Hamsterhuren: voor en nadelen uitgeplozen

Euh… say what? Pluizig… hamster… huren? Wees gerust, dit is geen handleiding voor het houden van een knaagdier. Hamsterhuren is de nieuwste trend in de vastgoedwereld.

Hoe ontstaan?

Voor veel jonge gezinnen of alleenstaanden is een eigen woning kopen vandaag niet meer zo vanzelfsprekend. Vastgoedprijzen schieten de hoogte in en de toekenningsvoorwaarden voor een hypothecaire lening verstrengen keer op keer.

Daarom hebben projectontwikkelaars het concept van hamsterhuren ingeroepen. In plaats van je huurgelden zogezegd weg te smijten, hamster je ze om deze dan later in mindering te brengen bij de eventuele aankoop van de woning.

“Eventuele” aankoop

Inderdaad, er is geen aankoopverplichting. Bij hamsterhuren is er een huurcontract voor een nieuwe, eventueel energiezuinige woning, gecombineerd met een koopoptie. De praktijk leert dat de beslissing om tot de aankoop over te gaan, binnen de tien jaar moet worden genomen. De huurgelden kan je vervolgens voor maximum vijf jaar inbrengen.

Je hoeft geen rekenwonder te zijn, om te merken dat je dus best na maximum vijf jaar tot de aankoop overgaat.

Ook nadelen? 

Huren wordt sparen. Dat is meteen het grootste voordeel. Echter zijn er toch enkele zaken om even bij stil te staan.

Omdat huurgelden niet meetellen voor de belastingen, verlies je gedurende de huurperiode het fiscale voordeel.

Bij het sluiten van de huurovereenkomst bepaalt men de aankoopprijs. Aangezien het om een nieuwbouwwoning gaat, is er daarbovenop 21% btw verschuldigd. Dit wordt vaak doorgerekend in de huurprijs. Indien men na vijf jaar de woning aankoopt, moet de koper in principe ook nog eens registratierechten betalen, daar het niet meer om een nieuwe woning, maar wel om een bestaande woning gaat. Men zou dit evenwel kunnen omzeilen door binnen de drie jaar tot de aankoop over te gaan. De aankoopprijs kan trouwens elk jaar geïndexeerd worden op basis van de gezondheidsindex.

De huurder staat in een ondergeschikt positie tegenover de verhuurder. Deze laatste kan mogelijk een hogere huurprijs vragen dan gemiddeld op de huurmarkt.

De rentevoeten kunnen bovendien na een aantal jaar fel gestegen zijn. Het is ook geen garantie dat je na de hamsterperiode de hypothecaire lening wel kan krijgen. In dat geval moet je verder blijven huren.

Verschil met huurkoop en koop op lijfrente

Bij huurkoop koop je de woning onmiddellijk aan. Je krijgt hierbij de mogelijkheid om een deel van de aankoopsom later of in schijven te betalen. Het grote verschil met hamsterhuren betreft de eigendomsoverdracht. Die is bij huurkoop niet optioneel.

Bij verkoop op lijfrente verkoopt men meestal de blote eigendom van een woning. Bijgevolg blijft het vruchtgebruik bij de verkoper tot deze overlijdt. Bij ondertekening van de akte ontvangt de verkoper een "bouquet" van 10 tot 30 procent van de verkoopprijs. De rest van het bedrag krijgt hij in de vorm van een maandelijkse rente, tot aan zijn dood. De praktijk toont ons echter dat men de betalingen vaak contractueel beperkt tot maximum twintig jaar. Al met al is de koop op lijfrente eerder een soort kanscontract en dus vooral interessant voor diegenen die op zoek zijn naar een belegging.

Conclusie

Hamsterhuren vergemakkelijkt de overstap van huren naar kopen. Het is een interessant concept voor mensen die hun toekomst willen verzekeren met een eigendom, maar deze niet onmiddellijk kunnen financieren. Echter is het steeds aan te raden om goed de rekening te maken van alle bijkomende kosten en de diverse scenario’s na een aantal jaar. Meer info over het nieuwe concept vind je bijvoorbeeld hier.

Heeft u toekomstplannen? Uiteraard staan de juristen van aternio u bij met raad en daad!


Vruchtgebruik: wettelijke voortzetting, terugval of aanwas?

Vruchtgebruik. Bekend, bemind en vanzelfsprekend voor velen, soms onbegrijpelijk voor anderen. Het ontstaat door een opsplitsing van het (volle) eigendomsrecht in blote eigendom enerzijds en vruchtgebruik anderzijds. Het is een (zakelijk) recht om van een goed, waarvan een ander de blote eigendom heeft, het tijdelijk genot te hebben. Het kan gaan om het bewonen van een woning of het innen van de vruchten (lees: intresten) van een effectenportefeuille. Er zijn echter verschillende "types" mogelijk, die we graag even kort toelichten.

Type 1: wettelijk voortgezet vruchtgebruik

Schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik komen zeer courant voor. Sinds 1 september 2018 voorziet het nieuwe erfrecht in iets nieuws: de automatische overdracht naar de langstlevende echtgenoot van de schenker. Dit nieuwtje geldt ook richting de langstlevende wettelijk samenwonende partner, indien het over de gezinswoning gaat. Uiteraard zijn hier voorwaarden aan verbonden. Voorwaarde 1 is dat de begunstigde reeds gehuwd of wettelijk samenwonend was met de erflater op het ogenblik van de schenking. Voorwaarde 2 is dat de schenker gedurende zijn/haar leven geen afstand heeft gedaan van het vruchtgebruik.

Op deze wettelijk voorziene overgang dient "normaal gezien" erfbelasting te worden betaald. Normaal gezien, want er geldt een uitzondering indien het gaat om de gezinswoning. In dit laatste geval geniet de langstlevende van een specifieke vrijstelling in de erfbelasting.

Type 2: terugval

Soms weet iemand al op voorhand dat het wettelijk voortgezet vruchtgebruik geen uitwerking kan krijgen, omdat de voorwaarden niet vervuld zijn.

In dat geval kan een beding van terugval in de akte opgenomen worden. Daardoor kan de schenker alvast verzekeren dat het vruchtgebruik bij zijn/haar overlijden terechtkomt bij de gewenste persoon. Gebruikelijk gaat het hier om de langstlevende partner van de schenker. Het betreft een opvolgend vruchtgebruik onder de opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker (en dus geen wettelijk voortgezet vruchtgebruik). Wanneer dit niet expliciet in de akte staat, zal het vruchtgebruik dus aanwassen bij de blote eigenaars. Deze laatsten verkrijgen op dat moment dus de volle eigendom.

Wanneer de terugval uitwerking krijgt, zal de fiscale administratie deze belasten in de schenkbelasting. Dit geldt ongeacht of de terugval betrekking heeft op een onroerend of een roerend goed.

Bemerk hierbij het verschil: het wettelijk voortgezet vruchtgebruik valt onder de erfbelasting; de terugval valt onder de schenkbelasting. Dit kan een aanzienlijk verschil geven bij de uiteindelijk te betalen belasting!

Type 3: aanwas

Het voorgaande ging er steeds vanuit dat 1 iemand de schenking deed en diens voorbehouden vruchtgebruik aan iemand anders wou laten. Het is echter ook mogelijk dat echtgenoten of partners samen een schenking uitvoeren. Het gaat dan om gemeenschappelijke goederen of goederen die zij in onverdeeldheid aanhouden. In dat geval kunnen de beide schenkers als modaliteit bedingen dat, indien 1 van hen zou overlijden, het vruchtgebruik dan aanwast bij de langstlevende onder hen.

De langstlevende bekomt het vruchtgebruik dan door een zogenaamd "beding ten behoeve van zichzelf". Daardoor zal een dergelijke aanwas  geen aanleiding geven tot enige belasting, niet in de schenkbelasting en dus ook niet in de erfbelasting. Dit werd ook expliciet bevestigd door de Vlaamse decreetgever.

De juristen van aternio staan u graag om u te adviseren in deze materie. U kan ons hier contacteren.

 


Change of control clausules

Change of control clausules komen voornamelijk ter sprake bij overnamedeals van aandelen die een controlewijziging tot gevolg hebben.

Vaak verklaart de verkoper van de aandelen aan de koper dat er geen change of control clausules spelen.

De waarde van de onderneming is immers vaak afhankelijk van de waarde van haar overeenkomsten.

Indien er wél change of control clausules spelen, ontstaan immers ongemakkelijke situaties. Aan uw klanten, leveranciers of de bank zal gevraagd moeten worden of zij de overeenkomst ook verderzetten na de verkoop van de aandelen aan de koper.

Er gaat dan ook heel wat schuil achter deze clausules, die op het eerste gezicht banaal lijken.

Afbakening van het begrip

De controle is “de bevoegdheid om in rechte of in feite een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”.

Een “wijziging” in controle is het gevolg van het verlies van voorgemelde bevoegdheden, een vrijwillige overdracht, of een actieve “verovering” door een minderheidsaandeelhouder of een derde van de controle.

De change of control clausule maakt het mogelijk om een overeenkomst te verpersoonlijken. Als de bestuurder belangrijker wordt dan de vennootschap waarmee het contract wordt ondertekend, wees dan maar gerust dat dergelijke clausule aanwezig zal zijn. In het geval de bestuurder zijn zeggenschap in de vennootschap komt te verliezen zal de clausule uitwerking krijgen. De overeenkomst verliest voor de contractpartij immers mogelijkerwijze aan waarde.

Banken schrijven vaak dergelijke clausules in hun overeenkomsten waardoor zij het recht hebben om een lening voortijdig op te eisen wanneer de controle over de vennootschap wijzigt.

De clausule onder het oude vennootschapsrecht

Artikel 556 van het Wetboek van vennootschappen (hierna W.Venn.) bepaalt dat enkel de algemene vergadering aan derden rechten kan toekennen die een invloed hebben op het vermogen van de vennootschap, dan wel een schuld of een verplichting te haren laste doen ontstaan, wanneer de uitoefening van deze rechten afhankelijk is van een verandering van de controle die op haar wordt uitgeoefend.

In mensentaal…. als er een change in controle clausule aanwezig is in de overeenkomst waarop de vennootschap wenst in te tekenen zal de algemene vergadering dit moeten goedkeuren.

Het tweede lid van voorgemeld artikel stelt daarenboven dat dit besluit gepubliceerd moet worden.

Gelukkig gelden deze formaliteiten dan ook enkel in een NV en in de commanditaire vennootschap op aandelen.

Wij vermoeden dat maar weinig bestuurders zich hiervan bewust zijn…

Nietigheidsanctie

Voorgemelde bepaling is voorgeschreven op straffe van nietigheid.

De clausule (en eventueel heel de overeenkomst) is nietig indien zij niet werd goedgekeurd of de beslissing niet werd gepubliceerd.

Dergelijke formaliteiten hebben bijgevolg verstrekkende gevolgen.

Gevolgen afwezigheid van de goedkeuring

Een bestuurder treedt buiten zijn bevoegdheid als hij een overeenkomst tekent die niet wordt goedgekeurd door de algemene vergadering.

Aangezien de goedkeuring door de algemene vergadering is voorgeschreven bij wet, begaat de bestuurder aldus een overtreding van de wet.

Change of control clausules zijn dan ook au sérieux te nemen.

De vennootschap kan uitspelen dat zij niet gebonden is door de bewuste clausule en zich beroepen op de nietigheid. Indien de vennootschap bijvoorbeeld wordt aangesproken door de kredietverstrekker na een controlewijziging die het krediet onmiddellijk wenst op te zeggen kan zij stellen dat dit niet rechtsgeldig is! De goede trouw van de kredietverstrekker is daarbij zelfs irrelevant. Hij moet de wet kennen! De bank had dus moeten weten dat de algemene vergadering haar goedkeuring diende te geven.

Het is dan ook van belang om te weten:

  1. Hoe sterk u staat in een overeenkomst – Is de change of control clausule in uw voordeel?;
  2. Maar zeker of u dit ook kan uitspelen.

Deelbaarheidsbeding

Als de algemene vergadering de clausule niet heeft goedgekeurd is de change of control clausule nietig. De nietigheid van het beding kan wel eens de nietigheid van heel de overeenkomst teweeg brengen!

In een goed beredeneerde overeenkomst zal vaak een deelbaarheidsbeding zijn opgenomen. De nietige clausule wordt dan gewoon als een afzonderlijk deel in de vuilbak geworpen en het ander deel van de overeenkomst blijft bestaan.

Leest u uw contract wel eens goed na?

Change door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV)?

Artikel 556 W.Venn. is oorspronkelijk bedoeld als een beperking op beschermingsconstructies tegen overnamebiedingen. Het is dan ook niet de bedoeling geweest om deze bepaling om alle NV's toe te passen. Het WVV wijzigt dan ook het toepassingsgebied.

De verplichte goedkeuring door de algemene vergadering zal enkel noodzakelijk zijn in beursgenoteerde NV's.

De tekst is tevens gewijzigd van “invloed op het vermogen” naar “aanzienlijke invloed op het vermogen”. De beperking tot enkel beursgenoteerde NV's is een noodzakelijke wijziging, maar wat is een "aanzienlijke" invloed? De clausules worden immers pas pertinent wanneer er sprake is van een controlewijziging. De impact van een overeenkomst op het vermogen van een vennootschap is bijgevolg geen statisch gegeven...

Door de wijziging wordt dan ook enige rechtsonzekerheid ingevoerd.

Inwerkingtreding? Van algemene vergadering naar de Raad van Bestuur.

De bepaling met betrekking tot de change of control clausules zijn van dwingende aard en zullen dus automatisch op de NV's van toepassing worden op 01.01.2020.

U ontdekt na deze datum een overeenkomst met dergelijke niet-goedgekeurde clausule in een niet-beursgenoteerde NV? Dan dient de Raad van Bestuur deze overeenkomst te bekrachtigen!

Altijd noopt de ondertekening van een overeenkomst tot een grondige lezing! Wij staan voor u paraat als u hulp nodig hebt.


WLTP of NEDC? Bent u nog mee?

Wie nu een nieuwe wagen koopt, zal het zich zeker al hebben afgevraagd. Hoeveel CO2 stoot mijn wagen uit? In onze huidige maatschappij denken we immers allemaal wel na over het klimaat.

Nieuwe norm = WLTP

Wel, de CO2-uitstoot van nieuwe  wagens wordt voortaan gemeten volgens een nieuwe testprocedure, de zogenaamde WLTP (Worldwide Harmonised Light vehicle Test Procedure).

Deze WLTP-norm vervangt de oude NEDC-norm. De auto-industrie evolueert namelijk zodanig snel dat de NEDC-test niet meer aangepast is aan het huidige drukke verkeer. De Europese Unie heeft daarom beslist om gaandeweg de nieuwe WLTP-norm in te voeren.

Let wel, de nieuwe WLTP-norm is strenger en leidt tot hogere waardes van CO2-uitstoot.

Fiscaliteit

De CO2-uitstoot is niet enkel van belang voor het milieu. Deze normen zijn ook van belang in de fiscaliteit.

Denk maar aan de aftrek autokosten, het voordeel alle aard, de verkeersbelasting, de BIV enzovoort, die worden berekend aan de hand van de CO2-uitstoot.

Maar welke norm past de fiscus toe?

De fiscus bevestigt in haar FAQ dat u de oude NEDC-norm mag gebruiken tot eind 2020 voor de berekening van het voordeel alle aard. We nemen aan dat dit ook geldt voor de kostenaftrek.

Bij Vlabel bevestigen ze dan weer dat men enkel rekening houdt met de NEDC-norm voor de verkeersbelasting en BIV.

Tot eind 2020 mag nog de gunstigere NEDC-waarde (gemeten of omgerekend) gebruikt worden als basis voor de autofiscaliteit.

Gelijkvormigheidsattest

Waar kan ik de CO2-uitstoot van mijn wagen terugvinden?

Op het gelijkvormigheidsattest van uw nieuwe wagen (vanaf eind 2018) zou u - in principe - onder code 49 beide normen moeten terugvinden. Op het inschrijvingsbewijs zal u enkel de WLTP-norm vinden.

Oudere wagens zullen in principe enkel de oude NEDC-norm op hun documenten vermelden.

Conclusie

Indien u slechts één uitstoot terugvindt, verifieer dan eerst goed of dit weldegelijk de gunstigere NEDC-norm is en niet de strengere WLTP-norm.


Alleenstaand en geen kinderen? Wie erft en wie niet?

U denkt aan vermogensplanning. Check! Dat is de eerste stap: u staat open voor een (fiscale) optimalisatie van uw vermogen en u bent bereid om hierover grondig na te denken. U wil nog niet meteen de deur van de notaris binnenwandelen en u begint een beetje op te zoeken. U wordt overladen door een zondvloed aan artikels over het oude erfrecht en het nieuwe erfrecht sinds 1 september 2018. Plots ziet u door het bos de bomen niet meer. Om u alvast op het meest recente pad te brengen kan u hier en hier een aantal artikels van de nieuwe regels terugvinden. Ok, dat is alvast 1 frustratie opgelost. Maar, u leest en leest en overal gaat het over situaties waarin men gehuwd of samenwonend is en men liefst ook nog minstens 1 kind heeft. Frustratie 2  duikt op, want u bent alleenstaand en u hebt geen kinderen. Is vermogensplanning dan niets voor u? Moet u zomaar aanvaarden dat de overheid met (een aanzienlijk deel van) uw vermogen aan de haal gaat? Nee! In deze bijdrage zetten we alles graag even op een rijtje voor u.

Eerst komt de orde

Wanneer u zelf geen regeling voorziet, zullen de wettelijke regels van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich laten gelden. Dit wil zeggen dat u een heuse cascade op uw familie zal ondergaan. In wat volgt zetten we even de wettelijke regels uiteen. Uiteraard kunnen de juiste planningstechnieken hierop inwerken, dit komt later aan bod.

De wetgever voorziet in een viertal groepen (de ordes) om te bepalen wie er, in dalende volgorde, tot uw nalatenschap komt. Vanaf dat er erfgenamen in een bepaalde orde aanwezig zijn, worden de andere ordes uitgesloten.

De eerste orde omvat de afstammelingen. Van zodra er afstammelingen zijn, is al de rest "irrelevant" voor de wetgever.
Indien er geen afstammelingen zijn, komt de  tweede orde aan bod.

De tweede orde omvat broers en zussen en de ouders (uiteraard indien deze nog in leven zijn). In dat geval zullen de ouders samen de helft van de nalatenschap krijgen. Indien er nog maar 1 ouder in leven is, zal deze een kwart van de nalatenschap erven. Het overige wordt evenredig verdeeld tussen de broers en zussen.

U denkt nu, ik heb geen broers of zussen, dus alles dan naar mijn ouders (of de langstlevende van hen)? Nee, dat is niet noodzakelijk zo.
Wanneer er geen broers en/of zussen zijn, vallen de ouders namelijk in de derde orde. Deze derde orde omvat alle zogenaamde "ascendenten". Dit zijn alle bloedverwanten in een opgaande lijn: ouders, grootouders, misschien zelfs nog overgrootouders. Opnieuw volgt een evenredige verdeling, tenzij u anders hebt voorzien.

De vierde en laatste orde omvat de niet-bevoorrechte zijverwanten: nonkels, tantes, neven en nichten.

Is hiermee de kous af? Nee, want de wetgever gaat nog een stapje verder: naast de opdeling in ordes, gaan we binnen elke orde ook nog eens de graad van verwantschap bepalen.

Daarna komt de graad

Niet iedereen in een "ervende orde" zal ook effectief erven. Enkel degene die het dichtste in graad bij u, als erflater, staat zal erven. Bijvoorbeeld:
- uw grootmoeder zal niet automatisch erven, als uw moeder nog in leven is. We zitten in de derde orde, maar uw moeder is erfgenaam in de eerste graad, uw grootmoeder pas in de tweede graad.
- uw neef zal niet erven als die zijn vader (uw nonkel) nog in leven is. We zitten in de vierde orde, maar uw nonkel is tweede graad, uw neef is derde graad.

Nu zijn er nog een aantal wettelijke "figuren" die inwerken op de voornoemde regels van orde en graad: de plaatsvervulling en de grote en kleine kloving.

Plaatsvervulling

Het is jammer genoeg mogelijk dat een mogelijke erfgenaam reeds vooroverleden is. Stel, u bent alleenstaand en u hebt geen kinderen. Maar, u hebt een broer en een zus, die elk op hun beurt wél kinderen hebben. Door een ongelukkig voorval overlijdt uw zus. Sluit uw broer (tweede orde) dan de afstammelingen van uw zus (vierde orde) uit? Indien de plaatsvervulling niet zou bestaan, zou het antwoord ja zijn. De wetgever heeft dit echter, terecht, als onrechtvaardig aanzien en daardoor de figuur van de plaatsvervulling gecreëerd. De kinderen van de overleden zus zullen zo, samen, in de plaats komen van hun overleden moeder. Op die manier zullen zij samen het erfdeel van hun moeder ontvangen. Het woord "samen" is hier wel van belang: ongeacht het aantal afstammelingen de vooroverleden zus heeft, zij erven samen wat de vooroverleden erfgenaam op zichzelf zou erven.

Kloving

Vooreerst is er het principe van de kleine kloving. Stel u hebt een broer, maar ook een halfzus. In dat geval moeten we onze heil zoeken in de kleine kloving. Dit wil zeggen dat de nalatenschap in twee gelijke delen wordt verdeeld, namelijk vaderlijke lijn en de moederlijke lijn. Uw broer zal erven uit beide lijnen. Uw halfzus zal enkel erven uit de lijn van de gemeenschappelijke ouder.

We kennen ook het principe van de grote kloving. Wanneer uw nalatenschap niet kan toekomen aan erfgenamen van de eerste of de tweede orde, dan zal deze kloving optreden. Dit wil zeggen dat men uw nalatenschap opnieuw zal opdelen in 2 helften: een helft voor de vaderlijke lijn en een helft voor de moederlijke lijn. Binnen elk van deze lijnen geldt vervolgens dat diegene(n) erven die in de dichtste orde en vervolgens in de dichtste graad staat/staan. Als er geen erfgenamen (meer) zijn in een bepaalde lijn, dan zal dat deel geërfd worden door de andere lijn.

Afwijken van de wettelijke regels

In wat voorafgaat werden de wettelijke regels uiteengezet. Wanneer u geen planning onderneemt, zal uw nalatenschap aan deze regels onderworpen worden. U kan hiervan echter afwijken. Aangezien u alleenstaand bent, hebt u geen reservataire erfgenamen om rekening mee te houden. Reservatair wil zeggen dat het "bevoorrechte" erfgenamen zijn, die sowieso een erfrecht hebben waar u niet aan kan raken. Typevoorbeeld hiervan zijn de kinderen en de partner. Maar die zijn er niet, dus u kan volledig zelf regelen aan wie u zaken wil nalaten.

U beschikt over tal van mogelijkheden om te plannen.
Zo kan u uw vermogen bijvoorbeeld bij leven regelen via een schenking. Indien u echter nog niet zo goed weet wie u wat wil geven, kan een testament steeds de oplossing bieden. Daar waar een schenking een definitieve regeling is, biedt een testament het voordeel dat u dit altijd nog kan aanpassen. Bovendien kan u in uw testament ook kiezen voor de opname van het fiscaal gunstige duo-legaat.

En wat betekent dit op fiscaal vlak?

Belangrijk om nog mee te geven is dat aan dit alles wel een fiscaal kostenplaatje hangt. De tarieven in Vlaanderen zijn afhankelijk van wat u juist onderneemt:
- schenking van roerende goederen aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen;
- schenking van onroerende goederen aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen;
- testament aan ouders of aan broers en/of zussen of aan anderen  

Het is belangrijk dat u volledig geïnformeerd bent en zo de juiste afwegingen maakt van wat u zelf wil dat er met uw vermogen gebeurt. De juristen van aternio staan u graag om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Hoe vergoeding bepalen bij einde opstalrecht?

Een bestuurder koopt een stuk bouwgrond en verleent een opstalrecht aan zijn vennootschap voor 15 jaar. De vennootschap heeft het recht om op de grond te bouwen. Na 15 jaar wordt de bestuurder (gratis) eigenaar van het gebouw.

Op burgerrechtelijk vlak is deze klassieke opstalconstructie perféct legaal. Toch viseert de fiscus deze constructies, veelal bij het einde van het opstalrecht. Hoe komt dit? Waarop moet u letten om dit te vermijden?

Recht van opstal

Bij een opstalrecht verleent een opstalgever (grondeigenaar) een tijdelijk recht aan de opstalhouder om te mogen bouwen op diens grond. In praktijk zal de grondeigenaar meestal de bestuurder zijn die een opstalrecht geeft aan zijn vennootschap. Gedurende de looptijd van het opstalrecht is de vennootschap eigenaar van de gebouwen, de zogenaamde opstallen.

Op het einde van het opstalrecht wordt de opstalgever automatisch eigenaar van de gebouwen door natrekking. In de al wat oudere opstalovereenkomsten is vaak geen vergoeding afgesproken op het einde van het opstalrecht. De opstalgever wordt zo dus 'gratis' eigenaar van de gebouwen.

Dergelijke kosteloze overdracht is uiteraard een doorn in het oog van de fiscus ...

Geen vergoeding is mogelijk voordeel alle aard

De fiscus belast de opstalgever maar al te graag in de personenbelasting. Door de gratis verwerving krijgt de bestuurder immers een voordeel in natura van zijn vennootschap.

De fiscus moet wel kunnen aantonen dat de belastingsbelastingplichtige dit voordeel kreeg in de hoedanigheid van bedrijfsleider. Zoniet, kan de fiscus de belastingplichtige niet belasten op een voordeel alle aard.

Om dit voordeel te vermijden zou men een vergoeding kunnen afspreken die de opstalgever moet betalen aan de opstalhouder bij het einde van het opstalrecht.

Artikel 6 van de opstalwet bepaalt overigens dat de opstalhouder in principe recht heeft op de waarde van zijn gebouwen, werken en beplantingen. Hoe die waarde moet worden bepaald, daarover zwijgt de wet in alle talen.

Welke vergoeding dan?

Dé belangrijkste vraag blijft dus: hoe groot moet die vergoeding zijn?  Daarover is intussen al heel wat geschreven, maar het blijft nog steeds een moeilijk vraagstuk. Veel hangt uiteraard ook af van het concrete feitenrelaas.

Zo heeft de fiscus al geoordeeld dat voor het bepalen van het voordeel van alle aard de "actuele waarde" van de opstallen moet worden vergoed. De fiscus meent dat dit de venale waarde van de constructie is op het ogenblik van het einde van het opstalrecht.

Maar de meeste rechtsleer en sommige rechtspraak gaan hier niet mee akkoord. Zij menen dat men een waarderingsmethode moet hanteren waarbij rekening wordt gehouden met alle concrete omstandigheden zoals de bouwkosten, de duurtijd van het opstal, de vergoeding tijdens het opstalrecht, eventuele verbouwingen enzovoort. Er moet dus meer gekeken worden naar de "economische waarde" van de opstallen.

Zo gaat bepaalde rechtsspraak de vergoeding bepalen in functie van de normale gebruiksduur van de opstallen. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG, Fisc. Act. 2019, 8/1).

Een alternatieve methode bestaat er bijvoorbeeld in om het opstalrecht te vergelijken met huur. De meerkost voor het zelf bouwen, t.o.v. de totale huur over de duurtijd van het opstalrecht, is de vergoeding. Hierbij moet een actualisatievoet worden toegepast gelijk aan het rendement dat de opstalhouder zou hebben gehad indien hij zijn geld op een andere manier had belegd. (Ph. Salens, "De waardering van onroerende zakelijke rechten (her)bekeken door een fiscale bril", Not.Fisc.M. 2016, 4, 102).

Ook de rulingcommissie besluit dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een "economische waarde" van de opstallen bij het einde van het opstalrecht (dus niet enkel de verkoopswaarde), minus de gederfde inkomsten.


Zorgvolmacht uitgebreid naar persoon en maatschap

In een eerdere bijdrage kwamen de basisprincipes van de zorgvolmacht reeds aan bod. Zoals het een goeie wetgever betaamd, schaaft men echter regelmatig het toepassingsgebied bij.

aternio biedt u graag een overzicht van enkele recente wijzigen, die niet onopgemerkt mogen blijven.

Persoonsgebonden uitbreiding van het toepassingsgebied

De zorgvolmacht gold oorspronkelijk om het beheer van de materiële aspecten van uw vermogen (roerende en/of onroerende goederen) te behartigen. De persoonsgebonden aspecten moesten apart geregeld worden. Hierdoor viel men vaak terug op bijzondere wetgeving.

De Wet van 21 december 2018 voorziet nu in een uitbreiding van het toepassingsgebied van de buitengerechtelijke bescherming. Vanaf 1 maart 2019 is het mogelijk om ook bepaalde persoonsgebonden aspecten via een zorgvolmacht te regelen. U zal  nu ook kunnen vastleggen wie uw medische vertegenwoordiger zal zijn (binnen de voorziene wettelijke grenzen). Het gaat er bijvoorbeeld over om een persoon te laten opnemen in het ziekenhuis of het regelen van een plaats in een rust-en verzorgingstehuis.

Met een zorgvolmacht is het zo mogelijk om een alomvattende regeling te treffen voor het geval van wilsonbekwaamheid. Bij wijze van randbemerking kan (terecht) de vraag ontstaan of dit alles niet eerder te maken heeft met het vermogen van die persoon, anders dan met de zorg van de persoon.

Zorgvolmacht in combinatie met een maatschap

Dezelfde wet maakt nu ook een belangrijke koppeling van de regels inzake onbekwaamheid met de werking van een maatschap. Een grondige update van artikel 2003 van het Burgerlijk Wetboek (BW) diende zich aan. Het artikel stelt nu dat volmachten komen te vervallen wanneer de lastgever feitelijk onbekwaam wordt of wanneer sprake is van verkwisting in diens hoofde. Kleine randbemerking: wanneer er een zorgvolmacht is, vormt deze een specifieke uitzondering op voornoemd principe.

Artikel 2003 BW is ook voor maatschappen relevant omdat het mandaat van de zaakvoerder (lasthebber) als een lastgeving van de vennoten (lastgevers) gekwalificeerd wordt. Het nieuwe vennootschapsrecht bevestigt dit trouwens uitdrukkelijk. Bijgevolg zou dit kunnen betekenen dat, indien bijvoorbeeld één van de vennoten-kinderen (feitelijk) onbekwaam wordt, deze lastgeving een einde neemt.

Dit kon niet de bedoeling zijn en de wetgever heeft dit, gelukkig, ook niet laten gebeuren. Waar in principe een zorgvolmacht nodig zou zijn, biedt het nieuwe artikel 2003 BW ook de oplossing. Het artikel maakt duidelijk dat gewone volmachten in het kader van een maatschap kunnen blijven bestaan indien één van de vennoten onbekwaam wordt of zich in een staat van verkwisting bevindt.

Voorwaarde is wel dat dit uitdrukkelijk statutair werd bedongen. Indien de statuten op dat vlak niets voorzien, kan het mandaat van zaakvoerder dus mogelijks een einde nemen, indien één van de vennoten onbekwaam zou worden.

Conclusie

Het hoeft geen betoog dat het voor iedereen interessant is  om een zorgvolmacht uit te werken. Mogelijk is het ook opportuun om bestaande zorgvolmachten aan een review te onderwerpen.

Het verdient verder ook absolute aanbeveling om de statuten van uw maatschap bij te sturen om alle mogelijke risico's uit te sluiten. Op die manier is alles gecoverd door de standvastigheid van de statuten.

De juristen van aternio staan u graag bij in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Aansprakelijkheid van bestuurders in het nieuwe vennootschapsrecht

Over het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna afgekort WVV) is al veel inkt gevloeid. In onze eerdere bijdrage kan u alvast de grootste krachtlijnen nalezen. Het WVV heeft al wat belangrijke nieuwigheden te bieden, niet in het minst de beperkte aansprakelijkheid voor de bestuurders van een vennootschap. De wetgever heeft hiermee duidelijk ingespeeld op de tendens om bestuurders sneller aansprakelijk te stellen voor hun handelingen. De nieuwe regels hebben als doel om het ondernemen terug sexy te maken en om morele gemoedsrust te creëren voor de huidige en toekomstige bestuurders.

Algemene aansprakelijkheid

Het WVV voorziet nu in een algemene aansprakelijkheidsregeling. "Algemeen" aangezien ze geldt voor alle rechtspersonen, ongeacht de concrete vorm. De regeling geldt voor elk lid van een bestuursorgaan, dus ook voor de dagelijks bestuurder en zelfs ook voor feitelijke bestuurders. Feitelijke bestuurders zijn namelijk de personen die de vennootschap werkelijk besturen, ook al zijn ze daartoe niet effectief benoemd (door de algemene vergadering, met een publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad).

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Alle voornoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit betekent dat elk lid persoonlijk aansprakelijk is voor beslissingen of nalatigheden van het bestuur. Het voorgaande geldt ongeacht of het bestuur al dan niet een college vormt. De leden van het bestuursorgaan zijn tegenover de vennootschap én tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die ontstaan is door overtredingen van het WVV of de statuten van de vennootschap. Elke bestuurder kan met andere woorden aangesproken worden om zelf volledig in te staan voor vergoeding van de schade aan de betrokken benadeelde(n).

De hoofdelijke aansprakelijkheid wegens loutere bestuursfouten vormt dus een uitbreiding op de eerdere aansprakelijkheidsregels.

Staan bestuurders nu voor een voldongen feit? Moeten ze zich zomaar neerleggen bij de nieuwe regels en hun hoofdelijke aanspreekbaarheid voor schade gewoon accepteren? Nee! Een bestuurder kan de vermeende fout namelijk melden aan de andere leden van het bestuur (of aan een ander toezichtsorgaan). Enkel in dat geval kan men een bestuurder ontheffen van zijn aansprakelijkheid voor fouten waarin hij/zij geen aantoonbaar deel heeft gehad.

Wettelijke beperkingen van de aansprakelijkheid

Hoofdelijke aansprakelijkheid is heel wat. Op basis van het voorgaande zou u zich kunnen afvragen wat nu nog het nut is van een vennootschap. Terecht ... Ware het niet dat het WVV ook voorziet in een uitdrukkelijke beperking van de aansprakelijkheid. De wet voorziet namelijk in een plafonnering van het maximale bedrag waartoe een bestuurder aansprakelijk kan zijn. Deze plafonds zijn afhankelijk van 2 variabelen: het gemiddelde balanstotaal en de gemiddelde omzet (excl. btw) van de laatste 3 boekjaren, voorafgaand aan het instellen van de aansprakelijkheidsvordering.

De reden voor het invoeren van dergelijke beperkingen is dat bestuurders op die manier een redelijke aansprakelijkheidsverzekering kunnen afsluiten.Ook wil men de ongelijkheid wegwerken ten aanzien van managers die als werknemers of via managementvennootschappen van een aansprakelijkheidsbeperking genieten.

Deze aansprakelijkheidsbeperking geldt zowel tegenover de vennootschap zelf als tegenover derden. De beperking geldt bovendien ongeacht de (buiten-)contractuele grondslag van de aansprakelijkheid. De maximale bedragen gelden ook voor alle bedoelde personen samen. Zij gelden per feit of geheel van feiten dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid, ongeacht het aantal eisers of vorderingen.

Zijn verdere contractuele beperkingen mogelijk?

Het WVV bepaalt bovendien dat het niet mogelijk is om voornoemde aansprakelijkheid verder te beperken dan wat er wettelijk voorzien is. Er wordt geen rekening gehouden met bepalingen in de statuten, een overeenkomst of een eenzijdige wilsuiting waarbij men een bestuurder vooraf exonereert of vrijwaart voor diens aansprakelijkheid. Dit wil zeggen dat men op voorhand geen afstand kan doen van een aansprakelijkheidsvordering ten opzichte van de bestuurder.

Bovendien is het ook verboden om de financiële gevolgen van de bestuurdersaansprakelijkheid door een andere entiteit te laten dragen. Op die manier zou men de persoonlijke aansprakelijkheidsregeling van de bestuurder namelijk makkelijk kunnen uithollen. Derden zoals de moedervennootschappen/controlerende entiteiten of aandeelhouders mogen daarentegen bestuurders wel vrijwaren.

Uitsluitingen

Maar, zoals elke medaille hebben ook deze regels ook een keerzijde. De aansprakelijkheidsbeperking geldt namelijk niet ingeval van:

  • vaak voorkomende lichte fouten;
  • zware fouten;
  • bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden;
  • fouten tegen wettelijke verplichtingen inzake o.a. het geldig inschrijven van aandelen, het volstorten van het kapitaal en de kapitaalsverhoging;
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden (onder bepaalde voorwaarden);
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale zekerheidsbijdragen (onder bepaalde voorwaarden).

Met andere woorden: enkel de toevallige lichte fout kan genieten van de beperking van aansprakelijkheid. De vraag of deze beperkingen niet eerder een lege doos zijn, is hier absoluut op zijn plaats.

Aandachtspunten als bestuurder of aandeelhouder?

Het is nu nog meer aan te raden om op voorhand statuten en managementovereenkomsten grondig na te kijken en desgevallend reeds aan een update te onderwerpen.

Volgende punten verdienen bijzondere aandacht:

  • de opdracht van de bestuurder dient steeds zo duidelijk mogelijk te worden omschreven. De bestuurdersaansprakelijkheid is ten aanzien van de vennootschap namelijk van contractuele aard. Bij voorkeur omschrijft men zowel de opdracht als de definitie van fouten en de daaraan gekoppelde gevolgen best zo duidelijk mogelijk;
  • men kan dan wel niet afwijken van de maxima van de aansprakelijkheidsbeperking, maar verfijning is wel mogelijk (denk aan: bewijsclausules, overmachtsclausules,...);
  • het is ook mogelijk om vast te stellen hoe de hoofdelijke aansprakelijkheid zich tussen de verschillende bestuurders verhoudt.

De juristen van aternio staan u graag bij met raad en daad om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Registratierechten op vonnissen, de winnaar kan toch verliezen

We gaan er uiteraard van uit dat u gelijk hebt! Het adagium ‘bezint eer ge begint’ is evenwel een goede leidraad vooraleer een gerechtelijke procedure wordt aangevat. Met dank aan het 'veroordelingsrecht' zou de fiscus wel eens aan de haal kunnen gaan met uw overwinning, de winnaar kan toch verliezen.

Uw advocaat zal u, hopelijk, inlichten over de vermoedelijke kostprijs van zijn ereloonstaat. Op zijn minst zal u zijn uurtarief kennen.

Uiteraard werd u ingelicht over de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, deze kosten dient u alvast in rekening te brengen.

Werd u ook ingelicht over de registratierechten die de fiscus op vonnissen en arresten heft?

Onze ervaring is dat weinig mensen, inclusief advocaten, hiervan op de hoogte zijn en al zeker cliënten hierover onvoldoende op de hoogte worden gebracht.

Registratierechten op vonnissen en arresten 

Ontving u zonet een veroordelend vonnis voor een som van 12.500,00 euro of meer, vergeet voortaan dan niet dat u weldra een betalingsverzoek van de fiscus zal ontvangen voor de registratierechten.

De ratio legis achter de registratierechten bestaat erin dat de verliezende partij zijn steentje dient bij te dragen aan de ‘maatschappelijke service van onze gerecht’.

Ik moet voor de politierechter komen want ik reed door het rode licht en riskeer nu een zware boete. Geen paniek! Op strafboeten, burgerlijke boeten, tuchtboeten of veroordelingen tot het betalen van onderhoudsuitkeringen zijn geen registratierechten verschuldigd.

Desalniettemin kan de invordering van registratierechten een bijkomende financiële aderlating betekenen. Immers bedraagt het registratierecht op een vonnis 3 % van de veroordeling (bijvoorbeeld op een veroordeling van 200.000,00 euro zijn registratierechten ten bedrage van 6.000,00 euro verschuldigd).

Maakt u dan ook de rekensom voor u een gerechtelijke procedure aanvat? Is de mogelijke veroordeling + dagvaardingskosten + rechtsplegingsvergoeding + registratierechten + ereloon van advocaten + risico faillissement/insolvabiliteit van de tegenparij nog in verhouding met de potentiële inkomsten? Zal u als winnaar toch verliezen?

U laat het betalingsverzoek best niet langer liggen dan een maand, aangezien u anders bijkomende boetes riskeert.

Hoger beroep

Registratierechten zijn verschuldigd ongeacht of er hoger beroep is aangetekend. Slechts indien de rechter in hoger beroep beslist om u gedeeltelijk of geheel vrij te spreken zal u de registratierechten terugkrijgen.

Vergeet niet dat procedures in hoger beroep snel een aantal jaar in beslag nemen. Doorgaan tot het bittere einde is de enige mogelijkheid op recuperatie.

Winnende partij kan ook verliezen

De fiscus dient zich in principe tot de verliezende partij te richten.

Indien evenwel uw tegenpartij niet vrijwillig overgaat tot betaling dient u een gerechtsdeurwaarder in te schakelen.

De gerechtsdeurwaarder zal met de inkomende gelden vooreerst zijn eigen kosten betalen. Navolgend worden de registratierechten betaald, aangezien de deurwaarder verplicht is om eerst na te gaan of de fiscus al voldaan is. Dit alles voordat u ook maar één euro ziet verschijnen.

Uw frustratie is terecht …U wint de procedure, u betaalt keurig de ereloonstaat van uw advocaat en u kan eindelijk uw factuur ten bedrage van 15.000 euro innen. Uw tegenpartij dient het geld op te hoesten. Zij betaalt niet vrijwillig en u dient het vonnis te betekenen via tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder (dit kost u opnieuw geld). De eerste 1.000,00 euro die binnenkomen gaan integraal naar de deurwaarder en de fiscus. In tussentijd heeft de deurwaarder een aflossingsregeling bekomen met de tegenpartij voor een aflossing van 150,00 euro per maand. De tegenpartij bezit geen onroerende goederen en een beslag op roerende goederen zal u meer kosten dan opbrengen… Is het sop de kolen nog waard? De winnaar kan zo toch verliezen.

Alternatief, vermijd registratiebelasting

De registratierechten zijn enkel verschuldigd op veroordelingen. U start beter onmiddellijk een onderhandeling met uw tegenpartij vooraleer u wordt veroordeeld, of u de zakken van uw advocaat spijst om een baldadige procedure te voeren.

Wij adviseren dan ook om te onderhandelen met uw tegenpartij, kom tot een vergelijk en laat dit akteren in een akkoordvonnis. Dit akkoordvonnis behelst immers geen veroordeling en hierop zijn geen registratierechten verschuldigd.

Conclusie

Denk vooraf tweemaal na en maak, voor u een gerechtelijke procedure aanvat, toch even een kosten-baten analyse.

Contacteer ons vrijblijvend voor 'the best legal solution'.


Schijnzelfstandige of echt freelancer?

Zelfstandige zijn, maar steeds een vast bedrag factureren aan één opdrachtgever. We kennen allicht wel iemand die deze werkwijze toepast. We denken dan onmiddellijk aan een schijnzelfstandige, maar is dit ook zo?

Wat is een schijnzelfstandige?

Een schijnzelfstandige is zelfstandig is op papier, maar in werkelijkheid een verborgen werknemer. Het statuut lijkt fiscaal en sociaal  voordelig, maar toch ga je best bewust om met de risico's.  Risico's die er ontegensprekelijk zijn. Een arbeidsrechtbank kan je immers herkwalificeren van zelfstandige naar werknemer, met alle gevolgen van dien.

Aangezien een zelfstandige per definitie minder sociale zekerheidsbijdragen betaalt, zet de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) in op het ontmaskeren van schijnzelfstandigen. Een herkwalificatie heeft niet alleen gevolgen op sociaal vlak maar mogelijk ook op fiscaal en straftrechtelijk vlak. Het is dan ook belangrijk te weten wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid.

Wil van de partijen

De wil van de partijen is het vertrekpunt. Het is als partijen dan ook belangrijk om een schriftelijke overeenkomst te maken, waarin de keuze van een zelfstandige samenwerking duidelijk is opgenomen. Hoewel de wil van de partijen het vertrekpunt is, is het niet noodzakelijk het eindpunt.

De rechter kan de wil van de partijen namelijk herkwalificeren. Indien de rechtbank van mening is dat het niet een zelfstandige samenwerking betreft, zal deze besluiten dat tot schijnzelfstandigheid. Om tot dit besluit te komen, hanteert de rechtbank toetsingscriteria.

Toetsingscriteria

Er zijn vier algemene toetsingscriteria. De eerste is de wil van de partijen. Zoals gezegd, is dit het vertrekpunt. Bij onderzoek zal dit ook het eerste zijn wat aandacht krijgt. Echter, de wil van partijen geeft nooit een sluitend antwoord. Vervolgens wordt gekeken naar de vrijheid om de arbeidstijd en het werk te organiseren. De mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen is het laatste criterium. Een goed uitgewerkte samenwerkingsovereenkomst is daarom essentieel. Je wil niet ten onrechte het label van schijnzelfstandige krijgen.

Bij een zelfstandige staat vrijheid centraal. Zo is een echte zelfstandige bijvoorbeeld vrij om zelf zijn vakantie te bepalen, te kiezen hoe, wanneer en waar hij werkt. Deze vrijheid is niet per definitie ongelimiteerd. Het betekent niet dat afspraken onmogelijk zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld commerciële of organisatorische redenen tijdsregistratie of niet-concurrerend werken verantwoorden.

Naast de algemene toetsingscriteria gelden voor bepaalde  risicosectoren (bouw, bewaking, transport en schoonmaak, land- en tuinbouw) 9 aparte criteria. Indien meer dan de helft van de criteria is overschreden wordt een weerlegbare relatie als zelfstandige vermoed. Samengevat zijn het volgende criteria:

  • financieel of economisch risico lopen (bv. investeren met eigen middelen,  winst- en verliesdeelname);
  • autonome financiële beslissingsmacht hebben;
  • eigen aankoopbeleid bepalen;
  • eigen prijsbeleid bepalen;
  • gebonden zijn aan een resultaatsverbintenis;
  • geen garantie hebben op een vaste vergoeding;
  • mogelijkheid tot aanwerven van eigen personeel;
  • zich gedragen als onderneming ten overstaan van anderen en meer dan één opdrachtgever hebben;
  • eigen bedrijfsmiddelen hebben (bv. kantoor, IT-materiaal, auto).

Sancties

Indien er schijnzelfstandigheid wordt vastgesteld, wordt de zelfstandige ineens een werknemer. Dit houdt in dat de opdrachtgever, waarmee de schijnzelfstandige is verbonden, werkgever wordt.

Voor de schijnzelfstandige zal dit relatief weinig gevolgen hebben. Hij zal vanaf dan wel onderworpen worden aan de sociale zekerheid voor werknemers. Fiscale gevolgen zijn mogelijk de herziening van eerder afgetrokken beroepskosten.

Voor de opdrachtgever zijn de financiële gevolgen groter. De 'werkgever' zal de sociale zekerheidsbijdragen van werkgever alsook werknemer tot 5 jaar terug moeten betalen. Niet te vergeten de bijdrage-opslagen en nalatigheidsintresten. Op fiscaal vlak moet er bedrijfsvoorheffing worden betaald, vermeerderd met boetes en intresten. Op strafrechtelijk vlak staan er op een sociaalrechtelijk misdrijf (ontduiking van sociale zekerheidsbijdragen) geldboetes en zelfs gevangenisstraffen.

Besluit

Wie als opdrachtgever wil werken met een echte zelfstandige doet er goed aan de afspraken vast te leggen in een degelijke samenwerkingsovereenkomst.  De echte wil en vrije keuze van partijen is jammer genoeg niet doorslaggevend. In een vooruitstrevende en competitieve economie zou dit nochtans wel zo moeten zijn. Het is daarom aangeraden om rekening te houden met de criteria waarop schijnzelfstandigheid wordt beoordeeld. Zij die echter menen dat misbruik loont en dat het werken met een schijnzelfstandige een goed idee is, denken beter tweemaal na. Terecht bestaan hiervoor sancties.

Wij adviseren u graag bij de redactie van uw samenwerkingsovereenkomst. Contacteer ons gerust.