Upgrade uw eenmanszaak naar een vennootschap?

U hebt een eenmanszaak, maar misschien is een vennootschap wel voordeliger. Hebt u zichzelf deze vraag ook al eens gesteld? Hierna proberen wij u wat duidelijkheid te geven in het waarom en hoe.

Eenmanszaak?

Een eenmanszaak is eigenlijk het geheel van de economische activiteit van een particulier die niet in loondienst of als ambtenaar tewerkgesteld is. In de volksmond ook wel de "zelfstandige" genoemd. In deze eenmanszaak zit enerzijds goodwill (kennis, handelsnaam,..) en anderzijds materiële vaste activa (gebouw, wagen, ...). Echter vergeet niet het grote verschil met de vennootschap: de eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat de eenmanszaak en privé persoon juridisch een geheel vormen, ook al zal dit boekhoudkundig opgesplitst worden.

Personen- of  vennootschapsbelasting

Het tarief van de vennootschapsbelasting ligt een pak lager dan deze van de personenbelasting. Sinds 2018 is de vennootschapsbelasting verlaagd naar 29%. Vanaf 2020 zal deze nog verder dalen tot 25%. Bovendien geldt onder bepaalde voorwaarden een verlaagd tarief van 20% op de eerste belastbare schijf van 100.000 euro. Dit in tegenstelling tot de personenbelasting waarbij de inkomsten in schijven wordt belast. Hierbij wordt de hoogste schijf (> 38.830,00 euro) aan 50 % belast.

Ondanks dat iemand bedrijfsleider van een vennootschap is, zal deze veelal ook een loon uit deze vennootschap ontvangen. Dit loon wordt uiteraard belast in de personenbelasting van de bedrijfsleider. Volledig ontsnappen aan de personenbelasting gaat niet, maar als bedrijfsleider van een vennootschap kan u wel uw loon fiscaal optimaliseren. Dit zal zowel op uw personenbelasting als op de sociale zekerheidsbijdragen een impact hebben. Een simpel voorbeeld: maaltijdcheques zijn fiscaal gunstiger dan brutoloon.

Welke vennootschap kiest u?

Vele starten als eenmanszaak om kosten en formaliteiten op dat moment te besparen. Echter komt er een moment waarop u toch beter even nadenkt of u niet beter overstapt naar een vennootschap.

Indien u voor een vennootschap kiest, is het belangrijk na te denken welke vennootschapsvorm u wenst. Hierbij zijn twee grote groepen te onderscheiden, namelijk zonder beperkte aansprakelijkheid en met beperkte aansprakelijkheid. Onder meer qua oprichtings- en beschermingsmodaliteiten verschillen de vennootschapsvormen van elkaar.

Eenmaal u beslist hebt om uw activiteiten onder te brengen in de vennootschap, stelt zich de vraag hoe de eenmanszaak te transformeren naar een vennootschap. Hier zijn twee mogelijkheden. Enerzijds kan u de eenmanszaak verkopen aan de vennootschap, anderzijds brengt u de eenmanszaak in de vennootschap in. Beide wijzen hebben hetzelfde resultaat maar toch verschillende gevolgen.

Ik verkoop mijn eenmanszaak

U kan een vennootschap oprichten, waarna u vervolgens de goodwill en/of materiële vaste activa van de eenmanszaak verkoopt aan de vennootschap. Voor deze verkoop zal de vennootschap u een prijs betalen. Dit houdt in dat de vennootschap een schuld heeft. Op moment van oprichting zal veelal de vennootschap niet genoeg liquide middelen hebben om u de prijs te betalen. De vennootschap kan een lening bij een financiële instelling aangaan en u de prijs betalen. In dit geval zal de vennootschap een schuld ten opzichte van de bank hebben. De andere mogelijkheid is dat de vennootschap een schuld aan uzelf heeft. Hierbij ontvangt u op dat moment niet de koopprijs maar heeft u een rekening-courant op de vennootschap. U kan dan gespreid het geld ontvangen.

Beide bovenstaande mogelijkheden genereren een schuld, waarvoor interesten betaald moeten worden. Deze interesten zijn fiscaal aftrekbaar voor de vennootschap..

Ik breng mijn eenmanszaak in

Indien u een vennootschap wenst op te richten, bent u verplicht een inbreng te doen. Dit kan een inbreng in geld zijn, maar u kan ook een inbreng in natura, namelijk uw eenmanszaak doen. Met andere woorden gebruikt u uw eigen eenmanszaak als “betalingsmiddel”. In dit geval zal de aandeelhouder weliswaar geen geld privé ontvangen. Er ontstaat dan ook geen schuld in hoofde van de vennootschap.

Wat kiest u het best?

Wat het voordeligst is, hangt af van de feiten. Met de verkoop van de eenmanszaak heeft u als voordeel dat, voor de jaren waarin het niet mogelijk is om fiscaal gunstig een dividend uit te keren, u alsnog gelden uit de vennootschap kan onttrekken.

De inbreng in de vennootschap kent dan weer het voordeel dat de aandeelhouder zelf geen liquide middelen zal moeten storten naar aanleiding van de oprichting van de vennootschap.

Conclusie

Door de dalende vennootschapsbelasting is het interessant om een vennootschap op te richten. Zowel voor het berekenen van het financieel voordeel van een vennootschap alsook over hoe de omzetting juridisch best verloopt, kan u bij aternio terecht.


Opeisbaarheid btw op een voucher: bij uitgifte of gebruik?

Een voucher, in de volksmond ook bekend als "de cadeaubon", is een alom vertegenwoordigd "betaalmiddel". Tof om te krijgen, leuk om te geven. Veel ondernemingen voorzien dan ook in deze vouchers, maar moet u hierop btw aanrekenen? En wanneer moet u deze overdragen?

Wat is een voucher?

Een voucher is een “betaalmiddel” dat gebruikt wordt voor leveringen van goederen of diensten. Vouchers kunnen zowel op een fysieke (de echte bon) als op een elektronische drager staan. Die elektronische drager is niet gelijk aan een betaalkaart. Er is slechts sprake van een voucher wanneer op het ogenblik dat de voucher verhandeld wordt, de goederen, diensten of de verrichters ervan bekend zijn. Een voorbeeld is een cadeaubon van een bepaalde winkel of restaurant, een bongobon, … Op het ogenblik dat de koper de voucher koopt, zal reeds bekend zijn voor wat of waar de voucher gebruikt kan worden, ongeacht wie deze zal gebruiken.

Soorten vouchers

Er bestaan twee soorten vouchers. De eerste soort zijn de vouchers voor enkelvoudig gebruik. Bij deze soort staat de handeling en dus ook de btw van de onderliggende handeling (tarief en plaats) reeds vast. Een voorbeeld hiervan is een voucher voor een hoofdgerecht ter waarde van 34,99 euro. Het is duidelijk dat het btw-tarief van toepassing zijnde op de handeling 12% zal bedragen.

De tweede soort zijn de vouchers voor meervoudig gebruik. Hierbij staat de btw-behandeling nog niet vast, aangezien de handeling ook nog niet vast staat. Een voorbeeld is een voucher ter waarde van 34,99 euro te besteden in restaurant X. in dit voorbeeld staat nog niet vast wat er aangekocht zal worden. De gebruiker van de voucher kan een maaltijd ter waarde van 34,99 euro bestellen, maar evengoed ook nog een fles wijn. Beide handelingen hebben een ander btw-tarief.

Opeisbaarheid btw

Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw opeisbaar op het moment van het verhandelen van de voucher. Dit betekent dat bij de uitgifte van dergelijke voucher, de btw zal moeten worden afgedragen. Bovendien dient deze bij horeca ingegeven worden in het geregistreerd kassasysteem.

Bij vouchers voor meervoudig gebruik is de btw-behandeling nog niet gekend, waardoor de btw ook nog niet opeisbaar is bij het uitgeven van deze vouchers. Zij dienen in de horeca dan ook nog niet geregistreerd te worden in het geregistreerd kassasysteem.

Teruggave btw

Het gebeurt meer dan eens dat een voucher niet wordt ingeruild. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw wel reeds opeisbaar geworden op het ogenblik van verhandelen van de voucher. De vraag rijst dan of men de btw kan terugvragen van niet ingeruilde vouchers. Aangezien vouchers vroeger aanzien werden als een vooruitbetaling, was dit mogelijk. (Vr. nr. 72 Dirk Van der Maelen, 8 november 2007, vr. en Ant. Kamer 2007-08, afl. 5, 240).

Vanaf 1 januari 2019 kan dit niet meer op grond van de richtlijn (EU) 2016/1065 van 27 juni 2016. De nieuwe wetgeving voorziet namelijk in het vermoeden dat de handeling is verricht op het ogenblik van de verhandeling van de voucher voor enkelvoudig gebruik. Omwille hiervan kan de btw dan ook niet meer gerecupereerd worden bij het niet inruilen van de voucher.

Dit heeft als gevolg dat vouchers voor meervoudig gebruik op dit vlak een groot voordeel hebben. Aangezien bij deze vouchers de btw slechts opeisbaar wordt bij het inruilen van de voucher, houdt dit in er geen btw opeisbaar is bij niet ingeruilde vouchers. Daarnaast kent het verschil in tijdstip van opeisbaarheid ook een cashflow-voordeel toe aan het gebruik van vouchers voor meervoudig gebruik.

Uitzondering

Een vreemd fenomeen doet zich voor met betrekking tot vervoersbewijzen en toegangskaarten. De FAQ hieromtrent voorziet dat vervoersbewijzen en toegangskaarten uitgesloten zijn. Vreemd, aangezien noch de Belgische wetgeving noch de richtlijn in een dergelijke uitsluiting voorziet. Hoe dan ook heeft dit tot gevolg dat zij wel degelijk als voorafbetaling worden aanzien. Bij het niet komen opdagen bij dergelijke vouchers zal aldus de btw wel nog teruggevraagd kunnen worden. Het lijkt dan ook niet geheel duidelijk of de FAQ doelt op de vervoersbewijzen en toegangskaarten zelf of vouchers die recht geven op vervoersbewijzen of toegangskaarten.

Vanaf wanneer?

Zoals hiervoor bepaald gelden deze regels vanaf 1 januari 2019. Dit moet begrepen worden als vouchers die uitgegeven zijn vanaf 1 januari 2019. “Oude” vouchers volgen nog het oude regime. Dit wil zeggen dat de geldigheidsdatum van de voucher geen belang heeft bij het al dan niet toepassen van de nieuwe regels.

Conclusie

De regeling voor vouchers kent twee soorten, elk met een eigen btw-regels en bijhorende gevolgen. Door de nieuwe regel zal het niet inruilen van vouchers met enkelvoudig gebruik geen recht geven op teruggave van de afgedragen btw. Dit is een belangrijke verschil met de vroegere regeling. Tevens heeft deze soort voucher een nadelig gevolg op de cashflow van uw onderneming.


Huwelijk en partnerschap door een internationale bril

Sinds 29 januari 2019 is er een ééngemaakte regeling voor 18 Europese landen inzake huwelijksvermogensstelsel en geregistreerd partnerschap. Twee EU-verordeningen (2016/1103 en 2016/1104) verwijzen de nationale regels of rechtspraak, IPR-wetboeken en de Conventie van Den Haag naar de geschiedenisboeken. Wat betekent dit nu op vlak van huwelijksvermogensrecht en wettelijk samenwonen?

EU-verordeningen

Tegenwoordig wonen veel mensen als partners in een ander land dan dit waarvan zij de nationaliteit hebben of hebben beide partners een verschillende nationaliteit. De nieuwe EU-verordeningen beogen de Europese burgers te beschermen bij ontmanteling van hun huwelijk of samenlevingsvorm. De ene vordering (2016/1103) heeft betrekking op echtgenoten, de andere (2016/1104) op samenwonenden. Qua redactie zijn beide verordeningen nagenoeg elkaars spiegelbeeld.

Niet alle landen van de Europese Unie doen echter mee. Slechts 18 landen voelen zich geroepen, met name de Benelux landen, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Malta, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden.

Enkel kwesties inzake vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap zijn gevat door de verordeningen. De verordeningen regelen bijvoorbeeld niet de geldigheid of het bestaan van het huwelijk of het partnerschap, evenmin de onderhoudsverplichtingen of de erfopvolging van de overleden partner.

Elke lidstaat bepaalt autonoom of er sprake is van een huwelijk dan wel van een geregistreerd partnerschap. Het is immers mogelijk dat men voor de ene lidstaat gehuwd is en voor de andere wettelijke samenwonend. In heel wat Europese landen kunnen mensen van hetzelfde geslacht namelijk niet trouwen maar wel wettelijk samenwonen.

Welk recht is van toepassing wanneer de relatie strandt?

Sinds 29 januari 2019 is er een duidelijke aanknopingsfactor. De eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats bepaalt de wet voor het volledige huwelijksstelsel of geregistreerd partnerschap. In concreto is dit de gezamenlijke verblijfplaats op de dag van het huwelijk of bij het aangaan van de wettelijke samenwoning. Bijvoorbeeld op een Italiaans-Belgisch echtpaar, met eerste verblijfplaats in België, is het Belgisch huwelijksvermogensrecht van toepassing.

Voor koppels die nog 'zoekend' zijn naar een gemeenschappelijke verblijfplaats zou een respijttermijn van drie tot zes  maanden worden aanvaard. In het zeer uitzonderlijke geval van nog niet samenwonen geldt het recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit. Bij gebrek aan gemeenschappelijke nationaliteit geldt het recht van de staat waarmee ze het nauwst zijn verbonden.

Dit toepasselijk recht wordt meegedragen tijdens de volledige duur van het huwelijk of de samenleving. Verhuizen van verblijfplaats of veranderen van nationaliteit heeft hier in principe geen invloed op. Er is slechts één huwelijksvermogensstelsel en eenzelfde regeling bij geregistreerde partnerschap. Het totale vermogen, ongeacht de samenstelling en waar ook ter wereld, wordt geregeld door één nationaal rechtssysteem. Geen versnipperde regelingen dus.

Het recht van de eerste gezamenlijke verblijfplaats is bepalend ook voor diegene afkomstig uit niet gebonden lidstaten of vreemde landen en die in een gebonden land huwen of wettelijk samenwonen. Bijvoorbeeld een Belgisch-Australisch koppel, dat in Australië woont op de dag van het huwelijk, is onderworpen aan het Australisch recht. Bij ontbinding van het huwelijk in België zal het Australisch recht van toepassing zijn.

Is er toch nog een afwijkende keuze mogelijk?

Het is mogelijk om van bij de start of later na een verhuis te kiezen voor een ander rechtssysteem. In de praktijk betekent dit dat men kiest in het huwelijkscontract, in een akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden of bij het sluiten van het huwelijk. Echtgenoten kunnen een keuze maken voor het recht van hun nieuwe gewone verblijfplaats (of van één van hen) of van hun gezamenlijke nationaliteit (of van één van hen). Kiezen voor het recht van een toekomstige verblijfplaats is uitgesloten. Samenwoners kunnen daarenboven opteren voor het land waar zij hun partnerschap hebben geregistreerd.

De vormvereisten van de keuze worden bepaald door elke lidstaat afzonderlijk. Hoewel de wijziging in principe slechts geldt voor de toekomst, is het mogelijk om terugwerkende kracht te geven aan de wijziging. In geen geval mag de wijziging van stelsel nadeel bezorgen aan derden. Kinderen of familieleden zijn te beschouwen als derden.

Toepassing

De EU-verordeningen inzake huwelijksvermogensstelsel en geregistreerd partnerschap gelden voor zij die na 29 januari 2019 huwen of wettelijk samenwonen of die na die datum kiezen voor een ander regime. Voor alle anderen is het regelstelsel complexer. Het is daarom raadzaam om toch een rechtskeuze te doen.

Bovendien zijn eigenaardige resultaten of moeilijkheden niet ondenkbaar in die situaties waarbij niet-gebonden lidstaten zijn betrokken. Zullen zij bijvoorbeeld de rechtelijke beslissing genomen in een gebonden lidstaat erkennen?

Conclusie

Middels deze twee nieuwe EU-verordeningen is een belangrijke stap gezet in de verdere ontwikkeling van het Europese recht. Gezien steeds meer mensen in een internationale relatie zitten of eigenaar zijn van onroerend goed in het buitenland is de vraag naar het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel of geregistreerd partnerschap niet zonder belang.

Met de principiële toepassing van het recht van de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats is de start alvast duidelijk. Toch hebben koppels de mogelijkheid om bij aanvang of bij latere verhuis te kiezen voor een ander rechtssysteem. Met name het nationale recht van beiden of één van hen of van hun nieuwe  gewone verblijfplaats.


Onroerend goed anno 2019 - Vlaamse woninghuur

Een nieuw jaar betekent steevast ook nieuwe wetgeving. 1 januari 2019 betekent behoorlijk wat wijzigingen op het gebied van onroerende goederen. Zo is er de nieuwe appartementswet, zijn de regels voor studentenkamers aangepast én is het nieuwe Vlaamse Woninghuurdecreet in werking getreden.
In deze bijdrage nemen we het nieuwe huurdecreet onder de loep.

Vlaams Woninghuurdecreet

Het nieuwe decreet is toepasselijk op de huurovereenkomsten van een hoofdverblijfplaats die worden afgesloten vanaf 1 januari 2019. Voor alle andere huurovereenkomsten blijven de oude regels gelden. Wat wijzigt het nieuwe decreet nu precies?

Huurwaarborg

De meest opvallende nieuwe regel is deze dat de verhuurders vanaf nu 3 maanden huur kunnen eisen, als huurwaarborg. Vroeger was dit maximaal 2 maanden. De reden van deze optrekking is dat de decreetgever alle belangen met elkaar wou verzoenen, zowel die van de verhuurder als deze van de huurder. Enerzijds willen de verhuurders zekerheid van betaling, in het geval de huurder een wanbetaler zou zijn of schade aan het pand zou hebben aangericht. Anderzijds moest ook de private huurmarkt toegankelijk blijven voor financieel zwakkere huurders.

Deze huurwaarborg moet op een geblokkeerde rekening staan. Wat als de huurder de waarborg in cash betaalt en de verhuurder zet deze niet op een geblokkeerde rekening? In dat geval moet de verhuurder intresten aan de huurder betalen en mag de huurder de waarborg als betaalde huur beschouwen. Bijkomend moet de huurder de waarborg dan wel zelf op een geblokkeerde rekening zetten.

Duurtijd

De regel blijft dat een woninghuurovereenkomst voor 9 jaar wordt gesloten. Maar ook de kortere overeenkomsten van maximaal 3 jaar huur blijven mogelijk. Wat is er dan wel gewijzigd?

Bij contracten voor korte duur kan de huurder nu ook opzeggen. De huurder moet in dat geval wel rekening houden met een opzegtermijn van 3 maanden en met een opzegvergoeding. Deze vergoeding is anderhalve, een hele of een halve maand huurprijs, afhankelijk of de opzegging plaatsvindt in het eerste, tweede of derde jaar.

Onderhoud en herstellingen

Het gehuurde onroerend goed moet, op straffe van nietigheid van de huurovereenkomst, voldoen aan de elementaire voorschriften van veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit. Het nieuwe decreet stelt de huurder verantwoordelijk voor kleine herstellingen en herstellingen die nodig zijn door een oneigenlijk gebruik van het pand of door een gebrek aan onderhoud als een goede huisvader. Herstellingen door ouderdom of overmacht komen dan weer ten laste van de verhuurder.

Medehuur

Het decreet regelt ook de medehuur. Dit biedt een betere bescherming voor partners die gehuwd of wettelijk samenwonend zijn. De nieuwe regels zorgen ervoor dat, wanneer de relatie een einde neemt, het woninghuurcontract sneller kan worden overgenomen door 1 van de partners. Wanneer de (soon to be) ex-partners het eens worden over wie de huur overneemt, dienen ze dit mee te delen aan de verhuurder. Komen ze niet tot een akkoord, dan kan de rechtbank hierover beslissen. Een zekerheid voor de verhuurder is dat hij nog tot 6 maanden nadat 1 van de partners geen huurder meer is, toch nog de huurprijs van hem of haar kan invorderen.


Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.


Private equity vennootschap revisited: beleg op een andere wijze.

Een private privak is een niet-genoteerde beleggingsvennootschap via hetwelk  private beleggers risicodragend investeren in niet-genoteerde ondernemingen. Dit private equity vehikel biedt investeerders de mogelijkheid om te beleggen in ondernemingen zonder gebruik te maken van een eigen vennootschap. Het fiscaal vriendelijk karakter van een private privak is een absolute bonus.

Door een gemis aan flexibiliteit is het succes echter zeer beperkt gebleven. Daarom is in de zomer van 2018 de private privak, voor de derde keer sinds haar wettelijke invoering in 2003, aangepast. Is het ditmaal de goede keer?

Versoepeling juridisch kader

Voortaan kan de private privak werkelijk controle uitoefenen over de vennootschappen  in haar portfolio. Hiermee wordt één van de grote hindernissen weggenomen die succes in de weg stonden. Het is nu immers mogelijk dat de private privak actief betrokken is bij het beleid van de vennootschappen waarin zij investeert. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten door aanwezigheid in het bestuur of door het geven van adviezen.

Een tweede hindernis die is opgeruimd betreft de duurtijd van de private privak. De initiële maximale looptijd van 12 jaar is voortaan verlengbaar. Indien de statuten dit voorzien kunnen de aandeelhouders tot tweemaal verlengen, telkens met een periode van maximaal 3 jaar. Dit is mogelijk nuttig in moeilijke economische tijden. Een verlenging vereist een goedkeuring door 90% van de stemmen die minstens 50% van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.

De minimale investering van een belegger in de private privak bedraagt nu 25.000 euro. Door de oorspronkelijke  drempel van 100.000 euro te verlagen komt een bredere groep van beleggers in aanmerking. Om niet te vallen onder de regels van openbare aanbiedingen moet het aanbod evenwel worden voorgesteld aan minder dan 150 investeerders.

Het aantal investeerders of aandeelhouders blijft ongewijzigd, ten minste zes niet-verbonden aandeelhouders zijn vereist. Aandeelhouders met stemrecht mogen in principe niet met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen. Verbonden aandeelhouders kunnen ervoor kiezen om als één aandeelhouder te worden beschouwd. Aandeelhouders die door familiale of aanverwante band tot de vierde graad met elkaar verbonden zijn, worden als één aandeelhouder gerekend.
Binnen de private privak is de creatie van verschillende compartimenten mogelijk. Dit zijn van elkaar onderscheiden delen zodat winst of verlies van het ene compartiment geen impact heeft op mogelijke dividenduitkeringen van een ander compartiment. Een compartiment vereist minimaal 6 niet verbonden aandeelhouders.

Belastinghervorming

Aan een private privak zijn een aantal fiscale gunstregelingen verbonden. Hierdoor is de private privak zelf nagenoeg vrijgesteld van belastingen. Voor de investeerder heeft de private privak het grote voordeel dat zij fiscaal neutraal is. Een minder gunstige fiscale behandeling dan een rechtstreekse investering is aldus uitgesloten. Indien de private privak haar wettelijke verplichtingen niet nakomt zal zij aan het normale stelsel van vennootschapsbelasting onderworpen worden.

Een voorafgaandelijk en blijvend inschrijving op de lijst van de private privaks bij de FOD Financiën is  vereist. Deze inschrijving houdt geen enkele beoordeling in van de opportuniteit en de kwaliteit van de verrichtingen of van de positie van de private privak.

Nieuw is de invoering van een belastingvermindering voor de minderwaarden die worden gerealiseerd op aandelen van een private privak opgericht vanaf 1 januari 2018. Deze vermindering is wel niet combineerbaar met ‘Tax Shelter for start-ups”. Naar aanleiding van de totale verdeling van de activa van de private privak geldt een belastingvermindering gelijk aan 25% van deze minderwaarde, met een plafond van 25.000 €. De minderwaarde is gelijk aan het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal verminderd met  (a) de ontvangen som bij verdeling en (b) de dividenden die de aandeelhouder heeft ontvangen.

Er is ook een indirect VVPRbis regime gecreëerd. Hierdoor kunnen investeerders toch genieten van de verlaagde roerende voorheffing van 15% of 20%. Vanzelfsprekend moet de private privak dan geïnvesteerd hebben in VVPRbis-aandelen.

Om dubbele belasting van dividenden te voorkomen, is een vrijstelling van roerende voorheffing ingevoerd bij  doorstorting van Belgische dividenden door de privak. Dit kan louter indien er roerende voorheffing verschuldigd was en deze niet is gecrediteerd door de private privak.

Conclusie

Dankzij de herwerkte juridische en fiscale regels is de private privak absoluut interessant. Het is een flexibel, fiscaal transparant en tijdelijk vehikel waarin meerdere personen kunnen beleggen in interessante investeringsdossiers. Voor niet-genoteerde ondernemingen kan het een mogelijk alternatief zijn voor bankkredieten en beursnoteringen ter financiering van hun investeringsprojecten.

Contacteer onze juristen bij specifieke vragen met betrekking tot de private privak.


Weglopen van uw rekening courant naar een lening met vaste looptijd?

Geld 'lenen' van de vennootschap via rekening courant of lopende rekening is voor een bedrijfsleider een pak duurder dan via een lening met vaste looptijd. Soms zijn er gewoonweg niet genoeg privémiddelen om de schuld op korte termijn af te lossen. Een aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening is ook geen evidentie.

De fiscus zal te weinig betaalde interesten bovendien belasten als voordeel van alle aard. Velen overwegen dan ook om de lopende rekening om te zetten naar een 'niet-hypothecaire lening met vaste looptijd'. Wat zijn de voordelen en aandachtspunten?

Kost van uw lopende rekening loopt op

Wanneer de bedrijfsleider en debetstand heeft op zijn rekening-courant en dus geld verschuldigd is aan de vennootschap, moet hij volgens de fiscus hiervoor interesten aan zijn vennootschap. De wetgever legt hiervoor jaarlijks een referentierentevoet vast. Voor aanslagjaar 2018 bedraagt deze 8,78%. Dit percentage wordt maandelijks toegepast op de stand van de lopende rekening. Betaalt de bedrijfsleider minder of zelfs niets, dan beschouwt de fiscus dit als een verkregen voordeel van alle aard en zal ze het verschil toevoegen aan zijn belastbare basis in de personenbelasting.

Bijvoorbeeld: de bedrijfsleider laat door de vennootschap een privé-uitgave betalen t.w.v. 10.000,00 euro. Hij heeft vanaf dat moment een schuld aan de vennootschap waarop hij 870,80 euro interest zou moeten betalen. Als hij niets aan zijn vennootschap betaalt, zal de fiscus de volledige 870,80 euro in de personenbelasting belasten als loon, aan het marginaal tarief. De vennootschap moet dit bedrag dan ook vermelden op de fiche 281.20 als bezoldiging van de bedrijfsleider.

Fiscaal: waarom omzetten?

De bedrijfsleider tracht vaak het belastbaar voordeel vaak te vermijden of verkleinen door een een lening met vaste looptijd af te sluiten met zijn of haar vennootschap. De wettelijk vastgelegde percentages voor een niet-hypothecaire lening met vaste termijn liggen namelijk aanzienlijk lager. Het maandelijks lastenpercentage bedraagt hiervoor slechts 0,20% (of bijvoorbeeld 4,72% op jaarbasis voor een vijfjarige lening).

Wanneer men de debet lopende rekening laat omzetten in een lening met een vaste looptijd, moet de bedrijfsleider eveneens de interest effectief betalen aan de vennootschap. Dit opnieuw om niet privé belast te worden op een voordeel van alle aard. Ten slotte vormt de betaalde interest een financiële opbrengst in de vennootschap en moet deze laatste hierop vennootschapsbelasting betalen.

Knipperlichten

De omzetting van een lopende rekening in een lening met vaste looptijd vergt oog voor een aantal aandachtspunten. Zoniet kan de fiscus de omzetting beoordelen als fiscaal misbruik en u alsnog belasten aan het hogere voordeel van alle aard.

  • Boekhoudkundig moet de rekening-courant worden overgeboekt naar een rekening  'overige vorderingen op lange termijn' respectievelijk 'overige vorderingen op korte termijn'.
  • Houd steeds rekening met het vennootschapsrecht, meer bepaald bepalingen omtrent belangenconflicten. De bedrijfsleider moet bijvoorbeeld eventuele (mede)vennoten inlichten wanneer zijn belangen tegenstrijdig zijn met die van de vennootschap. Er moet ook een verslag worden opgemaakt met de vennootschapsrechtelijke gevolgen van de actie, dat samen met de jaarrekening wordt neergelegd.
  • Laat een leningscontract opstellen tussen u en uw vennootschap en laat dit registreren bij een registratiekantoor van de overheid. Dit zorgt ervoor dat u de datum van de omzetting vastlegt.

Laat u bij dit laatste aspect zeker adviseren door ons legal team: zij stellen voor u een geschikte overeenkomst op.


Conventioneel gecreëerde huwgemeenschap

Echtgenoten kunnen middels een huwelijkscontract kiezen voor een conventionele huwgemeenschap. Dit betekent dat zij zelf de regels vastleggen voor de samenstelling, de vereffening en de verdeling van deze gemeenschap. Dergelijk gemeenschapsstelsel is duidelijk te onderscheiden van de wettelijke gemeenschap. De rechten inzake bestuur en de rechten va de schuldeisers zijn echter "untouchable".

Wettelijk stelsel: mag het een ietsje meer zijn?

Gehuwden onder het wettelijk gemeenschapsstelsel hebben de vrijheid om eigen goederen alsnog in gemeenschap te brengen. Dit kunnen zowel specifieke actuele goederen betreffen als nog toekomstig te verwerven goederen uit schenkingen of erfenissen. Het kan zowel om roerende als onroerende goederen gaan.

Indien echtgenoten beslissen om al hun huidige en toekomstige goederen in gemeenschap te brengen, dan kiezen zijn voor het stelsel van algehele gemeenschap. Er zijn in dit geval geen eigen vermogens.

Anticipatieve inbreng van een onroerend goed door ongehuwden

De anticipatieve inbreng van een onroerend goed is een nieuwigheid voor een ongehuwd koppel dat samen een onroerend goed aankoopt in onverdeeldheid. Het is echter niet uitgesloten dat ze later trouwen, mogelijk hebben zij  de wens om dit voorhuwelijks goed alsnog in gemeenschap te brengen. De mogelijke redenen hiervoor zijn divers. Zo kan het voordelen bieden inzake financiering of bestuur.

Zonder de nieuwe wettelijke bepaling leidt de uitvoering van deze wens tot het opstellen van een huwelijkscontract waarin zij bepalen dat het voorhuwelijks aangekochte onroerende goed in gemeenschap wordt gebracht. Dit brengt natuurlijk kosten met zich mee.

Om geen extra moeite of kosten te moeten doen voorziet de wet nu in een clausule van anticipatieve inbreng in de aankoopakte. Middels dergelijke clausule zal het onroerend goed bij een later huwelijk automatisch tot de huwgemeenschap behoren.

Niets belet de echtgenoten echter om terug te komen op deze anticipatieve clausule en er via een huwelijkscontract alsnog van af te wijken.

Schulden ingevolge inbreng in gemeenschap

Een nieuwe wettelijke regeling is er ook voor schulden ingevolge een inbreng in gemeenschap. Het speelt hierbij geen enkele rol of het een standaardinbreng of anticipatieve inbreng betreft.

Voortaan zijn de nog openstaande schulden op het ogenblik van de inbreng en die door de inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, ten laste van het gemeenschappelijk vermogen. Deze regel is evenwel niet dwingend en het staat de echtgenoten vrij om hieromtrent een andersluidende overeenkomst te maken.

Toepassing in de tijd

De bepalingen met betrekking tot de gevolgen van de inbreng zijn van toepassing vanaf 1 september 2018. Behoudens indien het huwelijkscontract voorziet in een afwijkende regeling  zijn de regels ook van toepassing op eerdere inbrengen. Voor wie nog niet gehuwd is een verklaring van anticipatieve inbreng mogelijk vanaf 1 september 2018.


Levensverzekering en gehuwden in een stelsel van gemeenschap

Individuele levensverzekeringen en gehuwden in een stelsel van gemeenschap, het is al vele jaren voer voor verwarring en discussie. Bijvoorbeeld: is er een vergoeding verschuldigd, is de verzekeringsprestatie eigen of gemeenschappelijk, wat bij en na een echtscheiding? De nieuwe huwelijksvermogensregels kaderen en verduidelijken het vermogensrechtelijk statuut van uitkeringen van individuele levensverzekeringen.

Individuele levensverzekering

De nieuwe regeling is uitsluitend van toepassing voor uitkeringen van individuele levensverzekeringen en niet voor groepsverzekeringen. Individuele levensverzekeringen vertrekken namelijk vanuit een persoonlijk initiatief van de verzekeringsnemer en vallen, in tegenstelling tot groepsverzekeringen, niet onder  de sociale zekerheidswetgeving. Daarenboven verschillen beide verzekeringen wezenlijk qua financiering en uitbetaling.

Vertrekpunt is  dat het contract van levensverzekering is afgesloten door een verzekeringsnemer die gehuwd is in een gemeenschapsstelsel. De levensverzekeringsuitkeringen kunnen bijvoorbeeld in kapitaal of in afkoopwaarde zijn.

Uitkering tijdens het huwelijk

Klassiek voorbeelden zijn de pensioenspaarverzekering uitgekeerd tijdens het huwelijk of  de beleggingsverzekering afgekocht tijdens het huwelijk.

Indien de premies merendeel betaald zijn met gemeenschappelijke gelden dan zijn de latere uitkeringen tijdens het stelsel gemeenschappelijk. Het is dus onbelangrijk dat een deel van de premies met eigen gelden is betaald, wel zal het eigen vermogen een vergoeding krijgen voor de met eigen middelen betaalde premies.

Zijn de premies daarentegen hoofdzakelijk betaald met eigen gelden dan komt de uitkering  terecht in het eigen vermogen van de begunstigde. In dergelijk scenario ontvangt de huwgemeenschap een vergoeding voor de met gemeenschapsgelden betaalde premies.

Uitkering wegens overlijden

Als de uitkering plaats vindt wegens overlijden zijn twee mogelijkheden te onderscheiden.

1. Levensverzekering afgesloten door een echtgenoot (A) ten gunste van zijn mede-echtgenoot (B)

Dit is wat men noemt een AAB-configuratie, de verzekering is afgesloten door echtgenoot A op zijn eigen hoofd, ten voordele van echtgenoot B. In dit geval zegt de wet dat de uitkering een eigen goed is van de langstlevende (B), ook al zijn de premies uitsluitend met gemeenschapsgelden betaald.

Echtgenoot B is hiervoor geen vergoeding verschuldigd aan de gemeenschap. Het is echter niet uitgesloten dat er sprake is van een schenking indien zou blijken dat er intentie was om te begiftigen. Schenkingen die onrechtstreeks via aan levensverzekering tot stand komen zijn onderworpen aan inkorting.  Voor zover dit uitdrukkelijk bedongen is in de verzekeringsovereenkomst, ook aan inbreng.

2. Levensverzekering afgesloten door een echtgenoot (A) die het overlijdensrisico van zijn mede-echtgenoot (B) wil dekken ten gunste van zichzelf (A)

Dit is wat men noemt een ABA-contract. Ook in dit geval is de uitkering een eigen goed van de langstlevende (A), zelfs al zijn de premies met gemeenschapsgelden betaald. In tegenstelling tot vorig scenario is wel degelijk een vergoeding verschuldigd aan de huwgemeenschap.

Geen opeisbare uitkering bij ontbinding van het stelsel

Twee scenario's zijn mogelijk. Primo het stelsel wordt ontbonden door echtscheiding of door conventionele omzetting naar een ander huwelijksstelsel. Secundo het is de begunstigde van het levensverzekeringscontract die overlijdt en niet de verzekerde. In beide gevallen is de verzekeringsprestatie niet opeisbaar bij de ontbinding van het huwelijk.

De kwalificatieregels bepalen dat de vorderbare netto-afkoopwaarde van het verzekeringscontract, op datum van ontbinding van het stelsel, een eigen goed is van de verzekeringnemer. Wanneer meer dan de helft van de premies zijn betaald door de gemeenschap, dan heeft de huwgemeenschap recht op een vergoeding. Deze vergoeding kan nooit kleiner zijn dan  de betaalde premies.

Toepassing in de tijd

De besproken regels gelden voor verzekeringsprestaties verschuldigd vanaf 1 september 2018.  Ze zijn ook van toepassing voor de berekening van afkoopwaarden vanaf 1 september 2018.

Voormelde regels inzake het vermogensrechtelijk statuut van uitkeringen van individuele levensverzekeringen zijn echter niet van dwingende aard. Middels huwelijkscontract kunnen andere schikkingen worden getroffen met betrekking tot hun individuele levensverzekeringen.


Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, juryleden, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.

Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.