Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, jurylid, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.
Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.


Huwen met (zuivere) scheiding van goederen

Het huwelijksvermogensrecht heeft sinds 1 september 2018 een heuse make-over beleefd. Eerder hebben we het al gehad over het gemeenschappelijk stelsel. Er is ook nog het stelsel van scheiding van goederen.

De wetgever heeft met het idee is gespeeld om de zuivere scheiding van goederen niet langer toe te staan. Uiteindelijk is het ook na 1 september 2018 nog mogelijk om de keuze te maken voor een stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Scheiding van goederen: zuiver of niet?

Wat is dat scheiding van goederen? Het stelsel van scheiding van goederen kent twee substelsels: de zuivere scheiding en de scheiding met corrigerende clausules.

De zuivere scheiding van goederen is het meest drastisch. Er is namelijk géén gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot heeft enkel zijn of haar eigen vermogen. Vanzelfsprekend kunnen de echtgenoten wel samen goederen bezitten in onverdeeldheid. Tegenstanders van het behoud van de zuivere scheiding vonden dat liefde en vermogensrechtelijke solidariteit moeten primeren. Uiteindelijk hebben de voorstanders het gehaald en geldt contractuele vrijheid ook bij een huwelijk. Maar ...

Voortaan geldt een dubbele set van bepalingen vooraleer men kan huwen onder zuivere scheiding van goederen. Ten eerste bepaalt de wet zelf welke corrigerende bepalingen mogelijk zijn. Het beding van verrekening van aanwinsten is hierbij de grote promotiekampioen, hierover dadelijk meer. Ten tweede krijgt de notaris een duidelijke informatieplicht. In het huwelijkscontract moet namelijk expliciet verwezen worden naar de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.

Bewijs van schuldvordering en andere aanpassingen

Zowel het bewijs van eigendom als het bewijs van schuldvordering kan voortaan geleverd worden door getuigen, vermoedens en 'algemene bekendheid'. Het wettelijk bewijssysteem en de eis voor een geschrift vanaf 375 euro gelden niet tussen echtgenoten.

De echtgenoot die goederen heeft beheerd van de andere moet zich verantwoorden over het beheer en in het bijzonder de inkomsten die tijdens dit beheer zijn geïnd. Hiermee volgt de wetgever het Grondwettelijk Hof dat eerder had geoordeeld dat de verplichting tot rekening en verantwoording essentieel zijn voor elke lastgeving. De echtgenoot-beheerder is dus niet vrijgesteld van deze verantwoording.

Het verkoopverbod tussen echtgenoten is afgeschaft en er is geen rechterlijke machtiging meer nodig bij aankoop van het aandeel van de andere echtgenoot in een onverdeeld goed.

Corrigerende clausules

Zoals al aangeven is het mogelijk om het stelsel van de scheiding van goederen te modaliseren. In dit geval is er geen sprake meer van zuivere scheiding van goederen. Uiteraard moeten de toegevoegde bedingen verenigbaar zijn met het stelsel van scheiding van goederen.

Voorbeelden van toegelaten corrigerende clausules zijn bedingen met betrekking tot bewijsvoering inzake eigendom en schuldvordering, verrekenbedingen tussen vermogens, bedingen inzake regeling van onverdeeldheden die tussen echtgenoten zouden bestaan.

Het gevaar schuilt vooral in de externe werking (ten aanzien van schuldeisers) bij de creatie van een gemeenschap , een doel- of bestemmingsvermogen of onverdeeldheid. Zolang geen regels van het gemeenschappelijk stelsel van toepassing worden verklaard is er geen punt. De toevoeging van een verrekenbeding zorgt niet voor problemen op dit vlak.

Verrekenbedingen

Al wie een beding van verrekening van aanwinsten toevoegt, is onderworpen aan wettelijke bepalingen terzake (art. 1469/1 tot /13 BW). De wet bepaalt hoe men de vergelijking maakt tussen het eindvermogen en het aanvangsvermogen.  Dit verschil is de vermogensaanwas. De echtgenoot die meer vermogensaanwas heeft verwezenlijkt dan de andere echtgenoot is een bedrag verschuldigd gelijk aan de helft van het verschil.

De precieze vaststelling van het aanvangs- en eindvermogen is eveneens wettelijk geregeld. Zo moet men rekening houden met schulden, erfenissen en schenkingen of het verkwistend of bedrieglijk omgaan met het vermogen. De wet laat toe dat echtgenoten afwijken van de wettelijke regels. Het is dus perfect mogelijk om de verrekening te beperken tot enkele goederen of andere verrekensleutels te voorzien bij overlijden of echtscheiding.

Huwelijksvoordelen

Huwelijksvoordelen zijn de voordelen die ontstaan uit de werking, de samenstelling en de vereffening of verdeling van het stelsel. In principe is een toegekend huwelijksvoordeel nooit een gift en dus niet onderworpen aan de schenkingsregels. Dit is absoluut het geval bij een gelijke verdeling van aanwinsten. Hetgeen impliceert dat kinderen niet kunnen inroepen dat hun erfrechtelijke reserve is aangetast. Dit is ook zo in een stiefouderrelatie.

Bij een stelsel van scheiding van goederen, bijvoorbeeld aangevuld met een verrekenbeding, of een intern gemeenschappelijk vermogen, zal het toegekende voordeel aan de langstlevende niet als een gift worden aanzien. Geen risico op inkorting mits rekening te houden met de wettelijke bepalingen inzake samenloop met gemeenschappelijke (en eventueel niet gemeenschappelijke) kinderen.

Billijkheidscorrectie bij echtscheiding

Echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen kunnen bij echtscheiding aan de rechter vragen om een billijkheidscorrectie. Dergelijke correctie is een compensatie onder de vorm van een beperkte verrekening van aanwinsten. Voorwaarden zijn wel dat de verzoekende echtgenoot kan aantonen dat (a) de omstandigheden sinds het sluiten van het huwelijkscontract onvoorzien en ongunstig zijn gewijzigd en (b) dat er niet voldoende eigen vermogen is.

Door de rechterlijke correctie is het mogelijk om de manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot te remediëren. De compensatie is beperkt tot één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk, verminderd met de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoeker.

Een eenvoudig voorbeeld ter illustratie. De vrouw heeft aanwinsten voor 800 en de man heeft aanwinsten van 100. Samengevoegd is dit 900. Mits te voldoen aan de voorwaarden kan de man daarvan één derde eisen (300) verminderd met de eigen aanwinsten (100). De rechter kan maximaal 200 toekennen.

Echtgenoten kunnen ervoor opteren deze billijkheidscorrectie contractueel uit te sluiten. Ze is immers niet dwingend van aard. Een uitsluiting vereist wel dat de keuze expliciet wordt gemaakt in het huwelijkscontract. Bovendien  is de notaris op straffe van aansprakelijkheid verplicht de echtgenoten op de keuze te wijzen en de notaris maakt hiervan ook uitdrukkelijk melding.

De billijkheidscorrectie geldt niet voor echtgenoten die voor 1 september 2018 zijn gehuwd, ongeacht de datum waarop ze uit de echt scheiden.

Conclusie

Huwen onder zuivere scheiding van goederen is nog altijd toegestaan. De mogelijkheden om een stelsel van scheiding van goederen te moduleren met corrigerende clausules maakt het het stelsel interessant. De keuze voor een rechterlijke billijkheidsclausule kan bij echtscheiding helpen om de manifest onbillijke gevolgen na onvoorziene en ongunstige wijzigingen te beperken.

Samen met uw notaris kunnen de juristen van aternio u helpen bij het maken van de meest aangewezen keuze.


Hype van auteursrechten ontgaat ook fiscus niet!

Steeds meer ondernemingen betalen aan hun werknemers of bedrijfsleiders vergoedingen voor de cessie of concessie van auteursrechten, vanwege het fiscaal gunstig karakter. De tsunami aan vragen bij de rulingcommissie hieromtrent is enorm. De rulingcommissie wordt in ieder geval strenger bij het beoordelen van de voorwaarden en de modaliteiten van de vergoeding.

Is alles zomaar een werk dat auteursrechten verleend?

Werken die aan de hierna genoemde voorwaarden voldoen, vallen onder de auteurswet. Het auteursrecht beschermd precies deze werken.

Vooreerst dient het werk door creativiteit tot stand te zijn gekomen. Dit betekent concreet dat het werk het veruitwendigen van de creatieve geest moet zijn. Dit mag zowel literair als artistiek zijn. Voorbeelden zijn schilderijen, beeldhouwwerken, computerprogramma’s, geschreven artikels, …

Als tweede voorwaarde geldt dat het werk zintuiglijk waarneembaar moet zijn. Dit is te verklaren doordat het auteursrecht de vorm beschermd. Het loutere idee of concept achterliggend wordt niet door het auteursrecht beschermd.

Daarnaast stelt de wetgever dat het werk origineel dient te zijn. De wetgever meent dat er sprake is van originaliteit wanneer het werk de persoonlijkheid van de auteur vertoont. Dit houdt in dat het werk reeds eerder mag vertoont of gemaakt zijn. Het is daarentegen wel van essentieel belang dat de auteur zijn eigen persoonlijkheid in het werk legt. Hij dient er aldus een persoonlijke toets aan te geven.

Werknemer is auteur, maar wat met werkgever?

Het komt heel vaak voor dat een werknemer een auteurswerk maakt in opdracht van een werkgever. De werkgever-onderneming gebruikt dit werk voor de exploitatie van zijn onderneming. Indien een cessie of concessie van auteursrechten vergoed wordt, is dit een roerend inkomen in hoofde van de werknemer. Hoewel de werknemer dit meestal ervaart als loon, heeft deze vergoeding een andere fiscaal regime.

Fiscaal regime

Eerst en vooral is de belastingdruk op dergelijke vergoedingen lager. Op de vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt namelijk slechts 15% roerende voorheffing ingehouden.

Wat de kosten betreft, kent dit regime ook een aantrekkelijk kostenforfait.

Het staat iedereen vrij om te kiezen voor het forfait dan wel de werkelijke kosten. Deze werkelijke kosten dienen dan wel bewezen te worden. 

Belang van een ruling

Aangezien het niets steeds evident is om te beoordelen of een werk al dan niet als auteurswerk wordt gekwalificeerd, is het handig om een ruling aan te vragen. In een eerdere bijdrage gaven we reeds aan wat een ruling inhoudt en hoe de procedure verloopt. Kort samengevat, een ruling geeft fiscale rechtszekerheid.

Indien een ruling bevestigt dat een werk als auteurswerk gekwalificeerd kan worden, dan zullen de vergoedingen voor de cessie of concessie van het werk  ook al roerend inkomen beschouwd worden.

Daarnaast zal bij de ruling ook de omvang van de vergoeding beoordeeld worden, waardoor ook hierover rechtszekerheid bestaat.

Rulingcommissie verstrengt haar beoordeling

Het toekennen van vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt steeds meer toegepast. Om het specifieke karakter van de vergoeding te bewaren, heeft de rulingcommissie  doorheen de jaren haar beoordeling verstrengd. Vooral omtrent de grootte van de vergoedingen zien we in de recente rulings een strengere aanpak.

Volgens de rulingcommissie moet er een onderscheid gemaakt worden tussen vergoedingen uit de cessie of concessie van de auteursrechten en het loon dat de werknemer en/of bedrijfsleider krijgt om zijn functie uit te oefenen. Natuurlijk kunnen beide in elkaar vloeien wanneer een werknemer en/of bedrijfsleider binnen de uitvoering van hun functie een auteurswerk tot stand brengt. Hoe dan ook mag het niet de bedoeling zijn om loon te vervangen door dergelijk roerend inkomen.

Zeker wat betreft bedrijfsleiders is de rulingcommissie heel streng. Zij zal de grootte van de vergoeding steeds beoordelen in functie van de omzet, gerealiseerd door middel van het auteurswerk. Dit houdt in dat de vergoeding steeds marktconform dient te zijn.

Daarnaast kijkt de rulingcommissie in haar beoordeling ook naar de invloed op de boekhoudkundige winst en de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders

Conclusie

Vergoedingen uit de cessie of concessie van een auteurswerk toekennen aan werknemers en/of bedrijfsleiders is fiscaal voordelig. Maar let goed op de voorwaarden. Indien u graag rechtszekerheid wenst, is een ruling aanvragen steeds een goed idee.

Denkt uw onderneming eraan dergelijke vergoedingen toe te kennen? Contacteer aternio om u te adviseren en bij te staan.


Erfenis belastingvrij naar kleinkinderen via doorgeefschenking

Stel u erft van uw ouders een mooie som geld. Maar u bent inmiddels 60 jaar en heeft het geld eigenlijk niet meer nodig. Uw kinderen daarentegen, prille dertigers, zouden het geld goed kunnen gebruiken voor de verbouwing van hun huis of de start van hun eigen zaak.

De oplossing bestaat erin om uw erfenis onmiddellijk door te schenken aan uw kinderen, dus de kleinkinderen van de erflater. Dit is de zogenaamde “doorgeefschenking”.

Belastingvrij vanaf 1 september 2018

Vanaf 1 september 2018 kan u in Vlaanderen een deel van uw erfenis meteen aan uw kinderen of kleinkinderen doorschenken zonder schenkbelastingen te betalen, mits u aan een aantal voorwaarden voldoet.

Het vermogen van de grootouders komt bij zo’n generatiesprong rechtstreeks in het vermogen van de kleinkinderen terecht.

Voorwaarden m.b.t. erfenis

De erfenis belastingvrij doorschenken kan op voorwaarde dat de erflater na 31 augustus 2018 is overleden. Op de erfenis moet ook reeds erfbelasting zijn geheven door het Vlaams Gewest.  De erflater zal dus de laatste vijf jaar vóór zijn overlijden in Vlaanderen (niet Brussel of Wallonië) moeten hebben gewoond.

Voorwaarden m.b.t. doorgeefschenking

Aan de schenking zelf zijn ook enkele voorwaarden verbonden.

-Ten eerste moet de erfenis binnen het jaar na het overlijden van de erflater worden doorgeschonken.

-Verder geldt de schenking enkel aan ‘afstammelingen’, dit zijn dus de kinderen, kleinkinderen enz. Ook stiefkinderen zouden hieronder vallen.

-De doorgeefschenking kan ook pas gebeuren indien de erfbelasting werkelijk is betaald, en dit om misbruik tegen te gaan.

-De schenking moet gebeuren bij notariële akte en mag geen opschortende voorwaarden of termijnen bevatten.

-Tot slot kan voor de fiscale vrijstelling de waarde van de schenking niet hoger zijn dan de waarde van de geërfde goederen.

Enkel waarde schenken volstaat.

We geven ook nog even mee dat het volstaat om enkel de waarde van de erfenis te schenken, en niet per se de goederen zelf. Een voorbeeld ter verduidelijking: indien u een effectenportefeuille ter waarde van € 300.000 erft van uw ouders, kan u de som van € 300.000 doorschenken aan uw kinderen, zonder dat u de portefeuille zelf uit handen moet geven.

 


Wettelijk stelsel: beroepsinkomsten en professionele autonomie in het nieuw

Zoals reeds in een introductiebijdrage is geschreven is het Belgisch huwelijksvermogensrecht sinds 1 september 2018 vernieuwd. Zo zijn een aantal nieuwe regels geïntroduceerd inzake het wettelijk stelsel met  betrekking tot beroepsinkomsten en professionele autonomie.

Wettelijk stelsel - gemeenschap van aanwinsten

De basis van het wettelijk stelsel is door de nieuwe wetgeving niet veranderd. Het is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Wat impliceert dat vooral de beroepsinkomsten vallen binnen het gemeenschappelijk vermogen, net zoals de spaaropbrengsten die deze inkomsten genereren. Alle bezittingen (activa) en alle schulden (passiva) waarvan men niet kan bewijzen dat ze eigen zijn, zijn gemeenschappelijk.

Elke bijzaak (accessorium) van een eigen goed is voortaan ook een eigen goed. Hierbij bestaat geen onderscheid tussen roerende en onroerende goederen. Daarenboven is een roerend goed eigen zodra het voor meer dan vijftig percent betaald is met eigen gelden.

Beroepsinkomsten

Enkel de beroepsinkomsten waarvan het recht op die inkomsten is ontstaan door arbeid of prestaties tijdens het bestaan van de huwgemeenschap vallen in de gemeenschap. Wat ervoor of erna is verdiend valt er buiten. Dit is nu in het bijzonder geregeld voor de opzeggingsvergoeding en de vergoeding van persoonlijke schade.

De opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst komen aan de gemeenschap toe voor dat deel dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het wettelijk stelsel loopt.

Bij uitkeringen ter vergoeding van persoonlijke schade, bijvoorbeeld naar aanleiding van een arbeids- of verkeersongeval, onderscheiden de schadecomponenten zich ook voor het huwelijksvermogensstelsel. Wat betekent dit concreet?

Schadevergoeding tot herstel van persoonlijke ongeschiktheid die geen betrekking hebben op economische waardeerbare gevolgen van aangetaste fysieke of psychische integriteit, is eigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vergoedingen die pijnen of beperkingen, als gevolg van het letsel, compenseren in het dagelijkse leven.

Schadevergoedingen die daarentegen huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel compenseren behoren toe aan de gemeenschap. Hiervan is sprake bij vergoedingen voor de aantasting van het potentieel om huishoudelijke, professionele of lucratieve taken te verrichten. Ook de vergoeding voor de aantasting van de concurrentiekracht op de arbeidsmarkt is hiervan een voorbeeld.

Professionele autonomie

Hoewel de beroepsinkomsten tot de gemeenschap behoren moet elke echtgenoot voldoende autonomie hebben om een eigen professionele loopbaan te ontwikkelen. Inmenging van de andere echtgenoot in deze keuze is in principe niet geoorloofd.

Dit blijkt voldoende uit het basisprincipe waarbij elke echtgenoot, zolang de belangen van het gezin niet in gevaar komen, het recht heeft een beroep naar keuze uit te oefenen. Daarenboven int elke echtgenoot zijn eigen beroepsinkomen. Weliswaar met inachtneming van de juiste bestedingsvolgorde: beroepsinkomsten dienen bij voorrang voor de gezinslasten en het overschot mag vervolgens professioneel besteed worden.

In het verlengde van de professionele autonomie geldt dat elke echtgenoot eigenaar kan zijn van zijn professionele uitrusting. Dit laatste ook bij ontbinding van het stelsel.

Professionele uitrusting

De opsplitsing tussen het titularis zijn van het recht ('titre') en de vermogenswaarde ('finance') van het goed geldt voortaan ook voor de professionele uitrusting. Het recht om te handelen als eigenaar van de professionele uitrusting is eigen, de vermogenswaarde op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel is daarentegen gemeenschappelijk.

Goederen, zowel onroerend als roerend, die een echtgenoot exclusief professioneel gebruikt zijn zonder meer eigen. Bijgevolg kan deze echtgenoot zich ook als eigenaar ('titre') gedragen. Dit is niet zo wanneer de echtgenoten samen het beroep of het bedrijf uitbaten. Voor goederen die door één van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn gekocht, komt de vermogenswaarde ('finance') toe aan de gemeenschap.

Als alleen de vermogenswaarde gemeenschappelijk is komt de 'finance' alleen toe aan de gemeenschap op het moment van verkoop of bij ontbinding van het stelsel. Opgelet: dit is dus niet de waarde op het ogenblik van verdeling.

Cliënteel

Het cliënteel komt exclusief en persoonlijk toe aan de beroepsactieve echtgenoot. Dit is volledig naar analogie met autonome beoefening van het beroep of de uitbating van het bedrijf.

De waarde van het cliënteel is gemeenschappelijk voor zover ze tijdens het stelsel is opgebouwd. In tegenstelling tot de vermogenswaarde van de professionele uitrusting of de aandelen in een professionele vennootschap geldt hier de economische waarde. Met andere woorden het cliënteel moet (a) ten gelde kunnen worden gemaakt en (b) verhandelbaar zijn. Is dit niet het geval dan is er geen sprake van waarde.

Oefenen de echtgenoten samen hetzelfde beroep uit dan is er vanzelfsprekend geen 'titre" en 'finance'. Het cliënteel, opgebouwd tijdens het stelsel, is dan zonder meer gemeenschappelijk. Van preferentiële toewijzing is geen sprake.

Aandelen in een professionele vennootschap

Vennootschapsaandelen op naam van één echtgenoot, verworven met gemeenschappelijke gelden, kunnen toch eigen zijn. Dit kan echter slechts voor aandelen van twee soorten vennootschappen.

Vooreerst gaat het om aandelen van een vennootschap waar slechts één echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent. Tweede type is de vennootschap waarbij het intuitu personae karakter in hoofde van de echtgenoot-aandeelhouder essentieel is. Deze persoonsgebondenheid kan objectief vastgesteld worden aan de hand van bijvoorbeeld overdraagbaarheidsbeperkingen of voorkoopclausules in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst.

In alle andere vennootschappen zijn de aandelen ofwel eigen ofwel gemeenschappelijk. Bij gemeenschappelijke aandelen is preferentiële toewijzing uitgesloten.

Neutraliteit van beroepsuitoefening via vennootschap

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht wil vermijden dat de gemeenschap nadeel ondervindt van het feit dat één echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent via een vennootschap. Vanzelfsprekend is dit niet zo wanneer de aandelen toebehoren aan de gemeenschap. De vermogenswaarde is dan gemeenschappelijk, net als het loon en de dividenden die worden uitgekeerd.

Anders is het wanneer de aandelen volledig eigen zijn aan de echtgenoot. Dit is zo met aandelen die de echtgenoot bezat voor het huwelijk of die verkregen zijn uit een schenking of een erfenis. Het hoeft weinig toelichting dat de echtgenoot de inkomstenstromen kan 'sturen' waardoor de gemeenschap is benadeeld. Een beperkte loontoekenning of  winstuitkering zijn hiervan voorbeelden.

De nieuwe wetgeving heeft daarom een vergoedingsregeling uitgewerkt. Met name voorziet zij in een compensatie voor niet geïnde nettoberoepsinkomsten die de gemeenschap redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet via een eigen vennootschap was uitgeoefend. De waardevermeerdering van de aandelen  blijft buiten schot. De beweegredenen voor de minder ontvangsten zijn irrelevant. Het doet er dus niet toe of het bijvoorbeeld kwaadwillig was of om fiscale redenen.

De 'benadeelde' mede-echtgenoot kan op basis van een vergelijkende analyse proberen aantonen dat dezelfde beroepsactiviteit in een ander kader, zelfstandig of in vennootschap met niet eigen aandelen, meer had gegenereerd. Het is dat meerdere dat bij de ontbinding van het stelsel voor de gemeenschap kan worden opgeëist.

De 'onderbetaalde' echtgenoot kan zich verdedigen tegen deze eis tot vergoeding. Op basis van voor te leggen vennootschapsdocumenten kunnen argumenten voor de mindere inkomstenstroom naar voor worden geschoven. Indien partijen het hierover niet eens worden zal de rechter, na tussenkomst van een expert, oordelen.

Toepassing in de tijd

Inzake opzeggingsvergoeding en vergoeding van persoonlijke schade gelden de regels ook voor uitkeringen verkregen voor 1 september 2018. De nieuwe regels inzake professionele autonomie (uitrusting, cliënteel, aandelen) en neutraliteit gelden voor al wie gehuwd is voor 1 september 2018  enkel voor verkregen goederen respectievelijk gederfde inkomsten vanaf die datum.

Conclusie

Huwen onder het wettelijk stelsel is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. De wijzigingen die aangebracht zijn op vlak van hebben vooral de werking van het stelsel verduidelijkt en logischer gemaakt. De professionele autonomie wordt extra in de verf gezet. Bijzonder zijn dan weer de regels rond de neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap waarbij vrijwaring van de gemeenschap voorop staat.


Huwen is sinds 1 september 2018 (een beetje) anders

Niet alleen het erfrecht zit sinds 1 september 2018 in een nieuw jasje, ook het huwelijksvermogensrecht is sinds die datum aangepast. Deze bijdrage is de aanzet van een korte reeks rond huwen en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan.

Starten doen we alvast met de algemene bepalingen van het primair en secundair huwelijksstelsel. Primair zijn de dwingende regels die voor iedereen gelden en secundair zijn de algemene of specifieke regels verbonden met het gekozen huwelijksstelsel.

Primair huwelijksstelsel

Het primair huwelijksstelsel betreft de wettelijke regels die van openbare orde zijn en die aldus voor iedereen gelden,  ongeacht het huwelijksvermogensstelsel waaronder zij gehuwd zijn. Het zijn de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten ontstaan door het loutere feit van het huwelijk. In geen geval kan afgeweken worden van de regels opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (art. 212-224 BW).

Het Burgerlijk Wetboek bevat onder meer bepalingen inzake:

  • de gezinslasten (kosten van het huishouden en het huwelijk) waarin beide echtgenoten in verhouding tot hun mogelijkheden moeten bijdragen en waarvoor ze tegen derden in principe hoofdelijk gehouden zijn;
  • de keuze en de bescherming van de gezinswoning;
  • de uitoefening van een beroep;
  • de mogelijkheden om bij echtelijke moeilijkheden beschermende of bestraffende maatregelen te vragen aan de familierechtbank.

De principes en de bepalingen van het primair huwelijksstelsel zijn niet gewijzigd door de nieuwe huwelijksvermogenswet.

Secundair huwelijksstelsel - algemeen

Een aantal van de algemene bepalingen die gelden ongeacht de verdere de keuze voor een gemeenschap of een scheiding van goederen zijn behouden, andere zijn dan weer gewijzigd (art. 1387 tot 1397/1 BW).

Ongewijzigd zijn:

  • de keuzevrijheid voor de echtgenoten om het huwelijksstelsel uit te werk naar hun goeddunken;
  • de neerslag van deze expliciete keuze gebeurt bij notariële akte;
  • het principe dat het stelsel in werking treedt vanaf het aangaan van het huwelijk;
  • de mogelijkheid en de formaliteiten om het gekozen huwelijksstelsel later te wijzigen.

Gewijzigd daarentegen zijn:

  • de modaliteiten om in het huwelijkscontract bindende erfafspraken te maken wanneer er kinderen zijn uit een vorige relatie  (zogenaamde 'Valkeniersbeding');
  • de preferentiële toewijzing van goederen na ontbinding van een gemeenschapsstelsel;
  • de huwelijksvermogensrechtelijke heling.

Valkeniersbeding

Het Valkeniersbeding, genoemd naar de oud-politicus Jef Valkeniers, maakt het mogelijk om in het huwelijkscontract afspraken te maken over de rechten die de langstlevende zal hebben in de nalatenschap van de eerst stervende. Hierdoor kunnen de rechten van kinderen uit een eerdere relatie worden beschermd. Voortaan moeten daartoe volgende voorwaarden zijn vervuld.

  1. Minstens één van de echtgenoten heeft op het ogenblik van het huwelijkscontract één of meer kinderen uit een vorige relatie. Er moet met andere woorden sprake zijn van een stiefouderrelatie.
  2. De regeling die de echtgenoten uitwerken moet niet wederkerig zijn. Hierbij kunnen erfrechten worden toegekend die afwijken van het minimaal voorbehouden vruchtgebruik voor de langstlevende.
  3. De langstlevende kan niet verzaken aan het recht van bewoning (en het recht van gebruik van de inboedel) van de gezinswoning voor een periode van zes maanden vanaf het overlijden van de eerst stervende. Bijgevolg kan de langstlevende nooit gedwongen worden om de gezinswoning sneller te verlaten. Een langere termijn of zelfs een tijdelijk vruchtgebruik kunnen wel in het Valkeniersbeding worden opgenomen.
  4. Vermits het Valkeniersbeding de facto een verzaking inhoudt van de erfrechten gelden de wettelijke termijnen van informatie en beraad zoals bij andere erovereenkomsten. Nog snel vlak voor het huwelijk een huwelijkscontract opstellen met een Valkeniersbeding is hierdoor onmogelijk.

Preferentiële toewijzing

Bij ontbinding van het huwelijksstelsel, als gevolg van overlijden of echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, kan men vragen om bepaalde goederen bij voorkeur toe te wijzen.

Dergelijke preferentiële toewijzing is mogelijk voor de gezinswoning, de inboedel en de professionele goederen. Het is totaal onbelangrijk of het echtpaar gehuwd was onder gemeenschap of  onder scheiding van goederen.

Voor de gezinswoning is het irrelevant of de woning een gemeenschapsgoed is dan wel in onverdeeldheid toebehoort aan beide echtgenoten. Latere afzonderlijke toewijzing voor de inboedel is perfect mogelijk. De echtgenoot die slachtoffer is van gezinsgeweld door de andere echtgenoot heeft in principe voorrang op de gezinswoning.

Inzake de professionele goederen is het basisprincipe dat alle professionele goederen, die niet eigen zijn,  in aanmerking komen. Daarom kan niet enkel het professioneel onroerend goed maar ook de (on)roerende uitrusting het voorwerp zijn van een preferentiële toewijzing.

Huwelijksvermogensrechtelijke heling

Een echtgenoot die gemeenschappelijke of onverdeelde goederen aan de verdeling wil onttrekken door het bestaan ervan opzettelijk te verzwijgen maakt zich schuldig aan heling. Dit geldt ook bij het bewust achterhouden van gegevens waardoor een verrekenbeding geen correcte uitwerking heeft.

Informatie verzwijgen of valse verklaringen afleggen, leidt tot sanctionering. In concreto betekent dit dat de echtgenoot, die zich schuldig maakt aan heling, zijn aandeel verlies in de geheelde goederen of waarden of ten belope van deze goederen of waarden in de berekening van de verrekenvordering. De sanctie kan vermeden worden door spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie te verstrekken of de valse verklaringen recht te zetten.

Toepassing in de tijd

De nieuwe regels gelden voor iedereen die vanaf 1 september 2018 in het huwelijk treedt. Voor zij die gehuwd zijn voor deze datum en het ook nog zijn op 1 september 2018 blijft het toepasselijk huwelijksstelsel onverminderd gelden.

De regels inzake preferentiële toewijzing en heling gelden niet alleen voor de huwelijken afgesloten vanaf 1 september 2018.  maar ook voor huwelijken afgesloten voor deze datum waarbij de ontbinding plaatsvindt na 1 september 2018.  Bij echtscheidingen gelden de nieuwe regels niet wanneer het verzoek tot echtscheiding dateert van voor 1 september 2018.

Conclusie

De make-over van het huwelijksvermogensrecht zorgt alvast voor een meer hedendaagse wetgeving. Het is alvast duidelijk dat de modaliteiten van het Valkeniersbeding zijn gewijzigd, evenals de bepalingen inzake de preferentiële toewijzing. Een echtgenoot die zich schuldig maakt aan huwelijksvermogensrechtelijke heling kan enkel ontsnappen aan een sanctie door tijdig berouw te tonen. De impact en de toepassing in de tijd op het wettelijk stelsel en het stelsel van scheiding van goederen komen aan bod in volgende bijdragen.


De fiets: een win-win voor het milieu én de portemonnee.

De fiets is een ecologisch en efficiënt alternatief voor de wagen in het steeds drukkere verkeer. Dit is ook de overheid niet ontgaan. Daarom besloot de wetgever om de reeds bestaande fiscale gunstmaatregelen voor fietsen verder uit te breiden en het gebruik ervan aan te moedigen.

Fiets, e-bike of speed pedelec?

Omwille van vele discussies over welke fiets al dan niet onder bepaalde fiscale gunstmaatregelen viel, heeft de wetgever het begrip “fiets” gedefinieerd alsook uitgebreid.  In de wet van 22 oktober 2017 voorziet de wetgever 3 types “fietsen”, namelijk het rijwiel, het gemotoriseerde rijwiel en de speed pedelec.

De wetgever definieert het rijwiel als “elk voertuig met 2 of meer wielen dat via pedalen of handgrepen met spierkracht wordt aangedreven of uitgerust is met een elektrische hulpmotor tot 250  W die geen ondersteuning meer biedt vanaf 25 km/h, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.” De memorie van toelichting van de wet stelt uitdrukkelijk dat o.a. hoverboards, rolschaatsen, skateboards of monowheels  hier niet onder vallen.

Het gemotoriseerd rijwiel is als volgt beschreven: “elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de rijwielen die opgenomen zijn onder het eerste type.”

Het laatste type is de "speed pedelec”. In de wet als volgt uitgelegd: “elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur.”

Alle types beantwoorden aan de kwalificatie “fiets” waarop de fiscale gunstmaatregelen van toepassing zijn.

In de volksmond spreken ze weleens van de e-bike. De fiscale administratie benadrukt in haar circulaire (circ. 2018/C/5 van 16 januari 2018) dat er geen welomschreven definitie van e-bike bestaat. Dit betekent dat met betrekking tot dergelijke e-bikes de fiscale gunstmaatregelen enkel gelden indien deze voldoet aan één van voorgaande types.

120% aftrekbaarheid

Wanneer een vennootschap een fiets koopt, is deze 120 % aftrekbaar. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat een personeelslid (hieronder ook begrepen een bedrijfsleider) hem gebruikt voor de woon-werkverplaatsingen. Daarenboven dient de fiets over minstens 3 jaar te worden afgeschreven. De verhoogde aftrekbaarheid geldt ook met betrekking tot de kosten van de toebehoren en onderhoud.

De wetgever gaat zelfs nog een stapje verder. Elke investering die het gebruik van de fiets door personeelsleden aanmoedigt, is 120% aftrekbaar als beroepskost. Dit betekent dat ook investeringen in onroerende goederen, bestemd als fietsenstalling, oplaadpunten, kleedruimtes of sanitaire ruimtes hiervoor in aanmerking komen.

Merk wel op dat de wetgever vanaf boekjaar 2020 de aftrekbaarheid bij vennootschappen naar 100% terugdringt.

Voordeel van alle aard

De fiscale administratie belast het kosteloos  ter beschikking stellen van een bedrijfswagen door middel van het aanrekenen van een voordeel van alle aard.

In tegenstelling tot de bedrijfswagen, belast België de terbeschikkingstelling  van een fiets aan een personeelslid niet. Zelfs niet als het personeelslid deze fiets gebruikt voor privéverplaatsingen tijdens weekends of vakanties. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het personeelslid met deze fiets op regelmatige basis woon-werkverplaatsingen.

Fietsvergoeding

De fiets is het enige transportmiddel waarbij u de vrijstelling van het woon-werkverkeer (fietsvergoeding) en de werkelijke beroepskosten mag combineren. Met andere woorden moet de belastingplichtige de ontvangen vergoeding niet van zijn beroepskosten aftrekken.

Per effectieve afgelegde kilometer woon-werkverplaatsing heeft een personeelslid tevens recht op een vergoeding van 23 eurocent (geïndexeerd aanslagjaar 2018), met een maximum van 100 kilometers per enkele rit. Ook bij dienstverplaatsingen kan de onderneming dit bedrag als kostenvergoeding hanteren.

Enkel beroepsmatige verplaatsingen?

Indien een personeelslid de fiets enkel voor beroepsmatige verplaatsingen gebruikt en géén woon-werkverplaatsingen maakt, gaan voornoemde fiscale voordelen verloren. In dat geval heeft de vennootschap slechts recht op 100% aftrek van de kosten. De toekenning van een belastingvrije kilometervergoeding is dan ook niet mogelijk. Daarenboven belast de fiscale administratie het privégebruik van de fiets mogelijk door middel van een voordeel van alle aard bij het personeelslid.

Opgepast, bij speed pedelecs horen ook enkele verplichtingen

U dient uw speed pedelec verplicht in te schrijven bij de Dienst Inschrijvingen Voertuigen (DIV). Na inschrijving ontvangt u een (kleine) nummerplaat. Alvorens de weg op te gaan, moet de speed pedelec van de nummerplaat voorzien te zijn. Vanaf 11 december 2018 riskeert u een boete van 116 euro wanneer u niet aan deze verplichting voldoet.

Om uw speed pedelec in te schrijven, dient u in het bezit te zijn van een gelijkvormigheidsattest. Dit is een document van de fabrikant waarin het voertuigidentificatienummer en de precieze technische kenmerken van de speed pedelec zijn opgenomen.

Op de website van de Vlaamse Overheid vindt u alle informatie over de aanvraagprocedure inzake het gelijkvormigheidsattest en de nummerplaat.

Daarnaast behoren ook het dragen van een goedgekeurde fietshelm met CE-markering en het bezit van rijbewijs AM of B tot de verplichtingen. Als laatste verplichting dient u een BA-verzekering af te sluiten.

Conclusie

De fiets is onder bepaalde voorwaarden nog t.e.m. boekjaar 2019 voor 120% aftrekbaar, nadien 100%. Mits regelmatig woon-werkverkeer is het personeelslid niet belast met een voordeel van alle aard. Bovendien mag de vennootschap aan het personeelslid een belastingvrije vergoeding toekennen! Drie keer langs de kassa dus! Een reden te meer om ook op de fiets(kar) te springen.


Inbreng en inkorting sinds 1 september 2018. Planning never stops.

Over het nieuwe erfrecht is veel te zeggen. Dat hebben we ondertussen ook al meermaals gedaan. De waarderingsregels rond inbreng en inkorting naar aanleiding van een schenking ontsnappen evenmin aan de hervormingen. Schenkingen gedaan voor 1 september 2018 kunnen evenwel nog onder de oude erfrechtelijke regels vallen. Hoe zit het juist ?

Inbreng en inkorting

Een schenking kan gebeuren hetzij als voorschot op erfdeel hetzij buiten erfdeel. Het is aan de schenker om de keuze te maken. Hoewel de schenker bepaalt wie, wat en hoeveel krijgt, is er toch een beperking aan de beschikkingsvrijheid. Kinderen  zijn namelijk reservataire erfgenamen en dus beschermd. Het beschikbaar deel waarover de schenker vrij kan beschikken bedraagt sinds 1 september 2018 vijftig percent van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen.

Is het de intentie om de erfgenamen gelijk te behandelen dan is een voorschot op erfdeel de way to go. Een rechtzetting volgt indien bij het overlijden van de schenker zou blijken dat een erfgenaam meer heeft gekregen dan waar hij recht op had. Dergelijke rechtzetting door de begiftigde is een inbreng. Sinds 1 september 2018 is er enkel nog onderlinge inbrengverplichting voor de afstammelingen van de schenker. Door en ten aanzien van de langstlevende echtgenoot is er onder het nieuwe erfrecht geen inbrengverplichting meer.

Met een schenking buiten erfdeel kan men aan een begiftigde meer geven dan zijn erfdeel. Zodra echter de schenking het beschikbaar deel overschrijdt kan een (gedeeltelijke) inkorting van de schenking gebeuren.

Wijze en waardering van inbreng en inkorting

Onder het oude erfrecht waren de inbreng- en inkortingsregels uiteenlopend:

  • inbreng van een roerende schenking in waarde,  gewaardeerd op het ogenblik van de schenking;
  • inbreng van een onroerende schenking in natura , gewaardeerd op datum van verdeling;
  • inkorting van roerende en onroerende schenkingen in natura, gewaardeerd op datum van verdeling.

Deze regels zorgden niet zelden voor ongelijke en ongewenste situaties. Daarom is er in het nieuwe erfrecht geen onderscheid meer tussen inbreng en inkorting en is ook het voorwerp (roerend of onroerend) van de schenking niet langer relevant. Inbreng en inkorting van roerende en onroerende schenkingen gebeuren uitsluitend nog in waarde. De waardering gebeurt in principe op het ogenblik van de schenking.

Genoemde waarde wordt wel geïndexeerd. Vanaf de schenkingsdatum tot de dag van het overlijden van de schenker vindt indexering plaats volgens de index van de consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker met als basisindex de index van de maand van de schenking.

Toch is de schenkingsdatum niet altijd het peilpunt voor de waardering. Dit is zo indien de begiftigde op het ogenblik van de schenking niet de volledige beschikking heeft over de geschonken goederen. In dergelijke situatie zal het geschonken goed pas gewaardeerd worden op het ogenblik dat de begiftigde de volledige zeggenschap verkrijgt over de schenking. Klassiek voorbeeld hiervan is de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. De waardering zal dan plaatsvinden op het moment dat de begiftigde daadwerkelijk de volle eigendom verwerft.

Nieuwe regels of toch nog het oude erfrecht?

De nieuwe regels zijn van toepassing op alle nalatenschappen die zijn opengevallen sinds 1 september 2018. Schenkingen door de erflater gedaan voor deze datum zijn eveneens gevat door het nieuwe erfrecht. Planningen en schenkingen van vele jaren voor het overlijden kunnen zo ernstig verstoord worden door de nieuwe wetgeving.

De wetgever voelde zelf aan dat dit tot ongewenste en vervelende gevolgen zou kunnen leiden. Daarom is voorzien in de mogelijkheid om  te opteren voor de oude regels. Dit kan door voor 1 september 2019 een verklaring van behoud af te leggen voor notaris. Het is een wel een verhaal van all or nothing. De verklaring heeft namelijk gevolgen voor alle schenkingen gedaan voor 1 september 2018. Cherry picking is dus uitgesloten.

De noodzaak tot het afleggen van een verklaring van behoud vraagt een individuele benadering. Elke successieplanning is immers anders en heeft haar eigen specifieke omstandigheden.

Conclusie

Het is aangewezen om na te gaan of de nieuwe erfregels impact hebben op uw planning. Tot 31 augustus 2019 is het mogelijk om een verklaring van behoud af te leggen. Let wel: het onnodig uitstellen van de verklaring is niet zonder risico. Indien u overlijdt zonder een verklaring van behoud zijn de nieuwe waarderingsregels inzake inbreng en inkorting automatisch van toepassing.

Maak een afspraak met een van onze juristen indien u vragen hebt. aternio zoekt samen met u naar de juiste oplossing.


Vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot. Eén twéé achterwaarts.

Ons Belgisch erfrecht is sinds 1 september 2018 grondig gewijzigd. Het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot is hiervan een sprekend voorbeeld. Deze bijdrage staat stil bij twee fundamentele aspecten inzake vruchtgebruik van de langstlevende.  Het  verdwijnen van de inbrengverplichting ten aanzien van de afstammelingen én de creatie van het wettelijk toegekend opvolgende vruchtgebruik. Klinkt ingewikkeld? Hier gaan we.

Schenkingen aan afstammelingen: weg is de inbrengverplichting

Wanneer een echtgenoot een schenking doet aan de kinderen, als voorschot op erfdeel, was het vroeger zo dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik genoot op de in volle eigendom geschonken goederen. De afstammelingen hadden immers een inbrengverplichting van het vruchtgebruik van deze goederen. De langstlevende partner had zelfs recht op dit vruchtgebruik voor goederen die zijn geschonken voor het huwelijk was afgesloten.

Deze inbrengverplichting door de afstammelingen was uitgesloten wanneer dergelijke schenking gebeurde met toestemming van de echtgenoot. In dit geval werd de schenking geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng. Ten aanzien van de langstlevende echtgenoot werd de schenking beschouwd als buiten erfdeel en had deze in principe geen vruchtgebruik meer. Tenzij de wettelijke reserve van de langstlevende geschonden is én de inkorting werd gevraagd. Onder het oude erfrecht gebeurde de inkorting in natura.

Met het nieuwe erfrecht is de inbrengverplichting ten aanzien van de langstlevende echtgenoot afgeschaft. Een schenking in volle eigendom, als voorschot of erfdeel, aan de afstammelingen wordt voor het vruchtgebruik behandeld als een schenking buiten erfdeel. De langstlevende echtgenoot kan aldus een vordering tot inkorting instellen bij aantasting van zijn of haar reserve. Sinds 1 september 2018 gebeurt dergelijke inkorting in waarde.

De langstlevende echtgenoot heeft ook geen erfrechtelijke aanspraken meer op schenkingen die zijn gebeurd voor het huwelijk. Het is niet mogelijk om inkorting te vragen van schenkingen die hebben plaatsgevonden op een ogenblik dat er nog geen huwelijk was. De kinderen moeten bij het aanvaarden van de schenking m.a.w. geen rekening houden met de mogelijkheid dat de schenkende ouder (her)trouwt.

Wettelijk toegekend vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot

Nu de inbrengverplichting bij een schenking als voorschot op erfdeel ten aanzien van de langstlevende echtgenoot is afgeschaft, heeft de langstlevende echtgenoot in principe ook geen erfrechtelijk vruchtgebruik meer op de geschonken goederen. Toch is er een nieuwe mogelijkheid om alsnog het vruchtgebruik te laten toekomen aan de langstlevende echtgenoot.

De langstlevende echtgenoot kan immers het vruchtgebruik van de overleden partner 'verderzetten', doch enkel mits naleving van drie toepassingsvoorwaarden. Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik geldt enkel op schenkingen die gebeurd zijn tijdens het huwelijk én de schenker zich zelf in de schenkingsakte het vruchtgebruik heeft voorbehouden. Bovendien moet de schenker de titularis van dit vruchtgebruik zijn gebleven tot de dag van zijn of haar overlijden. Verder mag de langstlevende echtgenoot natuurlijk niet zelf hebben verzaakt aan het vruchtgebruik tijdens het huwelijk.

De hervorming van het erfrecht heeft geen invloed op de schenkingen die dateren van voor 1 september 2018 en waarbij de overleden echtgenoot heeft geschonken aan de kinderen met voorbehoud van vruchtgebruik maar met vrijstelling van inbreng ten aanzien van de langstlevende echtgenoot. In dit geval is er geen aanspraak op vruchtgebruik meer voor de langstlevende partner.

Het wettelijk toegekend vruchtgebruik is eveneens van toepassing op de langstlevende wettelijk samenwonende maar het is beperkt tot de met voorbehoud van vruchtgebruik geschonken gezinswoning (en de hierin aanwezige huisraad). Ook hier is het cruciaal dat men wettelijke samenwonende is op het ogenblik van de schenking. Dit wettelijk toegekend vruchtgebruik blijft behouden indien men na de schenking alsnog zou trouwen.

Hoe zit het fiscaal in Vlaanderen?

Met betrekking tot de gezinswoning (en de hierin aanwezige huisraad) blijft de vrijstelling van erfbelasting gelden ten aanzien van de langstlevende echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner). Maar daar stopt het goede nieuws. Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik is voor de rest niet belastingvrij voor de langstlevende. De Vlaamse erfbelasting is namelijk ook verschuldigd op elke andere verkrijging van vruchtgebruik via het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik.

Conclusie

In vergelijking met het oude systeem leidt de hervorming van het erfrecht duidelijk tot minder rechten voor de langstlevende echtgenoot. Met dank aan de drievoudige toepassingsvoorwaarden voor het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik. Bovendien moet de langstlevende een fiscale prijs betalen in de erfbelasting indien men toch het voordeel wil van het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik.

Raadpleeg de juristen bij aternio indien u meer informatie wenst over dit of aanverwant onderwerp.

 

 


Uw rechten op grond van GDPR bij fiscaal onderzoek: wat kan en wat niet?

De General Data Protection Regulation, afgekort GDPR, kent aan betrokkenen rechten toe. Kunnen deze rechten u een voordeel opleveren bij fiscaal onderzoek? Mag de fiscale administratie uw rechten weigeren?

GDPR en haar rechten

Door de inwerkingtreding van de GDPR op 25 mei 2018 hebben betrokkenen meer rechten gekregen. Alle verwerkingsverantwoordelijken hebben de plicht om deze rechten van betrokkenen te waarborgen.

Deze rechten betreffen het recht van informatie, inzage, overdraagbaarheid, rectificatie, wissing, bezwaar en beperking van de verwerking.

Beperkingen op rechten en plichten

Ondanks de verplichting van verwerkingsverantwoordelijke om de rechten van betrokkenen te waarborgen, wil dit niet zeggen dat er geen beperkingen kunnen zijn. Indien een verwerkingsverantwoordelijke een beperking inroept, moet dit wel rechtmatig zijn. Zo is een verwerkingsverantwoordelijke niet verplicht om inzage in alle documenten te geven. Bijvoorbeeld de inzage in bepaalde informatie die de rechten van anderen zou schaden. De verwerkingsverantwoordelijke is wel verplicht om hierover transparant te communiceren met de betrokkenen. Het louter negeren van een vraag tot inzage kan niet.

Daarnaast voorziet de Algemene Verordening Gegevensbescherming ook in een aantal beperkingen op de uitoefening van deze rechten en de eraan verbonden verplichtingen. Deze beperkingen zijn opgenomen in de GDPR.

Vóór de inwerkingtreding van GDPR

Reeds voor de inwerkingtreding van de GDPR, hadden betrokkenen rechten op grond van de privacywet van 8 december 1992. De wetgever voorzag in een schorsingsregeling van de rechten bij fiscaal onderzoek.

Het Grondwettelijk Hof meende in zijn arrest van 27 maart 2014 dat deze schorsingsregeling niet evenredig was. Zij argumenteerde dat de schorsing van rechten niet beperkt bleef tot persoonsgegevens die in verband stonden met het fiscale onderzoek en de schorsing niet beperkt werd in tijd.

De wetgever nam actie en paste de schorsingsregel aan naar een minder verregaande variant. De schorsingsregel werkte vanaf dan slechts door op het recht op toegang en met betrekking tot persoonsgegevens die een nadelig effect op het onderzoek of de voorbereidende werken daarvan, zouden kunnen teweeg brengen.

Nationale implementatie van de GDPR

Door de komst van de GDPR, moest de wetgever ook de beperkingen in het kader van fiscaal onderzoek opnieuw vastleggen. De privacywet van 8 december 2018 was immers niet langer van toepassing. Op 29 juli 2018 keurde De Kamer het wetsontwerp inzake de implementatie van de GDPR goed. Deze bepaalt dat de fiscale administratie het recht op informatie, het recht op inzage, het recht op rectificatie en het recht op beperking van de verwerking kan beperken.

Daarnaast bepaalt de wet dat de beperking kan voor verwerkingen met betrekking tot de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de bevoegde diensten van de FOD Financiën gevoerde onderzoeken.

De wetgever meent namelijk dat het uitoefenen van deze rechten een nadelig effect kan teweegbrengen in het kader van fraudebestrijding en controle inzake belastingen. Daarnaast kadert dit in de rechtsgronden om beperkingen te voorzien, zoals opgenomen in artikel 23 GDPR, namelijk:

  • “Op grond van andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met in begrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden volksgezondheid en sociale zekerheid”;
  • “Op grond van een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), b, c), d), e) en g) bedoelde gevallen”

Wat is er nieuw?

De nieuwe wettelijke verankering van de beperkingen op de rechten verschilt op verscheidene vlakken toch van de oude schorsingsregeling. De beperkingen zoals deze vandaag bestaan, werken op meerdere rechten door. Zo is er niet enkel het recht op toegang, maar ook het recht op inzage, informatie, rectificatie en beperking van verwerking. De fiscale administratie kan de rechten beperken, maar is hiertoe evenwel niet verplicht. Bij de schorsingsregeling onder de privacywet van 8 december 1992 hing de schorsing onlosmakelijk vast met het fiscaal onderzoek.

Vanaf nu is de beperkingen van de rechten ook slechts mogelijk tot het einde van de fiscale controle. Indien een fiscale controle resulteert in een strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie of wordt doorgegeven aan een andere dienst van FOD Financiën wordt dit niet aanzien als einde. Daarnaast kunnen de rechten slechts gedurende 1 jaar beperkt worden naar aanleiding van voorbereidende werken bij een fiscale controle. Deze termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de betrokkene zijn rechten wenst uit oefenen en deze aldus worden beperkt door de fiscale administratie.

Met betrekking tot de persoonsgegevens die onderworpen waren aan dergelijke beperking van rechten wordt een bewaartermijn van 1 jaar gehanteerd. Deze termijn vangt aan vanaf de beëindiging van alle rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures, alsook beroepen die voortspruiten uit de beperking van de rechten.

Conclusie

Bij fiscaal onderzoek kunnen de rechten op grond van de GDPR beperkt worden. Dit is echter niet zomaar vrij of willekeurig. Ook de fiscale administratie moet binnen bepaalde lijnen blijven.

aternio kan u steeds bijstaan bij de voorbereiding en afhandeling van fiscale controles.