Waarde van een schenking: is betwisting mogelijk?

Vermogensplanning is er voor iedereen. Maar niet iedereen is altijd zo blij met de manier waarop een planning verloopt. Schenkingen kunnen soms, ook al is vrijgevigheid hun uitgangspunt, een ongewenst resultaat hebben. Vooral dan wanneer de waarde van de schenking ter discussie ligt.

Stel u een gezin voor, vader - moeder - 2 kinderen. Bij kind 1 loopt alles op wieltjes. Goeie job, mooi inkomen, kortom, mits een beetje bancaire financiering kan kind 1 doen wat het wil. Bij kind 2 verloopt alles iets minder vlot. De ouders besluiten om kind 2 te "helpen" en alvast iets te schenken. Aangezien ze zelf niet in de financiële mogelijkheid zijn om hetzelfde te schenken aan hun 2 kinderen, lijkt het hun op dat moment de beste oplossing om dit te bedekken met de mantel der ouderliefde. Het komt er op neer dat de schenking aan kind 2 even verzwegen wordt, al dan niet onder het mom van "we trekken dat later wel recht".

Maar, zoals dat vaak gaat met dergelijke geheimpjes, spreekt kind 2 zijn of haar mond voorbij tegen kind 1. Die begrijpt de principes wel, maar voelt toch de nood om de Sherlock Holmes in zichzelf te ontdekken en gaat op onderzoek uit. Kind 1 ontdekt dat de waarde waartegen geschonken werd duidelijk veel lager ligt dan wat het goed in werkelijkheid waard is. Hoe komt dit? De fiscus berekent de schenkbelasting op de waarde van het goed, dus: hoe lager de waarde, hoe minder schenkbelasting.

Kan dit zomaar? Moet kind 1 dit zomaar tolereren, ook al is de reden waarom wel duidelijk?

Inbreng: evenwicht tussen de erfgenamen

In ons voorbeeld is het duidelijk dat kind 1 zich benadeeld voelt. Het is in de huidige wetgeving niet toegestaan om kinderen te onterven, ook niet onrechtstreeks.

Daarom moet men steeds rekening houden met de reserve van de kinderen. Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht, kunnen de ouders over 50% van hun vermogen vrij beschikken, dit is het zogenaamde beschikbare deel. De andere 50% is voorbestemd voor de reservataire erfgenamen (lees: de kinderen). Deze 50% wordt, pro rata het aantal kinderen, verdeeld. In ons voorbeeld zal elk kind dus sowieso recht hebben op de helft van die 50%. Dit kan hem/haar niet worden ontnomen.

Om te berekenen hoeveel dat effectief in waarde betekent, moet men de fictieve massa samenstellen. De fictieve massa bestaat uit zijn de actuele goederen, vermeerderd met de verrichte schenkingen en verminderd met de schulden. Het mechanisme van de inbreng is bedoeld om het evenwicht te bewaken en de reserve van de kinderen te garanderen.

Inbreng: in waarde

Onder het nieuwe erfrecht dient de inbreng steeds in waarde te gebeuren. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om een schenking van een roerend goed (geld, effectenportefeuille, kunst,...) of een onroerend goed.  De waarde die in aanmerking komt, is de waarde op de dag van de schenking, mits indexatie tot aan de dag van het overlijden.

Indexering van de waarde

Deze indexatie behoeft wel enige toelichting.

De regel van de indexering gaat uit van de premisse dat de begiftigde vanaf het ogenblik van de schenking “meester” (lees: volle eigenaar, zonder eigendomsbeperkende modaliteiten) is van het geschonken goed. Dit wil zeggen dat de begiftigde vrij over de geschonken goederen kan beschikken. Indien er geen beschikkingsrecht in volle eigendom is, dan is er in principe geen indexatie.

De indexering begint met andere woorden te lopen van zodra de begiftigde volledig zelf over het goed kan beschikken. Bij een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik, is de begiftigde op het moment van de schenking nog geen meester van de goederen. De inbreng in de fictieve massa geschiedt volgens de waarde op de dag van het overlijden van de schenker. Met andere woorden: op het moment dat het vruchtgebruik uitdooft.

Wat wanneer de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken pas verkrijgt op een datum na het overlijden van de schenker? In dat geval gebeurt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen.

Indien de begiftigde het beschikkingsrecht verkrijgt op een datum na de schenking maar voor het overlijden van de schenker, dan geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden van de schenker. Deze situatie kan zich voordoen indien er in de loop der jaren een eenzijdige afstand van het recht van vruchtgebruik gebeurt.

Intrinsieke waarde - verkoopwaarde

Er wordt voor de inbreng gekeken naar het bedrag waarmee de schenker zich verarmt. Dit bedrag dient, uiteraard, hetzelfde te zijn als het dat waarmee de begiftigde zich verrijkt. De wet stelt dat het concreet gaat om de intrinsieke waarde van het goed (art. 858, §3 BW). Dit is de (bij benadering) werkelijke waarde of verkoopwaarde van het geschonken goed in het economisch verkeer, op het tijdstip van de schenking. De intrinsieke waarde houdt rekening met alle kenmerken van het geschonken goed op dat tijdstip.

De intrinsieke waarde van het goed op het moment van de schenking, is de waarde zoals die in de akte vermeld of uitgedrukt wordt, behoudens indien die waarde manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op het moment van de schenking (art. 858, §4 BW). Dit is duidelijk wanneer een schenking van liquide middelen voorligt. Bij een schenking van onroerende goederen is het al een ander verhaal. Het staat nergens vermeldt hoe die schatting effectief dient te gebeuren. Dit in tegenstelling tot de schatting bij een overlijden, wat u kan nalezen in onze eerdere bijdrage.

Het gaat om de netto intrinsieke waarde. Indien er op de schenking lasten wegen, dan moet de waarde daarvan van het bedrag van de schenking worden afgetrokken. Het is irrelevant of het geschonken goed vruchten heeft opgebracht sinds het tijdstip van de schenking. Men houdt ook geen rekening met het genot dat de begiftigde van het goed heeft gehad. Althans, niet tot aan het tijdstip van het overlijden. Nadien lopen op het bedrag van de inbreng- of inkortingsschuld interesten aan de wettelijke rentevoet (art. 856 en 859 § 4 BW).

Deze netto intrinsieke waarde wordt bovendien geïndexeerd, op basis van de index van de consumptieprijzen (art. 858 § 3 BW).

Punctuele erfovereenkomst

Het is mogelijk om over de intrinsieke waarde van het goed een overeenkomst te sluiten. Dit kan in de schenkingsakte zelf gebeuren. Een andere optie is om te werken met een punctuele erfovereenkomst, tussen de schenker en de begiftigde. De waardering in die overeenkomst bindt ook iedere andere erfgenaam die ze aanvaardt (art. 858 § 5 lid 1 BW). In een eerdere bijdrage werden de principes hiervan reeds uiteengezet.

Fiscaal: wat met Vlabel?

Wanneer een notaris een schenkingsakte verlijdt, dient deze geregistreerd te worden op het bevoegde registratiekantoor. De ontvanger van de schenkbelasting zal op dat moment een eerste toetsing uitvoeren of de waarde correct is. Maar daarmee is de spreekwoordelijke kous nog niet af.

Vlabel beschikt zelf ook nog over een gewone aanslagtermijn van 5 jaar om een aanslag in de erfbelasting of de registratiebelasting te vestigen. Voor de erfbelasting start de termijn van 5 jaar vanaf de dag waarop de aangiftetermijn begint te lopen. Voor de registratiebelasting start de termijn van 5 jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot het heffing van registratiebelasting. In een standpunt van 23 mei 2018 stelt Vlabel dat deze aanslagtermijnen ook van toepassing zijn op aanslagen in het kader van een zogenaamde ‘tekortschatting’.

Conclusie

Indien een erfgenaam zich benadeeld voelt en het oneens is met de opgenomen waardering, draagt deze persoon de bewijslast om aan te tonen dat de waarde ‘manifest onredelijk’ was. Het advies is om zo snel mogelijk over te gaan tot een “realistische” schatting van de betrokken goederen. Dit om zwart op wit aan te tonen dat er effectief een manifest onredelijke waarde voorligt. Hoe langer men hiermee wacht, hoe moeilijker de bewijslast. Ook hier kunnen we verwijzen naar onze eerdere bijdrage.

Het benadeelde kind kan de schatting dan sowieso voorleggen op het moment van samenstelling van de fictieve massa. Gevolg hiervan: een aanpassing van het reservataire erfdeel en een rechtzetting van het onevenwicht.

aternio staat u graag bij in de opmaak uw planning. Contacteer ons voor meer informatie.

 


Van bemind naar bedrogen? Beheersvolmacht als nieuw lief i.p.v. de maatschap (deel1)?

De maatschap beschikt over heel wat troeven die haar nuttig maken als instrument voor successieplanning. Zij wordt daarom vaak gebruikt als controlevehikel om een familiaal patrimonium over te dragen naar de volgende generatie zonder dat de schenkers per se de touwtjes volledig uit handen moeten geven.

Nu zijn er vermogensplanners die, na jarenlang de maatschap met hart en ziel te hebben aangeprezen, plots koele minnaars zijn geworden. Nochtans hebben zij Vlaanderens meer vermogende families zo geholpen bij de structurering van hun vermogen. Waar zij tot voor kort boeken verkochten die de maatschap aanbevelen als een interessant instrument voor vermogensplanning, richten zij nu de cupidopijlen op de beheersvolmacht.

De maatschap van bemind naar bedrogen? De vraag is of de beheersvolmacht ook terecht als volwaardig nieuw lief aan de familie wordt voorgesteld of gaan de afvallige vermogensplanners en de maatschap beter in relatietherapie? In deel één van een tweeluik proberen we op deze vraag een antwoord te geven door een kritische blik te werpen op de maatschap en haar verplichtingen. In een tweede deel spitsen we toe op de beheersvolmacht.

Wetswijzigingen 

Het taalgebruik inzake de maatschap is intussen door het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen aangepast. We spreken niet langer spreken van maten, deelbewijzen, beheerders, het doel van de maatschappen, maar wel van vennoten, aandelen, zaakvoerders en het voorwerp van de vennootschap.

In de wandelgangen is er soms nog steeds sprake van de ‘burgerlijke’ maatschap. Het onderscheid tussen de handelsvennootschappen en de burgerlijke vennootschappen is echter al sinds 1 november 2018 verdwenen. Als de notulen of de statuten nog steeds de maatschap definiëren als een ‘burgerlijke’ vennootschap is het dringend tijd om hierin verandering te brengen en opnieuw wat energie in de relatie te stoppen.

Artikel 2003 van het Burgerlijk Wetboek is gewijzigd door de Wet van 21 december 2018 en besproken in een eerdere blog. Dit is voor de maatschap relevant omdat het mandaat van de zaakvoerder (lasthebber) als een lastgeving van de vennoten (lastgevers) gekwalificeerd wordt. Indien de statuten op dat vlak niets voorzien, kan het mandaat van zaakvoerder een einde nemen indien één van de vennoten onbekwaam zou worden. Alweer tijd om een nieuwe date in te plannen?

Vlabel

Wanneer de relatie met de maatschap al helemaal verwaarloosd werd, is allicht ook de duurtijd in de statuten van de maatschap nog steeds afhankelijk gesteld van het overlijden van de langstlevende. De voorafgaande beslissing nr. 16046 d.d. 14.11.2016 van Vlabel heeft echter duidelijk gemaakt dat een maatschap opgericht tot aan het overlijden van de langstlevende van de schenkers een no go is. In dergelijk scenario is het meestal de bedoeling om de volledige controle over het vermogen van de maatschap bij de schenkers te houden.

Vlabel beschouwt dit echter als een constructie die identiek is aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker. De Vlaamse fiscale administratie oordeelt dat dit legaten zijn.  Bijgevolg zijn bij overlijden van de ouders erfbelastingen door de kinderen verschuldigd. De perfect georkestreerde date valt zo in het water.

Voorgaande aandachtspunten zijn niet onoverkomelijk en een loutere statutenwijziging als oplossing volstaat. Dit zijn op zich nog geen redenen om te breken met de maatschap. Blijven alle andere voordelen dan nog overeind?

Voor- en nadelen op een rijtje

Controle- en inkomstenbehoud tijdens het leven van de schenker, versnippering van het vermogen tegengaan, successiebesparing, fiscale neutraliteit… De maatschap voldoet aan al deze verwachtingen. Het is één van de begeerde instrumenten voor successieplanning die ervoor zorgt dat er een opsplitsing kan gemaakt worden tussen juridische eigendom enerzijds en economische eigendom en zeggenschap over het vermogen anderzijds.

Al deze voordelen zijn en blijven bestaan. Waarom dan al die drama rond de maatschap? Is het tijd om nieuw leven te blazen in de relatie of is het de liefde toch echt over?

1. Flexibiliteit

Aangezien het nieuwe vennootschapsrecht flexibiliteit op een piëdestal heeft geplaatst, is en blijft de maatschap een vorm die flexibeliteit in haar genen heeft. De maatschap kan namelijk perfect op maat worden gemaakt.

Ook het zaakvoerderschap kan losgekoppeld blijven van het financieel belang in de maatschap. Zelfs het zaakvoerderschap na het overlijden van de ouder kan bepaald worden. Till death due us part? Neen deze liefde is eindeloos, zelfs na het overlijden van de pater familias kan deze de touwtjes in handen houden over zijn opvolger zaakvoerder.

2. Discretie

Wringt misschien hier het schoentje?

De oprichting van een maatschap blijft eenvoudig en beperkt in kosten. De oprichting blijft immers vormvrij. Er is geen publicatieverplichting voor de statuten.

Toegegeven er lijkt er op het eerste gezicht minder discretie te zijn dan vroeger. Nu dient de maatschap zich immers te registreren in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) en de uiteindelijke begunstigden dienen zich ook bekend te maken in het UBO-register. Weet dat de uiteindelijke begunstigden van maatschappen enkel kunnen geraadpleegd worden door de bevoegde autoriteiten en, tegen betaling, door “eenieder die een legitiem belang aantoont".

Maar even serieus… Bent u al gaan kijken in het UBO-register of in de kruispuntbank? Klik maar even door op volgende link als de nieuwsgierigheid de bovenhand haalt: kbo/maatschap. Niet veel aan toch?

Een vreemde moet al de naam van de maatschap of het adres van de maatschap kennen om te ontdekken of u al dan niet een maatschap heeft. And so what? Niemand weet wat er achter de maatschap schuilgaat en welk vermogen er precies in zit. Poespas is er zeker meer, maar welke relatie brengt nu geen extra plichten teweeg? Dit aspect weegt alvast niet op tegen de voordelen van de standvastige relatie. Discretie is er bijgevolg nog steeds en de bangmakerij van sommigen is echt overdreven.

3. Boekhouding

Enkelvoudige boekhouding

Een maatschap opgericht vanaf 15 december 2018 is sinds die dag onderworpen aan de boekhoud‐ en inventarisverplichtingen en zal dus meteen een boekhouding moeten voeren. Een maatschap opgericht voor 15 december 2000 die in het verleden geen boekhouding voerde en haar boekhouding per kalenderjaar voert is sinds 1 januari 2020 onderworpen aan de boekhoud‐ en inventarisverplichtingen.

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen publiceerde onlangs een advies die mede aan de oorzaak van alle relatiedrama kan liggen. De Commissie stelde immers dat ook de maatschap potentieel een dubbele boekhouding moet voeren.

Dubbele boekhouding

Zonder even stil te staan bij de wet en de effectieve implicaties op de maatschap lijkt dit inderdaad vooral het kostenplaatje van de maatschap duurder te maken. Maar een nieuw lief kost ook geld, dus misschien is de huidige relatie nog niet zo slecht? Een dubbele boekhouding is immers enkel vereist voor die maatschappen die een omzet hebben van meer dan 500.000 euro. Dit is in veel gevallen niet aan de orde. We verduidelijken met een voorbeeld die in het CBN advies is opgenomen.

Het vermogen van een maatschap bestaat uit een aandelenparticipatie en een bankrekening. De maatschap houdt deze aandelenparticipatie, die bestaat uit 9 procent van de aandelen van een naamloze vennootschap, reeds vele jaren ongewijzigd aan en ontvangt hieruit een jaarlijks dividend van 130.000 euro. Tijdens het boekjaar wordt opnieuw een dividend ontvangen van 130.000 euro, wordt een superdividend ontvangen van 400.000 euro en wordt vervolgens 1 procent van de aandelenparticipatie verkocht voor een bedrag van 300.000 euro. De bankrekening genereert tijdens het boekjaar een interest van 300 euro. Het bedrag van de andere dan niet‐recurrente ontvangsten bedraagt in dit geval 130.300 euro.

Deze maatschap hoeft zich bijgevolg nog lang niet officieel te binden aan een dubbele boekhouding. Het aantal maatschappen dat ook effectief een dubbele boekhouding zal moeten voeren is allicht beperkt. Er is zelfs nog lang geen sprake van een verlovingsfeestje aangezien de maatschap ieder jaar opnieuw de keuze mag maken om een vereenvoudigde boekhouding te voeren, ongeacht welke boekhouding het jaar voordien werd gehouden.

Boekhouding in concreto

In de huidige stand van de boekhoudwetgeving zijn er geen formele vormvoorwaarden opgenomen waaraan de jaarrekening van een boekhoudplichtige onderneming die een vereenvoudigde boekhouding voert, moet voldoen.

De verantwoordingstukken dienen uiteraard performant te zijn. Als er een portefeuille is aangehouden in de maatschap wordt vaak gebruik gemaakt van de financiële staten die de bank overmaakt. Dit zou volgens de principes van een dubbele boekhouding an sich onvoldoende zijn.

Maar even realistisch blijven… de jaarrekening wordt niet gepubliceerd. Men kan zich de vraag stellen of men werkelijk afbreuk doet aan het principe van het voeren van een volledige boekhouding als men de financiële rapporten van de bank opneemt i.p.v. day-to-day bewegingen in de portefeuille?

Sancties bij het niet voeren van een dubbele boekhouding?

Wat is nu de mogelijke sanctie als de jaarrekening van de maatschap is opgesteld op basis van de financiële rapporten van de bank i.p.v. day-to-day bewegingen? Het boekhoudkundig eindresultaat van de maatschap op basis van de rapporten is immers wél correct. Er zijn heel wat sancties voor vennootschappen die hun jaarrekening niet neerleggen. De maatschap heeft echter geen verplichting om een jaarrekening neer te leggen. Enkel een verplichting om een dubbele boekhouding te voeren als de omzet meer dan 500.000 euro bedraagt.

De ratio legis van de dubbele boekhouding is immers dat een onderneming een voor haar gepaste boekhouding zou voeren zodat zij voldoende op de hoogte is van haar rechten en plichten. Een dubbele boekhouding biedt namelijk een gedetailleerder beeld van de onderneming. Een dubbele boekhouding biedt ook meer garanties naar  de fiscus. Weet wel dat dat maatschap fiscaal transparant. Bovendien kan het niet genoeg herhaald worden: het boekhoudkundig resultaat op basis van periodieke bancaire rapporten is wél correct.

De enige "sanctie" die ons inziens kan spelen is de hoofdelijke aansprakelijkheid van de zaakvoerder(s) van de maatschap. Daarbij is men enkel aansprakelijk voor schade die het gevolg is van de niet-conforme boekhouding. Maar de boekhouding wordt gehouden in het voordeel van de vennoten én het resultaat van de maatschap is conform de financiële rapporten van de bank. Er is met andere woorden geen sprake van schade want de boekhouding geeft een juist resultaat weer. Gaan de aandeelhouders nu echt prat staan op het voeren van een dubbele boekhouding en het day-to-day volgen van de bankverrichtingen op de portefeuille?

U moet uw relatie niet altijd even au sérieux nemen.

Conclusie

Er zijn inderdaad meer formaliteiten waaraan de maatschap op heden moet voldoen. Maar elke relatie vergt nu eenmaal een inspanning.

Uit voorgaande durven wij besluiten dat voor de meeste maatschappen er maar weinig verandert. De maatschap is en blijft een flexibel instrument voor vermogensplanning waarvan de kosten beperkt zijn.

Maar misschien is men terecht dolverliefd op de beheersvolmacht. To be continued...

aternio helpt graag bij het ontwerp van uw maatschap. Contacteer ons vrijblijvend.


Autofiscaliteit anno 2020

Het autosalon is nog maar net voorbij en misschien hebt u nog niet de juiste keuze kunnen maken over welke auto u op vandaag wenst aan te kopen. Er is de laatste jaren immers heel wat gewijzigd in de autofiscaliteit. In 2020 gaat de laatste fase van de belastinghervorming na het Zomerakkoord in.  In deze bijdrage zetten we de belangrijkste krachtlijnen nog eens uiteen voor u.

Aftrekbaarheid

In de vennootschapsbelasting geldt voortaan voor alle kosten volgende formule:

Aftrekpercentage = 120% - (0,5% x CO2 x coëfficiënt)

Daarbij is de coëfficiënt gelijk aan:

  • 1 voor dieselmotoren en dieselvarianten zoals bijvoorbeeld hybride diesels
  • 0,9 voor voertuigen met een aardgasmotor (CNG) of een belastbaar vermogen < 12 fiscale pk
  • 0,95 voor alle andere motoren (benzine, lpg, biobrandstof)

Bovendien geldt een minimumpercentage van 50% (of 40% indien de C02-uitstoot > 200) en een maximumpercentage van 100%. Het aftrekpercentage van 120% voor elektrische wagens bestaat dus niet langer.

Bovenstaande formule geldt voortaan ook voor de brandstofkosten. Het standaard aftrekpercentage van 75% voor brandstofkosten is dus afgeschaft.

De aftrekbaarheid in de personenbelasting wordt op dezelfde wijze vastgesteld als in de vennootschapsbelasting (zie hoger). Enkel het minimumpercentage van aftrekbaarheid in de personenbelasting 75% is afgeschaft.

Valse hybride

Voertuigen die deels werken op brandstof en deels op een oplaadbare elektrische batterij, maar waarvan de capaciteit van de elektrische batterij slechts een beperkt gebruik toelaat, waren de voorbije jaren zeer aantrekkelijk omwille van hun gunstige fiscale regime. Denk daarbij aan de hoge fiscale aftrekbaarheid en het laag voordeel van alle aard voor privégebruik.

Deze zogenaamde ‘valse hybrides’ of ‘plug-inhybrides’ zijn anno 2020 fiscaal niet meer interessant.

Er is sprake van een valse hybride indien:

  • de CO2-uitstoot hoger is dan 50g/k; of
  • de elektrische batterij een energiecapaciteit heeft van < 0,5 kWh per 100kg wagengewicht.

Sinds 1 januari 2020 heeft de wetgever voor valse hybrides een eigen berekening van de CO2-uitstoot ingevoerd. De CO2-uitstoot is daarbij afhankelijk van de energiecapaciteit van de batterij in verhouding tot het autogewicht (in kWh/100 kg) en de CO2-uitstoot van de wagen.

Bij een valse hybride wordt geen rekening gehouden met de officiële CO2-uitstoot, maar wordt deze uitstoot vermenigvuldigd met 2,5. Ofwel houdt men rekening met de CO2-uitstoot van een overeenstemmend voertuig dat niet is uitgerust met een hybride motor.

De fiscale administratie heeft aan de autofabrikanten gevraagd om voor elke valse hybride een overeenstemmend voertuig te bepalen. Deze lijst met overeenstemmende voertuigen is op vandaag nog niet gepubliceerd.

Let wel, valse hybrides die werden aangekocht vóór 1 januari 2018 ontsnappen nog aan deze strengere regeling.

CO2-uitstoot: NEDC of WLTP?

In onze vorige bijdrage spraken we al over de NEDC en WLTP-normen inzake CO2-uitstoot. De nieuwe Europese WLTP-norm is strenger en leidt in principe tot hogere waardes van CO2-uitstoot, en dus een hogere belastbaarheid. Dit was echter niet de bedoeling van de wetgever. Daar werd dus een mouw aan gepast:

  • voor oude modellen (aangekocht vóór 1 juli 2017) of oude wagens (geproduceerd vóór 1 september 2018) geldt nog de oude NEDC-norm
  • voor nieuwe modellen (aangekocht vanaf 1 juli 2017) of nieuwe wagens (geproduceerd vanaf 1 september 2018) zijn er 2 CO2-normen:
  • WLTP: gemeten via een nieuwe methode
  • NEDC 2.0 (een CO2-uitstoot die vergelijkbaar zou moeten zijn met de CO2 gemeten onder de NEDC. Deze uitstoot wordt dan niet gemeten, maar omgerekend en vertrekkende vanuit de WLTP-waarde)

Belangrijke tip: sinds 1 juli 2019 vindt u geen CO2-uitstoot meer op het inschrijvingsbewijs. Kijk hiervoor dus naar het gelijkvormigheidsattest of op de website van de FOD Mobiliteit.

Contacteer ons voor meer uitgebreide informatie.


Eventueel vruchtgebruik: over hoe "misschien", echt kan worden

Vruchtgebruik: you love it or you hate it. Menig artikel werd reeds gewijd aan dit zakelijk recht. Zo ook door aternio. Ondermeer in een eerdere bijdrage behandelden we alvast enkele types van vruchtgebruik. Maar wist u dat er ook zoiets bestaat als het eventuele vruchtgebruik?

Vruchtgebruik "klassiek"

De klassieke definitie is dat vruchtgebruik een zakelijk recht is om van een zaak, waarvan een ander het eigendom heeft, het tijdelijk genot te hebben. Het ontstaat door een opsplitsing van het (volle) eigendomsrecht in blote eigendom enerzijds en vruchtgebruik anderzijds. Het is een (zakelijk) recht om van een goed, waarvan een ander de blote eigendom heeft, het tijdelijk genot te hebben en de vruchten ervan te genieten. Dit alles mits inachtname van en respect voor de bestemming van het goed.

Eventueel vruchtgebruik

Wat is dan een eventueel vruchtgebruik? Dit is een recht onder opschortende voorwaarde dat afhankelijk is van de toekomstige, onzekere gebeurtenis dat de titularis ervan nog in leven is op het tijdstip dat het door de erflater toegestane vruchtgebruik eindigt. Euhm, say what?

Wel, onder de wettelijke regels verkrijgt de gehuwde langstlevende partner het vruchtgebruik over de goederen van de overledene. De blote eigendom komt dan terecht bij de afstammelingen van de overledene. Het is echter mogelijk dat er zich in de nalatenschap een goed in blote eigendom bevindt. Wanneer de wettelijke regels dan worden toegepast en de langstlevende krijgt het vruchtgebruik van de hele nalatenschap, dan ontstaat het eventueel vruchtgebruik.

Dit eventueel vruchtgebruik krijgt pas uitwerking bij het overlijden van de oorspronkelijke vruchtgebruiker of bij het verstrijken van de termijn waarvoor het oorspronkelijke vruchtgebruik werd aangegaan. Dit alles op voorwaarde dat degene die het eventuele vruchtgebruik heeft gekregen, nog in leven is op het moment dat het oorspronkelijke vruchtgebruik stopt.

Een voorbeeld

Karel en Marie zijn gehuwd en hebben 1 zoon, Andreas. Andreas is op zijn beurt gehuwd met Annemie. Zij hebben samen 2 kinderen. Karel heeft een appartement in zijn eigen vermogen zitten. Hij schenkt dit aan zijn enige zoon Andreas, onder voorbehoud van vruchtgebruik. Op die manier behoudt hij zelf nog de huurinkomsten van het appartement. De schenkingsakte voorziet niet dat het vruchtgebruik naar Marie gaat, eens Karel zou overlijden.

Andreas komt om het leven in een tragisch ongeval. Annemie, zijn echtgenote, erft het vruchtgebruik op zijn volledige nalatenschap. In die nalatenschap zit dus, onder andere, de blote eigendom op het appartement.
Aangezien Karel nog in leven is, verkrijgt Annemie nu enkel het eventueel vruchtgebruik op het appartement. Hiermee kan ze in feite niet echt iets beginnen.

Het is pas op het moment dat Karel overlijdt, dat Annemie het effectieve vruchtgebruik zal verkrijgen. Uiteraard, indien zij op dat moment zelf nog in leven is.

Actieve vermogensplanning

In wat voorafgaat, is het uitgangspunt steeds de klassieke situatie dat goederen worden verkregen ingevolge een erfenis. Maar het is uiteraard wenselijk om tijdens uw leven een actieve planning te ondernemen. Erven is namelijk, in vele gevallen, duurder dan schenken.

Is het mogelijk om de blote eigendom van een goed door te schenken? En zo ja, is het dan ook mogelijk om later toch nog het vruchtgebruik over dat goed te verkrijgen, eens de oorspronkelijke vruchtgebruiker komt te overlijden? Ook hier is het antwoord "ja". U schenkt dan de blote eigendom door onder voorbehoud van het eventuele vruchtgebruik.

We maken even terug de koppeling met het voorbeeld, met dat verschil dat Andreas nu in leven blijft.

Andreas beslist om actief aan vermogensplanning te doen, en wil zijn blote eigendom op het appartement schenken aan zijn beide kinderen.  Anderzijds wil hij die huurinkomsten die zijn ouders nu opstrijken, later ook wel hebben. Dat vormt dan een aangename aanvulling op zijn pensioen. Dit is perfect mogelijk. Uiteraard moet men steeds rekening houden met wat er in de oorspronkelijke schenkingsakte staat. Het is niet ondenkbaar dat Karel en Marie hun goedkeuring moeten geven voor de schenking van Andreas aan zijn kinderen.

Nieuwe aangifte nalatenschap?

Moet er een nieuwe aangifte van nalatenschap gebeuren op het moment dat het eventuele vruchtgebruik omzet naar een effectief vruchtgebruik? Het antwoord is volmondig "ja". Wanneer de actieve samenstelling van de nalatenschap wijzigt, na het openvallen van de nalatenschap, moet men een nieuwe aangifte indienen. Dit kan dus onder meer gebeuren door het intreden van een voorwaarde. U kan de regels hieromtrent uitgebreid nalezen in een eerdere bijdrage.

Het Hof van Cassatie heeft het voorgaande ook duidelijk bevestigd. In een arrest van 25 januari 2019 stelde het Hof dat het actueel worden van een eventueel vruchtgebruik belangrijke gevolgen heeft voor de vruchtgebruiker. De nieuwe vruchtgebruiker dient binnen de voorziene termijn een nieuwe aangifte nalatenschap in te dienen, waarbij men het actueel geworden vruchtgebruik moet waarderen. De waardering dient te gebeuren op datum van het actueel worden. Indien de nieuwe aangifte niet of niet tijdig gebeurt, beginnen er intresten te lopen.

Fiscaal

De fiscus berekent de schenkbelasting steeds op basis van de waarde van het goed in volle eigendom. Maar, door de blote eigendom reeds door te schenken met voorbehoud van het eventuele vruchtgebruik, kan men de waarde van het oorspronkelijke vruchtgebruik (dus dat van Karel in ons voorbeeld) in mindering brengen.

Dit gebeurt, uiteraard niet, wanneer u pas schenkt op het moment dat u zelf volle eigenaar bent geworden. Voor de schenkbelasting maakt dat geen verschil: de fiscus berekent de rechten op basis van de waarde in volle eigendom. Dit zal alvast een iets hoger prijskaartje betekenen.

Vererven is, zoals eerder aangehaald, de duurste oplossing. De erfrechtelijke tarieven worden dan losgelaten op de nalatenschap. Er gebeurt wel de opsplitsing tussen de roerende goederen en de onroerende goederen. Maar na die opsplitsing is het gedaan: de berekening van de erfbelasting gebeurt een eerste op de waarde van alle roerende goederen en een tweede keer op de waarde van alle onroerende goederen.

Conclusie

Het is dus niet omdat u "enkel" over goederen in blote eigendom beschikt, dat u nog niet aan vermogensplanning kan doen. Integendeel, dit kan interessante perspectieven openen.

Weet alleen dat het eventueel vruchtgebruik naast zijn voordelen, ook nadelen kan hebben. Het verdient namelijk enige aandacht en opvolging. Het is niet ondenkbaar dat er bij de eerste schenking een opvolging, een terugval of een aanwas van vruchtgebruik is voorzien. Het kan dus wel enige tijd duren vooraleer uw eventueel vruchtgebruik "actueel" wordt. Bovendien is het de verplichting van de nieuwe vruchtgebruiker, en van die persoon alleen, om een nieuwe aangifte van nalatenschap in te dienen met de actuele waarde. U mag niet wachten tot de fiscus u hierover zelf aanspreekt. De intresten op het niet tijdig indienen van de nieuwe aangifte lopen en tikken snel aan.

aternio staat u graag bij in uw planning en private housekeeping. Want alles staat of valt met een goede voorbereiding en opvolging. Contacteer ons voor meer informatie.


Data Protection Day - Onze cookies kan u alvast niet weigeren!

Een cookie: lekkere versnapering voor bij de koffie of een privacy-dief? Ter gelegenheid van Data Protection Day of Dag van de Gegevensbescherming wil aternio u wegwijs maken in de wereld van privacy en cookies. Bij aternio staat de bescherming van de privacy van haar klanten, medewerkers en leveranciers bovenaan. Wij willen dan ook dat u bewust kan omgaan met cookies en de privacyaspecten die hieraan vasthangen.

De ene cookie is de andere niet! Cookies zijn kleine stukjes informatie, vaak in de vorm van een klein tekstbestandje opgeslagen op uw toestel. Websites gebruiken deze cookies om uw toestel te herkennen wanneer u hun website een volgende keer bezoekt. Dit kan heel handig zijn. Zo kunnen zij ervoor dat de website überhaupt correct zal functioneren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bijhouden van het winkelmandje tijdens het winkelen op een webshop. Er zijn echter verschillende andere soorten cookies: bijvoorbeeld functionele, analytische, marketing cookies. Vooral bij deze laatste soort cookies kan de vraag gesteld worden of zij altijd correct omgaan met de privacy van de gebruiker.

Marketing cookies en privacy. Websites gebruiken marketing cookies om gebruikers te volgen op hun website of op andere verbonden websites. Op deze manier wordt bijgehouden wat deze persoon interessant vindt en kan een profiel van hem/haar opgemaakt worden. Zeer handig voor webshops en voor andere reclamedoeleinden, maar niet altijd naar de zin van de gebruiker! We worden namelijk niet graag altijd ‘bespied’ wanneer we aan het surfen zijn.

To accept or not to accept. Websites zijn dan ook verplicht om het plaatsen en raadplegen van deze cookies optioneel te maken. Gebruikers moeten de mogelijkheid hebben om alle niet-essentiële cookies te weigeren! Websites doen dit doorgaans door een gebruiker, bij een eerste bezoek aan de website, een “cookiebanner” te tonen.

Ons advies. Ga bewust om met uw keuze om cookies te aanvaarden! (En breng de website op de hoogte als zij u niet laten weigeren.)

Zijn de cookies op uw website al in orde? Neem gerust contact met ons op, wij helpen jullie hier bij verder.


Wettelijke etiquette ten aanzien van de consument. Is zwijgen goud?

In een eerdere blog stonden we stil bij de veranderingen die de wetgever aanbrengt in het Wetboek van Economisch Recht (WER). Zo gingen we dieper in op de nieuwe regels met betrekking tot onrechtmatige contractuele bedingen, oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen en het misbruik van economische afhankelijkheid van een onderneming.

Het WER tekent daarnaast ook de krijtlijnen uit hoe een professionele verkoper zich dient te gedragen ten aanzien van een consument. Zo zijn er een reeks handelingen die oneerlijk, misleidend of agressief zijn en bijgevolg verboden. Deze regels zijn an sich niet nieuw. Maar niet alleen de wetgever schiet af en toe in actie, ook de rechtspraak zorgt voor verhelderende ‘nieuwe’ inzichten.

We staan dan ook even stil bij de wettelijke etiquette voorgeschreven voor een onderneming ten aanzien van een consument.

Iedereen is druk bezig om zijn privacy en cookiebeleid aan te passen van zijn website, maar zijn de prijzen altijd goed geafficheerd?

Misleidende handelspraktijken

De wet stelt dat een handelspraktijk als misleidend wordt aanzien als het gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust. Dit is ook zo als de informatie feitelijk correct is maar de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen, waardoor men deze ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

Iedereen kent de algemene etiquette-regel: 'niet teveel (eten) opscheppen'. Zo mag een ondernemer niet te veel opscheppen over zijn producten als de presentatie van de producten niet langer feitelijke correct zou zijn hierdoor.

Minder algemeen bekend, 'kauw en slik het voedsel door voordat je een slok van je drank neemt'. De ondernemer dient ook eerst alle informatie zo goed als mogelijk voor te kauwen zodat de informatie hapklaar is voor de consument.

Onjuiste informatie zal uiteraard misleidend zijn, maar ook juiste informatie kan op dermate wijze worden weergegeven dat het misleidend is. Er hoeft zelfs geen sprake te zijn van bedrog bij de ondernemer om van een misleidende en dus een verboden handeling te kunnen spreken! De gebruikte term bedriegen in de wet wijst immers niet op een handeling van de ondernemer, maar wel op het gevolg van de misleidende voorstelling.

In de praktijk

Een onderneming kan beslissen om bewust te zwijgen over essentiële informatie om een overeenkomst met een consument binnen te halen. Hoe ver is hier te ver? Een kusje in het openbaar is aanvaardbaar, maar een tongzoen is echt niet Europees.

De consument in wiens ogen misleiding wordt beoordeeld is de ‘gemiddelde, geïnformeerde, omzichtige en oplettende’ consument. Ook de consument dient zich naar bepaalde etiquette te gedragen. Waar nodig dient zij informatie op te vragen zodat er geen sprake meer is van misleiding.

Prijs verzwijgen?

Het hoeft weinig uitleg dat de prijs van een product een essentieel element is. Een onderneming dient dan ook altijd de prijs van zijn product mee te delen. Daarenboven moet de samenstelling van de prijs zo meegedeeld worden dat er geen verwarring mogelijk is.

Miskent men deze etiquette en wordt de consument misleidt, is er sprake van een verboden handelspraktijk.

Absolute etiquette?

Mag je de ellebogen nooit op tafel steunen of toch wel tijdens gangen door? Hoe absoluut is de regel dat de ondernemer spreekplicht heeft over de essentiële elementen van zijn product?

Recente rechtspraak heeft zich gebogen over de vraag of er sprake is van misleidende praktijken als ook de consument nalatig is geweest. De consument heeft immers vraagplicht zoals uit voorgaande is gebleken.

De rechtspraak valt terug op het absoluut beginsel ‘fraus omnia corrumpit’. Latijns voor 'bedrog vernietigt alles'. Niemand kan zich op zijn bedrog beroepen om zijn gelijk te halen, zo ook de ondernemer niet.

Zelfs al heeft de consument een vraagplicht, een gemiddelde consument zou namelijk naar de prijs van een product vragen. Dan nog kan het stilzwijgen van een ondernemer niet worden aanvaard omdat hij net de bedoeling had om de consument te overtuigen een overeenkomst aan te gaan zonder glashelder te communiceren over de prijs.

Een alzo bedongen overeenkomst dient als onbestaand te worden aanzien. De consument moet integraal herstel krijgen.

Conclusie

Zelfs al moet er volgens het WER niet eens sprake zijn van bedrog in hoofde van de ondernemer, toch kan er sprake zijn van misleidende handelspraktijken jegens de consument als alle informatie juist is

Reden tot champagne? Iedere gelegenheid is goed om deze prikkelende godendrank te ontkurken. Maar voor de ondernemer een flesje ontpopt zal hij toch maar beter open kaart spelen over alle essentiële elementen van zijn product. De consument is heden ten dage beschermt door de wet, maar ook door algemene rechtsbeginselen zoals ‘fraus omnia corrumpit’.

Zijn uw prijzen allemaal duidelijk weergegeven?

aternio helpt ondernemingen. aternio kan evalueren of u terzake aan alle wetten en rechtsbeginselen voldoet. Contacteer ons vrijblijvend.


Is de plusouder het (plus-)kind van de rekening?

Nieuw samengestelde gezinnen oogsten al lang geen verwonderde blikken meer. De begrippen "plusouder en pluskind", de hedendaagse varianten voor stiefouders en stiefkinderen, zijn helemaal ingeburgerd in onze samenleving. Het gaat niet meer goed in uw "oorspronkelijke" gezin? Dus u besluit om de wegen de laten scheiden en andere familiale oorden op te zoeken. Fijn voor u, maar, staat u ook stil bij het mogelijke prijskaartje dat hier aan kan hangen? Dit is vooral een issue indien één van de ouders zou overlijden en er "behoeftige" niet-gemeenschappelijke kinderen zijn.

We halen deze regeling nog even van onder het spreekwoordelijke stof.

Wettelijke regel

De regel is dat de langstlevende partner het vruchtgebruik over de nalatenschap van de overleden partner erft, wanneer deze tot de nalatenschap komt met afstammelingen van de overledene. Dit is dus ook zo in een nieuw samengesteld gezin.

Hier ontdekken we alvast een eerste mogelijke conflicthaard. Het vruchtgebruik dooft namelijk pas uit wanneer ook de vruchtgebruiker "uitdooft". Concreet zullen de kinderen pas de volle eigendom verkrijgen, wanneer ook de vruchtgebruiker overleden is.  In een klassieke gezinssituatie is dit vaak nog te aanvaarden. Het zal echter minder makkelijk te verteren zijn wanneer die langstlevende partner, de plusouder is van de kinderen. Nog lastiger is het wanneer de vooroverleden ouder voor een aanzienlijk jongere pluspartner heeft gekozen. De kinderen moeten dan mogelijk nog lang wachten op hun erfenis (in volle eigendom).

Op financieel niveau gaat er door het overlijden bovendien een onderhoudsplichtige ouder verloren. Financiële problemen inzake de opvoeding en het onderhoud zijn niet ondenkbeeldig.

De wetgever voorziet in een compensatie indien er zich zo'n samenloop voordoet tussen een langstlevende plusouder en niet-gemeenschappelijke kinderen.

Omzetting vruchtgebruik door de plusouder 

Zowel de plusouder als de niet-gemeenschappelijke kinderen kunnen op een eenvoudige manier de omzetting van het vruchtgebruik vragen. Dit kan namelijk langs buitengerechtelijke weg, wat wil zeggen dat men het niet voor de rechtbank moet vorderen. Het volstaat dat de "wil tot omzetting" wordt uitdrukt. De omzetting is bovendien een recht. Bij een eventuele betwisting zal de rechter dit niet mogen weigeren. Deze werkwijze moet escalerende conflicten vermijden in nieuw samengestelde gezinnen.

Enkele randbemerkingen:
- het omzettingsrecht komt alleen toe aan een niet-gemeenschappelijke kind, een geadopteerd kind of een afstammeling van deze of aan de langstlevende die tot de nalatenschap komt met niet-gemeenschappelijke kinderen. Gemeenschappelijke kinderen hebben dit initiatiefrecht niet.
- het omzettingsrecht geldt bovendien niet voor de gezinswoning en de huisraad. Omzetting van dit vruchtgebruik behoeft steeds de instemming van de langstlevende.

Instantveroudering van de plusouder

Omzetting van het vruchtgebruik klinkt dus best wel aanlokkelijk. Maar, ook dit zou tot vervelende situaties kunnen leiden, indien de langstlevende plusouder nog relatief jong is.

Het burgerlijk wetboek voorziet daarom in een instantveroudering van de langstlevende pluspartner (artikel 745 quinquies, §3 BW). Door deze techniek wordt de langstlevende partner onmiddellijk geacht wordt 20 jaar ouder te zijn dat het oudste stiefkind. Het omzetten van het vruchtgebruik wordt zo opnieuw terug aantrekkelijker. De waarde van het vruchtgebruik daalt hierdoor aanzienlijk, want deze wordt namelijk berekend op basis van de leeftijd van de vruchtgebruiker. Daarmee samenhangend stijgt ook de waarde van de blote eigendom van de kinderen.

Assepoesterclausule

Een tweede compensatiemogelijkheid die de wetgever heeft voorzien, is de zogenaamde "Assepoesterclausule". Deze clausule treedt in werking wanneer de plusouder via het huwelijksvermogensrecht, het erfrecht, dan wel via een schenking of bij testament, iets van de overleden ouder ontvangen heeft. In dat geval ontstaat er onderhoudsverplichting van de plusouder tegenover de niet-gemeenschappelijke kinderen.

U schrikt, onderhoudsverplichting? Dat is toch enkel voor de "biologische" ouders tegenover hun kinderen? Ja, maar: het is geen onderhoudsvordering stricto senso en ook geen vordering tot levensonderhoud. Het is een verplichting die aan de pluspartner wordt opgelegd, maar die zich beperkt tot een strikt geldelijke bijdrage en enkel indien de eigen inkomsten van de kinderen niet volstaan. We merken dus wel een aantal voorwaarden op.

Deze regel is van openbare orde, waardoor het dus niet mogelijk is om hiervan afstand te doen. Het vormt bovendien een persoonlijk recht, toegekend aan de pluskinderen van de langstlevende plusouder. Dit wil zeggen dat de vordering niet kan worden opgenomen in de nalatenschap van de overleden partner.

De Assepoesterclausule zoals beschreven in artikel 203, §3 BW geldt specifiek voor gehuwde partners. Maar een gelijkaardige regeling is ook terug te vinden in artikel 1477, §5 BW, waar het gaat over wettelijk samenwonende partners. Enkel feitelijk samenwonende partners zijn hier niet door gebonden, aangezien zij geen erfrecht hebben tegenover elkaar.

Behoeftigheid?

De Assepoesterclausule vereist geen echte staat van behoeftigheid van het pluskind. Er wordt enkel gekeken naar de inkomsten die de niet-gemeenschappelijke kinderen verwerven uit de goederen van de nalatenschap (voor zover deze erover kunnen beschikken).

Omvang van de financiële bijdrage door de plusouder

Ok, het is duidelijk dat er van de langstlevende plusouder enkel een financiële tussenkomst wordt verwacht. Staat die plusouder dan met zijn of haar hele vermogen in voor het uitvoeren van de vordering? Nee! De omvang van de bijdrage beperkt zich tot dat wat de langstlevende plusouder uit de nalatenschap van de overledene heeft ontvangen. Het gaat dan om de waarde in volle eigendom of de waarde van het vruchtgebruik.

Maar naast het wettelijke erfrecht bestaan er nog wel nog zoiets als planningstechnieken om een langstlevende partner te bevoordelen. Zo kunnen er ook voordelen worden toegekend via een huwelijkscontract, maar ook via schenking of bij testament. Deze voordelen komen ook in aanmerking om de omvang van de financiële bijdrage te bepalen. Het is dus geen optie voor de plusouder om de nalatenschap te verwerpen en zorgeloos te genieten van de andere voordelen die verkregen zijn. Jammer, maar helaas!

Maar hier stopt de optelling nu wel. Het persoonlijk vermogen van de langstlevende plusouder blijft verder buiten beschouwing.

Conclusie

Bezint eer ge herbegint... Weet dat er manieren bestaan, die aan het voorgaande tegemoet kunnen komen.

Contacteer aternio om meer te weten over deze mogelijke oplossingen!

 


Samenwoning, een verplichting bij wettelijke samenwoonst?

Er zijn tussen mensen heel wat vormen van samenwoning denkbaar. Wat het samenleven tussen twee personen betreft maakt de wetgever een onderscheid tussen gehuwden, feitelijke samenwonenden en zij die wettelijk samenwonen.

In concreto stellen koppels zich soms de vraag of men wettelijk kan samenwonen zonder dat er daadwerkelijk sprake is van samenleving onder één dak. Wettelijke samenwoning kan immers deel uitmaken van een ruimere (successie)planning. Is er sprake van een samenwoningsverplichting bij wettelijke samenwoners?

Wettelijk samenwonen - voorwaarden

Mits te voldoen aan zekere vormvoorschriften kan een stel genieten van het instituut van de 'wettelijke samenwoning'.

Zodra twee personen samen een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van hun gemeente, zijn zij wettelijk samenwonend.

Wettelijke samenwoning kan tussen twee personen die al dan niet een seksuele relatie hebben, ongeacht geslacht of  verwantschap. U kan dus wettelijke samenwonen  met een verwante, zoals een broer of zus, een ouder of een kind.

Om een een verklaring van wettelijk samenwonen af te leggen is het vereist dat u:

  • juridisch bekwaam bent om overeenkomsten af te sluiten;
  • niet gehuwd bent; én
  • niet wettelijk samenwoont met iemand anders.

Het lijkt op het eerste zicht zonneklaar dat er bij wettelijke samenwoning sprake moet zijn van samenwoonst.

Samenwoningsverplichting

Zoals door het Hof van Beroep te Gent op 23 mei 2019 bevestigd, is er als zodanig geen samenwoningsverplichting voor wettelijke samenwonenden. Het Hof zegt het onomwonden: "Er speelt (immers) in se geen samenwoningsverplichting voor wettelijk samenwonenden, hoe
paradoxaal dit ook moge overkomen."

Het daadwerkelijk dagelijks samenwonen is geen bestaansvoorwaarde voor de wettelijke samenwoning. Evenmin kan de samenwoning als een persoonlijk gevolg van de wettelijke samenwoning worden beschouwd. Met andere woorden men kan wettelijk samenwonen en tegelijk in een lat-relatie zitten. Living apart together onder het spreekwoordelijke dak van de wettelijke samenwoning.

In hoeverre er in dergelijke situatie sprake is van een oprechte of fictieve wettelijke samenwoonst moet men geval per geval bekijken. Deze toetsing is bovendien enkel echt relevant bij overlijden van één van de partners.

Overlijden van één van de partners

Artikel 745octies, § 1, eerste lid BW bepaalt namelijk dat de langstlevende wettelijk samenwonende, ongeacht met welke erfgenamen deze tot de nalatenschap komt, het vruchtgebruik verkrijgt van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van de daarin aanwezige huisraad.

De werkelijke duurtijd van de wettelijke samenwoning is as such irrelevant voor de toepassing van deze wettelijke bepaling. Wel is het zo dat dit vruchtgebruik enkel wordt verkregen wanneer er (a) ten tijde van het overlijden een wettelijke samenwoning in voege is en (b) de gemeenschappelijke verblijfplaats geheel of gedeeltelijk eigendom is van de eerststervende wettelijke samenwonende partner.

Als er dus een niet-fictieve samenwoningsrelatie is, speelt het genoemde wettelijke erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende ten volle. In de casus die aan het Hof is voorgelegd was er weldegelijk én een affectieve partnerrelatie én een wettelijke samenwoning. Dat één van de partners (hoofdzakelijk) elders verblijft en de gemeenschappelijke woonplaats als tweede verblijf aanhoudt, neemt het erfrecht niet weg.

Het Hof stelt fijntjes dat er "niets mis is met successieplanning, ook niet middels een wettelijke samenwoning".

Einde van de wettelijke samenwoning

De wettelijke samenwoning eindigt op volgende manieren:

  • in onderlinge overeenstemming door de samenwonenden;
  • via een eenzijdige schriftelijke verklaring door één van de samenwonenden die afgegeven wordt op de burgerlijke stand van de gemeente;
  • door huwelijk; of
  • door overlijden van een van de partners.

Conclusie

Hoe paradoxaal het ook mag klinken er is geen samenwoningsverplichting voor wettelijk samenwonenden.

Evenwel zal de langstlevende, die wil genieten van het wettelijk voorziene vruchtgebruik van de gemeenschappelijke verblijfplaats en de hierin aanwezige huisraad, moeten aantonen dat er sprake is van een affectieve partnerrelatie én een wettelijke samenwoning. Dat één van de partners (hoofdzakelijk) elders verblijft en de gemeenschappelijke woonplaats als tweede verblijf aanhoudt sluit dit vruchtgebruik niet per definitie uit. Een lat-relatie is combineerbaar met wettelijke samenwoning.

aternio legal helpt u bij uw successieplanning. Contacteer ons.

Bron: Gent 23 mei 2019, T.Not. 2019, nr. 10, p. 834-835


Huurachterstal: kan huren zonder te betalen blijven duren?

Huren. Een waardig alternatief voor mensen die, omwille van bepaalde motieven, geen eigen woning kunnen of willen aankopen. Het Burgerlijk Wetboek (BW) voorziet in de nodige regelgeving rond woninghuur. Het grote uitgangspunt daarbij is de bescherming van de huurder, omdat men die vaak aanziet als de "economisch zwakkere partij".

Allemaal goed, maar... met de ondertekening van een woninghuurovereenkomst (hierna afgekort "huurovereenkomst") gaan zowel de huurder als de verhuurder een engagement aan tegenover elkaar, iets wat ze niet zomaar ongedaan kunnen maken.

In heel grote lijnen samengevat komt het erop neer dat de verhuurder de woning in een goede staat van onderhoud moet afleveren en de huurder het ongestoord genot van de woning moet laten genieten. De huurder moet die woning dan weer gebruiken als een goede huisvader (of huismoeder) en tijdig de afgesproken maandelijkse huur betalen.

Dat lijkt op het eerste zicht eenvoudig. Maar is dat in de realiteit ook zo? De huurder geniet bescherming door het BW, maar hoe zit het met de bescherming van de verhuurder? Wat als die niet betaald wordt? Of wat als de huurder de huur uiteindelijk wel betaalt, maar telkens met de nodige vertraging? Bestaat er ook een bescherming voor de verhuurder?

Huurdecreet anno 2019

We herhalen graag even dat het nieuwe Woninghuurdecreet van toepasselijk op de huurovereenkomsten van een hoofdverblijfplaats die worden afgesloten vanaf 1 januari 2019. U kan de principes van dat decreet nog even nalezen in een eerdere bijdrage. Daarin is reeds een eerste voorzet gegeven richting de bescherming van de verhuurder.

Verhuurders kunnen voortaan 3 maanden huurwaarborg eisen. Dit om enige zekerheid van betaling te garanderen indien het in de huurrelatie zou misgaan.

Bescherming tegen huurachterstal (tot 31 mei 2020)

Als verhuurder beschikt u over een aantal mogelijkheden om u te beschermen tegen het derven van huurinkomsten.

Voorlopig, tot 31 mei 2020, kan u nog beroep doen op het Vlaams Huurgarantiefonds. Dit fonds bestaat sinds januari 2016 en beschermt tegen huurders die het nalaten om hun betalingsverplichtingen na te komen.

Het Huurgarantiefonds komt tussen in gevallen van huurachterstand, wanneer de situatie aan volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:

1. de huurder heeft een huurachterstand van drie maanden;
2. er is uitstel van betaling verleend door een rechterlijke instantie;
3. er werd, gerechtelijk, een afbetalingsplan opgelegd; én
4. de huurder leeft het opgelegde afbetalingsplan niet na.

De tussenkomst van het Huurgarantiefonds is beperkt tot een maximumbedrag van drie maanden huur. Voornoemd bedrag wordt bovendien geplafonneerd tot een bedrag van 2.946 euro, telkens de huurder het opgelegde afbetalingsplan niet naleeft.

Om de bescherming van het Huurgarantiefonds te genieten, dient u zich als verhuurder eerst aan te sluiten bij het fonds. Vervolgens dient u per huurovereenkomst een eenmalige aansluitingsvergoeding te betalen. Kleine randbemerking: het is principieel niet toegelaten om die aansluitingsvergoeding door te rekenen aan de huurder.

Bescherming tegen huurachterstal (vanaf 1 juni 2020)

Op 3 mei 2019 heeft de Vlaamse Regering het besluit tot instelling van een tegemoetkoming aan het OCMW ter bestrijding van de uithuiszettingen goedgekeurd. Hierdoor ligt een grondige hervorming van het Huurgarantiefonds op tafel.

Er komt een totaal nieuwe werkwijze, met een sterke focus op preventie. Het nieuwe Fonds ter Bestrijding van de Uithuiszettingen (FBUH) treedt in werking op 1 juni 2020. Het huidige Huurgarantiefonds houdt vanaf dezelfde datum op te bestaan.

Het besluit van de Vlaamse Regering voorziet bovendien in een sleutelpositie voor het OCMW. Zodra zij kennis nemen van een huurachterstal, zullen zij autonoom beslissen of zij de huurder specifiek zullen begeleiden bij diens betalingsverplichtingen. Het OCMW zal ook zelf de afweging maken of zij hiervoor al dan niet een beroep wensen te doen op het FBUH. Het is zo dat het OCMW kan beslissen om 50% van de huurachterstallen te voldoen voor de huurder. Echter opnieuw met een plafond: het OCMW zal maximaal 1.250 euro betalen.

Raamovereenkomst

Door middel van een overeenkomst tussen het OCMW, de verhuurder en de huurder, worden er een aantal principes vastgelegd.

Het gaat in concreto om:

  • de vaststelling van de grootorde van de huurachterstal;
  • de vaststelling van het percentage van de huurachterstal dat het OCMW voor zijn rekening zal nemen en welk bedrag de huurder nog moet dragen mits een afbetalingsplan;
  • het engagement van de huurder om de afbetaling effectief ter harte te nemen en zich daarbij te laten begeleiden;
  • het engagement van de verhuurder om het afbetalingsplan te respecteren en geen vordering tot uithuiszetting in te leiden zolang het afbetalingsplan wordt nageleefd en er geen nieuwe huurachterstal ontstaat.

Zodra een dergelijke overeenkomt bestaat, dient men dit te melden aan het FBUH, die op hun beurt een tegemoetkoming gaan geven aan het OCMW. Het gaat om een standaard forfaitair bedrag 200 euro en 25% van de huurachterstal (met een maximum van 625 euro).

Indien later blijkt dat er een stabiele woonsituatie is ontstaan, zal het FBUH nog een tweede keer betalen aan het OCMW. Dit keer gaat het om 35% van de huurachterstal (met een maximumbedrag van 875 euro).

Onder het begrip ‘stabiele woonsituatie’ dient te worden begrepen dat er 12 maanden na ondertekening van de overeenkomst wordt vastgesteld dat overeenkomst correct werd nageleefd en dat er geen nieuwe huurachterstal is ontstaan. Of deze stabiele woonsituatie effectief is bekomen hangt af van een verklaring van het OCMW en de verhuurder.

Indien de huurder op een bepaald moment naar een andere woning wil verhuizen, dient op het ogenblik van beëindiging van de huurovereenkomst te blijken dat de begeleidingsovereenkomst correct werd nageleefd en er dus geen nieuwe huurachterstal is ontstaan.

Door het voorgaande ontstaat er dus een gedeelde financiële verantwoordelijkheid tussen zowel het OCMW als het FBUH.

Kan je uw huurder "selecteren"?

In een eerdere bijdrage kan u dit uitgebreid nalezen. Toch even recapituleren: iedereen heeft recht op een behoorlijke huisvesting. Het recht op bescherming van de privacy is iets om hoog in het vaandel te dragen.

Het is belangrijk de privacy van de potentiële huurder te allen tijde te respecteren.  Het is daarbij sowieso verboden om een huurder, die een woning in Vlaanderen wenst te huren, te discrimineren (op basis van geslacht, leeftijd, nationaliteit, etc…)

Loonfiches (of andere documenten waaruit de solvabiliteit kan worden afgeleid) mogen wel worden opgevraagd. Indien daaruit zou blijken dat een kandidaat-huurder niet solvabel is, mag de verhuurder die kandidaat dus wel weigeren.

Wetgevende initiatieven?

Tot slot nog meegegeven dat er wetgevende initiatieven zijn om de verhuurder te beschermen.

Zo is er een wetsvoorstel ingediend tot instelling van strafsancties jegens personen die opzettelijk en herhaaldelijk verzuimen hun huurgeld te betalen als tegenhanger van de strafsacties voor huisjesmelkerij. Dit lijkt op het eerste zicht een brug te ver. Of dit voorstel het effectief zal halen, moet blijken uit de verdere besprekingen.

aternio volgt dit voor u op.

Contacteer ons voor verdere toelichting of analyse van uw rechten en plichten als verhuurder.


Vastgoedvennootschap en fiscaal gunstig schenken of vererven

In Vlaanderen bestaat een fiscaal gunstige regeling voor de overdracht van familiale vennootschappen. De bedoeling van de regeling is om bedrijfsleiders-aandeelhouders actief aan te zetten om tijdens hun leven reeds na te denken over hun opvolging. Om de overdracht van aandelen van familiale vennootschappen bij leven te stimuleren bestaat er een vrijstelling van schenkbelasting. Bij afwezigheid van schenking kan een latere vererving alsnog gunstig gebeuren aan een vast tarief van 3% of 7%. Komt een vastgoedvennootschap hiervoor in aanmerking?

Tal van voorwaarden moeten zijn voldaan om te kunnen genieten van beide gunstmaatregelen. Eén daarvan heeft betrekking op de vennootschapsactiviteit. Indien de vennootschap uitsluitend vastgoedactiviteiten heeft dan is meestal niet voldaan aan de activiteitsvoorwaarde. Althans tot voor kort. De Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) lijkt blijkbaar haar invulling van de activiteitsvoorwaarde te verruimen. We gaan hier dieper op in.

Fiscaal gunstregime 

Tarief 

Het fiscaal gunstregime voor familiale vennootschappen betekent een volledige vrijstelling van schenkbelasting en een verlaagd tarief in de erfbelasting. Wat betreft de erfbelasting betekent dit voor de partner of de erfgenamen in rechte lijn dat de nettowaarde van de aandelen wordt belast aan 3%. In alle andere gevallen is de nettowaarde van deze verkrijging belast aan 7%, wat nog steeds veel lager is dan de normale progressieve tarieven.

Uiteraard moeten een aantal voorwaarden voldaan zijn om te kunnen genieten van deze fiscale gunst. Indien men niet voldoet aan de voorwaarden zijn de normale tarieven opeisbaar.

Participatievoorwaarde

De participatievoorwaarde wil het familiaal karakter van de vennootschap toetsen. In tegenstelling tot vroeger is sinds 1 mei 2019 niet langer het percentage aandelen van belang maar wel het percentage van de stemrechten in de vennootschap. Het nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) maakt het immers mogelijk dat aan een aandeel meerdere stemrechten zijn verbonden.

In concreto betekent dit dat de schenker/erflater (samen met zijn familie in ruime zin) aandelen in volle eigendom heeft die minstens 50% van de stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigen. 30% van de stemrechten volstaat wanneer de schenker/erflater samen met zijn familie samen met één andere aandeelhouder (natuurlijk persoon) minstens 70% of met twee andere aandeelhouders minstens 90% van de stemrechten in de vennootschap heeft.

Activiteitsvoorwaarde 

De familiale vennootschap moet ook de activiteitsvoorwaarde kunnen afvinken. Dit houdt in dat de vennootschap een werkelijke economische activiteit moet hebben. Vennootschappen zonder enige reële economische activiteit kunnen nooit onder de gunsttarieven worden overgedragen.

Een vennootschap heeft geen reële economische activiteit als tegelijkertijd:

  1. de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen (code 62 van de resultatenrekening) een percentage gelijk of lager dan 1,50% uitmaken van de totale activa (code 20/58 van de balans); én
  2. de terreinen en gebouwen (code 22 van de balans) meer dan 50% uitmaken van het totaal actief (code 20/58 van de balans).

Continuïteitsvoorwaarden

Het volstaat niet om te voldoen aan de participatie- en activiteitsvoorwaarden. Neen, om zich te verzekeren van de vrijstelling of het verminderd tarief is het noodzakelijk dat gedurende een periode van 3 jaar na de overdracht nog enkele voorwaarden vervuld blijven.

Behoud activiteiten. De vennootschap dient haar reële economische activiteiten ononderbroken te behouden. De controle gebeurt aan de hand van de statuten en de neergelegde jaarrekeningen.

Behoud kapitaal/eigen vermogen. Het kapitaal of het eigen vermogen wanneer het een vennootschap betreft heeft waarbij er geen kapitaalbegrip bestaat, mag niet dalen door uitkeringen of terugbetalingen. Zoniet, zullen deze uitkeringen of terugbetalingen belast worden aan de normale tarieven.

Behoud zetel. De vennootschap behoudt haar maatschappelijke zetel binnen de EER.

Vastgoedactiviteiten volgens Vlabel

Omzendbrief 2015

In haar omzendbrief van 2015 stelt Vlabel dat het het louter exploiteren en beheren van onroerende goederen niet volstaat als economische activiteit. Bovendien is er ook het (weerlegbaar) wettelijk vermoeden van afwezigheid van reële economische activiteit als niet cumulatief is voldaan aan de twee voornoemde wettelijke voorziene boekhoudkundige parameters. Hierdoor vallen vastgoedvennootschappen quasi steevast uit de boot.

Voorafgaande beslissing nr. 19008 van 29 april 2019

Vlabel lijkt hier anno 2019 anders over te denken. Getuige haar voorafgaande beslissing nr. 19008 van 29 april 2019.

De Vlaamse Belastingdienst stelt vast dat de invulling van het ondernemersbegrip geleidelijk aan is geëvolueerd. Met ingang van 1 november 2018 is er in het ondernemingsrecht namelijk geen sprake meer van een eventueel onderscheid tussen vennootschappen die louter onroerend goed verhuren enerzijds, en anderzijds vennootschappen die onroerende goederen kopen en verkopen. Ten gevolge van de verruiming van het ondernemersbegrip begrijpt Vlabel ook dat een ruimere invulling van de activiteitsvoorwaarde noodzakelijk is.

Blijkbaar kunnen vastgoedvennootschappen nu in bepaalde gevallen toch de toets van een economische activiteit doorstaan. In het bijzonder wanneer het professioneel vastgoed betreft waarbij regelmatig verkopen met meerwaarde plaatsvinden. Verder houdt Vlabel ook rekening met verbetering van de rentabiliteit en de marktwaarde, de betrokkenheid van externe partijen (zoals aannemers, architecten, immobiliënkantoren) en de aanwezigheid van externe financiering. Het louter beheren van privé-patrimonium blijft uitgesloten.

Het niet voldoen aan de boekhoudkundige parameters is volgens Vlabel niet noodzakelijk een probleem. Indien de vennootschap kan bewijzen dat er wel degelijk een werkelijke economische activiteit is er niks aan de hand. De vennootschap zal moet aantonen dat de onroerende goederen worden aangewend voor haar economische activiteit en dat het vastgoed geen privaat patrimonium betreft.

Het principieel standpunt van Vlabel is nog steeds dat de verhuring van onroerend goed aan derden (woning- of handelshuur) – buiten de groepsstructuur – niet volstaat als tegenbewijs. Het aandeel of percentage van dergelijke verhuurde onroerend goederen ten opzichte van alle onroerende goederen is niet relevant. Met het nieuwe ondernemingsrecht voor ogen kan Vlabel niet ontkennen dat vastgoedactiviteiten soms toch een economische activiteit zijn. Althans, zolang het maar niet gaat om residentieel vastgoed.

Conclusie

Vlabel aanvaardt dat als onroerende goederen voor de economische activiteit van de vastgoedvennootschap worden aangewend de vrijstelling van de schenkbelasting of de vermindering van het tarief in de erfbelasting kan worden toegepast. Vlabel draait echter geen 180 graden.

Wat de Vlaamse Belastingdienst betreft blijft residentieel onroerend goed in een vastgoedvennootschap taboe. Gelet op de evolutie van het ondernemingsbegrip is haar standpunt inzake vastgoed milder dan vroeger. Vlabel lijkt alvast te ontdooien als het gaat over professionele en commerciële vastgoedvennootschappen.

Zijn hiermee de deuren geopend voor de fiscaal gunstige overdracht van commerciële vastgoedvennootschappen?

aternio kan u helpen bij de overdracht van uw onderneming of de planning van uw familiaal vermogen. Contacteer onsvrijblijvend.