Terugkeerschenking - geef eens een boemerang cadeau

Leven van dag tot dag... Dat is zowat hét motto van de voorbije twee jaar. Die voorzichtigheid, of mogen we het onzekerheid noemen, uit zich ook in onze planningstechnieken. Zo verdient de terugkeerschenking het om even extra in de spotlight te staan. Mogelijk hebt u al eens van het alias van deze schenkingstechniek gehoord: de "boemerang-schenking".

Waarover gaat het?

Donner et retenir ne vaut

Gegeven is gegeven. Het is in de schenkingssfeer niet zo evident om op uw daden terug te komen. Om dit kracht bij te zetten, kenmerken schenkingen zich zelfs door een versterkte onherropelijkheid. De schenker dient zich in principe dadelijk en onherroepelijk te ontdoen van de geschonken zaken en bovendien mag de schenker er niet, rechtstreeks of onrechtstreeks op terugkomen. De enige weg is vooruit; terugkomen op eerdere stappen is not done.

Maar, soms draait de klok wél terug

Het gaat hier dan niet over de hele jaarlijkse discussie over zomer- en winteruur. Neen het gaat erover dat het, onder bepaalde voorwaarden, wél mogelijk is om een schenking terug te draaien. We loodsten u al eerder door de meest gekende manieren om uw schenking aan een herkansing te onderwerpen.

Boemerang - schenking

Bij de terugkeerschenking gaat u de schenking echt als een boemerang inzetten. De toepassingen van deze schenkingsvorm kunnen divers zijn. Een treffend voorbeeld bestaat er uit dat u een bepaald vermogen schenkt, onder de welbepaalde ontbindende voorwaarde dat u op een bepaald moment nog in leven bent. Eenmaal dat moment voorbij is, komt het geschonkene terug naar u en bent u klaar voor het volgende rondje. Wow!? Dat kan dat zomaar?

Stel: u staat aan de vooravond (of neem de tijd gerust iets ruimer, gewoon voor de zekerheid) van een levensbedreigende ingreep. U wil het zekere voor het onzekere nemen en u gaat een schenking organiseren. Indien u de ingreep niet zou overleven, dan is dat alvast geregeld. Maar dan slaat de paniek u om het hart. Wat als ik de ingreep wel overleef? Gegeven was toch gegeven? Dan ben ik alles kwijt! Nee, dat nooit! Naast de andere, in de praktijk gebruikte modaliteiten, zal u de schenking transformeren tot een terugkeerschenking. Dit wil zeggen dat u schenkt onder de ontbindende voorwaarde dat u binnen, bijvoorbeeld, 6 maanden nog in leven bent. We willen op zeker spelen en dus zal de schenking plaatsvinden door middel van een notariële akte en mits betaling van de toepasselijke schenkbelasting.

De ingreep verloopt voorspoedig en u bent klaar voor een zorgeloos leven. U haalt de vooropgestelde 6 maanden zonder moeite. Gevolg: de ontbindende voorwaarde treedt in werking en de schenking wordt van rechtswege ontbonden, alsof ze nooit heeft plaatsgevonden. Het geschonken vermogen komt daardoor, als een boemerang en zonder bijkomende belasting, terug naar uw vermogen.

Hoe vaak komt zo'n boemerang terug?

Enkele vooraanstaande auteurs in de rechtsleer stellen dat dergelijke schenkingstechniek wel wat uithoudingsvermogen heeft. U zou kunnen overwegen om dit systematisch, bijvoorbeeld met tussenposen van 3 jaar, uit te werken.

Allemaal goed en wel, maar wat met de fiscaliteit?

Wanneer de oorspronkelijke schenking onderworpen was aan de schenkbelasting, dan treedt er een bijzonder adagium in werking. U kan zich dan, mits het nauwgezet voldoen aan een aantal voorwaarden, beroepen op het non bis in idem-beginsel. Dit komt erop neer dat u geen 2 keer kan belast worden op het opnieuw uitvoeren van exact dezelfde feitenconstellatie. Wanneer een akte "hermaakt" wordt, dan zal deze vrijgesteld zijn van het evenredig recht.

Opnieuw verrichte rechtshandeling

Dat is de eerste vereiste. In theorie zullen er 3 rechtshandelingen voorhanden zijn, namelijk: het uitvoeren van de oorspronkelijke schenking, de ontbinding van rechtswege van deze schenking en de nieuwe schenking.

De nieuwe rechtshandeling moet van dezelfde aard zijn als de oorspronkelijke handeling. Is de eerste handeling een schenking, dan moet de tweede handeling dat ook zijn. Bovendien moeten beide rechtshandelingen betrekking hebben op exact dezelfde goederen (niet meer en niet minder) en moeten zij afgesloten zijn tussen dezelfde personen, in dezelfde hoedanigheid.

Evenredig recht mag niet vatbaar zijn voor teruggaaf

Wanneer het oorspronkelijk geheven registratierecht vatbaar is voor teruggaaf, kan al het voorgaande uiteraard geen doorgang vinden. Het valt niet te rijmen dat u een vrijstelling krijgt om een dubbele belasting te vermijden, indien u de oorspronkelijk betaalde belasting zou terugkrijgen. Non bis in idem beoogt de effectieve dubbele taxatie van exact dezelfde transactie.

Conclusie

De boemerang - schenking, of de terugkeerschenking, kan zeker perspectieven openen in het licht van uw planning. Echter, enige voorzichtigheid is daarbij wel geboden. Contacteer de juristen van aternio voor advies op uw persoonlijke maat.

Bron:
F. WERDEROY, Registratierechten I, Mechelen, Wolters Kluwer, 2020, nr. 627 e.v., p. 1030 e.v.
N. GEELHAND DE MERXEM, "De ontbinding van een schenking om een nieuwe schenking door te voeren is belastingvrij en geen fiscaal misbruik", LegalNews 13 februari 2020.


Maximale betalingstermijn voor handelstransacties.

De wet betreffende betalingsachterstand van 2 augustus 2002 werd gewijzigd door de strengere wet van 14 augustus 2021. De wetgever poogde met een eerdere wetswijziging in 2020 reeds een sluitend kader door te voeren, maar dit helaas zonder succes. Eerder kondigden we de komst van bijkomende wijzigingen op dit vlak al aan. De nieuwe regeling stelt nu definitief paal en perk aan de achterpoortjes inzake de betalingstermijnen voor handelstransacties. Met enig tromgeroffel kunnen we nu ook stellen dat de inwerkingtreding van de nieuwe wet voorzien is op 1 februari 2022. We zetten de wijzigingen nog even kort in de kijker.

Betalingstermijn

De oorspronkelijke wet van 2 augustus 2002, voorziet een standaard betalingstermijn van 30 dagen voor handelstransacties. Dit impliceert dat, behoudens een onderling andere afgesproken termijn of datum, de betaling van de handelstransactie diende te gebeuren binnen de 30 kalenderdagen.

Maximale betalingstermijn

Weliswaar voorzag de oorspronkelijke wetgeving niet in een maximale betalingstermijn voor handelstransacties. Dit resulteerde erin dat de schuldenaar en de schuldeiser onderling een betalingstermijn konden definiëren die afweek van de 30 dagen. Dit uitte zich in een discripantie tussen kmo's en grote ondernemingen. Deze laatsten kunnen namelijk een langere betalingstermijn voorzien waardoor kmo's het moeilijker krijgen om bij te benen. Om deze ongelijkheid weg te werken werd er een wetswijziging doorgevoerd in 2020. Deze doelde een einde te maken aan de vrije betalingstermijn en legde daarom een maximale betalingstermijn op van 60 kalenderdagen.

Het achterpoortje

Toch was er voor de creatieve grote ondernemer een achterpoortje te vinden om ook de maximale betalingstermijn van 60 dagen te verlengen. Zo werd de controle- en verificatietermijn voor de geleverde goederen en/of diensten vaak gesommeerd met de maximale betalingstermijn van 60 dagen. Hierdoor kwam de finale maximale betalingstermijn neer op 90 kalenderdagen.

Wet 14 augustus 2021 stelt paal en perk aan achterpoortje

Dit heeft andermaal geleid tot een nieuwe wetswijziging die beoogt nogmaals stringenter op te treden door de betalingstermijn te herformuleren. Vanaf 1 februari 2022 kan de betalingstermijn nooit langer zijn dan 60 kalenderdagen, ongeacht de controle- en verificatietermijn. Dit impliceert dat, wanneer er een verificatietermijn geldt, deze integraal deel uitmaakt van de maximale 60 kalenderdagen.

We geven graag nog even ter info dat het in een aantal specifieke sectoren mogelijk is dat de schuldeiser en de schuldenaar een langere betalingstermijn afspreken. Echter dient deze afwijking formeel mogelijk gemaakt te worden door middel van een Koninklijk Besluit.

Indien de schuldenaar en schuldeiser toch een betalingstermijn van meer dan 60 dagen overeenkomen, dan acht de wetgever dit als niet-geschreven. In dat geval geldt standaard de 30 kalenderdagen.

Termijn overschreden, wat nu?

Indien de afgesproken betalingstermijn toch wordt overschreden, kan de schuldeiser een interest aanrekenen van 8,00% (voor 2021) op het openstaande bedrag. Daarbovenop kan de schuldeiser nog een vergoeding van de schuldenaar eisen ten bedrage van 40 euro voor de invorderingskosten.

Conclusie

Kortom, vanaf 1 februari 2022 ligt de maximale betalingstermijn voor handelstransacties vast op 60 kalenderdagen. De controle- en verificatietermijn maken vanaf dan namelijk integraal deel uit van de betalingstermijn. Een betalingsachterstand resulteert in het betalen van een interest en een eventueel een bijkomende forfaitaire vergoeding van 40 euro.

Neem alvast even uw algemene verkoopsvoorwaarden bij de hand, om na te gaan of u vanaf 1 februari 2022 nog in overeenstemming bent met deze wetswijziging.

Nog verdere vragen of bezorgdheden? Contacteer gerust aternio, wij staan klaar om u verder te helpen.

 


Love thy neighbour as thyself. Burenhinder in het nieuwe goederenrecht.

Het leerstuk van de burenhinder heeft met de invoering van het nieuwe goederenrecht onderdak gekregen in het  Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel in de praktijk de irritaties die potentieel de kop opsteken tussen buren legio zijn, was een specifieke regeling feitelijk onbestaande. Met de komst van het nieuwe goederenrecht verkrijgt de vordering uit hinder die buren van elkaar ondervinden, nu ook een specifieke plaats in de wet.

Terugblik

Wie het aan de stok had met zijn buur, diende terug te vallen op de evenwichtsleer die volgt uit de rechtspraak en op de wettelijke definitie van eigendom.

Artikel 544 oud BW:

"Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of de verordeningen."

Deze bepaling was echter niet bepaald ideaal voor het verhelpen van burenhinder. Deze bepaling werd eerder gebruikt in de volgende zin: de uitoefening op volstrekte wijze van het ene eigendomsrecht eindigt waar de volstrekte uitoefening door de ander begint.

Bovendien diende de vordering tot schadevergoeding gesteld te worden op basis van de buitencontractuele aansprakelijkheid, hetgeen een fout in hoofde van de buur veronderstelt. Het is nochtans perfect mogelijk uw buur te hinderen, zonder daarbij wetten of verordeningen te schenden.

Om hieraan tegemoet te komen heeft het Hof van Cassatie, met haar schoorsteen- en kanaalarresten, de evenwichtsleer in het leven geroepen. Een eigenaar van een onroerend goed die door een niet-foutief feit het evenwicht verbreekt door aan zijn buur een stoornis op te leggen die de gewone nabuurschapsnadelen overschrijdt, is een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd ter herstelling van het evenwicht.

Hoewel deze creatie van een foutloze aansprakelijkheid op basis van de loutere omschrijving van het eigendomsrecht vaak aan kritiek onderhevig was, vond deze toch haar doorgang in quasi alle rechtbanken. Het is dan ook deze rechtspraak die aan de basis ligt van de voortaan wettelijk geregelde burenhinder.

Bestendiging van de evenwichtsleer

Artikel 3.101 van het nieuwe BW vormt de wettelijke basis voor de vorderingen inzake burenhinder.

Volgende elementen zijn daarbij essentieel:

1. Het moet gaan om naburige eigenaars.

Hierbij dienen meteen drie zaken genuanceerd te worden.

Nabuurschap vereist niet dat beide onroerende goederen onmiddellijk aan elkaar grenzen. Hinder uit nabuurschap kan perfect ook ontstaan ingevolge een onroerend goed dat 'in de omgeving' gelegen is.

Bovendien gaat het nieuwe goedererecht uit van een driemensionale opvatting van het onroerend goed. Het gaat dus niet alleen om twee naast elkaar gelegen gronden. Ook de eigenaar van een nutsleiding onder de grond kan als uw buur kwalificeren.

Tenslotte is de vordering uit hoofde van bovenmatige burenhinder niet exclusief voorbehouden aan de eigenaar. Ook de hinderlijke buur hoeft niet steeds de eigenaar van het onroerend goed te zijn. Elkeen die door een zakelijk of persoonlijk recht over een attribuut van het eigendomsrecht beschikt, kan een vordering op grond van burenhinder instellen of tegen zich gericht krijgen. Een burengeschil tussen de huurder van een woning en de erfpachter van een grond in de buurt kan dus perfect.

2. De hinder moet bovenmatig zijn.

Om de bovenmatigheid van de hinder te beoordelen, heeft de wetgever zelf al een aantal richtlijnen voorzien. Onder andere het tijdstip, de frequentie en de intensiteit van de hinder, de eerstingebruikneming of de publieke bestemming van het onroerend goed kunnen daarbij van belang zijn. Zo zal nachtelijke hinder doorgaans vaker als bovenmatig gekwalificeerd worden.

Belangrijk principe is dat het bestaan van bovenmatige hinder niet per sé vereist dat er materiële schade is. Hinder kan bijvoorbeeld ook voortvloeien uit het wegnemen van zonlicht.

Voormelde opsomming geldt louter als voorbeeld. De rechter kan soeverein beoordelen in welke mate de hinder bovenmatig is en kan dus ook met andere factoren zoals de privacy rekening houden. Dat uw buur daarentegen werkelijk lichtgeraakt is, is hier niet van belang.

3. De hinder moet toerekenbaar zijn.

Deze vereiste komt erop neer dat de hinder het gevolg moet zijn van een daad, verzuim of gedraging van de hinderverwekkende buur. Het volstaat dus niet dat de buur louter bewaarder is van het onroerend goed.

De hinder zal echter vaak  voortkomen uit werken die een buur op zijn perceel laat uitvoeren door derden. Ook hiervoor voorziet de wet in een oplossing: als er hinder ontstaat door werken waarvoor men de toelating heeft gegeven, wordt deze hinder geacht toerekenbaar te zijn aan de opdrachtgever.

4. Compensatie

Het principe dat de schadevergoeding niet bestaat uit een volledig wegnemen van de hinder, maar louter uit het terugdringen van het bovenmatig karakter ervan blijft behouden. De wetgever verleent hiervoor aan de rechter drie instrumenten:

  • een geldelijke compenserende vergoeding met als nadeel dat de hinder  op zich wel verder blijft bestaan;
  • een geldelijke vergoeding van de compenserende maatregelen doch dit kan enkel als door die maatregelen niet opnieuw een onevenwicht ontstaat;
  • een bevel tot staking van de hinderverwekkende handeling.

Preventief optreden

Het is echter ook denkbaar dat de hinder (die doorgaans van de overheid komt) nog niet bestaat maar dat er wel een noodzaak bestaat om deze preventief een halt toe te roepen.

Stel dat er op het achtergelegen terrein een windmolenpark vergund wordt. De omliggende erfeigenaars maken zich zorgen over het geluid, de slagschaduw, het wegnemen van het zonlicht, ... Het is reeds lang onbetwist dat het hebben van een vergunning de hinder niet rechtvaardigd. Een vergunning wordt namelijk steeds uitgereikt onder de verplichting om deze uit te oefenen binnen de grenzen van de wet.

De wetgever heeft nu echter ook een preventieve vordering in het leven geroepen in artikel 3.102 BW.

Indien de hinder bestaat uit ernstige en manifeste risico's inzake veiligheid, gezondheid of vervuiling dan kan de buur preventieve maatregelen vorderen teneinde te verhinderen dat het risico zich realiseert.

In een notendop

Onder het nieuwe goederenrecht verkrijgt ook de leer inzake burenhinder een concrete wettelijk grondslag. Voorwaarden voor een succesvolle vordering zijn 1) het nabuurschap 2) het bovenmatig karakter en 3) de toerekenbaarheid van de hinder. Dergelijke vordering strekt echter niet tot het volledig wegnemen van de hinder. Deze geeft enkel recht op een compensatie alsof de hinder wel tot een normaal niveau beperkt was. Ook preventieve maatregelen ter voorkoming van burenhinder kunnen afgedwongen worden.

Slapeloze nachten ten gevolge het gedrag van uw buren? Zelf het plan opgevat om ingrijpende en misschien wel hinderlijke werken uit te voeren? Contacteer ons.


Doorprikt het erfrecht de feitelijke vereniging?

Recent werd de vraag gesteld of de fiscus erfbelasting kan heffen bij het overlijden van een lid van een feitelijke vereniging. Die vraag is ook niet verwonderlijk, aangezien een feitelijke vereniging wel effectief over een vermogen kan beschikken. Echter, daar waar het woord "vermogen" valt, daar zal ook de fiscus plots verschijnen. De meningen over het al dan niet verschuldigd zijn van erfbelasting, zijn echter verdeeld. We zetten de meest recente ontwikkelingen graag even voor u uiteen.

Feitelijke vereniging - definitie en praktijk

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV) definieert de feitelijke vereniging in artikel 1:6 als "een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid beheerst door de overeenkomst tussen partijen".
In die definitie zijn 2 begrippen van belang: het begrip "(zonder) rechtspersoonlijkheid" en het begrip "overeenkomst".

Overeenkomst

Vanaf wanneer komt een overeenkomst tot stand? Van zodra 2 of meer mensen een akkoord over een bepaald doel hebben, kan het al snel zo ver zijn. Laat ons verduidelijken met een voorbeeld. Vier vrienden zijn fervente sporters en helemaal bezeten van padel. Ze geven hun groepje een leuke naam en reserveren hun terrein bij de padelclub voortaan ook onder die naam. Ze leggen een groepspot aan om iets te drinken achteraf en als er iets van overschot is, dan kunnen ze er later iets leuks mee doen. Dit lijkt allemaal vrij onschuldig (en dat is het in feite ook), maar op dat moment bent u dus wel deel van een feitelijke vereniging.

Stel nu dat het enthousiasme van de vier vrienden zo aanstekelijk is, dat er nog meer gelijkgestemden willen "aansluiten" bij hen. Ze zouden dan misschien eigen kleine toernooitjes kunnen organiseren en... de ideeën swingen de pan uit. Ze vragen een kleine inbreng van alle deelnemers en kunnen zo wat extra's aanbieden.

Het hoeft geen betoog dat de, net gecreëerde, feitelijke vereniging al snel over bepaalde middelen zal beschikken. Denk hierbij aan een bankrekeningnummer of materialen. In het net aangehaalde voorbeeld zal dat "vermogen" nog wel meevallen. Maar er zijn ook andere groepsinitiatieven te bedenken, die als feitelijke vereniging wél over een aanzienlijk vermogen zullen beschikken.

Geen rechtspersoonlijkheid

Door het gebrek aan rechtspersoonlijkheid vormen de middelen van de feitelijke vereniging geen apart vermogen. Het wordt geacht om de onverdeelde eigendom van de delen van de feitelijke vereniging te zijn. De leden van de feitelijke vereniging kunnen daarop in principe geen eigendomsrecht claimen; zij krijgen daarvoor in ruil een onlichamelijk recht op deelname in het vermogen.

Erfbelasting?

In wat voorafgaat hebben we al vastgesteld dat er geen rechtspersoonlijkheid en dus ook geen afgescheiden vermogen is. Er is dus, als het ware, een onverdeeld eigenaarschap tussen de leden van de feitelijke vereniging ontstaan. Wat nu als een lid komt te overlijden. Moeten de erfgenamen aangifte doen van de deelname in de feitelijke vereniging en het "aandeel" van de overledene daarin? Of kan dit buiten schot blijven, gegeven de doelgebonden bestemming van het vermogen van de feitelijke vereniging?

Het antwoord op voornoemde vraag is genuanceerd.

Federaal standpunt

Op federaal niveau wordt als regel gesteld dat er effectief aangifte dient te gebeuren. Indien een lid van een feitelijke vereniging overlijdt, dan moeten de erfgenamen alle rechten van die persoon opnemen in de aangifte van nalatenschap. Ook indien het gaat om activa en passiva van een feitelijke vereniging. Het overlijden van een lid van een feitelijke vereniging zal, in deze stelling, dus effectief aanleiding geven tot erfbelasting.

Dit lijkt echter niet geheel te stroken met artikel 2.7.1.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat stelt dat er pas rechten worden geheven op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden. Met andere woorden: indien de overeenkomst tussen de leden van de feitelijke vereniging (dus de statuten) niet bepalen dat de vereniging stopt bij het overlijden van een lid en/of dat er in dat geval een vergoeding of verdeling zal plaatsvinden, dan is er toch ook geen overgang ingevolge het overlijden? Hoe kan er dan erfbelasting verschuldigd zijn?

Anders is het, uiteraard, indien de overeenkomst houdende feitelijke vereniging wel stelt dat de vereniging een einde neemt ingevolge een overlijden of dat er een vergoeding/verdeling zal plaatsvinden op dat moment. Dan is het uiteraard duidelijk. Op dat moment komt er effectief iets in het vermogen terecht, naar aanleiding van het overlijden en zal er effectief melding moeten worden gemaakt in de aangifte van nalatenschap.

Vlaams standpunt

Recent is een soortgelijke vraag ook op het Vlaamse niveau bekeken. De Vlaamse minister van Financiën stelt dat er in de aangifte van nalatenschap enkel melding moet worden gemaakt van de bankrekeningen waarvan de overledene eigenaar was op het moment van overlijden. In het geval van een feitelijke vereniging, staan de gelden op de zichtrekening op naam van de feitelijke vereniging. De verrichtingen op die rekening gebeuren via een gevolmachtigde. Het moge ook duidelijk zijn dat een gevolmachtigde absoluut niet hetzelfde is dan een eigenaar.

Bij wijze van conclusie kan men dan ook stellen dat de gelden in kwestie toebehoren aan de feitelijke vereniging en niet aan de erflater zelf. Bijgevolg kan er dus ook geen erfbelasting op verschuldigd zijn. Mocht de financiële instellingen een andere mening toegedaan zijn, dan kunnen de betrokken erfgenamen met alle middelen (met uitzondering van de eed) bewijzen dat dit niet zo is.

Conclusie

De beide standpunten vertrekken vanuit een andere premisse en dus komt het in zekere zin neer op het vergelijken van appelen met peren. Daar waar de federale minister het vooral heeft over het aandeel van de overledene in de feitelijke vereniging, gaat de Vlaamse minister eerder in op de volmacht op de zichtrekening.

Het louter lid zijn van een feitelijke vereniging lijkt, an sich, geen aanleiding te geven tot erfbelasting. Er moet minstens een uitkering, of althans een recht op overgang van een deel van het vermogen van de feitelijke vereniging, ontstaan door het overlijden. Anders kan er geen belasting plaatsvinden. Enkel een grondige analyse van de statuten zal hierover uitsluitsel kunnen geven.

aternio leest graag even met u mee. Contacteer onze juristen voor een screening van de statuten van uw feitelijke vereniging.


Nieuwe afstandsregels beplantingen en snoeiing van overhangende takken doorstaan grondwettelijke toetsing.

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek houdende het nieuwe goederenrecht omvat een nieuwe regeling inzake de afstand van beplantingen en het rooien of snoeien van overhangende takken en doorschietende wortels. De voorgaande regeling in het Veldwetboek werd hierdoor opgeheven. Het Grondwettelijk Hof heeft het vernietingsberoep van een aantal natuurorganisaties bij arrest dd. 21 oktober 2021 afgewezen.

Situering

Voorheen waren de regels over de afstanden van beplantingen en overhangende takken opgenomen in het Veldwetboek. Het openbaar domein viel echter niet onder de toepassing van deze regels.

De nieuwe regels staan voortaan in artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek en luiden als volgt:

Art. 3.133. Afstanden van beplantingen

"Alle beplantingen moeten minimaal op de hierna bepaalde afstanden van de perceelsgrens staan, tenzij indien partijen hierover een contract hebben gesloten of indien de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan.

De in het eerste lid bedoelde afstand bedraagt voor bomen die minstens twee meter hoog zijn, twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de andere bomen, struiken en hagen een halve meter. De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van de beplantingen die op een kortere afstand zijn aangebracht, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. De nabuur kan zich evenwel niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de eigenaar het recht deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken."

Art. 3.134. Overhangende takken en wortels

"Indien een eigenaar van beplantingen waarvan de takken of wortels doorschieten over de perceelsgrens, nalaat de doorschietende takken of wortels te verwijderen binnen zestig dagen na een ingebrekestelling per aangetekende zending van de nabuur, kan deze laatste eigenmachtig, op kosten van de eigenaar van de beplantingen, deze takken of wortels wegsnijden en zich toe-eigenen.

Als de nabuur het doorschietende zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. Het recht om de verwijdering te eisen, kan niet uitdoven door verjaring.

Vruchten die op natuurlijke wijze van de bomen op een aanpalend onroerend goed vallen, behoren toe aan degene die het genot van dit laatste onroerend goed heeft."

Voornaamste vernieuwing van deze regeling bestaat in het feit dat:

  1. openbare domeingoederen niet uitgesloten zijn;
  2. de nabuur niet enkel de rooiing maar voortaan ook de snoeiing kan vragen;
  3. dit mogelijk is zodra de afstandsregels niet werden nageleefd los van het leerstuk van de bovenmatige burenhinder;
  4. de nabuur bij gebreke aan spontane remediëring zelf tot actie mag overgaan.

Aangevoerde middelen tot vernietiging

Vlak na de inwerkingtreding van het nieuwe goederenrecht op 1 september 2021 hebben een aantal natuurverenigingen de krachten gebundeld. Zij dienden quasi meteen een verzoekschrift tot nietigverklaring van de nieuwe regeling in.

Hun argumentatie is samen te vatten in de volgende drie middelen:

  1. De nieuwe (federale) regeling schendt de bevoegdheidsregels omdat zij inwerkt op de gewestelijke bevoegdheid inzake de inrichting en het beheer van het openbaar domein;
  2. Er wordt geen onderscheid gemaakt  naargelang de perceelsgrens zich tussen twee private percelen bevindt, dan wel één van die percelen tot het openbaar domein behoort terwijl het onderscheid tussen privaat en openbaar domein wel een onderscheid rechtvaartigt;
  3. Er is geen overgangsregeling voorzien. Hierdoor kunnen naburen onmiddellijk zelf tot snoeiing van overhangende takken overgaan. Zij kunnen ook de rooiing van verkeerd op het openbaar domein geplaatste bomen vragen. Dit alles zelfs als die takken of bomen er al van voor de inwerkingstreding van het nieuwe goederenrecht waren;
  4. De nieuwe regeling brengt een aanzienlijke achteruitgang in de grondwettelijke bescherming van een gezond leefmilieu met zich mee. Deze achteruitgang is niet te verantwoorden vanuit het algemeen belang.

Beoordeling

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat geen van voormelde argumenten kan overtuigen.  Het Hof heeft het verzoek tot vernietiging van de nieuwe regeling afgewezen. Zij overwoog daarbij het volgende:

Bevoegdheidsregels

Wat de bevoegdheidsverdeling betreft, wijst het Hof op de algemene bevoegdheid van de federale overheid inzake het burgerlijk recht. De federale overheid is bevoegd, ongeacht het feit of andere overheden in het kader van hun bevoegdheden eveneens maatregelen inzake de materie kunnen nemen. De federale overheid moet er wel over waken dat zij de uitoefening van de gewestbevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt.

Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is. Het nieuwe goederenrecht voorziet niet in een afbreuk aan bijzondere bepalingen, van toepassing op bepaalde goederen. De gewesten kunnen dus nog steeds specifieke bepalingen aannemen die afwijken van de algemene regeling voorzien in het nieuwe boek 3.

Bovendien vestigt het Hof de aandacht op het feit dat ook artikel 3.133 en 3.134 zelf in bescherming voorzien. De regeling vindt slechts toepassing op domeingoederen "in de mate dat zulks aan de openbare bestemming van het goed niet in de weg staat". In die zin beschermt de wet de domeingoederen al op zichzelf, zonder dat specifieke beschermingsmaatregelingen van de gewesten vereist zijn.

Onderscheiden regeling naargelang privaat dan wel openbaar domein

Hierover overweegt het Hof dat ook hier de artikelen 3.133 en 3.134 zelf wel degelijk rekening houden met het verschil tussen openbare domeingoederen en andere goederen. Er dient namelijk eerst te worden nagegaan of "zulks aan de openbare bestemming van dat goed in de weg staat". Enkel wanneer dit niet het geval is, moeten de op de openbare domeingoed aangebrachte beplantingen de minimale afstanden respecteren. Alleen dan kan een nabuur recht doen gelden op de snoeiing of rooiing.

Bovendien moet, wannneer de rooiing of snoeiing wordt gevorderd, de rechter nog steeds nagaan of er geen sprake is van rechtsmisbruik. De rechter dient hierbij met alle omstandigheden en dus ook met het algemeen belang rekening te houden.

Gebrek aan overgangsregeling

Het Hof hekelt hier de verkeerde lezing van de overgangsbepalingen. De nieuwe regeling is namelijk slechts van toepassing op de rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na 1 september 2021. Het aanbrengen van beplantingen kwalificeert als dergelijk rechtsfeit.

Aangezien de nieuwe regeling wel degelijk enkel "nieuwe" beplantingen viseert, is het niet onrechtvaardig dat deze regeling onmiddellijk uitwerking krijgt.  Evenmin dat de oude regels uit het Veldwetboek onmiddellijk werden opgeheven. De oude regels blijven namelijk van toepassing op de beplantingen die voor 1 september 2021 werden aangebacht.

Bescherming leefmilieu

Vroeger konden naburen die zich benadeeld voelden door beplantingen op het openbaar domein slechts de rooiing verkrijgen indien dit abnormale burenhinder uitmaakte. Vandaag zou dit al kunnen zodra vaststaat dat de afstandsregels niet gerespecteerd zijn. Dit zou leiden tot een verlies aan openbaar groen terwijl dit grondwettelijke bescherming geniet. Eenieder heeft namelijk recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.

Het Hof volgt deze redenering niet:

  1. Zij herhaalt dat de nieuwe regeling enkel toepassing vindt op openbare domeingoederen voor zover zulks de openbare bestemming van het goed niet in de weg staat. Dit zal doorgans wel het geval zijn bij bermbeplantingen.
  2. Als de openbare bestemming de regeling wel toelaat, dan is er nog steeds de bescherming van het verbod op rechtsmisbruik.
  3. Bovendien mag de nabuur zelfs wanneer voldaan is aan voormelde voorwaarden niet zonder meer zelf tot snoeiing of rooiing overgaan. Hij is verplicht de eigenaar van het naburig perceel eerst in gebreke te stellen. Men kan zelf slechts tot actie overgaan na een wachttermijn van 60 dagen. De overheid beschikt dus over een redelijke termijn om zich voor de rechtbank hiertegen te verzetten.

Conclusie

Samengevat oordeelt het Hof dat het nieuwe goederenrecht voldoende bescherming biedt aan het openbaar domein. Het gaat niet om een toelating tot het zonder meer wildkappen door ontevreden naburen van reeds lang verkeerd geplaatste bomen of overhangende takken van openbare percelen. Anderzijds brengt de nieuwe regeling ook voor de private nabuur enige versoepeling met zich mee. Hij hoeft namelijk niet langer aan te tonen dat hij abnormaal gehinderd wordt door deze beplantingen. Wanneer ze op een verkeerde afstand van zijn perceel staan kan hij een vordering instellen. Deze vordering kan succesvol zijn indien:

  1. hiermee de openbare bestemming van het openbaar perceel niet in het gedrang komt;
  2. het verzoek tot rooiing of snoeiing geen rechtsmisbruik uitmaakt.

In welke mate deze in se kleine versoepeling tot een ware toestroom aan dergelijke vorderingen zal leiden, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Contacteer ons gerust indien u hierover meer wil weten.

 


Kwijtschelding restschulden: neem je tijd (maar haast je toch wat)

Wanneer je als ondernemer een faillissement ondergaat, is dat een zeer ingrijpende en indrukwekkende "belevenis". Het is iets wat je liefst zo snel mogelijk achter je laat. Indien aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, kan de rechtbank bovendien de restschulden kwijtschelden. De gefailleerde ondernemer had, tot voor kort, 3 maanden de tijd om die kwijtschelding aan te vragen. Na voornoemde termijn is die optie sowieso van de tafel. Het Grondwettelijk Hof heeft toch bedenkingen bij dat "hakbijl-moment".

A trip down memory lane

Voor 1 mei 2018 kon iemand die een faillissement had ondergaan verschoonbaar verklaard worden. Dat wil zeggen dat men de nog openstaande schulden, na afrekening van het faillissement, opschort.

Medio 2017 werd het Wetboek Economisch Recht echter uitgebreid met een Boek XX. Daarin voerde men de kwijtschelding in, ter vervanging van de verschoonbaarheid. Hierdoor kan de gefailleerde van een totale kwijtschelding van de nog openstaande schulden genieten. Die kwijtschelding geldt trouwens niet alleen voor de gefailleerde zelf, maar ook voor diens medeschuldenaars.

Voorwaarden voor kwijtschelding

De kwijtschelding van restschulden is aan een aantal voorwaarden verbonden. Zo kan dit enkel voor natuurlijke personen, die effectief failliet verklaard zijn. De regeling van de kwijtschelding is met andere woorden niet mogelijk voor vennootschappen.

De gefailleerde dient om de kwijtschelding te verzoeken, bij de bevoegde ondernemingsrechtbank. Die zal de kwijtschelding toestaan, indien niemand er bezwaren bij heeft. Wie zou er dan zo bezwaar kunnen hebben? Het openbaar ministerie is daarin een belangrijke factor. Indien er kwade trouw aan de basis ligt of er zijn kennelijk grove fouten begaan, zullen zij een stok in de wielen proberen steken. Het is ook mogelijk dat belanghebbende derden bezwaar uiten.

De gefailleerde had thans slechts een periode van 3 maanden om de kwijtschelding aan te vragen. Na die termijn van 3 maanden kon geen aanvraag meer ingediend worden en zonder aanvraag, geen kwijtschelding! Jammer maar helaas.

Grondwettelijk Hof 22 april 2021

Het Grondwettelijk Hof werd in april 2021 aangezocht om zich uit te spreken over de gevolgen van een laattijdige indiening van een aanvraag tot kwijtschelding.

Het Hof vindt in de voorbereidende werken van de wetgeving geen motivering voor het feit dat die termijn van 3 maanden een echte vervaltermijn is. Vervolgens kijkt het Hof naar de ratio legis van de regels: wat wil de wetgever hiermee beogen? De verschoonbaarheid is vervangen door de kwijtschelding om het "tweedekansondernemerschap" te bevorderen. Het Hof stelt dan ook, ons inziens terecht, de vraag hoe een hakbijl-termijn dergelijke doelstelling kan stimuleren?

Tenslotte argumenteert het Hof dat de voorliggende vervaltermijn gedurende de hele procedure van het faillissement irrelevant is. Want, belanghebbenden kunnen zich bijvoorbeeld al vanaf het faillissementsvonnis verzetten tegen de kwijtschelding, ook al heeft de gefailleerde er op dat moment nog niet om verzocht. Het tijdstip van het verzoek tot kwijtschelding heeft trouwens ook geen invloed op het beheer van de boedel, noch op de aangifte/verificatie van schuldvorderingen of op de vereffening van het faillissement.

Conclusie

Het Grondwettelijk Hof heeft als conclusie gesteld dat de gevolgen van het overschrijden van de termijn, onevenredig staan tegenover de doelstelling van de wetgever. Een wetgevend initiatief dringt zich bijgevolg op. Tot zolang dat er niet komt, kan de bepaling over de kwijtschelding van schuld niet meer toegepast worden. Bijgevolg geldt ook de vervaltermijn van 3 maanden (voorlopig) niet meer. De vraag is nu hoe de wetgever dit gaat aanpakken. Wordt ongetwijfeld spoedig vervolgd...

aternio begeleidt ondernemers in goede en slechte tijden.


Voortaan minder risico op monsterboeten

U heeft wellicht ooit al iets gehoord over de zogenaamde 'aanslag geheime commissielonen', beter bekend als de 'monsterboete'.
Wanneer bijvoorbeeld lonen of bepaalde vergoedingen door de uitkerende vennootschap niet zijn vermeld op een fiscale fiche, kan zij worden gesanctioneerd door een aanslag geheime commissielonen.

De wet van 27 juni 2021 (B.S. 30 juni 2021) versoepelt nu de voorwaarden om aan de toepassing van deze bijzondere aanslag te kunnen ontsnappen.

Ficheplicht

In principe zijn kosten voor een onderneming pas fiscaal aftrekbaar wanneer zij door de nodige bewijsstukken zijn verantwoord.

Voor lonen en voordelen alle aard toegekend aan werknemers of bedrijfsleiders en vergoedingen toegekend aan zelfstandige verkrijgers (commissies, makelaarslonen) geldt zelfs een bijzondere ficheplicht.

Vennootschappen moeten deze fiches jaarlijks opmaken en indienen bij de fiscus. Op die manier kan de fiscale administratie nagaan of de uiteindelijke verkrijgers van de vergoedingen deze ook correct hebben aangegeven.

Aanslag geheime commissielonen

Wanneer de vennootschap echter niet heeft voldaan aan voornoemde ficheverplichting kan zij worden onderworpen aan een aanslag geheime commissielonen. De vergoedingen worden daarbij afzonderlijk belast bij de uitkerende vennootschap.

Het tarief van de bijzondere aanslag bedraagt op vandaag 100% wanneer de verkrijger een natuurlijke persoon is, en 50% wanneer de verkrijger een rechtspersoon is (voorheen was dit 309% !).

Ontsnappingsroutes

De wet voorzag echter in 2 ontsnappingsroutes.

Ten eerste is de monsterboete niet verschuldigd wanneer de verkrijger van lonen of voordelen ze aangegeven heeft (art. 219, lid 5 WIB 92).

Daarnaast is de monsterboete evenmin verschuldigd wanneer de fiscus de genieter van de lonen of voordelen 'tijdig en op ondubbelzinnige wijze' kan identificeren (art. 219, lid 6 WIB 92). (De fiscus hoeft de bedragen nog niet effectief te hebben belast.)

De identificatie is 'tijdig' wanneer dit uiterlijk gebeurt binnen 2 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari van het betrokken aanslagjaar.

Wanneer de fiscus de verkrijger identificeerde buiten deze periode, dan kon de fiscus bij de vennootschap alsnog een aanslag geheime commissielonen opleggen, ook had er een belasting plaatsgevonden bij de verkrijger.

Dit heeft de wetgever nu aangepast.

Nieuwe wetgeving versoepelt ontsnappingsroute

De fiscus mag de bijzondere aanslag voortaan ook niet meer opleggen - na de periode voor ondubbelzinnige identificatie  -  wanneer de binnenlandse verkrijger akkoord gaat met de belasting in zijn hoofde. Die belasting kan binnen de gewone aanslagtermijn van 3 jaar of de bijzondere termijn van 7 jaar bij fraude.

Conclusie

De aanslag geheime commissielonen heeft al sinds haar invoering de gemoederen beroerd. Zowel het tarief als de concrete toepassing ervan werd door de belastingplichtigen telkens als zéér onredelijk aangevoeld. Ook de fiscale wetgever heeft dit uiteindelijk erkend, getuige de laatste wetswijziging. De monsterboete is voortaan de uitzondering in plaats van de regel.

aternio gidst u doorheen de fiscale jungle. Toch twijfels of vragen: contacteer ons.


Weg ermee! Geen dubbele erfbelasting op buitenlandse goederen

Niemand betaalt graag dubbel. Dat is zo in het dagelijkse leven en dat is dus niet anders wanneer het over bijzondere gebeurtenissen gaat zoals een overlijden. In deze bijdrage gaat het specifiek over de erfbelasting naar aanleiding van het overlijden van iemand met fiscale woonplaats in België die goederen bezit in het buitenland.

Het is al jarenlang een wettelijke regel dat erfgenamen in principe geen Belgische erfbelasting moeten betalen op buitenlandse onroerende goederen. Meer bepaald kan de erfbelasting die betrekking heeft op de buitenlandse onroerende goederen, verminderd worden met de buitenlandse erfbelasting op deze goederen. Voor roerende goederen (aandelen, bank- en effectenrekeningen, ...) was er geen regeling voorzien. Het Grondwettelijk Hof heeft daar nu, in een arrest van 3 juni 2021, evenwel paal en perk aan gesteld. Onderscheid maken in belastbaarheid tussen buitenlandse onroerende en roerende goederen is ongrondwettig.

Een beetje geschiedenis inzake internationale erfbelasting

De wet van 10 augustus 1923 heeft een successieregel ingevoerd om dubbele erfbelasting te vermijden. Echter, in die wetgeving ging het enkel over dubbele belasting op onroerende goederen. Meer specifiek kan men de belasting die in het buitenland betaald werd op onroerende goederen, verrekenen met de in België verschuldigde erfbelasting op deze buitenlandse onroerende goederen. Weliswaar mits het voldoen van de cruciale voorwaarde dat de erfbelasting ook daadwerkelijk in het buitenland is betaald. De erfgenamen bewijzen dit aan de hand van een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs, een afschrift van de buitenlandse aangifte en een berekening van de buitenlandse belasting.

Raar maar waar, over roerende goederen wordt in een Belgische context met geen woord gerept. Wat niet uitsluit dat er in het andere land geen vermindering zou kunnen zijn van de in België verschuldigde erfbelasting.

Daar is het Grondwettelijk Hof

Bijna honderd jaar na de wet van 1923 heeft het Grondwettelijk Hof de rug gerecht en uitspraak gedaan over het redelijk en objectief verantwoord karakter van dit verschil in behandeling.

De feiten

Een man is Belgisch rijksinwoner, maar overlijdt in Spanje. De erfgenamen dienden Belgische en Spaanse aangiftes in. België zal namelijk belasten op het wereldwijde vermogen, maar ook Spanje wil de lokale onroerende goederen en banktegoeden belasten. De erfgenamen zien zich dus geconfronteerd met dubbele erfbelasting en de fiscale administratie wou enkel verrekening doorvoeren voor het onroerend vermogen.

De uitspraak

Het Grondwettelijk Hof stelt dat niets de verantwoording voor het verschil in behandeling nog kan staande houden. Historisch gezien vormde het onroerend goed quasi het enige belangrijke deel van het vermogen. Vandaag de dag moeten roerende goederen daar vaak niet meer voor onder doen. Het tegendeel is soms zelfs waar. Het Hof kan dan ook niet anders dan besluiten tot een schending van het grondwettelijk (fiscaal) gelijkheids en non-discriminatiebeginsel.

Het Grondwettelijk Hof heeft bijgevolg de betreffende bepaling van het federale Wetboek van successierechten (art. 17 W.Succ) ongrondwettig verklaard. Voor Vlaanderen is echter sinds 1 januari 2015 de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), met eigen regels, van kracht. Het arrest heeft echter ook belang voor Vlaanderen, aangezien er eenzelfde letterlijke bepaling in de VCF (art. 2.7.3.2.1 VCF) is opgenomen.

Het is nu aan de verschillende wetgevers om deze ongelijkheid (zo snel mogelijk) op te heffen.

Het gevolg

Het arrest van het Grondwettelijk Hof maakt het mogelijk om teruggave te bekomen van de ten onrechte teveel betaalde belasting. De termijn hiervoor bedraagt vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd. Voor het Vlaamse Gewest kan dit met een bezwaar dan wel een verzoek tot ambtshalve ontheffing. Voor de andere gewesten kan een verzoek tot teruggave worden ingesteld.

Conclusie

Erfgenamen kunnen op basis van het voornoemde arrest, de in het buitenland betaalde erfbelasting voor roerende goederen alvast verrekenen met de in België betaalde erfbelasting. Dit kan uiteraard niet zonder meer. De belastingsplichtige dient een aantal bewijsstukken voor te leggen, zoals het betalingsbewijs, de buitenlandse aangifte en berekening van de erfbelasting.

Weet wel dat, als de betaalde buitenlands erfbelasting lager is dan die in België, dat men nog gedeeltelijk zal moeten bijbetalen. Als de buitenlandse erfbelasting hoger is, dan hoeft u hier in België niets meer te voldoen.

Het arrest is alleen maar toe te juichen, aangezien de ongelijkheid in behandeling al enkele jaren een doorn in het oog is van menig fiscalist.

aternio is deel van een PrimeGlobal en kan u helemaal ontzorgen bij een nalatenschap met internationale aspecten. Neem zeker contact op voor meer informatie.


Belastingschulden na aandelenoverdracht bij VOF

Het Hof van Cassatie is duidelijk over de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten van een VOF. Zij blijven aansprakelijk voor belastingschulden die uitvoerbaar geworden zijn ná publicatie van de aandelenoverdracht (1).

Algemeen kader

Eigen aan de VOF is dat haar vennoten hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap. Bovendien kunnen haar aandelen principieel niet worden overgedragen. Is een aandelenoverdracht statutair toch toegelaten dan kan dit geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen van de vennootschap die dateren van vóór de tegenwerpelijkheid van de overdracht.

Vorig jaar wierp het Hof al eens de schijnwerpers op deze principes (2). Het Hof ging over tot vernietiging van een vonnis in een zaak waarbij de vordering tot achterstallige huur lastens de voormalige vennoot van een VOF werd afgewezen. Hiermee bevestigde het Hof  dat een ex-vennoot gehouden blijft tot verbintenissen van de vennootschap die voortvloeien uit overeenkomsten van vóór de aandelenoverdracht.

Arrest 30 april 2021

In haar arrest van 30 april 2021 gaat het Hof nog een stapje verder. Zij oordeelt namelijk dat deze principes eveneens van toepassing zijn op belastingschulden die slechts uitvoerbaar werden ná de aandelenoverdracht.

In het bestreden arrest was namelijk geredeneerd dat een fiscale vordering m.b.t. aanslagjaar 2002 pas ontstaat bij het inkohieren ervan. De aanslag werd dus pas na de aandelenoverdracht uitvoerbaar. Het arrest besloot dat een vennoot enkel kon worden aangesproken voor een belasting die werd ingekohierd voor het tijdstip van de publicatie van de overdracht van de aandelen in het Belgisch Staatsblad.

Het Hof veegt voorgaande redenering van tafel. Zij steunt haar oordeel op onder meer de volgende overwegingen:

  • artikel 360, eerste lid WIB'92: een voor een aanslagjaar verschuldigde belasting dient gevestigd op de inkomsten die de belastingsplichtige in het belastbaar tijdperk heeft verkregen;
  • een schuld uit inkomstenbelasting staat definitief vast wanneer het belastbaar tijdperk waarin de inkomsten zijn verkregen afgesloten is;
  • een navolgend uitvoerbaar belastingskohier kan inderdaad in regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de personen die bij naam erin vermeld staan (in casu de nieuwe vennoot);
  • het voorgaande doet geen afbreuk aan de vennootschapsrechtelijke bepalingen inzake de VOF;
  • hieruit volgt dat de ná aandelenoverdracht ingekohierde aanslag m.b.t. het inkomstenjaar van de aandelenoverdracht alsnog uitvoerbaar is op het vermogen van de ex-vennoot.

Conclusie

Met voormeld arrest verduidelijkt het Hof van Cassatie dat voor de toepassing van de vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprincipes bij een VOF in se enkel het moment van het ontstaan van de schuld van belang is. De uitvoerbaarverklaring van schuldvordering ná publicatie van de aandelenoverdracht, doet hieraan geen afbreuk. De voormalige vennoot blijft aldus aansprakelijk ook al heeft hij zijn aandelen reeds lang overgedragen.

WIe binnenkort aandelen van een VOF verkoopt of koopt, houdt hiermee maar beter rekening bij het onderhandelen van de overdrachtsovereenkomst. Het aanvaarden van standaardclausules kan al snel tot onaangename verrassingen leiden.

aternio legal kan u helpen bij het inbouwen van de geschikte beschermingsmechanismen.

(1) Cass. (1e k.) AR F.19.0133.N, 30 april 2021 (BELGISCHE STAAT / A. F.) (rolnr :F.19.0133.N).

(2) Cass. nr N-20200618-2 (C.18.0333.N), 18 juni 2020.


Zal mijn (tand)arts binnenkort btw aanrekenen?

Op vandaag is een medische behandeling bij een arts, tandarts, diëtist of kinesist in principe vrijgesteld van btw. Dit betekent dat zij geen btw aanrekenen op hun erelonen aan patiënten.

Hierop bestaat één uitzondering: de louter "esthetische" behandelingen door een arts. Voorlopig zijn dus enkel de louter esthetische behandelingen door een arts onderworpen aan btw (denk bijvoorbeeld aan een botox-behandeling).

Vanaf 1 januari 2022 komt daar verandering in.

Therapeutische handelingen

In haar arrest van 5 december 2019 vernietigde het Grondwettelijk Hof -  in navolging van de Europese rechtspraak- diverse wetsbepalingen over btw voor medische handelingen. De wet van 11 juli 2021 (BS 20 juli 2021) wijzigt daarom het Wetboek btw op vlak van de vrijstelling van btw inzake medische verzorging. Deze tekstueel zeer korte wet treedt dus op 1 januari 2022 in werking.

Vanaf dan zullen alleen zogenaamde "therapeutische" behandelingen en ingrepen nog vrijgesteld zijn van btw. Dat geldt niet alleen voor artsen en tandartsen, maar voor alle medische en kwalificerende paramedische beroepen.

Voer voor discussie

Volgens de Europese rechtspraak dient met het oog op de btw-vrijstelling de medische behandeling een diagnose, de behandeling, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen tot doel hebben.

Een niet-therapeutische behandeling wordt in principe dus 21% duurder. Een kost die onvermijdelijk aan de patiënt zal worden doorgerekend.

Het hoeft geen betoog dat het begrip "therapeutische" behandeling voer voor discussie zal zijn. Hoe moet men dit interpreteren?
Wat met een beugel? Of een sterk verkleurde of gebroken tand?

De diverse beroepsorganisaties treden hierover alvast in overleg met het kabinet van de Minister van Financiën. Het is de bedoeling dat er vóór het einde van het jaar 2021 een administratieve circulaire wordt gepubliceerd.

Gemengde btw-plichtige

Als gevolg van deze nieuwe regeling zullen vanaf volgend jaar heel wat (tand)artsen gemengde btw-plichtige worden. Dit heeft tot voordeel dat zij (een deel van) van hun betaalde btw op bepaalde kosten en investeringen kunnen aftrekken.

Gemengde btw-plichtigen hebben echter geen volledig recht op aftrek. Zij kunnen de btw op hun aankopen slechts aftrekken in de mate dat deze aankopen worden aangewend voor hun uitgaande handelingen waarover btw is verschuldigd.

De btw-plicht heeft evenwel als nadeel dat er heel wat administratieve en boekhoudkundige verplichtingen bijkomen.

Kleine onderneming

In praktijk zullen wellicht niet alle (para)medische beroepers btw aanrekenen. Indien zij op jaarbasis minder dan 25.000,00 euro omzet hebben uit louter niet-therapeutische behandelingen kunnen zij kiezen voor de btw-vrijstelling als "kleine onderneming".

(Para)medici die willen genieten van deze btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen dienen dit aan te vragen bij hun lokaal btw-kantoor.