overlevingspensioen genieten hebben recht op het overbruggingsrecht. Heeft de zelfstandige de pensioenleeftijd bereikt, dan komt hij/zij niet langer in aanmerking.

Zelfstandigen in bijberoep kunnen nu ook in aanmerking komen voor deze steunmaatregel. Dit zolang hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen minstens gelijk zijn aan de minimumbijdragen voor zelfstandigen in hoofdberoep. Dat men naast het overbruggingsrecht nog een uitkering voor tijdelijke werkloosheid (omwille van overmacht: zie hierboven) zou ontvangen, staat hieraan niet in de weg.

De zelfstandigen in bijberoep kunnen gebruikmaken van het half overbruggingsrecht. Ook starters vanaf 1 april 2020 komen niet in aanmerking.

Betaalt een onderneming nog bezoldigingen en voordelen alle aard aan haar bedrijfsleider, dan staat dit de bedrijfsleider niet in de weg om voor zijn zelfstandige activiteit het overbruggingsrecht aan te vragen.

Hoeveel?

In voornoemde wet van 23 maart versoepelt de overheid de voorwaarden voor het krijgen van het overbruggingsrecht versoepeld. Zo is het aantal opeenvolgende kalenderdagen van verplichte sluiting teruggeschroefd van minstens een maand naar minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen, om te kunnen genieten van het overbruggingsrecht. Bovendien, indien uw activiteit voorkomt in de lijst van activiteiten die verboden zijn, dan valt de vereiste van 7 opeenvolgende kalenderdagen zelfs weg.

Het overbruggingsrecht is opnieuw van belang voor alle ondernemingen die verplicht moeten sluiten door de ministeri√ęle besluiten van 18 en 28 oktober 2020 en 1 november 2020. Voor een overzicht van de verplicht gesloten ondernemingen en afhankelijke ondernemingen.

De uitkering van het overbruggingsrecht zal afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 1.291,69 euro, dan wel 1.614,10 euro met gezinslast, bedragen. U hebt recht op de verhoogde uitkering indien u kunt aantonen dat u minstens 1 persoon ten laste hebt bij het ziekenfonds. Dit doet u door middel van een verklaring op eer. De verhoogde uitkering kan slechts door één persoon binnen het gezin aangevraagd worden.

Het overbruggingsrecht is een belastbaar inkomen. Er wordt evenwel geen bedrijfsvoorheffing ingehouden en er dienen geen sociale bijdragen op betaald te worden.

Het crisis-overbruggingsrecht dekt de periode tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2021, maar deze periode kan de federale regering nog verlengen indien de crisis langer duurt.

5.b) 2. Dubbel overbruggingsrecht

Voor de maanden oktober, november en december heeft de overheid voorzien in een verdubbeling van het overbruggingsrecht.

Het kan aangevraagd worden voor zelfstandigen die verplicht moeten sluiten in oktober en/of november en december. Ook zelfstandigen die minstens voor 60% afhankelijk zijn van een sector die wel moeten sluiten hebben recht op het dubbel overbruggingsrecht als ze hun activiteiten volledig stopzetten. Zelfstandigen die voor 60% afhankelijk zijn, maar die hun andere activiteiten wel voortzetten, hebben slechts recht op het enkel overbruggingsrecht.

Zelfstandigen in de horeca kunnen bijgevolg het dubbele overbruggingsrecht verkrijgen voor oktober 2020 t.e.m. januari 2021. Niet-essenti√ęle handelszaken kunnen het dubbele overbruggingsrecht pas aanvragen voor de maand november t.e.m. december. Sectoren die nog steeds gesloten waren sinds de eerste lockdown hebben uiteraard ook recht op het dubbele overbruggingsrecht. Dit voor de maand oktober en de volgende maanden.

Vanaf januari 2021 kunnen zelfstandigen die minstens voor 60% afhankelijk zijn van een sector die moet sluiten, maar die nog een beperkte activiteit kunnen uitoefenen niet langer gebruik maken van het dubbel overbruggingsrecht. Zij moeten hun aanvraag indienen voor het overbruggingsrecht omzetdaling.

Voor februari en maart 2021 kunnen enkel zelfstandigen die verplicht gesloten zijn en die hun activiteiten volledig onderbreken nog gebruik maken van het dubbel overbruggingsrecht. Alle andere zelfstandigen, waaronder dus diegene die nog wel verplicht gesloten zijn, maar take away, click and collect organiseren, moeten hun aanvraag indienen voor het overbruggingsrecht omzetdaling.

Hoeveel?

De premie bedraagt het dubbele van het normale overbruggingsrecht: de uitkering van het overbruggingsrecht zal afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 2.583,38 euro, dan wel 3.228,20 euro met gezinslast, per maand bedragen.

Voor de periode februari en maart 2021 bedraagt de premie afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 1.614,10 euro , dan wel 1.291,69 euro met gezinslast, per maand. Is de zelfstandige minder dan 15 dagen in die maand gesloten, dan bedraagt de premie respectievelijk: 807,05 euro en 645,85 euro per maand.

Ondernemingen die opnieuw hun activiteiten mogen uitoefenen in februari 2021, zoals kappers, Immo-kantoren en campings, hebben voor de maand februari 2021 nog steeds recht op het dubbel overbruggingsrecht.

Op het dubbel overbruggingsrecht moet u geen sociale bijdragen betalen.

Aanvragen

Het overbruggingsrecht vraagt u aan via het sociaal verzekeringsfonds voor 31 december 2020 voor de maanden april, mei en juni 2020, voor 31 maart 2021 voor de maanden juli, augustus en september, voor 30 juni 2021 voor de maanden oktober, november en december en voor 31 september 2021 voor de maanden januari, februari en maart. De overheid heeft beslist het dubbel overbruggingsrecht te verlengen tot 30 juni 2021.

Ondernemingen die verplicht gesloten zijn sinds 2 november 2020 moeten een nieuwe aanvraag voor het dubbele overbruggingsrecht indienen.

5.c) Halve overbruggingsrecht voor zelfstandigen in bijberoep en gepensioneerden

Zelfstandigen in bijberoep die geen aanspraak kunnen maken op het overbruggingsrecht zoals hierboven omschreven en actieve gepensioneerde zelfstandigen die eveneens uit de boot vielen krijgen nu toch een reddingsboei toegeworpen. Voor hen voorziet de overheid nu in een speciale regeling waarbij zij nu recht hebben op een half overbruggingsrecht voor de maanden maart, april, mei en/of juni. De voorwaarden van het 'volledige' overbruggingsrecht zijn ook hier van toepassing. Zelfstandigen die gestart zijn na 1 januari 2018 komen niet in aanmerking.

Wie?

Zelfstandigen in bijberoep waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen zich tussen 6.996,89 euro en 13.993,77 euro bevinden.

Actieve gepensioneerde zelfstandige waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen hoger zijn dan 6.996,89 euro.

Hoeveel?

Het overbruggingsrecht betreft een maximale uitkering van 645,85 euro, en 807,05 euro met gezinslast, per maand. Maximaal, want het bedrag van het halve overbruggingsrecht wordt vermindert afhankelijk van het vervangingsinkomen dat de zelfstandige verkrijgt. Denk bij het vervangingsinkomen aan de werkloosheidsuitkering, pensioen, arbeidsongeschiktheidsuitkering, etc.

Ook dit overbruggingsrecht verdubbelde de overheid (net als het dubbel overbruggingsrecht): de maximale uitkering betreft voor de maanden oktober en/of november: 1.291,69 euro, dan wel 1.614,10 euro met gezinslast.

De combinatie van het halve overbruggingsrecht met het vervangingsinkomen mag maandelijks de 1614,10 euro niet overschrijden. Komt de som van beide uitkeringen boven dit maximale bedrag, dan wordt het bedrag van het halve overbruggingsrecht ingekort tot deze 1615,10 euro per maand.

Krijgt u bijvoorbeeld een pensioen of werkloosheidsuitkering van 1200 euro/maand, dan kan u slechts aanspraak maken op een half overbruggingsrecht van 414,10 euro/maand.

Op het dubbel overbruggingsrecht moet u geen sociale bijdragen betalen.

Aanvraag

Het (half) overbruggingsrecht kunt u aanvragen via uw sociaal verzekeringsfonds. Voor de maand maart voor 30 september 2020, voor april, mei en juni voor 31 december 2020 en voor juli en augustus voor 31 maart 2021 en voor 30 juni 2021 voor de maanden oktober, november en december. U dient de website van uw sociaal verzekeringsfonds hiervoor te raadplegen. De overheid heeft beslist deze steunmaatregel te verlengen tot 30 juni 2021.

Voor de maand juni is het overbruggingsrecht eveneens van toepassing voor zelfstandigen die verplicht moeten sluiten of gedurende 7 opeenvolgende dagen hun activiteiten niet kunnen uitoefenen. Zij dienen voor de maand juni echter wel een nieuwe aanvraag in te dienen bij hun sociaal verzekeringsfonds. De sociaal verzekeringsfondsen verlengen namelijk niet automatisch de aanvraag die heeft plaatsgevonden in de voorgaande maanden.

5. d) Overbruggingsrecht ter ondersteuning van de heropstart (Relance)

Het relance-overbruggingsrecht is niet meer van toepassing vanaf 2021. Het kan wel nog aangevraagd worden voor de maanden april t.e.m. december 2020.

Voor zelfstandigen die verplicht volledig of gedeeltelijk diende te sluiten door de coronamaatregelen van de overheid hebben recht op een bijkomend overbruggingsrecht. De bijkomende premie is enkel van toepassing voor zelfstandigen in hoofdberoep of zelfstandigen in bijberoep die sociale bijdragen betalen als een zelfstandige in hoofdberoep. De premie bedraagt evenveel als het volledig overbruggingsrecht: 1.291,69 of 1.614,10 euro per maand.

Het nieuwe overbruggingsrecht kan u aanvragen voor de maanden juni tot en met oktober. Om hierop recht te hebben moet u kijken naar het kwartaal voorafgaand aan de maand waarvoor u de premie aanvraagt. Indien de omzet in die periode gedaald is met minstens 10%, in vergelijking met 2019, heeft men recht op de premie. Voor de maand juni gaat het om het kwartaal waarop de aanvraag van toepassing is in vergelijking met datzelfde kwartaal van het vorige jaar (2de kwartaal 2020 vergelijken met 2de kwartaal 2019)

Dit speciale overbruggingsrecht kan u niet combineren met het volledige of halve overbruggingsrecht, tijdelijk ouderschapsverlof en uitkeringen uitbetaald door een ziekenfonds.

De aanvraag zal net als het volledige en halve overbruggingsrecht verlopen via de sociaal verzekeringsfondsen. U moet uw aanvraag indienen voor 30 september 2020 voor de maand maart, voor 31 december 2020 voor de maanden april, mei en juni, voor 31 maart 2021 voor de maanden juli, augustus en september en voor 30 juni 2021 voor de maanden oktober, november en december.

Op het relance overbruggingsrecht moet u geen sociale bijdragen betalen.

5. E) Overbruggingsrecht omzetdaling

De overheid heeft ter vervanging van het dubbel overbruggingsrecht vanaf 2021 voorzien in een nieuw soort overbruggingsrecht voor zelfstandigen. Zelfstandigen, ongeacht de sector, die in de maanden januari, februari en maart 2021 een omzetdaling van minstens 40% hebben in voorgaande maand, hebben recht op deze premie. De zelfstandige kan dit overbruggingsrecht enkel aanvragen indien hij/zij geen andere financi√ęle uitkering geniet in het kader van de andere overbruggingsrechten. Bovendien moet de zelfstandige minstens 4 kwartalen van de laatste 16 kwartalen zijn/haar sociale bijdrage betaald hebben.

De premie zal beschikbaar zijn voor die zelfstandigen die niet langer verplicht gesloten zijn of die bij de verplichte sluiting toch nog activiteiten uitoefenen, bijvoorbeeld door take away of click & collect.

Om het omzetverlies van 40% aan te tonen moet men vergelijken met dezelfde periode in 2019. Bijvoorbeeld: wil men de premie aanvragen voor februari 2021, dan kijkt men voor het omzetverlies naar januari 2021 in vergelijking met januari 2019. De omzetdaling moet te wijten zijn aan de Covid-19 crisis en is te beoordelen per maand.

De premie bedraagt evenveel als de andere overbruggingsrechten: 1.291,69 of 1.614,10 (met gezinslast) euro per maand. Ook voor meewerkende echtgenote(n)(s) onder het maxistatuut; zelfstandigen in bijberoep, student-zelfstandigen, 65-plussers die de bijdragen betalen als een zelfstandige in hoofdberoep. Zelfstandigen in bijberoep, 65-plussers zonder pensioen (die een bijdrage betalen tussen 370,85 en 741,63 euro) en student-zelfstandige (met een bijdrage van minder dan 741,63 euro) hebben recht op een halve uitkering van 645,85 euro of 807,05 (met gezinslast) euro per maand.

Deze uitkering is wel te combineren met andere vervangingsuitkeringen (andere dan overbruggingsrechten), zoals werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, etc. Hetgeen u krijgt uit deze andere vervangingsuitkeringen houdt het sociaal verzekeringsfonds af van de premie van het overbruggingsrecht, geplafonneerd tot het bedrag van het overbruggingsrecht.

Op het overbruggingsrecht omzetdaling moet u geen sociale bijdragen betalen.

Aanvraag.

De aanvraag zal net als het volledige en halve overbruggingsrecht verlopen via de sociaal verzekeringsfondsen. Zij vragen om de omzetdaling aan te tonen een attest van de boekhouder, het bewijs uit het dagboek of rekeninguittreksels, etc en de gemotiveerde verklaring om het verband hiervan aan te tonen met Covid-19. U moet uw aanvraag indienen voor 30 september 2021 voor de maanden januari, februari en maart 2021. De overheid heeft beslist het  overbruggingsrecht omzetdaling te verlengen tot 30 juni 2021.

Per maand zal u een nieuwe aanvraag moeten indienen, waarbij het sociaal verzekeringsfonds bij elke aanvraag nieuwe omzetcijfers verlangd.

6) Financi√ęle steunmaatregelen

De overheid heeft met de banksector een akkoord kunnen treffen over het verlenen van betalingsuitstel aan bedrijf en gezinnen.

Betalingsuitstel hypothecair woonkrediet

Particulieren kunnen voor de hypothecaire lening van hun gezinswoning (die hun enige woning is) betalingsuitstel verkrijgen tot maximaal 31 oktober 2020. De maatregel is echter aan heel wat voorwaarden verbonden, waardoor vele gezinnen alsnog uit de boot zullen vallen. Zo geldt het betalingsuitstel normaal voor zowel de kapitaal- als interestaflossingen. Na de periode waarvoor u uitstel heeft verkregen, zal de bank echter wel de uitgestelde interesten mogen verrekenen indien het maandelijks netto gezinsinkomen hoger ligt dan 1700 euro. Het aanrekenen van administratie- en dossierkosten door de bank is steeds uit ten boze.

Particulieren die van het betalingsuitstel gebruik willen maken moeten aantonen dat de inkomsten gedaald zijn door het coronavirus. Dit doordat zij geconfronteerd zijn met een situatie van tijdelijke werkloosheid, ziekte of sluiting van hun onderneming. Op 1 februari 2020 mag op het betreffende woningkrediet nog geen betalingsachterstand bestaan en mag uw totaal roerend vermogen (dit wil zeggen de gelden op zicht-, spaarrekeningen en beleggingsportefeuilles) niet gelijk zijn aan of hoger zijn dan 25 000 euro.

Betalingsuitstel ondernemingskredieten

Alle levensvatbare zelfstandigen, KMO's en niet-financi√ęle bedrijven hebben recht op betalingsuitstel zonder kosten tot 31 oktober 2020. Het betalingsuitstel geldt enkel voor de kapitaalaflossingen en niet voor de interestaflossingen.

Om van het betalingsuitstel gebruik te kunnen maken moet de onderneming aan volgende voorwaarden voldoen:

  • De onderneming wordt geconfronteerd met betalingsproblemen, doordat de inkomsten van de onderneming gedaald zijn/zullen dalen; er geheel of gedeeltelijk beroep wordt gedaan op de tijdelijke werkloosheid van de werknemers of omdat de overheid heeft bevolen tot de sluiting van de onderneming.
  • Op 1 februari 2020 mag de onderneming geen betalingsachterstand had opgelopen of op 29 februari 2020 een betalingsachterstand hebben gehad van 30 dagen of meer.
  • De onderneming is gevestigd in Belgi√ę.
  • De onderneming moet aan alle banken aan haar contractuele kredietverplichtingen voldaan hebben gedurende de laatste 12 maanden voorafgaand aan 31 januari 2020 en zij doorloopt momenteel geen actieve kredietherstructurering.
  • Het betalingsuitstel is enkel van toepassing op¬†kredieten met een vast aflossingsplan, kaskredieten en vaste voorschotten.

Indien u gebruik wil maken van het betalingsuitstel en u denkt onder de voorgenoemde voorwaarden valt, zal u contact willen opnemen met uw bank.

Moet een onderneming omwille van het coronavirus een nieuw krediet aangaan tussen 22 maart 2020 en 30 september 2020 dan is dit krediet gewaarborgd door de overheid. Om onder dit stelsel te vallen moet het zoals hierboven eveneens gaan om levensvatbare zelfstandigen, KMO's en niet-financi√ęle ondernemingen. Ook enkel ondernemingen die geen betalingsachterstand hadden op 1 februari 2020 of een betalingsachterstand hadden van minder dan 30 dagen op 29 februari 2020 komen in aanmerking. Op deze kredieten is een maximumrente van 1,25 procent (+ extra kosten) van toepassing.

7) Fiscale steunmaatregelen

Ook de FOD Financi√ęn doet haar duit in het zakje tijdens deze crisis. Om ondernemers wat financi√ęle ademruimte te geven heeft ze alvast navolgende fiscale steunmaatregelen aangekondigd.

a. Uitstel aangiftes vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners

Voor het indienen van de aangiftes vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners krijgt u uitstel tot 30 april middernacht. Dit uitstel geldt enkel voor de aangifte met uiterste datum lopende van 16 maart t.e.m. 30 april 2020.

b. Uitstel BTW- aangiften

Voor de periodieke btw-aangiftes worden de termijnen als volgt verlengd:

  • juni 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • kwartaal 2 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • juli 2020: uitstel tot 10 september 2020

Voor de intracommunautaire opgaves worden de termijnen als volgt verlengd:

  • februari 2020: uitstel tot 6 april 2020
  • maart 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • april 2020: uitstel tot 5 juni 2020

c. Uitstel jaarlijkse klantenlisting

De termijn voor het indienen van de jaarlijkse klantenlisting is verlengd tot 30 april 2020. Maar indien u uw activiteit reeds hebt stopgezet, krijgt u tijd tot het einde van de 4de maand na het stopzetten van de btw-activiteit.

d. Uitstel betaling BTW, bedrijfsvoorheffing

De overheid heeft beslist om een automatisch uitstel van betaling te verlenen van twee maanden voor navolgende betaling van belastingen, en dit zonder er boetes of intresten aan te rekenen.

Inzake btw-aangiften wordt de betalingstermijn als volgt verlengd:

  • juni 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • kwartaal 2 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • juli 2020: uitstel tot 10 september 2020

Voor wat betreft de aangiften bedrijfsvoorheffing kent de overheid betalingsuitstel als volgt toe:

  • februari 2020: uitstel tot 13 mei 2020
  • maart 2020: uitstel tot 15 juni 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 15 juni 2020
  • april 2020: uitstel tot 15 juli 2020

Dit jaar moet u geen decembervoorschot betalen op de btw voor de verrichtingen van het vierde kwartaal 2020 (bij kwartaalaangiften) of de maand december 2020 (bij maandaangiften).

e. Uitstel betaling personenbelasting en de vennootschapsbelasting

Wat de betaling van personenbelasting, vennootschapsbelasting, belasting niet-inwoner en rechtspersonenbelasting betreft kent de fiscus zonder nalatigheidsinteresten een extra termijn van 2 maanden toe. Dit geldt enkel voor afrekening van de belastingen, aanslagjaar 2019, n√° 12 maart 2020.

Voor belastingen ingediend vóór 12 maart 2020 gelden enkel de eerder aangekondigde steunmaatregelen.

f. Voorafbetalingen inkomstenbelastingen

Om vennootschappen en zelfstandigen met liquiditeitsproblemen door het coronavirus wat ademruimte te geven heeft de regering de percentages van de voordelen van de voorafbetalingen van het derde en vierde kwartaal verhoogd. De overheid sluit hierbij wel de ondernemingen die een inkoop van eigen aandelen of een kapitaalvermindering doorvoeren of dividenden betalen of toekennen tussen 12 maart en 31 december 2020 uit. Zelfstandigen die door deze maatregelen meer bonificatie wegens voorafbetaling zouden verkrijgen zijn eveneens uitgesloten.

Personenbelasting:          VA1: 3% , VA2: 2,5% , VA3: 2,25%  , VA4: 1,75%

Vennootschapsbelasting: VA1: 9% , VA2: 7,5% , VA3: 6,75% (normaal 6%) , VA4: 5,25% (normaal 4,5%)

De percentages van de vermeerderingen en de data van de voorafbetalingen blijven echter dezelfde.

8) Afbetalingsplannen

Indien uw bedrijf betalingsmoeilijkheden zou ondervinden door het coronavirus heeft de overheid enkele afbetalingsplannen voorzien. Zowel voor de sociale werkgeversbijdragen, btw, bedrijfsvoorheffing, personen- en vennootschapsbelasting kan u een afbetalingsplan aanvragen. De voordelen hiervan zijn legio: de gespreide betaling van de schuld en de vrijstelling van eventuele boeten.

Afbetalingsplan RSZ

Voor de aanvraag van het afbetalingsplan van de RSZ kan u op de website van de sociale zekerheid terecht. Onderaan deze site vindt u het formulier "aanvraag minnelijk betalingsplan" . Werkgevers kunnen hierbij minnelijke betalingstermijnen aanvragen voor de socialezekerheidsbijdragen voor het eerste en tweede kwartaal 2020.

Afbetalingsplan fiscus

Net zoals bij de RSZ voorziet de fiscus ondersteunende maatregelen zodat bedrijven die economisch kwetsbaar zijn, bescherming vinden.

De bovengenoemde betalingsplannen inzake btw, bedrijfsvoorheffing, personen- en vennootschapsbelasting vallen onder dezelfde voorwaarden. De aflossingsplannen lopen tot en met 30 juni 2020.  Zo wil de overheid de aflossingen spreiden en is er vrijstelling van boetes. Hiervoor zal de onderneming wel moeten kunnen aantonen dat de betalingsmoeilijkheden verband houden met het coronavirus.

Via een specifiek formulier kan u de aanvraag indienen. Dit kan zowel via e-mail als via de post naar het Regionaal Invorderingscentrum (RIC) bevoegd voor de postcode van je woonplaats (natuurlijk persoon) of zetel (rechtspersoon). U krijgt in principe antwoord binnen de 30 dagen na de aanvraag.

9) Vermindering en uitstel sociale bijdragen

Vooreerst kan u aanvraag doen voor uitstel van betaling voor sociale bijdragen van 1 jaar aan het sociaal verzekeringsfonds. Dit heeft geen invloed op de uitkeringen of eventuele verhogingen. De aanvragen voor betalingsuitstel voor alle kwartalen van 2020 dient u in te dienen voor 15 december 2020.

Daarnaast kan u bij het sociaal verzekeringsfonds een aanvraag doen om vermindering van uw sociale bijdrage te verkrijgen. De omvang van de vermindering is te bepalen door het sociaal verzekeringsfonds. Zij doen dit op basis van de toelichting terzake (bijv. daling in verkoop/bestellingen, vermindering van het zakencijfer).

De aanvraag moet ten minste de naam, voornaam en woonplaats van de betrokken natuurlijke persoon, of de naam, zetel en het ondernemingsnummer van de onderneming bevatten.

10) Geen sancties bij vertraging federale overheidsopdrachten

De overheid voorziet enige flexibiliteit indien u kan aantonen dat u vertraging oploopt of uw opdracht niet kan uitvoeren door het coronavirus. Zo zullen er geen boetes of sancties volgen voor de dienstverleners, bedrijven of zelfstandigen.

Conclusie

We zijn in volle crisis, maar we moeten er samen door. De overheid doet er ook alles aan om de ondernemingen financieel te steunen. De verschillende steunmaatregelen evolueren ook iedere dag. Wij houden de vinger aan de pols en blijven u zo goed mogelijk informeren.

Lees zeker ook onze blog over wat u kan doen voor uw vennootschap in deze tijden van het coronavirus.

aternio wil u zo goed mogelijk op de hoogte brengen van de steunmaatregelen in deze coronacrisis. Hiervoor stellen wij een virtuele assistent op onze website ter beschikking. Stel er al uw vragen (over de corona steunmaatregelen) aan!


E-commerce en btw: shop/ship till you drop

Dat de btw-regels voor e-commerce grondig wijzigen op 1 juli 2021 schreven we al. Wie gebruik wenst te maken van het éénloketsysteem kan zich hiervoor sinds 1 april 2021 registreren via Intervat. Vooraleer u zich halsoverkop registreert, loont het de moeite om even na te gaan of uw webshop wel voldoet aan de voorwaarden en of u wel degelijk beter af bent onder de nieuwe regeling.

Eenvoudig in theorie

Online verkopen wordt in principe veel gemakkelijker. Wie vanuit Belgi√ę in verschillende EU-landen goederen of diensten verkoopt aan niet-btw-plichtigen, moet daarvoor btw van het land van de klant aanrekenen. Webshops kunnen die verschillende buitenlandse btw aangeven in √©√©n OSS-aangifte en in √©√©n betaling vereffenen. Eenvoudig. Tenminste, op het eerste gezicht.

Maar wat in de praktijk?

Stel: een Belgische webshop verkoopt en verzendt vanuit Belgi√ę goederen aan Italiaanse, Spaanse en Franse particulieren. Ervan uitgaande dat de Belgische webshop meer dan 10.000 euro omzet heeft, is op deze verrichtingen Italiaanse, Spaanse en Franse btw verschuldigd. De webshop registreert zich voor de OSS-regeling en kan hierin alle buitenlandse btw aangeven. Er is sprake van intracommunautaire afstandsverkopen. Voor eventuele verkopen binnen Belgi√ę zijn er uiteraard periodieke btw-aangiften nodig.

En wat als diezelfde Belgische webshop een magazijn heeft in Duitsland en van daaruit goederen verzendt naar Itali√ę, Spanje en Frankrijk? Ook dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen die in de OSS-aangifte kunnen worden opgenomen.

Maar wat als de Belgische webshop vanuit het magazijn in Duitsland goederen verzendt aan een Duitse particulier? Hier is geen sprake van een intracommunautaire afstandsverkoop, maar van een nationale verkoop in Duitsland. Deze verrichting kan dus niet worden opgenomen in de OSS-aangifte. En dus is de Belgische webshop alsnog verplicht om zich in Duitsland te registreren voor de btw en daar de nodige aangiften en betalingen te verrichten.

En vanuit hetzelfde magazijn in Duitsland goederen verzenden aan een Belgische particulier? Intracommunautaire afstandsverkoop, jawel, en dus buitenlandse (Belgische) btw te voldoen via de OSS-aangifte en niet via een periodieke Belgische btw-aangifte.

Dat brengt het totaal aantal verschillende btw-formaliteiten in dit voorbeeld op drie: een periodieke Belgische btw-aangifte voor nationale verrichtingen, een OSS-aangifte voor de intracommunautaire afstandsverkopen en een Duitse btw-registratie en -aangifte. En dan heeft u als Belgische webshop nog niet al te veel goederen verkocht. Toch niet zo eenvoudig dan?

E-commerce via dropshipping

Heel wat (kleinere) webshops beschikken zelf niet over een eigen voorraad. Zij doen aan 'dropshipping'. Komt er een bestelling binnen, dan duwt de webshop de bestelling door naar de leverancier die rechtstreeks aan de klant levert. Er is sprake van een driepartijenrelatie.

De nieuwe regeling voor afstandsverkopen vereist dat de verkoper goederen (met een intrinsieke waarde van maximaal 150 euro) invoert vanuit een andere lidstaat en vervolgens verkoopt aan een niet-btw-plichtige. Het vervoer ervan moet direct of indirect zijn verricht door of voor rekening van de verkoper. En daar wringt het schoentje bij dropshipping.

Stel: de Belgische webshop B krijgt een bestelling van een Nederlandse particulier C en duwt de bestelling door naar zijn Franse leverancier A. De Franse leverancier A zorgt voor de levering aan de Nederlandse particulier C. Het vervoer wordt verricht door of voor rekening van de leverancier A. Aangezien leverancier A enkel contracteert met de Belgische webshop B, kan het vervoer enkel worden toegerekend aan de levering door leverancier A aan webshop B. De verkoop door webshop B aan particulier C is dan een levering 'zonder vervoer'. En dus kan er nooit sprake zijn van een intracommunautaire afstandsverkoop. Geen OSS-regeling dus. Wel btw-registratie in Nederland en daar periodieke btw-aangiften indienen.

Voor wie dus uitsluitend via dropshipping aan e-commerce doet, wat niet uitzonderlijk is, is er dus geen vereenvoudiging op komst. Dropshippers zullen nog steeds in elke lidstaat apart de nodige btw-formaliteiten moeten vervullen.

Bezint eer ge begint

Het is duidelijk dat de vereenvoudiging die Europa heeft willen realiseren toch complexe situaties cre√ęert. Bovendien lijken de kleinere webshops uit de boot te vallen bij de nieuwe regeling.

Wie in de sector van de e-commerce zit, kan dus best nu al de buitenlandse verrichtingen in kaart proberen brengen. Zo kunnen ook de gevolgen van de nieuwe btw-regels beter ingeschat worden.

Ziet u door de bomen het bos niet meer? aternio helpt u graag verder!


E-commerce en btw: of hoe vereenvoudiging toch complex kan zijn

E-commerce boomt, over de landsgrenzen heen. Veel meer webshops komen daardoor met buitenlandse btw in aanraking. Om die online verkopen makkelijker te maken, vereenvoudigde Europa de btw-regels. Vanaf 1 juli 2021 zijn de nieuwe btw-regels van toepassing voor onder meer verkopen op afstand en wordt de bestaande MOSS-regeling verder uitgebreid en vervangen door een OSS-regeling ('One Stop Shop'). Er komt eveneens een nieuwe IOSS-regeling ('Import One Stop Shop') voor de e-commerce met invoer van goederen van buiten de EU.

Een onderneming kan al die buitenlandse btw voortaan centraliseren via √©√©n OSS- of IOSS-aangifte en met √©√©n betaling vereffenen (√©√©nloketsysteem).¬†Voor de nationale e-commerce binnen Belgi√ę verandert er uiteraard niets. Daarvoor dient u nog steeds periodieke btw-aangiften in.

Huidige regeling e-commerce

Tot eind juni 2021 geldt voor verkopen op afstand een verschillende omzetdrempel per EU-land (tussen 35.000 en 100.000 euro). Overschrijdt een Belgische onderneming deze drempel niet, dan blijft de levering van goederen in principe aan Belgische btw onderworpen. Wordt de drempel wel overschreden, dan moet de Belgische onderneming in het land van levering btw aangeven en betalen. En dat betekent administratieve rompslomp: per EU-land een btw-nummer, lokale btw-aangiften, verschillende btw-tarieven...

Nieuwe regeling e-commerce

Vanaf 1 juli 2021 veranderen dus de btw-regels inzake e-commerce. De regels zijn van toepassing op btw-plichtigen, binnen of buiten de EU, die verrichtingen uitvoeren voor niet-btw-plichtige particulieren in de EU. In principe zal er (bijna altijd) btw in het land van de klant moeten worden aangerekend.

Intracommunautaire verkoop op afstand (OSS)

Een Belgische webshop die goederen √©n diensten levert en vanuit Belgi√ę verzendt naar particulieren in andere EU-landen, moet vanaf 1 juli 2021 btw aanrekenen en betalen in de EU-lidstaat van levering, ongeacht de omzet die het daar realiseert. De verschillende omzetdrempels per EU-land verdwijnen. Er is slechts √©√©n drempel van 10.000 euro. Ondernemingen die deze jaarlijkse omzetdrempel niet overschrijden, zogenoemde 'micro-ondernemingen', blijven onderworpen aan Belgische btw.

Niet onbelangrijk: het gaat om een optionele regeling. Een Belgische webshop heeft de mogelijkheid om de btw van al die verschillende EU-lidstaten te verzamelen in één aangifte via de OSS-Unieregeling en via één betaling aan de Belgische fiscus te voldoen. Evengoed kan de Belgische webshop ervoor opteren om, zoals voorheen, in alle lidstaten waar ze btw verschuldigd is, individuele aangiften en betalingen te verrichten.

Invoer van goederen bij verkoop op afstand (IOSS)

De bestaande regels rond de invoer van goederen wijzigen grondig. De huidige btw-vrijstelling voor invoer van goederen tot een waarde van 22 euro vervalt.

Er komt een nieuwe regeling voor afstandsverkopen met een intrinsieke waarde van maximaal 150 euro waarbij de verkoper goederen invoert vanuit een derde land en vervolgens verkoopt aan een niet-btw-plichtige. Het vervoer ervan moet direct of indirect zijn verricht door of voor rekening van de verkoper. De invoer zal vrijgesteld zijn van btw, terwijl de btw op de verkoop van ingevoerde goederen via een gecentraliseerde IOSS-aangifte kan worden vereffend.

Wie niet via een eigen webshop maar via een online platform of marktplaats (bijvoorbeeld bol.com) goederen verkoopt aan klanten, moet zich niet inschrijven voor het éénloketsysteem. In dat geval moet het platform of de marktplaats de formaliteiten inzake btw vervullen. Ook hier geldt dat de regeling alleen toepassing kan vinden indien de intrinsieke waarde van de levering niet meer bedraagt dan 150 euro.

Wie gebruik wil maken van het éénloketsysteem vanaf 1 juli 2021, moet zich hiervoor vooraf registreren via Intervat.

Vereenvoudiging? Ja, maar.

Vereenvoudiging brengen voor btw-plichtigen die actief bezig zijn met e-commerce in verschillende landen was hoognodig. Eén (I)OSS-aangifte in plaats van bijvoorbeeld 12 verschillende lijkt op het eerste gezicht veel eenvoudiger. Maar de vraag rijst of de toepassing ervan in de praktijk ook zo eenvoudig zal zijn.

Btw-plichtigen denken best op voorhand al eens na over de gevolgen van de nieuwe regelgeving voor hun e-commerce. (I)OSS-aangifte of niet? Voorwaarden voldaan? Komt een platform tussen? Toch Belgische btw aangeven? En wat met dropshipping?

U voelt de bui wellicht al hangen. Hou zeker onze blog in de gaten voor een meer praktijkgerichte insteek.

Hebt u ondertussen al vragen? aternio loodst u doorheen mogelijke knelpunten.


Nieuwe effectentaks: geen ontkomen aan?

Over de nieuwe jaarlijkse taks op effectenrekeningen is al veel gezegd en geschreven. Nadat de vorige versie van deze effectentaks werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof, kwam de wetgever met een nieuwe versie op de proppen.

Wie voortaan een effectenrekening van (gemiddeld) meer dan 1.000.000 euro bezit, betaalt jaarlijkse 0,15 procent op de totale waarde ervan. De taks heeft een louter budgettair doel. Wie dus dacht creatief te kunnen omspringen met de nieuwe effectentaks is eraan voor de moeite! Ontwijkingsgedrag is niet aan de orde. De wetgever voorziet een tweedelig mechanisme: enerzijds twee onweerlegbare vermoedens van fiscaal misbruik, anderzijds een algemene antimisbruikbepaling.

Onweerlegbaar vermoeden

De wet van 17 februari 2021 voorziet vooreerst een onweerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik in twee specifieke gevallen (art. 201/4 laatste lid 1¬į en 2¬į WDRT).

Het betreft enerzijds het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen bij eenzelfde tussenpersoon (indien de splitsing heeft plaatsgevonden na 30 oktober 2020). Anderzijds gaat het om het omzetten van financi√ęle instrumenten, aangehouden op een effectenrekening, naar financi√ęle instrumenten op naam, die niet op een effectenrekening worden gehouden.

In beide gevallen is er altijd sprake van fiscaal misbruik, zonder dat de fiscus dit moet aantonen. De belastingplichtige is aan handen en voeten gebonden. Had hij toch andere motieven dan belastingontwijking? Jammer, maar helaas! De fiscus zal geen rekening moeten houden met de gedane verrichtingen. De bank of de belastingplichtige zal de taks moeten blijven aangeven en betalen alsof de verrichtingen niet hebben plaatsgevonden voor de lopende én de toekomstige referentieperiodes.

Algemene antimisbruikbepaling

Bovenop het tweeledig onweerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik voorziet de wetgever in een algemene antimisbruikbepaling. Welke verrichtingen viseert deze algemene antimisbruikbepaling nu? Om dat uit te maken, moet opnieuw naar de bedoeling van de wetgever gekeken worden. Frustreert de betreffende verrichting het budgettair doel van de effectentaks? Bingo! De fiscus kan bijgevolg alle verrichtingen die gedaan worden om de taks te ontwijken, negeren.

Wie de belastbare waarde van een effectenrekening vermindert om met die waarde via een ander middel eenzelfde doel na te streven, valt onder de toepassing van de antimisbruikbepaling. Het gaat dan bijvoorbeeld om een omzetting in aandelen, obligaties of andere financi√ęle instrumenten op naam. Dergelijke producten hebben immers eenzelfde beleggingsobjectief, alleen de vorm verschilt. Wat kan er dan wel? Het verminderen van de belastbare waarden van een effectenrekening om met die waarde te investeren in vastgoed. In dat geval heeft men duidelijk een ander beleggingsobjectief voor ogen.

In de memorie van toelichting heeft de wetgever overigens zelf al een aantal situaties gekwalificeerd als misbruik. Het gaat dan bijvoorbeeld om het splitsen of openen van effectenrekeningen bij verschillende financi√ęle tussenpersonen om te vermijden dat de totale waarde van de effecten op √©√©n rekening meer dan 1.000.000 euro bedraagt. Of nog: het onderbrengen van een effectenrekening in een buitenlandse vennootschap die de effecten op haar beurt overplaatst naar een buitenlandse effectenrekening.

In dergelijke situaties gaat de fiscus ervan uit dat men de bedoeling had om de effectentaks te verminderen of om eraan te ontsnappen. De overigens niet-exhaustieve lijst in de memorie van toelichting maakt duidelijk dat de fiscus alles wat mogelijk fiscaal misbruik zou kunnen zijn, onder de algemene antimisbruikbepaling wil laten vallen. Geen ontkomen aan dus!

Weerlegbaar vermoeden

Niet onbelangrijk: de algemene antimisbruikbepaling is een weerlegbaar vermoeden. De belastingplichtige heeft dus steeds het recht om te bewijzen dat hij andere motieven had dan het ontwijken van de taks bij het uitvoeren van een bepaalde verrichting. Die niet-fiscale motieven zijn overigens zeker niet onrealistisch. Het spreiden van risico bijvoorbeeld door bij meerdere banken een effectenrekening te openen, is niet onlogisch. Nochtans zal de fiscus dit kwalificeren als fiscaal misbruik. Het is dan aan de belastingplichtige om aan de hand van concrete en objectief verifieerbare elementen aan te tonen dat hij andere motieven had dan het ontwijken van de taks.

Het hoeft geen betoog dat dit zal leiden tot oeverloze discussies tussen fiscus, banken en belastingplichtigen. Onduidelijkheid en onzekerheid troef dus.

Lang leven beschoren?

De concrete toepassing van de wet doet bovendien de wenkbrauwen fronsen. Wie bijvoorbeeld op 30 oktober 2020 een effectenrekening van 1,8 miljoen euro in zijn bezit had en die nadien wil splitsen in twee effectenrekeningen van elk 900.000 euro, valt onder de toepassing van de wet, inclusief antimisbruikbepaling. Wie evenwel op 30 oktober 2020 twee aparte effectenrekeningen had van elk 900.000 euro valt dan weer niet onder de wet. Nochtans zijn beiden even vermogend.

Dat er meer duidelijkheid en zekerheid nodig is over de toepassing van de wet staat buiten kijf.¬†De bedoeling van de wetgever was nochtans nobel. Een duidelijke, effici√ęnt te innen en onontkoombare effectentaks invoeren.¬†De vraag rijst evenwel of deze effectentaks een langer leven beschoren zal zijn dan zijn gelijknamige voorganger. Doorstaat de wet nu wel de toets van het Grondwettelijk Hof?


begin

Beding van aanwas: altijd vertrekken bij het begin.

Over het beding van aanwas zijn al ontzettend veel bijdragen geschreven. Iedereen heeft er wel al eens van gehoord. U bent ook ongetwijfeld al meermaals attent gemaakt op de fiscale implicaties van zo een beding van aanwas, wanneer "het niet voldoet aan de voorwaarden". Maar, doorheen dat grote fiscale bos, zou je sommige voorwaarden haast durven vergeten, ook al liggen ze eigenlijk best wel voor de hand.

Maar, niet getreurd: aternio to the rescue! We zetten alles nog even op een rijtje.

Definitie beding van aanwas

Er is geen wettelijke definitie. Maar als we terugvallen op "het orakel", sinds enkele jaren ook wel de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) genoemd, dan kunnen we toch tot een omschrijving komen. In het standpunt nr. 17044 van 19 september 2018 hebben zij er namelijk zelf eentje geformuleerd.

Het beding van aanwas is "een overeenkomst tussen twee of meer partijen waarbij overeengekomen wordt dat het onverdeelde aandeel van de eerststervende in volle eigendom - of in vruchtgebruik - op een bepaald goed, dat ze samen aankopen of dat zij reeds in onverdeeldheid bezitten, onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de eerststerfende, van rechtswege zal aanwassen en dus verkregen zal worden door de overlevende deelgenoten."

Het is een kanscontract, waarbij er een evenwichtige kans moet zijn, voor elk van de deelgenoten, om het aandeel van de andere(n), te verwerven.

Geldigheidsvoorwaarden

Als een beding van aanwas voldoet aan de gestelde voorwaarden, dan zal er geen schenk- of erfbelasting verschuldigd zijn op de betrokken goederen. Als het over aanwas van onroerende goederen gaat, is het verkooprecht echter onvermijdelijk.

Zo moet het beding van aanwas:

  • deel uitmaken van een notari√ęle akte, wanneer het om onroerende goederen gaat of wanneer het kwalificeert als erfovereenkomst;
  • beperkt zijn, via beschikking onder bijzondere titel; en
  • ten bezwarende titel zijn.

Bijzondere titel

Een beding van aanwas kwalificeert als onder bijzonder titel, waneer het niet "alle goederen" van de eerststervende omvat. Het is niet mogelijk om een beding van aanwas te vestigen inzake "alle roerende goederen" of "alle onroerende goederen". Ook percentages van dergelijke algemeenheden zijn niet toegestaan. Het beding van aanwas kan enkel slaan op specifieke goederen van de betrokken partijen.

Bezwarende titel: gelijkaardige levensverwachting

Minstens even belangrijk is de kwalificatie als kanscontract ten bezwarende titel. U hebt ongetwijfeld de voorwaarde reeds gehoord dat de kansen evenwichtig moeten zijn. Niet identiek, maar wel minstens gelijkwaardig.

Het meest aangehaalde aandachtspunt daarbij is dat de betrokken partijen een gelijkaardige levensverwachting moeten hebben. Denk daarbij aan een beding van aanwas tussen een gegoede heer van 79 jaar en de ambitieuze jongedame van net geen 29. Niemand hoeft hierbij een tekeningetje te maken, dat hier geen gelijkaardige levensverwachting aan de basis van het beding zal liggen.

Analyse van de beslissingen leert dat een leeftijdsverschil van zo'n 15 jaar aanvaardbaar is, maar dat lijkt toch wel het maximum te zijn. Vlabel legt haar lat bovendien op de leeftijdsgrens van 70 jaar. Bij casussen waarbij de partijen die leeftijd overschreden hadden, werd slechts een minimaal leeftijdsverschil aanvaard. Planningen met aanwasbedingen zijn in extremis dus niet meer mogelijk, althans niet zonder risico.

Bezwarende titel: gelijkwaardige inleg

Een minder aangehaald punt hierbij is de gelijkwaarde inleg. Wanneer één van de deelgenoten in het beding van aanwas kan participeren voor 85% en de andere deelgenoot voor het resterende percentage, is er geen sprake van gelijkwaardige inleg. In beginsel zou u dan geen gebruik kunnen maken van de voordelen van het beding van aanwas. Althans, niet zonder een voorafgaande planning.

Bezwarende titel: compensatie

Beide voorgaande punten kan men niet (meer) met elkaar compenseren. We horen u denken: dat is toch logisch. Ja, maar, vroeger kon dat wel. Een ongelijkheid in leeftijd, kon met gecompenseren met een bijkomende of grotere inleg. Maar dit wordt al enige tijd niet meer aanvaard. Een grotere inleg zal uw overlevingskansen namelijk niet be√Įnvloeden. Jammer maar helaas.

Beoordeling van de gelijkwaardigheid

Vlabel beoordeelt de gelijkwaardigheid op het moment van het afsluiten van het beding van aanwas. Dat is ook maar normaal, aangezien de waarde van het goed kan stijgen (of dalen) in de loop der jaren. Het is echter mogelijk dat men pas bij de realisatie van het beding kan beoordelen of de voorwaarden wel effectief voldaan zijn. Denk hiervoor bijvoorbeeld aan één van de partijen, kort na het afsluiten van het beding zou komen te overlijden. Wanneer dit overlijden niet onverwacht was, zijn de voorwaarden mogelijks niet voldaan.

Sancties

Indien het beding niet voldoet aan de voornoemde voorwaarden, stelt Vlabel dat het aanwasbeding absoluut nietig is, naar burgerlijk recht. Vanuit burgerrechtelijk standpunt, zal het beding van aanwas aanzien worden als een contract uit vrijgevigheid. Het gevolg daarvan is dat Vlabel het beding dan kan "negeren" in haar fiscale analyse. Daardoor zal de beschikking inzake roerende goederen onderworpen worden aan de erfbelasting (cfr. artikel 2.7.1.0.3 Vlaamse Codex Fiscaliteit). De beschikking met betrekking tot onroerende goederen zal onderworpen worden aan de schenkbelasting (cfr. artikel 2.8.1.0.1. Vlaamse Codex Fiscaliteit)

Conclusie

We hebben het reeds eerder gesteld, maar hernemen het graag nog een keer: planningen in extremis, of onder tijdsdruk, zijn nooit een goede uitvalsbasis voor een solide structuur. Tijdig beginnen en een doordachte aanpak kunnen vaak vele issues in de kiem oplossen.

aternio legal helpt u graag verder. Contacteer ons voor een persoonlijke kennismaking.


Vermindering onroerende voorheffing wegens improductiviteit

We zijn helaas nog niet onmiddellijk van het coronavirus verlost. Caf√©s en restaurants moeten voorlopig nog even hun deuren dichthouden. Maar ook andere bedrijven zien (een deel van) hun panden al enige tijd leegstaan. De overheid nam reeds verscheidene steunmaatregelen om de financi√ęle schade ietwat te beperken.¬†Maar een reeds bestaande maatregel zit vaak in de vergeethoek: de proportionele vermindering wegens improductiviteit.

Onroerende voorheffing

Wie op 1 januari de eigenaar (of vruchtgebruiker of opstalhouder) is van een onroerend goed in Vlaanderen, is in principe onroerende voorheffing verschuldigd. Deze onroerende voorheffing is berekend op basis van het kadastraal inkomen (KI), zijnde een fictief inkomen, van het onroerend goed.

Wanneer het onroerend goed echter enige tijd leegstaat én geen inkomsten opbrengt - en dus improductief is - kan men een proportionele vermindering van de onroerende voorheffing aanvragen, mits bepaalde voorwaarden.

De vermindering van de onroerende voorheffing hangt af van de duur van de improductiviteit en de omvang ervan.

Voorwaarden proportionele vermindering

a. Niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed

In de eerste plaats moet het gaan om een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed. Dit betekent dat gemeubelde gebouwen of ongebouwde onroerende goederen (zoals gronden) dus niet in aanmerking komen voor een proportionele vermindering.

Valt een gemeubeld caf√© dan uit de boot? Nee, indien er zich in gebouwen voor industri√ęle, ambachtelijke of handelsdoeleinden machines, werktuigen of andere roerende voorwerpen bevinden die rechtstreeks verband houden met de stilgelegde exploitatie, vormt dit geen beletsel, voor zover aan de andere voorwaarden voldaan is.

b. Minstens 90 dagen

Verder moet de improductiviteit van het onroerend goed gedurende het aanslagjaar van 1 januari tot 31 december minstens 90 dagen geduurd hebben. De periode van 90 dagen hoeft niet aaneensluitend te zijn. Gelet op de 2 lockdowns tijdens het inkomstenjaar 2020, zou deze voorwaarde ook geen probleem mogen zijn.

Wanneer de improductiviteit maximum 12 opeenvolgende maanden bedraagt, is het voldoende dat u aantoont dat het onroerend goed heeft leeggestaan en improductief was. Dit kan bijvoorbeeld ook als volgt bewezen worden:

  • overzicht van verbruik van water, gas en elektriciteit dat de volledige periode van improductiviteit aantoont (historisch overzicht, afrekeningen)
  • een attest van de gemeente (dienst bevolking), politie of andere offici√ęle instantie waaruit blijkt dat het onroerend goed leegstaand was gedurende de volledige periode waarvoor de proportionele vermindering gevraagd wordt.

Wanneer de improductiviteit de termijn van 12 maanden echter overschrijdt, kan enkel proportionele vermindering worden toegekend wanneer de improductiviteit onvrijwillig is.

c. Onvrijwillig

De onproductiviteit moet onvrijwillig zijn. De onproductiviteit moet met andere woorden te wijten zijn aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Het vrijwillig buiten gebruik laten van een onroerend goed kan geen aanleiding geven tot vermindering van onroerende voorheffing

De beslissing van de overheid om bijvoorbeeld horeca en niet-essenti√ęle winkels te sluiten is ook vanzelfsprekend een 'onvrijwillige' onproductiviteit.

Procedure

De aanvraag tot proportionele vermindering wegens improductiviteit kan u aanvragen per brief of online bij de Vlaamse Belastingsdienst (Vlabel). In uw aanvraag motiveert u dat u aan voornoemde voorwaarden voldoet en voegt u de nodige bewijsstukken toe.

U hebt tijd tot 31 maart van het jaar dat volgt op het aanslagjaar waarvoor u een proportionele vermindering aanvraagt. Als u het aanslagbiljet echter ontvangt in een ander jaar dan het jaar waarvoor de aanslag geldt, dan geldt de gewone bezwaartermijn van 3 maanden.

aternio staat u graag bij in uw contacten met de regionale en de federale belastingdiensten.


buitenlandse notari√ęle schenkingen

Sire, er zijn geen grenzen meer bij notari√ęle schenkingen

Sinds 15 december 2020 moeten alle buitenlandse notari√ęle schenkingsakten van roerende goederen geregistreerd worden in Belgi√ę. Het resultaat van dergelijke registratie is uiteraard dat schenkbelasting is verschuldigd. De kaasroute, met name even de grens over naar een Nederlandse notaris voor een fiscaal vriendelijke schenking, behoort hierdoor definitief tot het verleden.

Buitenlandse notari√ęle schenkingen

Notari√ęle akten verleden voor een buitenlandse notaris moeten verplicht geregistreerd worden in volgende vijf gevallen:

  • de buitenlandse notaris de akte in Belgi√ę verlijdt;
  • de akten een overdracht of aanwijzing betreft van eigendom of vruchtgebruik van Belgische onroerende goederen, dit is het geval bij verkopen, schenkingen of verdelingen;
  • ze betrekking hebben op akten van verhuur, onderverhuur of huuroverdracht van Belgische onroerende goederen;
  • ze inbrengen van goederen vaststellen in Belgische vennootschappen; √©n
  • ze de titel vormen van een schenking van roerende goederen door een Belgische rijksinwoner.

Hand- en bankgift en gewone overdracht in het aandeelhoudersregister

Het is belangrijk dat iedereen weet dat hand- en bankgiften niet aan registratie zijn onderworpen en dus ook niet onder de nieuwe regeling vallen. De wetgever raakt bewust niet aan de mogelijkheid om met hand- of bankgiften erfbelasting te ontwijken. Dergelijke giften kwalificeren niet als fiscaal misbruik.

Er bestaat discussie over de geldigheid van een schenking van aandelen op naam via een gewone overschrijving in het aandeelhoudersregister. Wat er ook van zij, dergelijke mogelijke nietige schenking kan bekrachtigd worden na het overlijden. Artikel 1340 van het Burgerlijk Wetboek is namelijk niet afgeschaft en is dus nog steeds in full effect.

Omdat er geen akte is bij dergelijke indirecte schenkingen is er geen verplichte notari√ęle tussenkomst (art. 931 BW). De hand- of bankgift, allicht ook de overschrijving in het aandelenregister, zijn daarom mogelijk zonder authentieke akte. Het Burgerlijk Wetboek zegt immers nergens dat alle schenkingen voor notaris moeten verleden worden.

Met andere woorden de registratieverplichting heeft uitsluitend betrekking op, in het binnen- en buitenland, voor notaris verleden schenkingsakten van roerende goederen.

Cliffhangers

Roerende goederen. Een kwalificatie als roerend goed volgt uit de Belgische wetgeving. In die context zijn schenkingen van aandelen van een Franse soci√©t√© civile immobili√®re (sci), hoewel in Frankrijk beschouwd als onroerend, in Belgi√ę verplicht te registreren. Idem voor schenkingen van roerende goederen die onroerend zijn door bestemming, deze behouden op fiscaal vlak hun roerend karakter.

Dubbele belasting. Zonder gewestelijke initiatieven is dubbele belasting mogelijk op bepaalde notari√ęle schenkingen van roerende goederen. Denk maar aan aandelen van patrimoniumvennootschappen met buitenlands onroerend goed.

Registratietermijn. De termijn bedraagt de gebruikelijke vier maanden voor verplicht te registreren buitenlandse akten. Voor een akte in een andere taal dan √©√©n van de drie offici√ęle landstalen kan trouwens een be√ędigde vertaling gevraagd worden.

Registratieverplichting. Alle partijen, in strikte lezing van art. 35 W.Reg. ook de buitenlandse notaris, hebben de verplichting tot registratie van de schenkingsakte. Zodra één van hen de akte ter registratie aanbiedt zijn de andere partijen ontslagen van hun registratieverplichting.

Conclusie

Eenvoudige schenkingen van roerende goederen kunnen absoluut nog belastingvrij via hand-of bankgift gebeuren. Die praktijk wordt niet als misbruik beschouwd. Schenkingen van aandelen via overschrijving in het aandeelhoudersregister blijven een uitdaging. Vergeet bij dergelijke schenkingen of giften natuurlijk de verdachte periode van drie jaar niet.

Notari√ęle schenkingen, zowel binnen- als buitenlandse, van roerende goederen door rijksinwoners zijn in Vlaanderen onderworpen aan de reguliere 3% of 7% schenkbelasting. Bij gebrek aan (gewestelijk) mechanisme tot het vermijden van dubbele belasting kunnen sommige schenkingsakten aanleiding geven tot ongewenste en onaangename dubbele belasting.

aternio legal gidst u bij uw estate planning. Krijgt u al zin?