UBO-register: info meedelen uiterlijk vóór 30 november 2018

In een vorige bijdrage hebben we u al ingelicht over de invoering van het nieuwe ‘register van uiteindelijke begunstigden’ of kortweg ‘UBO-register’. Daarin werd al uiteengezet wie als uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt. De Antiwitwaswet dateert al van 18 september 2017, maar voor de praktische toepassing ervan was het nog wachten op de uitvoeringsbesluiten.

Met het KB van 30 juli 2018 is nu concreet vastgelegd welke informatie bestuurders moeten meedelen, wie toegang heeft, enzovoort.

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

Het UBO-register beoogt informatie te verzamelen over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen, vzw’s en stichtingen, trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten.

Het moet gaan om vennootschappen die in België opgericht zijn. Ook vzw’s en stichtingen moeten zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vzw-wet.

Maar wat betreft de trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten werd niet wettelijk bepaald waar zij opgericht of gelokaliseerd moeten zijn. We kunnen ervan uitgaan dat trusts vanuit België moeten worden beheerd. Maar volgens het KB moet ook een UBO-register worden bijgehouden indien de trustee of fiduciebeheerder buiten de EU gelokaliseerd is, maar bijvoorbeeld een onroerend goed in België aankoopt via de trust.

Bemerk dat het register geldt voor zowel kleine als grote entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dus ook voor maatschappen.

Welke informatie moet worden meegedeeld?

Voor de vennootschappen, vzw’s en stichtingen moet de informatie worden meegedeeld door de bestuurders. Bij trusts, fiducieën en gelijkaardige entiteiten moet dit gebeuren door de trustees of fiduciebeheerders.

In het register moeten de uiteindelijk begunstigden volledig worden geïdentificeerd, dit wil zeggen: naam, adres, nationaliteit, geboorteplaats, geboortedatum etc.

Daarnaast moet ook de omvang van het aanmerkelijk belang in een vennootschap worden meegedeeld.

Wie heeft toegang tot het register?

Voor wat betreft de vennootschappen, zou ‘in principe’ elke burger toegang hebben tot het register. Die toegang zal evenwel beperkt blijven tot bepaalde gegevens, dus bijvoorbeeld niet de voornaam, geboortedatum, adres enz.

Voor wat betreft vzw’s, stichtingen, trusts en dergelijke heeft een persoon of organisatie slechts toegang indien hij een legitiem belang aantoont.

Ook de fiscus heeft – met het oog op de belastingheffing – toegang tot het UBO-register.

Voor de toegang tot het register zal, behalve voor de autoriteiten, een administratieve bijdrage verschuldigd zijn.

In bepaalde gevallen (zoals bijvoorbeeld bij risico op fraude of chantage) kan de toegang tot het register ontzegd worden.

Hoe kan ik de info meedelen aan het register?

Via het online platform MyMinfin zal u toegang hebben tot het UBO-register. Vermits het register zelf nog niet operationeel is, kan u op dit ogenblik nog geen informatie meedelen.

Ook via een gevolmachtigde (bijvoorbeeld uw accountant) zal u info aan het register kunnen meedelen.

Wanneer dient de informatie te worden meegedeeld?

Het UBO-register wordt operationeel vanaf 31 oktober 2018. Vennootschappen dienen de gegevens vervolgens binnen de maand, dus uiterlijk op 30 november 2018, voor de eerste keer mee te delen.

Elke wijziging in het UBO-register (bijvoorbeeld adres, het belang…) moet binnen de maand nadat de wijziging gekend is, worden doorgegeven aan het UBO-register. Daarnaast moet de informatie ook jaarlijks worden bijgewerkt of bevestigd.

Sanctie

Zij die -ondanks de wettelijke verplichting- niet de vereiste informatie aan het UBO-register meedelen kunnen een administratieve boete krijgen ten belope van 250 tot maximum 250.000 euro.

Nog vragen?

Aarzel zeker niet om onze juristen te contacteren.


Hervorming schenk- en erfbelasting kon niet achterblijven

Eerder hebben wij u attent gemaakt op de voornaamste hervormingen van het erfrecht.  Hervormingen die in werking treden op 1 september 2018. Samen met deze hervormingen is ook de schenk- en erfbelasting gewijzigd. Ook deze wijzigingen treden vanaf 1 september 2018 in werking.

Hierna vindt u de belangrijkste wijzigingen.

Tarief van erfbelasting voor erfgenamen in de zijlaan en “anderen”

De tarieven met betrekking tot de erfbelasting voor broers en zussen, alsook "anderen" verminderen.

Vanaf 0,01 tot 35.000 euro  geldt voor beide categorieën een tarief van 25%. Vanaf 35.000 tot 75.000 euro geldt voor broers en zussen een tarief van 30%, terwijl voor anderen een tarief van 45% geldt. Alles boven de 75.000 euro wordt voor beide belast met een erfbelasting van 55%.

Vrijstelling van erfbelasting voor langstlevende partner

Als de langstlevende partner roerende goederen erft, dan is de eerste 50.000 euro vrijgesteld. Het begrip partner omvat zowel gehuwde, wettelijk samenwonende alsook feitelijk samenwonende die minstens 1 jaar samenwoont.

Voor de hervorming bestond reeds een vrijstelling op de gezinswoning. Door deze nieuwe vrijstelling krijgen ook de partners die geen onroerend goed bezitten een fiscale tegemoetkoming.

Wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik onderworpen aan erfbelasting

Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik is het vruchtgebruik, dat de langstlevende partner krijgt op goederen die door de erflater tijdens zijn leven zijn weggeschonken met behoud van vruchtgebruik. Bij overlijden van de schenker heeft de langstlevende het recht op dit vruchtgebruik, voorwaarde is wel dat de langstlevende reeds ten tijde van de schenking de hoedanigheid had van echtgenoot, dan wel wettelijk samenwonende partner.

Dit wettelijk toegekend vruchtgebruik wordt door de wijzigingen aan erfbelasting onderworpen. De belasting hierop zijn conform de gewone tarieven, met inbegrip van de vrijstellingen en verminderingen.

Terugval van vruchtgebruik aan langstlevende

Door de hervormingen zal op een beding van terugval in het voordeel van de langstlevende partner geen erfbelasting meer verschuldigd zijn. Voor de hervormingen werden deze via een fictiebepaling gelijkgesteld met legaten, waardoor dit wel werd belast.

Het niet onderwerpen aan de erfbelasting geldt enkel op voorwaarde dat de schenker ook voor zichzelf het vruchtgebruik had voorbehouden.  Het is ook niet nodig dat de langstlevende echtgenoot de begunstigde van dergelijk beding van terugval is. Ook een derde kan van deze gunstigere maatregelen meepikken. Echter zal vanaf 1 september 2018 door de hervorming van de schenkbelasting een beding van terugval van vruchtgebruik wel belast worden met schenkingsbelasting.

Geen schenkbelasting bij erfenissprong

Indien een erfgenaam de erfenis of een deel ervan wenst te schenken aan zijn afstammelingen of aan een partner, dan werd deze schenking vroeger belast met schenkbelasting. Het feit dat kort daarvoor de erfgenaam reeds erfbelasting had betaald, had hier geen invloed op.

Met deze hervorming heeft de wetgever de zogenaamde generatiesprong willen aanmoedigen, of in ieder geval niet ontmoedigen. Vanaf 1 september 2018 zal dergelijke schenking niet langer aan schenkbelasting onderworpen zijn. Hiervoor dienen wel een aantal voorwaarden vervuld te zijn.

Vooreerst geldt dit enkel bij schenkingen aan afstammelingen of personen die met afstammelingen worden gelijkgesteld in het kader van de schenkbelasting of tussen partners. De schenking dient te gebeuren bij notariële akte.  De laatste voorwaarde stelt dat de schenker, de goederen binnen het jaar moet schenken na het overlijden van de erflater, van wie hij/zij de goederen of een deel van de goederen erfde. Daarnaast moet de waarde van de goederen of een deel ervan met erfbelasting belast zijn geweest.

Dit betekent dat dergelijke schenking enkel vrij van schenkbelasting is, in de mate dat de waarde van de geschonken goederen niet meer is dan de waarde van de goederen met erfbelasting belast.

Conclusie

Enerzijds is de hervorming van de erf- en schenkbelasting een ondersteuning van het nieuwe erfrecht. Anderzijds voert zij ook enkele matigingen en nieuwe vrijstellingen in. Ondanks de nieuwe maatregelen, zullen sommigen nog steeds menen dat de erfenis die ze ontvangen teveel wordt belast.


1 september 2018: de dag van het nieuwe erfrecht

Dit jaar is 1 september niet enkel de start van een nieuw schooljaar, maar ook de start van een hervormd en gemoderniseerd erfrecht. De Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake zorgt voor heel wat aanpassingen aan het bestaande erfrecht.

Hierna bespreken we de belangrijkste wijzigingen.

Kleiner reserve, grotere vrijheid voor erflater

De reserve voor de afstammelingen wordt teruggebracht op de helft van de nalatenschap. Onder het oude erfrecht varieerde het reservataire deel in functie van het aantal afstammelingen. In het nieuwe erfrecht wordt hier een einde aan gemaakt. Vanaf 1 september is het aantal afstammelingen irrelevant voor de grootte van de nalatenschap waarover de erflater vrij kan beschikken.

Enerzijds is dit goed nieuws voor de erflater, aangezien hij nu een groter deel heeft om zelf te kiezen aan wie dit toekomt. Voor sommige afstammelingen zal het misschien minder goed nieuws zijn. Indien de erflater wel degelijk slechts de helft van zijn nalatenschap aan de afstammelingen nalaat en er zijn meer dan 2 afstammelingen, dan gaan deze er met het nieuwe erfrecht op achteruit.

Langstlevende echtgenoot gaat boven bloedverwanten 4de orde

Indien een langstlevende echtgenoot of echtgenote in samenloop komt met bloedverwanten van de 4de orde, dan verliezen deze laatste hun wettelijk erfrecht. In concreto gaat het over de niet bevoorrechte bloedverwanten in zijlijn, met name ooms en tantes, neven en nichten, grootooms en groottantes. De bevoorrechte bloedverwanten in zijlijn, met name broers en zussen en hun afstammelingen, verliezen dit wettelijk erfrecht niet. Zij vormen aldus een uitzondering onder deze regel van het nieuwe erfrecht

Afschaffing van de doorwerking van gekozen huwelijksstelsel in erfrecht

Indien een langstlevende in samenloop met afstammeling(en) tot de nalatenschap komt dan erft deze de gehele nalatenschap in vruchtgebruik. Stel dat de langstlevende in samenloop komt met andere erfgerechtigden dan afstammelingen, dan erft deze de volle eigendom van het deel van de overledene in het gemeenschappelijk vermogen en het vruchtgebruik van het eigen vermogen van de overledene.

Het gekozen huwelijksstelsel was voor 1 september 2018 bepalend voor de erfenis van de langstlevende.  Het nieuwe erfrecht maakt een einde aan de ongelijke behandeling die voortkomt uit het gekozen huwelijksstelsel. Het onderscheid tussen de onderscheiden vermogens, i.e. gemeenschappelijk en eigen vermogen, is bijgevolg niet langer relevant.

Erfovereenkomsten

In het oude erfrecht was het enkel in uitzonderlijke gevallen mogelijk om voor uw overlijden reeds een overeenkomst over uw nalatenschap te sluiten, een zogenaamde erfovereenkomst. Het nieuwe erfrecht versoepelt dit verbod en voert de globale erfovereenkomst en de punctuele erfovereenkomst in.

Eerder schreven we reeds uitgebreid wat deze inhouden en wanneer zij nuttig kunnen zijn.

Inbreng en inkorting niet langer in natura

Het nieuwe erfrecht voorziet dat een inbreng of inkorting steeds in waarde moet gebeuren. In de praktijk is dit een belangrijke modernisering. In het verleden diende de inkorting of inbreng namelijk in natura te gebeuren. Hierdoor ontstond veel onzekerheid.

Voorbeeld: je had reeds 10 jaar voor het openvallen van de nalatenschap een onroerend goed via schenking gekregen. Dan kon toch gebeuren dat dit onroerend goed moest worden teruggegeven. Het hoeft geen betoog dat dit in dergelijke situaties onrechtvaardig aanvoelde. Om dit te voorkomen zal vanaf 1 september 2018 het teveel gekregen deel in waarde worden ingebracht of ingekort. Met andere worden, in dit voorbeeld zal u het onroerende goed niet effectief moeten terug geven.

Waarderingsregels

Om te kunnen berekenen of iemand voor het openvallen van de nalatenschap te veel kreeg, waardoor dus de reserve wordt aangetast, zijn duidelijke waarderingsregels nodig. Ook op dit punt voorziet het nieuwe erfrecht in een hervorming. Schenkingen, ongeacht roerende of onroerende goederen, zullen worden gewaardeerd op het moment van de schenking. Hierop wordt dan een indexatie op basis van het indexcijfer der consumptieprijzen tot op de dag van overlijden van de schenker op toegepast.  Indien een onroerend goed bijvoorbeeld een sterke waardestijging onderging tussen het moment van de schenking en het overlijden van de schenker, dan zal deze meerwaarde niet in de berekening van de verdeling worden opgenomen.

Op deze waarderingsregel is een belangrijke uitzondering, namelijk een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. In dat geval zal de waardebepaling op het moment van het overlijden van de schenker plaatsvinden.

Liever het oude erfrecht?

Indien u toch geen fan blijkt te zijn van de hervormingen, dan kan u opteren om onder het toepassingsgebied van de regels van het oude erfrecht te blijven. Hiervoor dient u een verklaring van behoud, bij notariële akte af te leggen. Dit kan nog tot 1 september 2019. Het is enkel de schenker die deze keuze maakt. De goedkeuring van de begiftigden is niet nodig.

Denk wel goed na alvorens de verklaring van behoud af te leggen. Eenmaal u deze verklaring heeft afgelegd dan geldt het ouder erfrecht op alle schenkingen. Het is niet mogelijk om de ene schenking te onderwerpen aan het oude erfrecht en een andere schenking aan het nieuwe erfrecht. Informeer u dus goed wat het beste is voor al uw schenkingen.

Conclusie

Sinds 1804 was het erfrecht niet wezenlijk meer gewijzigd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er dringend nood was aan een gemoderniseerd erfrecht. Of deze wijzigingen zullen volstaan om te voldoen aan de complexe behoeften van de huidige maatschappij zal de tijd uitwijzen.

Raadpleeg de juristen bij aternio indien u meer informatie wenst over het nieuwe erfrecht.


Grensoverschrijdende fiscale constructies: be aware!

Eerder hebben we reeds gesproken over richtlijn (EU) 2018/822  wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies. Hoewel de diverse Europese lidstaten, waaronder België, de richtlijn nog moeten omzetten in nationale wetgeving, is de richtlijn toch al in werking getreden op 26 juni 2018. De effectieve eerste melding zal pas moeten plaatsvinden vanaf 2020.

Zowel meldingsplichtige tussenpersonen als belastingplichtigen moeten zich bewust zijn van dit nieuwe en aanvullende wapen in de strijd tegen belastingontwijking. Het is een aanvulling op de reeds bestaande diverse nationale fiscale antimisbruikbepalingen van de lidstaten.

Welke constructies?

De richtlijn wil dat mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningsconstructies worden gemeld. Als grensoverschrijdend  wordt beschouwd de  constructie die ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land betreft.  Bovendien moet ten minste één van de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) niet alle deelnemers aan de constructie hebben hun fiscale woonplaats in hetzelfde rechtsgebied;
b) een of meer van de deelnemers aan de constructie heeft zijn fiscale woonplaats tegelijkertijd in meer dan één rechtsgebied;
c) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een bedrijf uit in een ander rechtsgebied via een vaste inrichting en de constructie behelst een deel of het geheel van het bedrijf van die vaste inrichting;
d) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied zonder daar zijn fiscale woonplaats te hebben of zonder er een vaste inrichting te creëren;
e) een dergelijke constructie heeft mogelijk gevolgen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen of de vaststelling van het uiteindelijk belang.

Daarbij dient het constructies te betreffen die tot voornaamste, doch niet als enige, doel hebben om een belastingvoordeel te behalen (main benefit test).

Wezenskenmerken of hallmarks van de constructie

Teneinde de kosten en administratieve lasten voor zowel belastingdiensten als tussenpersonen tot een minimum te beperken en de richtlijn tot een doeltreffend afschrikmiddel  te maken moeten niet alle constructies worden gemeld. Dit is enkel het geval wanneer de grensoverschrijdende constructie één van de wezenskenmerken bezitten die in bijlage IV van de richtlijn zijn opgenomen.

Er zijn vijf categorieën van wezenskenmerken of hallmarks:
Categorie A - Algemene wezenskenmerken die aan de main benefit test zijn gekoppeld;
Categorie B - Specifieke wezenskenmerken die aan de main benefit test zijn gekoppeld;
Categorie C - Specifieke wezenskenmerken in verband met grensoverschrijdende transacties;
Categorie D - Specifieke wezenskenmerken in verband met automatische uitwisseling van inlichtingen en uiteindelijk belang; en
Categorie E - Specifieke wezenskenmerken in verband met verrekenprijzen.

Belangrijk is dat bepaalde categorieën uitsluitend in aanmerking mogen worden genomen wanneer ze voldoen aan de main benefit test.

Meldingen gekoppeld aan de main benefit test

Categorie A betreft  constructies waarbij er voorzien is in een geheimhoudingsclausule, een succes fee voor de tussenpersoon of wanneer men gebruikt maakt van een gestandaardiseerde marktklare  structuur of van gestandaardiseerde documenten.

Categorie B zijn constructies waarbij de belastingplichtige gebruik maakt van fiscale verliezen, inkomsten worden omgezet in vermogen, schenkingen of andere categorieën die lager of niet worden belast of middelen worden rondgepompt (round-tripping) door middel van tussengeschoven entiteiten zonder primair handelsdoel.

In categorie C zijn drie constructies gekoppeld aan de main benefit test. Meer bepaald die waarbij aftrekbare grensoverschrijdende betalingen gebeuren tussen twee of meer verbonden ondernemingen en (a) de ontvanger fiscaal inwoner is van een rechtsgebied dat geen vennootschapsbelasting heft (of heft tegen een nultarief of bijna-nultarief); (b) de betaling geniet een volledige belastingvrijstelling in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is of (c) de betaling geniet een fiscaal gunstregime in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is.

Verplichte meldingsplicht

Indien een constructie één van de wezenskenmerken bevat die voorkomen in de andere categorieën van C, D of E dan zal de constructie altijd moeten worden gemeld. Dit ongeacht of het behalen van een belastingvoordeel het belangrijkste doel is.

Onder categorie C is dit zo voor constructies waarbij hetzelfde actief bestanddeel wordt afgeschreven in meer dan één rechtsgebied;  in meer dan één rechtsgebied aanspraak wordt gemaakt op voorkoming van dubbele belasting voor hetzelfde inkomens- of vermogensbestanddeel; overdrachten van activa gebeuren waarbij er een wezenlijk verschil bestaat tussen het bedrag dat in de betrokken rechtsgebieden wordt aangemerkt als de voor die activa te betalen vergoeding of de ontvanger van de grensoverschrijdende betalingen fiscaal inwoner is in een rechtsgebied dat is opgenomen in een lijst van rechtsgebieden van derde landen die door de lidstaten gezamenlijk of in het kader van de OESO als niet-coöperatief zijn beoordeeld.

Categorie D betreft de constructies die beogen om de automatische inlichtingenuitwisseling te omzeilen of  waarbij de juridische of feitelijke eigendom niet-transparant is door gebruik te maken van personen, juridische constructies of structuren.

Categorie E tot slot is gericht op constructies waarbij verrekenprijzen op basis van unilaterale veiligehavenregels bepaald zijn; overdrachten gebeuren van moeilijk te waarderen immateriële activa of grensoverschrijdende intragroepsoverdrachten waarbij de geraamde jaarlijkse winst vóór interest en belastingen (ebit) van de overdrager of overdragers, tijdens de periode van drie jaar na de overdracht, minder dan 50 % bedraagt van de geraamde jaarlijkse ebit van die overdrager of overdragers indien de overdracht niet had plaatsgevonden.

Welke tussenpersoon moet melden?

Elke tussenpersoon of intermediair die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert.

Intermediair is ook een persoon die, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, rechtstreeks of onrechtstreeks materiële hulp, bijstand of advies heeft verleend.  Elke persoon heeft het recht het bewijs te leveren dat hij niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat hij bij een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie betrokken was.

Een tussenpersoon moet bovendien beantwoorden aan ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden: fiscaal inwoner van een lidstaat zijn; beschikken over een vaste inrichting in een lidstaat via welke de diensten in verband met de constructie worden verleend; opgericht zijn in of onder de toepassing van de wetten vallen van een lidstaat of ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in een lidstaat.

Moet de belastingplichtige melden?

Er worden de facto drie situaties voorzien waarin de belastingplichtige zelf moet melden.

De belastingplichtige heeft een meldingsplicht wanneer hij op geen enkel ogenblik een beroep heeft gedaan op tussenpersonen om de grensoverschrijdende constructie te realiseren. De meldingsplicht verschuift ook naar de belastingplichtige wanneer de tussenpersonen gevestigd zijn buiten de Europese Unie. Tot slot zal de belastingplichtige ook zelf moeten instaan voor de melding indien de betrokken tussenpersoon een beroep doet op een wettelijk beroepsgeheim en deze tussenpersoon opereert binnen de grenzen van dit beroepsgeheim.

Wat moet worden gemeld?

Volgende gegevens moeten worden gemeld:
a) de identificatiegegevens van intermediairs en relevante belastingplichtigen;
b) de wezenskenmerken op grond waarvan de grensoverschrijdende constructie gemeld moet worden;
c) een samenvatting van de inhoud van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie;
d) de datum waarop de eerste stap voor de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is of zal worden ondernomen;
e) de nationale bepalingen die aan de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie ten grondslag liggen;
f) de waarde van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie;
g) de lidstaat van de relevante belastingbetaler(s) en eventuele andere lidstaten waarop de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn; en
h) de identificatiegegevens van andere personen in een lidstaat, op wie de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij wordt vermeld met welke lidstaten deze personen verbonden zijn.

Wanneer wordt de constructie gemeld?

Naargelang wat het eerst plaatsvindt, is de intermediair of de belastingplichtige verplicht de grensoverschrijdende constructies waarvan zij kennis, bezit of controle hebben, te melden binnen dertig dagen te rekenen vanaf:
a) de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie beschikbaar is gesteld, of
b)  de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor gereed is implementatie, of
c) het ogenblik dat de eerste stap in de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is ondernomen.

Tussenpersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks materiële hulp, bijstand of advies hebben verleend, zijn tevens verplicht inlichtingen te verstrekken binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag nadat zij, rechtstreeks of onrechtstreeks, hulp, bijstand of advies hebben verstrekt.

In het geval van een marktklare constructie is de intermediair verplicht om de drie maanden een periodiek verslag op te stellen met een overzicht van nieuwe meldingsplichtige die ook voor de implementatie van deze constructie hebben gekozen.

Conclusie

Deze richtlijn verhoogt opnieuw de druk op tussenpersonen die betrokken worden bij grensoverschrijdende fiscale constructies. Zoveel is duidelijk. Hoe en wanneer België de richtlijn zal omzetten is nog af te wachten. In ieder geval zullen de sancties voor constructies die niet gemeld worden  doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Daarnaast zijn imago-  en reputatieschade eveneens het deel van de tussenpersoon die meent de richtlijn en haar nationale invulling naast zich neer te moeten leggen.


Globale erfovereenkomst en de Vlaamse fiscus

De stevige versoepeling en verduidelijking van de regels rond erfovereenkomsten is een geschenk voor zij die planning hoog in het vaandel dragen. De drastische hervorming van het federale erfrecht is een civielrechtelijke gegeven dat nu, alvast in Vlaanderen, heeft geleid tot nieuwe regels inzake schenk- en erfbelasting. Deze nieuwe regels treden in werking op 1 september 2018.

Naast de ondersteuning bij het nieuwe erfrecht springen vooral de lagere tarieven voor verkrijgingen buiten de rechte lijn en de invoering van nieuwe vrijstellingen in het oog. Deze bijdrage wil echter specifiek kijken naar enkele fiscale aandachtspunten bij het sluiten van een globale erfovereenkomst.

Globale erfovereenkomst

Een globale erfovereenkomst is een overeenkomst tussen ouder(s) en al hun vermoedelijke erfgenamen in de rechte neerdalende lijn. De overeenkomst stelt specifiek vast dat er tussen hen een evenwichtige verdeling is.

Toegekende voordelen, die juridisch of technisch niet noodzakelijk een schenking zijn, vormen elementen waarmee rekening kan worden gehouden. De specifieke persoonlijke of professionele situatie van één van de vermoedelijke erfgenamen kan ook zo een element zijn. Opvulling met een schuldvordering is eveneens mogelijk. De belangrijkste componenten zijn allicht de schenkingen die plaatsvonden voorafgaand aan de globale erfovereenkomst en/of deze die zijn toegekend in de overeenkomst zelf.

Niet belast in de schenk-en erfbelasting?

Belangrijke vraag is of de in de overeenkomst opgenomen huidige en vroegere schenkingen en voordelen belastbaar zijn in de schenk- of erfbelasting.

Door de invoeging van een nieuw artikel 2.8.3.0.5 in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) strekken schenkingen die niet aan registratie onderworpen zijn geweest en die vermeld worden in een toegelaten erfovereenkomst niet tot fiscaal bewijs van een schenking. In dit geval zijn deze schenkingen ook niet belastbaar. Voorwaarde is wel dat partijen in of onderaan de notariële akte, die de erfovereenkomst vaststelt, bevestigen dat deze schenkingen hebben plaatsgevonden voor de datum waarop de erfovereenkomst  gesloten werd.

Partijen of één van hen kunnen in een uitdrukkelijke fiscale verklaring, in of onderaan de akte, wel melden dat de schenkingen die niet aan registratie onderworpen  zijn geweest toch tot fiscaal bewijs strekken.  In dit geval worden deze  schenkingen wel onderworpen aan de schenkbelasting.

Voorbeeld

Een enige overblijvende ouder regelt met zijn twee kinderen de nalatenschap in een globale erfovereenkomst. De erfovereenkomst maakt melding van drie vermogensoverdrachten.

Aan kind A een bankgift van 50.000 euro die dateert van 5 jaar voor de opmaak van de erfovereenkomst én een schenking van 50.000 euro die geregeld wordt in de erfovereenkomst. De bankgift van 5 jaar geleden blijft onbelast. Voor de schenking geregeld in de erfovereenkomst geldt de overeenkomst als titel voor de schenking. Schenkbelasting is aldus verschuldigd maar er moet geen erfbelasting meer worden betaald als de  ouder overlijdt binnen de drie jaar na de schenking.

Aan kind B  een bankgift van 100.000 euro die dateert van zes maanden voor de opmaak van de erfovereenkomst. Twee keuzes zijn mogelijk. Keuze één partijen bevestigen uitsluitend dat deze bankgift heeft plaatsgevonden voor de datum waarop de erfovereenkomst  gesloten werd. Keuze twee partijen verklaren dat de erfovereenkomst voor deze schenking als titel geldt. Bij keuze één is er geen schenkbelasting verschuldigd maar moet er wel erfbelasting worden betaald als de ouder binnen de drie jaar na de schenking overlijdt. Bij keuze twee  is schenkbelasting verschuldigd maar de schenking komt niet meer in aanmerking voor de erfbelasting als de ouder overlijdt binnen de drie jaar na de schenking.

Voordelen opgenomen in de globale erfovereenkomst

Zoals gezegd kunnen partijen overeenkomen om toegekende voordelen mee te betrekken bij het bepalen van het evenwicht.  Ter illustratie kan gedacht worden aan genotschenkingen zoals het kosteloos in een onroerend goed laten wonen, het betalen van dure (buitenlandse) opleidings- en studiekosten of dienstengiften. Bij dienstengiften kan spontaan gedacht worden aan ouders die kosteloos helpen bij het verbouwen van een woning, bij tuinonderhoud of de opvang van kinderen.

Dergelijke voordelen hoeven niet noodzakelijk in het verleden te zijn gegeven. Het is mogelijk om voordelen op te nemen in de globale erfovereenkomst die in de toekomst uitwerking zullen hebben. Voorwaarde is wel deze voordelen dan vanaf de globale overeenkomst zijn verworven.

Het basisprincipe is dat de kwalificatie van een handeling als schenking wordt geregeld door het Burgerlijk Wetboek. M.a.w. als het geen schenking is volgens het Burgerlijk Wetboek is het in beginsel ook geen schenking voor de fiscus. De toegekend of toekomstige voordelen die als schenking kwalificeren worden dus gevat door het nieuwe artikel 2.8.3.0.5 VCF. Hierdoor is heffing van schenk- of erfbelasting, zoals hierboven geïllustreerd, mogelijk.

Een schenking van genot wordt door de meerderheid van de rechtsleer,  zowel op civielrechtelijk als op fiscaal gebied, beschouwt en belast als een schenking.

Kosten die betaald worden binnen het kader van  een wettelijke of natuurlijke verplichting tot onderhoud zijn geen schenkingen. Studiekosten van kinderen vallen in principe onder de ouderlijke onderhoudsverplichting en lopen door na hun meerderjarigheid voor zover hun opleiding of studie niet voltooid is. Indien studie- of opleidingskosten evenwel worden betaald buiten het kader van de wettelijke of natuurlijke onderhoudsverplichting zijn deze wel te beschouwen als schenkingen.

Dienstengiften die louter bestaan in het kosteloos presteren van diensten worden niet als een schenking beschouwd. Er is namelijk geen zakelijke verarming in hoofde van de dienstenverstrekker.

Toebedeling door middel van een schuldvordering

Het evenwicht tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn kan ook bereikt worden door toebedeling van een schuldvordering ten laste van de uitdrukkelijk in de overeenkomst aangeduide partijen. Bijvoorbeeld een kind krijgt het voornaamste vermogensbestanddeel met daaraan gekoppeld de verplichting om het andere kind te vergoeden.

Voorbeeld

Een enige overblijvende ouder regelt met zijn twee kinderen de nalatenschap in een globale erfovereenkomst. Hij schenkt in de overeenkomst (of heeft desgevallend voor de overeenkomst geschonken) aan kind A een onroerend goed van 350.000 euro  én kind B krijgt een schuldvordering toebedeeld van 175.000 euro ten opzichte van kind A.

Twee situaties zijn te onderscheiden.

Indien de schenking in de overeenkomst gebeurt onder last van het erkennen van een schuld door kind A aan kind B dan wordt die last afgetrokken van de schenking bij kind A en als schenking beschouwd voor Kind B (art. 2.8.3.0.1. VCF).

Indien de schenking voorafgaand  aan de globale overeenkomst is gebeurd en het opleggen van een schuld gebeurt in de overeenkomst is er m.i. geen sprake van een schenking. De erkenning van de schuldvordering is immers geen schenking in hoofde van de ouder én het is, bij gebrek aan animus donandi, ook geen schenking van kind A aan kind B.

Conclusie

De hervorming van de Vlaamse schenk- en erfbelasting komt (deels) tegemoet aan verzuchtingen en bezorgdheden die werden geuit in de rechtsleer. In het bijzonder voor wat betreft de globale erfovereenkomsten is de invoering van het nieuwe artikel 2.8.3.0.5 VCF een hele opluchting.

Raadpleeg de juristen bij aternio indien u meer informatie wenst over de globale erfovereenkomst.

 


Registratie van dienstverleners aan vennootschappen - uitbreiding antiwitwaswetgeving

Door de wet tot registratie van de dienstverleners aan vennootschappen is de antiwitwaswetgeving uitgebreid. Vanaf 1 september 2018 zullen personen die bepaalde diensten verlenen aan vennootschappen zich dienen te registreren bij FOD Economie. Aan deze registratie worden enkele voorwaarden gekoppeld.

Voor wie en wat?

De wet tot registratie van dienstverleners aan vennootschappen is van toepassing op elke natuurlijke persoon of onderneming die beroepsmatig diensten verstrekt aan derden. Deze diensten betreffen:

  • het deelnemen aan de aan- of verkoop van aandelen, m.u.v. beursgenoteerde vennootschappen;
  • het verschaffen van een adres waarop de maatschappelijke zetel van een onderneming, rechtspersoon of soortgelijke constructie gevestigd wordt;
  • het verschaffen van een adres (andere dan de maatschappelijke zetel) met bijhorende diensten aan een onderneming, rechtspersoon of soortgelijke constructie.

Beroepsbeoefenaars die vanwege een andere beroepsactiviteit reeds aan de antiwitwaswetgeving  onderworpen zijn, worden  uit het toepassingsgebied van deze wet uitgesloten. Zij zijn reeds gekend door middel van hun andere activiteit waardoor de wetgever een dubbele registratie nutteloos acht.

Wanneer?

De wet treedt uiterlijk in werking vanaf 1 september 2018. Vanaf die datum zullen de dienstverleners aan vennootschappen zich moeten registreren bij FOD Economie om de hierboven vermelde diensten te verstrekken. Dienstverleners die reeds voor de invoering van deze wet dergelijke diensten verschaften, moeten de registratie ten laatste 6 maanden na de inwerkingtreding aanvragen. Tijdens het onderzoek van de aanvraag mag de dienstverlener zijn diensten blijven verstrekken.

Natuurlijke persoon-dienstverlener

Om geldig geregistreerd te worden, moeten dienstverleners aan enkele voorwaarden voldoen. De voorwaarden verschillen naargelang de dienstverlener een natuurlijke persoon, dan wel een rechtspersoon is. Als eerste voorwaarde dienen beide ingeschreven te zijn bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.

De natuurlijke personen-dienstverleners moeten daarenboven aan volgende voorwaarden voldoen. Zo mogen zij niet ontzet zijn uit hun politieke en burgerlijke rechten en niet in staat van faillissement zonder eerherstel verklaard zijn. Als laatste voorwaarde mogen zij niet veroordeeld zijn in België of een andere lidstaat van de EU tot een criminele straf, een gevangenisstraf zonder uitstel van ten minste 6 maanden voor een misdrijf inzake het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen of tot een strafrechtelijke geldboete van minimaal 2500 euro wegens een inbreuk van de wet van 18 september 2017 inzake antiwitwas.

Rechtspersoon-dienstverlener

Voor rechtspersonen die dienstverleners van vennootschappen zijn, gelden dezelfde voorwaarden, maar dan met betrekking tot het wettelijk bestuursorgaan, de werkelijke leiding en de uiteindelijke begunstigden. Om als rechtspersoon-dienstverlener te kunnen worden geregistreerd, zullen deze natuurlijke personen aan de voorwaarden zoals hierboven uiteengezet moeten voldoen. Daarnaast moeten de zaakvoerder(s) en bestuurder(s) gerechtigd zijn om een beroepsactiviteit in België uit te oefenen.

Dienst van domiciliëring

Van zodra de dienstverlener aan vennootschappen een dienst van domiciliëring verschaft, zoals het verschaffen van een adres voor maatschappelijke zetel of een correspondentie/bedrijfsadres met samenhangende diensten, moeten zij aan extra voorwaarden voldoen.

Met betrekking tot deze diensten stelt de wetgever dat de dienstverlener aantoont dat hij wel degelijk over de mogelijkheid beschikt om de gedomicilieerde een kantoor met privacy en vergaderruimte ter beschikking te stellen. De gedomicilieerde moet ook rechtmatig gebruik kunnen maken van deze ruimtes. Daarnaast stelt deze wet dat er een overeenkomst wordt gesloten tussen de dienstverlener en de gedomicilieerde. In deze overeenkomst moeten de voorwaarden van de dienst worden gespecificeerd.

Termijnen

Het is de directeur-generaal van de Algemene Directie K.M.O-beleid van de FOD Economie die beslist over de aanvraag tot registratie. Indien hij afwezig is, wordt door de minister voor Middenstand een ambtenaar of ambtenaren ter vervanging aangeduid. De beslissing van de aanvraag dient binnen de 60 dagen te geschieden. Indien de termijn niet gerespecteerd wordt, wordt geacht de registratie te zijn toegekend.

Bij een onvolledige aanvraag wordt de aanvrager hiervan binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanvraag op de hoogte gebracht. De termijn van 60 om te beslissen over de aanvraag vindt dan aanvang na ontvangst van alle ontbrekende stukken.

De procedure van aanvraag en bewijsmodaliteiten moeten nog worden bepaald door de Koning.

Naleving en wijzigingen

Na de registratie moeten te allen tijde alle voorwaarden worden nageleefd. Van zodra er een wijziging zou optreden, moet dit schriftelijk of elektronisch worden meegedeeld. Indien de Minister van Middenstand meent dat niet of niet meer voldaan is aan de voorwaarden, kan hij de registratie intrekken. Dit houdt in dat de dienstverlener het verbod krijgt om vanaf de 30ste dag na de betekening de diensten nog te verschaffen.

Sancties

Indien een dienstverlener zich niet registreert of niet langer aan de voorwaarden tot registratie voldoet en alsnog diensten verschaft, riskeert hij een geldboete van 250 tot 100.000 euro. Ook de uiteindelijke begunstigden, zaakvoerder en bestuurders van een rechtspersoon-dienstverlener die aan de voorwaarden zoals eerder gezegd moeten voldoen, lopen een risico. Zij kunnen hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor de inbreuken en dus ook de geldboete.

Conclusie

Het doel van de wetgever is om fraude en het witwassen van geld sneller op te sporen. Aangezien hiervoor vaak dergelijke diensten worden gebruikt, probeert de wetgever dit in te perken. Hoe de aanvraag tot registratie praktisch zal verlopen, is nog afwachten. Wat betreft de bewijsmodaliteiten is het eveneens nog koffiedik kijken.


Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


Globale erfovereenkomst of familiepact: streven naar evenwicht

We schonken al aandacht  aan de geldigheidsvoorwaarden voor erfovereenkomsten en de toegelaten punctuele erfovereenkomsten. Eén van de belangrijke vernieuwingen in het nieuwe erfrecht is echter de globale erfovereenkomst.

Vanaf 1 september 2018 bestaat namelijk de mogelijkheid om dergelijke overeenkomst af te sluiten. Synoniemen voor een globale erfovereenkomst zijn  ‘familiale erfovereenkomst’  of  'familiepact'. Ouders kunnen met hun kinderen, eventueel kleinkinderen, afspraken maken over een nog niet-opengevallen nalatenschap.

Gemoedsrust en familiale vrede zijn mooie motieven om een globale erfovereenkomst te overwegen.

Wat is een globale erfovereenkomst?

Een globale erfovereenkomst is een overeenkomst tussen ouder(s) en al hun vermoedelijke erfgenamen in de rechte neerdalende lijn. Bedoeling is om de evenwichtige verdeling tussen hen vast te stellen. Men kan hierbij niet alleen rekening houden met schenkingen maar ook met de specifieke persoonlijke of professionele situatie van bijvoorbeeld één van de kinderen. Het grote voordeel van de globale erfovereenkomst is dat,  bij het openvallen van de nalatenschap, niemand nog kan terugkomen op de schenkingen die iedere afstammeling gekregen heeft.

In globale erfovereenkomst is geen regeling voor de volledige nalatenschap van de ouder(s) zoals ze is samengesteld op het ogenblik van overlijden. Neen, het is een regeling voor de situatie zoals ze is op datum van de overeenkomst.

Wie zijn de partijen bij de overeenkomst?

Bij een dergelijk familiepact moeten de ouder(s) en alle vermoedelijke afstammelingen partij zijn. Dit impliceert tevens dat bij een vooroverlijden van een kind diens plaatsvervullers, i.e. de kleinkinderen, moeten worden betrokken.

Het is absoluut uitgesloten dat vermoedelijke afstammelingen worden genegeerd. Kinderen kunnen wel akkoord gaan met een generatiesprong ten voordele van de eigen kinderen, namelijk een gehele of gedeeltelijke toebedeling van de grootouders aan de kleinkinderen.

Wat als er na het sluiten van de erfovereenkomst een nieuwe afstammeling opdaagt? De nieuwkomer kan niet de nietigheid vorderen van de globale erfovereenkomst. Er is m.a.w. geen impact op de geldigheid van de overeenkomst. De uitwerking van de overeenkomst blijft echter zonder gevolg voor de later opdagende erfgenaam in rechte neerdalende lijn. In praktijk betekent dit dat deze inkorting en/of inbreng kan vorderen van de in de overeenkomst opgenomen schenkingen, toegekende voordelen en schuldvorderingen. Deze giften worden wel geacht gelijk te zijn gedaan aan alle bij de overeenkomst betrokken vermoedelijke erfgenamen.

Stiefkinderen zijn ook niet vergeten. Het is immers toegelaten om toebedelingen aan de eigen kinderen van de echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner) op te nemen in de erfovereenkomst. Voorwaarde is wel dat geen afbreuk mag  worden gedaan aan het verplichte evenwicht tussen de afstammelingen in recht neerdalende lijn van de beschikkende ouder.

Wie op het ogenblik van de erfovereenkomst echtgenoot is van de beschikker kan tussenkomen in de erfovereenkomst en aldus toestemmen met de gemaakte afspraken. Behoudens andersluidende bepaling betekent dit dat de echtgenoot afziet van de vordering tot inkorting ten aanzien van de schenkingen en voordelen opgenomen in de globale erfovereenkomst. Bij niet tussenkomst is de globale erfovereenkomst zonder gevolg voor deze echtgenoot. Diegene die pas na de erfovereenkomst echtgenoot wordt kan nooit inkorting vorderen van de in de overeenkomst opgenomen schenkingen en voordelen.

Evenwicht is essentieel

Eén van de basisprincipes van de globale erfovereenkomst is namelijk de bevestiging dat er een evenwichtige regeling is getroffen voor alle vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn. Evenwicht is evenwel geen synoniem voor een volmaakte gelijkheid. Het is in zekere mate een subjectief gegeven.

Zo kan niet alleen rekening gehouden worden met overdrachten die bij de erfovereenkomst gebeuren maar ook met schenkingen uit het verleden, al dan niet gedaan binnen of buiten erfdeel. Opvulling met een schuldvordering is eveneens mogelijk. Het is bijvoorbeeld mogelijk om aan één kind het voornaamste vermogensbestanddeel worden toebedeeld met daaraan gekoppeld de verplichting om de andere kinderen te vergoeden.

Het is ook mogelijk om voordelen, die per definitie geen schenking zijn, mee te betrekken in de overeenkomst. Dergelijke voordelen kunnen immers meespelen bij het bepalen van het evenwicht.  Denk bijvoorbeeld aan het kosteloos in de ouderlijke woning wonen, het betalen van dure opleidings- en studiekosten of dienstengiften. Die laatste komen in de praktijk vaak voor: ouders helpen bij het verbouwen van een woning, bij tuinonderhoud of de opvang van kinderen. Dergelijke voordelen kunnen immers meespelen bij het bepalen van het evenwicht.

De specifieke persoonlijke professionele situatie van elk van de vermoedelijke erfgenamen kan zoals gezegd eveneens in de weegschaal worden gelegd.

Alle schenkingen?

Het is niet noodzakelijk dat alle schenkingen of voordelen worden opgenomen in de globale erfovereenkomst. Enkel die schenkingen en voordelen waarmee rekening is gehouden bij het bepalen van het evenwicht moeten worden opgenomen. In concreto moeten partijen duidelijk maken hoe zij het evenwicht hebben opgevat en dat zij dit aanvaarden. Zijn beide ouders partij dan wordt het evenwicht bekeken vanuit de totaliteit van schenkingen en voordelen die elke afstammeling-erfgenaam heeft gekregen.

Gevolgen van de erfovereenkomst

Het grote voordeel van een globale overeenkomst is dat men met een “propere lei” begint. Ouders hebben met alle vermoedelijke erfgenamen in neerdalende lijn samengezeten en hebben schenkingen en voordelen kunnen bespreken. Men zet werkelijk een streep onder wat in het verleden aan bepaalde kinderen is geschonken. Ook de voordelen die aan bepaalde kinderen zijn toegekend blijven toegekend.

Later kan men op grond van gewone benadeling niet meer terugkomen op de gemaakte afspraken. Opletten blijft het uiteraard voor de nietigheid bij het niet respecteren van de formaliteiten en wettelijke vereisten. Betwistingen op basis van klassieke wilsgebreken of gekwalificeerde benadeling blijven wel mogelijk.

Meer info?


Webwinkel: koop geen kat in een zak!

In 2017 zijn er 20,7% meer webwinkels opgestart. Het online shoppen is helemaal ingeburgerd. Als fysieke winkel is het hebben van een webwinkel dan ook een must. Allemaal goed en wel, maar aan een webwinkel hangen ook juridische verplichtingen. Het Wetboek van economisch recht bevat een aantal cruciale bepalingen.

Verzwaarde informatieplicht

De e-commerce-wetgeving voorziet in een verzwaarde informatieplicht. De verkoper is verplicht om bepaalde informatie op zijn website duidelijk weer te geven. Deze informatie heeft tot doel de consument beter te beschermen. Deze extra bescherming is nodig vanwege de afstand tussen consument en verkoper veroorzaakt door de digitalisering.

De informatie die op de website van de verkoper vermeld moet worden, is de volledige naam van de onderneming, het adres, e-mailadres en telefoonnummer. In geval van een vennootschap dient ook de vennootschapsvorm en bevoegde rechtbank te worden vermeld.

Betaalverplichting

Als aan de bestelling een betaalverplichting verbonden is, dan moet vooraf duidelijk over de volgende punten worden gecommuniceerd:

  • de voornaamste kenmerken van de goederen of de diensten;
  • de totale prijs van de goederen of diensten, inclusief alle belastingen en extra kosten;
  • de duur van de overeenkomst en eventueel de voorwaarden om de overeenkomst op te zeggen als het een overeenkomst van onbepaalde duur of met stilzwijgende verlenging betreft;
  • de minimumduur van de verplichtingen van de consument uit hoofde van de overeenkomst.

Als de consument een knop  moet aanklikken om de uiteindelijke bestelling te plaatsen, dan moet het goed leesbaar zijn dat het "bestelling met betaalverplichting" (of een soortgelijke formulering) betreft, waarbij daarenboven blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betaalverplichting inhoudt.

De consument is niet gebonden door de overeenkomst of de bestelling als deze verplichting niet wordt gerespecteerd.

Herroepingsrecht

Naast de verzwaarde informatieplicht voorziet de e-commerce-wetgeving ook in een herroepingsrecht. Elke consument, die iets aankoopt via een webwinkel heeft het recht om binnen de 14 dagen zijn aankoop kosteloos herroepen.  Deze 14 dagen beginnen te lopen van zodra de consument fysiek in het bezit is gesteld van zijn aankoop. De consument dient zijn retour niet te verantwoorden.

De verkoper moet de consument op het bestaan van het herroepingsrecht wijzen. Het volstaat niet dat hij dit louter in de algemene voorwaarden opneemt. Hij zal het recht van de klant expliciet op het betalingsbewijs van de aankoop moeten vermelden.  Een verkoper mag dit niet verbergen of verschuilen achter het feit dat de klant zijn recht maar zelf had moeten kennen.

Indien de consument van zijn herroepingsrecht wenst gebruik te maken, dient hij de verkoper wel schriftelijk op de hoogte te stellen. Eventuele aanrekening van retourkosten is geen inbreuk op het kosteloos herroepen. Deze kosten zijn namelijk geen vergoeding voor het herroepingsrecht. Bepaalde wetgeving laat geen herroepingsrecht toe. Een voorbeeld hiervan is bederfbaar voedsel. In dat geval speelt dit herroepingsrecht niet. Het is wel de verplichting van de verkoper om dit duidelijk te vermelden. De klant moet kunnen weten welke producten en in welke omstandigheden er geen herroepingsrecht bestaat.

Informatie voor de verkoop 

Op grond van de wetgeving van verkoop op afstand dient de consument voor de verkoop bepaalde andere inlichtingen verkregen te hebben. Deze inlichtingen betreffen ondermeer  informatie omtrent het al dan niet in voorraad zijn, de betalingswijzen, de modaliteiten van terugname en verbonden kosten, de geldigheid van het aanbod of prijs, de wettelijke garantie en de klachtenbehandeling.

De wetgeving bepaalt dat deze inlichtingen ofwel op de pagina van het product ofwel in de algemene voorwaarden worden weergegeven. Indien deze informatie in de algemene voorwaarden is opgenomen, moet de consument deze algemene voorwaarden uitdrukkelijk aanvaarden. De consument moet ook de mogelijkheid hebben om de algemene voorwaarden te kunnen bewaren.

Verplichtingen tijdens en na de bestelprocedure

Naast deze informatie die voor de verkoop moet worden verschaft, zijn er ook verplichtingen tijdens de bestelprocedure. Er moet een overzicht van de bestelprocedure aanwezig zijn. Daarnaast moet de consument fouten bij de invoer van gegevens kunnen aangeven en corrigeren. Bij het begin van deze bestelprocedure moeten ook beperkingen inzake levering (bv. bepaalde regio’s) worden vermeld.

Na het plaatsen van de procedure  moet de consument vernemen dat er vanaf dat ogenblik een betalingsverplichting is ontstaan. De consument zal tevens een bevestiging, met de nodige gegevens van de aankoop moeten ontvangen. Deze bevestiging moet ten laatste de dag van de aankoop worden bezorgd.

Conclusie

Voor de consument is online shoppen makkelijk, voor de webwinkel zelf zijn er iets meer verplichtingen. Weet dat de consument onwettelijke of oneerlijke handelspraktijk kan melden op het onlinemeldpunt: meldpunt.belgie.be​​​​​​​. Gezien de groeiende tendens naar online shoppen is het absoluut belangrijk dat zij die een webwinkel hebben of willen starten ook rekening houden met de toepasselijke wetgeving.