Uitkeringstesten bij dividend: NV doet niet mee, of toch?

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna afgekort: WVV) voerde voor de besloten vennootschap (bv) uitkeringstesten in. Het doel van die tests is belanghebbenden beschermen nu een besloten vennootschap niet langer over een statutair kapitaal beschikt. Het verdwijnen van het minimum kapitaal in de bv heeft dus een prijs. De wetgever heeft twee mechanismen ingevoerd die voor de nodige waarborgen moeten zorgen. Zo moet de netto-actieftest verhinderen dat het vennootschapsvermogen ten gevolge van uitkeringen negatief wordt of zou dalen tot beneden het bedrag van het onbeschikbaar eigen vermogen. Anderzijds moet het bestuursorgaan van de vennootschap middels de liquiditeitstest nagaan of de vennootschap ten gevolge van uitkeringen aan de aandeelhouders wel in staat blijft om de opeisbare schulden te betalen.

Voor de duidelijkheid benoemen we deze testen doorheen deze bijdrage als de "uitkeringstesten". De uitkeringen omvatten zowel de uitkeringen naar aandeelhouders (dividenden) als deze naar bestuurders (tantièmes). U kan dit alles uitgebreid nalezen in eerdere bijdragen.

In het hoofdstuk van de naamloze vennootschap (nv) wordt over deze testen echter met geen woord gerept. Kort-door-de-bocht-analyse: we gooien al de "adviezen dat de bv de vennootschapsvorm bij uitstek is" overboord en kiezen voor de nv!

Ja maar... De genoemde uitkeringstesten vertonen in zeker mate een gelijkenis met de "actio pauliana", de pauliaanse vordering. Laat deze pauliaanse vordering nu net van toepassing zijn op de nv en bij uitbreiding op alle andere vennootschapsvormen!

Actio pauliana of pauliaanse vordering versus de uitkeringstesten

De pauliaanse vordering is de vordering die een schuldeiser kan instellen om een rechtshandeling van een schuldenaar niet tegenstelbaar te laten verklaren. Dit is mogelijk indien deze handeling de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser(s) aantast. De pauliaanse vordering voelt zich dus helemaal thuis in het insolventierecht. Het is een vorderingsrecht dat zijn oorsprong vindt in het Romeins recht. Ze gaat dus al een hele poos mee en is ook in ons rechtssysteem aanwezig.

Om te kunnen slagen moet de pauliaanse vordering een aantal voorwaarden afchecken. Zo veronderstelt zij dat:
(a) de aangevochten handeling de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser(s) benadeelt;
(b) de wederpartij om niet verkreeg of te kwader trouw was; en
(c) de schuldenaar met bedrieglijk opzet handelde.

Wanneer de pauliaanse vordering wordt gericht tegen een uitkering, dividend en/of tantième, staat meestal enkel de voorwaarde van het bedrog ter discussie. Hier wordt dan weer de brug gemaakt met de voornoemde uitkeringstesten: toetsen of de insolventie van de vennootschap voorzienbaar was op het moment van de uitkering.

Voorwaarden toegepast

Benadeling van de verhaalsmogelijkheden

Deze voorwaarde ligt bij uitkeringen meestal voor de hand. Een uitkering impliceert namelijk steeds een verarming van de vennootschap. De verhaalsbenadeling komt daarbij pas bovendrijven als de uitkerende vennootschap insolvent is of zou worden na de uitkering. Enkel dan gaat deze uitkering ten koste van de recuperatiemogelijkheden van de schuldeisers.

Handeling om niet

Uitkeringen waarover de algemene vergadering beslist heeft, zijn er uit hun aard op gericht om activa uit het vermogen van de vennootschap te laten wegvloeien. Afhankelijk van het type uitkering, zal deze zonder tegenprestatie zijn. Dit geldt sowieso in het kader van dividenden. Ongeacht het feit dat aandeelhouders uiteraard een vermogensvoordeel van hun aandelen verwachten, neemt de rechtsleer aan dat een uitkering door de algemene vergadering een rechtshandeling "om niet" is. Het gebrek aan tegenprestatie impliceert uiteraard automatisch dat de vennootschap door de uitkering verarmt.

Ingeval van tantièmes voor bestuurders kan dit nog voor een uitdaging zorgen, aangezien de fiscaliteit daar wel een tegenprestatie (lees: bestuursdaden) van de bestuurders vereist.

Kwade trouw versus bedrog

Noch de pauliaanse vordering, noch de uitkeringstesten vereisen kwade trouw. Op basis van het voorgaande zijn uitkeringen (vaak) uit hun aard rechtshandelingen om niet. Bij deze vorm van rechtshandelingen vereist een succesvolle pauliana sowieso geen kwade trouw in hoofde van de derde.

Het grootste struikelblok bij het instellen van een pauliaanse vordering zal daarom ook het bewijs van "bedrog" zijn. Volgens vaste cassatierechtspraak is er in dit kader al sprake van bedrog, als de aangevochten handeling:
(a) abnormaal is; en
(b) de schuldenaar handelde met wetenschap van benadeling.

Het abnormale karakter wordt vaak geïnterpreteerd alsof de schuldenaar de benadeling kende of minstens behoorde te kennen. Beide begrippen zijn in feite communicerende vaten. Hoe meer abnormale eigenschappen de handeling zelf vertoont, hoe sneller men zal aanvaarden dat de schuldenaar de daaruit volgende benadeling diende te voorzien. Het komt er dan op aan dat de insolventie (of het risico op insolventie) van de vennootschap voorzienbaar was.  Het zou daarbij volstaan om een inschatting te maken van het insolventierisico op het moment van de uitkering.

Twee treinen op hetzelfde spoor, maar met andere haltes

De pauliaanse vordering en de uitkeringstesten zijn twee treinen op hetzelfde spoor, met hetzelfde uitgangspunt en dezelfde eindbestemming. Maar de weg daar tussen is anders.

De pauliaanse vordering bevat impliciet een liquiditeits- en solvabiliteitstest. Deze verbiedt uitkeringen slechts als de vennootschap voorziet, of behoort te voorzien, dat er betalingsproblemen zullen ontstaan én dat het vermogen een tekort zal vertonen.

De uitkeringstesten in de bv daarentegen stellen expliciet dat een uitkering onrechtmatig is bij een voorzienbaar tekort (netto-actieftest) óf betalingsproblemen (liquiditeitstest).

Sanctie 1: teruggaveplicht

De vennootschap kan een onrechtmatige uitkering terugvorderen. Deze teruggaveplicht bestaat zowel in de bv als in de nv. Goede of kwade trouw is daarbij irrelevant.

Een vergelijkbare teruggaveplicht bestaat bovendien indien een uitkering succesvol met de pauliaanse vordering werd bestookt. Het gevolg daarvan is dat het uitkeringsbesluit niet-tegenwerpelijk is aan de schuldeiser of aan de faillissementsboedel. Het is met andere woorden toegestaan om beslag te leggen op de uitkering, alsof die nooit het vermogen van de vennootschap heeft verlaten.

Sanctie 2: bestuurdersaansprakelijkheid

De bestuurdersaansprakelijkheid werd expliciet toegevoegd in het kader van de uitkeringstesten in de bv. Bij miskenning van de uitkeringstesten zijn de bestuurders zowel tegenover de vennootschap als tegenover derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende schade.

Ook hier hernemen de uitkeringstesten eigenlijk een aansprakelijkheidsgrond die reeds in de theorie van de pauliaanse vordering ingebakken zat. Hoewel de pauliaanse vordering op zichzelf geen aansprakelijkheidsvordering is, is zij wel gebaseerd op de algemene zorgvuldigheidsplicht met name: "hoe zou een normaal en zorgvuldig bestuurder handelen in dezelfde situatie". Bij de nv is deze aansprakelijkheid dus slechts impliciet van toepassing. Het gaat dan om uitkeringen of verschuivingen in het vennootschapsvermogen die niets met de effectieve werking van de vennootschap te maken hebben. Indien het bestuur dan wist (of behoorde te weten) dat dit solvabiliteitsproblemen of zelfs een faillissement kon teweegbrengen, dan komt ook hier de aansprakelijkheid in het gedrang.

De algemene verplichting van bestuurders in een bv om geen uitkering te doen die de betalingsmogelijkheden van de vennootschap te boven gaat, lijkt dus geïnspireerd op de pauliaanse vordering.

Faillissementspauliana

Bij wijze van beknopte verdieping verdient het vermelding dat er ook een faillissementspauliana bestaat.

In het kader van een faillissement gaat men kijken naar de verdachte periode. Dit is de periode waarin de curator, handelingen gesteld door de gefailleerde, niet-tegenstelbaar verklaart. Deze verdachte periode bedraagt normaal maximaal 6 maanden.

Echter, artikel XX 114 van het Wetboek Economisch Recht stelt dat door de faillissementspauliana rechtshandelingen die meer dan 6 maanden voor het faillissementsvonnis zijn gesteld, alsnog kunnen verworpen worden. De curator zal deze vordering instellen in het belang van alle gezamenlijke schuldeisers.

Ook hier dienen er een aantal voorwaarden vervuld te zijn vooraleer men de handeling effectief kan verwerpen. De handeling moet nadeel berokkend hebben aan de gezamenlijke schuldeisers en de derden zijn medeplichtig aan het bedrieglijk opzet.

Conclusie

Het gegeven dat de nv de dans van de uitkeringstesten ontspringt, kunnen we uiteraard niet naast ons neerleggen. Maar we kunnen ook niet ontkennen dat men steeds rekening dient te houden met de aloude pauliaanse vordering. Die geldt trouwens voor iedereen, niet enkel voor de nv's maar ook voor de bv's.

Ook in de nv kan u niet zomaar beginnen met alles daadwerkelijk uit te keren, ten koste van alles en iedereen. Doet u dat wel, dan zou u wel eens tegen een van de oerprincipes van het recht kunnen botsen.

Vragen? aternio helpt u graag.

Deze blog is gebaseerd op G. Lindemans, “Een dubbele bodem: de actio pauliana als uitkeringstest” (noot onder Orb. Gent (afd. Dendermonde) 14 januari 2019), TRV-RPS 2019, 882-892.


Wanneer is mijn btw opeisbaar?

Indien u een btw-plichtige bent dient u elke maand of elk kwartaal een aangifte te doen. De aangerekend btw op uw prestaties moet u doorstorten aan de schatkist. De btw die u zelf betaalde mag u aftrekken.

Maar vanaf wanneer is mijn btw opeisbaar? We brengen de belangrijkste regels uit de circulaire van 2019/C/65 nog eens in herinnering.

Datum van factuur is van tel

Sinds 1 januari 2016 is de opeisbaarheid van de btw afhankelijk van de datum van de factuur ofwel de datum van betaling.

Een (voorschot)factuur die u uitreikt vóór de levering van het goed of de voltooiing van de dienst maakt de btw opeisbaar.  De uitreiking van een factuur zorgt voor de opeisbaarheid van de btw, zelfs indien dit voor de levering of de voltooiing van de dienst gebeurt.

Voor de opeisbaarheid van de btw is de datum van het belastbaar feit van ondergeschikte orde.

Binnenlandse levering van een goed (B2B)

Voor een binnenlandse levering van een goed vindt het belastbaar feit plaats en wordt de btw opeisbaar in principe op het tijdstip van de levering (art. 16, § 1 WBTW). In afwijking hiervan wordt de btw opeisbaar over het gefactureerde bedrag, ongeacht of u deze factuur uitreikt vóór of na het tijdstip van de levering.

Bij een laatijdige (of bij gebrek aan) uitreiking van de factuur wordt de btw opeisbaar de vijftiende dag van de maand volgend op die van  het belastbaar feit (art. 17, § 1 WBTW). De vooruitbetaling blijft een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid.

Intracommunautaire levering

Bij intracommunautaire leveringen wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van uitreiking van de factuur. Tenminste voor zover men deze factuur uitreikt na de levering én voor het volledige bedrag.

De btw-administratie aanvaardt evenwel een factuur die uiterlijk 7 dagen vóór het belastbaar feit werd uitgereikt als geldig document. Bijvoorbeeld bij aanvang van verzending of vervoer van het verkochte goed.

Diensten (B2B)

Ook het verrichten van een dienst doet in principe de opeisbaarheid van btw ontstaan (art. 22 WBTW). De uitreiking van de factuur zal evenwel ook hier de btw opeisbaar maken. Dit ongeacht of deze factuur werd uitgereikt vóór of na het belastbaar feit (art. 22bis WBTW).

Ook door de betaling van (een deel van) de prijs wordt de btw opeisbaar, indien de betaling werd ontvangen vooraleer de dienst werd verricht. Net als bij de levering van goederen geldt de opeisbaarheid op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum.

Leveringen of diensten aan particulieren

Voor leveringen van goederen of diensten aan particulieren waarvoor geen facturatieplicht geldt, zal de betaling van de prijs de btw opeisbaar maken. Ook al reikt de ondernemer aan de particulier op vrijwililge basis een factuur uit.

Intracommunautaire diensten

Voor intracommunautaire diensten wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van dienst of door de betaling van de prijs  vóór het belastbaar feit van de dienst.

Handelingen met de overheid (B2G)

Voor handelingen met de overheid is de btw in principe opeisbaar op moment van betaling. De circulaire verduidelijkt de uitzonderingen hierop. Ook voor bepaalde beroepen zoals architecten, advocaten, bestuurders-rechtspersonen, bestaan diverse uitzonderingen.

Heeft u hieromtrent vragen? De tax-experts van aternio staan u graag bij.


Coronavirus: uw vennootschap is niet immuun

In deze zeer uitzonderlijke nare tijden van het coronavirus hebben de diverse Belgische regeringen maatregelen afgekondigd. Het zijn maatregelen die uw vennootschap een financieel hart onder de riem willen steken. Het gaat ondermeer om werkloosheidsuitkeringen, hinderpremies en fiscale steunmaatregelen. In deze blog gaan we evenwel niet in op deze specifieke steunmaatregelen. We gaan in op de vraag of uzelf ook iets kan doen voor uw vennootschap? Wat zijn de lessen voor de toekomst? Wat zijn nu de aandachtspunten?

Bestuursaansprakelijkheid en de alarmbelprocedure

Een gewaarschuwde bestuurder van een naamloze, besloten of coöperatieve vennootschap is er 3 waard. Weet dat ten gevolge van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen de alarmbelprocedure er anders is gaan uitzien. De alarmbelprocedure is een beschermingsmaatregel die erop gericht is om het bestuursorgaan te doen nadenken over de toekomst van de verlieslatende vennootschap. Wanneer trekt het bestuursorgaan nu aan deze alarmbel?

De alarmbelprocedure is van toepassing wanneer het netto-actief negatief is geworden of dreigt te worden (balanstest). Voor de besloten vennootschap geldt deze procedure ook of indien het bestuursorgaan vaststelt dat het niet langer vaststaat dat de vennootschap, volgens redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, in staat zal zijn om gedurende minstens de twaalf volgende maanden haar schulden te voldoen naarmate deze opeisbaar worden (liquiditeitstest).

De last op de schouders van de bestuurders verzwaart. Het bestuursorgaan moet steeds blijvend de overweging maken of gelet op de te verwachten ontwikkelingen (coronavirus) de vennootschap geen problemen zal hebben om haar schulden te betalen. Bestuursaansprakelijkheid staat hier op het spel.

Voorziet het bestuursorgaan problemen dan zal zij de algemene vergadering moeten samenroepen. Eens het bestuursorgaan aan de alarmbel getrokken heeft, dient ze gedurende 12 maanden opvolgend de procedure niet meer toe te passen.

Dit is echter geen louter formalisme. Zijn er structurele problemen in de maak, dan dienen er ook dito maatregelen te worden genomen.

Extra waakzaamheid bij een uitkering uit de besloten vennootschap (bv)?

Voor een uitkering uit het vermogen van de besloten vennootschap dient er een dubbele uitkeringstest te worden uitgevoerd.

Voor elke uitkering dient de algemene vergadering een netto-actieftest uit te voeren. Geen uitkering mag gebeuren indien het netto-actief van de vennootschap negatief is of ten gevolge daarvan negatief zou worden. Voor een meer gedetailleerde uitleg hieromtrent wordt verwezen naar eerdere blogs

Dit volstaat evenwel niet. Ook het bestuursorgaan dient een test uit te voeren, de liquiditeitstest. Dit is op heden een moeilijkere oefening.

Het besluit van de algemene vergadering tot uitkering heeft slechts uitwerking nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de vennootschap, volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, na de uitkering in staat zal blijven haar schulden te voldoen naarmate deze opeisbaar worden over een periode van ten minste twaalf maanden te rekenen van de datum van de uitkering.

Het bestuursorgaan zal in haar verslag dan ook prognoses moeten maken wanneer zij nu een uitkering wenst te doen. Kan u nu als bestuurder zeggen wat het effect van het coronavirus zal zijn op uw vennootschap? U begrijpt dat deze test in de praktijk bijna onmogelijk is.

Laten we dan ook maar hopen dat deze coronacrisis niet te lang aanhoudt aangezien het een uitkering uit de besloten vennootschap niet gemakkelijker maakt.

Tijd winnen: uw boekjaar verlengen?

Tot een vaccin gevonden is, zullen er maatregelen nodig zijn. Tijd winnen is hier een belangrijk gegeven. Zo ook voor uw vennootschap.

Een boekjaar van 12 maanden is de regel. Een boekjaar dat samenvalt met het kalenderjaar heeft praktische voordelen. Wanneer het boekjaar niet afsluit op 31 december, krijgt u het moeilijker met het boeken van vakantiegeld, eindejaarspremie, arbeidsongevallenpremies, onroerende voorheffing, provinciale taksen, enz.

In een aantal gevallen zou een vennootschap kunnen opteren om haar boekjaar te verlengen. Zo kan zij haar cijfers opsmukken en de effecten van het coronavirus eventueel ook indijken. Op zijn minste dan toch deze schijn opwekken…

Houdt wel in het achterhoofd dat een boekjaar verlengen impliceert dat u een statutenwijziging moet doorvoeren. De eerste vraag is dan uiteraard of u nog een notaris vindt in tijden van het coronavirus.

Toch zijn er fiscale overwegingen te maken waardoor men zou kiezen voor een verlening van het boekjaar. Uw vennootschap heeft bijvoorbeeld een uitzonderlijk winstgevend boekjaar beleefd, maar u voorziet een verlieslatend periode. Het te verwachten verlies ten gevolge van het coronavirus… Deze vennootschap kan opteren om haar boekjaar te verlengen en zo de uitzonderlijke winsten te neutraliseren met het te verwachten verlies.

In de praktijk wordt een boekjaar ook verlengd indien de vennootschap zich in een verliessituatie bevindt, maar hoopt dit op korte termijn te kunnen rechtzetten. Op deze manier wordt vermeden dat een negatieve jaarrekening moet worden neergelegd.

De fiscus staat een verlenging toe, maar weet dat de vennootschap met argusogen in de gaten zal worden gehouden.

Tijd winnen op kleinere schaal

Wanneer uw vennootschap zich begeeft in een B2B omgeving (uiteraard met de aangepaste afstand) is het niet onnuttig om de overeenkomst of de algemene voorwaarde van uw partners erop na te kijken. Zijn er clausules opgenomen in verband met overmacht? Zijn uw eigen algemene voorwaarden voorzien van zo een clausule? Niet onbelangrijke kennis in de strijd tegen het coronavirus en haar gevolgen.

Digitalisering

Contingency is key in huidige samenleving, alsook voor het economisch welslagen van uw vennootschap. De keerzijde van dit virus is misschien dat de vennootschap nu oog heeft voor de pijnpunten.

Zo kan de vennootschap misschien wel een tandje bijsteken op het vlak van digitalisering? Is uw website up-to-date op het vlak van uw privacy policy of uw cookiebeleid?

Het kan nu wel eens de moment zijn om die webshop meer aandacht te geven. Zorg wel dat alle wettelijke verplichtingen zijn nageleefd.

Is uw boekhouding al voldoende gedigitaliseerd? En misschien durft u ook verder denken… Zijn al uw vennootschapsrechtelijke stukken gedigitaliseerd? Zijn uw belangrijkste overeenkomsten online te raadplegen? Dit in niet onbelangrijk wanneer uw personeel plots thuis gekluisterd zit. Of als u een schriftelijke algemene vergadering of een vergadering op afstand wil organiseren en uw statuten wil nagaan of dit mogelijk is.

Food for thought.

Rekening-courant, een kleine pleister op een groter wordende wonde?

Nood aan cash in tijden van corona? De bestuurder kan een lening geven aan de eigen vennootschap.

De lening kan verschillende vormen aannemen: de bestuurder kan geld lenen aan de vennootschap, dividenden kunnen niet worden opgenomen of de bezoldiging blijft gestationeerd in de vennootschap. In al die gevallen krijgt de bestuurder een vordering op zijn vennootschap.

Zo'n vordering op de vennootschap kan interessant zijn. De bestuurder ontvangt een interest hiervoor. Voor de ontvanger vormt de intrest een roerend inkomen: daarop geldt een bevrijdende roerende voorheffing van 30%. U haalt zo fiscaal vriendelijk geld uit de vennootschap.

Net zoals een bezoldiging, vormt de intrestlast voor de vennootschap een aftrekbare kost. Maar bij de ontvanger zijn de inkomsten uit intresten dus doorgaans veel gunstiger belast dan inkomsten uit bezoldiging.

Interessant, maar overdrijven is nooit goed. Misbruikt men dit voordeel dan kan de wetgever dit als een dividenduitkering aanzien en belasten. Vergeet u tot slot geen overeenkomst op te maken voor deze lening?

Conclusie

Vergeet vooral niet ‘ook dit zal overwaaien’. Huidige situatie is van voorbijgaande aard, evengoed ook de effecten ervan op uw vennootschap en de economie in het algemeen.

Denk dan ook twee keer na vooraleer u een boekjaar verlengt. Een verlenging van het boekjaar impliceert niet alleen een statutenwijziging met bijhorende kosten, maar heeft ook tot gevolg dat u langer geen jaarrekening neerlegt wat eveneens vragen kan oproepen bij kredietanalyse.

Gebruik deze tijd om de pijnpunten (digitaliseren, updaten website, screening overeenkomsten,..) van uw vennootschap aan te pakken.

Als het toch heet wordt onder de vennootschapsvoeten zal het bestuursorgaan de alarmbelprocedure moeten toepassen.

Vragen of wenst u meer duidelijkheid? Contacteer aternio.


Auteursrechten voor bedrijfsleiders: rulingcommissie opnieuw strenger

Het is inmiddels algemeen aanvaard door de Rulingcommissie dat bedrijfsleiders zich vanuit hun managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten kunnen uitkeren. Dit is een variant op het uitkeren van auteursrechten op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging. Hierna frissen we de reeds gekende criteria hiervoor nog eens op. Uit de laatste rulings blijkt echter dat de Rulingcommissie (Dienst Voorafgaande Beslissingen, DVB) bijkomende beperkingen oplegt. Is dit een manier om het populair fiscaal regime van auteursrechten in te dijken?

Basiscriteria

Het is door de Rulingcommissie aanvaard dat een bedrijfsleider zich, vanuit zijn vennootschap, een deel van de omzet als auteursrecht kan toekennen. Dit kan echter niet zomaar. De vennootschap én de bedrijfsleider dienen zich daarvoor aan volgende spelregels te houden.

Vooreerst moet het gaan om een auteursrechtelijk beschermd werk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan letterkundige werken, kunstwerken, maar ook bijvoorbeeld aan computerprogramma's. De auteur, zeg maar de maker, moet daarbij een zekere intellectuele of artistieke inspanning geleverd hebben. Het werk moet bovendien voldoende origineel zijn en in een concrete vorm gegoten zijn. Een louter idee op zich is absoluut onvoldoende.

In de praktijk vereist de Rulingcommissie een schriftelijk overeenkomst voor de overdracht van de auteursrechten. Deze overeenkomst bevat duidelijke afspraken, zo ook over de vergoeding. Het is de logica zelf: tegenover de overdracht van auteursrechten staan vergoedingen.

Welke vergoeding?

De belangrijkste vraag blijft uiteraard hoeveel die vergoeding mag zijn. Het mag immers niet de bedoeling zijn om een volledig loon onder het mom van fiscaal gunstige auteursrechten uit te keren. Auteursrechten kunnen immers als een gunstig roerend inkomen kwalificeren.

De fiscale wet begrenst de jaarlijkse roerende inkomsten op maximaal €61.200,00 (geïndexeerd basisbedrag van €37.500,00 voor aanslagjaar 2020). Bovendien mag men op de eerste schijf van €16.320,00 (geïndexeerd basisbedrag van 10.000,00 voor aanslagjaar 2020) een forfaitaire kostenaftrek van 50% toepassen. Op de tweede schijf van  €16.320,00 mag men een kostenforfait van 25% toepassen. De inkomsten boven deze grens worden belast als divers of beroepsinkomen.

Criteria voor bedrijfsleiders met een managementvenootschap

De auteursrechten moeten steeds bovenop de gewone vergoeding voor de prestaties van de bedrijfsleider komen. Ze mogen in geen geval een vervanging van loon inhouden. Wanneer de vennootschap een deel van haar omzet aan de bedrijfsleider uitkeert als auteursrechten moet zij bovendien rekening houden met enkele beperkingen.

Zo mag de vergoeding niet tot gevolg hebben dat minder dan de helft van wat de vennootschap van derden ontvangt uit de overdracht van auteursrechten, daadwerkelijk in de vennootschap blijft. M.a.w. de vennootschap mag maximaal 50% van omzet uit auteursrechten uitkeren.

Bovendien mag de vergoeding niet meer bedragen dan de helft van het  resultaat van het boekjaar vóór belasting en vóór aanrekening van de vergoeding voor auteursrechten aan de bedrijfsleider.

Bovenvermelde beperkingen mogen er echter niet toe leiden dat de vergoeding minder dan 5% bedraagt van de netto omzet uit de exploitatie van de auteursrechtelijk beschermde werken. Hiertoe worden de relevante kosten afgetrokken van de relevante omzet uit auteursrechten. Dit impliceert ook de vergoedingen voor bijvoorbeeld de overdracht van auteursrechten aan werknemers en freelancers.

Ook moet de vennootschap rekening houden met de minimumbezolding van € 45.000,00 voor de bedrijfsleider. Indien de bezoldiging minder dan  €45.000,00 bedraagt, moet men de vergoeding voor auteursrechten beperken tot 5% van de netto creatieve omzet per bedrijfsleider.

Extra voorwaarde voor de bedrijfsleider

In haar recentste rulings van 7 mei 2019 (nr. 2019.0109 en 2019.0300) voegt de Rulingcommissie nu nog een nieuwe bijkomende voorwaarde toe voor bedrijfsleiders met een managementvennootschap.

De nieuwe beperking geldt niet enkel voor de bedrijfsleider, maar ook voor andere medewerkers voor de omzet uit auteursrechten zorgen. In dat geval moet men de vergoeding van de bedrijfsleider beperken in functie van de vergoeding aan de andere medewerkers.

Concreet mag de vergoeding voor auteursrechten, in geen geval hoger zijn dan het tweevoud van het gemiddelde van de vergoeding voor auteursrechten die de huidige en toekomstige medewerkers (werknemers of freelancers) in de loop van hetzelfde jaar ontvangen voor de overdracht van hun auteursrechten.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn dat de Rulingcommissie verwoede pogingen blijft doen om het populair regime van de auteursrechten te ontraden.

De interpretatie van de wetgeving door de Rulingcommissie evolueert in de praktijk continu. Helaas leidt dit tot té veel en té ingewikkelde criteria.  Vanuit een managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten uitkeren aan een bedrijfleider is hierdoor minder interessant.

De vergoeding die wordt bepaald op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging van de bedrijfsleider lijkt ons daarom veel eenvoudiger. Daarvoor gelden de ingewikkelde criteria immers niet.

Vragen? aternio helpt u wegwijs.


Dividenduitkering in natura

In deze bijdrage staan we stil bij dividenduitkering en meer bepaald bij de uitkering in natura. Inderdaad, een dividenduitkering hoeft niet noodzakelijk in geld te gebeuren. Aandelen, een onroerend goed of andere activa kunnen namelijk ook als dividend worden uitgekeerd. Dergelijke uitkeringen vragen echter aandacht op vennootschapsrechtelijk, boekhoudkundig en fiscaal vlak.

Wat is de waarde van het uitgekeerde goed? Wanneer stelt men die waarde vast? Wat met meer- en minwaarden? Zorgt het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor complicaties bij een besloten vennootschap? Hoe zit het met de roerende voorheffing? Het zijn slechts enkele vragen die opduiken.

But first things first.

Wat is een dividenduitkering in natura?

Een dividenduitkering is de bestemming van winst door een vennootschap ten gunste van  haar aandeelhouder(s). De meerderheid denkt bij een dividenduitkering onmiddellijk aan geld in de lade. Maar een vennootschap hoeft een dividend niet noodzakelijkerwijze in de vorm van liquide middelen uit te keren.

Een dividenduitkering in natura betekent dat men als aandeelhouder een roerend of een onroerend goed krijgt toebedeeld. De aandeelhouder ontvangt in dit geval dus geen geldsom. Het toegekende goed hoeft niet noodzakelijk iets groots, zoals een onroerend goed, te zijn. Het kan uiteraard ook beperkter zijn. Men denkt bijvoorbeeld aan aandelen die de vennootschap bezit of producten die de vennootschap fabriceert. Bier bij een brouwerij, vouchers voor een hotelovernachting bij een hotelketen of chocolade bij een chocoladeproducent.

Formaliteiten dividenduitkering bij besloten vennootschap

Een besloten vennootschap kan enkel een dividend uitkeren na het succesvol doorlopen van de netto-actieftest en de liquiditeitstest. Dit geldt zowel voor de nieuwe bv’s, als voor de oude bvba’s die hun statuten nog niet hebben aangepast.

Kort samengevat gaat de algemene vergadering bij de netto-actieftest na of ten gevolge van de uitkering het vermogen van de vennootschap niet negatief wordt. Als deze test positief is, kan de algemene vergadering beslissen om een dividend toe te kennen. Daar stop het echter niet…

Het bestuursorgaan moet vervolgens de liquiditeitstest uitvoeren. Met deze test maakt het bestuur een inschatting of de vennootschap haar opeisbare schulden zal kunnen voldoen  gedurende minstens twaalf maanden na de uitkering.

Voor alle duidelijkheid, in de naamloze vennootschap dient men deze formele liquiditeitstest niet uit te voeren. Een reden voor sommigen om een nv te verkiezen in plaats van een bv.

Bijkomende formaliteiten dividenduitkering in natura 

Bij de dividenduitkering in natura duiken er al snel vragen op. Moet een aandeelhouder akkoord gaan met een dividenduitkering in natura? Op welk tijdstip bepaalt men dan de waarde van het uitgekeerde onroerende goed? Wanneer is een meer- of minderwaarde bij de uitkerende vennootschap dan belastbaar of fiscaal aftrekbaar? Over welke waarde is er roerende voorheffing verschuldigd?

Een dividenduitkering in liquide middelen is de regel. Artikel 1243 van het Burgerlijk Wetboek stelt immers dat een schuldeiser niet kan genoodzaakt worden een andere zaak aan te nemen dan die welke hem verschuldigd is, al heeft ook de aangeboden zaak een gelijke of zelfs een grotere waarde. De schuldeiser kan er wel mee instemmen om de in de plaats aangeboden zaak te aanvaarden. Een aandeelhouder beslist zelf of hij een dividend in natura wenst.

Een inbetalinggeving van een dividenduitkering in natura behoort wel tot de uitvoeringsmodaliteiten van het bestuursorgaan en dit in navolging van de eerdere beslissing van de algemene vergadering.  Het kan dus ook het bestuursorgaan en niet de algemene vergadering van aandeelhouders zijn die beslist om een dividend in natura te betalen. Het bestuursorgaan zal vervolgens wel over de instemming van de betrokken aandeelhouder(s) moeten beschikken om tot een effectieve uitkering in natura te kunnen overgaan.

Boekhoudkundige en fiscale gevolgen

1. Opstelling jaarrekening  - waardering

De jaarrekening van een vennootschap wordt opgesteld rekening houdend met de beslissing van de algemene vergadering inzake de resultaatsbestemming. Indien de voorgestelde bestemming van het resultaat een uitkering van dividenden omvat, dan worden deze dividenden op de balans geboekt op de rekening 47 ‘Schulden uit de bestemming van het resultaat’.

De voorziene dividenduitkering wordt geboekt voor hun brutobedrag, dus zonder aftrek van belastingen of voorheffingen. Indien een dividenduitkering in natura gebeurd moet er dus een waardering van de goederen gebeuren zodat dit in de jaarrekening kan worden opgenomen. Deze waardering gebeurt niet op het moment van de materiële overhandiging van de goederen. De overhandiging is slechts de materiële uitvoering van de beslissing tot toekenning van het dividend.

De algemene vergadering is en blijft het orgaan dat beslist tot toekenning van een dividenduitkering. Merk evenwel op dat bij de besloten vennootschap de beslissing van de algemene vergadering om een dividend uit te keren onafhankelijk is van de uitvoering van de liquiditeitstest door het bestuur. Zelfs al oordeelt het bestuur negatief na de test, de beslissing om een dividend uit te keren is én blijft genomen.

De vennootschap moet op het ogenblik van de toekenning van het dividend de meer- of minderwaarde op het toegekende actiefbestanddeel vaststellen en realiseren. Indien men pas later overeenkomt om het dividend niet in geld maar in natura uit te betalen, dan gebeurt de vaststelling en realisatie pas op het ogenblik van deze laatste overeenkomst.

Voor een meer boekhoudkundige benadering verwijzen we graag naar het passend advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN advies 2019/01) betreffende de boekhoudkundige verwerking van een dividenduitkering in natura.

2. Fiscaal

De belastinggrondslag voor de roerende voorheffing op dividenden in natura wordt vastgesteld op het moment van de toekenning of de betaalbaarstelling van het goed en is gelijk aan de verkoopwaarde van de goederen op dat ogenblik.

Indien de toekennende vennootschap de roerende voorheffing niet ten laste neemt zal zij het bedrag van de roerende voorheffing innen bij de verkrijgende aandeelhouder(s). In voorkomend geval is de betaling door de aandeelhouder(s) geen opbrengst, maar een schuld die de vennootschap opneemt op de creditzijde van de rekening 453 ‘Ingehouden voorheffingen’.

Dat de wetgever bij het opstellen van het WVV niet echt diepgaand over het fiscale luik heeft gedacht is een publiek geheim. Rekening houdend met de introductie van de liquiditeitstest bij de besloten vennootschap is het raadzaam om bij deze vennootschapsvorm de betaalbaarstelling van het dividend formeel te laten afhangen van de bestuursbeslissing tot uitbetaling. De toekenning is vaststaand, de uitbetaling is dit allerminst. Net omwille hierdoor is het niet uitgesloten dat, zowel belastingplichtige als vennootschap, de roerende voorheffing ‘vergeet’.

Vergeet niet dat ook vennootschapsbelasting, btw of regionale registratiebelasting de kop kunnen opsteken bij dividenduitkeringen in natura. Zo zal de fiscale behandeling van meer- of minderwaarde afhangen van de aard van het toegekende goed.

Conclusie

Een dividenduitkering in natura kan een leuke gift betekenen voor de aandeelhouders. Let dan vooral op dat u alle juridisch formaliteiten heeft nageleefd én alle fiscale aspecten in kaart hebt gebracht. In iedere geval zorgen voor besloten vennootschappen de nieuwe regels inzake uitkeringen voor bijkomende aandachtspunten.

Contacteer aternio indien u vragen hebt over de resultaatbestemming in uw vennootschap.


Opstalrecht anno 2020: modernisering door nieuw goederenrecht

Komt dat zien, komt dat zien! De familie "Nieuwe Wetgeving" heeft er nog een zusje bij: het nieuwe goederenrecht! De Wet tot hervorming van het goederenrecht is op 31 januari 2020 goedgekeurd in het parlement. De Wet voorziet in volledig nieuwe regels inzake eigendom, mede-eigendom, opstalrecht, erfpacht, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden, ...

Bye bye boek II van het oude Burgerlijk Wetboek, adios Erfpachtwet en Opstalwet... Hallo Boek 3 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek! aternio loopt graag met u mee doorheen de wondere wereld van het nieuwe goederenrecht en we gaan van start met de meest opvallende wijzigingen aan het recht van opstal.

Opstalrecht doorheen de geschiedenis

Het opstalrecht draait al een tijdje mee. Zo vinden we in de Wet van 10 januari 1824 de volgende definitie terug:
“Het recht van opstal is een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen te hebben voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond. Het opstalrecht kan gevestigd worden door elke titularis van een onroerend zakelijk recht, binnen de grenzen van zijn recht.”

Het behoeft dus geen twijfel dat het opstalrecht zich tot één van de dinosaurussen van ons burgerlijk recht mag kronen. Er gebeurde reeds een beknopte modernisering in 2014. Maar de wetgever wou nu de specificiteit van het opstalrecht opnieuw in de verf zetten. Het is een beperkt zakelijk recht dat voorziet in een opsplitsing van het eigendomsrecht op een onroerend goed. Het gaat om een horizontale opsplitsing waardoor er enerzijds een grondeigenaar is, en anderzijds de eigenaar van de opstallen. Het opstalrecht verleent met andere woorden een eigendomsrecht op een bepaald volume, waarbinnen de opstalhouder kan bouwen of beplanting kan aanbrengen.

En zo is de nieuwe definitie geboren. Deze is voortaan terug te vinden in artikel 3.177 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en luidt als volgt:
“Het opstalrecht is een zakelijk gebruiksrecht dat het eigendomsrecht verleent op al dan niet gebouwde volumes, voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond om er bouwwerken of beplantingen te hebben.”

Horizontale splitsing van het eigendomsrecht

Het opstalrecht geeft gestalte aan de zogenaamde "derde dimensie" van het vastgoedrecht, door de toekenning van een eigendomsrecht van volumes op, boven of onder andermans grond, geheel of gedeeltelijk. Alle rechten en plichten van de partijen hangen vast aan die opsplitsing van het eigendomsrecht. De wetgever wou de specificiteit van het opstalrecht opnieuw benadrukken: het gaat om een beperkt zakelijk recht dat een – in beginsel tijdelijke – horizontale opsplitsing van het eigendomsrecht op een onroerend goed met zich meebrengt. Het verleent een eigendomsrecht op een volume, waarbinnen de opstalhouder bouwwerken of beplantingen kan verkrijgen of aanbrengen.

Het recht om bouwwerken op te richten, dan wel beplanting aan te brengen op andermans grond maakt de kern uit van de bevoegdheden van de opstalhouder. Weet wel dat dit recht enkel 'bestaat". Het is er, ongeacht of de opstalhouder er effectief iets mee doet of niet. De bouwwerken en beplantingen die de opstalhouder verkrijgt of opricht, zijn slechts het gevolg van de uitoefening van diens zakelijk recht (maar zijn dus niet het effectieve voorwerp van het opstalrecht).

Wie kan een opstalrecht vestigen?

De voorzet voor de wijzigingen werd reeds gegeven door de beperkte hervorming van het opstalrecht in 2014. Dit alles is nu verankerd in de nieuwe wet. Een opstalrecht kan gevestigd worden door de eigenaar of door elke titularis van een onroerend zakelijk gebruiksrecht, binnen de grenzen van zijn recht. De term "gebruiksrecht" is bewust gekozen, opdat de titularissen van "enkel" een zakelijke zekerheid geen opstalrecht zouden kunnen vestigen.

Uitbreiding van de basistermijn

Onder de oude wetgeving kon een opstalrecht "slechts" gevestigd worden voor maximaal 50 jaar. Daar heeft de wetgever nu een (horizontale) streep door getrokken: voortaan kan het opstalrecht gevestigd worden voor 99 jaar. In een aantal gevallen kan het zelfs eeuwigdurend zijn.

Het principe is dat het opstalrecht niet langer kan duren dan 99 jaar. Dat is de maximumduur: een opeenvolging van opstalrechten voor kortere duur is mogelijk, zolang deze de maximumduur maar niet overschrijden. Daarmee is ook meteen de vraag naar de hernieuwbaar beantwoord: mits akkoord van de partijen is dat dus perfect mogelijk.

In 2 uitzonderlijke gevallen kan het opstalrecht echter ook eeuwigdurend zijn.

Uitzondering 1: openbaar domein

Een eerste situatie waarbij dit zo is, is wanneer en zolang het door de grondeigenaar gevestigde opstalrecht bestemd is voor doeleinden van openbaar domein.

In dit geval moet het opstalrecht kunnen duren tot zolang de openbare bestemming blijft duren. Dit is een bevestiging van een principe dat in de rechtsleer reeds lang werd gedragen.

Uitzondering 2: volumevoordeel

Een tweede uitzondering is het mogelijk maken van een volumevoordeel. Het wordt mogelijk om gebouwen met verschillende functies/volumes te stapelen, zonder enige beperking in de tijd. Daarmee wil de wetgever de beschikbare ruimte, die soms schaars is, optimaal en duurzaam benutten.

Het gaat om de verdeling in volumes van een "complex en heterogeen onroerend geheel", dat verschillende volumes omvat die in aanmerking komen voor zelfstandig en verscheiden gebruik en die onderling geen enkel gemeenschappelijk deel hebben. In dit geval gaat om het dus om het samen bestaan van minstens 2 volumes die een verschillende bestemming hebben én die vatbaar zijn voor zelfstandig beheer. Het kan dan gaan om een residentieel gebouw, maar bijvoorbeeld ook om een winkelcentrum met een ondergrondse parking. Essentieel is dat er geen gemene delen mogen zijn. Zijn die er wel, dan komen we terecht in de dwingende regels inzake appartementsmede-eigendom. Dit betekent niet,
dat er een aantal collectieve voorzieningen mogen bestaan die door de verschillende opstalhouders op de volumes worden gebruikt.

Accessoir/onzelfstandig opstalrecht

Een accessoir of onzelfstandig opstalrecht kan ontspruiten uit verschillende hoofdrechten. Dit kan een ander zakelijk recht zijn, maar ook een persoonlijk of een administratief recht.
Het principe is al geruime tijd erkend in de rechtspraak en de rechtsleer. Het feit dat het nu bevestigd wordt in de wettekst, brengt dus de gewenste rechtszekerheid en efficiëntie met zich mee en zal vooral zijn nut bewijzen in de publiek-private partnerschappen.

Het accessoire opstalrecht blijft echter wel beperkt tot gebruiksrechten op onroerende goederen. Met andere woorden, een huwelijkscontract kan in principe geen accessoir opstalrecht doen ontstaan. Uiteraard kan wel een impliciet opstalrecht ontstaan indien bv. wanneer 2 partners samen een woning bouwen op de grond van één van hen en zij hiervan gebruik maken als mede-eigenaars. Ook in dat geval kan de natrekking, op basis van de omstandigheden van het geval, dus worden uitgesloten.

Het Latijnse adagium "accessorium sequitur principale" - bijzaak volgt hoofdzaak - speelt hier ten volle: het accessoire opstalrecht wordt namelijk gekenmerkt door een versterkte accessoriteit. Enerzijds kan het niet worden overgedragen zonder dat ook het hoofdrecht wordt overgedragen. Anderzijds is de duurtijd van het accessoire opstalrecht identiek aan de duurtijd van het hoofdrecht.

Einde van het opstalrecht

Het recht gaat niet teniet door het tenietgaan van de bouwwerken of beplantingen van de opstalhouder. Dit strookt ook met de kern van het recht. Het volume kan voortbestaan los van de werken of beplantingen die er deel van uitmaken.
Het opstalrecht neemt een einde indien de termijn waarvoor het werd toegestaan verstrijkt. Indien het gaat om een eeuwigdurend opstalrecht en er is reeds 99 jaar verstreken, dan kan de rechter de opheffing ervan bevelen indien het recht ieder nut (zelfs een toekomstig nut) heeft verloren.

Op het einde van het recht, gaat het eigendomsrecht op het volume, door de natrekking, over op de opstalgever of diens rechtsopvolgers. Hiervoor zal dan mogelijkerwijze een vergoeding moeten worden betaald. De basis hiervoor is de ongerechtvaardigde verrijking van de opstalgever, tegenover de opstalhouder.

Inwerkingtreding

De nieuwe wet is goedgekeurd op 31 januari 2020 en zal automatisch in werking treden, 18 maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

aternio volgt de nieuwe wetgeving op de voet.

Contacteer ons voor meer informatie.


Afronding cashbetalingen: de regels voor ondernemingen

Sinds 1 december 2019 ronden winkeliers de cashbetalingen af op 5 cent. De consument kan echter wel nog steeds de muntstukken van 1 en 2 cent blijven gebruiken in de winkels.

De kleine muntstukjes werden in praktijk weinig gebruikt. Ze bleven vaak in de geldbeugel zitten of thuis in een la. Daardoor dienden er voortdurend muntjes van 1 en 2 cent bijgemaakt te worden. Bovendien liep de kostprijs om de muntstukjes te maken erg hoog op. Uit een rondvraag in 2018 bij winkeliers en consumenten bleek er voldoende draagvlak te zijn voor een afronding bij cashbetalingen.

De Belgische overheid heeft hiervoor met ingang vanaf 1 december 2019 een wettelijk kader voorzien.

Wie moet afronden?

De verplichting om af te ronden, geldt voor alle cashbetalingen en voor alle ondernemingen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven. Ook vrije beroepen en alle personen, overheden … die op regelmatige basis economische interacties hebben met consumenten (zoals een zwembad, bibliotheek of cultureel centrum) vallen hieronder. Het geldt eveneens voor verenigingen met regelmatige economische activiteiten (zoals de verkoop van producten aan consumenten). Het maakt daarbij niet uit of zij een winstoogmerk hebben of niet.

Hoe gebeurt het afronden?

Enkel het totaalbedrag van alle aankopen samen én die de klant cash betaalt aan de kassa moet men afronden. Men mag dus niet de prijs van elk artikel afzonderlijk gaan afronden!

Het totaalbedrag moet men afronden naar het dichtste veelvoud van 5 cent, ofwel het lagere ofwel het hogere.

Ondernemingen moeten cashbetalingen door de consument steeds afronden indien:

  • de betaling gebeurt in gezamenlijke fysieke aanwezigheid van de consument en de onderneming; én
  • het te betalen bedrag groter is dan 5 cent.

Daarentegen mag men dus niet afronden in geval van verkoop op afstand (denk aan: online shopping) en tussen particulieren onderling of ondernemingen onderling.

Ondernemingen kunnen ook beslissen om de afronding toe te passen op andere betalingswijzen, maar zijn moeten dan dezelfde voorwaarden respecteren. In dat geval gelden de regels van het afronden voor ál hun klanten en betalingswijzen, behalve bij maaltijdcheques, ecocheques en waardebonnen.

Een onderneming die de afronding toepast, moet navolgende regels respecteren.

  • De afronding gebeurt énkel op het cash-gedeelte, ook indien de betaling deels in cash en deels met een andere betalingswijze gebeurt.
  • Indien de onderneming beslist om de afronding ook toe te passen op andere betalingswijzen dan de betaling in cash, moet men afronden op het totaalbedrag na aftrek van de bedragen betaald met maaltijdcheques, ecocheques of waardebonnen (zelfs als de betaling deels in cash en deels met een ander betalingsmiddel gebeurt). In dat geval afficheert de onderneming duidelijk zichtbaar de volgende test in zijn winkel: " Het totaalbedrag wordt altijd afgerond".
  • Het kasticket moet ook duidelijk zowel het totale te betalen bedrag als het afgeronde bedrag weergeven, ongeacht het werkelijk in cash betaalde of het werkelijke totaal betaalde bedrag.
  • Het eventueel terug te betalen bedrag is altijd afgerond.

Bron: Boek VI WER - art. VI.7/1 e.v. WER


Autofiscaliteit anno 2020

Het autosalon is nog maar net voorbij en misschien hebt u nog niet de juiste keuze kunnen maken over welke auto u op vandaag wenst aan te kopen. Er is de laatste jaren immers heel wat gewijzigd in de autofiscaliteit. In 2020 gaat de laatste fase van de belastinghervorming na het Zomerakkoord in.  In deze bijdrage zetten we de belangrijkste krachtlijnen nog eens uiteen voor u.

Aftrekbaarheid

In de vennootschapsbelasting geldt voortaan voor alle kosten volgende formule:

Aftrekpercentage = 120% - (0,5% x CO2 x coëfficiënt)

Daarbij is de coëfficiënt gelijk aan:

  • 1 voor dieselmotoren en dieselvarianten zoals bijvoorbeeld hybride diesels
  • 0,9 voor voertuigen met een aardgasmotor (CNG) of een belastbaar vermogen < 12 fiscale pk
  • 0,95 voor alle andere motoren (benzine, lpg, biobrandstof)

Bovendien geldt een minimumpercentage van 50% (of 40% indien de C02-uitstoot > 200) en een maximumpercentage van 100%. Het aftrekpercentage van 120% voor elektrische wagens bestaat dus niet langer.

Bovenstaande formule geldt voortaan ook voor de brandstofkosten. Het standaard aftrekpercentage van 75% voor brandstofkosten is dus afgeschaft.

De aftrekbaarheid in de personenbelasting wordt op dezelfde wijze vastgesteld als in de vennootschapsbelasting (zie hoger). Enkel het minimumpercentage van aftrekbaarheid in de personenbelasting 75% is afgeschaft.

Valse hybride

Voertuigen die deels werken op brandstof en deels op een oplaadbare elektrische batterij, maar waarvan de capaciteit van de elektrische batterij slechts een beperkt gebruik toelaat, waren de voorbije jaren zeer aantrekkelijk omwille van hun gunstige fiscale regime. Denk daarbij aan de hoge fiscale aftrekbaarheid en het laag voordeel van alle aard voor privégebruik.

Deze zogenaamde ‘valse hybrides’ of ‘plug-inhybrides’ zijn anno 2020 fiscaal niet meer interessant.

Er is sprake van een valse hybride indien:

  • de CO2-uitstoot hoger is dan 50g/k; of
  • de elektrische batterij een energiecapaciteit heeft van < 0,5 kWh per 100kg wagengewicht.

Sinds 1 januari 2020 heeft de wetgever voor valse hybrides een eigen berekening van de CO2-uitstoot ingevoerd. De CO2-uitstoot is daarbij afhankelijk van de energiecapaciteit van de batterij in verhouding tot het autogewicht (in kWh/100 kg) en de CO2-uitstoot van de wagen.

Bij een valse hybride wordt geen rekening gehouden met de officiële CO2-uitstoot, maar wordt deze uitstoot vermenigvuldigd met 2,5. Ofwel houdt men rekening met de CO2-uitstoot van een overeenstemmend voertuig dat niet is uitgerust met een hybride motor.

De fiscale administratie heeft aan de autofabrikanten gevraagd om voor elke valse hybride een overeenstemmend voertuig te bepalen. Deze lijst met overeenstemmende voertuigen is op vandaag nog niet gepubliceerd.

Let wel, valse hybrides die werden aangekocht vóór 1 januari 2018 ontsnappen nog aan deze strengere regeling.

CO2-uitstoot: NEDC of WLTP?

In onze vorige bijdrage spraken we al over de NEDC en WLTP-normen inzake CO2-uitstoot. De nieuwe Europese WLTP-norm is strenger en leidt in principe tot hogere waardes van CO2-uitstoot, en dus een hogere belastbaarheid. Dit was echter niet de bedoeling van de wetgever. Daar werd dus een mouw aan gepast:

  • voor oude modellen (aangekocht vóór 1 juli 2017) of oude wagens (geproduceerd vóór 1 september 2018) geldt nog de oude NEDC-norm
  • voor nieuwe modellen (aangekocht vanaf 1 juli 2017) of nieuwe wagens (geproduceerd vanaf 1 september 2018) zijn er 2 CO2-normen:
  • WLTP: gemeten via een nieuwe methode
  • NEDC 2.0 (een CO2-uitstoot die vergelijkbaar zou moeten zijn met de CO2 gemeten onder de NEDC. Deze uitstoot wordt dan niet gemeten, maar omgerekend en vertrekkende vanuit de WLTP-waarde)

Belangrijke tip: sinds 1 juli 2019 vindt u geen CO2-uitstoot meer op het inschrijvingsbewijs. Kijk hiervoor dus naar het gelijkvormigheidsattest of op de website van de FOD Mobiliteit.

Contacteer ons voor meer uitgebreide informatie.


Data Protection Day - Onze cookies kan u alvast niet weigeren!

Een cookie: lekkere versnapering voor bij de koffie of een privacy-dief? Ter gelegenheid van Data Protection Day of Dag van de Gegevensbescherming wil aternio u wegwijs maken in de wereld van privacy en cookies. Bij aternio staat de bescherming van de privacy van haar klanten, medewerkers en leveranciers bovenaan. Wij willen dan ook dat u bewust kan omgaan met cookies en de privacyaspecten die hieraan vasthangen.

De ene cookie is de andere niet! Cookies zijn kleine stukjes informatie, vaak in de vorm van een klein tekstbestandje opgeslagen op uw toestel. Websites gebruiken deze cookies om uw toestel te herkennen wanneer u hun website een volgende keer bezoekt. Dit kan heel handig zijn. Zo kunnen zij ervoor dat de website überhaupt correct zal functioneren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bijhouden van het winkelmandje tijdens het winkelen op een webshop. Er zijn echter verschillende andere soorten cookies: bijvoorbeeld functionele, analytische, marketing cookies. Vooral bij deze laatste soort cookies kan de vraag gesteld worden of zij altijd correct omgaan met de privacy van de gebruiker.

Marketing cookies en privacy. Websites gebruiken marketing cookies om gebruikers te volgen op hun website of op andere verbonden websites. Op deze manier wordt bijgehouden wat deze persoon interessant vindt en kan een profiel van hem/haar opgemaakt worden. Zeer handig voor webshops en voor andere reclamedoeleinden, maar niet altijd naar de zin van de gebruiker! We worden namelijk niet graag altijd ‘bespied’ wanneer we aan het surfen zijn.

To accept or not to accept. Websites zijn dan ook verplicht om het plaatsen en raadplegen van deze cookies optioneel te maken. Gebruikers moeten de mogelijkheid hebben om alle niet-essentiële cookies te weigeren! Websites doen dit doorgaans door een gebruiker, bij een eerste bezoek aan de website, een “cookiebanner” te tonen.

Ons advies. Ga bewust om met uw keuze om cookies te aanvaarden! (En breng de website op de hoogte als zij u niet laten weigeren.)

Zijn de cookies op uw website al in orde? Neem gerust contact met ons op, wij helpen jullie hier bij verder.


Breek uw hoofd (niet) over innovatie-inkomsten

Om ondernemingen te motiveren om meer te innoveren, kwam de Belgische overheid in 2017 met de aftrek voor innovatie-inkomsten. Elke Belgische vennootschap of buitenlandse vennootschap met een Belgische inrichting kan daardoor 85% van hun innovatie-inkomsten aftrekken van hun vennootschapsbelasting.

Om de correcte omvang van deze aftrek te berekenen moet de vennootschap een hele wiskundige oefening maken. De Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) verduidelijkte in haar Jaarverslag 2018 een berekening die zij aanvaardt voor onder andere de inkomsten uit software.

In aanmerking komende inkomsten

Voor de aftrek komen slechts de inkomsten die voortkomen uit bepaalde intellectuele eigendomsrechten in aanmerking. De aftrek geldt namelijk enkel voor inkomsten uit octrooien, auteursrechtelijk beschermde software, kwekersrecht, weesgeneesmiddelen en data- en marktexclusiviteit (voor geneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen).

De inkomsten betreffen onder meer inkomsten uit verleende licenties, royalties, inkomsten uit de verkoop van intellectuele eigendomsgoederen en zelfs schadevergoedingen naar aanleiding van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht.

De uiteindelijk in aanmerking komende inkomsten moet de vennootschap nog verder beperken. Enkel kwalificerende netto-inkomsten mogen gebruikt worden en er kan slechts het gedeelte van een zogenaamde 'nexus-breuk' behouden blijven.

De nexus-breuk staat voor de verhouding tussen de eigen uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) en de algehele uitgaven voor O&O. Onder de eigen O&O uitgaven begrijpt men de uitgaven de intellectuele eigendomsrechten door de onderneming of een onafhankelijke derde werden ontwikkeld. Deze uitgaven moeten steeds verband houden met het kwalificerende intellectuele eigendomsrecht. Vooraleer we de nexus-breuk verlaten mag zij nog verhoogd worden met 30%, ze kan evenwel nooit boven 1 uitstijgen.

Wat nu met de kwalificerende netto-inkomsten? De DVB houdt het in haar Jaarverslag op een berekening van de bruto innovatie-inkomsten. Ze zegt wel dat de aftrek enkel kan genieten ten belope van de netto-inkomsten. Daarbij laat ze echter na om te verduidelijken hoe deze berekening plaats moet vinden. De bruto innovatie-inkomsten dienen namelijk vermindert te worden met de in kosten opgenomen globale uitgaven, gedaan of gedragen in dat belastbaar tijdperk.

De berekening ziet er zodoende als volgt uit: aftrekbare innovatie-inkomsten = 85 % x kwalificerende netto-inkomsten x nexus-breuk .

Bruto innovatie-inkomsten uit software ontwikkeling

De DVB geeft in haar Jaarverslag 2018 een richtsnoer op welke wijze zij voorstelt om uit de integrale omzet van het gehele boekjaar de bruto innovatie-inkomsten te berekenen voor auteursrechtelijk beschermde softwareprogramma's. Het gaat echter om een berekening in stappen waarbij de DVB weinig verduidelijking aanreikt. Ze voorziet ons wel van een voorbeeld aan de hand waarvan we deze bijdrage verder opbouwen.

Tijd om de handen uit de mouwen te steken en onze rekenmachine van onder het stof te halen.

Stap 1 t.e.m stap 4: laten we eenvoudig starten

De DVB vertrekt van de integrale omzet over het gehele boekjaar. De bedoeling daarbij is om te eindigen bij de kwalificerende inkomsten van de auteursrechtelijk beschermde software en de hieraan inherent verbonden diensten.

Om tot de resterende omzet te komen moet de onderneming in de eerste plaats alle door haar gemaakte omzet die niet in verband kan gebracht worden met de auteursrechtelijk beschermde software weggelaten uit de berekening. Deze omzet moet de vennootschap van de integrale omzet over het gehele boekjaar aftrekken.

Van de integrale omzet zal men ten slotte de omzet die toewijsbaar is aan software die reeds inkomsten heeft voorgebracht voor 1 juli 2016 moeten aftrekken. Dit komt doordat enkel die inkomsten die voortkomen uit software gecommercialiseerd na 1 juli 2016 aanspraak kunnen maken op de aftrek voor innovatie-inkomsten. Een speciaal geval is de software die de onderneming reeds ontwikkelde voor 1 juli 2016, maar waarbij zij deze nadien nog verbeterde.

Voorbeeld DVB:

1.     Integrale omzet over het gehele boekjaar
2.    - omzet die losstaat van de auteursrechtelijk beschermde software
3.    - toewijsbaar aan software die voor 1 juli 2016 inkomsten opbrachten


4.    = Resterende omzet over het gehele boekjaar

Stap 5 t.e.m. stap 9: het einde is in zicht

Bij deze stappen is het de bedoeling om van de resterende omzet te komen tot de uiteindelijke kwalificerende bruto innovatie-inkomsten. Het uiteindelijk resultaat zal echter afhankelijk zijn of de vennootschap de verkoop van de software zelf voor haar rekening neemt of deze outsourced.

De DVB houdt allereerst bij haar berekeningen rekening met de principes inzake verrekenprijzen. Daarmee wil ze zeggen dat de resterende omzet uit stap 4 nog een deel omzet bevat dat eigenlijk een vergoeding omvat voor ondersteunende taken die plaatsvinden binnen de vennootschap. Deze vergoeding voor ondersteunende taken heeft tot doel de inkomsten uit de software te verkrijgen. Ter berekening maakt de DVB de breuk tussen de resterende omzet uit stap 4 en de integrale omzet in stap 1. Deze berekening resulteert dan in een breuk.

Vervolgens moeten we het hiervoor vermelde percentage vermenigvuldigen  met de directe en indirecte kosten. Deze kosten staan vermeld in de rekeningen 60 t.e.m. 64 van de minimum indeling van het algemeen rekeningenstelsel (MAR). Kosten die voor onderzoek en ontwikkeling kunnen worden aanzien mogen hier niet in rekening worden gebracht.

Daarna moet hierbij nog een zogenaamde "marktconforme routine marge" afgehouden worden. De grootte van de routine marge zal afhankelijk zijn of de vennootschap de verkoop zelf doet of deze outsourced. De DVB opteert ervoor deze routinemarge uit te drukken als een correctie op basis van een marge op de omzet. Ze sluit echter niet uit dat vennootschappen een andere winstindicator, zoals een cost-plus op toewijsbare directe en indirecte kosten mogen hanteren.

Zijn er in de onderneming nog andere intellectuele eigendomsrechten die enige waarde hebben, bv. merknamen? De inkomsten uit deze andere intellectuele eigendomsrechten moeten ten slotte nog afgetrokken worden om zo tot de bruto innovatie-inkomsten te komen.

Voorbeeld DVB:

4.      Resterende omzet over het gehele boekjaar
5.      Y% = resterende omzet (stap 4) / integrale omzet (stap 1)
6.     - Y% x (toewijsbare directe en indirecte kosten aan resterende omzet)
7.      - Routine marge
8.     - Gedeelte van omzet toewijsbaar aan andere intellectuele rechten


9.     = Bruto innovatie-inkomsten

Eigen rekenmethode gebruiken?

De DVB bespreekt in haar Jaarverslag niet alle door haar besliste rulings. Het is dus voor een vennootschap mogelijk om haar bruto-innovatie inkomsten op een andere wijze te berekenen. Dit blijkt immers uit andere recente rulings door de DVB over de innovatie-inkomsten.

Deze andere berekeningswijze kan verantwoordt zijn omwille van de sector of van de specifieke activiteit van de vennootschap. Uit haar andere rulings blijkt dan weer dat de DVB de hierboven beschreven rekenmethode ook voor de overige intellectuele eigendomsinkomsten prefereert.