Het beding van aanwas in de fiscale praktijk

In een eerdere bijdrage werd het aanwasbeding (en de tontine) reeds uitvoerig besproken. Hoe gaat de de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) hier nu mee om? Wat zijn de tips en tricks om een geldig en goed werkend beding van aanwas te schrijven én te modaliseren? Hierna volgt een bloemlezing van de modaliteiten die Vlabel aanvaardde, doorheen het voorbije jaar 2018.

Vervreemdingsverbod

Een beding van aanwas is burgerrechtelijk geldig indien het onder meer gaat om een beding onder bezwarende titel.

Om deze voorwaarde meer kracht bij te zetten, kan een vervreemdingsverbod opgenomen worden in het beding. Anders kan dit het beding van aanwas mogelijks uithollen. Bij voorkeur wordt het vervreemdingsverbod zo ruim mogelijk opgemaakt, zodat het niet enkel geldt voor de echte overdrachten, maar ook voor het in pand geven, het in betaling geven of het op een andere manier bezwaren van de goederen.

Het is mogelijk om ook een verbod tot wederzijdse volmachten aan het vervreemdingsverbod te koppelen. Hierdoor vermijdt men dat een partij, zonder toestemming van de andere, via de volmacht toch goederen kan vervreemden. Weet wel dat dit dan een algemeen verbod is: stel dat een van de partijen handelingsonbekwaam wordt, is het niet meer mogelijk om op dat moment een volmacht te geven. Tenzij men bij de opmaak reeds rekening houdt met deze mogelijke uitzondering.

Zaakvervanging

Vlabel accepteert de zaakvervanging gekoppeld aan het beding van aanwas als aan 2 voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de conventionele zaakvervanging uitdrukkelijk blijken uit de akte. Vervolgens dient de zaakvervanging nog eens bevestigd te worden op het moment dat het nieuwe (vervangende) goed wordt aangekocht.

Dient ook het beding van aanwas met betrekking tot een effectenportefeuille expliciet in de zaakvervanging te voorzien? Het is mogelijk om dat te doen onder het motto "beter een keer teveel, dan een keer te weinig". Echter, de effectenportefeuille kwalificeert als een feitelijke universaliteit. Leuke bonus bij zo'n feitelijke universaliteit is dat de zaakvervanging van rechtswege intreedt.

Ontbindende voorwaarde

Het is toegestaan om een ontbindende voorwaarde aan het beding van aanwas te koppelen. Hierdoor komt men tegemoet aan de principiële onopzegbaarheid van het beding van aanwas. Vlabel heeft het voorbije jaar volgende ontbindende voorwaarden aanvaard:
- de feitelijke scheiding gedurende minimaal 6 maanden;
- de inleiding van een echtscheidingsvordering; en
- een in kracht van gewijsde getreden uitspraak inzake de echtscheiding.

Duurtijd

Indien een beding van aanwas voor onbepaalde duur gesloten is, kunnen partijen al dan niet voorzien in een opzegmogelijkheid.

Het is mogelijk om een beding van aanwas op te stellen voor een bepaalde duur (bijvoorbeeld 5 jaar), maar met de mogelijkheid tot stilzwijgende verlenging indien geen enkele partij effectief opzegt. Vlabel aanvaardt dit en gaat zelfs nog verder. De principiële gelijkheid van kansen (die vereist is bij het aangaan van het beding van aanwas) is niets meer vereist bij een stilzwijgende verlenging.

Optioneel karakter

Vlabel kan zich ook vinden in een optioneel beding van aanwas, gekoppeld aan een vervaltermijn. Het gaat dan vooral om een beding van aanwas, dat uitwerking kan krijgen naar aanleiding van een overlijden. In dat geval zal het beding pas uitwerking krijgen wanneer de langstlevende partij hiervoor binnen een bepaalde termijn uitdrukkelijk wel of net niet kiest. Het cruciale moment hierbij is het uiterste tijdstip waarop de aangifte van nalatenschap moet ingediend worden. De langstlevende kan er bij zijn of haar keuze ook voor opteren om het beding van aanwas te beperken tot de blote eigendom of het levenslang vruchtgebruik.

Deze vervaltermijn kan men op 2 manieren opstellen:
- ofwel moet de langstlevende effectief akkoord gaan om het beding uitwerking te laten krijgen; doet deze niets dan wordt men verondersteld aan de uitwerking te verzaken;
- ofwel moet de langstlevende uitdrukkelijk melden aan de uitwerking van het beding te verzaken, doet deze niets dan zal het beding effectief uitwerking krijgen.

Uitbreiding tot nieuwe goederen?

Een betwist geval, is de aangroei of uitbreiding van bestaande goederen. Het is belangrijk dat de partijen kunnen aantonen dat het aanwasbeding betrekking heeft op goederen verkregen vóór het afsluiten van het beding. Het is daarbij een goed idee om een lijst van goederen aan het aanwasbeding te hechten, om bewijsproblemen te vermijden.

Daarbij is het ook duidelijk dat het beding van aanwas betrekking zal hebben op de aangroei van de goederen. Denk daarbij aan intresten, dividenden, meerwaarden,... die de betreffende goederen genereren.

Vlabel stelt echter, zowel in zijn standpunten als in de voorafgaande beslissingen, dat een aanwasbeding niet geldig is voor nieuwe goederen. Met andere woorden: goederen verkregen na het afsluiten van het beding van aanwas zullen er niet onder vallen.

Conclusie

Het beding van aanwas, mits zorgvuldig opgesteld, kan tot mooie creaties leiden in uw planning. Laat u daarom bij het opstellen daarvan steeds bijstaan door de juristen en fiscalisten van aternio.


Bingo! Vlaamse Belasting op Spelen en Weddenschappen

Sinds 1 januari 2019 int de Vlaamse Belastingdienst de Belasting op Spelen en Weddenschappen. Wat houdt deze belasting zoal in? Wij maken u wegwijs.

Spelen en weddenschappen

De belasting op spelen en weddenschappen is van toepassing op alle soorten spelen en weddenschappen. Het zijn alle verrichtingen waarbij deelnemers een som inzetten met risico van verlies, in de hoop hieruit voordeel (in geld of natura) te behalen.

Spelen en weddenschappen omvatten niet alleen kansspelen. Zijn ook bedoeld wedstrijden, proeven, kampen, matches, behendigheidsspelen, vermakelijkheden, pronostieken, tombola’s, etc.

Gewestelijke belasting

De belasting op spelen of weddenschappen is een Vlaamse belasting. Zij is dus verschuldigd als de spelen of weddenschappen worden ingericht op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Voor online spelen en weddenschappen moet men kijken naar de locatie van de server om te bepalen aan welk gewest de belasting moet worden betaald.

Vrijstellingen

Gelukkig zijn er ook vrijstellingen. Zo zijn toegelaten loterijen steeds vrijgesteld, zelfs als ze online georganiseerd worden.

Ook volgende spelen en weddenschappen zijn vrijgesteld, behalve als er online op kan ingezet worden:

  • bepaalde duivenprijskampen, als de inzetten alleen maar door de eigenaars van de duiven gebeuren;
  • bepaalde wedstrijden uitsluitend ingericht voor musea of bepaalde instellingen;
  • sportbeoefening (deze vrijstelling geldt niet voor weddenschappen op sportwedstrijden);
  • bepaalde volksvermakelijkheden als de inzet beperkt is tot 50 euro per persoon per dag; en
  • vogelzangwedstrijden.

Tarief

In principe geldt een uniform belastingtarief van 15% op de opbrengst. De opbrengst is dan de som van de inzetten min de uitgekeerde winsten. Hierop bestaan wel heel wat uitzonderingen.  In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de soorten spelen en hoe ze belast worden.

Soort spel of weddenschap Belastbare grondslag &

schijven (euro)

Tarief
(%)

casinospelen

(het vroegere afwijkende tarief voor baccara chemin de fer en roulette zonder zero verdwijnt)

 

dagopbrengst
(incasso bij opening – incasso bij sluiting + inzetten – uitgekeerde winst):

van

0,01

tot

865.000

 

33 %

>865.000

44 %

slottoestellen (casino)

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):

van

0,01

tot

1.200.000

 

20 %

1.200.000,01

2.450.000

25 %

2.450.000,01

3.700.000

30 %

3.700.000,01

6.150.000

35 %

6.150.000,01

8.650.000

40 %

8.650.000,01

12.350.000

45 %

> 12.350.000

50 %

online spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

11 %

mediaspelen (bv. quiz via TV, SMS, …)

bedrag van de sommen of inleggelden:
uniform tarief

15 %

paardenwedrennen
hondenwedstrijden
sportevenementen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

overige spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

 

Aangifte

Vanaf 2019 gebeurt de online aangifte via het digitaal loket.

De aangifte moet gebeuren door de inrichter van spelen of weddenschappen die georganiseerd worden in het Vlaamse Gewest of de aanbieder van online spelen of weddenschappen die uitgebaat worden via een server in het Vlaamse Gewest.

Hiermee laat de inrichter de Vlaamse Belastingdienst weten dat er gedurende een bepaalde periode of op een specifieke dag een spel of weddenschap wordt ingericht.

De aangifte voor de berekening van de belasting wordt maandelijks ingediend. Na het indienen van de online aangifte ontvangt de inrichter een aanslagbiljet. De betaaltermijn bedraagt 2 maanden.

 


Wie betaalt werken aan onroerend goed? Vruchtgebruiker of blote eigenaar?

Constructies waarbij de vennootschap het vruchtgebruik bezit en de privé personen de blote eigendom zijn schering en inslag. Vaak zal de vennootschap als vruchtgebruiker ook werken aan het onroerende goed uitvoeren. Mag dit gratis of moet de blote eigenaar hiervoor een vergoeding betalen? Zoja, welke vergoeding? Het Hof van Beroep te Bergen biedt in zijn arrest van 1 juni 2018 een duidelijke antwoord. We lichten de spelregels beknopt toe.

Welke werken?

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is om welke werken het gaat. Er bestaan drie categorieën werken, namelijk onderhouds- en herstellingswerken, verbeteringswerken en verbouwings- en/of uitbreidingswerken.

Wat betreft de onderhouds- en herstellingswerken maakt de wetgever een opsplitsing tussen onderhoud en grove herstellingen. Kort door de bocht kan gesteld worden dat grove herstellingen te maken hebben met de stabiliteit en instandhouding van het onroerende goed. Deze vallen ten laste van de blote eigenaar. In het geval de vruchtgebruiker deze kosten zou dragen, is de blote eigenaar op het einde van het vruchtgebruik een vergoeding verschuldigd. Alle andere werken zijn onderhoudsherstellingen die ten laste van de vruchtgebruiker vallen.

De tweede categorie is de verbeteringswerken. Deze hebben tot doel het genot van de vruchtgebruiker te vergroten. Voor de kosten van deze werken moet de blote eigenaar geen vergoeding betalen.

De laatste categorie betreft de verbouwings- en/of uitbreidingswerken. Deze werken zijn ingrijpender dan verbeteringswerken. Indien zij door de vruchtgebruiker worden uitgevoerd, blijft deze volle eigenaar totdat het vruchtgebruik uitdooft.  Indien het gaat om werken die verwijderd kunnen worden, moet de blote eigenaar slechts een vergoeding betalen indien hij deze wenst te behouden. De vergoeding betreft dan de kostprijs van de werken, namelijk het materiaal en arbeidsloon. Betreft het daarentegen werken die niet verwijderd kunnen worden, dan zal de blote eigenaar de noodzakelijke werken tegen kostprijs vergoeden en de nuttige werken tegen de meerwaarde die de werken creëren.

Theorie versus praktijk

De hierboven uiteengezette theorie lijkt makkelijk, maar in de praktijk is het vaak moeilijk om te bepalen om welke werken het gaat. De rechtbank heeft zich hier meermaals over uit gesproken. De rechtspraak bekijkt hierbij  verhouding tussen de kostprijs van de werken en de inkomsten die het vruchtgebruik genereren.

Zo meende het Hof van Beroep te Brussel eerder dat werken waarvan de kostprijs hoger is dan het bedrag van de jaarlijkse inkomsten verbouwings- en/of uitbreidingswerken zijn. De huurwaarde over de duur van het vruchtgebruik vormen de basis voor de berekening van de jaarlijkse inkomsten van het vruchtgebruik.  Ondanks dit standpunt van het Hof  mag men de feitelijke omstandigheden natuurlijk nooit uit het oog verliezen. (Brussel 12 september 2017, 2015/AF/88)

Berekening vergoeding

Het Hof van Beroep te Bergen oordeelde recent op dezelfde wijze. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG/584) 

Het betrof een koppel dat de blote eigendom van een onroerend goed bezat. De vennootschap had het vruchtgebruik. Dit onroerend goed was tijdens de periode van het vruchtgebruik totaal gerenoveerd. De vennootschap betaalde de kosten van deze totaalrenovatie. Op het einde van het vruchtgebruik betaalde het koppel een vergoeding aan de vennootschap, maar de fiscus meende dat deze te laag was. Hierdoor ontstond een fiscaal voordeel van alle aard in hoofde van het koppel.

Het Hof van Beroep volgde de volgende redenering.

Het Hof kwalificeerde slechts een klein deel van de werken als verbeteringswerken. Het overige zijn volgens het Hof verbouwings- en/of uitbreidingswerken, die recht gaven aan de vruchtgebruiker op een vergoeding.

Volgens het Hof moet de vergoeding berekend worden op grond van de gecreëerde meerwaarde. Deze meerwaarde bekomt men door de huidige marktprijs van het onroerende goed met de normale marktevolutie en de aankoopprijs te verminderen.Als deze meerwaarde lager is dan de kostprijs van de werken, is de vergoeding gelijk aan de meerwaarde.

Conclusie

Indien de vruchtgebruiker werken aan een onroerend goed uitvoert, is het belangrijk eerst en vooral de categorie werken te kwalificeren. Afhankelijk hiervan, zal de blote eigenaar al dan niet een vergoeding verschuldigd zijn. Indien dit het geval is, is het van groots belang deze vergoeding correct te berekenen. Op die manier vermijdt u dat de fiscus u een voordeel van alle aard toerekent.

Wenst u hieromtrent meer informatie, aarzel dan niet om aternio te contacteren.


Hoe omgaan met voorwaarden in de aangifte nalatenschap?

Wanneer iemand overlijdt moet er een aangifte van nalatenschap ingediend worden. Dit is een aangifte bij de Vlaamse Belastingdienst en betreft het vermogen (actief en passief) van de overledene. Deze aangifte vormt de basis voor de berekening van de erfbelasting die de erfgenamen zullen moeten betalen. De aangifte van nalatenschap moet worden ingediend door de wettige erfgenamen of de algemeen legatarissen (bij testament).

Is deze aangifte van nalatenschap definitief vanaf het moment van indiening? Wijzigt er iets aan de aangifte als er zich ontbindende of opschortende voorwaarden vervullen? Gaat het enkel om wijzigingen binnen de oorspronkelijke aangiftetermijn? Hangt er ook een prijskaartje aan die wijziging? We zetten de principes graag even op een rijtje.

Tijdstip van overlijden

De aangifte nalatenschap maakt een foto van het vermogen van de overledene op het moment van overlijden. Daarbij neemt men zowel het actief als het passief in aanmerking. Het is niet ondenkbaar dat het vermogen op een later tijdstip nog met terugwerkende kracht wijzigt. Dit kan zowel in plus als in min. Het gaat hierbij om het intreden van een opschortende of ontbindende voorwaarde. Indien een dergelijk feit zich voordoet, betekent dit een aanpassing van de nalatenschap met bijhorende weerslag op de heffing van de erfbelasting.

Opschortende voorwaarde bij verkregen goederen door de erflater

Een opschortende voorwaarde schort de gevolgen van een bepaalde overeenkomst op, tot zolang de voorwaarde niet vervuld is. Daarom maken de goederen of rechten die de overledene had verkregen onder opschortende voorwaarde, maar die op het moment van het overlijden nog niet vervuld is, geen belastbaar actief uit van de nalatenschap. Bijgevolg moet dit niet worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap en komt dit ook niet in aanmerking voor de erfbelasting.

Wanneer de opschortende voorwaarde zich vervult, bevinden de goederen of rechten zich retroactief in het vermogen van de overledene en vergroten (of verkleinen) daardoor het actief (of passief) van de nalatenschap. Op basis van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 3.3.1.0.6, eerste lid, 2°) zal er dan een nieuwe aangifte worden ingediend. De heffing van de erfbelasting zal plaatsvinden op basis van de nieuwe toestand en rekening houdend met de waarde van de "nieuwe" goederen, op het moment van de vervulling van de voorwaarde en volgens het toepasselijke tarief op het moment van overlijden (artt. 2.7.3.3.7. en 2.7.4.1.5. VCF)

Opschortende voorwaarde bij door de erflater vervreemde goederen

Het is ook mogelijk dat de erflater goederen heeft vervreemd onder een opschortende voorwaarde en dat deze voorwaarde zich op het moment van overlijden nog niet heeft vervuld. In dat geval bevinden de goederen zich nog steeds in het vermogen van de erflater, op het moment van zijn/haar overlijden. Logisch gevolg is dat deze goederen opgenomen worden in aangifte van nalatenschap.

Wanneer de opschortende voorwaarde zich vervult, zullen de betreffende goederen met terugwerkende kracht uit het vermogen van de overledene verdwijnen. Hier staat wel tegenover dat er hiervoor iets in de plaats komt: een waarde (verkoopprijs) of andere goederen (in geval van wederbelegging of ruil,...).

Opnieuw zal er een nieuwe aangifte moeten worden ingediend en kan de heffing van de erfbelasting desgevallend herzien worden. Als er volgens de nieuwe toestand minder erfbelasting verschuldigd is, kan een teruggave aan de orde zijn (op basis van art. 3.6.0.0.4. eerste lid, 1°, a VCF).

Ontbindende voorwaarde?

Een ontbindende voorwaarde verschilt van een opschortende voorwaarde, in die zin dat er aan de ontbindende voorwaarde onmiddellijk rechtsgevolgen gekoppeld zijn. Echter, bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde worden de rechtsgevolgen teniet gedaan. Ook dit is retroactief. Indien de overledene goederen heeft verkregen of vervreemd onder een ontbindende voorwaarde, bevinden deze goederen zich respectievelijk wel of niet meer in zijn vermogen op het moment van het overlijden.

Indien het gaat om een verwerving onder ontbindende voorwaarde bevinden de goederen zich in de nalatenschap en worden zij mee opgenomen in de aangifte van nalatenschap. Bijgevolg zijn ze onderworpen aan de erfbelasting. Indien de ontbindende voorwaarde zich vervult, verdwijnen de goederen met terugwerkende kracht uit het vermogen van de erflater en wordt de heffing van de erfbelasting herzien. In geval van teveel betaalde erfbelasting, kan ook hier een teruggave gevorderd worden (op basis van art. 3.6.0.0.4. eerste lid, 1°, a VCF).

Indien het gaat om een vervreemding onder ontbindende voorwaarde is er geen belastbaar actief. Bijgevolg is er geen opname in de aangifte van nalatenschap en is er geen erfbelasting op het moment van overlijden. Indien de ontbindende voorwaarde zich vervult en de goederen retroactief terugkomen in het vermogen van de overledene, zal er ook opdat moment een aanpassing van het actief van de nalatenschap zijn. Er moet vervolgens een nieuwe aangifte worden ingediend en met heffing van erfbelasting als gevolg.

Termijnen

Om af te sluiten hernemen we nog even dat de aangifte van nalatenschap moet ingediend worden binnen een termijn van:
- 4 maanden als het overlijden plaatsheeft in België;
- 5 maanden als het overlijden plaatsheeft in een land van de Europese Economische Ruimte (EER); of
- 6 maanden als het overlijden plaatsheeft buiten de EER.

De voornoemde termijn begint te lopen vanaf de exacte dag van overlijden.

Echter, wanneer één van voorgaande situaties zich voordoet, starten de voornoemde termijnen opnieuw. Binnen deze termijn moet een nieuwe (bijvoeglijke) aangifte worden ingediend, om de nieuwe situatie te melden.

Verjaringstermijn voor de erfbelasting is 5 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de aangiftetermijn start.  Indien zich een opschortende of ontbindende voorwaarde voordoet binnen deze termijn, moet u een nieuwe aangifte indienen. Op dat moment start de nieuwe termijn om de bijkomende rechten te innen, dan wel om de teruggaven te vorderen.


Schenken of toch niet. Al gedacht aan een volmachtschenking?

De schenking wordt courant gebruikt en vormt een interessante manier om bij leven goederen van het ene vermogen naar het andere te laten gaan. Vaak gaat dit gepaard met enkele persoonlijke ongemakken voor de schenker, deze ontdoet zich namelijk dadelijk en onherroepelijk van deze goederen. De geschonken goederen verdwijnen immers definitief uit het vermogen. Dit zal vaak een hinderpaal vormen om effectief tot schenking over te gaan.

Daarvoor heeft de praktijk een oplossing bedacht: het voorbereiden van de schenking via volmachten. Het gaat hier met andere woorden om een schenking in extremis. Men gaat proberen om de ongemakken die de schenker ervaart, zo lang mogelijk uit te stellen.

De vraag is echter waarom men dat zou doen? Wat zijn de positieve en negatieve punten van deze constructie?

Fiscaal aantrekkelijke schenking

Fiscaal gezien zijn schenkingen veel aantrekkelijker dan erfenissen. Wanneer dezelfde goederen vererft worden, via de normale devolutie of via testament, wordt de dubbel progressieve erfbelasting toegepast. De tarieven zijn afhankelijk van de netto-waarde van de vererfde goederen (roerend of onroerend) en van de verwantschapsgraad tussen begiftigde erfgenaam en de erflater.

Schenkingen daarentegen vallen onder de schenkbelasting. Voor roerende goederen geldt in Vlaanderen een toegankelijk tarief: 3% voor schenkingen in de rechte lijn of 7% voor alle andere schenkingen. De tarieven gelden voor schenkingen, zelfs al zijn ze amper enkele minuten geleden voor een notaris verleden. Het is zo dat deze schenkingsrechten van toepassing blijven, ongeacht het moment van overlijden.

Naaktheidssyndroom

Door deze techniek wil de schenker zijn schenking zo lang mogelijk uitstellen, effectief tot op het allerlaatste moment. Schenkers lijden niet zelden aan een ‘naaktheidssyndroom’. Zij voelen zich in hun blootje gezet door de goederen weg te schenken. Het is dus zo dat hoe langer men wacht om te schenken, hoe minder nadelige gevolgen de schenker ondervindt met betrekking tot het onmiddellijke en de onherroepelijke ‘verlies’ van de goederen uit zijn vermogen.

Echter, dat wachten tot op het laatste moment houdt ook een risico in, want het kan op een bepaald moment plots heel snel gaan. Zo snel dat de schenker fysiek niet meer in de mogelijkheid is  om te schenken. Vandaar de oplossing: de schenking in extremis.  Middels de voorbereiding van de schenking via volmachten kan de schenker, zolang niet overleden, alsnog schenken.

Volmachtschenking

Bij de schenking via volmacht wordt de schenking van a tot z voorbereid. Daarbij is de eerste stap het schenkingsaanbod. Dit is de intentie van de schenker om effectief bepaalde goederen te schenken. Vervolgens geeft de schenker volmacht om, als het cruciale moment daar is, dit schenkingsaanbod voor notaris aan te bieden aan de begiftigden. Deze gaan vervolgens persoonlijk over tot aanvaarding van de schenking. Maar om snel te kunnen schakelen kunnen ook de begiftigden reeds een volmacht opmaken om de schenking te aanvaarden.

Belangrijk hierbij is dat de schenking effectief aanvaard is voor het overlijden. Vanaf dat moment is de schenking definitief.

Volgorde van bewerkingen

Eerst wordt een schenkingsaanbod opgemaakt; vervolgens stelt men de nodige volmachten op en daarna steekt men dit alles in de spreekwoordelijke koelkast van de notaris. Op het moment dat het ‘nodig’ is, verwittigt men de notaris en start de volmachtencarrousel.

Let wel zolang de volmachten niet worden uitgevoerd is er nog geen sprake van een effectieve schenking.  Er zijn enkel volmachten. Deze constructie heeft als doel om zo lang mogelijk te wachten om de schenking effectief uitwerking te laten krijgen.

Conclusie

Middels de volmachtschenking schakelt men de nadelen die aan een schenking verbonden zijn, grotendeels uit.

Deze techniek van voorbereiding van een schenking is echter niet zaligmakend, want men loopt steeds het risico dat men te laat is. Wanneer de toekomstige schenker plots overlijdt, zijn de getroffen voorbereidingen een maat voor niets geweest. Daardoor gaat het concreet om een schenking die verleden is binnen de 3 jaar voor het overlijden waarop nog geen schenkbelasting is betaald! In dat geval valt men onder één van de fictiebepalingen uit het Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 2.7.1.0.5, §1), waardoor er wél erfbelasting verschuldigd is.

De juristen van aternio adviseren u graag bij het voorbereiden en uitwerken van uw schenking. Tempus fugit 


Feitelijk samenwonen - opgelet voor booby traps

Mensen die samen onder één dak wonen kunnen in diverse juridische vormen samenleven. De  keuze is drieledig: het huwelijk, wettelijk of feitelijk samenwonen. Het belang van de keuze mag niet onderschat worden.

Heel wat koppels wonen vaak jarenlang samen zonder dat zij een wettelijke samenlevingsovereenkomst afsluiten, laat staan overgaan tot een huwelijk. In dat geval leven zij samen als feitelijk samenwonenden. Er zijn echter twee noodlottige momenten denkbaar in het leven van zij die feitelijk samenwonen. De samenleving kan immers eindigen hetzij door overlijden hetzij door de keuze van één of beide partners.

In deze bijdrage gaan we specifiek in op de situatie van feitelijke samenwoonst.

De wegen scheiden ...

Er bestaat geen wettelijk statuut met rechten en plichten voor feitelijke samenwonenden. Bijgevolg zijn er bij de beëindiging van de relatie geen formele verplichtingen voorzien. De partners kunnen, al dan niet in overleg, op eenvoudige wijze en zonder naleving van enige formaliteit de samenwoning beëindigen.

De materiële afwikkeling van de beëindiging van de samenwoning gebeurt dus op basis van onderlinge afspraken. Deze afspraken zijn eventueel opgenomen in een (notariële) samenlevingsovereenkomst. Dit is echter meer uitzondering dan regel. In het geval er toch een overeenkomst is opgesteld, bevat deze meestal afspraken over wie welke goederen bezit, wie de huurovereenkomst verderzet of hoe gelden op een gemeenschappelijke bankrekeningen zullen worden verdeeld.

Voor gehuwden en wettelijk samenwonenden voorziet de wet in dringende en voorlopige maatregelen. Dit is niet zo bij het stopzetten van een feitelijke samenwoonst. In geval van een spoedeisend karakter kan men, via een gemeenrechtelijke kortgedingprocedure, eventueel maatregelen bij voorraad vorderen. Het is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die bevoegd is en niet de familierechtbank. In de praktijk gaat dit vaak om vergoedingen met betrekking tot de woonst of het gebruik van roerende goederen.

Evenmin bestaat er een wettelijke onderhoudsplicht. Ex-partners hebben op dit vlak in principe geen rechten of plichten ten opzichte van elkaar. Eventueel kunnen hieromtrent ook afspraken gemaakt worden in een overeenkomst. Dit is echter vrij ongebruikelijk.

Indien er gemeenschappelijke kinderen zijn zal men zich wenden tot de familie- en jeugdrechtbank voor de (financiële) regelingen.

Wat bij intestaat overlijden?

Bij overlijden erven feitelijk samenwonenden in principe niets van elkaar. Immers, wanneer er geen testament is opgemaakt, is er ook geen erfrecht. Juridisch gezien zijn feitelijk samenwonenden vreemden voor elkaar. Dit kan leiden tot ongewilde en onaangename situaties.

Denk hierbij aan de 'gezinswoning' die slechts eigendom is van één van de samenwoners. Voor de langstlevende niet-eigenaar is er überhaupt geen bescherming. Het zijn de erfgenamen die eigenaar worden van de woning, wat in vele gevallen betekent dat deze langstlevende de woning moet verlaten. Een feitelijk samenwonende partner heeft immers niet het vruchtgebruik van de gezinswoning bij overlijden van zijn partner. Ook indien de woning in onverdeeldheid is gekocht door beide samenwoners is er geen enkele garantie. Behoudens indien er sprake is van een beding van tontine of aanwas, zal de langstlevende de erfgenamen namelijk moeten uitkopen om alsnog in de woning te kunnen blijven wonen.

Een testament biedt (deels) soelaas

Het probleem van gemis aan erfrecht kan worden opgevangen door het opmaken van een testament. Er zijn mogelijk reservataire beperkingen voor de testator. De ouderlijke reserve mag dan wel zijn afgeschaft, maar voor alle kinderen samen is er nog steeds een reservataire deel van 50%. Het risico bestaat dus dat het testament geen volledige uitwerking zal hebben door deze wettelijke reserve.

Bij testamentaire toekenning van vruchtgebruik aan de langstlevende samenwonende is ook behoedzaamheid geboden. Het is namelijk niet uitgesloten dat dit erfrechtelijk vruchtgebruik op verzoek van één of alle blote eigenaars geheel of gedeeltelijk wordt omgezet in een geldsom. Dit kan enkel wanneer de erfgenamen afstammelingen zijn van de overleden partner. Daar waar bij echtgenoten het niet mogelijk is om de omzetting te vragen voor de gezinswoning en de huisraad, is dit wel mogelijk bij feitelijke samenwoonst. Andere blote eigenaars kunnen in beginsel geen omzetting van vruchtgebruik verkrijgen.

Wat doet de fiscus ...

Wanneer één van de feitelijk samenwonenden diens partner bij leven begiftigt of via testament begunstigt, dan komt mogelijk ook de fiscus langs. Het is in deze van uitzonderlijk belang om te beseffen dat de drie gewesten in België er, ten aanzien van feitelijk samenwonenden, andere regels op nahouden. De fiscale woonplaats op het ogenblik van schenking of overlijden kan namelijk een bijzondere financiële impact hebben. Woonde de schenker of de overledene tijdens de laatste vijf jaren op meer dan één plaats in België dan telt het gewest waar de schenker of de overledene het langst woonde in die vijf jaar.

Bij schenking?

Feitelijke samenwoners die minstens 1 jaar feitelijk samenwonen kunnen in het Vlaamse Gewest roerende goederen schenken aan het tarief van 3%. In het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden feitelijke samenwoners niet gelijkgesteld met echtgenoten en gelden voor roerende goederen tarieven van respectievelijk 5,5% en 7%. Voor schenking van onroerende goederen gelden in alle gewesten progressieve tarieven. Het maximale tarief bedraagt in het Vlaamse Gewest 27%, in het Waalse Gewest 50% en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 40%.

Bij overlijden?

In het Vlaamse Gewest is de gezinswoning vrijgesteld van erfbelasting ook voor de feitelijk samenwonende. Voorwaarde voor deze vrijstelling is wel dat de feitelijk samenwonenden op de dag van het overlijden minstens drie jaar samenwonen. Voor de bepaling van het tarief van de erfbelasting daarentegen worden in het Vlaamse Gewest feitelijke samenwoners gelijkgesteld met gehuwden wanneer ze op de dag van het overlijden minstens één jaar samenwonen. Er is bovendien een splitsing tussen het roerend en onroerend erfdeel. De fiscus berekent de erfbelasting voor elke soort van goederen door telkens opnieuw te vertrekken vanaf het tarief op de laagste schijven. Vanaf 1 september 2018 is de eerste schijf van 50.000 euro in de nettoverkrijging van de roerende goederen vrijgesteld van erfbelasting.

In het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden voor feitelijke samenwonenden bij overlijden geen fiscale gunstmaatregelen, noch inzake gezinswoning noch inzake tarieven. Dit impliceert dat we hier te maken hebben met tarieven die gelden tussen derden. Alles boven de 175.000 euro is belast aan 80%!

Conclusie

Het is niet uitgesloten dat er voor feitelijke samenwonenden bij het einde van de relatie mogelijk een aantal onaangename booby traps liggen te wachten. Een degelijke samenlevingsovereenkomst kan helpen om bij scheiding het leed te verzachten. Het is daarnaast een must om een doordacht testament op te stellen. In het kader van successieplanning is een strategische woonstkeuze essentieel. Voor zij die nog steeds hun twijfels hebben kan het huwelijk een optie zijn .


Bedrijfswagen inruilen voor een groener self-made pakket

Door de goedkeuring van de wet betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, bestaat het mobiliteitsbudget sinds 1 maart 2019. Na de mobiliteitsvergoeding is dit een nieuw initiatief om het klimaat te sparen en de mobiliteit te ontlasten.

Wat is het mobiliteitsbudget?

In een eerder artikel spraken we over de "cash for car"-regeling, waarbij de bedrijfswagen wordt ingeruild voor extra cash. Sindsdien was het wachten op de meer vrije regeling, namelijk het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is een budget dat de werknemer krijgt voor het inruilen van zijn bedrijfswagen. Dit budget wordt berekend op jaarbasis. De werknemer kan dit budget besteden in drie pijlers, namelijk een milieuvriendelijkere wagen; duurzame vervoersmiddelen,  vervoersdiensten en georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en extra loon.

Een milieuvriendelijkere wagen

De eerste pijler waarin een werknemer zijn mobiliteitsbudget kan besteden, is een milieuvriendelijkere wagen. Enerzijds betreft dit een elektrische wagen. Anderzijds kan dit ook een wagen zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • een CO²- uitstoot gelijk of minder dan 105gr per kilometer;
  • de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen mag maximaal evenveel zijn als de geldende norm voor nieuwe voertuigen. Hierop bestaat een uitzondering voor einde reeks modellen;
  • in het geval van een hybride mag de elektrische batterij geen energiecapaciteit van minder dan 0,5 kWh per 100 kg van het wagengewicht;  en
  • de waarde van het voertuig is ten minste gelijk aan de waarde van het voertuig waarover de werknemer vroeger beschikte

Deze wagen zal fiscaal op dezelfde wijze behandeld worden als een “gewone” bedrijfswagen.

Duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen

De tweede pijler bestaat uit duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen. De wet splitst de duurzame vervoermiddelen en-diensten op in twee delen, namelijk de zachte mobiliteit en het openbaar vervoer. De zachte mobiliteit betreft de motorfietsen die enkel elektrisch worden aangedreven en de (elektrische) fietsen, bromfietsen en andere gemotoriseerde rijwielen en voortbewegingstoestellen zoals deze gedefinieerd zijn in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Onder deeloplossingen wordt verstaan carpooling en autodelen, taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur, de huur van maximaal 30 kalenderdagen per jaar van voertuigen zonder chauffeur.

Daarnaast kan de werknemer ook een combinatie van de hiervoor opgesomde duurzame vervoersmiddelen combineren.

Fiscaal is deze pijler zeer voordelig voor een werknemer, want deze is volledig vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.

Extra loon

Zoals reeds gezegd , verkrijgt de werknemer een mobiliteitsbudget op jaarbasis. Indien de werknemer op het einde van het jaar zijn budget niet volledig heeft opgebruikt, verkrijgt hij  het restsaldo als extra loon. Op dit gedeelte loon moet de werknemer geen belastingen betalen. Dit is wel onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Als tegenprestatie geldt dit extra loon wel bij de opbouw van sociale rechten, zoals het pensioen.

Het mag, maar moet niet

Net zoals de mobiliteitsvergoeding, is ook het mobiliteitsbudget een keuze. Eerst en vooral moet de werkgever bereid zijn om het mobiliteitsbudget binnen de onderneming in te voeren. Indien de werkgever hiertoe bereid is, beslist elke werknemer zelf of hij van zijn mobiliteitsbudget gebruik wenst te maken. Niemand kan de werknemer verplichten.

Voorwaarden voor de werkgever

Om in aanmerking te komen voor het mobiliteitsbudget moeten zowel de werkgever als de werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Alvorens de invoering van het mobiliteitsbudget, moet de werkgever onmiddellijk voorafgaand gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden bedrijfswagens aanbieden in zijn ondernemingen. Indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat, geldt deze termijn niet. In dergelijk geval volstaat het dat de werkgever op het ogenblik van de invoering van het mobiliteitsbudget bedrijfswagens aanbiedt.

Voorwaarden voor de werknemer

Net zoals de werkgever dient ook de de werknemer aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Van zodra de werknemer aan deze voorwaarden voldoet kan hij een aanvraag bij zijn werkgever indienen.

Op het ogenblik van de aanvraag moet de werknemer gedurende een ononderbroken termijn van 3 maanden over een bedrijfswagen beschikken. Daarenboven dient de werknemer gedurende 12 maanden in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een bedrijfswagen ter beschikking gesteld gekregen hebben. Ook deze termijnen zijn niet van toepassing indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat.

Indien een werknemer in dienst treedt bij een nieuwe werkgever gelden de hierboven vermelde voorwaarden niet. In dergelijk geval voorziet de wet een specifieke regeling. De werknemer zal in twee gevallen het mobiliteitsbudget bij de nieuwe werkgever kunnen aanvragen. Dit kan wanneer hij bij zijn vorige werkgever reeds een mobiliteitsbudget had gekregen of  bij de vorige werkgever in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 12 maanden over een bedrijfswagen beschikte, waarvan minstens 3 maanden ononderbroken voorafgaand aan de uitdiensttreding.

De derde mogelijkheid bestaat uit de verdere opbouw van de termijn bij de nieuwe werkgever. Dit is mogelijk wanneer de werknemer in een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitdiensttreding beschikte over een bedrijfswagen bij de oude werkgever.

Wat betreft de nieuwe werknemers dienen zij uiterlijk 1 maand na de indiensttreding bij de nieuwe werkgever een aanvraag tot het mobiliteitsbudget of respectievelijk verdere opbouw van termijnen, in te dienen.

Formaliteiten

De werkgever zal aan zijn werknemers moeten meedelen dat de mobiliteitsvergoeding wordt ingevoerd. Indien hij voorwaarden koppels aan de mobiliteitsvergoeding moeten deze ook duidelijk kenbaar gemaakt worden aan de werknemers. Werknemers moeten de aanvraag schriftelijk indienen. De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk aan de betrokken werknemer verstrekt. Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, geldt de aanvraag en de positieve beslissing van de werkgever als overeenkomst. Deze maakt dan inhoudelijk dan deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

Het mobiliteitsbudget laat de werknemer toe een keuze te maken hoe hij zijn "bedrijfswagen" zelf invult. Op deze manier probeert de overheid te keuze voor milieuvriendelijkere wagens en alternatieven te stimuleren en de mobiliteitsproblematiek aan te pakken.

Wenst u het mobiliteitsbudget in te voeren in uw onderneming? Contacteer ons voor meer informatie.


Big Brother is watching you - observatie door de fiscus

Fiscale inspecteurs mogen herhaaldelijk vanop de openbare weg de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige in de gaten houden. Ook de beroepsmatige handelingen die hij met andere belastingplichtige verricht mag de fiscus “observeren”. Dergelijke soort van observatie bevestigt het Hof van Cassatie (14 december 2018).

Zwart circuit in horeca

De zaak in kwestie betrof een grootschalige fraude in de horecasector. Dankzij een tip van een cafébaas bij de fiscus werd een opgezet zwart circuit tussen een drankhandelaar en horeca-uitbaters volledig ontrafeld.

De fiscus zette immers na deze tip haar inspectiediensten in. Na vaststellingen bij diverse klanten van de drankenhandelaar, bevestigden deze het bestaan van een zwart circuit.

Procedureslag

Op basis van de processen verbaal van de fiscale inspecteurs legde de fiscus officieel klacht neer bij het parket. Dit leidde niet alleen tot een strafrechtelijke vervolging van de drankenhandelaar. Maar het leidde ook tot een fiscale procedure bij de afnemers.

De verschillende horeca-uitbaters kregen een bijkomende aanslag in de bus. Eén van die horeca-uitbaters liet het daar niet bij en startte een ware procedureslag.

Strikte voorwaarden observatie uit Wetboek Strafvordering

Artikel 47 sexies WSV voorziet specifieke voorwaarden voor een "observatie". Zo is een observatie - in het strafrecht - meer dan vijf opeenvolgende dagen, of van meer dan vijf niet-opeenvolgende dagen gespreid over een periode van een maand, of een observatie waarbij technische hulpmiddelen worden aangewend. Hiervoor is een machtiging van de Procureur des Konings nodig.

Een van de argumenten van de horeca-uitbater was dat de fiscale ambtenaren niet beschikten over dergelijke machtiging.

Recht op privacy

Daarnaast riep de café-uitbater ook een schending van zijn privacy (art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in. Volgens dit artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de privésfeer verboden, tenzij daarin bij wet is voorzien en het in een democratische samenleving noodzakelijk is, onder meer in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land.

Beslissing Hof: geen schending

De café-uitbater moet echter tot voor het Hof van Cassatie telkens in het zand bijten. Een observatie in strafzaken is immers géén observatie door de fiscus.

Ook het feit dat de fiscus door eigen observaties gegevens inzamelt in de openbare ruimte om zo de correcte belasting te kunnen heffen, vormt voor Cassatie in beginsel geen schending van de privacy van de belastingplichtige. De waarnemingen van de fiscale inspecteurs (in casu het in- en uitladen van drank en leeggoed) was zichtbaar van op de openbare weg en behoort volgens het Hof dus niet tot de privésfeer van de belastingplichtige.

Bron: Cass. 14 december 2018,  F.18.0093.N, Fisc.Act. 2019/02, 5-6.


Buitenlandse voordelen voor werknemers in België

Vanaf 1 maart 2019 is het in België voorbij om vanuit een buitenlandse vennootschap 'onbelast' voordelen toe te kennen aan werknemers in België. Voortaan gelden nieuwe regels inzake de verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing en de verplichte melding op fiches.

Vaak gaat het voordelen in de vorm van aandelenopties ('stock options') of gratis aandelen ('restricted stock units'). Het zijn dergelijke voordelen die niet zelden een behoorlijk financiële gewicht hebben.

Hoe het was

Wanneer in het kader van gepresteerde werkzaamheden een buitenlandse vennootschap voordelen toekent   aan een werknemer in België dan is er in principe sprake van een belastbaar voordeel van alle aard. Onder de oude regels was inhouding van bedrijfsvoorheffing enkel verplicht voor de Belgische werkgever die actief tussenkomt in de toekenning van de buitenlandse voordelen.

In de praktijk kwam de Belgische werkgever echter zelden of nooit tussen en was inhouding van bedrijfsvoorheffing niet aan de orde. Het was vervolgens aan de werknemer om het voordeel aan te geven in de aangifte personenbelasting en zo te laten belasten. Welnu, sommige Belgische werknemers bleken op dat vlak soms 'vergeetachtig'.

Nieuwe fictie: altijd bedrijfsvoorheffing

Om misbruiken uit te schakelen is een nieuwe fiscale fictie in het leven geroepen (art. 270 WIB'92). Alle buitenlandse voordelen of bezoldigingen die een Belgische werknemer ontvangt, n.a.v. zijn beroepsactiviteit, worden geacht toegekend te zijn door de Belgische werkgever wanneer deze verbonden is met de buitenlandse toekennende vennootschap. Opgelet bij werknemers die ook werken buiten België, bijvoorbeeld via een salary split. In dergelijke situatie kan een opsplitsing van het voordeel aan de orde zijn.

De nieuwe regel geldt voor toegekende voordelen of lonen vanaf 1 maart 2019. Het is nu al duidelijk dat problemen kunnen opduiken. Het is perfect mogelijk dat de Belgische werkgever, bijvoorbeeld dochteronderneming van een buitenlandse moeder, niet op de hoogte is van de toegekende voordelen. Vragenrondes bij alle verbonden vennootschappen zijn voortaan standaard procedure. Daarenboven is inhouding van bedrijfsvoorheffing verplicht op het ogenblik van toekenning van het voordeel. In het bijzonder bij gratis aandelen of aandelenopties kan dit voor de werknemer zorgen voor financiële druk. Het is immers niet ondenkbaar dat de ingehouden bedrijfsvoorheffing hoger is dan het maandloon.

Verplichte fiche is het gevolg

De verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing leidt tot de verplichting om fiches op te stellen voor de  voordelen. Voor de Belgische vennootschappen zorgt dit voor meer opvolging en administratieve formaliteiten. In ieder geval geldt de verplichting nog niet voor inkomsten 2018. Voor de voordelen die zijn betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019 is er geen ontsnappen aan. De fiches dienen voor het eerst te worden ingediend voor 1 maart 2020.

Socialezekerheidsbijdragen: welcome in troubled paradise

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft in september 2018 haar instructies aangepast. Volgens het administratief  standpunt zijn socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zodra de toekenning van de voordelen het gevolg is van prestaties die zijn geleverd in het kader van de arbeidsovereenkomst die met de werkgever werd afgesloten of die verband houdt met de functie die de werknemer bij de werkgever uitoefent.

Indien dit standpunt wordt bevestigd door de rechtspraak of er geen nieuwe wetgeving volgt, zullen buitenlandse voordelen in veel gevallen niet ontsnappen aan socialezekerheidsbijdragen. Een bittere pil voor gratis aandelen of aandelenopties toegekend buiten de wet van 26 maart 1999.

Conclusie

De nieuwe regels zijn opnieuw een voorbeeld van reactieve wetgeving. Al dan niet bewuste vergeetachtigheid van sommige belastingplichtigen zorgt nu voor meer administratieve rompslomp voor Belgische vennootschappen. Belgische werkgevers die deel uitmaken van een internationale groep zullen het geweten hebben. Opvolging van buitenlandse voordelen verkregen door hun werknemers in België is voortaan een nieuwe verantwoordelijkheid.


Vrijwilligerswerk: hogere vergoeding voor bepaalde categorieën vrijwilligers

Vrijwilligerswerk betekent voor velen een goede daad verrichten. Voor organisaties zijn deze mensen van waardevol belang. Ondanks het principe dat vrijwilligerswerk onbezoldigd is, mag de organisatie wel een kostenvergoeding toekennen. Laten we hier even dieper op ingaan.

Wat is vrijwilligerswerk?

De Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, oftewel Vrijwilligerswet, omschrijft een vrijwilliger als iemand die zich vrijwillig en onbezoldigd inzet ten behoeve van één of meer personen, van een groep of organisatie die geen winst nastreeft.

Vrijwillig is ongedwongen. Een gemeenschapsdienst, stage of een alternatieve sanctie,… is daarom volgens de wet geen vrijwilligerswerk.

Onbezoldigd is zonder loon. Echter, het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de vrijwilliger een forfaitaire kostenvergoeding kan ontvangen. De Vrijwilligerswet bepaalt de plafonds.

Let op! Activiteiten in eigen privé- of familieverband worden niet aanzien als vrijwilligerswerk.

Kostenvergoedingen 2019

 Voor inkomstenjaar 2019 bedraagt de geïndexeerde forfaitaire kostenvergoeding:

  • maximum 34,71 euro per dag,
  • met een maximum van 1388,40 euro per jaar.

Uitzonderingsregeling

Artikel 12 van de Vrijwilligerswet machtigt de Koning om voor specifieke categorieën van vrijwilligers de plafonds van de forfaitaire kostenvergoeding te verhogen. Hiervan werd nu gebruikt gemaakt.

Op 28 december 2018 is een Koninklijk Besluit gepubliceerd dat de jaargrens van de kostenvergoeding voor bepaalde groepen vrijwilligers optrekt naar maximum 2549,90 euro, in plaats van de gebruikelijke 1388,40 euro. De regeling is van kracht sinds 1 januari 2019.

Wie komt in aanmerking?

De uitzonderingsregel geldt enkel voor volgende categorieën vrijwilligers:

  • de sportsector, zijnde een sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester en seingever bij sportwedstrijden;
  • de nachtoppas, namelijk voor het inslapen bij, alsook de dag-oppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt;
  • in het niet-dringend liggend ziekenvervoer, namelijk voor het liggend ziekenvervoer naar, vanuit en tussen ziekenhuizen of vestigingsplaatsen van ziekenhuizen, dat niet onder het toepassingsgebied van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening valt en volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt.

Voorwaarden

Aan voornoemde uitzonderingsregeling zijn bepaalde voorwaarden verbonden:

  • maximum dagbedrag van 34,71 euro;
  • de onkostenvergoeding is niet combineerbaar met een activiteit die valt onder het verenigingswerk in dezelfde organisatie of voor dezelfde activiteit. Je kan dus niet van twee walletjes eten. Ofwel doe je de activiteit als vrijwilliger, ofwel als verenigingswerker;
  • de regeling voor een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding geldt niet voor vrijwilligers die in de periode waarin ze vrijwilligerswerk verrichten een sociale bijstands- of sociale zekerheidsuitkering ontvangen. Deze uitkeringsgerechtigde vrijwilliger moet zich houden aan een maximum van 34,71 euro per dag met een maximum van 1388,40 euro per jaar, ongeacht welke activiteit hij doet.

Wat met stewards?

In een circulaire van begin 2018 heeft de fiscale Administratie aanvaard dat ten aanzien van stewards bij voetbalclubs, er onder bepaalde voorwaarden, in het geheel geen jaargrens speelt.

Er geldt enkel de grens van 34,71 euro per dag die nu eens “per wedstrijd” en dan weer “per dag” mag worden toegepast.

Nu een steward in de sportsector ook onder de categorie vrijwilligers met een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding valt, stelt zich de vraag of deze administratieve fiscale regeling nog gehandhaafd wordt.

Tot slot enkele fiscale tips

  • Stel als organisatie voor de vrijwilligers geen fiscale fiches op. De fiscus beschouwt de ontvangen bedragen dan als een inkomen, waarop belasting betaald moet worden.
  • Betaal de kostenvergoeding tijdig uit. De fiscus kijkt naar het jaar waarin de vergoeding is gegeven.
  • Overschrijdt de maxima bedragen nooit.
  • Geef geen onkostenvergoedingen per uur. De fiscus zal dit zelden aanvaarden en de maximumbedragen riskeren snel overschreden te worden.