Huwelijk en vennootschap: zo zijn we niet getrouwd! Of wel?

U staat er misschien niet bij stil maar uw huwelijkscontract speelt een grotere rol in uw vennootschap dan u op het eerste gezicht zou denken. Denkt u nu spontaan: "niet voor mij, want ik heb geen huwelijkscontract"? Lees misschien toch verder. Want wie huwt zonder huwelijkscontract valt automatisch onder het wettelijk stelsel.

Wettelijk stelsel

Kenmerkend voor het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten zijn de drie vermogens: het eigen vermogen van elk van de echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen. Behoren tot het eigen vermogen van elke echtgenoot: alle goederen van vóór het huwelijk en alle goederen verkregen door schenking of erfenis (of een wederbelegging hiervan). Behoren tot het gemeenschappelijk vermogen: alle goederen die tijdens het huwelijk verkregen worden, zowel beroepsinkomsten als eigen inkomsten (bijvoorbeeld huurinkomsten van een eigen onroerend goed). Bovendien zijn alle goederen waarvan een echtgenoot niet kan aantonen dat ze tot zijn eigen vermogen behoren, gemeenschappelijk.

Eigen of gemeenschappelijk vermogen?

U voelt het al. Het is van belang om een en ander in het achterhoofd te houden bij beslissingen binnen uw vennootschap.

Denk bijvoorbeeld aan een bestuurder die geld leent aan zijn vennootschap. Laten we ervan uitgaan dat de bestuurder, zoals velen onder ons, gehuwd is onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten.

De gelden die de bestuurder aan zijn vennootschap leent, behoren tot zijn eigen vermogen. Verworven door schenking of erfenis bijvoorbeeld.

De vennootschap betaalt een intrest van pakweg 4 % op de ontleende gelden. De ontvangen intrest wordt netjes op de lopende rekening van de bestuurder geboekt. Maar daar komt het huwelijksvermogensrecht op de proppen. Dat zal bepalen aan wie de tegoeden effectief toebehoren.

Het is niet omdat de lopende rekening op uw naam staat, dat de tegoeden dat ook zijn. Opbrengsten van eigen goederen zijn immers niet eigen, maar vallen in de gemeenschap. De ontvangen intrest op de lening behoort dus tot het gemeenschappelijk vermogen. Geen probleem, zou u denken. Toch kan een dergelijke actie nare gevolgen hebben.

Vermenging van vermogens

Op het ogenblik dat de intresten geboekt worden op de lopende rekening van de bestuurder, wordt het eigen vermogen van de bestuurder en het gemeenschappelijk vermogen immers vermengd. En dan is daar opnieuw het vermoeden van gemeenschap van het wettelijk stelsel. Kan u niet meer aantonen welke gelden tot uw eigen vermogen behoren? (Wat niet ondenkbaar is na jarenlange boekingen en verrichtingen op een lopende rekening.) Jammer maar helaas, deze worden vermoed tot het gemeenschappelijk vermogen te behoren. En zo zijn eigen goederen plots gemeenschappelijk. Ook al was dat niet meteen uw intentie.

Beter voorkomen dan genezen

Wilt u graag dergelijke problemen vermijden? Een aparte lopende rekening voor de intresten zou in dit voorbeeld al soelaas kunnen bieden.

Daarnaast kan het handig zijn om uw huwelijkscontract even tegen het licht te houden. Daarin kan u bijvoorbeeld ook stipuleren dat opbrengsten van eigen goederen (bijvoorbeeld intresten op de lening aan uw vennootschap) eigen moeten blijven. Zo vermijdt u dat deze in het gemeenschappelijk vermogen vallen en dat er vermenging van vermogens zou kunnen ontstaan.

Wilt u uw huwelijkscontract eens laten screenen? aternio legal staat u graag bij met raad en daad.


Kan ik als leverancier de prijs heronderhandelen?

Ondernemers zien zich ingevolge de covid19 maatregelen vandaag geconfronteerd met prijsstijgingen bij hun eigen leveranciers. Wat als de ondernemer reeds maanden geleden een prijs voor de uitvoering van werken onderhandelde? Wie staat in voor dit risico? Kan de ondernemer deze meerprijs alsnog ten laste van haar klanten leggen? Naargelang de hoedanigheid van de klant, valt er contractueel gelukkig wel één en ander te regelen.

Hoe kan de ondernemer zich beschermen?

In een klassiek scenario zal een ondernemer eerst een offerte bezorgen aan de klant. De klant die zich in de vooropgestelde prijs kan vinden, zal deze offerte ondertekenen. Hierdoor komt tussen ondernemer en klant een overeenkomst tot stand. De ondernemer zal zich vandaag - eveneens ingevolge de covid19-maatregelen - vaak niet vastpinnen op welbepaalde uitvoeringsdatum. Ook aan de zijde van de klant is er vaak een uitgestelde afroep voor de uitvoering van de werken. Probleem hierbij is dat er wel eens een aantal maanden tussen het moment van contractsluiting en van uitvoering kan zitten. Gezien de onvoorspelbare markt, brengt dit soms onvoorziene prijsstijgingen met zich.

De nodige bescherming inbouwen kan naargelang de ondernemer in een B2C dan wel B2B context handelt.

Ten aanzien van consumenten (B2C)

Wetboek van Economisch Recht: verbod op eenzijdige prijswijziging

Het Wetboek van Economisch Recht (WER) voorziet dat het ten aanzien van consumenten verboden is om in overeenkomsten van bepaalde duur te bepalen dat de prijs van de producten (zowel goederen als diensten) wordt vastgelegd op het ogenblik van de levering. Het is eveneens verboden om de onderneming toe te laten om de prijs eenzijdig te verhogen of de voorwaarden ten nadele van de consument te wijzigingen op basis van elementen die enkel afhangen van de wil van de onderneming. Dit verbod geldt zelfs wanneer aan de consument op dat ogenblik eerst de mogelijkheid wordt geboden om alsnog van de overeenkomst af te zien.

In principe zal een prijsherzieningsclausule ten aanzien van consumenten dus verboden zijn met de nietigheid ervan tot gevolg. Dergelijke clausule in de algemene voorwaarden zou ten aanzien van consumenten als ongeschreven moeten worden gehouden.

Het WER voorziet echter in een uitzondering voor bedingen van prijsindexering. Deze mogen echter niet onwettig zijn en de overeenkomst moet expliciet de wijze van prijsaanpassing bevatten. Men zal dus niet op algemene wijze kunnen bepalen dat de klant er in de offerte-fase reeds mee instemt dat de prijs kan stijgen naargelang de evolutie van de prijzen die volgt uit de huidige economische crisis. Het is daarentegen wel mogelijk om in een clausule te voorzien waarbij de prijs proportioneel wordt aangepast in functie van de toegenomen kosten inzake bv. hout.

Wet Economische Herstelmaatregelen: voorwaarden voor indexering

Daarnaast voorziet de Wet Economische Herstelmaatregelen in de volgende aanvullende voorwaarden:

  • Het beding is slechts toepasbaar op maximum 80 % van de eindprijs;
  • Verwijst naar parameters die re√ęle kosten vertegenwoordigen;
  • Elke afzonderlijke parameter is alleen op het gedeelte van de prijs dat deze kost vertegenwoordigt toepasbaar. Bv. indien de post hout 45 % van het offertebedrag vertegenwoordigt, zal de prijsherziening uitsluitend op dit percentage kunnen worden toegepast.

Gelet op deze voornamelijk kwantitatieve beperkingen, is het ten aanzien van consumenten weinig aantrekkelijk om met dergelijke prijsindexeringsclausules te werken.

Alternatieven

Afhankelijk van de haalbaarheid binnen het administratieve proces van de ondernemer is het eventueel een optie om voorlopig eerder met prijsramingen te werken dan met daadwerkelijke offertes. De offerte vormt namelijk een bindend aanbod waarbij ‚Äď eens aanvaard door de klant ‚Äď de prijs komt vast te liggen. Bij een loutere prijsraming zal de klant wel reeds een indicatie van de uiteindelijke prijs krijgen maar daar tegenover staat dan dat er op dat moment nog geen overeenkomst tot stand komt. De ondernemer loopt hierdoor het risico¬† om het uiteindelijke contract te mislopen.

Een andere optie is om in de algemene offertevoorwaarden op te nemen dat wanneer de erin opgenomen werken door de consument niet worden ‚Äėafgeroepen‚Äô binnen een bepaalde termijn, de offerte en dus ook de overeenkomst komt te vervallen. De partijen zullen dus een nieuwe offerte moeten onderhandelen, maar ook hier loopt de ondernemer het risico het contract op dat moment te mislopen.

Om ten aanzien van een consument af te wijken van een eerder overeengekomen vaste prijs, moet de ondernemer er in se voor zorgen dat de afwijking niet louter eenzijdig wordt opgelegd.

Om dit eenzijdig element weg te nemen, werkt men best zoveel als mogelijk met objectieve maatstaven. Hierdoor is het niet de ondernemer zelf die een wijziging doorvoert maar vloeit dit voort uit het contract op zich.  Er is namelijk louter contractueel overeengekomen dat de prijs op het moment van contractsluiting bepaald wordt aan de hand van een overeengekomen formule.

Ten aanzien van ondernemingen (B2B)

Sedert 2019 voorziet het WER ook dat het in overeenkomsten tussen ondernemingen verboden is om bedingen op te nemen die:

  1. de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
  2. zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming rust.

De vraag is maar wat in geval van geschil als geldige reden aanvaardbaar is. Hierop bestaat namelijk geen pasklaar antwoord. Temeer nu het economische risico verbonden aan prijsschommelingen bij toeleveranciers eerder rust bij de onderneming die het product levert en niet bij de onderneming die het product aankoopt.

In een B2B-relatie kan de ondernemer een oplossing vinden in een zogenaamde heronderhandelingsclausule. Beide partijen verbinden zich om opnieuw in onderhandeling te treden over de prijs indien een bepaalde situatie zich voordoet. Bijvoorbeeld: indien de prijs van een bepaalde grondstof aantoonbaar met een bepaald percentage is gestegen in vergelijking met het moment van contractsluiting.

Tussen ondernemingen is het dus een meer gangbare praktijk om dergelijke clausules overeen te komen. Ook hier is voorzichtigheid geboden. Er is een wetsontwerp ingediend dat ‚Äď mits effectieve goedkeuring ‚Äď bepaalde geldigheidsvoorwaarden aan dergelijke clausules zou verbinden. Bovendien moet de ondernemer zich ook steeds behouden voor rechtsmisbruik. In die optiek zal een verplichting tot heronderhandeling bij een minimale prijsstijging niet aangewezen zijn.

Samengevat

Ten aanzien van consumenten geldt een verbod op het eenzijdig wijzigingen van de prijs na contractsluiting. Een prijsherzieningsclausule zal echter mogelijk zijn wanneer deze voldoende objectieve maatstaven bevat zodat de wijziging niet louter eenzijdig is.

Ten aanzien van ondernemingen zijn er meer mogelijkheden. Op het vlak van prijsstijgingen kan men zich contractueel indekken door in een heronderhandelingsplicht te voorzien.

Contacteer aternio legal gerust voor assistentie bij de opmaak of aanpassing van algemene contractvoorwaarden of overeenkomsten terzake.


Schenking: rechtstreeks maar via een onderhands document

Carpe diem - pluk de dag. Leef elke dag alsof het je laatste is. Het leven is te kort, dus maak het de moeite waard. Het zouden geen clichés zijn, mocht er geen grond van waarheid in zitten. Door een dergelijke levenswijsheid te hanteren leef je inderdaad van dag tot dag. Vermogensplanning, dat zijn zorgen voor later. Maar wat als "later" plots heel dichtbij komt? Is uw kans op een fiscaal optimaliseerde planning dan verkeken? Nee hoor, en u leest in deze bijdrage waarom niet: via de rechtstreekse, onderhandse schenking, een nieuwe aanvaarde vorm van planning in extremis.

Gent 15 december 2020: de schenking in extremis

Het hof van beroep van Gent diende zich in het arrest van 15 december 2020 uit te spreken over  de rechtstreekse schenking van een som geld, die werd georganiseerd via een onderhands document. Het onderhandse document werd kort voor het overlijden van de schenker, vrijwillig geregistreerd.Hierdoor zou men de schenking taxeren onder de schenkbelasting en zou men de hogere erfbelasting buiten spel kunnen zetten.

Voornoemde schenking respecteert niet de vormvoorschriften die het Burgerlijk Wetboek oplegt voor schenkingen. Komen we hier dan binnen de reikwijdte van de alternatieve schenkingsvormen? Of bevinden we ons in de donkere steegjes van een mogelijke nietigverklaring? Bovendien, als dat al vernietigbaar zou zijn, kan dat ook nog door de ontvanger van de erfbelasting, na het overlijden van de schenker?

Waarover ging het concreet?

Vader en moeder, gehuwd onder het wettelijk stelsel, verrichten een schenking van een geldsom aan hun 2 kinderen. Van de schenking wordt een onderhands document opgemaakt, de titel. Alle betrokken partijen ondertekenen dit document. Een dag later wordt het onderhands document aangeboden ter registratie. De effectieve uitvoering van de schenking zou pas 2 maanden later plaatsvinden.

Pittig, maar cruciaal, detail: amper 20 minuten na de registratie van de onderhandse akte, overlijdt 1 van de schenkers, met behulp van euthanasie.

Het aanslagbiljet om de schenkbelasting te betalen (naar aanleiding van de registratie) komt enige tijd later toe. Nog een paar maanden later, wordt de aangifte van nalatenschap van de overleden schenker ingediend, waarin men melding maakt van de geregistreerde geldschenking.

De situatie wordt nog enigszins complexer aangezien de geschonken gelden nog op rekening van de schenker(s) stonden, op het moment van overlijden. Uiteraard verzoeken de indieners om deze gelden buiten beschouwing te laten. U kan het gevolg al raden: de belastingadministratie geeft hier geen gevolg aan. Daarna is de mallemolen van bewaarschriften en rechtbanken begonnen, hetgeen resulteerde in de voorliggende uitspraak van het hof van beroep te Gent van 15 december 2020.

Schenking in het Vlaamse Gewest

In het Vlaamse gewest is het voldoende voor een schenking dat zij voorafgaand aan het overlijden van de schenker ter registratie wordt aangeboden. Het is niet vereist dat de schenkbelasting al effectief betaald is. Het aanslagbiljet wordt namelijk pas (enige tijd) na de registratieformaliteit bezorgd. Dit principe geldt niet voor het Brussels Hoofdstedelijk en het Waalse Gewest: daar is het enregistrer = payer.

Enkel schenkingen die verricht zijn binnen de 3 jaar voor het overlijden van de schenker én die niet voorafgaandelijk geregistreerd zijn, zal de fiscus belasten in de erfbelasting. Iemand die een schenking uitvoert vlak voor het overlijden en daarop dus wel schenkbelasting voldoet, zal fiscaal buiten schot blijven. Dit zal men nooit als fiscaal misbruik kunnen aanzien. Dat is ook niet meer dan terecht: niemand ontduikt enige belasting. Toch heeft Vlabel zich in deze discussie geweerd.

Argumentatie Vlabel

Inzake de rechtstreekse schenking via onderhandse akte

Vlabel veronderstelt dat de voorliggende schenking geen rechtstreekse schenking kan zijn, aangezien zij niet voldoet aan de vormvoorschriften van het Burgerlijk Wetboek. Een onderhandse akte is namelijk geen notari√ęle akte en laat dat nu net √©√©n van die vormvoorschriften zijn. Vlabel stelt dat de onderhandse akte en een bevestiging kan zijn van een eerder uitgevoerde bank- of handgift. Argument voor deze stelling vinden ze in het feit dat de geldsom nog niet was overgeschreven, op het moment van het overlijden.

Het hof van beroep gaat hiermee niet akkoord. Het hof stelt dat er effectief een rechtstreekse schenking voorligt. Bovendien stellen ze dat die schenking ook voldoet aan de constitutieve elementen, te weten: verarming en bijhorende verrijking, met het oogmerk om te begiftigen.

Het is ook duidelijk dat de verrichting geen bankgift vormt. Bij een bankgift maakt men namelijk een eenzijdig bewijsdocument (de zogenaamde pacte adjoint) op na het overschrijven van de gelden. In de voorliggende casus wordt het document door zowel de schenkers als de begiftigden ondertekend en omvat het de effectieve schenking. Het onderhands document is de effectieve titel van de schenking. Bovendien zijn bewoordingen opgenomen in de tegenwoordige tijd: zowel de wil om te schenken als de aanvaarding door de begiftigde.

Inzake de vernietigbaarheid van de schenking

Het Burgerlijk Wetboek legt de vormvoorschriften voor schenkingen op, op straffe van nietigheid. Maar, dit dienen we te nuanceren. De wet stelt niet dat een miskenning van de vormvoorschriften een nietigheid van rechtswege triggerd. Nee, er staat enkel dat die voorschriften op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven.

Het gaat om een absolute nietigheid, zolang de schenker nog in leven is. Dit wil zeggen dat, wanneer een belanghebbende partij (lees: ook de fiscus) de nietigheid zou inroepen, niemand daar iets aan kan veranderen. De nietigheid zal dus een feit zijn. De verjaringstermijn hiervoor is 10 jaar, te rekenen vanaf de datum van de schenking. De vraag is echter waarom een instantie, zoals de fiscus, dit zou doen. Ze ontvangen namelijk schenkbelasting en er kunnen dus niet opperen dat zij hierin enig belang hebben.

Die absolute nietigheid verandert echter in een relatieve nietigheid, na het overlijden van de schenker. Dit wil zeggen dat enkel de erfgenamen en rechtverkrijgenden van de schenking deze nietigheid nog kunnen inroepen. De erfgenamen kunnen de schenking alsnog bekrachtigen of bevestigen door ze toch uit te voeren.  Ook hier is de verjaringtermijn 10 jaar, te rekenen vanaf het moment van de schenking.

Vlabel argumenteerde dat zij alsnog de nietigheid van de schenking konden inroepen, aangezien 1 van de 2 schenkers toch nog in leven was. Jammer maar helaas voor Vlabel. De schenking had namelijk plaatsgevonden vanuit de huwgemeenschap en dan is die één en ondeelbaar, tot zolang de huwgemeenschap niet ontbonden is. Als de schenking tijdens het huwelijk wordt aangevochten, dan zijn beide schenkers inderdaad getroffen. Maar wanneer de huwgemeenschap ontbonden is, en laat dat nu net het geval geweest zijn door het overlijden van een schenker, dan heben we te maken met een deelbare schenking. Een integrale vernietiging van de schenking, zou dan niet opportuun zijn.

Conclusie

In wat voorafgaand is een sterk staaltje van planning in extremis omschreven. Het standpunt van het hof van beroep te Gent kunnen we dan ook enkel maar toegejuichen. Planning zou voor iedereen, altijd, toegankelijk moeten zijn. Dat geldt sowieso al voor een testament: dat kan u te allen tijde opmaken, aanpassen, vernietigen,... Naderhand zal men u belasten in de erfbelasting.

Voor een schenking kon dat niet, daarvoor moest u naar de notaris. De notaris zal de akte dan laten registereren en u dient daarna de schenkbelasting te betalen. Het enige wat het hof van beroep nu toestaat is dat men die tussenstap van de notaris kan elimineren. Voor het overige blijft alles hetzelfde: geschrift - registratie - schenkbelasting.

Is dit een techniek die men nu continu dient aan te wenden? Nee, want er is nog altijd wel de nietigheid waarmee men rekening moet houden. Als een partij zich benadeelt voelt of indien de fiscus er tijdens het leven van de schenker lucht van krijgt, kan men alles nog teniet doen. Wat uiteraard niet kan wanneer u de regels van het Burgerlijk Wetboek netjes volgt.

Is dit een techniek die men in het achterhoofd moeten houden "just in case". Dat zeker wel! Als het snel moet gaan en u door omstandigheden geen notaris meer te pakken krijgt... aarzel dan om de bovenstaande techniek aan te wenden.

aternio kan u hierbij zeker bijstaan: van de opmaak van het document tot aan de registratieverplichting. Zo kan u nog tijd maken voor wat ongetwijfeld één van de meest intense momenten in het leven zal zijn.


Voortdurend verlies maken: hold your horses!

Voortdurend verlies maken, economisch is het niet gezond. Fiscaal is het verleidelijk. Getuige hiervan is  een interessant arrest van 15 september 2020 over een paardenfokkerij die al 20 jaar lang geen winst maakte, maar toch btw bleef aftrekken. Het gebrek aan winst deed de fiscus er toe besluiten dat de belastingplichtige geen professional was, maar een loutere amateur. De kosten van zijn zogenaamde 'hobby' zouden dan ook niet aftrekbaar zijn.

Het hof van beroep te Antwerpen (rolnr: 2019/AR/518) ziet het tóch anders...

Rechtspraak inkomstenbelasting paardenfokkerij

Op het vlak van inkomstenbelastingen vinden we heel wat rechtspraak over paardenfokkerijen die er in werkelijkheid niet op gericht zouden zijn om winst te behalen. De fiscus en rechtbanken oordelen daarbij doorgaans dat uit het geheel van omstandigheden blijkt dat de belastingplichtigen enkel het stelselmatig verrekenen van de verliezen beogen. Op die manier kunnen ze hun belastingen verlagen. De fiscus herkwalificeert de paardenfokkerij dan als "hobby" en verwerpt de kostenaftrek, zodat het resultaat op nul komt te staan.

Btw: economische activiteit

Op het vlak van btw wordt deze redenering echter niet doorgetrokken. Daar is het winstoogmerk immers van geen tel.

Artikel 4 van btw-wetboek definieert een belastingplichtige als: "eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht [...]".

Op het vlak van btw moet er dus sprake zijn van een "economische activiteit".

Bij de beoordeling ervan kijkt men naar alle feitelijke elementen. Denk aan de wijze van financiering, de exploitatievoorwaarden, de hoedigheid van de exploitant, de commercialisering, de aard van het cli√ęnteel enz.

In eerste aanleg had de rechtbank de fiscus nog gelijk gegeven. De verrichtingen van de vennootschap zouden geen economische waarde hebben, omdat er geen werkelijk duurzame opbrengsten uit voortkwamen. Het hof van beroep verbreekt - geheel terecht -dit vonnis.

Oordeel hof

Zoals gezegd, is het al dan niet winst maken, niet relevant voor de btw-plicht. De aanwezigheid van een 'economische activiteit' is dat wel. Het hof oordeelt in onderhavige zaak dat dit weldegelijk het geval is. Er worden paarden gefokt en trainingen gegeven. Ook is er de verkoop van sperma en inschrijvingen voor professionele wedstrijden. Verder beschikt de vennootschap over de nodige vergunningen en professionele infrastructuur en personeel. Het ontbreken van winst doet hier geen afbreuk aan.

Besluit

Via intelligente software gaat de fiscus op zoek naar alle ondernemingen die de laatste 5 jaar geen winst konden optekenen, om vervolgens de kostenaftrek te verwerpen en het resultaat op nul te zetten. Weet dat op het vlak van btw, de fiscus dit niet zomaar mag doen, hoewel de rechtspraak hierover wel nog wat verdeeld is.

Wij adviseren u graag en met kennis van zaken. Contacteer ons gerust.


Wettelijke samenwoning vs. huwelijk: welk sprookje kiest u?

Wettelijke samenwoning is een trend. Steeds vaker gaan mensen wettelijk samenwonen, eerder dan de stap naar het huwelijk te zetten. Waarom is dat zo? Waarom is die wettelijke samenwoning zo populair? Is die populariteit wel terecht? Zijn er niet meer voordelen verbonden aan "het instituut van het huwelijk" dan aan de "losbandige" wettelijke samenwoning?

Start

Instappen in een wettelijke samenwoning is zonder twijfel meer laagdrempelig dan instappen in een huwelijk.

Huwelijk

Voor een huwelijk moet u minstens twee weken voor de geplande huwelijksdatum aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook hier moet u kunnen aantonen dat u nog niet gehuwd bent of dat uw vorig huwelijk ontbonden of nietigverklaard is.

Het huwelijk zal voltrokken worden door de burgemeester of de schepen van de burgerlijke stand. U hebt dan de keuze om geen ofwel maximum 4 getuigen aan te duiden die aanwezig zullen zijn bij het huwelijk en de huwelijksakte mee zullen ondertekenen. Gefeliciteerd, u bent nu in het huwelijksbootje getreden.

Wettelijke samenwoning

Van zodra u en uw partner juridisch bekwaam zijn om een overeenkomst af te sluiten en niet gehuwd of reeds wettelijk samenwonend zijn, kan een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd worden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Voila, proficiat, u bent nu wettelijk samenwonend.

En route du parcours

Huwelijk

Tijdens het huwelijk zijn de regels van het primair huwelijksvermogensstelsel van toepassing.  Deze regels zijn van dwingend recht. Ze zijn van toepassing op alle echtgenoten, vanaf het moment van het huwelijk en zolang het huwelijk duurt. Deze regels raken de openbare orde waardoor het niet mogelijk is om daarvan af te wijken.

Het secundaire huwelijksvermogensrecht regelt de vermogensrechtelijke verhoudingen van de echtgenoten, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van derden. Echtgenoten kunnen hier kiezen onder welk stelsel ze zullen vallen. Als ze geen keuze maken, zullen ze gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel. Maar hier zijn dus wel afwijkingen mogelijk, die zullen dan opgenomen worden in een huwelijkscontract.

Op de vraag of u verplicht dient samen te wonen tijdens het huwelijk, werd reeds eerder een antwoord gegeven.

Wettelijke samenwoning

De regels van het secundair huwelijksvermogensrecht zijn ook van toepassing verklaard op de wettelijke samenwoners. Daar heeft de Wet van 23 november 1998 voor gezorgd. Op die manier kwam er ook een minimaal vermogensrechtelijk statuut voor de wettelijke samenwoners.

Ook binnen de wettelijke samenwoning werkt u bij voorkeur met een samenlevingsovereenkomst, net zoals bij het huwelijkscontract. De praktijk leert echter dat veel samenwoners nochtans geen overeenkomst afsluiten.

Op de vraag of wettelijke samenwoning ook effectief samenwonen omvat, werd reeds eerder een antwoord gegeven.

Het einde van de rit

Huwelijk

Als de wegen niet meer dezelfde kant opgaan en therapie of bemiddeling geen uitweg meer bieden, kan het huwelijk een einde nemen. Er dient dan een echtscheidingsprocedure te worden opgestart. Hiervoor zal u zich tot de bevoegde familierechtbank moeten wenden.

Er zal steeds een verplichting zijn om bij te dragen tot de onderhouds-, gezondheids-, toezichts-, opvoedings-, opleidings- en ontplooiingskosten voor de gemeenschappelijke kinderen. Daaraan kan u nooit ontsnappen.

Daarnaast voorziet het instituut van het huwelijk ook in een mogelijke onderhoudsuitkering voor de partner. De concrete omstandigheden daarvan, zijn afhankelijk van de manier waarop de echtscheiding werd ingeleid (met wederzijdse toestemming of op basis van onherstelbare ontwrichting).

Behalve in buitengewone omstandigheden mag de duur van deze uitkering sowieso niet langer zijn dan de duur van het huwelijk.

Wettelijke samenwoning

Bij de be√ęindiging van de wettelijke samenwoning dient quasi geen procedure te worden doorlopen. Het enige wat moet gebeuren is teruggaan naar de ambtenaar van de burgerlijke stand en melden dat de samenleving stopt. Het is daarbij zelfs niet vereist dat alle partijen daar zijn. De wettelijke samenwoning kan eenzijdig worden opgzegd.

Ook bij het einde van de wettelijke samenwoning is er een onderhoudsplicht voor de gemeenschappelijke kinderen, net zoals bij het huwelijk.

Wettelijk gezien is er echter geen sprake van een onderhoudsgeld voor de partners. Het is wel mogelijk om in de samenlevingsovereenkomst iets te regelen, maar dat is dan meer onder de noemer "verbrekingsvergoeding", eerder dan dat het gaat om een onderhoudsbijdrage. De wettelijke regeling voorziet namelijk nergens een verplichting van bijstand tegenover elkaar.

Erfrecht

Inzake de erfrechtelijke aanspraken van de langstlevende huwelijkspartner, dan wel de langstlevende wettelijk samenwonende partner, verwijzen we u graag door naar een eerdere bijdrage.

Conclusie

De keuze voor het huwelijk, dan wel voor de wettelijke samenwoning, is persoonlijk. Alles is afhankelijk van hoe u het zelf aanvoelt. Ja, het huwelijk biedt vanuit de wetgeving een meer uitgebreide bescherming. Maar ook in de wettelijke samenwoning kan u veel regelen. U moet er dan natuurlijk wel zelf actie voor ondernemen, begrijp een samenlevingsovereenkomst afsluiten.

aternio legal staat u graag met raad en daad bij in het maken van deze keuze. Contacteer ons voor meer informatie.


Nieuwe effectentaks: geen ontkomen aan?

Over de nieuwe jaarlijkse taks op effectenrekeningen is al veel gezegd en geschreven. Nadat de vorige versie van deze effectentaks werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof, kwam de wetgever met een nieuwe versie op de proppen.

Wie voortaan een effectenrekening van (gemiddeld) meer dan 1.000.000 euro bezit, betaalt jaarlijkse 0,15 procent op de totale waarde ervan. De taks heeft een louter budgettair doel. Wie dus dacht creatief te kunnen omspringen met de nieuwe effectentaks is eraan voor de moeite! Ontwijkingsgedrag is niet aan de orde. De wetgever voorziet een tweedelig mechanisme: enerzijds twee onweerlegbare vermoedens van fiscaal misbruik, anderzijds een algemene antimisbruikbepaling.

Onweerlegbaar vermoeden

De wet van 17 februari 2021 voorziet vooreerst een onweerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik in twee specifieke gevallen (art. 201/4 laatste lid 1¬į en 2¬į WDRT).

Het betreft enerzijds het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen bij eenzelfde tussenpersoon (indien de splitsing heeft plaatsgevonden na 30 oktober 2020). Anderzijds gaat het om het omzetten van financi√ęle instrumenten, aangehouden op een effectenrekening, naar financi√ęle instrumenten op naam, die niet op een effectenrekening worden gehouden.

In beide gevallen is er altijd sprake van fiscaal misbruik, zonder dat de fiscus dit moet aantonen. De belastingplichtige is aan handen en voeten gebonden. Had hij toch andere motieven dan belastingontwijking? Jammer, maar helaas! De fiscus zal geen rekening moeten houden met de gedane verrichtingen. De bank of de belastingplichtige zal de taks moeten blijven aangeven en betalen alsof de verrichtingen niet hebben plaatsgevonden voor de lopende én de toekomstige referentieperiodes.

Algemene antimisbruikbepaling

Bovenop het tweeledig onweerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik voorziet de wetgever in een algemene antimisbruikbepaling. Welke verrichtingen viseert deze algemene antimisbruikbepaling nu? Om dat uit te maken, moet opnieuw naar de bedoeling van de wetgever gekeken worden. Frustreert de betreffende verrichting het budgettair doel van de effectentaks? Bingo! De fiscus kan bijgevolg alle verrichtingen die gedaan worden om de taks te ontwijken, negeren.

Wie de belastbare waarde van een effectenrekening vermindert om met die waarde via een ander middel eenzelfde doel na te streven, valt onder de toepassing van de antimisbruikbepaling. Het gaat dan bijvoorbeeld om een omzetting in aandelen, obligaties of andere financi√ęle instrumenten op naam. Dergelijke producten hebben immers eenzelfde beleggingsobjectief, alleen de vorm verschilt. Wat kan er dan wel? Het verminderen van de belastbare waarden van een effectenrekening om met die waarde te investeren in vastgoed. In dat geval heeft men duidelijk een ander beleggingsobjectief voor ogen.

In de memorie van toelichting heeft de wetgever overigens zelf al een aantal situaties gekwalificeerd als misbruik. Het gaat dan bijvoorbeeld om het splitsen of openen van effectenrekeningen bij verschillende financi√ęle tussenpersonen om te vermijden dat de totale waarde van de effecten op √©√©n rekening meer dan 1.000.000 euro bedraagt. Of nog: het onderbrengen van een effectenrekening in een buitenlandse vennootschap die de effecten op haar beurt overplaatst naar een buitenlandse effectenrekening.

In dergelijke situaties gaat de fiscus ervan uit dat men de bedoeling had om de effectentaks te verminderen of om eraan te ontsnappen. De overigens niet-exhaustieve lijst in de memorie van toelichting maakt duidelijk dat de fiscus alles wat mogelijk fiscaal misbruik zou kunnen zijn, onder de algemene antimisbruikbepaling wil laten vallen. Geen ontkomen aan dus!

Weerlegbaar vermoeden

Niet onbelangrijk: de algemene antimisbruikbepaling is een weerlegbaar vermoeden. De belastingplichtige heeft dus steeds het recht om te bewijzen dat hij andere motieven had dan het ontwijken van de taks bij het uitvoeren van een bepaalde verrichting. Die niet-fiscale motieven zijn overigens zeker niet onrealistisch. Het spreiden van risico bijvoorbeeld door bij meerdere banken een effectenrekening te openen, is niet onlogisch. Nochtans zal de fiscus dit kwalificeren als fiscaal misbruik. Het is dan aan de belastingplichtige om aan de hand van concrete en objectief verifieerbare elementen aan te tonen dat hij andere motieven had dan het ontwijken van de taks.

Het hoeft geen betoog dat dit zal leiden tot oeverloze discussies tussen fiscus, banken en belastingplichtigen. Onduidelijkheid en onzekerheid troef dus.

Lang leven beschoren?

De concrete toepassing van de wet doet bovendien de wenkbrauwen fronsen. Wie bijvoorbeeld op 30 oktober 2020 een effectenrekening van 1,8 miljoen euro in zijn bezit had en die nadien wil splitsen in twee effectenrekeningen van elk 900.000 euro, valt onder de toepassing van de wet, inclusief antimisbruikbepaling. Wie evenwel op 30 oktober 2020 twee aparte effectenrekeningen had van elk 900.000 euro valt dan weer niet onder de wet. Nochtans zijn beiden even vermogend.

Dat er meer duidelijkheid en zekerheid nodig is over de toepassing van de wet staat buiten kijf.¬†De bedoeling van de wetgever was nochtans nobel. Een duidelijke, effici√ęnt te innen en onontkoombare effectentaks invoeren.¬†De vraag rijst evenwel of deze effectentaks een langer leven beschoren zal zijn dan zijn gelijknamige voorganger. Doorstaat de wet nu wel de toets van het Grondwettelijk Hof?


Bewakingscamera die meer filmt dan privédomein vangt boete

Bewakingscamera's zijn de uitgewezen manier om privé-eigendom te beschermen tegen inbraak, vandalisme en/of diefstal. Deze camera's filmen echter vaak meer dan enkel de eigendom van de eigenaar van het bewakingssysteem. Zo kan een deel van de openbare weg of de privé-eigendom van een buur mee zichtbaar zijn op de camerabeelden. Hoewel het bij de plaatsing van de camera's de bedoeling is om zo maximaal mogelijk bescherming te bieden moet ook rekening gehouden met de Algemene Verordening Gegevensbescherming ("AVG" of "GDPR"). De Gegevensbeschermingsautoriteit ("GBA") beboette op 24 november 2021 het filmen van de openbare weg.

Plaatsen van bewakingscamera's

Het plaatsen van bewakingscamera's dient ter bescherming van privé-eigendom van natuurlijke personen en ondernemingen. Op het plaatsen van camera's is de camerawet van 21 maart 2007 van toepassing. Deze wet regelt de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's. Eigenaars van dergelijke camera's moeten echter ook rekening houden met de GDPR bij het verwerken van de camerabeelden.

Het Europees Hof van Justitie bevestigde dat beelden gemaakt door een camera ook onder het toepassingsgebied van de GDPR vallen. In de GDPR is wel een uitzondering voorzien voor zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteiten.  Deze uitzondering dient ertoe privépersonen die persoonsgegevens verwerken binnen de privécontext vrij te stellen van de verplichtingen van de GDPR. Dit laatste is bijgevolg niet noodzakelijk altijd van toepassing op natuurlijke personen. Camera's die zich op privédomein bevinden, maar die de openbare weg of het domein van een derde (gedeeltelijk) filmen, kunnen niet gebruik maken van deze vrijstelling.

Onrechtmatige verwerking persoonsgegevens

Bij de beoordeling of het maken van beelden via bewakingscamera's gerechtvaardigd is, moet er onder andere een rechtsgrond krachtens artikel 6, lid 1 GDPR aanwezig zijn. Zo kan er bijvoorbeeld toestemming gegeven zijn door de buur wiens privédomein (gedeeltelijk) gefilmd wordt. De overige voorwaarden, zoals het vervullen van een taak van openbaar belang of voldoen aan een wettelijke verplichting, zullen meestal niet voorhanden zijn. Hierdoor zal een privépersoon of onderneming terug moeten vallen op een verwerking op basis van het gerechtvaardigd belang.

Gerechtvaardigd belang

Bij de toetsing van de aanwezigheid van een gerechtvaardigd belang kijkt de GBA eerst naar de belangen waarop de verwerking gesteund is. De GBA ziet de bescherming van goederen, de gezondheid en het leven van de eigenaars en familieleden, door het plaatsen van bewakingscamera's als gerechtvaardigd. Het plaatsen van bewakingscamera's om diefstal, inbraak en vandalisme te bestrijden zijn normaal gerechtvaardigd.

De GBA haalt in onderhavige beslissing aan dat er in het verleden concrete schadegevallen aanwezig waren. Ze wijst hierbij op het ontbreken van een louter hypothetisch risico op beschadigingen, diefstal of inbraak. Het lijkt ons dat ook zonder dergelijke historische gebeurtenissen, de belangen voor de plaatsing van bewakingscamera's gerechtvaardigd zijn. Dit met name bij de plaatsing van camerabewaking door een privépersoon of onderneming om diens privé-eigendom te beschermen.

Niet noodzakelijk en belangen wegen niet op

De GBA zag echter wel een probleem bij de toetsing van de noodzakelijkheid en bij de afweging van de belangen. Aan deze voorwaarden zal veelal niet voldaan zijn indien een (gedeelte) van de openbare weg of het privédomein van een derde mee gefilmd worden.

"Uitgebreid en constant filmen van de openbare weg" ziet de GBA niet als noodzakelijk om de gerechtvaardigde belangen te behartigen. Dit gaat namelijk voorbij aan het principe van de minimale gegevensverwerking. Dat door de herpositionering van de camera, deze bijna nutteloos is, vormt volgens de GBA geen tegenargument. Zij stelt dat een dergelijk technisch vervelend gevolg geen 'ontsnappingsroute' kan vormen.  Een dergelijke redenering geldt eveneens voor het filmen van het privédomein van een derde. Deze derde zou echter wel diens toestemming kunnen geven.

Bij de afweging van de belangen van de eigenaar van de camerabewaking en de belangen van diegene die gefilmd worden, ziet de GBA wederom een probleem. De GBA weegt de gerechtvaardigde belangen af tegen de eerbiediging van het privéleven en de gegevensbescherming van de gefilmde personen. Het voortdurend in beeld brengen van de openbare weg of het privédomein van een derde vormt een ernstige inbreuk op deze grondrechten. Bewakingscamera's zullen bijgevolg geen deel van de openbare weg in beeld mogen brengen. Zelfs al heeft de cameraeigenaar een gerechtvaardigd belang om diens privédomein te beschermen.

Wel kan opgemerkt worden dan het toevallig en kleinschalig filmen van de openbare weg aanvaardbaar kan zijn. Zo zal vaak een klein stukje van de openbare weg zichtbaar zijn op camera's die op de voorgevel/tuin gericht zijn. Wanneer dit er niet voor zorgt dat personen en/of kinderen zichtbaar zijn, zal dit wellicht toch gerechtvaardigd zijn.

Opmerkelijk: gegevensbescherming door ontwerp

Een opmerkelijk element aan de beslissing van de GBA is dat zij een berisping uitdeelt op grond van de "gegevensbescherming door ontwerp". Dit principe wordt echter traditioneel in een andere context geplaats. Zo tracht men in de computerwetenschappen ervoor te zorgen dat bij het maken van onder meer software de gegevensbescherming reeds is ingebouwd in het systeem. Het mag dus verbazen dat de GBA dit principe aanhaalt om de plaatsing van camera's te beoordelen.

De GBA oordeelde dat bij de plaatsing van bewakingscamera's men eveneens passende maatregelen moet nemen. Indien de openbare weg of het privédomein van een derde gefilmd worden, dan zal dit vrijwel zeker lijden tot de verwerking van persoonsgegevens. Aangezien deze verwerking onrechtmatig zal zijn, zie hierboven, is dus niet voldaan aan het principe van de gegevensbescherming door ontwerp.

Wat de keuze door de GBA voor de gegevensbescherming door ontwerp opmerkelijk maakt, is dat er een alternatief beschikbaar is. Zo bestaat het algemene gegevensbeschermingsbeginsel van de minimale gegevensverwerking. Dit beginsel stelt dat men enkel die gegevens mag verwerken die daadwerkelijke noodzakelijk zijn voor de doeleinden van de verwerking. Dit beginsel dient er bijgevolg uitdrukkelijk voor om buitensporige verwerking van gegevens in te perken. De GBA haalt in haar beslissing echter aan dat, voor de toepassing van de gegevensbescherming door ontwerp, geen daadwerkelijke verwerking dient plaats te hebben. Hierbij verschilt dit principe toch van het beginsel van de minimale gegevensbescherming.

Besluit

Het mag dus duidelijk zijn dat de plaatsing van een bewakingscamera ook voor de gegevensbescherming belangrijk is. De maximale beveiliging van het privédomein zal dus plaats moeten ruimen voor de gegevensbescherming van derden. In casu bleef de sanctionering door de GBA evenwel beperkt: een berisping en een boete van 1.500 euro uit. Dit laatste echter na rekening te hebben gehouden met het feit dat het om particulieren ging en dat de plaatsing van de camera's reeds werd aangepast.

Vergeet voor de plaatsing van een bewakingscamera de verplichting van een melding hiervan bij de politie niet. Dit is wettelijk vereist, net als het plaatsen van een pictogram en het bijhouden van een verwerkingsregister.

Hebt u vragen omtrent privacy? aternio legal beantwoordt ze graag.


begin

Beding van aanwas: altijd vertrekken bij het begin.

Over het beding van aanwas zijn al ontzettend veel bijdragen geschreven. Iedereen heeft er wel al eens van gehoord. U bent ook ongetwijfeld al meermaals attent gemaakt op de fiscale implicaties van zo een beding van aanwas, wanneer "het niet voldoet aan de voorwaarden". Maar, doorheen dat grote fiscale bos, zou je sommige voorwaarden haast durven vergeten, ook al liggen ze eigenlijk best wel voor de hand.

Maar, niet getreurd: aternio to the rescue! We zetten alles nog even op een rijtje.

Definitie beding van aanwas

Er is geen wettelijke definitie. Maar als we terugvallen op "het orakel", sinds enkele jaren ook wel de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) genoemd, dan kunnen we toch tot een omschrijving komen. In het standpunt nr. 17044 van 19 september 2018 hebben zij er namelijk zelf eentje geformuleerd.

Het beding van aanwas is "een overeenkomst tussen twee of meer partijen waarbij overeengekomen wordt dat het onverdeelde aandeel van de eerststervende in volle eigendom - of in vruchtgebruik - op een bepaald goed, dat ze samen aankopen of dat zij reeds in onverdeeldheid bezitten, onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de eerststerfende, van rechtswege zal aanwassen en dus verkregen zal worden door de overlevende deelgenoten."

Het is een kanscontract, waarbij er een evenwichtige kans moet zijn, voor elk van de deelgenoten, om het aandeel van de andere(n), te verwerven.

Geldigheidsvoorwaarden

Als een beding van aanwas voldoet aan de gestelde voorwaarden, dan zal er geen schenk- of erfbelasting verschuldigd zijn op de betrokken goederen. Als het over aanwas van onroerende goederen gaat, is het verkooprecht echter onvermijdelijk.

Zo moet het beding van aanwas:

  • deel uitmaken van een notari√ęle akte, wanneer het om onroerende goederen gaat of wanneer het kwalificeert als erfovereenkomst;
  • beperkt zijn, via beschikking onder bijzondere titel; en
  • ten bezwarende titel zijn.

Bijzondere titel

Een beding van aanwas kwalificeert als onder bijzonder titel, waneer het niet "alle goederen" van de eerststervende omvat. Het is niet mogelijk om een beding van aanwas te vestigen inzake "alle roerende goederen" of "alle onroerende goederen". Ook percentages van dergelijke algemeenheden zijn niet toegestaan. Het beding van aanwas kan enkel slaan op specifieke goederen van de betrokken partijen.

Bezwarende titel: gelijkaardige levensverwachting

Minstens even belangrijk is de kwalificatie als kanscontract ten bezwarende titel. U hebt ongetwijfeld de voorwaarde reeds gehoord dat de kansen evenwichtig moeten zijn. Niet identiek, maar wel minstens gelijkwaardig.

Het meest aangehaalde aandachtspunt daarbij is dat de betrokken partijen een gelijkaardige levensverwachting moeten hebben. Denk daarbij aan een beding van aanwas tussen een gegoede heer van 79 jaar en de ambitieuze jongedame van net geen 29. Niemand hoeft hierbij een tekeningetje te maken, dat hier geen gelijkaardige levensverwachting aan de basis van het beding zal liggen.

Analyse van de beslissingen leert dat een leeftijdsverschil van zo'n 15 jaar aanvaardbaar is, maar dat lijkt toch wel het maximum te zijn. Vlabel legt haar lat bovendien op de leeftijdsgrens van 70 jaar. Bij casussen waarbij de partijen die leeftijd overschreden hadden, werd slechts een minimaal leeftijdsverschil aanvaard. Planningen met aanwasbedingen zijn in extremis dus niet meer mogelijk, althans niet zonder risico.

Bezwarende titel: gelijkwaardige inleg

Een minder aangehaald punt hierbij is de gelijkwaarde inleg. Wanneer één van de deelgenoten in het beding van aanwas kan participeren voor 85% en de andere deelgenoot voor het resterende percentage, is er geen sprake van gelijkwaardige inleg. In beginsel zou u dan geen gebruik kunnen maken van de voordelen van het beding van aanwas. Althans, niet zonder een voorafgaande planning.

Bezwarende titel: compensatie

Beide voorgaande punten kan men niet (meer) met elkaar compenseren. We horen u denken: dat is toch logisch. Ja, maar, vroeger kon dat wel. Een ongelijkheid in leeftijd, kon met gecompenseren met een bijkomende of grotere inleg. Maar dit wordt al enige tijd niet meer aanvaard. Een grotere inleg zal uw overlevingskansen namelijk niet be√Įnvloeden. Jammer maar helaas.

Beoordeling van de gelijkwaardigheid

Vlabel beoordeelt de gelijkwaardigheid op het moment van het afsluiten van het beding van aanwas. Dat is ook maar normaal, aangezien de waarde van het goed kan stijgen (of dalen) in de loop der jaren. Het is echter mogelijk dat men pas bij de realisatie van het beding kan beoordelen of de voorwaarden wel effectief voldaan zijn. Denk hiervoor bijvoorbeeld aan één van de partijen, kort na het afsluiten van het beding zou komen te overlijden. Wanneer dit overlijden niet onverwacht was, zijn de voorwaarden mogelijks niet voldaan.

Sancties

Indien het beding niet voldoet aan de voornoemde voorwaarden, stelt Vlabel dat het aanwasbeding absoluut nietig is, naar burgerlijk recht. Vanuit burgerrechtelijk standpunt, zal het beding van aanwas aanzien worden als een contract uit vrijgevigheid. Het gevolg daarvan is dat Vlabel het beding dan kan "negeren" in haar fiscale analyse. Daardoor zal de beschikking inzake roerende goederen onderworpen worden aan de erfbelasting (cfr. artikel 2.7.1.0.3 Vlaamse Codex Fiscaliteit). De beschikking met betrekking tot onroerende goederen zal onderworpen worden aan de schenkbelasting (cfr. artikel 2.8.1.0.1. Vlaamse Codex Fiscaliteit)

Conclusie

We hebben het reeds eerder gesteld, maar hernemen het graag nog een keer: planningen in extremis, of onder tijdsdruk, zijn nooit een goede uitvalsbasis voor een solide structuur. Tijdig beginnen en een doordachte aanpak kunnen vaak vele issues in de kiem oplossen.

aternio legal helpt u graag verder. Contacteer ons voor een persoonlijke kennismaking.


Let's get digital! FOD Financi√ęn ziet e-Box zitten.

Vanaf 1 januari 2025 gebeurt de uitwisseling van informatie tussen de FOD Financi√ęn en belastingplichtigen elektronisch via het beveiligd elektronisch platform (e-Box) . Dit is zonder meer een verplichting voor professionelen en rechtspersonen, behalve indien om technische redenen geen identificeren op het platform kan gebeuren. Particulieren blijven op papier communiceren tenzij ze uitdrukkelijk gekozen hebben voor de elektronische uitwisseling. Let's get digital: ook voor uw belastingzaken!

Sinds 1 april 2021 wordt alvast alle papieren correspondentie met de FOD Financi√ęn gereproduceerd, geregistreerd en bewaard op e-Box. Tal van andere overheden gingen de fiscale administratie reeds voor.

Welke informatie?

De elektronische beveiligde uitwisseling van informatie via e-Box heeft betrekking op alle correspondentie met juridische waarde tussen de fiscale administratie en belastingplichtigen. Dit zijn zowel de reguliere brieven als de aangetekende zendingen.

De elektronische uitwisseling van berichten langs een beveiligde elektronische weg wordt de regel en de uitwisseling van fiscale informatie op papier de uitzondering.

Welke belastingplichtigen?

Professionelen en rechtspersonen zullen al hun rechten en verplichtingen vervullen via eBox. Zij zijn verplicht om langs elektronische weg te communiceren met de FOD Financi√ęn tenzij ze zich niet kunnen identificeren op e-Box. Een Koninklijk Besluit bepaalt nog de uitzonderlijke gevallen van overmacht waarin deze identificatie niet mogelijk is.

Particulieren¬†werken op papier tenzij zij expliciet gekozen hebben om langs elektronische weg te communiceren met de FOD Financi√ęn. Het is voor hen een toetredingsoptie (opt-in) en dus geen verplichting. Meer zelfs, particulieren die geopteerd hebben voor elektronische communicatie kunnen altijd op hun stappen terugkomen en terug kiezen voor de papieren weg. Voor particulieren is deactivering van e-Box altijd mogelijk.

Professionele derden die handelen in de uitoefening van hun beroep, zoals accountants en belastingadviseurs, zijn altijd verplicht het beveiligd elektronisch platform te gebruiken, zelfs wanneer zij een belastingplichtige vertegenwoordigen die geniet van de opt-in.

Welke belastingen?

De elektronische communicatie geldt voor diverse belastingen en taksen, zoals opgenomen in de Wetboeken:

  • Inkomstenbelasting (vennootschaps-, rechtspersonen- en personenbelasting, evenals de belasting niet-inwoners);
  • BTW;
  • Registratie-, hypotheek- en griffierechten ;
  • Successierechten;
  • Diverse rechten en taksen;
  • Minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Verder worden ook elektronische communicatie mogelijk gemaakt in het licht van enkele wetten, zoals:

  • Domaniale wet van 22 december 1949;
  • Wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen;
  • Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen;
  • Wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financi√ęle contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

Welk platform?

De basis voor alle digitale communicatie met de FOD Financi√ęn is het beveiligd elektronisch platform e-Box. Middels aangepaste beveiligings- en authenticatietechnieken wil de overheid de oorsprong, de integriteit, de inhoud, de tijdsaanduiding en de bewaring van de berichten verzekeren.

e-Box functioneert als portaal. In geval van communicatie met de fiscale administratie zal bijvoorbeeld worden doorverwezen naar MyMinfin. MyMinfin blijft dus gewoon verder bestaan. Het is via e-Box dat de belastingplichtigen bij de documenten op MyMinfin terechtkomen.

Weet dat e-Box vandaag al¬†berichten en documenten ter beschikking stelt die afkomstig zijn van verschillende overheidsdiensten, niet alleen van de FOD Financi√ęn. Heel wat andere federale overheidsdiensten, openbare instellingen van sociale zekerheid, ministeries van de regionale overheid, provincies, steden en gemeenten gebruiken reeds e-Box.¬†Tal van andere instellingen zijn bezig met de voorbereiding van het gebruik van e-Box.

Wie kennis wil maken met de moderne manier van communiceren door lokale, regionale en federale overheden registreert zich als particulier op Mijn Burgerprofiel of als ondernemer op e-Box Enterprise. U krijgt meteen een beveiligd overzicht van uw overheidszaken. Laat u alvast verbazen.

Conclusie

De digitalisering is een lange reis waarbij nog tal van praktische zaken verder moeten worden uitgewerkt. Beveiligde elektronische uitwisseling van berichten, ook met de diverse overheden, wordt de regel. Professionelen hebben gewoonweg geen keuze. Particulieren kunnen de digitale boot alsnog afhouden, het is slechts een kwestie van tijd vooraleer ook zij aan boord zullen zijn. Laat u alvast verbazen en kijk eens op Mijn Burgerprofiel of op e-Box Enterprise.

Voor aternio is digitaal communiceren geen afscheid van persoonlijke communicatie. Hebt u vragen? Shoot!


buitenlandse notari√ęle schenkingen

Sire, er zijn geen grenzen meer bij notari√ęle schenkingen

Sinds 15 december 2020 moeten alle buitenlandse notari√ęle schenkingsakten van roerende goederen geregistreerd worden in Belgi√ę. Het resultaat van dergelijke registratie is uiteraard dat schenkbelasting is verschuldigd. De kaasroute, met name even de grens over naar een Nederlandse notaris voor een fiscaal vriendelijke schenking, behoort hierdoor definitief tot het verleden.

Buitenlandse notari√ęle schenkingen

Notari√ęle akten verleden voor een buitenlandse notaris moeten verplicht geregistreerd worden in volgende vijf gevallen:

  • de buitenlandse notaris de akte in Belgi√ę verlijdt;
  • de akten een overdracht of aanwijzing betreft van eigendom of vruchtgebruik van Belgische onroerende goederen, dit is het geval bij verkopen, schenkingen of verdelingen;
  • ze betrekking hebben op akten van verhuur, onderverhuur of huuroverdracht van Belgische onroerende goederen;
  • ze inbrengen van goederen vaststellen in Belgische vennootschappen; √©n
  • ze de titel vormen van een schenking van roerende goederen door een Belgische rijksinwoner.

Hand- en bankgift en gewone overdracht in het aandeelhoudersregister

Het is belangrijk dat iedereen weet dat hand- en bankgiften niet aan registratie zijn onderworpen en dus ook niet onder de nieuwe regeling vallen. De wetgever raakt bewust niet aan de mogelijkheid om met hand- of bankgiften erfbelasting te ontwijken. Dergelijke giften kwalificeren niet als fiscaal misbruik.

Er bestaat discussie over de geldigheid van een schenking van aandelen op naam via een gewone overschrijving in het aandeelhoudersregister. Wat er ook van zij, dergelijke mogelijke nietige schenking kan bekrachtigd worden na het overlijden. Artikel 1340 van het Burgerlijk Wetboek is namelijk niet afgeschaft en is dus nog steeds in full effect.

Omdat er geen akte is bij dergelijke indirecte schenkingen is er geen verplichte notari√ęle tussenkomst (art. 931 BW). De hand- of bankgift, allicht ook de overschrijving in het aandelenregister, zijn daarom mogelijk zonder authentieke akte. Het Burgerlijk Wetboek zegt immers nergens dat alle schenkingen voor notaris moeten verleden worden.

Met andere woorden de registratieverplichting heeft uitsluitend betrekking op, in het binnen- en buitenland, voor notaris verleden schenkingsakten van roerende goederen.

Cliffhangers

Roerende goederen. Een kwalificatie als roerend goed volgt uit de Belgische wetgeving. In die context zijn schenkingen van aandelen van een Franse soci√©t√© civile immobili√®re (sci), hoewel in Frankrijk beschouwd als onroerend, in Belgi√ę verplicht te registreren. Idem voor schenkingen van roerende goederen die onroerend zijn door bestemming, deze behouden op fiscaal vlak hun roerend karakter.

Dubbele belasting. Zonder gewestelijke initiatieven is dubbele belasting mogelijk op bepaalde notari√ęle schenkingen van roerende goederen. Denk maar aan aandelen van patrimoniumvennootschappen met buitenlands onroerend goed.

Registratietermijn. De termijn bedraagt de gebruikelijke vier maanden voor verplicht te registreren buitenlandse akten. Voor een akte in een andere taal dan √©√©n van de drie offici√ęle landstalen kan trouwens een be√ędigde vertaling gevraagd worden.

Registratieverplichting. Alle partijen, in strikte lezing van art. 35 W.Reg. ook de buitenlandse notaris, hebben de verplichting tot registratie van de schenkingsakte. Zodra één van hen de akte ter registratie aanbiedt zijn de andere partijen ontslagen van hun registratieverplichting.

Conclusie

Eenvoudige schenkingen van roerende goederen kunnen absoluut nog belastingvrij via hand-of bankgift gebeuren. Die praktijk wordt niet als misbruik beschouwd. Schenkingen van aandelen via overschrijving in het aandeelhoudersregister blijven een uitdaging. Vergeet bij dergelijke schenkingen of giften natuurlijk de verdachte periode van drie jaar niet.

Notari√ęle schenkingen, zowel binnen- als buitenlandse, van roerende goederen door rijksinwoners zijn in Vlaanderen onderworpen aan de reguliere 3% of 7% schenkbelasting. Bij gebrek aan (gewestelijk) mechanisme tot het vermijden van dubbele belasting kunnen sommige schenkingsakten aanleiding geven tot ongewenste en onaangename dubbele belasting.

aternio legal gidst u bij uw estate planning. Krijgt u al zin?