autodelen: fiscaal voor-delig?

U kan er niet omheen: een auto kost handenvol geld. Denk maar aan belastingen, verzekeringen, onderhoudskosten, brandstofkosten en de aankoop van de auto zelf uiteraard. Vandaar dat meer en meer mensen eraan denken om hun auto te delen. Allerlei systemen van autodelen (Uber etc.) schieten dan ook als paddenstoelen uit de grond.

Hoe worden die inkomsten uit autodelen nu fiscaal behandeld?

Particulier autodelen

Dit was ook de vraag die de Rulingcommissie voorgelegd kreeg in een specifieke casus. De Rulingcommissie sprak er zich over uit in een voorafgaande beslissing van 29 september 2015.

Een vennootschap wilde een webplatform op poten zetten waarbij particulieren inkomsten konden verwerven uit de verhuur van hun eigen wagen door middel van een georganiseerd systeem van autodelen.

Aan de ene kant kunnen particulieren hun eigen wagen aan derden verhuren tegen vergoeding door middel van een registratie op de website van de vennootschap.

Aan de andere kant kunnen particulieren die tijdelijk een wagen nodig hebben zich ook inschrijven op de website om een wagen te huren.

De vennootschap doet dan dienst als tussenpersoon die de huurder en verhuurder van de wagen (vraag en aanbod) samenbrengt.

De vennootschap wenste nu van de Rulingcommissie te vernemen hoe die huurinkomsten in hoofde van de particuliere verhuurders zouden worden belast.

Casus

De vennootschap verduidelijkte haar concrete aanpak van autodelen:

  • er mag maar één voertuig via het onlineplatform worden gedeeld per ingeschrevene;
  • voor een periode van niet meer dan 60 dagen per jaar;
  • het totaal jaarlijks bedrag van gegenereerde inkomsten via de website mag niet meer bedragen dan 2.400 euro;
  • particulieren die over een bedrijfswagen beschikken, evenals zelfstandigen die hiervoor over een wagen beschikken, zelfs gedeeltelijk, mogen geen gebruik maken van dit systeem.

Geen beroepsinkomen

Op basis van deze feitelijke context was de Rulingcommissie van oordeel dat er geen sprake kon zijn van een beroepsinkomen. Een beroepswerkzaamheid is immers een geheel van verrichtingen die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid uit te maken en die vallen buiten de grenzen van het normale beheer van privévermogen.

Geen divers inkomen

Aangezien de verhuur uit roerende goederen (hier: wagens) in de fiscale wetgeving uitdrukkelijk als ‘roerend’ inkomen wordt beschouwd, kan zij niet worden belast als divers inkomen. (= theorie van typedwang)

Wel roerend inkomen

De Rulingcommissie bevestigt dus dat de huurgelden die door de particulieren worden ontvangen n.a.v. het autodelen in deze specifieke omstandigheden als roerend inkomen moeten worden belast (thans aan een tarief van 27%).

De belastingplichtigen kunnen genieten van een aftrek van werkelijke kosten wanneer zij bewijsstukken voorleggen of wanneer deze niet beschikbaar zijn, het wettelijk forfait (15 %) toepassen.

Conclusie

Met deze beslissing heeft de Rulingcommissie zich voor het eerst uitgesproken over de fiscale behandeling van zogenaamd “autodelen”. De beslissing heeft echter geen algemene draagwijdte, maar kan alvast een eerste indicatie vormen voor gelijkaardige situaties.

Om rechtszekerheid te verkrijgen over een concrete situatie kan steeds een ruling worden aangevraagd bij de Rulingcommissie.


Herhaalde niet-betaling btw: toch niet altijd in fout?

Indien een vennootschap haar verplichtingen inzake betaling van btw niet nakomt, bepaalt de fiscale wetgeving (art.93undecies C WBTW) dat de bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Bij een herhaalde niet-betaling van de btw voorziet de wet zelf in een vermoeden van “fout” in hoofde van de bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding.

Wanneer is er sprake van herhaalde niet-betaling?

Wanneer een kwartaalaangever minstens 2 keer niet heeft betaald in een periode van één jaar is er sprake van een herhaalde niet-betaling die aanleiding kan geven tot de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij maandindieners neemt men aan dat dit het geval is wanneer 3 eisbare btw-schulden binnen een periode van één jaar niet werden betaald.

Weerlegbaar vermoeden

Voornoemd vermoeden van fout geldt echter niet indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, faillissement of gerechtelijke ontbinding.

In de praktijk moeten we echter vaststellen dat dit slechts zelden wordt aanvaard door de hoven en rechtbanken.

Meestal stellen zij immers vast dat de btw-schuld al bestond van vóór de opening van de faillissementsprocedure en het vermoeden van fout dus niet kan worden weerlegd.

Hof van Beroep Antwerpen 23 februari 2016

In een arrest van 23 februari 2016 heeft het Hof van Beroep van Antwerpen de weerlegging van het vermoeden van fout uitzonderlijk wél aanvaard:

In casu had de zaakvoerder in de periode van niet-betaling geld van zijn privérekening naar de rekening van de vennootschap overschreven om er een deel van de btw-schulden mee te kunnen betalen. Het Hof besloot daarop dat er in die periode al financiële moeilijkheden waren waaraan de zaakvoerder trachtte te verhelpen door een inbreng van persoonlijke gelden. De financiële moeilijkheden hebben uiteindelijk geleid tot het faillissement van enkele maanden later.

Bestuurdersaansprakelijkheid art. 1382 BW

Daarmee is de kous nog niet af...

Ook al wordt het vermoeden van fout in hoofde van de bestuurder weerlegd (conform art. 93undecies C, §3 WBTW), dan nog kan hij aansprakelijk worden gesteld indien hij een fout heeft gemaakt in de zin van art. 1382 BW. Dit is de algemene zorgvuldigheidsplicht van een zaakvoerder of bestuurder.

Van een bedrijfsleider mag immers verwacht worden dat hij toeziet dat de vennootschap al haar verplichtingen nakomt.

In casu kon de fiscus niet aantonen dat de zaakvoerder onnodig lang zou hebben gewacht met de aangifte tot faillietverklaring. De zaakvoerder had geen gelden verdoezeld, maar had daarentegen getracht de schulden van de vennootschap te betalen met persoonlijke gelden. De zaakvoerder kon hier geenszins een fout verweten worden. De zaakvoerder kwam er dus uitzonderlijk goed van af.

Bedrijfsvoorheffing

Al hetgeen hierboven werd besproken geldt overigens ook voor de herhaalde niet-betaling van bedrijfsvoorheffing.

Bron: “herhaalde niet-betaling btw: wanneer geldt het vermoeden van fout niet?”, Fiscoloog nr. 1468,  16 maart 2016, noot onder Antwerpen 23 februari 2016.


Schenking met voorbehoud van vruchtgebruik belast

Iedereen die vandaag met vermogensplanning bezig is, werd begin april met verstomming geslagen. Een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik van gelden en effecten zal voortaan belast worden met de erfbelasting. Dit standpunt publiceerde de Vlaamse belastingadministratie (Vlabel) op haar website.

Door deze onverwachte visie van Vlabel, zal deze dagelijkse praktijk van de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik, zowel rijke als gewone mensen treffen. Bankiers, accountants,verzekeraars, notarissen en juristen, zitten met de handen in het haar....

Wat is nu zo een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik?

Het is een zeer gangbare praktijk in de vermogensplanning om roerende goederen reeds tijdens het leven weg te schenken.  Op die manier maken de goederen geen deel meer uit van het vermogen van de erflater en wordt de erfbelasting vermeden. Praktisch doet de schenker echter niet vaak een schenking in volle eigendom, maar eerder een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. De begiftigde ontvangt in dat geval het geschonken goed slechts in blote eigendom. De vruchtgebruiker/schenker heeft dan het recht om er de vruchten van op te strijken, dit zijn bv. de interesten van spaartegoeden en kapitalen, dividenden en opbrengsten van aandelen en effectenportefeuilles, ... Schenken met voorbehoud van vruchtgebruik laat de schenker dus toe een zeker inkomstenbehoud te organiseren. Bovendien heeft de vruchtgebruiker door het eraan gekoppelde beheersrecht een sterke controle. Schenkt men bedrijfsaandelen, dan kan mits een gepaste statutaire clausule, via de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik ook het behoud van stemrecht over de aandelen georganiseerd worden en zodoende de controle over het bedrijf zelf.

Onder welke vorm kan deze schenking met voorbehoud van vruchtgebruik gebeuren?

Bij heel wat roerende schenkingen is een notaris vereist en kan men dus niet werken met een handgift. Enkele veel voorkomende voorbeelden uit de praktijk zijn het schenken van aandelen of beleggingen op naam en het schenken met voorbehoud van vruchtgebruik. Omtrent de mogelijkheid van een bankgift met voorbehoud van vruchtgebruik bestaat discussie, waardoor men dit ook best vermijdt. Een authentieke akte dringt zich dus op...

Schenking voor Belgische of Nederlandse notaris?

Indien u schenkt voor een Belgische notaris, is er geen ontkomen aan: u betaalt een schenkbelasting van 3% (in rechte lijn en tussen partners) of 7% (tussen alle anderen).U betaalt deze schenkbelasting wel op de volle eigendom, ook al schenkt u met voorbehoud van vruchtgebruik. Deze schenkbelasting werkt wel bevrijdend, zodat uw erfgenamen nooit nog schenkbelasting of erfbelasting zullen betalen.

Indien u dergelijke schenking niet laat registeren in België, maar de akte laat verleiden door een Nederlandse notaris, dan hoeft hier geen schenkbelasting op te worden betaald. Ook een Nederlandse notaris stelt een zgn. authentieke akte op die dezelfde waarde heeft als deze van een Belgische notaris. Er zijn op een schenking van roerende goederen voor een Nederlandse notaris evenwel geen Belgische schenkbelastingen verschuldigd, maar ook geen Nederlandse. Enkel het ereloon van de Nederlandse notaris zal dienen betaald te worden. Het belangrijkste risico ten opzichte van zijn Belgische collega blijft wel dat de schenker hier nog 3 jaar (7 jaar voor familiebedrijven in Vlaanderen) in leven moet blijven om de erfbelasting te vermijden. Eens deze risicotermijn overschreden is en de schenker niet binnen deze 3 jaar overlijdt, dient men dan met zekerheid geen erfbelasting meer te betalen. Tot op heden werd dit standpunt gedurende vele jaren zonder discussie aanvaard...

Nieuw standpunt Vlabel: onwettig?

Vlabel heeft echter op 4 april 2016 op haar website een standpunt gepubliceerd waaruit kan afgeleid worden dat gesplitste inschrijvingen van gelden en effecten worden vermoed een bevoordeling te zijn en zullen worden onderworpen aan de erfbelasting, behoudens tegenbewijs (standpunt Vlabel).

M.a.w. zullen schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik waarbij geen schenkbelasting werd betaald (zoals voor de Nederlandse notaris) voortaan toch belast worden met een erfbelasting, ook als de schenker de voormelde risicotermijn van 3 jaar overleeft. De facto komt het erop neer dat men de erfbelasting enkel kan vermijden op een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik indien de schenking wordt geregistreerd in België en indien er dus schenkbelasting is betaald aan 3 % of 7 %.  Maar  moet u nu al in paniek schieten en wat zijn nu nog de mogelijkheden?  Indien u toch wil schenken met voorbehoud van vruchtgebruik dan moet dit gebeuren vóór 1 juni 2016. Het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst zou immers maar van toepassing zijn op inschrijvingen vanaf die datum. Het zal dus van belang zijn om de schenking nog tijdig uit te voeren. Voor diegene in het verleden moet u zich geen zorgen maken.

Het nieuwe standpunt is enkel van toepassing op schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik van effecten en geldbeleggingen. Schenkingen van andere goederen dan effecten en geldbeleggingen met voorbehoud van vruchtgebruik en schenkingen in volle eigendom met een last tot betaling van een lijfrente zullen nog steeds kunnen gebeuren met toepassing van de risicotermijn voor de Nederlandse notaris zoals voorheen . Maar niet te vroeg victorie kraaien: deze risicotermijn zou dan wel volgens insiders worden verlengd, maar daarover is momenteel geen officiële bevestiging.

 

 

 

 


Bezwaarschrift indienen via e-mail

De fiscale administratie aanvaardt eindelijk dat een bezwaarschrift ook per e-mail of fax kan worden ingediend. Dit blijkt uit een circulaire van 3 januari 2016 (Circulaire AAFisc Nr. 5/2016), circulaire die meteen van toepassing is op alle lopende geschillen.

Niet-ondertekend bezwaarschrift is geldig

Krachtens de fiscale wetgeving moet een bezwaarschrift schriftelijk te worden ingediend (art. 366 WIB’92)

In het verleden ging de fiscus er steeds van uit dat een niet-ondertekend bezwaarschrift ongeldig is (Comm.IB. 366/28 en 375/16). Ook de rechtspraak volgde lange tijd dit standpunt.

Daar kwam echter verandering in met het Cassatiearrest van 5 juni 2014. Het Hof oordeelde daarbij dat een bezwaarschrift regelmatig is, ook al draagt het niet de hand­tekening van degene die bezwaar indient, op voorwaarde dat het vaststaat dat het bezwaar uitgaat van de indiener ervan.

Fiscus volgt Cassatierechtspraak

In de circulaire van 3 januari 2016 wordt deze visie nu ook door de federale administratie bevestigd.

Volgens de circulaire moet - om geldig ingediend te zijn - het bezwaarschrift niet noodzakelijk meer ondertekend zijn. Het volstaat dat met zekerheid uit het bezwaarschrift blijkt dat het uitgaat van de belastingplichtige, gemotiveerd is en binnen de wettelijke termijnen is ingediend. Hoe met zekerheid de identiteit van de bezwaarindiener kan worden bepaald, wordt helaas niet verduidelijkt in de circulaire.

Het ontbreken van een schriftelijke handtekening is dus op zich geen grond van onontvankelijkheid meer. Bijgevolg kan het bezwaar voortaan ook per fax of per e-mail worden ingediend.

De administratie kan wel nog steeds vragen een ondertekend origineel op te sturen om de kennisgeving per fax of e-mail te bevestigen. Een e-mail voorzien van de elektronische handtekening, via eID van zijn afzender, geldt sowieso als een ondertekend bezwaarschrift.

Conclusie

Om eventuele discussies omtrent de identiteit van de bezwaarindiener te vermijden, raden wij toch aan om het bezwaar - indien mogelijk - nog steeds tijdig per (aangetekende) brief in te dienen.


Tax shelter: zuurstof voor start-ups

Uw zoon, een ambitieuze programmeur, heeft een tijdje geleden een unieke app ontwikkeld en tracht deze momenteel in de markt te zetten. Uiteraard vraagt dit een serieuze investering. Wat zou u ervan denken mocht u een deel van uw spaargeld rechtstreeks kunnen investeren in de start-up van zoonlief? Dit kan via het systeem van de tax shelter voor startende ondernemingen.

Tax shelter: welke ondernemingen?

De tax shelter voor startende ondernemingen richt zich uitsluitend tot kleine vennootschappen. De voorwaarden waaraan een vennootschap moet voldoen om als "klein" te worden beschouwd, kan u hier terugvinden.

Verder moet de vennootschap voldoen aan een aantal specifieke voorwaarden. Deze zijn er allen op gericht te waarborgen dat het wel degelijk om een startende onderneming gaat. Ook gedurende een periode na de investering moet de vennootschap blijven voldoen aan een aantal voorwaarden, dit om misbruik te voorkomen.

Welke investeerders?

Indien u wenst te investeren in een startende onderneming, kan u dit uitsluitend doen als natuurlijke persoon. U investeert rechtstreeks zogenaamd risicokapitaal in de onderneming en u krijgt in ruil voor deze investering aandelen van de vennootschap waarin u investeert.

In principe komt iedereen in aanmerking om te investeren. Er is echter een uitzondering voorzien voor investeringen door bedrijfsleiders, bestuurders en zaakvoerders van de vennootschap. Ook personen die als vaste vertegenwoordiger optreden van een vennootschap die een bestuursmandaat in de vennootschap bekleedt, zijn uitgesloten.

Fiscaal voordeel

Het maximaal te investeren bedrag in de tax shelter regeling bedraagt 100.000 euro per jaar. De participatie in het kapitaal van de onderneming mag ten hoogte 30 % bedragen. Uiteraard mag u meer investeren, maar u zal voor het gedeelte boven het maximumbedrag en de maximumparticipatie geen deel fiscaal voordeel kunnen bekomen.

Uw fiscaal voordeel verkrijgt u onder de vorm van een belastingvermindering in de personenbelasting. Deze belastingvermindering bedraagt naargelang het geval u investeert in een kmo of in een micro-onderneming (meer info hierover kan u hier terugvinden), respectievelijk 30 % en 45 %. Op een geïnvesteerd bedrag van 100.000 euro recupereert u dus via uw personenbelasting 30.000 of 45.000 euro.

Verder kan u alleen geld investeren, en dit bij de oprichting van een vennootschap, of bij een kapitaalverhoging binnen de vier jaar na de oprichting. U dient de aandelen vier jaar in bezit te houden om het volledige fiscale voordeel te behouden. Mocht u de aandelen binnen een termijn van vier jaar na de investering vervreemden, zal u een deel van de belastingvermindering moeten terugbetalen. Bijgevolg moet u vier jaar op rij kunnen bewijzen dat u de aandelen in uw bezit heeft gehad.

Neem gerust contact op met de adviseurs van aternio voor meer informatie over de tax shelter voor startende ondernemingen.

 

 

 


Vaarwel Eurovignet, welkom kilometerheffing!

Het is bijna zover. Vanaf 1 april 2016 wordt de kilometerheffing ingevoerd in België. Hoog tijd voor een kort woordje uitleg.

Kilometerheffing: wat en wie?

Vanaf 1 april 2016 zullen alle eigenaars van vrachtwagens met een maximaal toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton een kilometerheffing verschuldigd zijn in België. Deze nieuwe kilometerheffing zal van toepassing zijn op autosnelwegen en op bepaalde gewest- en gemeentewegen.

De kilometerheffing moet ervoor zorgen dat de wegen betaald worden door wie ze ook effectief gebruikt, m.a.w. 'de gebruiker betaalt'. Ook buitenlandse vrachtwagens die over de Belgische wegen rijden moeten meebetalen. Op die manier levert iedereen een eerlijke bijdrage voor het gebruik van de wegen.

De kilometerheffing wordt berekend met behulp van een toestel dat in de vrachtwagen moet worden geïnstalleerd (een zogenaamde  ‘on board unit’  of kortweg OBU) .

De nieuwe kilometerheffing zal het bestaande Eurovignet voor vrachtwagens in België vervangen. Let wel: de jaarlijkse verkeersbelasting blijft wel nog bestaan!

Tarief en grondslag

De heffing wordt berekend op basis van het aantal afgelegde en geregistreerde kilometers op de wegen die de Gewesten hebben bepaald.

Het tarief zal afhankelijk zijn van drie variabelen: gewicht, wegtype en emissieklasse. De zwaarste en de meest vervuilende vrachtwagens betalen het hoogste tarief.

De tarieven en de betrokken wegen in Vlaanderen, Brussel en Wallonië vindt u op http://www.viapass.be/nl/downloads/.

Vrijstellingen

Volgende voertuigen met een maximaal toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton kunnen worden vrijgesteld van de kilometerheffing:

  • voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor en door defensie, bescherming burgerbevolking (civiele bescherming), brandweer en politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn.
  • voertuigen die speciaal en uitsluitend voor medische doeleinden zijn uitgerust en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn.
  • voertuigen die de aard hebben van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwvoertuig, die slechts in beperkte mate worden gebruikt op de openbare weg in België en die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden.
  • voertuigen die al in een ander Gewest zijn vrijgesteld van de heffing.

Sancties en controle

Alle inbreuken op de nieuwe kilometerheffing kunnen worden bestraft worden met een administratieve geldboete of een strafsanctie. De verschillende gewesten hebben hiervoor onderzoeksbevoegdheden toegekend aan hun ambtenaren.

 

 


BTW voor bestuurders-rechtspersonen : opnieuw uitstel

De opheffing van de keuzemogelijkheid voor bestuurders-, zaakvoerders- en vereffenaars-rechtspersonen, om hun prestaties al dan niet aan BTW te onderwerpen, wordt andermaal uitgesteld, ditmaal tot 1 juni 2016 (m.b.t. vorig uitstel,  zie onze eerdere bijdrage ).

Dat blijkt uit volgend bericht van de FOD Financiën van 24 februari 2016 op haar website:

"Op 20 november 2014 heeft de FOD Financiën de keuzemogelijkheid waarover rechtspersonen beschikken die handelen als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar om hun handelingen al dan niet aan de belasting te onderwerpen, opgeheven en beslist om in de toekomst de normale btw-regels toe te passen.

Om rekening te houden met de talrijke vragen die we ontvingen en met de tijd die de betrokken personen nodig hebben om deze wijzigingen in de praktijk te brengen, heeft de minister beslist om de datum van inwerkingtreding uit te stellen tot 1 juni 2016. Deze termijn vergemakkelijkt voor de betrokkenen ook de indiening van aanvragen tot vorming van of tot toetreding tot een btw-eenheid als gevolg van de opheffing van de keuzemogelijkheid. De betrokkenen mogen deze aanvragen indienen voordat de bestuurders-rechtspersoon btw-belastingplichtige worden. Binnenkort publiceren we een administratieve publicatie die deze wijzigingen verder toelicht."

 

 

 


Fiscale controle: nieuwe regionale en landelijke organisatie

Er waait een organisatorische wind doorheen de Belgische fiscale administratie en dat heeft zijn impact op de fiscale controle. De aanzet tot modernisering van de FOD Financiën gaat reeds terug tot de jaren 2000- 2001. Meer bepaald is toen beslist om de fiscale administratie op te delen in drie grote pijlers: particulieren, KMO's en grote ondernemingen.

Vijftien jaar later is het eindelijk zover. Sinds 1 juli 2015  zijn de Centra Grote Ondernemingen operationeel. 1 januari 2016 betekende de start van de Centra KMO, de Centra Particulieren, het Centrum Buitenland en het Polyvalent Centrum Eupen.

Centra Grote Ondernemingen

Waar en wat?

De pijler “Grote Ondernemingen” is op 1 juli 2015 van start gegaan met centra te Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven, Brussel, Charleroi en Luik. Deze 7 regionale centra zijn voornamelijk, doch niet exclusief, bevoegd voor de fiscale controle van grote ondernemingen en verenigingen in de eigen provincie.

De centra in Charleroi, Luik en Leuven zijn respectievelijk ook bevoegd voor de provincie Waals-Brabant, Namen-Luxemburg en Limburg. De gemeenten van de Duitstalige Gemeenschap vallen dan weer onder de bevoegdheid van het Polyvalent Centrum Eupen.

In de praktijk oefenen deze centra controles uit op de inkomstenbelastingen, de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, btw en diverse taksen. De behandeling van geschillen en de verdediging voor de bevoegde rechtsinstanties valt eveneens onder hun bevoegdheid. De inning en de invordering daarentegen valt hier dus buiten.

Het is niet langer de aard van de fiscale materie, bv. btw of vennootschapsbelasting, die aan de basis ligt van de organisatie van de dienst.

Verder is er in Brussel het Centrum Grote Ondernemingen Beheer en Gespecialiseerde Controles dat fungeert als uniek contactpunt voor sectorgebonden materies en specifieke fiscale materies, zoals tax shelter, transfer pricing of btw-eenheden.

Welke ondernemingen?

Een Belgische onderneming of een vereniging is groot als ze voldoet aan één van de volgende criteria:

  • Omvang van de vennootschap of rechtspersoon
    • een jaargemiddelde van het personeelsbestand groter dan 50
    • een jaaromzet exclusief btw groter dan 9.000.000 euro
    • een balanstotaal groter dan 4.500.000 euro
  • Specifieke activiteitensectoren
    • als ze onder toezicht staan van de FSMA of de NBB
    • als ze bij de FOD Financiën ingeschreven zijn op de lijst van private privaks
  • Groep van ondernemingen, i.e. ondernemingen die verbonden zijn met een grote ondernemingen
  • btw-eenheden met minimum 1 lid dat voldoet aan één van de vorige criteria

Centra KMO

De 14 Centra KMO zijn bevoegd voor de dossiers van (a) natuurlijke personen die een ondernemingsnummer hebben met een actieve btw- of rsz-werkgever-hoedanigheid (behalve activiteitscode NACEBEL 97000 ‘Huispersoneel’) en (b)  de rechtspersonen, verenigingen en btw-eenheden (die niet groot zijn).

Zij zijn bevoegd voor de fiscale controle en de geschillenbehandeling in volgende materies: personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, btw, alle voorheffingen (ook voor particulieren en grote ondernemingen) en de speciale taksen (ook voor particulieren en grote onderneming).

Centra Particulieren

De 13 Centra Particulieren behandelen de dossiers personenbelasting van inwoners van België en ook de fiscale dossiers van natuurlijke personen die niet onder de bevoegdheid vallen van de Centra KMO.

Centrum Buitenland

Dit centrum is exclusief bevoegd voor niet-inwoners die particulieren, kleine en middelgrote ondernemingen of grote ondernemingen zijn, behalve voor zij die gevestigd zijn in de Duitstalige regio.

Polyvalent Centrum Eupen

Het Polyvalent Centrum Eupen is  bevoegd voor alle dossiers van de Duitstalige regio voor zowel particulieren, KMO's en grote ondernemingen en dit voor alle fiscale materies.


De ‘uitgestelde werking’ bij kleine-en microvennootschappen

In een vorig artikel werden de (gewijzigde en nieuwe) criteria toegelicht waaraan moet voldaan zijn om als kleine- of microvennootschap gekwalificeerd te worden (artikel 15 en 15/1 van het Wetboek van vennootschappen).

We gaan nu verder in op hoe de criteria beoordeeld moeten worden en bespreken wat men bedoelt met een ‘uitgestelde werking’ van (niet-)overschrijding van deze criteria.

Tijdstip beoordeling van de criteria

De microvennootschap is een subcategorie van de kleine vennootschap en dient bijgevolg ook tegelijk aan de voorwaarden van een kleine vennootschap te voldoen.

Een probleem dat zich hierbij stelt, is het tijdstip waarop de criteria moeten beoordeeld worden. De criteria voor een kleine vennootschap worden immers getoetst op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, terwijl voor microvennootschappen op datum van jaarafsluiting aan de bijzondere criteria moet voldaan zijn.

Voorbeeld: een vennootschap die haar boekhouding per kalenderjaar voert, zal voor het boekjaar 2016 dus pas als microvennootschap gekwalificeerd kunnen worden wanneer zij:

  • op balansdatum 31 december 2015 niet meer dan één van de criteria overschrijdt die gelden voor een kleine vennootschap; én.
  • op balansdatum 31 december 2016 niet meer dan één van de criteria overschrijdt die gelden voor een microvennootschap.

De ‘uitgestelde werking’ van (niet-)overschrijding van de criteria

Het invoeren van de ‘uitgestelde werking’ betekent dat de (niet-)overschrijding van meer dan één criterium inzake kleine- of microvennootschappen pas gevolgen heeft als die zich gedurende twee opeenvolgende boekjaar voordoet.

Zo zal een vennootschap pas haar statuut als kleine vennootschap verliezen wanneer zij gedurende twee opeenvolgende boekjaren meer dan één van de gestelde criteria overschrijdt.

Voorbeeld: een kleine vennootschap die in jaar N-2 niet meer dan één van de criteria overschrijdt, maar wel in jaar N-1, blijft klein voor de jaren N-1 en N. De vennootschap wordt pas groot in jaar N+1 wanneer zij ook in jaar N meer dan één criterium zou overschrijden.

Voor grote vennootschappen daarentegen wijzigt er eigenlijk niets en kunnen zij nog steeds pas klein worden wanneer zij voor het laatste én het voorlaatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de criteria overschrijden.

Voorbeeld: een vennootschap die groot is in jaar N-2 kan pas in jaar N klein worden wanneer in jaar N-2 en jaar N-1 niet meer dan één van de criteria wordt overschreden.

Deze uitgestelde werking geldt zowel voor kleine- als voor microvennootschappen, maar zij heeft enkel betrekking op de criteria inzake omzet, balanstotaal en personeelsbestand. De uitgestelde werking geldt met andere woorden niet voor de voorwaarde dat een microvennootschap op datum van haar jaarafsluiting geen moeder- of dochtervennootschap mag zijn.

In bepaalde situaties moeten de criteria bijgevolg dus over een periode van 4 jaren bekeken worden:

Voorbeeld:
Beoordeling van de criteria met betrekking tot een kleine vennootschap:

Stel voor jaar N-2 geen overschrijding van meer dan één criterium, voor jaar N-1 wel overschrijding van meer dan één criterium:

  • de vennootschap is klein voor jaar N wanneer zij ook in jaar N-3 klein was.
  • de vennootschap is groot voor jaar N wanneer zij in ook voor jaar N-3 groot was.

Beoordeling van de criteria met betrekking tot een microvennootschap:

  • aangezien de uitgestelde werking niet speelt voor de voorwaarde dat een microvennootschap geen moeder-of dochtervennootschap mag zijn, moet deze voorwaarde in ieder geval op balansdatum van jaar N bekeken worden.

Startende vennootschappen

Startende vennootschappen moeten bij het begin van het eerste boekjaar hun cijfers te goeder trouw inschatten en hier reeds onmiddellijk rekening mee houden voor de toepassing van de criteria.

Overgangsregeling

De nieuwe en gewijzigde criteria zijn van toepassing vanaf het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31 december 2015. Enkel de ‘uitgestelde werking’ vormt hierop voor één keer een uitzondering.

Voorbeeld: een vennootschap is voor boekjaar 2016 sowieso klein wanneer zij op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar (31 december 2015) niet meer dan één van de verhoogde criteria van artikel 15 W.Venn. overschrijdt.

De uitgestelde werking telt echter nog niet voor het eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015: wanneer de vennootschap op 31 december 2015 bijgevolg wel meer dan één van de criteria inzake kleine vennootschappen overschrijdt, wordt zij voor boekjaar 2016 onmiddellijk als groot aangemerkt.


Onrechtmatig verkregen en gebruikt bewijs: fiscaal dynamiet

Het Hof van Justitie heeft in een nieuw mijlpaalarrest korte metten gemaakt met het zogenaamde fiscale Antigoon-arrest van 22 mei 2015 . In mensentaal en kort gezegd: onrechtmatig verkregen of gebruikt bewijs moeten alvast op btw-vlak buiten beschouwing worden gelaten en kan dus niet dienen voor een naheffing. Waarover gaat het ?

Antigoon of de geest uit de fiscale fles

In de historische Antigoonrechtspraak van het Hof van Cassatie (14 oktober 2003) wordt bepaald dat onrechtmatig verkregen bewijs strafrechtelijk enkel moet worden uitgesloten wanneer de onrechtmatigheid:
  • een schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven bepaling inhoudt;
  • de betrouwbaarheid van het bewijs aantast; en
  • het recht op een eerlijk proces aantast.

Deze principes zijn verankerd in artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

Antigoon werd door het Hof van Cassatie in haar arrest van 22 mei 2015 (Cass. F.13.0077.N) ook fiscaal doorgetrokken. Aldus zou de fiscale rechter onrechtmatig verkregen bewijzen niet meer moeten negeren indien drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan:

  • er is geen uitdrukkelijke nietigheidssanctie voorzien in de geschonden procedure en modaliteiten;
  • de principes van een eerlijk proces worden niet verhinderd door het onrechtmatig verkregen karakter van het bewijs (bv. een schriftelijk bekentenis verkregen na foltering); en
  • de betrouwbaarheid van het bewijs is niet aangetast door de onrechtmatige wijze waarop het bewijs is verkregen.

Waartoe erotische websites (geen) aanleiding kunnen geven ...

In de zaak van het Hongaarse WebMindLicenses (WML) werd een strafrechtelijk onderzoek gevoerd naar een fiscale (btw) constructie rond interactieve websites die erotische chat- en webcamsessies aanbieden. Hierbij werden door een  onderzoekscommissie ondermeer gesprekken afgeluisterd van fiscale en juridische adviseurs met de eigenaars van WML en werden e-mails gekopieerd zonder rechterlijke machtiging. Het bewijsmateriaal dat door de onderzoekcommissie was verkregen werd parallel ook gebruikt door de Hongaarse belastingdienst met verschillende btw-naheffingen (en geldboetes) als gevolg.

De vragen waarover het Europese Hof van Justitie (HvJ 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses) zich vervolgens diende over uit te spreken betroffen ondermeer de vraag of er sprake was van schending van gewaarborgde grondrechten (oa. privacy) en wat in voorkomend geval de gevolgen zijn van zo een schending.

Om deze vragen te beantwoorden houdt het Hof van Justitie art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie én art. 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) tegen het licht. Het Hof laat er in casu geen twijfel over bestaan dat bij schending van een gewaarborgd grondrecht, de bewijzen die in de strafprocedure zijn verkregen en in de bestuurlijke fiscale procedure zijn gebruikt, buiten beschouwing moeten worden gelaten en dat de aangevochten beslissing, die op deze bewijzen steunt, nietig moet worden verklaard.

Verder besluit het Hof van Justitie dat bewijs onbruikbaar is als de fiscus het (door anderen) verkregen onwettig bewijs gebruikt met schending van de grondrechten (bv. schending van het recht van verdediging bij gebruik van het bewijs) of als er geen doeltreffende rechterlijke voorziening is.

In de zaak WML betekent dit concreet dat elke schending van een grondrecht leidt tot de ontoelaatbaarheid van het bewijs en de nietigheid van de daarop gesteunde btw-heffingen.

Impact voor België: de geest terug in de fles?

De uitspraak van Het Hof van Justitie heeft zo ook zijn gevolgen in een Belgische fiscale context. Elke schending van een grondrecht (zoals recht op privacy, recht van verdediging of het recht op een doeltreffende voorziening in rechte) moet leiden tot een wering uit de debatten van onrechtmatig verkregen of gebruikt bewijs. Fiscale navorderingen moeten eveneens nietig worden verklaard als er geen grondslag meer is net doordat de onrechtmatig vergaarde of gebruikte bewijzen buiten beschouwing moeten worden gelaten. In dergelijke situatie moet de Antigoon-rechtspraak terug worden opgeborgen.Het Hof van Cassatie zal zich moeten afstemmen op de uitspraak van het Hof van Justitie.

Hoewel de WML-case een btw-(straf)zaak betrof zijn er immers geen objectieve argumenten te bedenken waarom er op het vlak van inkomstenbelastingen andere interpretaties of gevolgen aan schending van grondrechten zouden moeten worden verleend. Bescherming van grondrechten onder het Handvest of het EVRM moeten gelijkwaardig zijn. In afwachting van meer duidelijkheid hieromtrent, biedt deze uitspraak in ieder geval alvast bescherming bij btw-navorderingen. Het leidt echter geen twijfel dat het belang van dit mijlpaalarrest niet mag worden onderschat.