Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.


Private equity vennootschap revisited: beleg op een andere wijze.

Een private privak is een niet-genoteerde beleggingsvennootschap via hetwelk  private beleggers risicodragend investeren in niet-genoteerde ondernemingen. Dit private equity vehikel biedt investeerders de mogelijkheid om te beleggen in ondernemingen zonder gebruik te maken van een eigen vennootschap. Het fiscaal vriendelijk karakter van een private privak is een absolute bonus.

Door een gemis aan flexibiliteit is het succes echter zeer beperkt gebleven. Daarom is in de zomer van 2018 de private privak, voor de derde keer sinds haar wettelijke invoering in 2003, aangepast. Is het ditmaal de goed keer?

Versoepeling juridisch kader

Voortaan kan de private privak werkelijk controle uitoefenen over de vennootschappen  in haar portfolio. Hiermee wordt één van de grote hindernissen weggenomen die succes in de weg stonden. Het is nu immers mogelijk dat de private privak actief betrokken is bij het beleid van de vennootschappen waarin zij investeert. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten door aanwezigheid in het bestuur of door het geven van adviezen.

Een tweede hindernis die is opgeruimd betreft de duurtijd van de private privak. De initiële maximale looptijd van 12 jaar is voortaan verlengbaar. Indien de statuten dit voorzien kunnen de aandeelhouders tot tweemaal verlengen, telkens met een periode van maximaal 3 jaar. Dit is mogelijk nuttig in moeilijke economische tijden. Een verlenging vereist een goedkeuring door 90% van de stemmen die minstens 50% van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.

De minimale investering van een belegger in de private privak bedraagt nu 25.000 euro. Door de oorspronkelijke  drempel van 100.000 euro te verlagen komt een bredere groep van beleggers in aanmerking. Om niet te vallen onder de regels van openbare aanbiedingen moet het aanbod evenwel worden voorgesteld aan minder dan 150 investeerders.

Het aantal investeerders of aandeelhouders blijft ongewijzigd, ten minste zes niet-verbonden aandeelhouders zijn vereist. Aandeelhouders met stemrecht mogen in principe niet met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen. Verbonden aandeelhouders kunnen ervoor kiezen om als één aandeelhouder te worden beschouwd. Aandeelhouders die door familiale of aanverwante band tot de vierde graad met elkaar verbonden zijn, worden als één aandeelhouder gerekend.
Binnen de private privak is de creatie van verschillende compartimenten mogelijk. Dit zijn van elkaar onderscheiden delen zodat winst of verlies van het ene compartiment geen impact heeft op mogelijke dividenduitkeringen van een ander compartiment. Een compartiment vereist minimaal 6 niet verbonden aandeelhouders.

Belastinghervorming

Aan een private privak zijn een aantal fiscale gunstregelingen verbonden. Hierdoor is de private privak zelf nagenoeg vrijgesteld van belastingen. Voor de investeerder heeft de private privak het grote voordeel dat zij fiscaal neutraal is. Een minder gunstige fiscale behandeling dan een rechtstreekse investering is aldus uitgesloten. Indien de private privak haar wettelijke verplichtingen niet nakomt zal zij aan het normale stelsel van vennootschapsbelasting onderworpen worden.

Een voorafgaandelijk en blijvend inschrijving op de lijst van de private privaks bij de FOD Financiën is  vereist. Deze inschrijving houdt geen enkele beoordeling in van de opportuniteit en de kwaliteit van de verrichtingen of van de positie van de private privak.

Nieuw is de invoering van een belastingvermindering voor de minderwaarden die worden gerealiseerd op aandelen van een private privak opgericht vanaf 1 januari 2018. Deze vermindering is wel niet combineerbaar met ‘Tax Shelter for start-ups”. Naar aanleiding van de totale verdeling van de activa van de private privak geldt een belastingvermindering gelijk aan 25% van deze minderwaarde, met een plafond van 25.000 €. De minderwaarde is gelijk aan het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal verminderd met  (a) de ontvangen som bij verdeling en (b) de dividenden die de aandeelhouder heeft ontvangen.

Er is ook een indirect VVPRbis regime gecreëerd. Hierdoor kunnen investeerders toch genieten van de verlaagde roerende voorheffing van 15% of 20%. Vanzelfsprekend moet de private privak dan geïnvesteerd hebben in VVPRbis-aandelen.

Om dubbele belasting van dividenden te voorkomen, is een vrijstelling van roerende voorheffing ingevoerd bij  doorstorting van Belgische dividenden door de privak. Dit kan louter indien er roerende voorheffing verschuldigd was en deze niet is gecrediteerd door de private privak.

Conclusie

Dankzij de herwerkte juridische en fiscale regels is de private privak absoluut interessant. Het is een flexibel, fiscaal transparant en tijdelijk vehikel waarin meerdere personen kunnen beleggen in interessante investeringsdossiers. Voor niet-genoteerde ondernemingen kan het een mogelijk alternatief zijn voor bankkredieten en beursnoteringen ter financiering van hun investeringsprojecten.

Contacteer onze juristen bij specifieke vragen met betrekking tot de private privak.


Weglopen van uw rekening courant naar een lening met vaste looptijd?

Geld 'lenen' van de vennootschap via rekening courant of lopende rekening is voor een bedrijfsleider een pak duurder dan via een lening met vaste looptijd. Soms zijn er gewoonweg niet genoeg privémiddelen om de schuld op korte termijn af te lossen. Een aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening is ook geen evidentie.

De fiscus zal te weinig betaalde interesten bovendien belasten als voordeel van alle aard. Velen overwegen dan ook om de lopende rekening om te zetten naar een 'niet-hypothecaire lening met vaste looptijd'. Wat zijn de voordelen en aandachtspunten?

Kost van uw lopende rekening loopt op

Wanneer de bedrijfsleider en debetstand heeft op zijn rekening-courant en dus geld verschuldigd is aan de vennootschap, moet hij volgens de fiscus hiervoor interesten aan zijn vennootschap. De wetgever legt hiervoor jaarlijks een referentierentevoet vast. Voor aanslagjaar 2018 bedraagt deze 8,78%. Dit percentage wordt maandelijks toegepast op de stand van de lopende rekening. Betaalt de bedrijfsleider minder of zelfs niets, dan beschouwt de fiscus dit als een verkregen voordeel van alle aard en zal ze het verschil toevoegen aan zijn belastbare basis in de personenbelasting.

Bijvoorbeeld: de bedrijfsleider laat door de vennootschap een privé-uitgave betalen t.w.v. 10.000,00 euro. Hij heeft vanaf dat moment een schuld aan de vennootschap waarop hij 870,80 euro interest zou moeten betalen. Als hij niets aan zijn vennootschap betaalt, zal de fiscus de volledige 870,80 euro in de personenbelasting belasten als loon, aan het marginaal tarief. De vennootschap moet dit bedrag dan ook vermelden op de fiche 281.20 als bezoldiging van de bedrijfsleider.

Fiscaal: waarom omzetten?

De bedrijfsleider tracht vaak het belastbaar voordeel vaak te vermijden of verkleinen door een een lening met vaste looptijd af te sluiten met zijn of haar vennootschap. De wettelijk vastgelegde percentages voor een niet-hypothecaire lening met vaste termijn liggen namelijk aanzienlijk lager. Het maandelijks lastenpercentage bedraagt hiervoor slechts 0,20% (of bijvoorbeeld 4,72% op jaarbasis voor een vijfjarige lening).

Wanneer men de debet lopende rekening laat omzetten in een lening met een vaste looptijd, moet de bedrijfsleider eveneens de interest effectief betalen aan de vennootschap. Dit opnieuw om niet privé belast te worden op een voordeel van alle aard. Ten slotte vormt de betaalde interest een financiële opbrengst in de vennootschap en moet deze laatste hierop vennootschapsbelasting betalen.

Knipperlichten

De omzetting van een lopende rekening in een lening met vaste looptijd vergt oog voor een aantal aandachtspunten. Zoniet kan de fiscus de omzetting beoordelen als fiscaal misbruik en u alsnog belasten aan het hogere voordeel van alle aard.

  • Boekhoudkundig moet de rekening-courant worden overgeboekt naar een rekening  'overige vorderingen op lange termijn' respectievelijk 'overige vorderingen op korte termijn'.
  • Houd steeds rekening met het vennootschapsrecht, meer bepaald bepalingen omtrent belangenconflicten. De bedrijfsleider moet bijvoorbeeld eventuele (mede)vennoten inlichten wanneer zijn belangen tegenstrijdig zijn met die van de vennootschap. Er moet ook een verslag worden opgemaakt met de vennootschapsrechtelijke gevolgen van de actie, dat samen met de jaarrekening wordt neergelegd.
  • Laat een leningscontract opstellen tussen u en uw vennootschap en laat dit registreren bij een registratiekantoor van de overheid. Dit zorgt ervoor dat u de datum van de omzetting vastlegt.

Laat u bij dit laatste aspect zeker adviseren door ons legal team: zij stellen voor u een geschikte overeenkomst op.


Beroepsgeheim geen absolute bescherming tegen fiscus

De vraag of de fiscus een aanslag kan vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs is en blijft een punt van discussie. Het Hof van Cassatie spreekt zich terug opmerkelijk uit over deze vraag.

Antigoon-toets

Het Hof van Cassatie oordeelde reeds op 22 mei 2015 dat de feitenrechter niet steeds onrechtmatig verkregen bewijs moet weren. Dergelijk bewijs moet slechts geweerd worden indien de manier van verkrijging op een zodanige wijze indruist tegen wat de burger van een behoorlijk handelende overheid mag verwachten.

Dit is het geval zodra het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is of het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Hiermee heeft het Hof van Cassatie de fiscale Antigoon-toets gecreëerd. De Antigoonleer stelt dat onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken toch gebruikt mag worden. Een mijlpaalarrest dus op fiscaal vlak.

Sindsdien kan de fiscale administratie een aanslag vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs. Het komt de feitenrechter toe om op grond van de Antigoon-toets te beoordelen of het onrechtmatig bewijs geweerd wordt. Het Hof van Cassatie reikt in zijn arrest enkele criteria aan waarop de feitenrechter zich kan baseren.

Hof van Justitie gaat niet akkoord

Niet veel later oordeelde het Europese Hof van Justitie echter tegenovergesteld. Het Hof van Justitie meende dat de schendig van een door het Unierecht gewaarborgd recht de aanwending van het bewijs in de weg stond. (HvJ 17 december 2015, C-419/14)

In de rechtsleer bestaan er verschillende interpretaties over de verhouding van het arrest van het Hof van Justitie ten opzichte van het Hof van Cassatie. Sommige menen dat het Hof van Justitie de Antigoon-toets van het Hof van Cassatie aan de kant schuift. Anderen zijn milder en menen dat het arrest van het Hof van Justitie enkel betrekking heeft op btw-zaken.

Ondanks de onzekere interpretatie is het duidelijk dat het Hof van Cassatie zich niet aan de kant laat zetten door het Hof van Justitie.

Bewijs verkregen door miskenning van beroepsgeheim mag ook

Onlangs bevestigde het Hof van Cassatie opnieuw haar eerdere Antigoon-rechtspraak. Zij gaat zelf nog een stap verder door te oordelen dat de fiscus of feitenrechter bewijs verkregen door miskenning van het beroepsgeheim ook kan aanwenden. (Cass. 18 januari 2018, F.16.0031.N)

De fiscus voerde een onderzoek waarbij zij inlichtingen verkreeg van de advocaat van de belastingplichtige. Op basis van deze inlichtingen vestigde zij een aanslag wegens het niet aangeven van beroepsinkomsten. De belastingplichtige ging hier niet mee akkoord vanwege schending van het beroepsgeheim door de advocaat. De belastingplichtige stapte naar de rechtbank te Brussel en vervolgens het Hof van Beroep. Bij beide ving de belastingplichtige bot. Als laatste redmiddel wendde hij zich tot het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie bevestigt evenwel de fiscale Antigoon-rechtspraak. Daarbij meent het Hof dat bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim ook aan de Antigoon-toets moet worden onderworpen.

Het Hof van Cassatie concludeert dat het weren van bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim niet per definitie moet. Daarentegen zegt zij evenmin dat dergelijk bewijs steeds toegelaten is. Met andere woorden het Hof blijft haar eerdere visie trouw.

Relatie met recht op een eerlijk proces

Aangezien het recht op beroepsgeheim deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, is dit arrest opmerkelijk. Daarnaast lijkt het erop dat het Hof van Cassatie zich niet concreet heeft willen uitspreken. Naast het vasthouden aan haar eerder gecreëerde Antigoon-toets, heeft het Hof weinig opgelost van de discussiepunten.

Het arrest bepaalt dat de feitenrechter bevoegd is om te oordelen of het onrechtmatig verkregen bewijs geweerd moet worden.  Hierbij dient de rechter na te gaan of het onrechtmatig verkrijgen bewijs indruist tegen wat van een behoorlijk handelde overheid verwacht mag worden en of het recht op een eerlijk proces is belemmerd.

In casu had de advocaat zich niet beroepen op zijn beroepsgeheim en deze inlichtingen verstrekt op loutere vraag van de fiscus. Als gevolg, argumenteerde de rechter dat de handeling van de fiscus niet als onbehoorlijk kan aanzien worden.

Tip: gebruik het beroepsgeheim

Een vertrouwenspersoon, zoals een advocaat of een accountant,  kan hieruit lessen trekken en zich bij vragen van de fiscus beter beroepen op zijn beroepsgeheim. Indien de fiscus dan alsnog het bewijs verkrijgt op grond van miskenning van het beroepsgeheim, lijkt de kans groter dat het geweerd zal moeten worden. Uiteraard blijft de finale beoordeling tot de bevoegdheid van de feitenrechter behoren.


Hype van auteursrechten ontgaat ook fiscus niet!

Steeds meer ondernemingen betalen aan hun werknemers of bedrijfsleiders vergoedingen voor de cessie of concessie van auteursrechten, vanwege het fiscaal gunstig karakter. De tsunami aan vragen bij de rulingcommissie hieromtrent is enorm. De rulingcommissie wordt in ieder geval strenger bij het beoordelen van de voorwaarden en de modaliteiten van de vergoeding.

Is alles zomaar een werk dat auteursrechten verleend?

Werken die aan de hierna genoemde voorwaarden voldoen, vallen onder de auteurswet. Het auteursrecht beschermd precies deze werken.

Vooreerst dient het werk door creativiteit tot stand te zijn gekomen. Dit betekent concreet dat het werk het veruitwendigen van de creatieve geest moet zijn. Dit mag zowel literair als artistiek zijn. Voorbeelden zijn schilderijen, beeldhouwwerken, computerprogramma’s, geschreven artikels, …

Als tweede voorwaarde geldt dat het werk zintuiglijk waarneembaar moet zijn. Dit is te verklaren doordat het auteursrecht de vorm beschermd. Het loutere idee of concept achterliggend wordt niet door het auteursrecht beschermd.

Daarnaast stelt de wetgever dat het werk origineel dient te zijn. De wetgever meent dat er sprake is van originaliteit wanneer het werk de persoonlijkheid van de auteur vertoont. Dit houdt in dat het werk reeds eerder mag vertoont of gemaakt zijn. Het is daarentegen wel van essentieel belang dat de auteur zijn eigen persoonlijkheid in het werk legt. Hij dient er aldus een persoonlijke toets aan te geven.

Werknemer is auteur, maar wat met werkgever?

Het komt heel vaak voor dat een werknemer een auteurswerk maakt in opdracht van een werkgever. De werkgever-onderneming gebruikt dit werk voor de exploitatie van zijn onderneming. Indien een cessie of concessie van auteursrechten vergoed wordt, is dit een roerend inkomen in hoofde van de werknemer. Hoewel de werknemer dit meestal ervaart als loon, heeft deze vergoeding een andere fiscaal regime.

Fiscaal regime

Eerst en vooral is de belastingdruk op dergelijke vergoedingen lager. Op de vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt namelijk slechts 15% roerende voorheffing ingehouden.

Wat de kosten betreft, kent dit regime ook een aantrekkelijk kostenforfait.

Het staat iedereen vrij om te kiezen voor het forfait dan wel de werkelijke kosten. Deze werkelijke kosten dienen dan wel bewezen te worden. 

Belang van een ruling

Aangezien het niets steeds evident is om te beoordelen of een werk al dan niet als auteurswerk wordt gekwalificeerd, is het handig om een ruling aan te vragen. In een eerdere bijdrage gaven we reeds aan wat een ruling inhoudt en hoe de procedure verloopt. Kort samengevat, een ruling geeft fiscale rechtszekerheid.

Indien een ruling bevestigt dat een werk als auteurswerk gekwalificeerd kan worden, dan zullen de vergoedingen voor de cessie of concessie van het werk  ook al roerend inkomen beschouwd worden.

Daarnaast zal bij de ruling ook de omvang van de vergoeding beoordeeld worden, waardoor ook hierover rechtszekerheid bestaat.

Rulingcommissie verstrengt haar beoordeling

Het toekennen van vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt steeds meer toegepast. Om het specifieke karakter van de vergoeding te bewaren, heeft de rulingcommissie  doorheen de jaren haar beoordeling verstrengd. Vooral omtrent de grootte van de vergoedingen zien we in de recente rulings een strengere aanpak.

Volgens de rulingcommissie moet er een onderscheid gemaakt worden tussen vergoedingen uit de cessie of concessie van de auteursrechten en het loon dat de werknemer en/of bedrijfsleider krijgt om zijn functie uit te oefenen. Natuurlijk kunnen beide in elkaar vloeien wanneer een werknemer en/of bedrijfsleider binnen de uitvoering van hun functie een auteurswerk tot stand brengt. Hoe dan ook mag het niet de bedoeling zijn om loon te vervangen door dergelijk roerend inkomen.

Zeker wat betreft bedrijfsleiders is de rulingcommissie heel streng. Zij zal de grootte van de vergoeding steeds beoordelen in functie van de omzet, gerealiseerd door middel van het auteurswerk. Dit houdt in dat de vergoeding steeds marktconform dient te zijn.

Daarnaast kijkt de rulingcommissie in haar beoordeling ook naar de invloed op de boekhoudkundige winst en de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders

Conclusie

Vergoedingen uit de cessie of concessie van een auteurswerk toekennen aan werknemers en/of bedrijfsleiders is fiscaal voordelig. Maar let goed op de voorwaarden. Indien u graag rechtszekerheid wenst, is een ruling aanvragen steeds een goed idee.

Denkt uw onderneming eraan dergelijke vergoedingen toe te kennen? Contacteer aternio om u te adviseren en bij te staan.


Voorzieningen voor risico's en kosten: ter herinnering!

Vanaf aanslagjaar 2019  zijn de fiscale optimalisatiemogelijkheden middels het aanleggen van voorzieningen voor risico’s en kosten sterk beperkt. Dit is te danken aan de hervormingswet van 25 december 2017.  Wat zijn de voorwaarden waarbij dergelijke voorzieningen met Belgische belastingvrijstelling kunnen worden aangelegd?

Voorwaarden belastingvrijstelling

Voor de boekjaren die aanvangen op 1 januari 2018 zijn voorzieningen voor risico's en kosten enkel nog fiscaal aftrekbaar onder volgende voorwaarden. De voorzieningen vloeien voort uit:

(1) verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbare tijdperk; of

(2) wettelijke of reglementaire verplichtingen maar het mag dan niet gaan om verplichtingen die louter voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering.

Deze nieuwe fiscale regels gelden zowel voor nieuwe voorzieningen als voor toevoegingen aan reeds bestaande voorzieningen die vanaf aanslagjaar 2019 gebeuren.

Geen limitatieve lijst

In antwoord op een parlementaire vraag verduidelijkt de minister van Financiën dat er geen limitatieve lijst komt van niet-vrijgestelde voorzieningen. Het komt er dus op neer dat de onderneming zelf geval per geval zal moeten oordelen of een voorziening kan worden aangelegd met  belastingvrijstelling.

Verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van het matching principe op boekhoudrechtelijk vlak zijn zonder meer uitgesloten. Dit principe houdt in dat de kosten (en opbrengsten) zoveel als mogelijk toegerekend worden aan de periode waar ze betrekking op hebben.

Het is alvast ook duidelijk dat een voorziening voor grote herstellingen- en onderhoudswerken niet voldoet aan de nieuwe voorwaarden. Dergelijke voorziening vloeit immers voort uit de éénzijdige wil van de vennootschap. De minister herneemt hiermee het voorbeeld  dat reeds is aangehaald in de voorbereidende werkzaamheden bij de hervormingswet.

Wel aftrekbaar

Voorzieningen die voortvloeien uit een overeenkomst die de onderneming heeft afgesloten met derden  komen wel in aanmerking voor fiscale aftrekbaarheid. In dit geval is namelijk voldaan aan de voorwaarden zoals door de minister aangehaald. Er is dan (a) geen sprake van éénzijdige wil van de onderneming én (b) er is een contractuele verplichting.

Natuurlijk moet dergelijke overeenkomst beantwoorden aan een economische realiteit. Het kunstmatig creëren van een overeenkomst louter met het oog op het bekomen van een belastingvrijstelling zal een fiscale toetsing niet doorstaan.

Volgende voorzieningen voor risico’s en kosten doorstaan in principe de toetsing van de fiscale aftrekbaarheid:

  • voorzieningen voor contractuele garantieverplichtingen;
  • voorzieningen voor wettelijke milieuverplichtingen; of
  • voorzieningen voor ontslagkosten.

Conclusie

Ondernemingen zullen de nodige fiscale aandacht moeten schenken bij het aanleggen van nieuwe of aanvullen van bestaande voorzieningen voor risico's en kosten. De fiscus zal alvast met meer dan een gezonde interesse kijken naar de voorzieningen opgenomen in de jaarrekening.

Daarom zal een onderneming nog meer dan vroeger haar documentatie moeten verzorgen van boekhoudkundig aangelegde voorzieningen. Een fiscaal aftrekbare voorziening moet het gevolg zijn van contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen. Verplichtingen die voortvloeien uit het boekhoudrecht beantwoorden hier alvast niet aan.

Vr. en Antw. Kamer 2017-2018, nr. 54-157, 350.


De fiets: een win-win voor het milieu én de portemonnee.

De fiets is een ecologisch en efficiënt alternatief voor de wagen in het steeds drukkere verkeer. Dit is ook de overheid niet ontgaan. Daarom besloot de wetgever om de reeds bestaande fiscale gunstmaatregelen voor fietsen verder uit te breiden en het gebruik ervan aan te moedigen.

Fiets, e-bike of speed pedelec?

Omwille van vele discussies over welke fiets al dan niet onder bepaalde fiscale gunstmaatregelen viel, heeft de wetgever het begrip “fiets” gedefinieerd alsook uitgebreid.  In de wet van 22 oktober 2017 voorziet de wetgever 3 types “fietsen”, namelijk het rijwiel, het gemotoriseerde rijwiel en de speed pedelec.

De wetgever definieert het rijwiel als “elk voertuig met 2 of meer wielen dat via pedalen of handgrepen met spierkracht wordt aangedreven of uitgerust is met een elektrische hulpmotor tot 250  W die geen ondersteuning meer biedt vanaf 25 km/h, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.” De memorie van toelichting van de wet stelt uitdrukkelijk dat o.a. hoverboards, rolschaatsen, skateboards of monowheels  hier niet onder vallen.

Het gemotoriseerd rijwiel is als volgt beschreven: “elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de rijwielen die opgenomen zijn onder het eerste type.”

Het laatste type is de "speed pedelec”. In de wet als volgt uitgelegd: “elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur.”

Alle types beantwoorden aan de kwalificatie “fiets” waarop de fiscale gunstmaatregelen van toepassing zijn.

In de volksmond spreken ze weleens van de e-bike. De fiscale administratie benadrukt in haar circulaire (circ. 2018/C/5 van 16 januari 2018) dat er geen welomschreven definitie van e-bike bestaat. Dit betekent dat met betrekking tot dergelijke e-bikes de fiscale gunstmaatregelen enkel gelden indien deze voldoet aan één van voorgaande types.

120% aftrekbaarheid

Wanneer een vennootschap een fiets koopt, is deze 120 % aftrekbaar. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat een personeelslid (hieronder ook begrepen een bedrijfsleider) hem gebruikt voor de woon-werkverplaatsingen. Daarenboven dient de fiets over minstens 3 jaar te worden afgeschreven. De verhoogde aftrekbaarheid geldt ook met betrekking tot de kosten van de toebehoren en onderhoud.

De wetgever gaat zelfs nog een stapje verder. Elke investering die het gebruik van de fiets door personeelsleden aanmoedigt, is 120% aftrekbaar als beroepskost. Dit betekent dat ook investeringen in onroerende goederen, bestemd als fietsenstalling, oplaadpunten, kleedruimtes of sanitaire ruimtes hiervoor in aanmerking komen.

Merk wel op dat de wetgever vanaf boekjaar 2020 de aftrekbaarheid bij vennootschappen naar 100% terugdringt.

Voordeel van alle aard

De fiscale administratie belast het kosteloos  ter beschikking stellen van een bedrijfswagen door middel van het aanrekenen van een voordeel van alle aard.

In tegenstelling tot de bedrijfswagen, belast België de terbeschikkingstelling  van een fiets aan een personeelslid niet. Zelfs niet als het personeelslid deze fiets gebruikt voor privéverplaatsingen tijdens weekends of vakanties. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het personeelslid met deze fiets op regelmatige basis woon-werkverplaatsingen.

Fietsvergoeding

De fiets is het enige transportmiddel waarbij u de vrijstelling van het woon-werkverkeer (fietsvergoeding) en de werkelijke beroepskosten mag combineren. Met andere woorden moet de belastingplichtige de ontvangen vergoeding niet van zijn beroepskosten aftrekken.

Per effectieve afgelegde kilometer woon-werkverplaatsing heeft een personeelslid tevens recht op een vergoeding van 23 eurocent (geïndexeerd aanslagjaar 2018), met een maximum van 100 kilometers per enkele rit. Ook bij dienstverplaatsingen kan de onderneming dit bedrag als kostenvergoeding hanteren.

Enkel beroepsmatige verplaatsingen?

Indien een personeelslid de fiets enkel voor beroepsmatige verplaatsingen gebruikt en géén woon-werkverplaatsingen maakt, gaan voornoemde fiscale voordelen verloren. In dat geval heeft de vennootschap slechts recht op 100% aftrek van de kosten. De toekenning van een belastingvrije kilometervergoeding is dan ook niet mogelijk. Daarenboven belast de fiscale administratie het privégebruik van de fiets mogelijk door middel van een voordeel van alle aard bij het personeelslid.

Opgepast, bij speed pedelecs horen ook enkele verplichtingen

U dient uw speed pedelec verplicht in te schrijven bij de Dienst Inschrijvingen Voertuigen (DIV). Na inschrijving ontvangt u een (kleine) nummerplaat. Alvorens de weg op te gaan, moet de speed pedelec van de nummerplaat voorzien te zijn. Vanaf 11 december 2018 riskeert u een boete van 116 euro wanneer u niet aan deze verplichting voldoet.

Om uw speed pedelec in te schrijven, dient u in het bezit te zijn van een gelijkvormigheidsattest. Dit is een document van de fabrikant waarin het voertuigidentificatienummer en de precieze technische kenmerken van de speed pedelec zijn opgenomen.

Op de website van de Vlaamse Overheid vindt u alle informatie over de aanvraagprocedure inzake het gelijkvormigheidsattest en de nummerplaat.

Daarnaast behoren ook het dragen van een goedgekeurde fietshelm met CE-markering en het bezit van rijbewijs AM of B tot de verplichtingen. Als laatste verplichting dient u een BA-verzekering af te sluiten.

Conclusie

De fiets is onder bepaalde voorwaarden nog t.e.m. boekjaar 2019 voor 120% aftrekbaar, nadien 100%. Mits regelmatig woon-werkverkeer is het personeelslid niet belast met een voordeel van alle aard. Bovendien mag de vennootschap aan het personeelslid een belastingvrije vergoeding toekennen! Drie keer langs de kassa dus! Een reden te meer om ook op de fiets(kar) te springen.


Op zoek naar een locatie voor uw bedrijf? Al gedacht aan een steunzone?

Door de locatie van uw bedrijf kan u fiscaal besparen. Klinkt dit te mooi om waar te zijn? Toch niet. Vestig uw onderneming in een Belgische steunzone, investeer met het oog op jobcreatie en krijg vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Vlaanderen heeft momenteel twee afgebakende steunzones (één rond Genk en één rond Turnhout) en weldra komt er een derde bij. Op de steunzone Vilvoorde-Zaventem is het evenwel nog even wachten. Wallonië heeft voorlopig reeds vier steunzones.

Wat is een steunzone?

Een steunzone, soms wel ontwrichte zone genoemd, is een zone waar in het verleden minstens één bedrijf door een zwaar collectief ontslag of faillissement getroffen werd. De Minister van Financiën zorgt voor de wettelijke verankering van dergelijke zone op voorstel van de Gewesten.

Een steunzone mag zich maximaal uitstrekken binnen een straal van 40 km rond een getroffen bedrijf. In principe komen per gewest maximaal 4 collectieve ontslagen in aanmerking. Vervolgens zijn ook de maximale oppervlakte van 2.000 km² en het maximaal aantal inwoners van 200.000 personen wettelijk vastgelegd. Sinds 1 september 2018 kan een steunzone met een straal van 40 km opgesplitst worden in twee steunzones met een straal van 20 km, waardoor de Gewesten meer steunzones kunnen hebben.

De actuele afgebakende steunzones in Vlaanderen bevatten niet alleen alle bedrijventerreinen maar ook de incubatoren en businesscenters en enkele gebieden met een brownfieldconvenant. Op  www.geopunt.be kan u nagaan of uw bedrijf gelegen is in een steunzone. Selecteer rechts 'bouwen en wonen', vervolgens 'bedrijven' en tot slot  'steunzones'.

Wat is het voordeel?

Ondernemingen die investeren in een steunzone en hier nieuwe personeelsleden tewerkstellen kunnen genieten van de gedeeltelijke en tijdelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. In concreto betekent dit dat zij 25 % van de bedrijfsvoorheffing, ingehouden op de lonen van de nieuwe werknemers, voor zichzelf mag houden.

De vrijstelling geldt vanaf de datum van indiening van de aanvraag tot de laatste dag van de 35e maand na de maand van voltooiing van de investering. Het voordeel is een besparing van ongeveer 4 à 5% op de loonkost. De vrijstelling is per investering beperkt tot maximum 7,5 miljoen euro. Voor grote ondernemingen dient wel rekening te worden gehouden met Europese steunplafonds

Voor welke investeringen?

Om van deze subsidieregeling te genieten, moet een onderneming aan bepaalde voorwaarden voldoen.

De allereerste voorwaarde is de verplichting tot investeren in een steunzone. Onmiddellijk roept dit ook de vraag op welke investeringen hiermee bedoeld zijn en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.

De investering moet betrekking hebben op materiële of immateriële vaste activa. Daarenboven moeten deze investeringen verband houden met de oprichting, diversificatie, uitbreiding of fundamentele wijziging van het productieproces van de onderneming. De uitbreiding of wijziging van het productieproces geldt enkel indien de onderneming een kmo is.

Daarnaast moet de steunaanvraag worden ingediend binnen de 3 maanden nà voltooiing van de investering. De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing is verloren bij overschrijding van de verwachte voltooiingsdatum van de investering met 6 maanden. De voltooiingsdatum staat voor de datum van effectieve ingebruikname van de investering door de werkgever.

Nieuwe tewerkstelling creëren is verplicht?

Tegelijk dient de investering nieuwe tewerkstelling te creëren na indiening van de steunaanvraag én voor het verstrijken van de 36ste maand volgend op de voltooiing van de investering. Deze nieuwe tewerkstelling houdt in dat het totaal aantal werknemers (incl. uitzendkrachten) toeneemt ten opzichte van het gemiddeld aantal tewerkgestelden, berekend 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag betreffende de toepassing van deze regeling. De wet vereist betaling van de bezoldiging van de nieuwe werknemer binnen de twee jaar vanaf de oorspronkelijke tewerkstelling.

Hoelang moet de tewerkstellingsplaats blijven bestaan?

De nieuw gecreëerde arbeidsplaats moet gedurende minstens 3 jaar voor kmo's en 5 jaar voor grote ondernemingen behouden blijven. Gedurende deze termijn dient zij haar karakter van "nieuw" te behouden. De bewijslast weegt op de onderneming zelf. Niet respectering van deze termijn leidt tot verlies van de vrijstelling. De onderneming zal dan alsnog de vrijgestelde bedrijfsvoorheffing moeten doorstorten.

kmo of grote onderneming?

Sommige voorwaarden zijn afhankelijk of de onderneming al dan niet een kmo is. Ondernemingen waarvan 25% of meer van het kapitaal of stemrechten in handen is van een overheid, kunnen in geen geval kmo zijn.

De wetgever hanteert hier een specifieke definitie van kmo. Enerzijds gebaseerd op de criteria gehanteerd in de Europese staatssteunregeling en anderzijds de Belgische fiscale kmo-definitie wanneer er samenhang is met andere vennootschappen. In geen geval mogen volgende criteria in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken worden overschreden: 250 werknemers (voltijdse eenheden) tewerkstellen en een jaaromzet van 50 miljoen euro of een balanstotaal van 43 miljoen euro.

Voor grote ondernemingen is het noodzakelijk dat de steunzone samenvalt met de door Europa goedgekeurde 'regionale steunkaart' én dat de investering betrekking heeft op nieuwe vestigingen of nieuwe activiteiten van bestaande vestigingen.

Kan u vrijstellingen inzake bedrijfsvoorheffing combineren?

Het is mogelijk de vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing te combineren met de algemene vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing, de vrijstelling voor nacht- en ploegarbeid of de vrijstelling voor startende ondernemingen.

Daarentegen is de vrijstelling niet combineerbaar met de andere vrijstellingen van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing zoals vrijstelling voor koopvaardij-, bagger- en sleepvaart, voor wetenschappelijk onderzoek, voor visserij en voor sportbeoefenaars. Daarnaast bestaat er ook een cumulverbod met de vrijstelling voor overwerk. Toch geldt deze beperking slechts voor het deel van de bezoldiging dat betrekking heeft op het overwerk zelf. Dit betekent dat het verbod zich niet uitspreidt over de volledige dag of maand.

Conclusie

Kortom, de steunmaatregel biedt ondernemingen die willen investeren in steunzones de kans om 4 à 5 % te besparen op de loonkost van nieuwe werknemers. Hieruit volgt ook jobcreatie in de betrokken gebieden.

Zoals steeds bij steunmaatregelen is het noodzakelijk om aan alle voorwaarden te voldoen en de nodige formaliteiten na te leven. De juiste keuze i.v.m. de indieningsdatum van de aanvraag is heel belangrijk.

Indien u interesse heeft in de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij investeringen in steunzones, aarzel dan niet om aternio te contacteren.


Ti-ta-tantième: de truc voor een lagere belastingdruk?

Naar aanleiding van het afsluiten van het boekjaar kan de algemene vergadering van een vennootschap beslissen om tantièmes uit te keren. Dit zijn vergoedingen aan één of meer bestuurders van een vennootschap die fiscaal doorwerken op het afgesloten boekjaar. Wat maakt van een tantième, in vergelijking met een dividend, een interessant alternatief om winst uit te keren?

Uitkering en verloning

Tantièmes zijn, net zoals dividenden, winstuitkeringen die een algemene vergadering toekent. Zowel een dividend als een tantième vormen een optie om winst uit de vennootschap te halen. Hier houdt de vergelijking tussen beiden ook op. Wat maakt dan net het verschil?

De toekenning van een tantième vereist dat de begunstigde een bestuurdersfunctie heeft in de vennootschap, terwijl men voor een dividenduitkering aandeelhouder moet zijn. Een tantième is niet alleen een winstuitkeringstechniek, maar het is ook een manier om één of meer bestuurders van een vennootschap te belonen. Inderdaad, niet elke bestuurder hoeft een tantième te krijgen en de tantième is niet noodzakelijk evenredig.

De begunstigde van een tantième kan zowel een natuurlijk persoon als een andere vennootschap zijn. Bij een kmo is het bovendien niet uitzonderlijk dat men niet alleen bestuurder maar ook aandeelhouder is. In dergelijke situatie heeft men dus een dubbele pet op. Diverse mogelijke winstuitkeringen zijn dan mogelijk.

Tantième en belastingen

Ook fiscaalrechtelijk onderscheidt een tantième zich van een dividend. Een tantième wordt als een bezoldiging aanzien en wordt aldus afgetrokken van het fiscaal resultaat van de vennootschap. Dit is niet het geval bij een dividenduitkering. Kortom, bij een tantième wordt de belasting betaald door de genieter, bij een dividend betaalt de uitkerende vennootschap de belasting. Opmerkelijk is ook dat de tantième fiscaal van de winst wordt afgetrokken in het jaar waarop ze betrekking heeft, dus niet in het jaar waarin de tantième is toegekend. Door haar winst op deze manier te bestemmen, kan een vennootschap haar fiscaal resultaat optimaliseren. Let wel: bij toekenning van een tantième aan een natuurlijke persoon mag de vennootschap niet vergeten om bedrijfsvoorheffing in te houden.

Bij een natuurlijke persoon worden tantièmes belast als een bedrijfsleidersbezoldiging. De genieter draagt er dus ook zelf sociale bijdragen voor af, betaalt personenbelasting en gemeentelijke opcentiemen. Wanneer men tantièmes uitkeert aan een rechtspersoon is er btw verschuldigd.

Tantième - timing

Wat een tantième nog meer fiscaal optimaal maakt ten opzichte van een bezoldiging, is de timing. Een tantième is, zoals gezegd, aftrekbaar in het jaar waarin de winst is gemaakt, niet in het jaar waarin de beloning is toegekend. De fiscus belast de genieter in in het jaar van de effectieve toekenning of betaalbaarstelling. Door een gebrek aan het 'matching principe' is de belasting de facto uitgesteld.

Bijvoorbeeld: een vennootschap maakt winst in het jaar 2018. De algemene vergadering van aandeelhouders, uiterlijk 6 maanden na het afsluiten van het boekjaar, in 2019 beslist om een tantième toe te kennen. Op die manier verlaagt het belastbaar resultaat van 2018. De bestuurder ontvangt de beloning pas in 2019 en betaalt dan belasting.

Daarnaast behoort een tantième tot de bezoldigingen die meetellen voor de berekening van de minimumbezoldiging als voorwaarde voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. Een vennootschap kan bovendien middels een tantième ook na het afsluiten van het boekjaar nog ontsnappen aan de afzonderlijke aanslag bij gebrek aan minimumbezoldiging.

Bestuurdersprestaties

De verkrijger van een tantième moet een bestuursfunctie hebben in de vennootschap, ongeacht of hij ook aandeelhouder is. Deze éénmalige vergoeding is, net zoals een bonus, niet zozeer gelinkt aan de specifieke prestaties van de bestuurder, maar eerder aan het feit dat een vennootschap winst heeft gerealiseerd mede dankzij de inspanningen van de bestuurder.

Opgelet: wanneer aan de hand van tantièmes sprake is van ongeoorloofde winstverschuiving naar een  vennootschap. De fiscus kan de uitkering ervan mogelijk beschouwen als fiscaal misbruik. "Fictieve constructies" zijn absoluut te mijden.

Conclusie

Tantièmes zijn omwille van hun gunstige timing en winstverlagend effect een mooie fiscale plannings- en uitkeringstechniek. Voorzichtigheid blijft de moeder van de porseleinkast en dus is ongeoorloofd gebruik te mijden.


Het prijskaartje van onttrekking van een onroerend goed uit een vennootschap

Uw vennootschap bezit reeds geruime tijd een onroerend goed, maar u wenst dit onroerend goed te verkrijgen. Dit kan, maar welk prijskaartje inzake registratierechten hangt aan deze onttrekking vast? Geldt het verkooprecht, het verdeelrecht of het algemeen vast recht?

Basisregel: verkooprecht

Indien een vennoot een onroerend goed verkrijgt, is hierop in principe het verkooprecht van toepassing. Het verkooprecht in het Vlaams Gewest is recentelijk hervormd. Het verkooprecht bedraagt op vandaag 7%. In onze eerdere blog vindt u uitgebreid de nieuwe regeling.

Uitzonderingen

Op de hierboven uiteengezette basisregel gelden enkele uitzonderingen.  Om tot de uitzonderingen te behoren dienen twee voorwaarden te worden vervuld.

  1. Allereerst dient de vennootschap,waarvan de enige vennoot het onroerend goed verkrijgt, de vorm van een bvba, v.o.f., comm. V of landbouwvennootschap te hebben.
  2. Daarnaast moet deze enige vennoot het onroerend goed zelf in het verleden hebben ingebracht in de vennootschap. Een andere mogelijkheid is dat deze enige vennoot reeds op het ogenblik van de verkrijging van het onroerend goed door de vennootschap met toepassing van het verkooprecht vennoot was.

Indien dit het geval is, dan wordt de verkrijging van het onroerend goed volgens haar “werkelijke aard” belast. Dit betekent dat het verdeelrecht of het algemeen vast recht van toepassing zal zijn.

Algemeen vast recht?

Het algemeen vast recht bedraagt 50 euro en wordt aanzien als een vergoeding voor de administratieve verwerking.

Het algemeen vast recht is van toepassing op de registratie van alle akten, waarbij het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten geen evenredig of specifiek vast recht bepaald. Ook indien het Wetboek in een vrijstelling voorziet, waarbij niet expliciet is opgenomen dat de registratie kosteloos kan geschieden, zal het algemeen vast recht gelden.

Verdeelrecht?

Soms behoort een onroerend goed aan verschillende mede-eigenaars toe. Wanneer een onroerend goed met verschillende mede-eigenaars wordt verdeeld, is het verdeelrecht verschuldigd. Het verdeelrecht bedraagt 2,5%.

Dit is onder andere het geval wanneer een vennoot een onroerend goed verkrijgt van zijn vennootschap en waarbij eerst de vennootschap en de vennoot van deze vennootschap in eigen persoon eigenaar waren van het onroerend goed.

Voorbeeld: éénpersoonsbvba

Bij een éénpersoonsbvba is er slechts één enkele vennoot. Laat ons even uitgaan dat de vennootschap vereffend wordt, welke situaties zijn dan mogelijk?

De eerste vraag die gesteld moet worden is of de algemene regel, met name het verkooprecht geldt. Volgende vragen dienen hiervoor te worden gesteld.

  1. Welke vennootschapsvorm heeft de vennootschap? Is dit geen bvba, vof, Comm. V. of landbouwvennootschap? Nee, het verkooprecht zal gelden
  2. Indien het wel één van deze vennootschapsvormen betreft, heeft de vennoot het onroerende goed in het verleden zelf ingebracht? Nee, het verkooprecht zal gelden.
  3. Was hij reeds vennoot op het ogenblik dat de vennootschap het onroerende goed verwierf met betaling van verkooprecht? Nee, het verkooprecht zal gelden.

Indien het wel om één van de desbetreffende vennootschapsvormen gaat en de vennoot heeft het onroerend goed zelf ingebracht of was vroeger reeds vennoot, dan is er sprake van een uitzondering op de algemene regel.  Of het algemeen vast recht dan wel het verdeelrecht geldt, hangt af van het bezit van de eigendomsrechten van de vennoot voor de verkrijging van het onroerende goed.

Waren de vennootschap en de vennoot reeds allebei eigenaar van het onroerende goed voor het ogenblik van de verkrijging in kwestie?

  • Nee, het algemeen vast recht geldt.
  • Ja, het verdeelrecht geldt.

Conclusie

Het prijskaartje van het verkrijgen van een onroerend goed uit uw vennootschap hangt af van de situatie waarin u zich als vennoot bevindt. Wenst u een onroerend goed uit uw vennootschap te onttrekken, dan kan aternio u bijstaan.