Uw vennootschap en huwelijk: let op bij het oppotten van beroepsinkomsten!

We keren even terug naar 1 september 2018. Een belangrijke peildatum, want sindsdien is het nieuw huwelijksvermogensrecht in werking getreden. Dit heeft ook belangrijke financi√ęle implicaties voor de gelden in uw vennootschap. Heeft u een eigen beroepsvennootschap en bent u gehuwd onder een gemeenschapsstelsel? Lees dan zeker verder‚Ķ¬†

Gemeenschapsstelsel 

Indien u getrouwd bent zonder een huwelijkscontract valt u onder het wettelijk stelsel, zijnde het meest voorkomende gemeenschapsstelsel. 

Concreet is er dan sprake zijn van 3 vermogens: uw eigen vermogen, dat van uw echtgenoot en een gemeenschappelijk vermogen. Al hetgeen u reeds had vóór uw huwelijk, of verkrijgt via erfenis of schenking blijft in uw eigen vermogen. Al hetgeen u tijdens uw huwelijk verwerft, behoort tot het gemeenschappelijk vermogen. Ook inkomsten die worden verkregen uit eigen vermogen behoren steeds tot de gemeenschap. 

Aandelen verkregen met gemeenschappelijke gelden: ‚Äėtitre et finance‚Äô¬†

Indien de verkrijging van aandelen in een vennootschap met geld uit de gemeenschap zijn betaald en ingeschreven op naam van √©√©n echtgenoot, zullen de lidmaatschapsrechten (‚Äėtitre‚Äô) van deze aandelen toebehoren aan het eigen vermogen van die ene echtgenoot (art. 2.3.19, ¬ß1, 5¬į BW). Het moet daarbij gaan hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, zoals een besloten vennootschap (BV), hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder uitoefent.¬†¬†

De vermogenswaarde (‚Äėfinance‚Äô) van diezelfde aandelen behoren daarentegen toe aan het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten.¬†

Aandelen verkregen met eigen gelden 

Indien u echter aandelen bezat vóór uw huwelijk, of aandelen tijdens uw huwelijk heeft verworven via schenking van uw ouders of erfenis, dan behoren deze aandelen tot uw eigen vermogen.  

In praktijk gebeurt het vaak dat deze echtgenoot zich weinig loon of dividend uitkeert en de beroepsinkomsten gaat oppotten in de eigen beroepsvennootschap. Op zich hoeft dit - tijdens het huwelijk - geen probleem te zijn.  

Nieuwe vergoedingsregel  

Echter, bij de ontbinding van het huwelijk (echtscheiding) onder een gemeenschapsstelsel zullen de 3 vermogens met elkaar moeten afrekenen wanneer het ene vermogen zich heeft verrijkt ten koste van een ander vermogen, dat zich heeft verarmd. In het scenario waarbij men een beroep uitoefent middels een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn, kan een financieel twistpunt ontstaan. 

Het nieuwe artikel 2.3.44, §1 en 2 BW wil deze ongelijkheid herstellen met een vergoedingsregel. 

Bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend: het rijker geworden vermogen (zijnde het eigen vermogen van de ene echtgenoot) zal aan het verarmde vermogen (zijnde het gemeenschappelijk vermogen) een vergoeding verschuldigd zijn, op deze manier wordt het evenwicht tussen de echtgenoten weer hersteld. 

Let op met oppotten 

Zo zal ook het oppotten van alle inkomsten in de eigen beroepsvennootschap ‚Äď in plaats van deze te gebruiken voor het gezin ‚Äď op basis van de nieuwe vergoedingsregel, kunnen leiden tot een recht op een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen bij echtscheiding. De vergoeding zal enkel betrekking hebben op het te veel opgepotte vermogen uit de professionele vennootschap.¬†

De wet bepaalt in het bijzonder dat een vergoeding is verschuldigd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen, als het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend. 

Deze vergoedingsregeling vormt de wettelijke bekrachtiging van vaststaande rechtspraak.  

Door deze wettelijk regeling wil men vermijden dat de gemeenschap, i.e. het gezin, wordt benadeeld omdat u uw beroepsactiviteit uitoefent via een vennootschap die tot uw eigen vermogen behoort. Indien u immers geen vennootschap had, maar een eenmanszaak, dan zouden de beroepsinkomsten immers ook gemeenschappelijk zijn geweest. 

Werking in de tijd 

De nieuwe vergoedingsregel geldt voor echtgenoten die gehuwd zijn n√° de peildatum van 1 september 2018. Voor zij die reeds gehuwd waren op 1 september 2018 kan de huwgemeenschap zich slechts beroepen op de vergoedingsregeling voor de ‚Äėmislopen‚Äô inkomsten vanaf 1 september 2018.¬†


IPT

Hervorming wettelijk pensioen: gevolgen voor premieaftrek IPT

Sinds midden 2021 is het wettelijk pensioen voor zelfstandigen opgetrokken in het kader van de harmonisatie van de pensioenrechten voor werknemers en zelfstandigen.  Hoera!  Toch bleek er al snel een kleine domper op de feestvreugde voor bedrijfsleiders: de vennootschap kan hierdoor immers minder pensioenpremies van een IPT (Individuele Pensioentoezegging) (of groepsverzekering) aftrekken, gelet op de 80%-regel.  Gelukkig heeft de fiscus in een tijdelijke tolerantie voorzien. 

Nog niet volledig mee? We zetten alles hierna graag nog even op een rijtje. 

Wat is een IPT?

Een zelfstandige moet niet rekenen op royaal wettelijk pensioen, dat is algemeen geweten. Daarom is het verstandig om naast het wettelijk pensioen, ook zelf nog te voorzien in een aanvullend pensioen. Vandaar dat veel zelfstandigen die hun activiteit uitoefenen via een vennootschap, i.e. bedrijfsleiders, een aanvullend pensioen opbouwen binnen een IPT. Er zijn meerdere boni: de vennootschap betaalt de premies én er zijn fiscale voordelen voor zowel bedrijfsleider als vennootschap.

Het verschil tussen een IPT en een groepsverzekering zit in het individueel karakter versus het groepskarakter. Bij een groepsverzekering moet iedereen verplicht aansluiten, wat tot gevolg heeft dat het minder flexibiliteit geeft naar inhoud en waarborgen.

IPT en 80%-regel

De premies van uw IPT zijn dus fiscaal aftrekbaar in uw vennootschap. U moet voor de aftrekbaarheid echter wel steeds rekening houden met een fiscale grens, de zogenaamde ‚Äė80%-regel‚Äô. Dit betekent dat uw wettelijk en aanvullend pensioen samen niet hoger mogen zijn dan 80% van uw normaal brutoloon van het laatste jaar. Oftewel: aanvullend pensioen ‚ȧ (80% van het normale bruto jaarloon ‚Äď geraamd wettelijke pensioen).

Hervorming pensioen 

Zoals reeds gezegd, werd het wettelijk pensioen voor zelfstandigen sinds midden 2021 opgetrokken. 

Die verhoging van het wettelijk pensioen heeft dus ook gevolgen voor de aftrekbaarheid van de premies van uw IPT. De premies zijn slechts aftrekbaar in de mate dat de ‚Äė80%-regel‚Äô niet wordt overtreden.¬†Met andere woorden, voor de berekening van uw maximaal pensioenkapitaal dient een bedrijfsleider niet alleen rekening te houden met de 80%-grens maar ook met de raming van het wettelijk pensioen.¬†

Raming wettelijk pensioen?

Hoe die raming van dat wettelijk pensioen dan wel moest gebeuren heeft de fiscus ons pas in 2022 laten weten.

Concreet voorziet de circulaire van 31 maart 2022 dat voor de berekening van de 80%-grens het wettelijk pensioen van de bedrijfsleider moet geraamd worden op 50% van het beroepsinkomen, en dit vanaf aanslagjaar 2022. Voor de voorafgaandelijke jaren moet het wettelijk pensioen geraamd blijven op 25% van het beroepsinkomen.

Vraag is waarom de fiscus zich niet baseert op de veel nauwkeuriger raming die te vinden is op MyPension.be. Vermits de  fiscus zelf stelt dat "de raming van het wettelijk pensioen een benadering is en dat het bijgevolg toegelaten blijft een bedrag te gebruiken dat nauwer aansluit bij het werkelijk wettelijk pensioenbedrag" staat niks het gebruik van het verwachte wettelijke pensioen zoals vermeld op MyPension.be in de weg.

Door de verhoging van het wettelijk pensioen, bereikt u sneller de 80%-grens, waardoor de ruimte voor fiscale aftrek van de premies uiteraard kleiner wordt.

Grens overschreden?

Gelet op de retroactieve werking van de circulaire vanaf aanslagjaar 2022 (inkomstenjaar 2021), is het goed mogelijk dat uw vennootschap teveel premies heeft gestort en de 80%-regel zo heeft overschreden. Geen paniek! De fiscus voorziet gelukkig in een tolerantie voor de aanslagjaren 2022 en 2023.

Het gedeelte van de premies dat volgens de nieuwe berekeningsregels fiscaal niet aftrekbaar zou zijn, wordt beschouwd als een verworpen uitgave. Het surplus van de premie voor inkomstenjaar 2021 en/of 2022 dient daarbij te worden geboekt als een over te dragen kost en zal worden beschouwd als een voorschot op de premie van inkomstenjaar 2023.

Uitsluitingen

Let wel, de circulaire voorziet enkele uitsluitingen waarvoor de tolerantie uitdrukkelijk niet geldt, namelijk:

  • wanneer de 80%-grens overschreden is omwille van een andere reden dan de nieuwe berekeningswijze, bijvoorbeeld een lager brutoloon; of
  • voor de contracten die in inkomstenjaar 2021, 2022 of 2023 vervallen; of
  • voor het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op een backservice, i.e.¬†soort 'inhaalpremie' voor arbeidsjaren uit het verleden, toegepast tijdens de laatste vijf jaren van het pensioencontract.

Conclusie

Zoals zo vaak in de actuele fiscaliteit is meer dan basiswiskunde noodzakelijk. Hoe dan ook zorgt het optrekken van het wettelijk pensioen voor zelfstandige voor een kleine domper op de feestvreugde voor bedrijfsleiders met een IPT (of een groepsverzekering). Voor hen is er minder fiscaal aftrekbare premie in de vennootschap. De tijdelijke tolerantie waarin de fiscus voorziet voor de inkomstenjaren 2021 en 2022 is een pleister op een houten been.


Vruchtgebruik en ouderlijk vruchtgenot voor u gespiegeld

Vruchtgebruik en ouderlijk vruchtgenot hebben heel wat overeenkomsten en toch zijn ze niet gelijk. Beiden verschillen immers op een aantal vlakken. Het is te kort door de bocht om te stellen dat het ouderlijk vruchtgenot het vruchtgebruik van de ouders is. In deze bijdrage zetten we de belangrijkste gelijkenissen en verschillen tussen het gemeenrechtelijk vruchtgebruik en het ouderlijk vruchtgenot in de verf.

Definitie

Het Burgerlijk Wetboek definieert het gemeenrechtelijk vruchtgebruik als een tijdelijk recht op het gebruik en het genot van een goed van de blote eigenaar, zoals een voorzichtig en redelijk persoon. De uitoefening van het recht moet in overeenstemming zijn met de bestemming van dat goed en onder de verplichting om het goed bij het einde van zijn recht terug te geven (art. 3:138, lid 1 BW).

De ouders hebben het gebruik en het genot van alle goederen van hun minderjarige kinderen en dit tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding (art. 384 oud BW). Naar analogie met het wettelijk vruchtgebruik is het kind eigenaar van de blote eigendom. Het ouderlijk vruchtgenot komt specifiek met het ouderlijk gezag en vangt dus ten vroegste aan bij de geboorte. Dit vruchtgenot¬†verschaft de ouders het recht om te genieten van de vruchten en inkomsten van de goederen van een minderjarige kind. Het ouderlijk vruchtgenot geldt niet¬†op goederen die een minderjarig kind door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerft noch op geschonken of ge√ęrfde goederen¬†onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zullen hebben.

Gelijkenissen

Vruchten

Het verkrijgen van de vruchten is bij zowel het gemeenrechtelijk vruchtgebruik als het ouderlijk vruchtgenot identiek. Met name hebben zij recht op alle vruchten die tijdens het gebruik of het genot afgescheiden of opeisbaar worden; dat is ook het geval voor de vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren op het ogenblik van het ontstaan van het vruchtgebruik of het vruchtgenot. Vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren bij het einde van het vruchtgebruik of het vruchtgenot, komen toe aan de blote eigenaar.

Lasten

Op vlak van lasten dragen de ouders, net als de klassieke vruchtgebruiker, de lasten waartoe vruchtgebruikers gehouden zijn. Dit betekent o.a. de verplichting om: (a) een beschrijving van de bezwaarde goederen op te maken; (b) de goederen in volle eigendom te verzekeren voor de gebruikelijke risico's en hiervoor de premies te betalen; (c) alle periodieke lasten te dragen die verband houden met het gebruik en genot van de bezwaarde goederen; (d) onderhoudsherstellingen te verrichten die, op korte of lange termijn, nodig zijn om de waarde van de goederen te vrijwaren, onder voorbehoud van normale slijtage, ouderdom of overmacht en (e) bij te dragen in de schulden van de boedel in verhouding tot de waarde van het gebruik of genot.

Einde

Misbruik en afstand van recht zijn gronden van be√ęindiging die het ouderlijk vruchtgenot deelt met het gemeenrechtelijk vruchtgebruik.

Verschillen

Lasten

De wetgever heeft bijzondere lasten opgelegd in het kader van het ouderlijk vruchtgenot die veel verder gaan dan de lasten van de vruchtgebruiker. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het specifieke karakter van het ouderlijk vruchtgenot als onderdeel van het ouderlijk gezag.

Zo zijn de ouders verplicht tot (a) het instaan voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen; (b) de betaling van de rentetermijnen of interesten van de kapitalen, inbegrepen de vervallen nog niet vereffende interesten bij het openvallen van het vruchtgenot en (c) de begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte.

Bovendien moeten de ouders, in tegenstelling tot de vruchtgebruiker, ook de grove herstellingen uitvoeren tijdens de duur van het vruchtgenot. Op het einde van het vruchtgenot kunnen de ouders een vergoeding eisen ten belope van maximaal de meerwaarde die het goed als gevolg van de grove herstellingen heeft gekregen.

Beschikking

Het ouderlijk vruchtgenot is niet vatbaar voor vervreemding,  beslag, hypotheek- of pandvestiging. Goederen van minderjarige kinderen zijn dus beschermd tegen schuldeisers van de ouders. Beslag op de inkomsten van het vruchtgenot door schuldeisers van de ouders is slechts mogelijk voor zover deze inkomsten niet hoeven gebruikt te worden voor de verplichte lasten.

Bemerk dat een vruchtgebruiker wel het vruchtgebruik kan vervreemden, een hypotheek kan laten vestigen of beslag kan laten leggen.

Einde

Kenmerkend voor het ouderlijk vruchtgenot is de be√ęindiging ervan bij de meerderjarigheid, ontvoogding of adoptie van het kind. Specifieke gronden van be√ęindiging van het recht op vruchtgenot zijn onwaardigheid, de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen vastgesteld door de rechtbank, pleegvoogdij en de ontzetting uit het ouderlijk gezag. Weet ook dat er geen sprake is van ouderlijk vruchtgenot voor die ouder die niet belast is met het goederenbeheer.

Conclusie

Hoewel op het ouderlijk vruchtgenot bepaalde beginselen van het gemeenrechtelijk vruchtgebruik van toepassing zijn, kent het een autonome regeling. Het ouderlijk vruchtgenot is een recht met een aantal bijzondere uitsluitingen, verplichtingen en lasten.

Zie ook: A. VAN SINAY, 'Het ouderlijk vruchtgenot - een kritische analyse', Brussel, Intersentia, Cahiers 2022, 110 p.


Bijverdienen, what's in a name?

Bijverdienen, what’s in a name? Wil je graag iets bijverdienen? En weet je niet goed welke formule het meest geschikt is voor jou? Flexi-job werknemer, zelfstandig in bijberoep, een studentenjob of een student-zelfstandige? Of begrijp je het verschil tussen deze vier niet helemaal goed? Wij leggen de begrippen, de voorwaarden en de verschillen beknopt uit.

Begrippen

  • Een flexi-job werknemer is een werknemer die graag iets wil bijverdienen in de horeca of detailhandel (kapper, kledingwinkel, fitness, bakker, slager‚Ķ).¬†
  • Een zelfstandige in bijberoep is een persoon die bovenop het werk in loondienst graag iets wil bijverdienen door een zelfstandige activiteit uit te voeren, zonder dus afhankelijk te zijn van een werkgever.¬†
  • Een jobstudent is een student die voltijds dagonderwijs volgt en na de schooluren, in het weekend of tijdens vakantieperiodes graag iets wil bijverdienen.¬†
  • Een student zelfstandige is een student die ambities heeft om een bedrijf te starten en als student al iets wil bijverdienen door te werken aan een eigen onderneming. Je werkt dus niet onder het gezag van een werkgever.¬†

Bij alle vier deze begrippen wil je graag bijverdienen, maar oefen je dus reeds een hoofdactiviteit uit, zijnde: studeren of een job in loondienst. Dit onder voorbehoud van een aantal uitzonderingen. 

Voorwaarden

Als flexi-job werknemer moet je minstens 4/5e werken bij een andere werkgever om daarnaast aan de slag te kunnen gaan in een detailhandelszaak. Ook gepensioneerden komen in aanmerking voor een flexi-job. Er staat geen limiet op het aantal flexi-job uren dat je kan presteren, behalve bij gepensioneerden onder de 65 jaar. Als werkgever kan je een flexi-job werknemer dus voor een onbeperkt aantal uren inzetten. 

Als zelfstandige in bijberoep moet je minstens halftijds werken als loontrekkende en dit minstens 235 uur per kwartaal (berekend op een 38u-week). Ben je ambtenaar of een statutair benoemd leraar? Dan liggen de voorwaarden iets anders. Een ambtenaar moet eveneens minstens halftijds aangesteld zijn en deze activiteit over 200 dagen uitoefenen. Een statutair benoemd leraar moet dan weer minstens voor 60% tewerkgesteld zijn. Als je een vervangingsinkomen hebt, kan je onder bepaalde voorwaarden ook in aanmerking komen voor een statuut als zelfstandige in bijberoep. 

Als jobstudent moet je minstens 16 jaar oud zijn en kan je maximaal 475 uur per jaar werken. Je kan deze uren vrij inplannen, maar dit dient steeds na de schooluren, tijdens weekenddagen of vakantieperiodes te zijn. Als werkgever kan je een jobstudent maximaal 12 maanden ononderbroken aan het werk zetten, nadien mag je geen studentenovereenkomst meer afsluiten.

Als student zelfstandige ben je tussen de 18 en 25 jaar.  Bovendien moet je ingeschreven zijn bij een erkende onderwijsinstelling en dit voor minstens 27 studiepunten per jaar of 17 lesuren per week. Je moet ook regelmatig lessen volgen en deelnemen aan examens. 

Financieel (voor 2022)

Als flexi-job werknemer verdien je minimaal 11,58 euro per uur. Dit is 10,75 euro loon en 0,83 (7,67%) euro vakantiegeld. Uiteraard kan je altijd proberen een hoger loon te onderhandelen met je werkgever. Op een flexi-job betaal je geen sociale bijdragen en ook geen belastingen. Je brutoloon is dus gelijk aan je nettoloon. Aangezien je dit loon dus niet opneemt in je belastingbrief loop je met andere woorden ook geen risico om in een hogere belastingschijf terecht te komen. Als werkgever betaal je voor een flexi-job werknemer enkel een werkgeversbijdrage van 25%. 

Als zelfstandige in bijberoep bepaal je zelf jouw tarieven. Hoeveel je werkt en verdient is niet geplafonneerd, maar je betaalt wel meer bijdragen naargelang je meer verdient. Dit komt omdat je inkomsten van je zelfstandige activiteit bovenop de inkomsten van je hoofdberoep worden geteld, waardoor je in een hogere belastingschijf valt. Om deze bijdragen zo laag mogelijk te houden, breng je dus best zoveel mogelijk verantwoorde kosten in rekening.

Echter betaal je in bijberoep wel veel lagere sociale bijdragen dan een zelfstandige in hoofdberoep, aangezien je mee geniet van de sociale zekerheid van je hoofdactiviteit. Daarom wordt er eerder van een ‚Äėsolidariteitsbijdrage‚Äô gesproken, die berekend wordt op basis van je werkelijke inkomen. In tegenstelling tot zelfstandige in hoofdberoep, is er in bijberoep dus ook geen minimumbijdrage. Bovendien ben je zelfs helemaal vrijgesteld van sociale bijdragen als je jaarlijks belastbaar inkomen als zelfstandige in bijberoep onder de grens van 1.621,72 euro ligt. Tot slot heb je ook √©√©nmalige opstartkosten van 162,68 euro. Dat bedrag bevat de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen en de aanvraag en activatie van je btw-nummer.¬†

Als jobstudent verdien je als 16-jarige minimaal 7,80 euro per uur. Dit uurloon stijgt naarmate de leeftijd omhoog gaat. In onderling overleg met de werkgever kan je natuurlijk altijd een hoger loon proberen onderhandelen. Als jobstudent moet je geen belastingen betalen, tenzij je netto belastbaar inkomen op jaarbasis hoger is dan 13.242,86 euro. Let op, indien je inkomen gelijk of hoger is dan dit bedrag, lopen je ouders het risico om kinderbijslag te verliezen. Als werkgever betaal je voor een jobstudent niet de gewone werkgeversbijdrage, maar een ‚Äėsolidariteitsbijdrage‚Äô van 8,13%. Hiervan is 5,42% ten laste van de werkgever en 2,71% ten laste van de student.¬† Het eerste en tweede kwartaal van het jaar wordt erbij de werkgever ook nog een bijdrage van 0,01% geind voor de financiering van het Asbestfonds. ¬†

Als student zelfstandige bepaal je net als een zelfstandige in bijberoep zelf jouw tarieven. Wanneer je als student wil ondernemen, scheelt dit statuut een grote hap in je portemonnee. Indien je netto belastbaar inkomen, na aftrek van beroepskosten, jaarlijks lager is dan 14.658,44 euro betaal je immers geen of beperkte sociale bijdragen. Let ook hier op het risico om kinderbijslag te verliezen. 

Administratie

Als flexi-job werknemer dien je zelf weinig formaliteiten in orde te brengen. Wel dient er een schriftelijke raamovereenkomst te zijn tussen jou en de werkgever. Desgelijks hoort er ook een arbeidsovereenkomst te zijn tussen jou en de werkgever, hoewel deze zowel mondeling als schriftelijk mag zijn. Daarnaast moet de werkgever ook in orde zijn met de DIMONA (Déclaration Immédiate/Onmiddellijke Aangifte). Dit is het elektronische bericht waarmee de werkgever elke indiensttreding en uitdiensttreding van een werknemer aangeeft bij de RSZ (Rijksdienst voor Sociale Zekerheid).

Als zelfstandige in bijberoep ben je verplicht een ondernemingsnummer aan te vragen en je aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. De aanvraag en activatie van je ondernemingsnummer vereisen een kleine bijdrage. De aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds daarentegen is volledig gratis. Afhankelijk van de activiteiten die je uitvoert in bijberoep kan je btw-plichtig zijn. In dat geval moet je verplicht aan een aantal zaken te voldoen:

  • Je btw-tarief bepalen en doorrekenen aan je klanten.¬†
  • Elk jaar voor 31 maart een klantenlisting indienen. Dit is een lijst met alle klanten aan wie je het voorbije jaar goederen of diensten leverde.¬†
  • Een periodieke btw-aangifte indienen bij de overheid. Afhankelijk van je omzet is dit maandelijks of per kwartaal.¬†

Als jobstudent heb je net als een flexi-job werknemer het voordeel dat je zelf weinig administratief in orde moet brengen. Wel dient er een schriftelijke studentenovereenkomst te zijn tussen jou en de werkgever. In feite is dit gewoon een arbeidsovereenkomst. Eveneens moet de werkgever ook een DIMONA aangeven. 

Als student zelfstandige draag je dezelfde verplichtingen dan een zelfstandige in bijberoep. Je bent dus eveneens verplicht om een ondernemingsnummer aan te vragen, je in te schrijven bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen en je aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Ook hier hangen de aard van je activiteiten ervan af of je al dan niet btw-plichtig bent.

Conclusie

Bijverdienen, what’s in a name? Je kan bijverdienen als flexi-job werkgever, zelfstandige in bijberoep, jobstudent of student zelfstandige. 

Welke van deze vier mogelijkheden het meest geschikt is voor jou, hangt dus af van je hoofdactiviteit en je intentie. Houd per statuut zeker de voorwaarden in de gaten om na te gaan waarvoor je al dan niet in aanmerking komt. Ben je van plan om in een detailhandelszaak te werken dan is flexi-job een interessante formule. Heb je de intentie om aan een eigen onderneming te bouwen? Dan kies je best voor de formule als student-zelfstandige of zelfstandige in bijberoep. Houd als student wel zeker je jaarlijks netto belastbaar inkomen in de gaten. 

Wil je graag bijverdienen? Of heb je nog meer vragen over één van deze statuten? Contacteer aternio vrijblijvend. Wij staan klaar om je richting een succesvolle toekomst te begeleiden!


huurindexatie

Gedeeltelijk verbod op huurindexatie voor niet-energiezuinige woningen

Het Vlaams nooddecreet van 3 oktober 2022 beperkt de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te verlichten. Het verbod tot huurindexatie beperkt zich tot die woningen die als niet kwaliteitsvol en niet-energiezuinig kwalificeren. Er is met andere woorden geen sprake van een algemene bevriezing van de huurindexatie.

Drijfveer

De stijgende prijzen (als gevolg van de hoge inflatie) zorgen ervoor dat ge√Įndexeerde huurprijzen gevoelig hoger liggen dan de huurprijzen van het jaar voordien. De huurders ervaren bovendien ook de druk van de hoge energieprijzen. Omdat algemeen blijkt dat¬†huurders gemiddeld minder vermogend zijn¬†dan eigenaar-bewoners zijn zij extra getroffen door de oplopende prijzen en duurdere woonkosten. Uit onderzoek blijkt¬†dat huurders meer gehuisvest zijn in kwalitatief minder goede en minder energiezuinige¬†woningen, waardoor de energiekosten nog hoger oplopen. Het nooddecreet zorgt daarom voor een gedifferentieerd stelsel van tijdelijke bevriezing van de indexering van de huurprijzen.

Welke woningen?

Het decreet is uitsluitend van toepassing op huurovereenkomsten voor hoofdverblijven. Andere huurovereenkomsten, denk hierbij aan studentenhuur, zijn niet geviseerd. Daarenboven is het verbod op huurindexatie beperkt tot huurovereenkomsten die in werking zijn getreden voor 1 oktober 2022. Bij huurovereenkomsten die inwerking zijn getreden vanaf 1 oktober 2022 kan de verhuurder wel degelijk indexeren op de eerste verjaardag.

Belangrijk is dat de mogelijkheid tot indexatie is gekoppeld aan het gerealiseerde energiepeil van de huurwoning. Het label van het energieprestatiecertificaat (EPC) is hierin bepalend.

EPC en indexering

Voor huurwoningen die een energielabel A+, A, B of C hebben blijft de mogelijkheid tot indexering behouden. Huurwoningen met label E of F en woningen waarvan het energiepeil niet bekend is, zijn sinds 1 oktober 2022 gedurende één jaar uitgesloten van de mogelijkheid tot indexatie. Voor huurwoningen met energielabel D is de indexeringsmogelijkheid gedurende één jaar beperkt tot 50%.

Om te vermijden dat de huurprijsindexatie na verloop van één jaar opnieuw ten volle speelt, zal voor de huurwoningen zonder EPC en voor woningen die over het label D, E of F beschikken, vanaf 1 oktober 2023 rekening worden gehouden met een correctiefactor. De berekening en de passende correctiefactor zijn terug te vinden in het decreet.

Bestraffing

De gedeeltelijke bevriezing van de huurindexatie enerzijds en de toepassing van een correctiefactor vanaf 1 oktober 2023 anderzijds zijn niet meer of niet minder dan een bestraffing van verhuurders van niet-energiezuinige woningen.

Hoewel het hebben van een EPC sinds 2009 verplicht is zijn er wettelijke uitzonderingen voor huurovereenkomsten van voor 2009 en voor overeenkomsten waarvoor geen publiciteit is gevoerd. Het nooddecreet biedt echter geen uitweg voor verhuurders die zich in deze uitzonderingsgevallen bevinden. Als deze verhuurders willen indexeren zit er niets anders op dan alsnog een EPC aan te vragen en te hopen dat het label goed is.

Na het verkrijgen van een gunstig label kan de verhuurder in de periode tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023 alsnog overgaan tot indexatie conform de regels vastgelegd in het decreet. Met dien verstande dat de verhuurder geen drie maanden (zoals in principe is bepaald in het woninghuurrecht) kan teruggaan in de tijd, de huurwoning beschikte op dat moment immers nog niet over een gunstig EPC-label.

Conclusie

Het decreet heeft een dubbel doel:  de betaalbaarheid van huurwoningen te verzekeren en eigenaars aan te moedigen om de energetische prestaties van de huurwoningen  te verbeteren. Met het 'éénmalige en uitzonderlijke' (gedeeltelijk) verbod op indexatie voor huurwoningen zonder EPC-label of woningen met een ander label dan A+, A, B of C, koppelt de decreetgever onverbloemd de woningkwaliteit aan de indexering van de huurprijs.

Als het EPC-label verbetert of als een goed EPC-label wordt verkregen, kan de verhuurder in de periode tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023 alsnog overgaan tot huurindexatie conform de regels vastgesteld in het decreet. Voor de huurwoningen zonder EPC en voor woningen die over het label D, E of F beschikken, zal vanaf 1 oktober 2023 rekening worden gehouden met een correctiefactor voor het bepalen van de huurindexering.


zonne en warmte installaties

Tijdelijke btw-verlaging voor zonne en warmte installaties

Sinds 1 april 2022 geldt een tijdelijke btw-verlaging naar 6% voor zon en warmte installaties. Dit is een verlaging van 21% naar 6% voor de installatie van zonnepanelen, zonneboilers en warmtepompen. Dit voor alle woningen die jonger zijn dan 10 jaar, zoals nieuwbouwwoningen en woningen die na afbraak heropgebouwd zijn. (KB van 27 maart 2022)

Voor woningen ouder dan 10 jaar bestaat al langer het verlaagde 6% btw-tarief. Niettemin onderging deze regeling sinds 1 januari 2022 ook een kleine wijziging. Dit betreft een verschuiving van verantwoordelijkheid van leverancier naar klant. Meer informatie vindt u in een andere blog.

Tijdelijke periode voor btw-verlaging

De btw-verlaging naar het 6%-tarief is slechts een tijdelijke gunstmaatregel. Zo zal de verlaging alleen toepasbaar zijn voor de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers in de periode tussen 1 april 2022 tot en met 31 december 2023.

Merk op dat het hier specifiek gaat over de levering en installatie van deze goederen. Het aankopen van een nieuwe woning mits inbegrip van zonnepanelen en/of warmtepomp en/of zonneboiler is immers wel onderworpen aan de volle 21% btw.

‚ÄėLevering en installatie‚Äô worden hier dan ook bestempeld als werken in onroerende staat zoals in artikel 19 ¬ß2, lid twee, van het btw-wetboek is omschreven.

Hieronder de voorwaarden waaraan u moet voldoen om van deze gunstmaatregel te genieten.

Eindverbruiker

Een eerste voorwaarde is dat de leverancier alle handelingen, met betrekking tot levering en installatie, rechtsreeks moet verstrekken en factureren aan de eindverbruiker. Dit omvat voornamelijk privéwoningen van particulieren waarbij de eindverbruiker bijvoorbeeld als eigenaar, huurder of vruchtgebruiker fungeert.

Privéwoning

Een tweede voorwaarde omhelst het private kenmerk. De woning moet namelijk uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning dienst doen. Indien dit niet het geval is, geldt de gunstmaatregel niet. Merk wel op dat ook vennootschappen aanspraak kunnen maken op deze maatregel: Zij die immers in het bezit zijn van onroerende goederen, bestemd voor private bewoning (zoals verhuur), kunnen ook genieten van de verlaging.

Leeftijd woning

De derde voorwaarde kwam eerder al aan bod, met name de leeftijd van de woning. Deze dient jonger dan 10 jaar te zijn met inbegrip van nieuwbouwwoningen en woningen heropgebouwd na afbraak.

Uitstoot

Een vierde voorwaarde betreft het technische karakter van de installatie, namelijk: de referentienormen inzake uitstoot. Het streefdoel is immers om emissiearme verwarmingssystemen met een hoog rendement te installeren. De overgrote meerderheid van de bestaande zonneboilers en warmtepompen op de markt hebben nauwelijks of geen uitstoot. Bijgevolg voldoen de meeste installaties op de markt dan ook aan deze voorwaarde. Echter blijkt de slechtste leerling in de klas de ‚Äėhybride warmtepomp‚Äô te zijn. Deze is daarom sinds 1 juli 2022 uitgesloten van de tariefverlaging.

De concrete normering naar uitstoot zijn, voor de liefhebbers, terug te vinden in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie. Meer specifiek moet aan de installatie een EU-energielabel zijn toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad.

Vermelding op factuur

Tot slot is er de vijfde en laatste voorwaarde inzake de correcte factuurvermelding. Deze dient sinds 1 april 2022 als volgt te luiden:

“Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat
(1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken,
(2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en
(3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."

Conclusie

Samengevat geldt sinds 1 april 2022 tot en met 31 december 2023 een tijdelijke btw-verlaging naar 6% voor zonne en warmte installaties, meer specifiek voor de levering en installatie van zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers. Om van dit verlaagd tarief te kunnen genieten, gelden verscheidene voorwaarden. Met name rechtstreekse facturatie aan de eindverbruiker, het private karakter van de woning, ouderdom van de woonst, de emmissienorm van het toestel en tot slot de correcte vermelding op de factuur.

U kan steeds bij aternio terecht indien u vragen hebt of bijkomende informatie wenst over deze of andere btw-regels.


Niet getrouwd met de boze wolf: het toekenningsbeding

Trouwen onder het stelsel van scheiding van goederen klinkt helaas nog al te vaak als kil en afstandelijk. Toch hoeft dit niet zo te zijn. Het is een stelsel met heel wat mogelijkheden waarbij tal van huwelijksvoordelen kunnen worden toegekend. Door het inlassen van uitdrukkelijke bedingen in de huwelijksovereenkomst kunnen namelijk voordelen worden bekomen. In deze bijdrage belichten we het in de praktijk minder toegepaste toekenningsbeding voor goederen die exclusief aan één echtgenoot toebehoren. Laat ons mee de mythe helpen ontkrachten dat een scheiding van goederen gelijk staat aan trouwen met een hebzuchtige boze wolf.

Huwelijksvoordelen: wat zijn dat?

Het zijn voordelen, expliciet opgenomen in de huwelijksovereenkomst, die verkregen worden uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksstelsel en die een duidelijk onderdeel zijn van het gekozen stelsel. Dergelijke voordelen zijn nooit een civiele schenking, toch kan er mogelijk sprake zijn van inkorting. Er zijn immers plafonds aan huwelijksvoordelen in het geval er gemeenschappelijke of niet-gemeenschappelijke kinderen zijn (art. 2.3.5.7 en 2.3.5.8. BW).

Bij plafondoverschrijding behandelt de wetgever de huwelijksvoordelen, minstens erfrechtelijk, alsof het om een schenking gaat. Alle huwelijksvoordelen tot aan deze plafonds zijn volkomen én blijven onaantastbaar voor de kinderen. Ondanks een eventueel overstijging zijn en blijven de voordelen hoe dan ook huwelijksvoordelen.

Ingeval er gemeenschappelijke kinderen zijn, kan er inkorting zijn voor het aandeel boven de helft in waarde van de tegenwoordige (voorhuwelijkse) goederen of toekomstige goederen verkregen voor of tijdens het huwelijk door erfenis, schenking of testament. De andere helft en de aanwinsten zijn reservebestendige huwelijksvoordelen.

In aanwezigheid van niet-gemeenschappelijke kinderen zijn de huwelijksvoordelen reservebestendig zolang ze niet meer dan de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde aanwinsten toekennen aan de andere echtgenoot. Het surplus is bijgevolg vatbaar voor inkorting.

Voorbeelden van conventionele huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen zijn:

  • het beding van inbreng waarbij √©√©n of beide echtgenoten goederen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) brengen;
  • het verblijvingsbeding, niet zelden aangevuld met een keuzebeding, dat bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel goederen toekent die in onverdeeldheid aan beide echtgenoten toebehoren; of
  • het toekenningsbeding, eventueel ook met opties, ¬†dat bij vereffening en verdeling goederen toekent die exclusief toebehoren aan de echtgenoot-eigenaar.

Toekenningsbeding

Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen kunnen m.a.w. voordelen bedingen inzake goederen die exclusief toebehoren aan één van hen. Het voordeel van het toekenningsbeding is dat deze goederen tijdens het huwelijk in het bezit blijven van de echtgenoot-eigenaar. In tegenstelling tot het TIGV behoren de betrokken goederen niet in onverdeeldheid toe aan de echtgenoten. Pas bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel zullen ze finaal bij de andere echtgenoot terechtkomen. Het is perfect mogelijk om het toekenningsbeding optioneel te maken. Denk bijvoorbeeld aan de keuze van de langstlevende echtgenoot in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, voor de geheelheid of voor bepaalde percentages van alle of van bepaalde goederen, waarbij de keuze voor ieder goed verschillend kan zijn.

Net omdat de echtgenoot-eigenaar over de volle beschikkingsbevoegdheid blijft beschikken, zijn er een aantal knipperlichten.

Het is namelijk perfect mogelijk dat de eigenaar de goederen tijdens het huwelijk spontaan (of gedwongen) verkoopt of wegschenkt. Om die reden is het nuttig om te voorzien in een clausule van zaakvervanging of een bepaling waardoor de andere echtgenoot aanspraak kan maken op de waarde van de goederen. Het kan ook aangewezen zijn om in een verrekenregeling te voorzien ingeval de andere echtgenoot financi√ęle of andere bijdragen heeft geleverd. Idem dito voor wat betreft een passiefregeling met betrekking tot de openstaande schulden die verband houden met de toegekende goederen.

Door het opnemen van dergelijke clausules onderbouwen de echtgenoten zonder enige twijfel de kwalificatie van het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel. De bijkomende regelingen inzake het beding zorgen voor de duidelijke integratie en coherentie in het huwelijksvermogensstelsel.

Hoe zit het fiscaal?

De Vlaamse Belastingadministratie (Vlabel) erkent alvast het bestaan van een toekennings- of toebedelingsbeding. De voorafgaande beslissing 21018 van 15 maart 2021 laat hierover niet de minste twijfel. De burgerrechtelijke kwalificatie van een dergelijk beding wordt ook fiscaal als een niet-schenking aanvaard, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

Op het verkregen huwelijksvoordeel wordt niet alleen geen schenkbelasting geheven maar ook geen erfbelasting. Het voordeel is namelijk geen erfrechtelijke verkrijging vermits de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel steeds de vereffening-verdeling van de nalatenschap voorafgaat.

Een toekenningsbeding is echter een overeenkomst onder bezwarende titel van een onverdeeld deel en kan aldus worden belast. Het gevolg hiervan is dat Vlabel op de overdracht van onverdeelde onroerende goederen registratiebelasting, i.e. het verkooprecht, zal heffen. Indien de verrichting daarentegen betrekking heeft op roerende goederen, is hierop geen Vlaamse registratiebelasting verschuldigd.

Het blijft wel opletten voor de kwelduivel van fiscaal misbruik. Vlabel kan elke overeenkomst, gesloten vanaf 1 juni 2012, immers aftoetsen aan de antimisbruikbepalingen. Er is geen fiscaal misbruik indien er voldoende niet-fiscale motieven ten grondslag liggen aan het beding. Vlabel bekijkt dit met (te) strenge blik. De belastingpraktijk wijst op fiscaal misbruik bij bedingen in de huwelijksovereenkomst waarbij de onroerende goederen niet zijn betrokken. Wie geen fiscaal risico wil lopen onderwerpt alle goederen best aan eenzelfde regeling.

The way to go is alleszins om de niet-fiscale motieven voor het gekozen huwelijksstelsel en het toekenningsbeding, of enige ander beding, op te nemen in de huwelijksovereenkomst. De keuze voor het stelsel van scheiding van goederen is meestal ingegeven vanuit de bescherming die het stelsel biedt inzake mogelijk verhaal van schuldeisers en de gewaarborgde autonomie inzake het bestuur en beheer van de eigen goederen. Voor het toekenningsbeding lijkt het hoofdmotief allicht de bezorgdheid om de langstlevende echtgenoot te beschermen bij overlijden.

Conclusie

Het opnemen van een toekenningsbeding in een huwelijksovereenkomst kan nuttig zijn. Het biedt de mogelijkheid, om vanuit de bezorgdheid voor het welzijn van de langstlevende echtgenoot, bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel eigen goederen toe te kennen op een civielrechtelijke en fiscaal interessante manier. Tot het overlijden of bij echtscheiding blijven deze goederen alleszins onder het autonoom bestuur en beheer van de echtgenoot-eigenaar.  De redactie van een toekenningsbeding, meer algemeen ook deze van andere bedingen, vereist de nodige zorg teneinde de kwalificatie als huwelijksvoordeel veilig te stellen.

aternio adviseert u graag bij uw planning.


Nieuw verbintenissenrecht: wilsgebreken

Het goedgekeurde wetsvoorstel houdende hervorming van het verbintenissenrecht bevestigt de bestaande wilsgebreken in artikel 5.33 e.v. Burgerlijk Wetboek. Daarnaast doet ook een 'nieuw' wilsgebrek zijn intrede, m.n. "misbruik van omstandigheden". In navolging van onze eerdere blogartikels zetten wij nu ook even de algemene wilsgebreken voor u op een rijtje.

Algemeen

Een wilsgebrek is erop gericht om de toestemming van een contractspartij te beschermen. Een contractspartij kan slechts op geldige wijze akkoord gaan voor zover zij haar wil vrij en bewust kan uiten.

Uitgangspunt is dat een wilsgebrek betrekking moet hebben op een element dat doorslaggevend is voor de contractsluiting. Zo de overeenkomst op doorslaggevende wijze is aangetast door een wilsgebrek speelt de sanctie van relatieve nietigheid. Het is dus enkel de beschermde partij (van wie de vrije en bewuste wil verstoord is) die de nietigheid van de overeenkomst kan inroepen. Let wel, dit is geen verplichting. De beschermde partij kan er perfect voor opteren om de nietigheid niet in te roepen en de overeenkomst aldus te bevestigen.

Zo het wilsgebrek geen betrekking heeft op een doorslaggevend element, speelt de nietigheidssanctie niet. In dat geval kan er echter wel sprake zijn van precontractuele aansprakelijkheid of van een contractsaanpassing (zie infra). Bovendien wordt ook bevestigd dat een vernietigend wilsgebrek evenzeer een buitencontractuele fout kan uitmaken. De combinatie van de contractuele vordering tot vernieitiging van een overeenkomst met buitencontractuele vordering tot schadevergoeding is mogelijk. Tenslotte kan voortaan - weliswaar onder strikte voorwaarden - ook bedrog of misbruik van omstandigheden door een derde een wilsgebrek uitmaken.

Dwaling

Artikel 5.34 e.v. Burgerlijk Wetboek bevat de bevestiging van de reeds eerder via rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde voorwaarden. Niet elke dwaling kwalificeert namelijk als een wilsgebrek. Daarvoor moet er gedwaald zijn over een element doorslaggevend voor de contractsluiting (supra). Het doorslaggevend karakter moet kenbaar zijn voor de medecontractant en de dwaling moet verschoonbaar zijn.

Verschoonbaarheid vereist dat een voorzichtiging en redelijk persoon in gelijkaardige omstandigheden ook zou hebben gedwaald. De beoordeling hiervan rust op een afweging tussen de informatieplicht van de ene partij en de onderzoeksplicht van de andere partij. Zo zal het verstrekken van foute informatie aan een leek, deze leek doorgaans ontslaan van zijn onderzoeksplicht.

Niet alleen dwaling over een contractueel element maar ook rechtsdwaling en dwaling over de persoon zijn mogelijk. Dwaling over de waarde of de prijs van een voorwerp is echter uitgesloten als wilsgebrek.

Bedrog

Een meer specifieke vorm van dwaling is het wilsgebrek bedrog. Voorwaarde voor bedrog is nog steeds het opzettelijk gebruik van kunstgrepen door de medecontractant. Het bedrog moet evenzeer doorslaggevend zijn geweest voor de contractssluiting. Enkel zogenaamd hoofdbedrog leidt tot nietigheid. Indien het bedrog tot gevolg heeft dat men tegen andere voorwaarden had gecontracteerd, dan is er sprake van een louter incidenteel bedrog. Incidenteel bedrog leidt niet tot nietigheid maar kan wel aanleiding geven tot schadevergoeding.

Ook Cassatierechtspraak inzake de aard van de kunstgreep werd bevestigd. Zowel het opzettelijk verstrekken van verkeerde informatie als het opzettelijk achterhouden of onvolledig verstrekken van informatie kan bedrog uitmaken mits de medecontractant tot het verstrekken van informatie  gehouden is én hij de informatie kent.

Tenslotte bevestigt artikel 5.35 Burgerlijk Wetboek dat het bedrog als specifieke dwaling niet aan de verschoonbaarheidsvereiste is onderworpen. 'Fraus omnia corrumpit' blijft overeind en kwade trouw wordt niet vermoed.

Geweld

Artikel 5.36 Burgerlijk Wetboek groepeert het wilsgebrek 'geweld' in al haar vormen. Geweld kan bestaan uit een fysieke of morele dwang en kan worden uitgeoefend tegen de contractspartij maar ook tegen haar naasten.

De voorwaarden voor toepassing van dit wilsgebrek blijven behouden:

  • er ontstaat een vrees voor een aanzienlijke aantasting die van die aard is dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden ook zou kunnen worden be√Įnvloed;
  • het geweld is doorslaggevend voor de contractssluiting, ook hier kan een geval van 'incidenteel geweld' niet tot nietigheid maar enkel tot schadevergoeding leiden;
  • het geweld is onrechtmatig, het uitoefenen van dwang door het aanwenden van rechtsmiddelen of het uitoefenen van een normaal gezag als ouder is niet onrechtmatig.

Zoals vermeld kan ook het vernieitigend gebrek 'geweld' uitgaan van een derde.

Misbruik van omstandigheden

Onder de benaming ‚Äúgekwalificeerde benadeling‚ÄĚ vond dit wilsgebrek reeds in de rechtspraak en de rechtsleer ingang. Volledig nieuw is het dus niet. Het gaat hier om situaties waarbij een contract manifest onevenwichtig is door het misbruik van de superieure positie van de ene contractspartij tegenover de andere. Dikwijls bleken dergelijke vorderingen onsuccesvol omwille van een gebrek aan bewijs van deze elementen. Onder invloed van Cassatierechtspraak zijn de toepassingsvoorwaarden nu wettelijk verankerd:

  • een kennelijk onevenwicht tussen de bedongen prestaties;
  • concrete omstandigheden van inferioriteit waardoor de andere contractspartij zich een voordeel heeft kunnen toe-eigenen;
  • een oorzakelijk verband tussen het misbruik en het kennelijk onevenwicht.

Wat betreft de sanctie speelt ook de relatieve nietigheid. Weliswaar met dien verstande dat indien het misbruik niet doorslaggevend was voor de contractssluiting de rechter ook tot aanpassing van de onevenwichtige prestatie kan besluiten als vorm van herstel. Eenzelfde mogelijkheid komt overigens terug onder de in het Burgerlijk Wetboek ingeschreven imprevisieleer. Ook hier kan een evenwicht worden hersteld door aanpassing van de prestatie met als verschil dat het onevenwicht slechts na contractsluiting is ontstaan.

Benadeling en veinzing

Tenslotte bevestigt de wetgever dan een eenvoudige benadeling in principe geen nietigheidsgrond vormt. Het bestaan van een onevenwicht tussen de prestaties van partijen is namelijk geen algemeen wilsgebrek.

Ook veinzing is geen wilsgebrek as such. In het geval van veinzing sluiten partijen een contract samen met een verborgen contract dat het eerste contract wijzigt of teniet doet. Het verborgen contract is wel degelijk geldig tussen partijen. Derden te goeder trouwe kunnen daarentegen kiezen tussen het veruitwendigde dan wel het verborgen contract.

 

Twijfelt u aan de rechtsgeldigheid van een overeenkomst? Heeft u iets ondertekend waarop u gezien de omstandigheden wenst terug te komen? Contacteer ons.


Nieuw verbintenissenrecht: overdracht van schuld en van contract wettelijk verankerd

In ons eerder blogartikel berichtten wij u reeds over het goedgekeurde wetsvoorstel houdende het nieuwe verbintenissenrecht. Zoals aangekondigd, zullen wij de komende tijd de voornaamste nieuwigheden voor u belichten. We gaan hierbij van start met de wettelijke regeling inzake overdracht van verbintenissen. Naast de overdracht van schuldvordering vinden nu ook de overdracht van schuld en van contract hun plaats in het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

1. Overdracht van schuldvordering

De wettelijke grondslag van de overdracht van schuldvordering is terug te vinden in artikel 5:174 e.v. Burgerlijk Wetboek. Algemeen uitgangspunt is dat schuldvorderingen steeds vatbaar zijn voor overdracht. Zij zijn deel van het vermogen van de schuldeiser. Niet-overdraagbaarheid vloeit voort uit de wet, de aard of uit contractuele afspraken.

Belangrijk te noteren is dat een contractuele onoverdraagbaarheid niet zondermeer tegenwerpelijk is aan derden. Enkel wanneer de derde-overnemer kennis had van de clausule kan hij op basis van derde-medeplichtigheid aan contractsbreuk worden aangesproken.

De overdracht blijft in se vormvrij. Voor de tegenwerpelijkheid aan de schuldenaar moet laatstvermelde op de hoogte zijn van het feit van de overdracht zelf (en dus niet van de overdrachtsakte). De overdracht heeft geen invloed op de excepties die de schuldenaar kan inroepen. Betaling voor kennisgeving werkt nog steeds bevrijdend.

Tevens wordt benadrukt dat de regels inzake overdracht niet enkel voor schuldvorderingen maar ook voor overdrachten van andere onlichamelijke goederen gelden. Een aparte bepaling regelt ook de gedeeltelijke overdrachten en de overdrachten van toekomstige schuldvorderingen.

2. Overdracht van schuld

Een nieuwigheid is de invoering van artikel 5:187 e.v. Burgerlijk Wetboek dat voortaan ook de overdracht van een schuld regelt. Deze figuur werd steeds met enige argwaan bekeken aangezien:

  1. de schuldoverdracht de schuldeiser opzadelt met een potentieel minder solvabele schuldenaar; en
  2. de schuldvordering die uit de schuld voortvloeit aan de schuldenaar toebehoort en in principe enkel hij erover kan beschikken.

Logisch gevolg: de schuld kan enkel met toestemming van de schuldeiser aan een derde worden overgedragen. Hierdoor ontstaat als het ware een driepartijenovereenkomst die de oorspronkelijke schuldenaar bevrijdt. Deze bedrijving werkt in principe enkel voor de toekomst . Het is echter perfect mogelijk om andersluidende contractuele afspraken te maken en dus alsnog in een hoofdelijkheid of een terugwerkende overname te voorzien.

Een gebrek aan toestemming van de schuldeiser maakt de schuldoverdracht echter niet onmogelijk. In dat geval is er namelijk sprake van een onvolkomen schuldoverdracht. Deze resulteert sowieso in een hoofdelijke gehoudenheid van overdrager en overnemer.

Ook een interne schuldovername is mogelijk. Deze onderscheidt zich van de onvolkomen schuldoverdracht omdat de overnemer niet de bedoeling heeft zich tegenover de schuldeiser te verbinden. Dergelijke overname heeft bijgevolg uitsluitend interne werking.

3. Overdracht van contract

Volgens de parlementaire voorbereiding is het uitgangspunt van een contractsoverdracht de volgende:

"Een contractsoverdracht is meer dan een optelsom van schulden en schuldvorderingen, maar de onveranderde overgang van de
gehele contractuele verhouding. De overnemer treedt dus niet enkel in de rechten en verplichtingen, maar in alle contractuele bevoegdheden e.d.m."

Voordien kenden we dergelijke figuur uitsluitend uit bijzondere wetgeving inzake bv. de overdracht van huur of van arbeidsovereenkomsten. De algemene grondslag hiervoor vinden we vanaf nu in artikel 5:193 e.v. Burgerlijk Wetboek.

Ook hier bestaat een onderscheid tussen een onvolkomen en volkomen overdracht. In beginsel is de toestemming van de medecontractant niet vereist voor de contractsoverdracht. Deze toestemming is namelijk slechts noodzakelijk om de overdrager te bevrijden. Zonder toestemming blijft de overdracht onvolkomen. Een volkomen contractsoverdracht heeft daarentegen het verdwijnen van de overdrager uit de contractuele relatie tot gevolg. De voorafgaand aan de overdracht opeisbare schulden blijven in principe voor rekening van de overdrager. Ook hier is echter contractuele afwijking mogelijk.

Slot

De regels inzake overdracht van schuldvordering zijn in belangrijke mate bestendigd. De eerder toegepaste figuren van schuld- en contactsoverdracht hebben echter een wettelijke basis gekregen, hetgeen enkel maar kan bijdragen aan de rechtszekerheid. Deze overdrachten zijn in principe altijd mogelijk. Bij de overdracht van schuldvordering blijft kennisgeving vereist met het oog op tegenwerpelijkheid. Bij de schuld-en contractsoverdracht wordt de toestemming van alle betrokken partijen vereist met het oog op de bevrijding van de overdrager.

Contacteer ons gerust voor meer informatie over dit onderwerp.


Elektronisch betalen (eindelijk) de nieuwe standaard

In de strijd tegen fiscale fraude heeft de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers op 10 maart 2022 een zoveelste wet "houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding" goedgekeurd. E√©n van de gevolgen hiervan is dat ondernemingen verplicht zijn om aan consumenten de mogelijkheid te geven elektronisch te betalen. Het Wetboek¬†van economisch recht is in die zin aangepast. Vraag is in hoeverre elektronisch betalen op vandaag, mede door Covid en commerci√ęle druk, niet reeds de standaard is.

Voor wie?

Alle ondernemingen die op regelmatige wijze economische activiteiten uitvoeren gericht op consumenten moeten elektronisch betalen mogelijk maken. De verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden, geldt bijgevolg alleen in een b2c-relatie. M.a.w. voor betalingen verricht tussen ondernemingen (in een B2B-verhouding) bestaat de verplichting niet. Ondernemingen zijn zowel handelaars, vrije beroepers en verenigingen.

Ook overheden kwalificeren als onderneming in zoverre het economische activiteiten betreft die geen taken zijn van algemeen belang. Voor dergelijke activiteiten gericht op consumenten, denk maar aan het beheer van een zwembad, een bibliotheek
of een cultureel centrum, zijn ook overheden verplicht om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden.

Zoals gezegd ontsnappen verenigingen evenmin aan de verplichting, mits zij regelmatige economische handelingen stellen waardoor concurrentie ontstaat met andere ondernemingen. De nieuwe verplichting geldt niet voor éénmalige of occasionele activiteiten van verenigingen.

Elektronisch betaalmiddel

Een ‚Äúelektronisch betaalmiddel‚ÄĚ is elk betaalmiddel waarbij men geen gebruik¬†maakt van eurobiljetten en -munten. Het is alvast duidelijk dat dit¬†betalingen met een bankkaart betreft, uitgevoerd via¬†conventionele betaalterminal of smartphoneapplicaties (Applepay, Payconiq, ...), betalingen per bankoverschrijving of online betaalplatformen (Paypal, Mollie, ...).

Maaltijdcheques, ecocheques en consumptiecheques, maar ook cryptomunten en virtuele valuta worden evenwel niet als elektronische betaalmiddelen beschouwd.

Voor het overige mag de onderneming dus vrij kiezen welk elektronisch betaalmiddel zij aanbiedt. Het begrip “elektronisch
betaalmiddel‚ÄĚ kan zeer ruim worden opgevat, zolang de onderneming maar minstens √©√©n elektronische betaalvorm aanbiedt. Gezien de diverse technologische mogelijkheden op vlak van elektronische betaalmogelijkheden hoeven echt geen¬†buitensporige kosten te worden gemaakt. Keuze genoeg.

Cash betalen blijft vanzelfsprekend nog steeds mogelijk. Het is zelfs zo dat ondernemingen cash betalingen in euro niet mogen weigeren. Uiteraard moeten zij rekening houden met de verplichtingen inzake het beperkt gebruik van contanten overeenkomstig de antiwitwaswetgeving, in casu mag geen enkele betaling in cash worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro.

De onderneming mag ook geen rechtstreekse kosten aanrekenen aan de consumenten voor het gebruik van een elektronisch betaalmiddel.

Verplichting en sancties

Vanaf 1 juli 2022 zijn ondernemingen verplicht minstens één elektronisch betaalvorm aan te bieden.

Om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd, is voorzien in een sanctie. Het betreft een sanctie van niveau 2 die is opgelegd in het artikel XV.83 van het Wetboek van economisch recht. Dit impliceert een geldboete van 26 tot 10.000 euro, te vermenigvuldigen met 8 om de opdeciemen mee te verrekenen. De Economische Inspectie houdt een oog in het zeil.

Conclusie

Vanaf 1 juli 2022 geldt voor ondernemingen onverminderd de verplichting om minstens één elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen in een B2C-verhouding. Voor betalingen verricht tussen ondernemingen (B2B-verhouding) tot slot is er geen verplichting.

Argumenten contra het aanvaarden van elektronische betalingen zijn niet langer van tel. De voordelen daarentegen zijn dat wel: geen kasverschillen, geen problemen met wisselgeld en geen risico's op diefstal.

Bij vragen omtrent deze of andere economische of fiscale maatregelen kan aternio u adviseren.