Voortaan minder risico op monsterboeten

U heeft wellicht ooit al iets gehoord over de zogenaamde 'aanslag geheime commissielonen', beter bekend als de 'monsterboete'.
Wanneer bijvoorbeeld lonen of bepaalde vergoedingen door de uitkerende vennootschap niet zijn vermeld op een fiscale fiche, kan zij worden gesanctioneerd door een aanslag geheime commissielonen.

De wet van 27 juni 2021 (B.S. 30 juni 2021) versoepelt nu de voorwaarden om aan de toepassing van deze bijzondere aanslag te kunnen ontsnappen.

Ficheplicht

In principe zijn kosten voor een onderneming pas fiscaal aftrekbaar wanneer zij door de nodige bewijsstukken zijn verantwoord.

Voor lonen en voordelen alle aard toegekend aan werknemers of bedrijfsleiders en vergoedingen toegekend aan zelfstandige verkrijgers (commissies, makelaarslonen) geldt zelfs een bijzondere ficheplicht.

Vennootschappen moeten deze fiches jaarlijks opmaken en indienen bij de fiscus. Op die manier kan de fiscale administratie nagaan of de uiteindelijke verkrijgers van de vergoedingen deze ook correct hebben aangegeven.

Aanslag geheime commissielonen

Wanneer de vennootschap echter niet heeft voldaan aan voornoemde ficheverplichting kan zij worden onderworpen aan een aanslag geheime commissielonen. De vergoedingen worden daarbij afzonderlijk belast bij de uitkerende vennootschap.

Het tarief van de bijzondere aanslag bedraagt op vandaag 100% wanneer de verkrijger een natuurlijke persoon is, en 50% wanneer de verkrijger een rechtspersoon is (voorheen was dit 309% !).

Ontsnappingsroutes

De wet voorzag echter in 2 ontsnappingsroutes.

Ten eerste is de monsterboete niet verschuldigd wanneer de verkrijger van lonen of voordelen ze aangegeven heeft (art. 219, lid 5 WIB 92).

Daarnaast is de monsterboete evenmin verschuldigd wanneer de fiscus de genieter van de lonen of voordelen 'tijdig en op ondubbelzinnige wijze' kan identificeren (art. 219, lid 6 WIB 92). (De fiscus hoeft de bedragen nog niet effectief te hebben belast.)

De identificatie is 'tijdig' wanneer dit uiterlijk gebeurt binnen 2 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari van het betrokken aanslagjaar.

Wanneer de fiscus de verkrijger identificeerde buiten deze periode, dan kon de fiscus bij de vennootschap alsnog een aanslag geheime commissielonen opleggen, ook had er een belasting plaatsgevonden bij de verkrijger.

Dit heeft de wetgever nu aangepast.

Nieuwe wetgeving versoepelt ontsnappingsroute

De fiscus mag de bijzondere aanslag voortaan ook niet meer opleggen - na de periode voor ondubbelzinnige identificatie  -  wanneer de binnenlandse verkrijger akkoord gaat met de belasting in zijn hoofde. Die belasting kan binnen de gewone aanslagtermijn van 3 jaar of de bijzondere termijn van 7 jaar bij fraude.

Conclusie

De aanslag geheime commissielonen heeft al sinds haar invoering de gemoederen beroerd. Zowel het tarief als de concrete toepassing ervan werd door de belastingplichtigen telkens als zéér onredelijk aangevoeld. Ook de fiscale wetgever heeft dit uiteindelijk erkend, getuige de laatste wetswijziging. De monsterboete is voortaan de uitzondering in plaats van de regel.

aternio gidst u doorheen de fiscale jungle. Toch twijfels of vragen: contacteer ons.


Belastingschulden na aandelenoverdracht bij VOF

Het Hof van Cassatie is duidelijk over de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten van een VOF. Zij blijven aansprakelijk voor belastingschulden die uitvoerbaar geworden zijn ná publicatie van de aandelenoverdracht (1).

Algemeen kader

Eigen aan de VOF is dat haar vennoten hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap. Bovendien kunnen haar aandelen principieel niet worden overgedragen. Is een aandelenoverdracht statutair toch toegelaten dan kan dit geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen van de vennootschap die dateren van vóór de tegenwerpelijkheid van de overdracht.

Vorig jaar wierp het Hof al eens de schijnwerpers op deze principes (2). Het Hof ging over tot vernietiging van een vonnis in een zaak waarbij de vordering tot achterstallige huur lastens de voormalige vennoot van een VOF werd afgewezen. Hiermee bevestigde het Hof  dat een ex-vennoot gehouden blijft tot verbintenissen van de vennootschap die voortvloeien uit overeenkomsten van vóór de aandelenoverdracht.

Arrest 30 april 2021

In haar arrest van 30 april 2021 gaat het Hof nog een stapje verder. Zij oordeelt namelijk dat deze principes eveneens van toepassing zijn op belastingschulden die slechts uitvoerbaar werden ná de aandelenoverdracht.

In het bestreden arrest was namelijk geredeneerd dat een fiscale vordering m.b.t. aanslagjaar 2002 pas ontstaat bij het inkohieren ervan. De aanslag werd dus pas na de aandelenoverdracht uitvoerbaar. Het arrest besloot dat een vennoot enkel kon worden aangesproken voor een belasting die werd ingekohierd voor het tijdstip van de publicatie van de overdracht van de aandelen in het Belgisch Staatsblad.

Het Hof veegt voorgaande redenering van tafel. Zij steunt haar oordeel op onder meer de volgende overwegingen:

  • artikel 360, eerste lid WIB'92: een voor een aanslagjaar verschuldigde belasting dient gevestigd op de inkomsten die de belastingsplichtige in het belastbaar tijdperk heeft verkregen;
  • een schuld uit inkomstenbelasting staat definitief vast wanneer het belastbaar tijdperk waarin de inkomsten zijn verkregen afgesloten is;
  • een navolgend uitvoerbaar belastingskohier kan inderdaad in regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de personen die bij naam erin vermeld staan (in casu de nieuwe vennoot);
  • het voorgaande doet geen afbreuk aan de vennootschapsrechtelijke bepalingen inzake de VOF;
  • hieruit volgt dat de ná aandelenoverdracht ingekohierde aanslag m.b.t. het inkomstenjaar van de aandelenoverdracht alsnog uitvoerbaar is op het vermogen van de ex-vennoot.

Conclusie

Met voormeld arrest verduidelijkt het Hof van Cassatie dat voor de toepassing van de vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprincipes bij een VOF in se enkel het moment van het ontstaan van de schuld van belang is. De uitvoerbaarverklaring van schuldvordering ná publicatie van de aandelenoverdracht, doet hieraan geen afbreuk. De voormalige vennoot blijft aldus aansprakelijk ook al heeft hij zijn aandelen reeds lang overgedragen.

WIe binnenkort aandelen van een VOF verkoopt of koopt, houdt hiermee maar beter rekening bij het onderhandelen van de overdrachtsovereenkomst. Het aanvaarden van standaardclausules kan al snel tot onaangename verrassingen leiden.

aternio legal kan u helpen bij het inbouwen van de geschikte beschermingsmechanismen.

(1) Cass. (1e k.) AR F.19.0133.N, 30 april 2021 (BELGISCHE STAAT / A. F.) (rolnr :F.19.0133.N).

(2) Cass. nr N-20200618-2 (C.18.0333.N), 18 juni 2020.


Zal mijn (tand)arts binnenkort btw aanrekenen?

Op vandaag is een medische behandeling bij een arts, tandarts, diëtist of kinesist in principe vrijgesteld van btw. Dit betekent dat zij geen btw aanrekenen op hun erelonen aan patiënten.

Hierop bestaat één uitzondering: de louter "esthetische" behandelingen door een arts. Voorlopig zijn dus enkel de louter esthetische behandelingen door een arts onderworpen aan btw (denk bijvoorbeeld aan een botox-behandeling).

Vanaf 1 januari 2022 komt daar verandering in.

Therapeutische handelingen

In haar arrest van 5 december 2019 vernietigde het Grondwettelijk Hof -  in navolging van de Europese rechtspraak- diverse wetsbepalingen over btw voor medische handelingen. De wet van 11 juli 2021 (BS 20 juli 2021) wijzigt daarom het Wetboek btw op vlak van de vrijstelling van btw inzake medische verzorging. Deze tekstueel zeer korte wet treedt dus op 1 januari 2022 in werking.

Vanaf dan zullen alleen zogenaamde "therapeutische" behandelingen en ingrepen nog vrijgesteld zijn van btw. Dat geldt niet alleen voor artsen en tandartsen, maar voor alle medische en kwalificerende paramedische beroepen.

Voer voor discussie

Volgens de Europese rechtspraak dient met het oog op de btw-vrijstelling de medische behandeling een diagnose, de behandeling, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen tot doel hebben.

Een niet-therapeutische behandeling wordt in principe dus 21% duurder. Een kost die onvermijdelijk aan de patiënt zal worden doorgerekend.

Het hoeft geen betoog dat het begrip "therapeutische" behandeling voer voor discussie zal zijn. Hoe moet men dit interpreteren?
Wat met een beugel? Of een sterk verkleurde of gebroken tand?

De diverse beroepsorganisaties treden hierover alvast in overleg met het kabinet van de Minister van Financiën. Het is de bedoeling dat er vóór het einde van het jaar 2021 een administratieve circulaire wordt gepubliceerd.

Gemengde btw-plichtige

Als gevolg van deze nieuwe regeling zullen vanaf volgend jaar heel wat (tand)artsen gemengde btw-plichtige worden. Dit heeft tot voordeel dat zij (een deel van) van hun betaalde btw op bepaalde kosten en investeringen kunnen aftrekken.

Gemengde btw-plichtigen hebben echter geen volledig recht op aftrek. Zij kunnen de btw op hun aankopen slechts aftrekken in de mate dat deze aankopen worden aangewend voor hun uitgaande handelingen waarover btw is verschuldigd.

De btw-plicht heeft evenwel als nadeel dat er heel wat administratieve en boekhoudkundige verplichtingen bijkomen.

Kleine onderneming

In praktijk zullen wellicht niet alle (para)medische beroepers btw aanrekenen. Indien zij op jaarbasis minder dan 25.000,00 euro omzet hebben uit louter niet-therapeutische behandelingen kunnen zij kiezen voor de btw-vrijstelling als "kleine onderneming".

(Para)medici die willen genieten van deze btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen dienen dit aan te vragen bij hun lokaal btw-kantoor.


verbeurdverklaring

Verbeurdverklaring lastens een derde: het zal je maar overkomen

Het zal je maar overkomen, door een strafprocedure als bonafide derde getroffen worden door verbeurdverklaring van een eigen rechtmatig goed. Gelukkig kan je in voorkomende situatie tussenkomen in het rechtsgeding om jezelf te verdedigen tegen een potentiële nadelige uitspraak. Een succesvolle verdediging stoelt evenwel op drie fundamentele voorwaarden. Laten we dit samen van nabij bekijken.

Voorwaarde 1: daadwerkelijk derde zijn

Een derde is eenieder die aanspraken kan laten gelden op het verbeurdverklaarde goed zonder burgerlijke partij of veroordeelde te zijn. Een aandachtige  lezer bemerkt meteen dat een medebeklaagde in een strafprocedure niet uitgesloten is als een belanghebbende derde. Dit principe is bevestigd in diverse uitspraken van het Hof van Cassatie. Met andere woorden gezegd: een derde is niet per se iemand die niet betrokken is in de strafzaak die heeft geleid tot de verbeurdverklaring.

Voorwaarde 2: derde heeft een zakelijk recht

Als vaststaat dat men daadwerkelijk derde is, is de volgende bijkomende vereiste dat men zakelijke rechten moet hebben op het te verbeurd verklaren goed. Denk hierbij in de eerste plaats aan het eigendomsrecht, maar ook aan pandrechten of rechten van hypothecaire schuldeisers.

Voorwaarde 3: derde is te goeder trouw

De derde met een zakelijk recht moet tot slot te goeder trouw zijn. Het is aan de rechter om bij de beoordeling hiervan rekening te houden met alle omstandigheden die voorliggen. Bonafide impliceert niet geweten hebben of niet kunnen weten hebben dat het goed is gebruikt om een strafbaar feit te plegen. Het is niet omdat er tegen de derde geen vervolging is ingesteld dat men kan besluiten tot goede trouw. Door verwijtbare gedragingen kan men immers toch hebben meegeholpen aan het plegen van een misdrijf.

Het is gepast om te wijzen op de wettelijke gevolgen van het intrinsiek illegaal karakter van vermogensvoordelen bij witwassen. In de Balsamo-case (EHRM, 8 oktober 2019, nrs. 20319/17 en 20414/17, Balsamo-San Marino) is geoordeeld dat vermogensvoordelen afkomstig van illegale oorsprong terecht zijn ontnomen. Dit ondanks het feit dat de beklaagden werden vrijgesproken van witwassen wegens geen (of onvoldoende) kennis van de illegale oorsprong van de gelden.

Bescherming van de derde

Een bonafide derde kan vrijwillig tussenkomen in een strafprocedure waarbij goederen betrokken zijn waarop deze derde zakelijke rechten heeft. Zelfs wanneer de derde geen partij was in eerste aanleg kan deze alsnog hoger beroep aantekenen tegen het vonnis. De derde kan zo nodig ook verzet doen. Voorziening in cassatie is eveneens mogelijk wanneer de verbeurdverklaring lastens de derde is uitgesproken in laatste aanleg.

Tenslotte kan de derde als rechtmatige eigenaar terug in bezit worden gesteld van het ontnomen goed mits dit ter beschikking is van het gerecht. In casu dienen twee restrictieve voorwaarden voorhanden te zijn. Het goed moet in natura worden teruggevonden én het moet in handen van het gerecht zijn door inbeslagneming of door vrijwillige terbeschikkingstelling.

Conclusie

Het succesvol verweer van een derde tegen verbeurdverklaring van goederen is slechts mogelijk mits drie voorwaarden cumulatief zijn voldaan. Met name moet men daadwerkelijk een derde zijn, zakelijke rechten hebben op de te verbeurd verklaren goederen en last but not least te goeder trouw zijn. Het principe van de goede trouw speelt wel slechts een rol zolang het verbeurdverklaarde goed niet volgens een wettelijke maatregel uit het economisch verkeer moet verdwijnen.

Zie ook P. WAETERINCKX, De rechten van derden te goeder trouw bij de verbeurdverklaring van zaken die hen “toebehoren”. Wat houdt het toetsingscriterium “te goeder trouw” in, en wat is de juridische draagwijdte ervan?, R.A.B.G., 2021/11, 1021-1030


Het financieel plan: een aardig klusje voor zowel oprichters als notarissen

Eerder berichtten wij reeds over de formele vereisten voor de opmaak van een financieel plan dat onder het nieuwe Wetboek het levenslicht zagen. Hoewel dit op het eerste zicht de kostprijs van de oprichting van een vennootschap de hoogte injaagt, verdient  de beschermingsfunctie ervan desalniettemin bijzondere aandacht. Een onzorgvuldig opgesteld financieel plan en een vordering in oprichtersaansprakelijkheid gaan namelijk vaak hand in hand. Recente rechtspraak (1) eist niet alleen van de oprichter(s) en cijferberoepers maar ook van de notaris zelf bijzondere waakzaamheid.

Formele verplichtingen van de notaris

De verplichtingen die het Wetboek zelf aan de notaris oplegt zijn vrij straight forward. De notaris moet er vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt enkel voor zorgen dat hij:

  1. voorafgaand aan het verlijden van de oprichtingsakte een financieel plan ontvangt;
  2. vervolgens dit plan in het notarieel dossier bewaart voor mocht het ooit aan de rechtbank moeten worden voorgelegd; en
  3. tenslotte bekijkt of alle wettelijk vereiste elementen in het plan zijn opgenomen.

De notaris hoeft zich om aan deze verplichtingen te voldoen niet om te scholen tot accountant. Het Wetboek voorziet namelijk zelf in een checklist.

Doorgaans zal de zorgvuldige oprichter ook beroep doen op een cijferberoeper. Hierdoor bleef de controletaak van de notaris en zijn risico op enige aansprakelijkheid al bij al vrij beperkt.

Ambtsverplichtingen van de notaris

De notaris moet echter niet alleen rekening houden met de puur vennootschapsrechtelijke bepalingen. Hij is namelijk ook een openbaar ambtenaar die onderworpen is aan bijzondere wetgeving inclusief bijkomende verplichtingen.

Zo volgt uit de Wet op het notarisambt voort dat een notaris niet alleen moet waken over de correcte toepassing van de wet maar ook dat hij zijn cliënten moet bijstaan en advies moet verstrekken.

Doorgaans zal de oprichter in de akte om die reden een standaardclausule terugvinden waarin hij verklaart dergelijk advies en bijstand te hebben ontvangen alvorens tot het ondertekenen van de akte over te gaan.

In de praktijk zal de notaris doorgaans wel wijzen op het belang van een zorgvuldig opgesteld financieel plan en uitleggen wat de oprichtersaansprakelijkheid inhoudt. Een diepgaand gesprek om te peilen naar de kennis van de oprichters en een cijfermatige analyse ter beoordeling van de haalbaarheid van het plan, is echter minder voorkomend. Temeer nu een zorgvuldige oprichter voor de opmaak van het financieel plan doorgaans een beroep doet op een cijferberoeper. Dit gegeven zou de adviesplicht van de notaris al wat moeten vergemakkelijken.

Een controle van de formele vereisten en enige duiding bij het belang van het financieel plan, zal de notaris doorgaans wel vrijwaren voor enige aansprakelijkheid bij navolgend faillissement.

Toename van het risico op aansprakelijkheid?

Recente rechtspraak van het Hof van Beroep Luik lijkt deze principes echter op de helling te zetten. In het voorliggende geval was er namelijk geen probleem met het financieel plan op het vlak van formele vereisten. Evenmin kon de notaris worden verweten het belang van het financieel plan niet te hebben onderstreept.

Het Hof besloot echter tot aansprakelijkheid van de notaris op basis van de gebrekkige cijfermatige inhoud van het plan. Dit overigens terwijl de oprichters hiervoor beroep hadden gedaan op een cijferberoeper. Volgens het Hof had de notaris op basis van gesprek met de oprichters eenvoudig kunnen afleiden dat zij geen voeling hadden met het vennootschapswezen. Aan de cijfers had hij moeten vaststellen dat de eerste drie jaren na oprichting geen winst voorzagen zodat het ingebracht eigen vermogen niet voldoende was.

Achterliggende gedachte lijkt dat wanneer een plan inhoudelijk zo flagrant ontoereikend is, het de naam 'financieel plan' niet meer waardig is. Aldus is niet aan de formele vereiste van het voorleggen ervan voldaan.

In de noot bij het arrest halen Diederick Bruloot en Gauthier Vandebossche (1) terecht aan dat op die manier in se alles op een hoopje wordt gegooid en één en ander een brug te ver gaat. Vooreerst blijft een onderscheid tussen de formele en raadgevingsverplichting van de notaris aangewezen. Daarnaast gaat het niet op om de aansprakelijkheid van de notaris te onderwerpen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm op basis van inhoudelijke aspecten terwijl hij op basis van de formele verplichtingen zich in se met deze inhoudelijke aspecten niet mag inlaten.

Toekomstige rechtspraak zal uitwijzen of men op basis van de adviesplicht van de notaris daadwerkelijk ook een financiële analyse van zijn kant mag verwachten én in welke mate dit het oprichtingsproces al dan niet zal bemoeilijken.

Conclusie

Het was reeds duidelijk dat het financieel plan een belangrijke plaats inneemt bij de oprichting van een vennootschap. Er zondermeer vanuit gaan dat de notaris het financieel plan cijfermatig wel zal bestuderen als garantie op succes, lijkt ons eerder wishful thinking. Spijts voormelde rechtspraak blijft het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de oprichter zelf om een realistisch plan voor te leggen. Het hoeft geen betoog dat de bijstand van een cijferberoeper hierbij geen overbodige luxe is.

Anderzijds toont het voorgaande ook aan dat van de notaris meer mag worden verwacht dan het louter aan sneltempo afhaspelen van de voorliggende akte. Soms lijkt het misschien geen evidentie: u mag de notaris nog alles vragen alvorens uw krabbel te zetten.

Voor een volledige gemoedsrust is het niet alleen aan te raden om het plan door een professional te laten opstellen, juridische begeleiding kan zeker ook geen kwaad. Niet alleen als extra controlevehikel tegenover de notaris maar ook al bij het bepalen van de geschikte rechtsvorm.

Gelukkig hebben we bij aternio alles in huis: finance én legal solutions. Neem dus gerust contact op.

(1) Luik (7e k.) nr. 2018/RG/779, 14 januari 2020 in JLMB 2020, afl. 30, 1419 en http://jlmbi.larcier.be/ (27 september 2020); JDSC 2020, afl. 1, 63, noot DELVAUX, M.; TRVRPS 2021, afl. 2, 214 en http://www.trv.be/trv/default.aspx?l=NL (10 april 2021), noot BRULOOT, D., VANDENBOSSCHE, G.


(R)evolutie van de boekhouding en factuur als bewijsmiddel.

De wetgever heeft de laatste jaren - spijts politieke strubbelingen en aanhoudende pandemie - niet stil gezeten. Het ondernemerslandschap werd niet alleen getrakteerd op een geheel nieuw Wetboek. Het ondernemingsrecht op zich werd eveneens grondig hervormd met als voorlopig sluitstuk ook 'nieuwe' regels inzake bewijs. Sommige verschillen of nieuwigheden zijn eerder subtiel, andere een consolidatie van een jarenlange evolutie in de rechtspraak. Deze bijdrage focust op de twee meest frequent gehanteerde bewijsmiddelen in het ondernemingsrecht: de boekhouding en de factuur.

Het bewijs in het pre-hervormingstijdperk - een terugblik

Algemeen principe van vrij bewijsrecht

Al sinds Napoleontische tijden verdient de relatie tussen kooplieden een bijzondere plaats binnen ons rechtsstelsel. Zij worden namelijk geacht op hetzelfde niveau te opereren op het specifieke toneel van de markt van vraag en aanbod. Eén van de voornaamste kenmerken van het ondernemingsrecht is dan ook dat het een vrij bewijsrecht kent.

Het Wetboek van Koophandel vertrekt vanuit het principe dat handelsverbintenissen op dezelfde wijze kunnen worden bewezen als burgerlijke verbintenissen. Daarenboven kunnen kooplieden sedert jaar en dag gebruik maken van het bewijs met alle middelen van recht. In een hectische of ons-kent-ons context was het namelijk geen vast gebruik om voor elke daad van koophandel netjes geschriften uit te wisselen.

Deze historische context heeft er ook steeds voor gezorgd dat het bewijs van handelsverbintenissen aan minder strenge regels onderworpen was. Een onderhandse overeenkomst kent geen enkel vormvoorschrift, ongeacht het financiële belang is in se geen geschrift vereist en een eventueel geschrift is weerlegbaar door getuigen of vermoedens.

Vrijheid blijheid? Het hoeft geen betoog dat het ondernemerslandschap inmiddels veel complexer is geworden. Deze historische vrijheid zit echter zodanig diep ingeworteld in het handelswezen dat het haast té essentieel is dit principe in twijfel te trekken.

Regelmatig gevoerde boekhouding

De boekhouding van handelaars heeft steeds een bijzondere plaats gehad in het tussen hen geldende bewijsrecht. Voor zover regelmatig gevoerd, kan de rechter de boekhouding als bewijs aannemen tussen handelaars wegens handelsdaden.

De waarde van dergelijke boekhouding is gelijk aan die van een buitengerechtelijke bekentenis. De rechter is aldus niet verplicht de boekhouding als bewijs in aanmerking te nemen of om er een zekere waarde aan toe te kennen.

Al helemaal complex is het vraagstuk wat er dan moet gebeuren met een niet regelmatig gevoerde boekhouding. Een onregelmatigheid heeft namelijk niet per se betrekking op het deel van de boekhouding dat tot bewijs van de voorliggende aanspraak moest dienen.

Factuur als bewijs van koop-verkoop

Wettelijk en feitelijk vermoeden

Een mogelijks nóg meer bijzondere plaats komt toe aan de aanvaarde factuur als bewijs van de koop-verkoop.

Tegen de leverancier / opsteller van de factuur levert de aanvaarde factuur het bewijs op van de koop-verkoopovereenkomst zoals die uit de factuur blijkt. Dit betreft een wettelijk vermoeden.

Tegen de klant / ontvanger van de factuur bewijst de factuur het bestaan van de koop voor zover de factuur uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard. Hier gaat het om een louter feitelijk vermoeden dat kan worden weerlegd (met alle middelen van recht).

Aanvaarding van de factuur

De essentie zit hem in de aanvaarding door de ontvanger. De opsteller van de factuur kan zichzelf louter door het uitsturen van de factuur geen bewijs verschaffen. Dergelijke aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. Stilzwijgende aanvaarding kan bestaan uit hetzij de betaling van de factuur hetzij de inschrijving ervan in de boekhouding hetzij het gebrek aan een concreet protest binnen een redelijke termijn.

Er is al heel wat inkt gevloeid over het gebrek aan protest van de factuur. Concreet protest veronderstelt geen algemeen bezwaar, hetgeen niet wegneemt dat het bezwaar wel op de integrale factuur betrekking kan hebben. Een redelijke termijn wordt beoordeeld rekening houdend met de aard van de overeenkomst en de complexiteit van de factuur zelf. Of ook het protest zelf impliciet kan zijn, is eerder twijfelachtig. Het louter niet betalen of een algemene verantwoording vragen volstaat in principe niet.

Daarenboven moet het stilzwijgen ook omstandig zijn, hetzij begeleid door omstandigheden waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de stilzwijger zijn wil geuit heeft.

Beperkte toepassing

Voormelde vermoedens beperken zich in beginsel tot de essentie van de factuur zelf (aard en prijs van goederen of diensten) en niet tot de secundaire verbintenissen (een bijkomende vergoeding).

Tenslotte dient benadrukt dat voor bv. aannemingszaken er geen wettelijk doch enkel feitelijk vermoeden bestaat. De rechter is aldus niet verplicht om uit de aanvaarding van een aannemingsfactuur het akkoord met betaling ervan af te leiden.

Grote hervorming van 2018 - invloed op het bewijs

Uitbereiding van het vrij bewijsrecht

De Wet tot hervorming van het ondernemingsrecht gooit een aantal historische begrippen en concepten overboord. De Rechtbank van Koophandel omgedoopt tot Ondernemingsrechtbank, geen handelaar of daden van koophandel meer en ook het onderscheid tussen ondernemingen van burgerlijke en handelsaard kwam tot een einde.

Al deze wijzigingen hebben één duidelijke oorzaak: de invoering van een nieuw en ruimer ondernemingsbegrip. Het  vrije bewijsrecht wordt daardoor van toepassing op:

  • elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  • iedere rechtspersoon; of
  • andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid voor zover zij een uitkeringsoogmerk heeft

Klassiek publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen/diensten aanbieden op de markt en de overheden zelf uitgezonderd.

Het vrije bewijsrecht geldt zowel tussen ondernemingen onderling als voor partijen die tegen een onderneming willen bewijzen. Het tegenbewijs dat de onderneming tegen een niet-ondernemer wil leveren blijft aldus onderworpen aan het burgerlijk bewijsrecht. Hetzelfde geldt voor bewijzen tegen natuurlijke personen-zelfstandigen van zaken die kennelijk vreemd zijn aan hun onderneming.

Boekhouding als bewijs tout court

De boekhouding wordt als bijzonder bewijsmiddel behouden met als voornaamste vernieuwing dat zij niet langer regelmatig hoeft te zijn om als bewijs in aanmerking te komen. Het feit dat een bepaald aspect van de boekhouding twijfelachtig is, verhindert het bewijs van verzending door bv. inschrijving van de factuur in kwestie niet.

Bovendien mag de boekhouding niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst. Wie zijn boekhouding voorlegt zal aldus het geheel moeten voorleggen en niet enkel de zaken die hem tot voordeel kunnen strekken.

Het principe van de vrije waardering van de bewijswaarde door de rechter blijft behouden. De rechter zal aldus beoordelen welke waarde aan het boekhoudkundig element toekomt rekening houdend met de gevoerde boekhouding als geheel.

Factuur als bewijs van rechtshandelingen

De factuur levert ingevolge de hervorming niet enkel bewijs op van het bestaan van een koop-verkoop, maar van alle rechtshandelingen waarvoor een factuur is opgesteld.

Zodra het bewijs kan worden geleverd dat de factuur werd aanvaard, verkijgt zij een wettelijke bewijswaarde.

Eén en ander geldt echter enkel in de mate waarin voor die bepaalde rechtshandeling een factuur opgesteld moet worden. Men kan evident geen facturen uitschrijven om zich een wettelijk bewijs te verschaffen van zaken die helemaal geen factuur behoeven.

Bewijsrecht in het nieuwe Burgerlijk Wetboek

Break-even voor het vrij bewijsrecht

Het nieuw boek 8 van het Burgerlijk Wetboek raakt niet aan de principes van het vrij bewijsrecht tussen ondernemingen onderling of tegen een onderneming. Dezelfde uitzonderingen blijven van toepassing: geen vrij bewijsrecht tegen een niet-onderneming of tegen een natuurlijke persoon-zelfstandige voor zaken die kennelijk vreemd aan zijn onderneming.

Overeenstemmende boekhouding als bewijs

Daar waar de hervorming een feitelijk vermoeden van bewijs uit de boekhouding tout court installeerde, schroeft het Burgerlijk Wetboek de teugels terug aan. Weliswaar wel met een wettelijke i.p.v. feitelijke bewijswaarde tot gevolg.

Een boekhouding verkrijgt namelijk wettelijke bewijswaarde tegen een andere onderneming indien de vermeldingen in de boekhouding van de onderscheiden partijen overeenstemmend zijn. Denk hierbij aan de inschrijving van de factuur in de boekhouding van beide partijen wanneer één van beide aanvoert de factuur nooit ontvangen te hebben.

Is er echter geen overeenstemming tussen beide boekhoudingen, dan kan de boekhouding hoogstens een feitelijk vermoeden scheppen. Hierdoor zal het bevel tot overlegging van de boekhouding door de rechtbank of één van partijen wellicht meer doorgang vinden.

Een laatste nuancering onder het nieuwe B.W.: de boekhouding mag opnieuw slechts gedeeltelijk worden voorgelegd als bewijs tegen de onderneming zelf wanneer ze niet regelmatig gevoerd is. Het creëren van een schijn van betrouwbaarheid wordt dus opnieuw mogelijk door de nadelige stukken weg te laten.

Aanvaarde of niet betwiste factuur

Voortaan bepaalt de wet uitdrukkelijk dat niet alleen de aanvaarding maar ook een niet binnen een redelijke termijn betwiste factuur het bewijs van de rechtshandeling oplevert. Het gebrek aan tijdig protest wordt aldus van vorm van stilzwijgende aanvaarding naar expliciete rechtsgrond geheven.

Bovendien kan voortaan ook het gebrek aan betwisting van een factuur door een niet-onderneming een weerlegbaar vermoeden van aanvaarding uitmaken. Dit kan wanneer het gebrek aan betwisting een omstandig stilzwijgen uitmaakt. Ook voor niet-ondernemers is voortaan een meer actief handelen aangewezen. Ook hier gaat het echter nog steeds om een feitelijk en dus weerlegbaar vermoeden.

aternio staat u in het licht hiervan graag bij in het opzetten van een goede invorderings- en facturatiepolitiek.


Nieuw: 'centraal register van economische knipperlichten'

Met ingang van 5 juli 2021 (KB 13 juni 2021) werd in België een nieuw 'centraal register van economische knipperlichten' in het leven geroepen. Dit register heeft tot doel ondernemingen in moeilijkheden sneller op te sporen, om zo de gepaste maatregelen te kunnen treffen.

Kamers voor Ondernemingen In Moeilijkheden (KOIM)

Binnen de ondernemingsrechtbanken zijn de specifieke 'Kamers voor Ondernemingen In Moeilijkheden' (KOIM) bevoegd voor het opsporen en opvolgen van de toestand van ondernemingen in moeilijkheden. Zij doen al het nodige om de continuïteit van de activiteiten te behouden, maar ook om de rechten van de schuldeisers te vrijwaren.

De KOIM volgt de financiële toestand van de onderneming op de voet en neemt - zo nodig - de gepaste maatregelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het aansturen van de onderneming tot herstelmaatregelen om een faillissement te vermijden.

Wanneer de situatie echter onherstelbaar is aangetast, moet zij het dossier doorsturen naar het parket voor een dagvaarding tot faillissement.

Welke 'knipperlichten'?

Daar waar voorheen de gegevens her en der verspreid lagen en men de puzzelstukjes zelf diende te leggen, verzamelt en centraliseert het register nu alle relevante indicatoren of knipperlichten om ondernemingen in moeilijkheden op te sporen.

Hoe meer 'knipperlichten' er gaan branden, hoe groter de noodzaak voor de KOIM om de toestand van de onderneming in kwestie te onderzoeken.

Vooreerst hebben de knipperlichten betrekking op gegevens die administraties nu al wettelijk dienen mee te delen aan de ondernemingsrechtbank.

Het gaat om schuldenaren die:

- reeds een kwartaal de socialezekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan de RSZ;
- reeds een kwartaal de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan het RSVZ, wat de zelfstandigen betreft;
- de BTW of bedrijfsvoorheffing niet meer betaald hebben aan de administratie van financiën;
- gewichtige en overeenstemmende feiten hebben gepleegd die de continuïteit van de economische activiteit in het gedrang kunnen brengen, en die zijn vastgesteld door een gecertificeerd accountant, accountant, fiscaal accountant of bedrijfsrevisor;
- onderworpen zijn aan een kennisgeving van inbeslagname;
- onderworpen zijn aan een vonnis tot beëindiging van de handelshuur;
- bij verstek of op tegenspraak zijn veroordeeld, terwijl zij de gevorderde hoofdsom niet hebben betwist.

Andere knipperlichten zijn bijvoorbeeld:

-de financiële gezondheidsindicator berekend door de Nationale Bank van België;
-het aantal werknemers van de onderneming; en
-het regelmatig verplaatsen van de zetel van de onderneming.

Deze indicatoren zullen worden bewaard gedurende vijf jaar vanaf hun registratie in het register.

Toegang tot het register?

Gelet op de precaire situatie waarin de betreffende onderneming zich bevindt, is het register niet voor iedereen toegankelijk.

Enkel de griffie, de rechters van de KOIM, de rechter-verslaggevers en de bevoegde procureurs des Konings hebben rechtstreeks toegang tot het register.

Het KB van 13 juni 2021 vermeldt de maatregelen tot bescherming van de vertrouwelijkheid en veiligheid van verwerkte persoonsgegevens.

Conclusie

De KOIM zal ondernemingen in moeilijkheden voortaan kunnen opsporen via gegevens uit het 'centraal register van economische knipperlichten'. Het is dus daarom belangrijk om uw betalingen en administratie nauwgezet op te volgen. Het opzetten van een goede corporate en financial housekeeping kan daarbij al wonderen verrichten!


Maak nog snel werk van de werkbaarheidscheque!

Werkbaar werk. Het is een dingetje. Het is werk waar je niet overspannen of ziek van wordt. Werk waarin je kan groeien. Werk dat in balans is met je privéleven. Samengevat: werk dat je graag doet en dat je nog wel even kan volhouden. Klinkt mooi! Maar de praktijk is vaak minder mooi. Voor werkgevers is het soms een uitdaging om werknemers gezond, veilig, gemotiveerd en comfortabel aan het werk te houden. Om daar enigszins aan tegemoet komen, riep de Vlaamse overheid in 2019 de werkbaarheidscheque in het leven. De coronacrisis zorgde evenwel voor een uitbreiding en verlenging van het toepassingsgebied ervan.

Werkbaarwatte?

Met de werkbaarheidscheques kunnen eenmanszaken, kmo's en grote ondernemingen de werkbaarheid binnen de onderneming vergroten. Waarover gaat het concreet? Metingen of scans (laten) uitvoeren om de werkbaarheidsgraad van de onderneming in kaart te brengen of beroep doen op begeleiding om een werkbaarheidsplan op te stellen met maatregelen of verbeterprojecten. Ook de opvolging hiervan kan met de werkbaarheidscheque worden bekostigd.

Daarnaast het kan ook gaan over nog meer concrete acties. Investeren in advies rond aanpassingen aan de werkpost of de arbeidsorganisatie, begeleiding bij competentieversterking of opleidingen om het psychisch welzijn van werkgevers en werknemers te vergroten.

En toen was er corona...

De coronacrisis zorgde ervoor dat er nog een versnelling hoger diende geschakeld op vlak van werkbaar werk. Plots was telewerk de norm, maar vele organisaties waren hier (nog) niet op voorzien. Uiteindelijk bleek in menige organisatie dat telewerk zeker werkbaar kan zijn, daar waar voorheen de meningen duidelijk verdeeld waren. De overheid bracht duidelijkheid met nieuwe fiscale spelregels rond telewerk, maar ook in het ondernemersveld sijpelt stilaan de nood aan een duurzaam beleid rond plaats- en tijdsonafhankelijk werken binnen.

Ook daarvoor kan de werkbaarheidscheque nu dus dienen. Hoe telewerk organiseren? Hoe processen digitaliseren en de opvolging van het werk organiseren? Op welke manier kan leidinggeven op afstand werken? Hebben werknemers andere competenties nodig en hoe dit realiseren? Maar evengoed: waar kunnen werknemers terecht als ze zich niet goed in hun vel voelen? Hoe werknemers betrokken houden? En voor wie geen beroep kan doen op een nanny: hoe ouders ondersteunen bij de combinatie van telewerk en opvang van de kinderen?

Voor antwoorden op al deze vragen kan u dus via de werkbaarheidscheque een beroep doen op een erkende dienstverlener. Samen met u bekijken zij wat nodig is op vlak van werkbaar werk binnen uw onderneming.

Praktisch

Ondernemingen in de profit- en de socialprofitsector met minstens 1 werknemer kunnen van de cheques gebruik maken. Of uw onderneming aan de voorwaarden voldoet, kan u hier nagaan.

Er is een maximale subsidie voorzien van 10.000 euro per onderneming. Elke onderneming kan maximaal 3 keer steun aanvragen, en dat tot het maximum is bereikt of tot het budget dat de Vlaamse overheid hiervoor heeft uitgetrokken, is opgebruikt. Belangrijk detail: uiterste datum om de werkbaarheidscheque aan te vragen is 31 december 2021. Maak er dus nog snel werk van!

Ondernemingen die beroep doen op de kmo-portefeuille kunnen daarnaast van een tijdelijke verhoging van het budget genieten (tot maximum 5.000 euro per onderneming) voor acties rond werkbaar werk. Meer info kan u hier vinden.

De werkbaarheidscheque kan enkel online aangevraagd worden. Meer info over de voorwaarden en de aanvraagprocedure van de werkbaarheidscheque kan u hier vinden.


Vastgoed in een familiale vennootschap dan toch fiscaal niet vergeten?

Over familiale vennootschappen is de laatste jaren al heel wat gezegd en geschreven. Het fiscaal gunstige schenk- en erfregime bestaat al sinds 2015 en heeft sindsdien best wat stof doen opwaaien. Het was, en is nog steeds, de bedoeling om de ondernemer aan te zetten om tijdens het leven actie te ondernemen en aan opvolging te denken. Vooral wanneer er vastgoed mee gemoeid is, is tijdig beginnen plannen aangewezen!

In een ideale wereld is alles duidelijk en hoeven er geen toetsstenen te zijn. Maar in real life moet er wel aan de participatie- en de activiteitsvoorwaarde voldaan zijn, alvorens te kunnen kwalificeren als familiale vennootschap.

Participatievoorwaarde

Ondertussen is het al deel van het collectief geheugen, maar volledigheidshalve hernemen we hier toch nog even dat de schenker/erflater een bepaald minimumaantal aandelen moet bezitten om in aanmerking te kunnen komen voor de gunstregeling.

Voor het overige verwijzen we u graag naar eerdere bijdragen, aangezien deze voorwaarde hier verder buiten beschouwing blijft.

Activiteitsvoorwaarde en vastgoed

De activiteitsvoorwaarde is echter iets minder recht door zee. Om van het gunstregime te kunnen genieten, moet de vennootschap in kwestie een reële economische activiteit hebben. De discussie of dat al dan niet het geval is, gaat meestal over het aanhouden van vastgoed in die familiale vennootschap.

Zo was het vroeger - anno 2015

In den beginne... stond de Vlaamse Belastingdienst (a.k.a. Vlabel) argwanend tegenover vastgoed in de familiale vennootschap. Zonder wettelijke definitie over het begrip reële economische activiteit, werd dit aan de interpretatie overgelaten. Vlabel argumenteerde dat het louter exploiteren en beheren van onroerend goed nooit een reëele economische activiteit kon uitmaken.

De beoordeling hiervan gebeurt op basis van een tweetal parameters, namelijk:
- het vastgoed (terreinen en gebouwen) bedraagt meer dan 50% van het totale actief; en/of
- de sociale lasten, bezoldigingen en pensioenen bedragen 1,5% of minder van het totale actief.

Indien aan beide parameters cumulatief voldaan is, is een vennootschap eerder een patrimoniumvennootschap en heeft ze bijgevolg geen reële economische activiteit. Enige uitzondering hierop betreft onroerend goed, dienstig voor de groepsstructuur.

Zo was het vroeger - anno 2019

In een voorafgaande beslissing met nr. 19008 van 29 april 2019 leek het tij alvast te keren. Vlabel aanvaardt sinds dat moment dat vastgoed wel als economische activiteit zou kunnen gelden en staat zo de toepassing van de gunsttarieven niet meer noodzakelijkerwijze in de weg.

Deze voorafgaande beslissing werd reeds uitvoering besproken in een eerder blogbericht.

Rechtbanken hakken de interpretatieknoop door -  anno 2020/2021

Wanneer een vennootschap, volgens de parameters, geen reële economisch activiteit heeft, dan is uitsluiting van het gunstregime dus zeer waarschijnlijk. Echter, de belastingplichtige kan wel tegenbewijs leveren om zo aan te tonen dat de vennootschap in kwestie wel degelijk een reële economische activiteit heeft.

In een vonnis van 4 februari 2020 diende de rechtbank van eerste aanleg te Gent te oordelen over volgende feiten. Een vennootschap heeft als activiteit: het opkweken van dieren en het uitbaten van een slagerij. Daarnaast heeft de vennootschap ook nog enkele onroerende goederen, met een private bestemming. Het ging om een appartement dat af en toe verhuurd werd en een woning. Vlabel weigerde om de gunsttarieven toe te passen op de vennootschap en liet geen tegenbewijs terzake toe. De rechtbank van eerste aanleg te Gent stelde Vlabel op dat punt echter in het ongelijk.

Tegen die beslissing stelde Vlabel hoger beroep in. Een tussenarrest van het hof van beroep te Gent, op 1 juni 2021, bevestigde echter de eerdere uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Met andere woorden: tegenbewijs is toegelaten, ook als er privaat vastgoed op de balans van de vennootschap in kwestie staat. Ondanks de onroerende goederen met private bestemming, kan het tegenbewijs van de reële economische activiteit wel degelijk geleverd worden.

Het hof van beroep te Gent gaat zelfs nog verder en stelt dat verhuur van onroerend goed ook een echte economische activiteit is. Eureka!

Discriminatie?

Creërt het voorgaande een discriminatie tussen de familiale onderneming en de familiale vennootschap? Bij de familiale onderneming is vastgoed, hoofdzakelijk bestemd voor bewoning, principieel uitgesloten van de gunstregeling. Voor familiale vennootschappen zou dit nu ander liggen, van zodra de vennootschap kwalificeert. Zij komt dan voor haar gehele waarde, inclusief het onroerend goed, in aanmerking voor de gunsttarieven.

Hierover is het laatste woord nog niet gezegd. Tijd zal uitwijzen wat het standpunt hierover zal zijn.

Conclusie

De interpretatie inzake de reële economische activiteit van familiale vennootschappen evolueert gunstig. Het niet toelaten van tegenbewijs, in vennootschappen met vastgoed maar waar duidelijk een dergelijke activiteit is, is onlogisch. In het verleden heeft dit trouwens al tot onbegrijpelijke situaties geleid. Het is positief dat de rechtbanken nu paal en perk stellen aan deze interpretatieve "willekeur".

Aarzel niet en vraag voorafgaand aan uw schenking een testattest aan bij Vlabel. Discussies worden zo op voorhand gevoerd, waardoor u desgevallend uw strategie nog wat kan bijsturen. aternio helpt u graag bij het vermijden van slapeloze nachten. Contacteer ons voor meer informatie.


Hoe het formulier KI buitenlands onroerend goed correct invullen?

In een vorige blog hebben we het reeds uitvoerig gehad over de toekenning van een Belgisch Kadastraal Inkomen (KI) voor buitenlands vastgoed.

Om dit KI te kunnen bepalen, zullen alle eigenaars van buitenlands vastgoed zeer binnenkort een vragenlijst krijgen. Sommige eigenaars hebben het formulier misschien al ontvangen. Hoe vult u dit formulier correct in? U leest het hierna.

Onverdeelde eigenaars?

Elke Belgische belastingplichtige die zakelijke rechten (eigendom, vruchtgebruik, erfpacht, opstal) heeft op een in het buitenland gelegen onroerend goed, is verplicht daarvan aangifte te doen.

Indien het een onroerend goed in onverdeeldheid betreft, moet elke deelgenoot afzonderlijk het formulier indienen. Elke deelgenoot vermeldt zijn eigendomsrechten 'onder de vorm van een breuk'. (zie vak 3 van het formulier)
Bijvoorbeeld: U bent samen met uw broer (eveneens een Belg) onverdeeld eigenaar van het onroerend goed. U vermeldt beiden afzonderlijk op het formulier "1/2" bij de eigendomsrechten.
Dit geldt eveneens voor echtgenoten, ook wanneer het onroerend goed in gemeenschap is aangehouden. Zij dienen dus ook elk afzonderlijk een aangifteformulier in te dienen.

Gebouwd onroerend goed

De bepaling van het KI voor buitenlandse gebouwde onroerende goederen gebeurt op dezelfde wijze als voor in België gelegen gebouwen. We moeten dus kijken naar de "normale nettohuurwaarde" op 1 januari 1975. Indien deze waarde niet voorhanden is  zal men het KI bepalen aan de hand van de huidige verkoopwaarde.  De huidige verkoopswaarde brengt men terug tot de waarde van 1975 door toepassing van een correctiefactor. Die correctiefactor (15,036 voor inkomstenjaar 2020) zal men jaarlijks in een Koninklijk Besluit publiceren. Vervolgens moet men op deze waarde de kapitalisatiefactor van 5,3% toepassen.

- Actuele verkoopswaarde is gekend

Indien u de actuele verkoopwaarde (normale verkoopwaarde) van uw onroerend goed kent, kan u dit invullen in vak 4 van het formulier. Dit is de verkoopprijs die op het tijdstip van de aangifte onder normale verkoopvoorwaarden zou kunnen worden verkregen.

- Actuele verkoopswaarde is niet gekend

Indien u de 'actuele verkoopwaarde' van het onroerend goed echter niet kent, maakt het aangifteformulier een onderscheid tussen 3 verschillende situaties;

1) Terrein waarop u een gebouw hebt laten optrekken

In deze situatie moet u in vak 5 de verwervingsprijs van de grond aangeven (exclusief notariskosten en registratierechten) en de datum van de verwerving. Daarnaast vermeldt u ook de kostprijs van de constructie (exclusief BTW of andere gelijkgestelde buitenlandse belasting) en de datum van het einde van de werken.

2) Gebouwd goed verworven zonder verdere verbouwingswerken uit te voeren

In dit geval moet u de verwervingsprijs in vak 6 opgeven, samen met de datum van verwerving. De verwervingsprijs is opnieuw exclusief notariskosten en registratierechten.

3) Gebouwd onroerend goed waaraan vervolgens wel verbouwingswerken zijn uitgevoerd

Indien er intussen wel verbouwingswerken zijn uitgevoerd, moet u in vak 7 van het formulier de "actuele normale verkoopwaarde" opgeven (zijnde, de verkoopprijs "die op het tijdstip van de aangifte onder normale verkoopvoorwaarden zou kunnen worden verkregen").

- Verkoopwaarde in 1975 is gekend

Tot slot voorziet vak 8 van het formulier de de mogelijkheid om toch "de normale verkoopwaarde in 1975" of "het jaarlijks bruto huurinkomen in 1975" (namelijk: de som van de ontvangen huurgelden en huurvoordelen) aan te geven.

Uit een eerdere circulaire bleek immers dat wanneer de belastingplichtige voormelde waarden in 1975 kent, hij aan de fiscale administratie kan vragen om deze waarden te gebruiken in plaats van de huidige waarde aangepast met de voormelde correctiefactor.

Ongebouwde onroerende goederen

Het KI van ongebouwde onroerende goederen  zal men vaststellen op basis van de schaal van 2 euro per hectare.

Materieel en outillage

Om KI van  materieel en de outillage te berekenen, zal men op de gebruikswaarde de correctiefactor van 5,3 % toe te passen.Men acht de gebruikswaarde  gelijk aan 30 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde als nieuw, eventueel vermeerderd met de kosten van de opeenvolgende veranderingen.

Timing

Belastingplichtigen hebben tijd tot eind 2021 om het aangifteformulier terug te sturen.

Belastingplichtigen die voor de eerste keer buitenlands vastgoed aangeven in hun aangifte in de personenbelasting van 2021 zullen in september/oktober" het formulier ontvangen. Ook zij hebben tijd tot 31 december 2021 om het formulier terug te sturen.

Heeft u pas na 1 januari 2021 een buitenlands onroerend goed gekocht? Dan moet u dat spontaan melden binnen de 4 maanden na de aankoop.