opstalrecht

Hoe vergoeding bepalen bij einde opstalrecht?

Een bestuurder koopt een stuk bouwgrond en verleent een opstalrecht aan zijn vennootschap voor 15 jaar. De vennootschap heeft het recht om op de grond te bouwen. Na 15 jaar wordt de bestuurder (gratis) eigenaar van het gebouw.

Op burgerrechtelijk vlak is deze klassieke opstalconstructie perféct legaal. Toch viseert de fiscus deze constructies, veelal bij het einde van het opstalrecht. Hoe komt dit? Waarop moet u letten om dit te vermijden?

Recht van opstal

Bij een opstalrecht verleent een opstalgever (grondeigenaar) een tijdelijk recht aan de opstalhouder om te mogen bouwen op diens grond. In praktijk zal de grondeigenaar meestal de bestuurder zijn die een opstalrecht geeft aan zijn vennootschap. Gedurende de looptijd van het opstalrecht is de vennootschap eigenaar van de gebouwen, de zogenaamde opstallen.

Op het einde van het opstalrecht wordt de opstalgever automatisch eigenaar van de gebouwen door natrekking. In de al wat oudere opstalovereenkomsten is vaak geen vergoeding afgesproken op het einde van het opstalrecht. De opstalgever wordt zo dus 'gratis' eigenaar van de gebouwen.

Dergelijke kosteloze overdracht is uiteraard een doorn in het oog van de fiscus ...

Geen vergoeding is mogelijk voordeel alle aard

De fiscus belast de opstalgever maar al te graag in de personenbelasting. Door de gratis verwerving krijgt de bestuurder immers een voordeel in natura van zijn vennootschap.

De fiscus moet wel kunnen aantonen dat de belastingsbelastingplichtige dit voordeel kreeg in de hoedanigheid van bedrijfsleider. Zoniet, kan de fiscus de belastingplichtige niet belasten op een voordeel alle aard.

Om dit voordeel te vermijden zou men een vergoeding kunnen afspreken die de opstalgever moet betalen aan de opstalhouder bij het einde van het opstalrecht.

Artikel 6 van de opstalwet bepaalt overigens dat de opstalhouder in principe recht heeft op de waarde van zijn gebouwen, werken en beplantingen. Hoe die waarde moet worden bepaald, daarover zwijgt de wet in alle talen.

Welke vergoeding dan?

Dé belangrijkste vraag blijft dus: hoe groot moet die vergoeding zijn?  Daarover is intussen al heel wat geschreven, maar het blijft nog steeds een moeilijk vraagstuk. Veel hangt uiteraard ook af van het concrete feitenrelaas.

Zo heeft de fiscus al geoordeeld dat voor het bepalen van het voordeel van alle aard de "actuele waarde" van de opstallen moet worden vergoed. De fiscus meent dat dit de venale waarde van de constructie is op het ogenblik van het einde van het opstalrecht.

Maar de meeste rechtsleer en sommige rechtspraak gaan hier niet mee akkoord. Zij menen dat men een waarderingsmethode moet hanteren waarbij rekening wordt gehouden met alle concrete omstandigheden zoals de bouwkosten, de duurtijd van het opstal, de vergoeding tijdens het opstalrecht, eventuele verbouwingen enzovoort. Er moet dus meer gekeken worden naar de "economische waarde" van de opstallen.

Zo gaat bepaalde rechtsspraak de vergoeding bepalen in functie van de normale gebruiksduur van de opstallen. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG, Fisc. Act. 2019, 8/1).

Een alternatieve methode bestaat er bijvoorbeeld in om het opstalrecht te vergelijken met huur. De meerkost voor het zelf bouwen, t.o.v. de totale huur over de duurtijd van het opstalrecht, is de vergoeding. Hierbij moet een actualisatievoet worden toegepast gelijk aan het rendement dat de opstalhouder zou hebben gehad indien hij zijn geld op een andere manier had belegd. (Ph. Salens, "De waardering van onroerende zakelijke rechten (her)bekeken door een fiscale bril", Not.Fisc.M. 2016, 4, 102).

Ook de rulingcommissie besluit dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een "economische waarde" van de opstallen bij het einde van het opstalrecht (dus niet enkel de verkoopswaarde), minus de gederfde inkomsten.


Verminderde roerende voorheffing en inbreng aandelen in maatschap?

Heeft u nog recht op verminderde roerende voorheffing (VVPRbis) nadat u de aandelen van uw vennootschap heeft ingebracht in een maatschap? We lichten het voor u toe.

VVPRbis-voorwaarden

In principe betaalt u 30% roerende voorheffing op de uitkeringen van dividenden uit uw vennootschap.

Echter, aandelen die werden uitgegeven sinds 1 juli 2013 kunnen onder bepaalde voorwaarden aan slechts 15% worden uitgekeerd. Zo moet het onder meer gaan om kleine vennootschappen, aandelen op naam, inbrengen in geld, volstorting, minimumkapitaal én moeten de aandelen ononderbroken worden aangehouden in volle eigendom vanaf de inbreng.

Met uitzondering van de naamloze vennootschap is de kapitaalvereiste verdwenen in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV). Hierover verder meer.

Het tarief van 15% roerende voorheffing is van toepassing op dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar.

Het tarief van 15% blijft ook van toepassing bij :

-een overdracht van volle eigendom in rechte lijn of tussen echtgenoten via schenking of vererving

-een overdracht in rechte lijn of tussen echtgenoten die het gevolg is van een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op een wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfopvolging

Inbreng aandelen in maatschap

In het kader van familiale successieplanning worden aandelen vaak ingebracht in een maatschap. De vraag stelt zich wel of het VVPRbis-regime daarmee niet verloren gaat.

Goed nieuws ! De Rulingcommissie (ruling nr. 2018.0467 van 26 juni 2018) heeft bevestigd dat het VVPRbis-voordeel niet verloren gaat indien de aandelen in volle eigendom werden ingebracht. De maatschap is immers volledig transparant, de aandelen blijven van de originele aandeelhouder en de inkomsten ervan blijven aan de aandeelhouder toekomen.

Let op bij schenking in blote eigendom

Zoals gezegd moeten de aandelen ononderbroken worden aangehouden in volle eigendom. Een inbreng in volle eigendom lijkt dus geen probleem te vormen voor de toepassing van VVPRbis.

Maar let op, het VVPRbis-regime gaat wellicht wel verloren indien men eerst de blote eigendom van de aandelen wegschenkt en vervolgens de blote eigendom en het vruchtgebruik van de aandelen inbrengt in de maatschap.

Ook de inbreng van de aandelen in volle eigendom in de maatschap, gevolgd door een schenking van de blote eigendom van de deelbewijzen van de maatschap zal problematisch zijn voor VVPRbis.

Wat met het nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen?

Onder het oude Wetboek van vennootschappen waren vennootschappen zonder minimumkapitaal uitgesloten van het VVPRbis-gunstregime.

Het nieuwe WVV heeft het vennootschapsrechtelijk kapitaalbegrip, behalve voor de naamloze vennootschap, afgeschaft. Daardoor is ook op fiscaal vlak de voorwaarde van het minimumkapitaal voor VVPRbis afgeschaft. Een minimumkapitaal is dus ná 1 mei 2019 niet langer vereist voor de toepassing  van VVPRbis.

Conclusie

Wie de VVPRbis-regeling wil behouden zal zijn ambities op het vlak van successieplanning moeten bijstellen. Het maken van de juiste afweging is, zoals zo vaak, van bijzonder belang.


Aansprakelijkheid van bestuurders in het nieuwe vennootschapsrecht

Over het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna afgekort WVV) is al veel inkt gevloeid. In onze eerdere bijdrage kan u alvast de grootste krachtlijnen nalezen. Het WVV heeft al wat belangrijke nieuwigheden te bieden, niet in het minst de beperkte aansprakelijkheid voor de bestuurders van een vennootschap. De wetgever heeft hiermee duidelijk ingespeeld op de tendens om bestuurders sneller aansprakelijk te stellen voor hun handelingen. De nieuwe regels hebben als doel om het ondernemen terug sexy te maken en om morele gemoedsrust te creëren voor de huidige en toekomstige bestuurders.

Algemene aansprakelijkheid

Het WVV voorziet nu in een algemene aansprakelijkheidsregeling. "Algemeen" aangezien ze geldt voor alle rechtspersonen, ongeacht de concrete vorm. De regeling geldt voor elk lid van een bestuursorgaan, dus ook voor de dagelijks bestuurder en zelfs ook voor feitelijke bestuurders. Feitelijke bestuurders zijn namelijk de personen die de vennootschap werkelijk besturen, ook al zijn ze daartoe niet effectief benoemd (door de algemene vergadering, met een publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad).

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Alle voornoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit betekent dat elk lid persoonlijk aansprakelijk is voor beslissingen of nalatigheden van het bestuur. Het voorgaande geldt ongeacht of het bestuur al dan niet een college vormt. De leden van het bestuursorgaan zijn tegenover de vennootschap én tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die ontstaan is door overtredingen van het WVV of de statuten van de vennootschap. Elke bestuurder kan met andere woorden aangesproken worden om zelf volledig in te staan voor vergoeding van de schade aan de betrokken benadeelde(n).

De hoofdelijke aansprakelijkheid wegens loutere bestuursfouten vormt dus een uitbreiding op de eerdere aansprakelijkheidsregels.

Staan bestuurders nu voor een voldongen feit? Moeten ze zich zomaar neerleggen bij de nieuwe regels en hun hoofdelijke aanspreekbaarheid voor schade gewoon accepteren? Nee! Een bestuurder kan de vermeende fout namelijk melden aan de andere leden van het bestuur (of aan een ander toezichtsorgaan). Enkel in dat geval kan men een bestuurder ontheffen van zijn aansprakelijkheid voor fouten waarin hij/zij geen aantoonbaar deel heeft gehad.

Wettelijke beperkingen van de aansprakelijkheid

Hoofdelijke aansprakelijkheid is heel wat. Op basis van het voorgaande zou u zich kunnen afvragen wat nu nog het nut is van een vennootschap. Terecht ... Ware het niet dat het WVV ook voorziet in een uitdrukkelijke beperking van de aansprakelijkheid. De wet voorziet namelijk in een plafonnering van het maximale bedrag waartoe een bestuurder aansprakelijk kan zijn. Deze plafonds zijn afhankelijk van 2 variabelen: het gemiddelde balanstotaal en de gemiddelde omzet (excl. btw) van de laatste 3 boekjaren, voorafgaand aan het instellen van de aansprakelijkheidsvordering.

De reden voor het invoeren van dergelijke beperkingen is dat bestuurders op die manier een redelijke aansprakelijkheidsverzekering kunnen afsluiten.Ook wil men de ongelijkheid wegwerken ten aanzien van managers die als werknemers of via managementvennootschappen van een aansprakelijkheidsbeperking genieten.

Deze aansprakelijkheidsbeperking geldt zowel tegenover de vennootschap zelf als tegenover derden. De beperking geldt bovendien ongeacht de (buiten-)contractuele grondslag van de aansprakelijkheid. De maximale bedragen gelden ook voor alle bedoelde personen samen. Zij gelden per feit of geheel van feiten dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid, ongeacht het aantal eisers of vorderingen.

Zijn verdere contractuele beperkingen mogelijk?

Het WVV bepaalt bovendien dat het niet mogelijk is om voornoemde aansprakelijkheid verder te beperken dan wat er wettelijk voorzien is. Er wordt geen rekening gehouden met bepalingen in de statuten, een overeenkomst of een eenzijdige wilsuiting waarbij men een bestuurder vooraf exonereert of vrijwaart voor diens aansprakelijkheid. Dit wil zeggen dat men op voorhand geen afstand kan doen van een aansprakelijkheidsvordering ten opzichte van de bestuurder.

Bovendien is het ook verboden om de financiële gevolgen van de bestuurdersaansprakelijkheid door een andere entiteit te laten dragen. Op die manier zou men de persoonlijke aansprakelijkheidsregeling van de bestuurder namelijk makkelijk kunnen uithollen. Derden zoals de moedervennootschappen/controlerende entiteiten of aandeelhouders mogen daarentegen bestuurders wel vrijwaren.

Uitsluitingen

Maar, zoals elke medaille hebben ook deze regels ook een keerzijde. De aansprakelijkheidsbeperking geldt namelijk niet ingeval van:

  • vaak voorkomende lichte fouten;
  • zware fouten;
  • bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden;
  • fouten tegen wettelijke verplichtingen inzake o.a. het geldig inschrijven van aandelen, het volstorten van het kapitaal en de kapitaalsverhoging;
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden (onder bepaalde voorwaarden);
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale zekerheidsbijdragen (onder bepaalde voorwaarden).

Met andere woorden: enkel de toevallige lichte fout kan genieten van de beperking van aansprakelijkheid. De vraag of deze beperkingen niet eerder een lege doos zijn, is hier absoluut op zijn plaats.

Aandachtspunten als bestuurder of aandeelhouder?

Het is nu nog meer aan te raden om op voorhand statuten en managementovereenkomsten grondig na te kijken en desgevallend reeds aan een update te onderwerpen.

Volgende punten verdienen bijzondere aandacht:

  • de opdracht van de bestuurder dient steeds zo duidelijk mogelijk te worden omschreven. De bestuurdersaansprakelijkheid is ten aanzien van de vennootschap namelijk van contractuele aard. Bij voorkeur omschrijft men zowel de opdracht als de definitie van fouten en de daaraan gekoppelde gevolgen best zo duidelijk mogelijk;
  • men kan dan wel niet afwijken van de maxima van de aansprakelijkheidsbeperking, maar verfijning is wel mogelijk (denk aan: bewijsclausules, overmachtsclausules,...);
  • het is ook mogelijk om vast te stellen hoe de hoofdelijke aansprakelijkheid zich tussen de verschillende bestuurders verhoudt.

De juristen van aternio staan u graag bij met raad en daad om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Registratierechten op vonnissen, de winnaar kan toch verliezen

We gaan er uiteraard van uit dat u gelijk hebt! Het adagium ‘bezint eer ge begint’ is evenwel een goede leidraad vooraleer een gerechtelijke procedure wordt aangevat. Met dank aan het 'veroordelingsrecht' zou de fiscus wel eens aan de haal kunnen gaan met uw overwinning, de winnaar kan toch verliezen.

Uw advocaat zal u, hopelijk, inlichten over de vermoedelijke kostprijs van zijn ereloonstaat. Op zijn minst zal u zijn uurtarief kennen.

Uiteraard werd u ingelicht over de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, deze kosten dient u alvast in rekening te brengen.

Werd u ook ingelicht over de registratierechten die de fiscus op vonnissen en arresten heft?

Onze ervaring is dat weinig mensen, inclusief advocaten, hiervan op de hoogte zijn en al zeker cliënten hierover onvoldoende op de hoogte worden gebracht.

Registratierechten op vonnissen en arresten 

Ontving u zonet een veroordelend vonnis voor een som van 12.500,00 euro of meer, vergeet voortaan dan niet dat u weldra een betalingsverzoek van de fiscus zal ontvangen voor de registratierechten.

De ratio legis achter de registratierechten bestaat erin dat de verliezende partij zijn steentje dient bij te dragen aan de ‘maatschappelijke service van onze gerecht’.

Ik moet voor de politierechter komen want ik reed door het rode licht en riskeer nu een zware boete. Geen paniek! Op strafboeten, burgerlijke boeten, tuchtboeten of veroordelingen tot het betalen van onderhoudsuitkeringen zijn geen registratierechten verschuldigd.

Desalniettemin kan de invordering van registratierechten een bijkomende financiële aderlating betekenen. Immers bedraagt het registratierecht op een vonnis 3 % van de veroordeling (bijvoorbeeld op een veroordeling van 200.000,00 euro zijn registratierechten ten bedrage van 6.000,00 euro verschuldigd).

Maakt u dan ook de rekensom voor u een gerechtelijke procedure aanvat? Is de mogelijke veroordeling + dagvaardingskosten + rechtsplegingsvergoeding + registratierechten + ereloon van advocaten + risico faillissement/insolvabiliteit van de tegenparij nog in verhouding met de potentiële inkomsten? Zal u als winnaar toch verliezen?

U laat het betalingsverzoek best niet langer liggen dan een maand, aangezien u anders bijkomende boetes riskeert.

Hoger beroep

Registratierechten zijn verschuldigd ongeacht of er hoger beroep is aangetekend. Slechts indien de rechter in hoger beroep beslist om u gedeeltelijk of geheel vrij te spreken zal u de registratierechten terugkrijgen.

Vergeet niet dat procedures in hoger beroep snel een aantal jaar in beslag nemen. Doorgaan tot het bittere einde is de enige mogelijkheid op recuperatie.

Winnende partij kan ook verliezen

De fiscus dient zich in principe tot de verliezende partij te richten.

Indien evenwel uw tegenpartij niet vrijwillig overgaat tot betaling dient u een gerechtsdeurwaarder in te schakelen.

De gerechtsdeurwaarder zal met de inkomende gelden vooreerst zijn eigen kosten betalen. Navolgend worden de registratierechten betaald, aangezien de deurwaarder verplicht is om eerst na te gaan of de fiscus al voldaan is. Dit alles voordat u ook maar één euro ziet verschijnen.

Uw frustratie is terecht …U wint de procedure, u betaalt keurig de ereloonstaat van uw advocaat en u kan eindelijk uw factuur ten bedrage van 15.000 euro innen. Uw tegenpartij dient het geld op te hoesten. Zij betaalt niet vrijwillig en u dient het vonnis te betekenen via tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder (dit kost u opnieuw geld). De eerste 1.000,00 euro die binnenkomen gaan integraal naar de deurwaarder en de fiscus. In tussentijd heeft de deurwaarder een aflossingsregeling bekomen met de tegenpartij voor een aflossing van 150,00 euro per maand. De tegenpartij bezit geen onroerende goederen en een beslag op roerende goederen zal u meer kosten dan opbrengen… Is het sop de kolen nog waard? De winnaar kan zo toch verliezen.

Alternatief, vermijd registratiebelasting

De registratierechten zijn enkel verschuldigd op veroordelingen. U start beter onmiddellijk een onderhandeling met uw tegenpartij vooraleer u wordt veroordeeld, of u de zakken van uw advocaat spijst om een baldadige procedure te voeren.

Wij adviseren dan ook om te onderhandelen met uw tegenpartij, kom tot een vergelijk en laat dit akteren in een akkoordvonnis. Dit akkoordvonnis behelst immers geen veroordeling en hierop zijn geen registratierechten verschuldigd.

Conclusie

Denk vooraf tweemaal na en maak, voor u een gerechtelijke procedure aanvat, toch even een kosten-baten analyse.

Contacteer ons vrijblijvend voor 'the best legal solution'.


Schijnzelfstandige of echt freelancer?

Zelfstandige zijn, maar steeds een vast bedrag factureren aan één opdrachtgever. We kennen allicht wel iemand die deze werkwijze toepast. We denken dan onmiddellijk aan een schijnzelfstandige, maar is dit ook zo?

Wat is een schijnzelfstandige?

Een schijnzelfstandige is zelfstandig is op papier, maar in werkelijkheid een verborgen werknemer. Het statuut lijkt fiscaal en sociaal  voordelig, maar toch ga je best bewust om met de risico's.  Risico's die er ontegensprekelijk zijn. Een arbeidsrechtbank kan je immers herkwalificeren van zelfstandige naar werknemer, met alle gevolgen van dien.

Aangezien een zelfstandige per definitie minder sociale zekerheidsbijdragen betaalt, zet de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) in op het ontmaskeren van schijnzelfstandigen. Een herkwalificatie heeft niet alleen gevolgen op sociaal vlak maar mogelijk ook op fiscaal en straftrechtelijk vlak. Het is dan ook belangrijk te weten wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid.

Wil van de partijen

De wil van de partijen is het vertrekpunt. Het is als partijen dan ook belangrijk om een schriftelijke overeenkomst te maken, waarin de keuze van een zelfstandige samenwerking duidelijk is opgenomen. Hoewel de wil van de partijen het vertrekpunt is, is het niet noodzakelijk het eindpunt.

De rechter kan de wil van de partijen namelijk herkwalificeren. Indien de rechtbank van mening is dat het niet een zelfstandige samenwerking betreft, zal deze besluiten dat tot schijnzelfstandigheid. Om tot dit besluit te komen, hanteert de rechtbank toetsingscriteria.

Toetsingscriteria

Er zijn vier algemene toetsingscriteria. De eerste is de wil van de partijen. Zoals gezegd, is dit het vertrekpunt. Bij onderzoek zal dit ook het eerste zijn wat aandacht krijgt. Echter, de wil van partijen geeft nooit een sluitend antwoord. Vervolgens wordt gekeken naar de vrijheid om de arbeidstijd en het werk te organiseren. De mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen is het laatste criterium. Een goed uitgewerkte samenwerkingsovereenkomst is daarom essentieel. Je wil niet ten onrechte het label van schijnzelfstandige krijgen.

Bij een zelfstandige staat vrijheid centraal. Zo is een echte zelfstandige bijvoorbeeld vrij om zelf zijn vakantie te bepalen, te kiezen hoe, wanneer en waar hij werkt. Deze vrijheid is niet per definitie ongelimiteerd. Het betekent niet dat afspraken onmogelijk zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld commerciële of organisatorische redenen tijdsregistratie of niet-concurrerend werken verantwoorden.

Naast de algemene toetsingscriteria gelden voor bepaalde  risicosectoren (bouw, bewaking, transport en schoonmaak, land- en tuinbouw) 9 aparte criteria. Indien meer dan de helft van de criteria is overschreden wordt een weerlegbare relatie als zelfstandige vermoed. Samengevat zijn het volgende criteria:

  • financieel of economisch risico lopen (bv. investeren met eigen middelen,  winst- en verliesdeelname);
  • autonome financiële beslissingsmacht hebben;
  • eigen aankoopbeleid bepalen;
  • eigen prijsbeleid bepalen;
  • gebonden zijn aan een resultaatsverbintenis;
  • geen garantie hebben op een vaste vergoeding;
  • mogelijkheid tot aanwerven van eigen personeel;
  • zich gedragen als onderneming ten overstaan van anderen en meer dan één opdrachtgever hebben;
  • eigen bedrijfsmiddelen hebben (bv. kantoor, IT-materiaal, auto).

Sancties

Indien er schijnzelfstandigheid wordt vastgesteld, wordt de zelfstandige ineens een werknemer. Dit houdt in dat de opdrachtgever, waarmee de schijnzelfstandige is verbonden, werkgever wordt.

Voor de schijnzelfstandige zal dit relatief weinig gevolgen hebben. Hij zal vanaf dan wel onderworpen worden aan de sociale zekerheid voor werknemers. Fiscale gevolgen zijn mogelijk de herziening van eerder afgetrokken beroepskosten.

Voor de opdrachtgever zijn de financiële gevolgen groter. De 'werkgever' zal de sociale zekerheidsbijdragen van werkgever alsook werknemer tot 5 jaar terug moeten betalen. Niet te vergeten de bijdrage-opslagen en nalatigheidsintresten. Op fiscaal vlak moet er bedrijfsvoorheffing worden betaald, vermeerderd met boetes en intresten. Op strafrechtelijk vlak staan er op een sociaalrechtelijk misdrijf (ontduiking van sociale zekerheidsbijdragen) geldboetes en zelfs gevangenisstraffen.

Besluit

Wie als opdrachtgever wil werken met een echte zelfstandige doet er goed aan de afspraken vast te leggen in een degelijke samenwerkingsovereenkomst.  De echte wil en vrije keuze van partijen is jammer genoeg niet doorslaggevend. In een vooruitstrevende en competitieve economie zou dit nochtans wel zo moeten zijn. Het is daarom aangeraden om rekening te houden met de criteria waarop schijnzelfstandigheid wordt beoordeeld. Zij die echter menen dat misbruik loont en dat het werken met een schijnzelfstandige een goed idee is, denken beter tweemaal na. Terecht bestaan hiervoor sancties.

Wij adviseren u graag bij de redactie van uw samenwerkingsovereenkomst. Contacteer ons gerust.


Hoe ver reikt de bevoegdheid van een CEO?

De persoon met de hoogste operationele functie in een vennootschap is de CEO. De CEO is belast met het dagelijks bestuur van de vennootschap. Ongeacht de titel: gedelegeerd bestuurder, dagelijks bestuurder, algemeen directeur of managing director.

De verwarring omtrent de invulling van deze begrippen lijkt oud nieuws. De Raad van State gooide in een arrest van 3 augustus 1984 alle terminologie reeds op een hoopje. Zij nam in de haar voorgelegde zaak de statuten van een naamloze vennootschap onder de loep. In  casu was de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid in handen van de "gedelegeerde bestuurder”, al dan niet samen handelend met een andere bestuurder.

Ondanks de statutaire bepaling besloot de Raad, ten onrechte, dat de gedelegeerde bestuurder de vennootschap alleen binnen de perken van het dagelijks bestuur kon verbinden. Hieruit kan enkel besloten worden dat ook één van onze hoogste rechtscolleges de bal wel eens kan misslaan, helaas.

Vandaag is de verwarring nog steeds actueel. Met de invoering van het nieuwe Wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) is er in een besloten vennootschap immers niet langer sprake van een zaakvoerder, maar wel van een bestuurder. Met deze korte uiteenzetting wensen we terzake meer duidelijkheid te scheppen.

Vertegenwoordigingsbevoegdheid

Het WVV preciseert dat elke bestuurder bevoegd is om alle bestuurshandelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het “voorwerp” (voorheen het doel) van de vennootschap. Eventueel bepalen de statuten dat de bestuurders een collegiaal bestuursorgaan vormen. Een statutaire bevoegdheidsbeperking van een bestuurder of van het collegiaal bestuursorgaan is niet tegenwerpelijk aan derden.

Elke bestuurder, of, ingeval van een collegiaal bestuursorgaan, het bestuursorgaan, vertegenwoordigt de vennootschap naar de buitenwereld, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte. De statuten kunnen evenwel aan één of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen om de vennootschap alleen of gezamenlijk te vertegenwoordigen. Zodanige vertegenwoordigingsclausule kan aan derden worden tegengeworpen mits bekendmaking ervan in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.

Het bestuursorgaan kan het dagelijks bestuur van de vennootschap, alsook de vertegenwoordiging van de vennootschap op dit vlak, delegeren aan één of meer personen, die elk alleen, gezamenlijk of als college optreden.

Rechtspraak -  dagelijks bestuur

Het Hof van Cassatie besliste op 26 februari 2009 dat een bezwaarschrift in belastingzaken door het dagelijks bestuur mag worden ingediend, maar daarmee was de kous niet af. Het arrest verduidelijkt: “De daden van dagelijks bestuur zijn die welke geboden zijn door de noden van het dagelijks leven van de vennootschap en die welke zowel wegens het geringe belang als wegens de noodzaak van een snelle oplossing, het optreden van de raad van bestuur zelf overbodig maken.”. 

Het hoogste gerechtshof gaf door de cumulatie van gering belang én spoed een wereldvreemde invulling van wat onder dagelijks bestuur mag worden begrepen. Niet-courante handelingen die van groot belang zijn vallen aldus niet onder het dagelijks bestuur, zelfs niet als ze hoogdringend zijn. Het feit dat men het bestuur niet tijdig kan samenroepen verleent het orgaan van dagelijks bestuur dus niet de bevoegdheid om op te treden.

Gedeeltelijke codificatie van de rechtspraak

Naar aanleiding van de modernisering van het vennootschapsrecht stond de invulling van het dagelijks bestuur ter discussie. De wet was immers te vaag en een verhelderende definitie afwezig. De wetgever heeft zich daarom laten inspireren door de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Maar er is wel een ruimere invulling gegeven aan de term “dagelijks bestuur”.

In plaatst van het cumuleren van voorwaarden laat de wetgever ruimte. Het nieuw WVV leest: “Het dagelijks bestuur omvat zowel de handelingen en de beslissingen die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de vennootschap, als de handelingen en de beslissingen die, ofwel om reden van hun minder belang, ofwel omwille van hun spoedeisend karakter, de tussenkomst van het bestuursorgaan niet rechtvaardigen.”.

Het WVV definieert de term "gedelegeerd bestuurder" wederom niet.

In de praktijk

Het hoeft weinig betoog dat de nieuwe invulling van dagelijks bestuur mogelijk nog steeds haaks staat op hoe CEO’s hun taak uitoefenen.

Wat wel onbetwistbaar vaststaat is dat de termen gedelegeerd bestuurder, dagelijks bestuurder en directeur allemaal dezelfde lading dekken. Zij hebben vertegenwoordigingsbevoegdheid en beslissingsbevoegdheid, maar enkel in aangelegenheden van het dagelijks bestuur. Indien zij hun bevoegdheden te buiten gaan blijft de vennootschap verbonden. Hun aansprakelijkheid daarentegen komt wel in het gedrang.

De slimme én voorzichtige CEO zal hier zijn les willen uit trekken. Velen maken namelijk de fout te geloven dat een CEO zonder meer alle contracten kan afsluiten. Doet u even de control check? Bij bevoegdheidsoverschrijding of bij twijfel is de oplossing om de betreffende handelingen door het bestuur te laten bekrachtigen.

Orgaan van dagelijks bestuur

Voor het WVV was het enkel in de nv mogelijk om een orgaan van dagelijks bestuur te organiseren. Omwille van het persoonlijk karakter bij een bvba kon de zaakvoerder het dagelijks bestuur niet delegeren. Dit werd vaak opgelost door een directeur aan te stellen met bijzondere volmachten. Een directeur handelt evenwel niet als orgaan, maar wel als lasthebber omdat deze zijn bevoegdheden niet put uit de wet. Voorlegging van de volmacht is noodzakelijk. Het WVV introduceert het orgaan van dagelijks bestuur nu ook in de besloten vennootschap.

De bepaling dat het dagelijks bestuur wordt opgedragen aan een of meer personen die elk alleen, gezamenlijk of als college optreden, kan aan derden worden tegengeworpen mits bekendmaking ervan in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Beperkingen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het orgaan van dagelijks bestuur zijn daarentegen niet tegenwerpelijk aan derden.

Conclusie

De CEO aan wie een algemene statutaire vertegenwoordigingsbevoegdheid is toegekend, verbindt ab initio steeds de vennootschap. Evenwel moet hij als orgaan van dagelijks bestuur zijn bevoegdheden blijvend in vraag stellen. Voor handelingen die het dagelijks bestuur overschrijden of die geen rekening houden met statutaire bevoegdheidsbeperkingen stelt hij zich immers bloot aan een aansprakelijkheidsvordering.

Een orgaan van dagelijks bestuur in uw vennootschap? Wij geven graag mee vorm aan uw statuten. Contacteer ons vrijblijvend.


Fiscale consolidatie: de eerste stapjes.

Vanaf het aanslagjaar 2020,  in casu voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019, kunnen Belgische groepsvennootschappen een onvolledige vorm van fiscale consolidatie toepassen. Hiermee treedt België eindelijk in de voetsporen van de meeste andere EU-lidstaten. In Nederland bijvoorbeeld bestaat het principe van de fiscale eenheid als sinds het  midden van vorige eeuw. Daarom, onder het motto 'beter laat dan nooit', probeert ook België te charmeren met de nieuwe aftrekregeling van ‘groepsbijdragen’.

Beperkte fiscale consolidatie

Dit beperkte systeem van fiscale consolidatie op vlak van vennootschapsbelasting laat groepsvennootschappen toe om winsten en verliezen met elkaar te compenseren. Het is met andere woorden geen volledige consolidatie maar een techniek van verliesoverdracht, gedefinieerd als groepsbijdragen, tussen verbonden vennootschappen.

Niet zelden blinkt de Belgische fiscale wetgever uit in het neerschrijven van complexe teksten. Welnu, het is deze keer niet anders (art. 205/5 WIB'92). De voorwaarden voor de groepsbijdragen zijn behoorlijk streng en de werking van de groepsbijdragen is ingewikkeld.

Hoe werkt het?

Via een overeenkomst kan tussen twee groepsvennootschappen fiscaal verlies van het belastbare tijdperk worden overgedragen.  De regeling van ‘groepsbijdrage’ bestaat uit een fiscale aftrek voor de vennootschap die de bijdrage betaalt en een afzetting tegen fiscaal verlies voor de vennootschap die de groepsbijdrage ontvangt. De aandachtige lezer bemerkt dat enkel verliezen van het boekjaar zelf kunnen aangewend worden. Fiscale verliezen uit het verleden komen niet in aanmerking.

In tegenstelling tot de fiscale consolidatie op btw-vlak middels een btw-eenheid verandert er niets aan de individuele aangifteprocedure voor elke vennootschap. Er is geen sprake van een gezamenlijke aangifte in de vennootschapsbelasting. Elke vennootschap verwerkt de groepsbijdrage via de eigen fiscale aangifte. De winstgevende vennootschap neemt de groepsbijdrage in de fiscale aangifte op als een nieuwe aftrekpost in de ‘Uiteenzetting van de winst’.  De verliesmakende vennootschap vermeldt de groepsbijdrage in het vak van de ‘Aanpassingen in min van de begintoestand van de belaste reserves’.

Een voorbeeld illustreert de werking van de regeling. Vennootschap A heeft een winst van 1.000 en vennootschap B een verlies van -400. Middels het systeem van groepsbijdragen kan  vennootschap A (gebruiker) een deel van haar winst ten belope van 400 overdragen aan B (begunstigde). B heeft hierdoor geen fiscale verliezen en A wordt slechts belast op 600.

Vergoedingsregeling

Voor het gebruik van de verliezen moet effectief een vergoeding betaalt worden gelijk aan de realisatie van het belastingvoordeel dat ontstaat door de beschikking over de verliezen. Toegepast op ons voorbeeld betekent dit dat gebruiker A een vergoeding betaalt aan begunstigde B. De vergoeding is gelijk aan 400 vermenigvuldigt met het tarief in de vennootschapsbelasting.

De  vergoedingsregeling zorgt ervoor dat het systeem vermogensneutraal is. Er is aldus geen sprake van vermogensoverdracht. Schuldeisers of minderheidsaandeelhouders zijn bijgevolg niet benadeeld door de regeling. De betaling van de vergoeding door de gebruiker aan de begunstigde gebeurt in het volgende belastbaar tijdperk. De vergoeding kwalificeert niet als een dividend of abnormaal en goedgunstig voordeel.

De vergoeding is fiscaal neutraal. Daarom vormt ze bij de winstgevende vennootschap een niet-aftrekbare beroepskost (verworpen uitgave).  Bij de begunstigde is ze vrijgesteld van de belastbare grondslag (verhoging van de begintoestand van de reserves).

Overeenkomst

Een essentiële voorwaarde is dat de betrokken vennootschappen jaarlijks een burgerrechtelijke overeenkomst afsluiten. Ze heeft slechts betrekking op één belastbaar tijdperk. Een modelovereenkomst wordt nog via Koninklijk Besluit bekendgemaakt. De overeenkomst is een bijlage bij de aangifte vennootschapsbelasting.

Deze groepsbijdrageovereenkomst bevat onder meer de hoogte van de groepsbijdrage. Een bijdrage die actueel niet hoger kan zijn dan het verlies dat door de begunstigde in het belastbare tijdperk zou zijn geleden zonder groepsbijdrage. Het is mogelijk dat een begunstigde vennootschap partij is in meer dan één overeenkomst. In geen geval mag de cumul van de in de overeenkomsten opgenomen bedragen van de groepsbijdrage hoger zijn dan het genoemde verlies.

Verder verbindt de winstgevende vennootschap zich ertoe om aan de begunstigde een vergoeding te betalen. Zoals gezegd is deze vergoeding gelijk is aan het belastingsurplus dat zou verschuldigd zijn indien er geen groepsbijdrage is.

Welke vennootschappen?

De overeenkomst kan worden afgesloten tussen Belgische vennootschappen (of EU/EER-vennootschappen met een vaste inrichting in België) onderworpen aan de gewone regels van de Belgische vennootschapsbelasting én die verbonden zijn door:

  • een rechtstreekse aandeelhoudersrelatie van minstens 90% (moeder- en dochtervennootschappen); of
  • een gemeenschappelijke moeder (een Belgische of een EU/EER vennootschap) die rechtstreeks minstens 90% van de aandelen houdt in betrokken vennootschappen (zustervennootschappen).

Onrechtstreekse deelnemingen zijn uitdrukkelijk uitgesloten.

Alvorens een groepsbijdrage kan worden afgesproken moet de minimumparticipatie gedurende gedurende een onafgebroken periode van 5 jaar voldaan zijn. Periode die aanvangt op 1 januari van het vierde kalenderjaar voor het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar is genoemd. Behoudens bij vereffening is het tevens vereist dat de verbonden vennootschappen gelijklopende boekjaren hebben.

Bepaalde vennootschappen zijn expliciet uitgesloten. Bijvoorbeeld: vennootschappen die een onroerend goed, of een zakelijk recht op een onroerend goed ter beschikking stellen aan een bedrijfsleider, beleggingsvennootschappen, zeescheepvaartvennootschappen en diamanthandelaars.

Conclusie

De nieuwe fiscale consolidatie is een lichtpunt voor Belgische en multinationale groepen van vennootschappen. Gezien de strenge participatievoorwaarden is succes niet gegarandeerd. De toekomst zal het uitwijzen.

Contacteer ons indien u meer info wenst over dit onderwerp.


Bingo! Vlaamse Belasting op Spelen en Weddenschappen

Sinds 1 januari 2019 int de Vlaamse Belastingdienst de Belasting op Spelen en Weddenschappen. Wat houdt deze belasting zoal in? Wij maken u wegwijs.

Spelen en weddenschappen

De belasting op spelen en weddenschappen is van toepassing op alle soorten spelen en weddenschappen. Het zijn alle verrichtingen waarbij deelnemers een som inzetten met risico van verlies, in de hoop hieruit voordeel (in geld of natura) te behalen.

Spelen en weddenschappen omvatten niet alleen kansspelen. Zijn ook bedoeld wedstrijden, proeven, kampen, matches, behendigheidsspelen, vermakelijkheden, pronostieken, tombola’s, etc.

Gewestelijke belasting

De belasting op spelen of weddenschappen is een Vlaamse belasting. Zij is dus verschuldigd als de spelen of weddenschappen worden ingericht op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Voor online spelen en weddenschappen moet men kijken naar de locatie van de server om te bepalen aan welk gewest de belasting moet worden betaald.

Vrijstellingen

Gelukkig zijn er ook vrijstellingen. Zo zijn toegelaten loterijen steeds vrijgesteld, zelfs als ze online georganiseerd worden.

Ook volgende spelen en weddenschappen zijn vrijgesteld, behalve als er online op kan ingezet worden:

  • bepaalde duivenprijskampen, als de inzetten alleen maar door de eigenaars van de duiven gebeuren;
  • bepaalde wedstrijden uitsluitend ingericht voor musea of bepaalde instellingen;
  • sportbeoefening (deze vrijstelling geldt niet voor weddenschappen op sportwedstrijden);
  • bepaalde volksvermakelijkheden als de inzet beperkt is tot 50 euro per persoon per dag; en
  • vogelzangwedstrijden.

Tarief

In principe geldt een uniform belastingtarief van 15% op de opbrengst. De opbrengst is dan de som van de inzetten min de uitgekeerde winsten. Hierop bestaan wel heel wat uitzonderingen.  In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de soorten spelen en hoe ze belast worden.

Soort spel of weddenschap Belastbare grondslag &

schijven (euro)

Tarief
(%)

casinospelen

(het vroegere afwijkende tarief voor baccara chemin de fer en roulette zonder zero verdwijnt)

 

dagopbrengst
(incasso bij opening – incasso bij sluiting + inzetten – uitgekeerde winst):

van

0,01

tot

865.000

 

33 %

>865.000

44 %

slottoestellen (casino)

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):

van

0,01

tot

1.200.000

 

20 %

1.200.000,01

2.450.000

25 %

2.450.000,01

3.700.000

30 %

3.700.000,01

6.150.000

35 %

6.150.000,01

8.650.000

40 %

8.650.000,01

12.350.000

45 %

> 12.350.000

50 %

online spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

11 %

mediaspelen (bv. quiz via TV, SMS, …)

bedrag van de sommen of inleggelden:
uniform tarief

15 %

paardenwedrennen
hondenwedstrijden
sportevenementen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

overige spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

 

Aangifte

Vanaf 2019 gebeurt de online aangifte via het digitaal loket.

De aangifte moet gebeuren door de inrichter van spelen of weddenschappen die georganiseerd worden in het Vlaamse Gewest of de aanbieder van online spelen of weddenschappen die uitgebaat worden via een server in het Vlaamse Gewest.

Hiermee laat de inrichter de Vlaamse Belastingdienst weten dat er gedurende een bepaalde periode of op een specifieke dag een spel of weddenschap wordt ingericht.

De aangifte voor de berekening van de belasting wordt maandelijks ingediend. Na het indienen van de online aangifte ontvangt de inrichter een aanslagbiljet. De betaaltermijn bedraagt 2 maanden.

 


Wie betaalt werken aan onroerend goed? Vruchtgebruiker of blote eigenaar?

Constructies waarbij de vennootschap het vruchtgebruik bezit en de privé personen de blote eigendom zijn schering en inslag. Vaak zal de vennootschap als vruchtgebruiker ook werken aan het onroerende goed uitvoeren. Mag dit gratis of moet de blote eigenaar hiervoor een vergoeding betalen? Zoja, welke vergoeding? Het Hof van Beroep te Bergen biedt in zijn arrest van 1 juni 2018 een duidelijke antwoord. We lichten de spelregels beknopt toe.

Welke werken?

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is om welke werken het gaat. Er bestaan drie categorieën werken, namelijk onderhouds- en herstellingswerken, verbeteringswerken en verbouwings- en/of uitbreidingswerken.

Wat betreft de onderhouds- en herstellingswerken maakt de wetgever een opsplitsing tussen onderhoud en grove herstellingen. Kort door de bocht kan gesteld worden dat grove herstellingen te maken hebben met de stabiliteit en instandhouding van het onroerende goed. Deze vallen ten laste van de blote eigenaar. In het geval de vruchtgebruiker deze kosten zou dragen, is de blote eigenaar op het einde van het vruchtgebruik een vergoeding verschuldigd. Alle andere werken zijn onderhoudsherstellingen die ten laste van de vruchtgebruiker vallen.

De tweede categorie is de verbeteringswerken. Deze hebben tot doel het genot van de vruchtgebruiker te vergroten. Voor de kosten van deze werken moet de blote eigenaar geen vergoeding betalen.

De laatste categorie betreft de verbouwings- en/of uitbreidingswerken. Deze werken zijn ingrijpender dan verbeteringswerken. Indien zij door de vruchtgebruiker worden uitgevoerd, blijft deze volle eigenaar totdat het vruchtgebruik uitdooft.  Indien het gaat om werken die verwijderd kunnen worden, moet de blote eigenaar slechts een vergoeding betalen indien hij deze wenst te behouden. De vergoeding betreft dan de kostprijs van de werken, namelijk het materiaal en arbeidsloon. Betreft het daarentegen werken die niet verwijderd kunnen worden, dan zal de blote eigenaar de noodzakelijke werken tegen kostprijs vergoeden en de nuttige werken tegen de meerwaarde die de werken creëren.

Theorie versus praktijk

De hierboven uiteengezette theorie lijkt makkelijk, maar in de praktijk is het vaak moeilijk om te bepalen om welke werken het gaat. De rechtbank heeft zich hier meermaals over uit gesproken. De rechtspraak bekijkt hierbij  verhouding tussen de kostprijs van de werken en de inkomsten die het vruchtgebruik genereren.

Zo meende het Hof van Beroep te Brussel eerder dat werken waarvan de kostprijs hoger is dan het bedrag van de jaarlijkse inkomsten verbouwings- en/of uitbreidingswerken zijn. De huurwaarde over de duur van het vruchtgebruik vormen de basis voor de berekening van de jaarlijkse inkomsten van het vruchtgebruik.  Ondanks dit standpunt van het Hof  mag men de feitelijke omstandigheden natuurlijk nooit uit het oog verliezen. (Brussel 12 september 2017, 2015/AF/88)

Berekening vergoeding

Het Hof van Beroep te Bergen oordeelde recent op dezelfde wijze. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG/584) 

Het betrof een koppel dat de blote eigendom van een onroerend goed bezat. De vennootschap had het vruchtgebruik. Dit onroerend goed was tijdens de periode van het vruchtgebruik totaal gerenoveerd. De vennootschap betaalde de kosten van deze totaalrenovatie. Op het einde van het vruchtgebruik betaalde het koppel een vergoeding aan de vennootschap, maar de fiscus meende dat deze te laag was. Hierdoor ontstond een fiscaal voordeel van alle aard in hoofde van het koppel.

Het Hof van Beroep volgde de volgende redenering.

Het Hof kwalificeerde slechts een klein deel van de werken als verbeteringswerken. Het overige zijn volgens het Hof verbouwings- en/of uitbreidingswerken, die recht gaven aan de vruchtgebruiker op een vergoeding.

Volgens het Hof moet de vergoeding berekend worden op grond van de gecreëerde meerwaarde. Deze meerwaarde bekomt men door de huidige marktprijs van het onroerende goed met de normale marktevolutie en de aankoopprijs te verminderen.Als deze meerwaarde lager is dan de kostprijs van de werken, is de vergoeding gelijk aan de meerwaarde.

Conclusie

Indien de vruchtgebruiker werken aan een onroerend goed uitvoert, is het belangrijk eerst en vooral de categorie werken te kwalificeren. Afhankelijk hiervan, zal de blote eigenaar al dan niet een vergoeding verschuldigd zijn. Indien dit het geval is, is het van groots belang deze vergoeding correct te berekenen. Op die manier vermijdt u dat de fiscus u een voordeel van alle aard toerekent.

Wenst u hieromtrent meer informatie, aarzel dan niet om aternio te contacteren.


Afzonderlijke aanslag op minimum inkomen sterft een snelle dood

De  afzonderlijke aanslag voor het niet voldoen aan de minimumbezoldiging heeft al heel wat stof doen opwaaien. Deze aanslag is initieel door het zomerakkoord van 2017 ingevoerd met inwerkingtreding vanaf het aanslagjaar 2019. Evenwel voor één aangifte in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2019 is ingediend, sterft de nieuwe afzonderlijke aanslag al een snelle dood.

Vereiste minimumbezoldiging

Zoals eerder uiteengezet, is de minimumbezoldiging door het zomerakkoord van 2017 opgetrokken naar 45.000 euro.  Een vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider deze minimumbezoldiging toekennen. Al snel reeds de discussie of een bedrijfsleider ook een natuurlijke persoon moest zijn. Deze vraag was van belang voor vennootschappen die geen natuurlijke personen als bedrijfsleiders aan boord hadden. De wetgever heeft dit punt inmiddels uitgeklaard. Enkel de minimumbezoldiging voor een bedrijfsleider natuurlijke persoon voldoet.

Elke vennootschap dient vanaf het boekjaar dat start vanaf 1 januari 2018 een minimumbezoldiging van 45.000 euro toe te kennen aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon. Indien het belastbaar resultaat lager is dan 45.000 euro, is de minimale bezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat na bezoldiging.

Afzonderlijke aanslag

De afzonderlijke aanslag is de facto een “sanctie” indien niet aan de vereiste van de minimumbezoldiging was voldaan. Deze sanctie bedraagt 5% van het tekort. Aanvankelijk zou vanaf aanslagjaar 2021 de sanctie zelfs 10% bedragen. Deze verdubbeling werd reeds door een eerdere wetswijziging afgeschaft. De wetgever heeft aldus de afzonderlijke aanslag op 5% behouden.

Snelle dood

Ondertussen is een wetsvoorstel ingediend tot opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider.  Op 19 maart 2019 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Commissie Financiën en Begroting. Naar alle verwachtingen volgt de bevestiging in het federale parlement.

Dit heeft als gevolg dat het niet voldoen aan het uitkeren van de minimumbezoldiging niet langer een extra sanctie oplevert. Het uitkeren van een minimumbezoldiging van 45.000 euro blijft wel een voorwaarde om recht te hebben op het verlaagd vennootschapstarief van 20%.

Conclusie

Een vennootschap die niet de minimumbezoldiging aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon uitkeert wordt niet langer bestraft. Weet wel dat vennootschappen die geen zo'n minimumbezoldiging uitkeren geen recht hebben op het verlaagd vennootschapstarief.