Associatie van (para)medische beroepen en btw - the sequel

(Para)medische beroepsuitoefenaars, zoals artsen en tandartsen, werken geregeld samen in een samenwerkingsverband om hun kosten te delen. In die zogeheten ‘kostendelende associaties’ of ‘zelfstandige groeperingen van personen’ kan men kosten poolen. Vervolgens zal het samenwerkingsverband deze gepoolde kosten verrekenen onder haar leden. Op btw-vlak loert er evenwel mogelijke ellende om de hoek.

Een nieuwe administratieve circulaire beantwoordt een aantal vragen inzake de praktische toepassingsgevallen en bekijkt of er mogelijk vrijstelling is van btw. De circulaire bespreekt de meest voorkomende associatievormen en het bijhorende btw-regime. Wij geven u hierna een samenvatting van de circulaire die van toepassing is vanaf 1 januari 2020.

Btw-problematiek

In praktijk zorgen samenwerkingsverbanden in de (para)medische sector voor heel wat btw-problemen. De diensten (bijvoorbeeld verrekeningen van algemene kosten, terbeschikkingstelling van personeel en infrastructuur) die een associatie voor haar leden verricht en vervolgens verrekend naar de leden kunnen immers onder btw vallen. Het samenwerkingsverband is namelijk een afzonderlijke btw-plichtige ten aanzien van haar leden.

Deze diensten zijn alsnog vrijsteld zijn van btw op voorwaarde dat (art. 44, §2bis WBTW) :

  • de leden van het samenwerkingsverband overwegend een activiteit uitoefenen die is vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, §1 WBTW, zoals (para)medische prestaties;
  • de activiteiten van de groepering  voor de leden direct nodig zijn voor hun vrijgestelde activiteit;
  • de aan ieder lid aangerekende vergoeding  enkel de terugbetaling van zijn aandeel in de gezamenlijke uitgaven betreft; én
  • de vrijstelling niet leidt tot concurrentieverstoring.

In het kader van gewijzigde regels voor btw inzake kostendelende verenigingen en de eerdere administratieve circulaire van 12 december 2016  was er heel wat commotie en onduidelijkheden ontstaan in de medische wereld. Het was al die tijd wachten op een nieuwe verduidelijkende circulaire van de fiscus.

De nieuwe circulaire van 5 juni 2019 verduidelijkt nu - eindelijk - deze problematiek.

In de circulaire gaat men na of de verrekening van kosten door de associatie in aanmerking komt voor de btw-vrijstelling voor prestaties van  zelfstandige groeperingen aan haar leden in de zin van artikel 44, §2bis WBTW.

Associatie zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld maatschap of feitelijke vereniging)

Het primair doel van de associatie zonder rechtspersoonlijkheid is het poolen van kosten. Er zijn 4 manieren waarop dit type van associatie zich volgens de fiscus kan organiseren. Zij hebben allen gemeen dat de beroepsbeoefenaars in eigen naam en voor eigen rekening getuigschriften uitreiken voor hun prestaties.

Type 1: associatie poolt enkel kosten en poolt geen inkomsten

De leden storten periodiek bijdragen zodat de associatie de kosten kan betalen. Jaarlijks is er een afrekening waarbij moet worden bijbetaald of terugbetaald.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bisWBTW is voldaan.

Type 2: associatie poolt kosten en financieert deze mede door ontvangsten van het Globaal Medisch Dossier (GMD)

De associatie int de GMD-vergoedingen en brengt deze voor elke beroepsbeoefenaar in mindering van de te betalen vergoeding voor de diensten van de associatie.

Jaarlijks is er een afrekening waarbij een bijkomend saldo moet worden gestort of teveel betaalde voorschotten worden terugbetaald.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bis WBTW is voldaan.

Type 3: associatie poolt kosten en verdeelt ontvangsten van het GMD via een vooraf bepaalde verdeelsleutel

Na verdeling wordt een eindafrekening gemaakt waarbij GMD-vergoedingen volgens een voorafgaande verdeelsleutel in mindering worden gebracht van de door elk lid te betalen vergoeding voor de diensten van de associatie.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bis WBTW is voldaan.

Let op! Indien men de kosten eerst verrekent met de totale GMD-vergoedingen en het saldo vervolgens toewijst aan de leden dan zullen niet alle leden hun eigen aandeel in de kosten dragen. Bijgevolg kan de btw-vrijstelling voor de associatie niet worden toegepast.

Type 4: associatie poolt zowel kosten als ontvangsten

De associatie poolt de kosten en int de ontvangsten in naam en voor rekening van haar leden.

De ontvangsten worden toegewezen aan de leden en doorgestort, na afhouding van het aandeel van het lid in de gemaakte kosten.

Gevolg: btw-vrijstelling voor de associatie indien aan de voorwaarden van art. 44, § 2bisWBTW is voldaan én indien de ontvangsten eerst worden toegewezen aan de leden vooraleer de kosten worden verrekend.

Associatie met rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld besloten vennootschap)

Hier voorziet de circulaire 2 situaties.

Type 1: vennootschap ontvangt de erelonen in naam en voor rekening van de beroepsbeoefenaars

- De beroepsbeoefenaars reiken in eigen naam en voor eigen rekening getuigschriften uit voor hun prestaties.

- De vennootschap ontvangt de honoraria in naam en voor rekening van de beroepsbeoefenaars.

- Vervolgens verrekent de vennootschap de kosten per beroepsbeoefenaar.

Gevolg: btw-vrijstelling indien de toewijzing van de opbrengsten voorafgaat aan de verrekening van de kosten per beroepsbeoefenaar.

Type 2: beroepsbeoefenaars hebben zich georganiseerd in een professionele associatievennootschap

- De (para)medische beroepsbeoefenaars hebben hun activiteit ingebracht in een afzonderlijke professionele vennootschap die de erelonen in naam van de vennootschapontvangt. De vennootschap poolt alle kosten.

- Op de getuigschriften staat het ondernemingsnummer van de vennootschap.

- De medische prestaties van de vennootschap zijn vrijgesteld op grond van artikel 44, §1 WBTW

- De vennootschap vergoedt de beroepsbeoefenaars voor hun eigen prestaties ten aanzien van de vennootschap. Indien ze dat doen als zelfstandige, aanvaardt de fiscus dat zij niet als afzonderlijk (vrijgestelde) btw-plichtige worden aangemerkt. Indien ze dat doen via hun eigen vennootschap, is deze wel een aparte btw-plichtige. De prestaties die de beroepsbeoefenaar via zijn vennootschap verricht voor de associatievennootschap valt onder de vrijstelling van art. 44, §1 WBTW.

Terbeschikkingstelling praktijk

Een beroepsbeoefenaar, eigenaar van een prakijk (kabinet, wachtzaal, toilet, inkom, …) stelt deze ter beschikking van een of meer andere beroepsbeoefenaars. De andere beroepsbeoefenaars betalen een vaste maandelijkste vergoeding of een vast percentage van hun ereloon voor het gebruik van de praktijk én de infrastructuur. Elkeen treedt in eigen naam en voor eigen rekening op.

De praktijk van de eigenaar (en de huurder) kan in theorie optreden als een zelfstandige groepering die is vrijgesteld op grond van art. 44, § 2bis WBTW. Dit blijkt in de praktijk vaak een heikele zaak omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan. Vooral het aspect aanrekening aan kostprijs én prestaties verricht aan patiënten zijn hindernissen. Bijgevolg is er dan btw verschuldigd op de verhuur van (para)medische apparatuur.

Indien ook andere bijkomende diensten, zoals IT of administratieve ondersteuning, worden aangeboden, zijn deze eveneens aan btw onderworpen. Let op, indien de terbeschikkingstelling van het onroerend goed ondergeschikt is aan de andere diensten dan is het geheel, inclusief het aandeel voor het gebruik van het gebouw, onderworpen aan btw.

Ziekenhuis

Het erkend ziekenhuis de erelonen int de erelonen in naam en voor rekening van de associatie van beroepsbeoefenaars die werkzaam zijn in het ziekenhuis. Vervolgens houdt het ziekenhuis een deel van de honoraria in ter dekking van de terbeschikkingstelling van een geheel van (medische)prestaties. De btw-administratie is van oordeel dat deze inhoudingen op de erelonen moeten aanzien worden als een vergoeding voor gezondheidskundige verzorging van de patiënt. Bijgevolg zijn ze vrijgesteld van btw.

Conclusie

(Para)medische beroepsbeoefenaars moeten de werking van hun associatie tegen het licht houden van de nieuwe btw-circulaire van 5 juni 2019. Vanaf 1 januari 2020 zijn de bepalingen opgenomen in de circulaire namelijk van toepassing. aternio helpt u graag met de doorlichting van uw associatie.


Belasting op tweede verblijven in Frankrijk

Voor heel wat Belgen is het hun ultieme droom om een tweede verblijf te hebben in "la douce France". Maar soms 'vergeten' mensen dat er ook belasting is verschuldigd op een buitenverblijf in Frankrijk.

In deze bijdrage gaan we dieper in op de zogenaamde "impôt sur la fortune immobilière", kortweg IFI, die geldt vanaf 1 januari 2018. Dit is een Franse belasting op onroerende goederen gelegen in Frankrijk. Deze vermogensbelasting geldt zowel voor rijksinwoners (Fransen) als niet-rijksinwoners (zoals Belgen). Ook Frans onroerend goed aangehouden via een vennootschapsstructuur kan onder deze belasting vallen.

Belastbare basis

Voor natuurlijke personen die geen Frans rijksinwoner zijn, bijvoorbeeld Belgen, is de belastbare basis de nettowaarde op 1 januari van de onroerende goederen gelegen in Frankrijk.

Ofwel, de aandelen van Franse of buitenlandse vennootschappen voor de fractie van hun waarde die het onroerend goed in Frankrijk vertegenwoordigt.

De IFI is verschuldigd van zodra de belastbare basis meer dan € 1.300.000,00 € bedraagt. Onder dit bedrag betaalt men dus geen belasting.

Let wel, de vruchtgebruiker is IFI verschuldigd over de volledige waarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

Tarieven IFI

Navolgende barema's zijn van toepassing:

Belastingschrijven Tarieven Formule Belasting
Tot € 800.000 0% € 0
€ 800.000 - € 1.300.000 0,5% € 2.500
€ 1.300.000 - € 2.570.000 0,7% (B x 0,007) – € 6.600 € 8.890
€ 2.570.000 - € 5.000.000 1% (B x 0,01) – € 14.310 € 24.300
€ 5.000.000 - € 10.000.000 1,25% (B x 0,0125) – € 26.810 € 62.500
Boven € 10.000.000 1,5 (B x 0,015) – € 51.810 € 180.000

Waardering

De belastbare basis van het Frans onroerend goed is de 'venale waarde' van het onroerend goed op 1 januari van het betreffende jaar. Dit is de vrije verkoopwaarde en dus de waarde die een geïnteresseerde koper wil betalen voor het onroerend goed.

In de praktijk kan men wel kortingen krijgen bij verhuur of onverdeeldheid.

Wordt het onroerend goed aangehouden via een vennootschap (zoals een SCI)?

Dan dient men volgende formule toe te passen om de belastbare basis te berekenen:

Belastbare basis  = venale waarde van de aandelen x (venale waarde Frans onroerend goed/venale waarde activa vennootschap)

Aftrekbare kosten

Schulden die werden aangegaan voor verwerving van de activa mag u onder bepaalde voorwaarden aftrekken. Het gaat onder meer over kosten m.b.t.  de aankoop, de herstelling, het onderhoud van het onroerend goed. Finaal leidt dit tot een lagere belastbare basis en dus mogelijk geen of minder belasting.

Echter, de aftrek is beperkt wanneer de waarde van de onroerende goederen/aandelen meer dan € 5.000.000 bedraagt én de aftrek van de schulden meer dan 60% van deze waarde betreft.

Bovendien mogen de schulden niet zijn aangegaan met een hoofdzakelijk fiscaal doel. Schulden aangegaan vóór 1 januari 2018 doorstaan gelukkig de toets van de antimisbruikbepaling.

Aangifte

Er dient een jaarlijkse aangifte te worden ingediend via het speciaal formulier n°2042-IFI.

Indien de aangifte niet, foutief of laattijdig gebeurt, kan de Franse fiscus een rechtzetting doen.  Bovenop de verschuldigde belasting, zullen nalatigheidsinteresten en desgevallend een belastingverhoging worden opgelegd.

Nog vragen? Contacteer ons vrijblijvend.


Wat mag een vennootschap wettelijk doen?

Het beginsel van de wettelijke specialiteit en het statutair voorwerp bepalen wat een vennootschap wel of niet mag doen. Dit beginsel is wettelijk verankerd in het WVV (alsook in het voorafgaand Wetboek van Vennootschappen).

Onder het oude wetboek zijn handelingen gesteld in strijd met dit beginsel absoluut nietig. Met andere woorden, indien de vennootschap niet handelt volgens het wettelijke specialiteitsbeginsel worden deze handelen geacht nooit tot stand te zijn gekomen, noch gevolgen te hebben gehad. Een handeling, gesteld buiten het wettelijk doel, verbindt de derden maar ook de vennootschap niet.

Het WVV brengt evenwel een grote verandering teweeg.

Wettelijke specialiteit volgens het oud W.Venn. vs het WVV

Volgens het oude wetboek wordt een vennootschap opgericht met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.

De bekwaamheid van de vennootschap en de bevoegdheid van haar organen om haar rechtsgeldig te verbinden zijn aldus beperkt tot de handelingen die de vennootschap een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel bezorgen.

Het WVV onderstreept dat één van de doelen van de vennootschap is om aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen. De wettelijke specialiteit is zo ruimer opgevat.

Onder het WVV volstaat dat de vennootschap in haar statuten de mogelijkheid inbouwt winst uit te keren aan haar vennoten of andere vermogensbestanddelen aan hen te bezorgen.

Dit heeft verstrekkende gevolgen. Vooreerst volstaat het nastreven van winstuitkeringen of vermogensbesparingen voor de vennoten.

De vennootschap moet niet in al haar verrichtingen winst beogen! De vennootschap mag bijgevolg veel meer doen dan zij onder het oude wetboek kon.

Mag de vennootschap zich borgstellen? 

De betaling van andermans schuld is in de regel in strijd met de vereiste van winstoogmerk onder het oude recht. Dit is niet zo indien dit een eigen rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel oplevert voor degene die zich verbindt. Getuige volgende rechtspraak onder het oud W.Venn.

Het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde op 7 februari 2019 dat een vennootschap handelingen kan stellen die haar niet onmiddellijk op korte termijn doch eventueel slechts op langere termijn een voordeel opleveren.

Het arrest handelt over een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen twee vennootschappen. In het addendum bij deze overeenkomst werd bepaald: “Alle bovenstaande vennootschappen verklaren onherroepelijk, hoofdelijk en solidair, de ene bij gebreke aan de andere, gehouden te zijn tot al hetgeen zij of één van hen verschuldigd is/zijn (…)”.

Het Hof oordeelt dat de aangegane verbintenis voor betaling van de schulden van de andere vennootschappen wel degelijk verenigbaar is met de vereiste van winstoogmerk en de wettelijke specialiteit, wanneer de borstellende vennootschap ook voordelen haalt uit de samenwerkingsovereenkomst.

Wijziging in de rechtspraak onder het WVV?

Onder het oude wetboek kan een vennootschap niet schenken zonder dat hier iets tegenover staat. Tenzij zij onrechtstreeks met het oog op de behartiging van het vennootschapsdoel werd gesteld.

Zoals aangehaald moet de vennootschap niet in haar verrichtingen, in al haar handelingen winst beogen onder het WVV. Zekerheden en andere verbintenissen in het voordeel van andere al dan niet verbonden vennootschappen zijn niet langer absoluut nietig. Het beginsel van de wettelijke specialiteit volgens het WVV is dus ruimer.

De vennootschap mag bijgevolg veel meer doen dan zij onder het oude wetboek kon. Zolang de vennootschap handelt binnen haar voorwerp (het vroegere doel onder het oude W.Venn.), kan zij zelfs handelen om niet.

Conclusie

Het voorwerp van de vennootschap dient uitdrukkelijk in de statuten te worden opgenomen. Het opnemen van een voldoende ruim voorwerp in de statuten van de vennootschap biedt ten slotte een wettelijke bescherming aan de bestuurders die bij hun beslissingen rekening houden met niet-financiële belangen. Goed opgestelde statuten worden dan ook nog belangrijker.

aternio kan u bijstaan bij de opmaak van uw statuten. Contacteer ons vrijblijvend.

 


Restschenking en familiale vennootschap

Restschenking en familiale vennootschap. Hoe verenigen die twee zich met elkaar? Wel, de Vlaamse decreetgever voorziet al een tijdje in een gunstregeling voor familiebedrijven of familiale ondernemingen. Kort samengevat komt het er op neer dat er bij een overlijden een vlak tarief van 3% erfbelasting wordt toegepast. Interessanter is echter om bij leven al te plannen. U kan namelijk schenken aan 0%, dus schenken zonder hierop ook maar enige belasting te betalen. Uiteraard zijn er een aantal voorwaarden waaraan u moet voldoen om van dit gunsttarief te kunnen genieten, deze kan u nalezen in een vorige bijdrage.

Bij voorkeur koppelt men dergelijke schenkingsakte aan een aantal voorwaarden. Courante modaliteiten zijn: de zaakvervanging, het vervreemdingsverbod, het beding van eigen blijven en het (al dan niet optionele) beding van terugkeer. Maar ook de figuur van de restschenking of fideïcommis de residuo kan zijn nut bewijzen in de planning. Maar wat is dit juist en hoe moeten we dit interpreteren in het kader van een familiale vennootschap? Lees gerust verder, u komt er alles over te weten.

Restschenking of fideïcommis de residuo

Waarover gaat het nu eigenlijk? De restschenking of schenking met fideïcommis de residuo is een rechtsfiguur waarbij de schenker de gewenste goederen schenkt aan een eerste begiftigde. In diezelfde schenkingsakte stelt de schenker ook meteen dat wat er bij het overlijden van deze eerste begiftigde nog aan goederen overblijft, zal toekomen aan een tweede begiftigde. De schenker benoemt deze tweede begiftigde ook meteen in de schenkingsakte. De tweede overgang van de goederen valt daardoor ook onder de schenkbelasting. Mocht de restschenking niet opgenomen zijn, zou deze overgang onder de erfbelasting terechtkomen.

Handig om te weten is dat de figuur van de restschenking zowel in het kader van een schenking als in het kader van een legaat mogelijk is.

Combinatie met de vrijstelling schenkbelasting

Er zijn twee momenten die we in aanmerking moeten nemen: de schenking aan de eerste begiftigde en de restschenking aan de tweede begiftigde. Deze laatste is in feite een schenking onder opschortende voorwaarde. Zij krijgt pas ten volle uitwerking door de realisatie van de voorwaarde waarvan zij afhangt. Concreet: het moment van overlijden van de eerste begiftigde.

In combinatie met de regels voor familiale vennootschappen kan dit tot mooie of minder mooie situaties lijden.

Bij de schenking aan de eerste begiftigde zal meestal voldaan zijn aan de voorwaarden om van de vrijstelling van schenkbelasting te kunnen genieten. De restschenking zal hier ook van kunnen genieten, indien de vereiste voorwaarden op het moment van overlijden van de eerste begiftigde nog steeds vervuld zijn. Indien dit niet het geval is, zal op de restschenking het "normale" tarief van 3% schenkbelasting van toepassing zijn.

Wat nu indien de voorwaarden voor vrijstelling bij de eerste schenking toch niet voldaan zijn, maar wél bij de restschenking? In dat geval zal de vrijstelling toepasselijk zijn op de restschenking. Met andere woorden: op de eerste schenking zal 3% betaald worden, de tweede schenking geniet van de vrijstelling. Maar het is wel opletten geblazen. u moet het in de akte voorzien dat men zich nu of in de toekomst mogelijks op de vrijstelling wil beroepen.

Wat als de fiscaliteit wijzigt?

De Vlaamse Codex Fiscaliteit (V.C.F) stelt in artikel 2.8.7.0.2 uitdrukkelijk dat het toepasselijk tarief dat is "dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn, indien de handeling onvoorwaardelijk was". Wat wil dit nu zeggen?

Stel, u doet een schenking van uw familiale vennootschap met vrijstelling van schenkbelasting. U voorziet ook in een restschenking. Zonder de vrijstelling, zou u op de schenking 3% registratierecht betalen (tarief voor schenking van roerende goederen). In de loop der jaren past de Vlaamse decreetgever zijn tarieven aan en de schenkbelasting op roerende goederen wordt verhoogd. Door het opnemen van de restschenking in uw oorspronkelijke schenking, zijn de tarieven vastgeklikt. Op de restschenking zijn de tarieven van de oorspronkelijke schenking van toepassing.

aternio staat u graag met raad en daad bij wanneer u wil starten met uw vermogensplanning.


Een huurovereenkomst onder ontbindende voorwaarde?

Als de handelshuurder geen vergunning krijgt… zo luidt de titel van een artikel te lezen op Immovlan.be gepubliceerd op 9 augustus 2018. Het artikel is geschreven door een bekend advocatenkantoor. Geen enkele reden om dus te twijfelen aan de juistheid… Mis poes!

Er wordt uiteengezet dat een huurovereenkomst wordt gesloten door iemand die een nachtwinkel wil beginnen. De huurder bekomt naderhand evenwel geen vergunning. Wat nu? De huurovereenkomst is geldig gesloten en de huurder zal alle verplichtingen dan ook moeten nakomen. De advocaat in kwestie stelt voor om de huurovereenkomst aan te gaan onder de ontbindende voorwaarde van het bekomen van een vergunning.

Logisch toch? Maar wel wettelijk verboden!

Ontbindende voorwaarde

Het lijkt een perfecte oplossing. Er is nog geen vergunning afgeleverd maar de enthousiaste ondernemer heeft al een pand op het oog dat hij wenst te huren. Hij wilt zich toch wel verzekeren van nét die idéale locatie.

De slimme verhuurder sluit een overeenkomst met een nieuwe huurder onder de ontbindende voorwaarde van wanbetaling. Van zodra de huurder zijn huurgelden niet betaalt, is de huurovereenkomst ontbonden. De verhuurder kan de huurder uitzetten. De verhuurder moet niet meer langs de rechter.

Volgt de ondernemer het advies van de advocaat dan sluit hij een overeenkomst onder de ontbindende voorwaarde van het bekomen van een vergunning. Geen vergunning is geen huurovereenkomst. Een eenvoudige manier om een einde te stellen aan een vervelende situatie. Geen gevaar dat de ondernemer nog huurgelden zal moeten ophoesten.

Volgt hij het advies van aternio dan doet hij dat zeker niet. Uiteraard kunnen partijen overeenkomen wat ze zelf willen, maar wat als de verhuurder toch terugkomt op zijn woord? De huurder heeft geen been om op te staan.

Wettelijk verbod

Artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek (BW) leest letterlijk dat een uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde voor niet geschreven wordt gehouden.

De huurovereenkomst zal dan ook gewoon bestaan! Een huurovereenkomst onder ontbindende voorwaarde is dan ook geen goed idee. De ondernemer zit vast aan de huurovereenkomst.

Een beding in een handelshuurovereenkomst dat aan de verhuurder het recht verleent om in geval van faillissement/onvermogen van de huurder of het niet verkrijgen van een vergunning de huurovereenkomst voortijdig te beëindigen is ongeldig.

Ofwel dient dit beding te worden gekwalificeerd als een uitdrukkelijk ontbindend beding, wat verboden wordt door artikel 1762bis BW, ofwel verleent dit beding een opzeggingsrecht aan de verhuurder, in welk geval het in strijd is met de door artikel 3 Handelshuurwet opgelegde minimumduur van negen jaar.

Geen buitengerechtelijke ontbinding

De partij die gebruikmaakt van dergelijke eenzijdige verbreking moet vooreerst het bestaan bewijzen van een voldoende ernstige tekortkoming van haar medecontractant.

De huurder moet zijn medecontractant bovendien op een duidelijke en ondubbelzinnige manier in kennis stellen van zijn beslissing om het contract eenzijdig te beëindigen en van de reden daarvoor.

De partij die van een eenzijdige verbreking gebruikmaakt neemt bijgevolg een risico, aangezien de beoordeling door de rechter van de ernst van de vermeende inbreuk pas a posteriori gebeurt. Een rechterlijke controle kan nooit worden uitgesloten.

De rechterlijke tussenkomst is dus vereist voordat er eventueel sprake zou kunnen zijn van een ontbinding van het huurcontract. De rechter heeft zich door middel van artikel 1762bis BW op dwingende wijze willen verzekeren van het behoud van zijn controlebevoegdheid.

Het kan door de partijen niet worden omzeild. Het inroepen van een buitengerechtelijke ontbinding door middel van een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst biedt geen soelaas.

Conclusie

Een huurovereenkomst sluiten onder ontbindende voorwaarde is wettelijk niet toegestaan. Een huurovereenkomst onder opschortende voorwaarde kan. Een handelshuurder die in afwachting is van een vergunning kan zo in alle vertrouwen alsnog een overeenkomst tekenen.

Contacteer ons zodat uw opschortende voorwaarde alvast correct is geformuleerd.


Geen voordeel bij marktconforme vergoeding?

In een recent arrest van 28 mei 2019 spreekt het Hof van Beroep van Antwerpen zich uit in het voordeel van een belastingplichtige inzake voordelen alle aard bij betaling van een marktconforme vergoeding. Met dit arrest gaat het Hof  regelrecht in tegen de strenge visie van de Minister van Financiën. Zo past de fiscus steeds de forfaits bij voordelen alle aard toe. Met een marktconforme bijdrage van de belastingplichtige houdt de fiscus absoluut geen rekening. Het Hof van Beroep fluit de fiscus hierin nu terug.

Voordelen alle aard

Een werknemer of bedrijfsleider kan, naast een bezoldiging in geld, ook allerhande voordelen van alle aard verkrijgen in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfswagens, leningen, bewoning, verwarming en elektriciteit enz.

Deze voordelen zijn belastbaar voor de werkelijke waarde bij de verkrijger (art. 36 WIB'92).

De wetgever heeft aan de Koning de bevoegdheid verleend om de waarde van die voordelen op een vast bedrag - dus forfaitair - te ramen. De meeste forfaits vinden we terug in artikel 18 van het KB/WIB'92.

Indien het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt voornoemd forfait verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider.

Forfait versus werkelijke waarde

Al decennialang woedt de discussie of deze forfaits in alle omstandigheden moeten worden toegepast.  Niet in het minste indien een werknemer of bedrijfsleider een marktconforme vergoeding betaalt, is er dan nog sprake van een belastbaar voordeel?

In dat geval is er immers geen sprake meer van een verrijking. Men bespaart immers niet op privéuitgaven die men anders wel had moeten doen. Ook indien de betaalde marktconforme vergoeding láger is dan de wettelijke forfaits, zou er geen sprake meer mogen zijn van een belastbaar voordeel.

Fiscus is streng

Maar de fiscus is streng. De fiscus past altijd het forfait toe.  Zo bevestigde  de Minister van Financiën in het verleden duidelijk gemaakt dat de eigen bijdrage enkel kon worden afgetrokken van het forfaitair gewaardeerde voordeel, niet van de werkelijke waarde.

Met het marktconforme karakter van de bijdrage houdt de fiscus dus geen rekening. Indien de bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider dus lager is dan het forfait, wordt hij nog steeds belast op het saldo, ook al is de bijdrage marktconform.

Rechtspraak is meegaander

Het recente arrest voor het Hof van Beroep te Antwerpen betreft een zaak waarbij de zaakvoerder met zijn vennootschap een overeenkomst rekening-courant sluit. De partijen komen een interest van 4,5% overeen. De forfaitaire rentevoet uit art. 18 KB/WIB'92 bedraagt op dat ogenblik echter 9%.

De fiscus belast de zaakvoerder op het saldo, met name 4,5% (9% minus 4,5%).

Maar volgens het Hof kan er slechts sprake zijn van een voordeel indie er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen voor de lening. De belastingplichtige kan dus nog steeds het tegenbewijs leveren dat het werkelijke voordeel lager ligt. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet kan leveren, is het forfait zonder meer van toepassing.

In deze zaak toont de zaakvoerder aan dat de aangerekende interestvoet van 4,5% marktconform (zoals tussen onafhankelijke contractspartijen) is. De aangerekende interestvoet is dus een evenwaardige tegenprestatie.

Het Hof besluit dus dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt dan de forfaire rentevoet zodat er in casu geen sprake meer is van een belastbaar voordeel alle aard.

Besluit

Eén zwaluw maakt de lente natuurlijk nog niet. Maar deze rechtspraak geeft wel moed en is hopelijk de voorbode voor meer. Deze uitspraak is bovendien niet enkel relevant voor leningen, maar  voor alle andere forfaitaire ramingen van voordelen alle aard.


Uitkeringen in de besloten vennootschap: dubbele test

De introductie van het nieuwe wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) begint stilaan in de praktijk merkbaar te worden. In deze bijdrage gaan we daarom dieper in op de nieuwe regels voor uitkeringen in de besloten vennootschap (bv). De afschaffing van het kapitaal heeft namelijk zijn prijs.De belangrijkste nieuwigheid is de zogenaamde dubbele test: de nettoactief- en liquiditeitstest.

Zo mag een uitkering niet leiden tot een negatief eigen vermogen én de onmogelijkheid tot het niet kunnen betalen door de vennootschap van haar opeisbare schulden. Deze dubbele test zal van toepassing zijn bij allerlei vormen van uitkeringen in de besloten vennootschap. Het gaat dus niet enkel over dividenden aan de aandeelhouders, maar ook over tantièmes aan bestuurders.

Test één: nettoactief

Nettoactief betreft alle activa, verminderd met de voorzieningen, schulden en  nog niet-afgeschreven bedragen van oprichtings- en uitbreidingskosten en kosten van onderzoek en ontwikkeling.

Indien het nettoactief van de vennootschap negatief is of ten gevolge de uitkering negatief zou worden, mag de algemene vergadering niet beslissen tot uitkering.

Indien de vennootschap beschikt over een eigen vermogen dat krachtens de wet of de statuten onbeschikbaar is, mag evenmin een uitkering gebeuren indien het nettoactief is gedaald of door een uitkering zou dalen tot beneden het bedrag van het onbeschikbare eigen vermogen. Het niet afgeschreven gedeelte van de herwaarderingsmeerwaarden is als onbeschikbaar te beschouwen.

Het nettoactief moet worden berekend op basis van de laatst goedgekeurde jaarrekening of een recentere boekhoudkundige staat.

Test twee: liquiditeit

Indien de algemene vergadering beslist tot een uitkering is er een belangrijke rol weggelegd voor het bestuur. Het bestuursorgaan moet nagaan of de vennootschap in staat zal zijn om haar opeisbare schulden te voldoen. In concreto betekent dit dat de vennootschap in staat moet zijn om de opeisbaar schulden te voldoen over een periode van ten minste 12 maanden. Dit alles in een context van wat redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen zijn.

Het besluit van de algemene vergadering tot uitkering heeft slechts uitwerking na groen licht van het bestuursorgaan. Bestuurders mogen in geen geval lichtzinnig omspringen met deze verantwoordelijkheid. Hun aansprakelijkheid komt op de voorgrond indien zij behoorden te weten dat de vennootschap ten gevolge van de uitkering kennelijk niet meer in staat zou zijn voormelde schulden te voldoen. Zij zijn immers tegenover de vennootschap en derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende schade.

Weet ook dat de vennootschap elke uitkering, die in strijd met deze regels is verricht, van de aandeelhouders kan terugvorderen, ongeacht hun goede of kwade trouw.

Verslagplicht

Het WVV voorziet ook in een nieuwe verslagplicht voor het bestuursorgaan en de eventuele commissaris aangaande de uitkeringen.

Indien de algemene vergadering beslist tot een uitkering op basis van een tussentijdse staat én er is een commissaris benoemd, dan maakt de commissaris een beoordelingsverslag op over deze staat. Dit verslag wordt gevoegd bij het jaarlijkse controleverslag.

Het bestuur verantwoordt haar beslissing in een intern verslag. Er is geen neerlegging vereist van dit verslag. Indien er een commissaris is, controleert deze vervolgens het bestuursverslag. De commissaris beoordeelt de historische en prospectieve boekhoudkundige en financiële gegevens van dit verslag. Het jaarlijks controleverslag vermeldt dat hij deze opdracht heeft uitgevoerd.

Conclusie

Het afschaffen van het kapitaalbegrip in de besloten vennootschap heeft zo zijn prijs: toegenomen verantwoordelijkheid voor bestuurders bij uitkeringen. Zij zullen groen licht moeten geven vooraleer over te gaan tot de daadwerkelijke uitvoering van de uitkering. Het negeren van de nettoactief- en liquiditeitstest of er nonchalant mee omspringen leidt tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders. Voorzichtigheid is het ordewoord!


UBO: ik ben vruchtgebruiker of blote eigenaar. Wat moet ik doen?

De deadline voor het registreren van de uiteindelijke begunstigden in het UBO-register nadert met rasse schreden. Iedere vennootschap is verplicht om uiterlijk 30 september 2019 zijn uiteindelijke begunstigden kenbaar te maken. In voorgaande blogs hebben we u reeds uitvoerig ingelicht over de komst en modaliteiten van het UBO-register.

Niettegenstaande de overheid onlangs een FAQ UBO-register publiceerde, zijn er twee periodiek weerkerende vragen van klanten. Wat met de registratie bij opdeling van het eigendomsrecht? Wat bij onverdeeldheid?

Vruchtgebruiker of blote eigenaar?

Wie duidt men voor het UBO-register aan als uiteindelijke begunstigde bij een opgesplitst eigendomsrecht?Anders gezegd, welke personen dienen effectief geregistreerd te worden in het register indien het vruchtgebruik en blote eigendom van de aandelen zich bij onderscheiden personen bevinden.

In eerste instantie lijkt dit enkel de vruchtgebruiker te zijn, in het bijzonder wanneer deze de stemrechten van de aandelen heeft. Of is het dan toch de blote eigenaar? De blote eigenaar is uiteindelijk toch de eigenaar van het aandeel.

Bovenstaande kwestie legde politicus Luk Van Biesen reeds eind 2018 voor aan de Minister van Financiën. De minister ging hiervoor ten rade bij de Algemene Administratie van de Thesaurie, de dienst belast met het toezicht op en beheer van het UBO-register.

25% deelname geldt als regel

Zowel de Thesaurie als de FAQ UBO-register laten er geen twijfel over bestaan. De blote eigenaar moet zich altijd registreren indien deze meer dan 25% van de aandelen bezit die het kapitaal vertegenwoordigen. Gezien het verdwijnen van het kapitaalbegrip bij de besloten vennootschap leest dit de facto als 25% van de aandelen.

De vruchtgebruiker registreert zich als UBO wanneer hij meer dan 25% bezit van de stemrechten verbonden aan de aandelen.

Het is dus zo maar mogelijk dat beiden zich verplicht moeten registreren in het UBO-register. In dit geval registreert de blote eigenaar zich onder de eerste UBO-categorie (i.e. bezit van een toereikend percentage). In het voorziene opmerkingenveld vermeldt men zijn hoedanigheid als blote eigenaar van de aandelen. De vruchtgebruiker registreert zich onder dezelfde eerste UBO-categorie (i.e. bezit van een toereikend percentage van de stemrechten). In het veld “Opmerkingen” geeft men dan aan vruchtgebruiker te zijn van de aandelen, aangehouden door de UBO blote eigenaar.

Onverdeeldheid

Bij een onverdeeldheid die aanleiding geeft tot een gezamenlijke controle (i.e. die betrekking heeft op een participatie van meer dan 25%) worden alle personen in onverdeeldheid geregistreerd als UBO. Het is mogelijk om zich te registreren als een UBO-groep. De groep dient in haar titel aan te geven dat het om een onverdeeldheid gaat. Alle verdere nuttige informatie kan worden opgenomen in het opmerkingenveld.

Nog vragen?

aternio houdt eraan u op de hoogte te houden van verdere ontwikkelingen en wijzigingen binnen het UBO-gebeuren. Neem gerust contact op met ons legal team!


Nieuwe verhoogde eisen voor het financieel plan nopen tot nauwkeurigheid.

De wetgever heeft nieuwe eisen gesteld voor het fiancieel plan. Na de vele uiteenzettingen van het ‘ABC van het WVV’ (Wetboek van vennootschappen en verenigingen) stappen we even over naar de cijfers.

ÉÉN euro volstorten? In principe niet nodig. De wetgever heeft de mogelijkheid gecreëerd om een kapitaalloze besloten vennootschap op te richten. Maar kan de oprichter dit verantwoorden in het financieel plan gelet op de voorgenomen activiteiten?

TWEE jaar vooruit moet de oprichter kunnen kijken bij de opmaak van het financieel plan.

DRIE jaar na oprichting al failliet? De oprichters lopen een verhoogde aansprakelijkheid op en het financieel plan zal alsdan worden opgevraagd door de curator.

De nieuwe eisen van de wetgever duiden er op dat er met argusogen zal gekeken worden naar de ernst waarmee van het financieel plan is opgesteld.

Openbaar?

Het financieel plan is én blijft een vertrouwelijk document dat door de notaris in bewaring wordt genomen.

De notaris dient het financieel plan in handen te hebben vóórdat hij de oprichtingsakte verlijdt. Het plan wordt opgevraagd in geval van faillissement.

Voorgenomen bedrijvigheid

De wet schrijft voor dat het financieel plan een nauwkeurige beschrijving omvat van de voorgenomen bedrijvigheid. De nadruk ligt hier weldegelijk op ‘nauwkeurig’. De algemene omschrijving zoals in oprichtingsakte van de vennootschap is in principe niet nauwkeurig genoeg.

Een degelijke en duidelijke omschrijving van hoe de onderneming haar activiteiten zal organiseren  dringt zich hier op. Hoe geraakt het product bij de klant? Zijn er externe tussenschakels? Passen we de winkelformule toe?

De antwoorden op voorgaande vragen dragen in de kiem immers belangrijke kostenconsequenties. Dit heeft bijgevolg een belangrijke impact op de inschatting of er sprake is van een toereikend aanvangsvermogen.

Indien de oprichter er met de pet  naar gooit en failliet wordt verklaard binnen de DRIE jaar na oprichting zal hij of zij aansprakelijk worden gesteld. Wederom, de nieuwe eisen voor het financieel plan nopen tot nauwkeurigheid.

Toereikend aanvangsvermogen?

De ABC’s van het WVV hebben reeds geleerd dat het begrip kapitaal is afgeschaft voor de besloten vennootschap (bv). De oprichters hoeven an sich geen kapitaal meer te volstorten.

Wél dienen zij een uiteenzetting te geven van alle elementen die tot het aanvangsvermogen van de bv behoren. Dit kan gaan om geld, inbreng van arbeid, een achtergestelde lening,  …

De oprichters gaan hier maar best opnieuw nauwkeurig tewerk.

De oprichters dienen te voorzien in een eigen vermogen van de bv. Dit eigen vermogen dient, mede gelet op de andere financieringsbronnen, toereikend te zijn in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid.

Kleine randbemerking: om fiscale redenen kan het aangewezen zijn om toch een inbreng in geld te doen. De verlaagde roerende voorheffing (VVPRbis) heeft immers zijn voorwaarden. ÉÉN euro volstorten is alleszins fiscaal slim.

De oprichter zal zijn financiële structuur duidelijk moeten uiteenzetten.

Financiële structuur over TWEE jaar!

De financiële structuur van de nieuwe onderneming vraagt toelichting. De oprichters dienen rekening te houden met heel wat factoren. Wat zijn nu werkelijk de behoeftes van de onderneming? Welke kosten worden voorzien voor de terreinen en de gebouwen, wat zijn de materiële vaste activa, welke personeelskosten zal de onderneming dragen,...

De oprichters denken ook maar beter na over wat binnen 6 maanden, 1 jaar of 24 maanden…

Wat indien de voorraden bijvoorbeeld meer financiering zouden vereisten dan voorzien in huidige prognose? De reactie zal afhankelijk zijn van de oorzaak (wijziging activiteit, kortingen op voorraden vs de kost van de financieringsbehoefte, verhandelbaarheid voorraden, …). Wordt er ingegrepen in het betalingsgedrag van klanten? Wat met de betalingstermijnen bij leveranciers? Bijsturen van de effectieve voorraadrotatie om zo de behoefte aan werkkapitaal te optimaliseren….?

Cashflow-statements?

TWEE jaar vooruit moet de oprichter kunnen kijken bij de opmaak van het financieel plan. Er moet een begroting opgemaakt worden van de inkomsten en uitgaven voor minstens 2 jaar.

De accountants onder u zullen denken aan een eenvoudige projectie van de kosten- en opbrengstenrekeningen. Cijfers zijn belangrijk, maar vergeet niet dat de oprichter de cijfers dient te verantwoorden.

Welke factoren hebben allemaal een invloed op uw inkomsten en uitgaven? Ecologisch, politiek, juridisch, technologisch, sociaal-cultureel, demografische factoren. Invloed van overheden, vakbonden, concurrenten, leveranciers, afnemers,…

Wat gebeurt er met uw cashflow in die gevallen?

Conclusie

Het financieel plan evolueert op deze wijze steeds meer naar een heus businessplan. De nieuwe eisen voor het financieel plan nopen dan ook tot nauwkeurigheid! De tijd dat het financieel plan vaak een vluchtig en goedkoop opgesteld vodje papier was ligt definitief achter ons.

aternio helpt u graag met raad en daad bij zowel de economische als juridische aspecten van uw oprichting.


Doe uw investering nog in 2019!

U bent van plan om binnenkort een investering te doen in uw vennootschap? Doe het dan zeker nog vóór 2020! De fiscale voordelen voor kleine vennootschappen worden vanaf 2020 immers minder interessant.

Zomerakkoord 

Met het zomerakkoord 2017 werden enkele wijzigingen in de vennootschapbelasting aangekondigd. Deze zullen weldra in werking treden. Specifiek op het vlak van investeringen zal de fiscaliteit grondig wijzigen vanaf 2020.

We frissen het nog even voor u op:

  • vennootschappen kunnen niet meer degressief afschrijven;
  • een kleine vennootschap zal in het jaar van investering verplicht pro rata temporis moeten afschrijven.
  • een kleine vennootschap zal bijkomende kosten in één keer ofwel samen met betreffende actief moeten afschrijven;
  • het tarief voor de gewone investeringsaftrek voor een kleine vennootschap zakt naar 8%.

Bovenstaande regels zijn van toepassing op investeringen vanaf 1 januari 2020. Dit ongeacht het aanslagjaar en ongeacht of uw vennootschap een gebroken boekjaar heeft of niet.

Voordelen in 2019

Als u de investering nog in 2019 doet geniet u nog van volgende fiscale voordelen:

  • de vennootschap mag nog degressief afschrijven.
  • de kleine vennootschap mag in het boekjaar van de investering een volledige afschrijvingsannuïteit toepassen, ook als de investering gebeurd op de laatste dag van het boekjaar
  • bijkomende kosten mogen naar wens worden afgeschreven.
  • de investering kan nog genieten van een investeringsaftrek van 20%.

Conclusie

Indien u al van plan was om investeringen te doen - zeker als kleine vennootschap- doe het dan nog in 2019. Zo geniet u nog van de fiscale voordelen.