Restschenking en familiale vennootschap

Restschenking en familiale vennootschap. Hoe verenigen die twee zich met elkaar? Wel, de Vlaamse decreetgever voorziet al een tijdje in een gunstregeling voor familiebedrijven of familiale ondernemingen. Kort samengevat komt het er op neer dat er bij een overlijden een vlak tarief van 3% erfbelasting wordt toegepast. Interessanter is echter om bij leven al te plannen. U kan namelijk schenken aan 0%, dus schenken zonder hierop ook maar enige belasting te betalen. Uiteraard zijn er een aantal voorwaarden waaraan u moet voldoen om van dit gunsttarief te kunnen genieten, deze kan u nalezen in een vorige bijdrage.

Bij voorkeur koppelt men dergelijke schenkingsakte aan een aantal voorwaarden. Courante modaliteiten zijn: de zaakvervanging, het vervreemdingsverbod, het beding van eigen blijven en het (al dan niet optionele) beding van terugkeer. Maar ook de figuur van de restschenking of fideïcommis de residuo kan zijn nut bewijzen in de planning. Maar wat is dit juist en hoe moeten we dit interpreteren in het kader van een familiale vennootschap? Lees gerust verder, u komt er alles over te weten.

Restschenking of fideïcommis de residuo

Waarover gaat het nu eigenlijk? De restschenking of schenking met fideïcommis de residuo is een rechtsfiguur waarbij de schenker de gewenste goederen schenkt aan een eerste begiftigde. In diezelfde schenkingsakte stelt de schenker ook meteen dat wat er bij het overlijden van deze eerste begiftigde nog aan goederen overblijft, zal toekomen aan een tweede begiftigde. De schenker benoemt deze tweede begiftigde ook meteen in de schenkingsakte. De tweede overgang van de goederen valt daardoor ook onder de schenkbelasting. Mocht de restschenking niet opgenomen zijn, zou deze overgang onder de erfbelasting terechtkomen.

Handig om te weten is dat de figuur van de restschenking zowel in het kader van een schenking als in het kader van een legaat mogelijk is.

Combinatie met de vrijstelling schenkbelasting

Er zijn twee momenten die we in aanmerking moeten nemen: de schenking aan de eerste begiftigde en de restschenking aan de tweede begiftigde. Deze laatste is in feite een schenking onder opschortende voorwaarde. Zij krijgt pas ten volle uitwerking door de realisatie van de voorwaarde waarvan zij afhangt. Concreet: het moment van overlijden van de eerste begiftigde.

In combinatie met de regels voor familiale vennootschappen kan dit tot mooie of minder mooie situaties lijden.

Bij de schenking aan de eerste begiftigde zal meestal voldaan zijn aan de voorwaarden om van de vrijstelling van schenkbelasting te kunnen genieten. De restschenking zal hier ook van kunnen genieten, indien de vereiste voorwaarden op het moment van overlijden van de eerste begiftigde nog steeds vervuld zijn. Indien dit niet het geval is, zal op de restschenking het "normale" tarief van 3% schenkbelasting van toepassing zijn.

Wat nu indien de voorwaarden voor vrijstelling bij de eerste schenking toch niet voldaan zijn, maar wél bij de restschenking? In dat geval zal de vrijstelling toepasselijk zijn op de restschenking. Met andere woorden: op de eerste schenking zal 3% betaald worden, de tweede schenking geniet van de vrijstelling. Maar het is wel opletten geblazen. u moet het in de akte voorzien dat men zich nu of in de toekomst mogelijks op de vrijstelling wil beroepen.

Wat als de fiscaliteit wijzigt?

De Vlaamse Codex Fiscaliteit (V.C.F) stelt in artikel 2.8.7.0.2 uitdrukkelijk dat het toepasselijk tarief dat is "dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn, indien de handeling onvoorwaardelijk was". Wat wil dit nu zeggen?

Stel, u doet een schenking van uw familiale vennootschap met vrijstelling van schenkbelasting. U voorziet ook in een restschenking. Zonder de vrijstelling, zou u op de schenking 3% registratierecht betalen (tarief voor schenking van roerende goederen). In de loop der jaren past de Vlaamse decreetgever zijn tarieven aan en de schenkbelasting op roerende goederen wordt verhoogd. Door het opnemen van de restschenking in uw oorspronkelijke schenking, zijn de tarieven vastgeklikt. Op de restschenking zijn de tarieven van de oorspronkelijke schenking van toepassing.

aternio staat u graag met raad en daad bij wanneer u wil starten met uw vermogensplanning.


Samenwonen of niet: hoe streng is het echtelijke dak?

Verliefd, verloofd, getrouwd. Huisje, tuintje, kindje. Spreekwoorden in overvloed. "Onder traditionele omstandigheden" sluiten die vlekkeloos aan op elkaar. Maar wat logisch en natuurlijk is voor de ene, is dat niet voor de andere. Zo zijn sommige koppels overtuigd van hun liefde voor elkaar, bezegelen ze dat met een huwelijk, maar continu met elkaar onder hetzelfde dak samenwonen is de spreekwoordelijke brug te ver.

Kan u tijdens het huwelijk elk een apart domicilieadres hebben? Of (aangezien we toch met spreekwoorden aan het goochelen zijn) steekt de wetgever daar een stokje voor ?

Wat zegt de wet?

Het Burgerlijk Wetboek (BW) regelt de rechten en plichten voor gehuwden. Dit vormt het huwelijksvermogensrecht en is terug te vinden in de artikels 203 tot en met 224 BW. Voornoemde artikels vormen het primair stelsel, wat wil zeggen dat deze dwingend van toepassing zijn op alle echtgenoten. Hierop zijn geen afwijkingen mogelijk.

Artikel 213 BW omvat onder meer het samenwonen en valt middenin die dwingende regels. Dit artikel stelt letterlijk: "Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd."

Om het even technisch te benaderen: wanneer regels van dwingend recht geschonden zijn, is dit op straffe van nietigheid. Persoonsrechtelijke aspecten zijn van openbare orde, ze raken aan de essentiële elementen van de samenleving, waardoor de sanctie een absolute nietigheid is. Vermogensrechtelijke aspecten zijn van dwingend recht en vallen onder de sanctie van de relatieve nietigheid, ze raken enkel de persoonlijke belangen van de echtgenoten).

Een schending van de regels van het primair huwelijksvermogensrecht valt met andere woorden onder de sanctie van de relatieve nietigheid. Door het relatief karakter is het mogelijk om de nietige rechtshandeling later nog te bevestigen. In tegenstelling tot de absolute nietigheid mag de rechter deze nietigheid niet uitspreken tenzij een partij hem hierom verzoekt.

Wat doet de praktijk?

In de praktijk kiezen echtgenoten er soms bewust voor om het eerste deel van artikel 213 BW te vergeten en dus toch apart te blijven wonen. De redenen om niet te gaan samenwonen kunnen divers zijn. Gezien de beide echtgenoten het hierover eens zijn, en de nietigheidsgrond dus niet inroepen, is er in eerste instantie geen vuiltje aan de lucht.

Maar wat niet is, kan echter wel nog komen. Wat als één van de echtgenoten de echtscheiding wil instellen?

Feitelijke scheiding

Omwille van het aparte domicilie vallen de echtgenoten principieel onder het systeem van de feitelijke scheiding.

Maar, wanneer deze feitelijke scheiding een bepaalde periode duurt, kan dit een grond vormen tot effectieve echtscheiding. Eén van de echtgenoten kan die vordering helemaal alleen instellen zodra de feitelijke scheiding meer dan 1 jaar duurt. Basis van de echtscheiding: de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk.

Even halt houden: is dit effectief zo zwart-wit? Nee, er is geen sprake van een feitelijke scheiding ingeval van een tijdelijke verwijdering van de woonplaats. Zelfs niet wanneer zij langere tijd duurt zoals bij een verwijdering als gevolg van de beroepswerkzaamheid, ziekte, verblijf in de gevangenis, verblijf in het ziekenhuis of in een psychiatrische inrichting of in andere gelijkaardige omstandigheden.

De feitelijke scheiding vereist dus zowel een materieel element,  het apart wonen, als een intentioneel element, de wil in hoofde van minstens 1 echtgenoot om geen levensgemeenschap meer te vormen met de mede-echtgenoot.

Al het voorgaande smelt weg als sneeuw voor de zon, indien u toch terug zou gaan samenwonen.

Hoe bekijkt de fiscus dit?

Als u in een bepaald jaar feitelijk gescheiden bent, moet u in principe het volgende jaar nog een gezamenlijke aangifte indienen.

Afhankelijk van hoe de situatie van de feitelijke scheiding ontstaan is, zal dit niet altijd zo makkelijk zijn. Om hieraan tegemoet te komen, aanvaardt de administratie echter twee afzonderlijk ingediende aangiften. In dat geval zullen zij de gegevens van de twee aangiften zelf samenbrengen om toch 1 enkele gemeenschappelijke aanslag te kunnen vestigen.

Bij de online-aangifte via Tax-on-web is het voor het jaar van feitelijke scheiding alleen mogelijk om een gezamenlijke aangifte in te dienen. Als u dus twee afzonderlijke aangiften wil indienen, zal dit op papier moeten gebeuren.

Bijkomend "weetje" is dat de fiscus kan eisen dat u bijdraagt in de betaling van de belastingen van uw echtgenoot, ook al bent u feitelijk gescheiden. Dit zal afhankelijk zijn van de aard van zowel het huwelijksstelsel en deze van de belasting. In een volgende bijdrage wordt hierop dieper ingegaan..


Geen voordeel bij marktconforme vergoeding?

In een recent arrest van 28 mei 2019 spreekt het Hof van Beroep van Antwerpen zich uit in het voordeel van een belastingplichtige inzake voordelen alle aard bij betaling van een marktconforme vergoeding. Met dit arrest gaat het Hof  regelrecht in tegen de strenge visie van de Minister van Financiën. Zo past de fiscus steeds de forfaits bij voordelen alle aard toe. Met een marktconforme bijdrage van de belastingplichtige houdt de fiscus absoluut geen rekening. Het Hof van Beroep fluit de fiscus hierin nu terug.

Voordelen alle aard

Een werknemer of bedrijfsleider kan, naast een bezoldiging in geld, ook allerhande voordelen van alle aard verkrijgen in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfswagens, leningen, bewoning, verwarming en elektriciteit enz.

Deze voordelen zijn belastbaar voor de werkelijke waarde bij de verkrijger (art. 36 WIB'92).

De wetgever heeft aan de Koning de bevoegdheid verleend om de waarde van die voordelen op een vast bedrag - dus forfaitair - te ramen. De meeste forfaits vinden we terug in artikel 18 van het KB/WIB'92.

Indien het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt voornoemd forfait verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider.

Forfait versus werkelijke waarde

Al decennialang woedt de discussie of deze forfaits in alle omstandigheden moeten worden toegepast.  Niet in het minste indien een werknemer of bedrijfsleider een marktconforme vergoeding betaalt, is er dan nog sprake van een belastbaar voordeel?

In dat geval is er immers geen sprake meer van een verrijking. Men bespaart immers niet op privéuitgaven die men anders wel had moeten doen. Ook indien de betaalde marktconforme vergoeding láger is dan de wettelijke forfaits, zou er geen sprake meer mogen zijn van een belastbaar voordeel.

Fiscus is streng

Maar de fiscus is streng. De fiscus past altijd het forfait toe.  Zo bevestigde  de Minister van Financiën in het verleden duidelijk gemaakt dat de eigen bijdrage enkel kon worden afgetrokken van het forfaitair gewaardeerde voordeel, niet van de werkelijke waarde.

Met het marktconforme karakter van de bijdrage houdt de fiscus dus geen rekening. Indien de bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider dus lager is dan het forfait, wordt hij nog steeds belast op het saldo, ook al is de bijdrage marktconform.

Rechtspraak is meegaander

Het recente arrest voor het Hof van Beroep te Antwerpen betreft een zaak waarbij de zaakvoerder met zijn vennootschap een overeenkomst rekening-courant sluit. De partijen komen een interest van 4,5% overeen. De forfaitaire rentevoet uit art. 18 KB/WIB'92 bedraagt op dat ogenblik echter 9%.

De fiscus belast de zaakvoerder op het saldo, met name 4,5% (9% minus 4,5%).

Maar volgens het Hof kan er slechts sprake zijn van een voordeel indie er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen voor de lening. De belastingplichtige kan dus nog steeds het tegenbewijs leveren dat het werkelijke voordeel lager ligt. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet kan leveren, is het forfait zonder meer van toepassing.

In deze zaak toont de zaakvoerder aan dat de aangerekende interestvoet van 4,5% marktconform (zoals tussen onafhankelijke contractspartijen) is. De aangerekende interestvoet is dus een evenwaardige tegenprestatie.

Het Hof besluit dus dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt dan de forfaire rentevoet zodat er in casu geen sprake meer is van een belastbaar voordeel alle aard.

Besluit

Eén zwaluw maakt de lente natuurlijk nog niet. Maar deze rechtspraak geeft wel moed en is hopelijk de voorbode voor meer. Deze uitspraak is bovendien niet enkel relevant voor leningen, maar  voor alle andere forfaitaire ramingen van voordelen alle aard.


Hamsterhuren: voor en nadelen uitgeplozen

Euh… say what? Pluizig… hamster… huren? Wees gerust, dit is geen handleiding voor het houden van een knaagdier. Hamsterhuren is de nieuwste trend in de vastgoedwereld.

Hoe ontstaan?

Voor veel jonge gezinnen of alleenstaanden is een eigen woning kopen vandaag niet meer zo vanzelfsprekend. Vastgoedprijzen schieten de hoogte in en de toekenningsvoorwaarden voor een hypothecaire lening verstrengen keer op keer.

Daarom hebben projectontwikkelaars het concept van hamsterhuren ingeroepen. In plaats van je huurgelden zogezegd weg te smijten, hamster je ze om deze dan later in mindering te brengen bij de eventuele aankoop van de woning.

“Eventuele” aankoop

Inderdaad, er is geen aankoopverplichting. Bij hamsterhuren is er een huurcontract voor een nieuwe, eventueel energiezuinige woning, gecombineerd met een koopoptie. De praktijk leert dat de beslissing om tot de aankoop over te gaan, binnen de tien jaar moet worden genomen. De huurgelden kan je vervolgens voor maximum vijf jaar inbrengen.

Je hoeft geen rekenwonder te zijn, om te merken dat je dus best na maximum vijf jaar tot de aankoop overgaat.

Ook nadelen? 

Huren wordt sparen. Dat is meteen het grootste voordeel. Echter zijn er toch enkele zaken om even bij stil te staan.

Omdat huurgelden niet meetellen voor de belastingen, verlies je gedurende de huurperiode het fiscale voordeel.

Bij het sluiten van de huurovereenkomst bepaalt men de aankoopprijs. Aangezien het om een nieuwbouwwoning gaat, is er daarbovenop 21% btw verschuldigd. Dit wordt vaak doorgerekend in de huurprijs. Indien men na vijf jaar de woning aankoopt, moet de koper in principe ook nog eens registratierechten betalen, daar het niet meer om een nieuwe woning, maar wel om een bestaande woning gaat. Men zou dit evenwel kunnen omzeilen door binnen de drie jaar tot de aankoop over te gaan. De aankoopprijs kan trouwens elk jaar geïndexeerd worden op basis van de gezondheidsindex.

De huurder staat in een ondergeschikt positie tegenover de verhuurder. Deze laatste kan mogelijk een hogere huurprijs vragen dan gemiddeld op de huurmarkt.

De rentevoeten kunnen bovendien na een aantal jaar fel gestegen zijn. Het is ook geen garantie dat je na de hamsterperiode de hypothecaire lening wel kan krijgen. In dat geval moet je verder blijven huren.

Verschil met huurkoop en koop op lijfrente

Bij huurkoop koop je de woning onmiddellijk aan. Je krijgt hierbij de mogelijkheid om een deel van de aankoopsom later of in schijven te betalen. Het grote verschil met hamsterhuren betreft de eigendomsoverdracht. Die is bij huurkoop niet optioneel.

Bij verkoop op lijfrente verkoopt men meestal de blote eigendom van een woning. Bijgevolg blijft het vruchtgebruik bij de verkoper tot deze overlijdt. Bij ondertekening van de akte ontvangt de verkoper een "bouquet" van 10 tot 30 procent van de verkoopprijs. De rest van het bedrag krijgt hij in de vorm van een maandelijkse rente, tot aan zijn dood. De praktijk toont ons echter dat men de betalingen vaak contractueel beperkt tot maximum twintig jaar. Al met al is de koop op lijfrente eerder een soort kanscontract en dus vooral interessant voor diegenen die op zoek zijn naar een belegging.

Conclusie

Hamsterhuren vergemakkelijkt de overstap van huren naar kopen. Het is een interessant concept voor mensen die hun toekomst willen verzekeren met een eigendom, maar deze niet onmiddellijk kunnen financieren. Echter is het steeds aan te raden om goed de rekening te maken van alle bijkomende kosten en de diverse scenario’s na een aantal jaar. Meer info over het nieuwe concept vind je bijvoorbeeld hier.

Heeft u toekomstplannen? Uiteraard staan de juristen van aternio u bij met raad en daad!


Ik heb een cryptorekening , moet ik deze fiscaal aangeven?

Cryptomunten, waaronder bitcoin of litecoin, zijn al lang geen onbekend fenomeen meer. De media voedt de controverse omtrent de betrouwbaarheid en de duurzaamheid van virtuele munten haast dagelijks. De financiële markautoriteiten, zoals de FSMA in België, waarschuwen bovendien regelmatig voor de risico's van investeren in crypto currency.

Verwachte (hoge) waardestijgingen zet mensen niettemin aan om te beleggen in cryptomunten. Wie zegt beleggen kan niet om de fiscus heen. De belastingdiensten hebben een niet te stuiten honger en willen maar al te graag gerealiseerde meerwaarden op cryptomunten belasten. Het fiscale lot van cryptomunten is in België echter niet kristalhelder.

Of meerwaarden al dan niet belast worden als beroepsinkomen of omwille van hun speculatief of divers karakter, wordt niet behandeld in deze bijdrage. Neen, nu gaan we enkel na of een cryptorekening, een zogenaamde 'wallet', onderworpen is aan een fiscale meldingsplicht.

Centraal Aanspreekpunt voor (buitenlandse) rekeningen

Het Centraal Aanspreekpunt, kortweg CAP, is een  databank van bankrekeningnummers en soorten contracten bij financiële instellingen in België. Bovendien registreren Belgische inwoners hier door hen aangehouden buitenlandse rekeningen.

Belgische inwoners melden aan het CAP buitenlandse rekeningen waarvan zijzelf, hun huwelijks- of wettelijke partner of minderjarige kinderen titularis zijn. In het aangifteformulier van de personenbelasting vermelden zij het bestaan van buitenlandse rekeningen en bevestigen zij dat de nummers van deze rekeningen zijn meegedeeld aan het CAP.

Fiscaal is er geen discussie (meer) over het feit dat een rekening bij Paypal,  Google of Facebook juridisch en economisch kwalificeert als buitenlandse rekening. Bij dergelijke rekeningen is enkel sprake van verplichte melding bij beroepsmatig gebruik of wanneer er langer dan noodzakelijk voor een transfer tegoeden op de account staan.

Minder duidelijk is het of een cryptowallet zonder meer gelijkgesteld is met een buitenlandse rekening.

Cryptowallets:

Cryptowallets hebben vooreerst niks te maken met een traditionele portefeuille. De wallet is in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden niet de bewaarplaats  voor de cryptomunten. De munten zijn geregistreerd in de blockchain van het cryptomuntennetwerk, bijvoorbeeld bitcoin. De wallet is de interface of het gebruikersportaal. In de cryptowallets bevinden zich de private sleutels, vergelijkbaar met paswoorden, die toegang geven tot de blockchain. Wallets bestaan hoofdzakelijk  in vier types: web, mobile, desktop of offline. Terzijde, criminelen hacken niet de cryptomunten maar wel de wallets met de private keys.

Actueel zijn er de zogenaamde 'exchanges' waarop kopers en verkopers cryptomunten verhandelen.

Dit zijn vaak gecentraliseerde plaatsen om cryptomunten met tussenkomst van een 'trusted third party'  te verhandelen of om te zetten in een officieel betaalmiddel. In de mate dat deze wallets worden aangeboden door exchanges met een buitenlandse licentie vallen deze met grote waarschijnlijkheid onder de individuele aangifteplicht van een buitenlandse rekening. Voorbeelden zijn Coinbase, Kraken of Gemini.

Wallets waarbij men zelf instaat voor de veiligheid vallen momenteel door de mazen van de aangifteplicht. Dit is het geval voor wallets bijgehouden via een app, software of een offline medium, zoals speciale usb-sticks of duurzaam materiaal (hout, papier of metaal).

Ook het online verhandelen van cryptomunten middels gedecentraliseerde exchanges lijkt in de huidige stand van de wetgeving niet onmiddellijk aanleiding te geven tot aangifteplicht. In dit geval verhandelt men cryptomunten zonder tussenkomst van een centrale tussenpersoon of gebruik van een centrale server.

Gezien de huidige limitatieve definitie van belastbare financiële instrumenten vallen rechtstreekse aangehouden cryptowallets trouwens niet onder de jaarlijkse taks op effectenrekeningen. Er is dan ook geen aangifteplicht.

Aangifte van een cryptowallet

Naar analogie met bijvoorbeeld een Paypalrekening lijkt het dus relatief zeker dat wallets gehouden op de buitenlandse server van een derde partij moeten worden aangegeven aan het CAP. Net zoals bij Paypal zou er enkel sprake zijn van verplichte melding bij professioneel gebruik of wanneer de cryptomunten, middels de wallet, langer dan noodzakelijk voor een transfer worden bewaard. Dit lijkt een uitgemaakte zaak gezien het beleggingsoogmerk waarvoor virtuele munten vaak worden aangehouden.

In ieder geval zal enkel de 'public key' het voorwerp van de aangifte aan het CAP zijn en nooit de 'private key'. Deze laatste moet natuurlijk geheim blijven want hiermee beheert en controleert men namelijk de virtuele munten.

Conclusie

Onze huidige fiscale wetgeving worstelt op tal van vlakken met de  aanpak van cryptomunten.

Ondanks de huidige onduidelijkheid op wetgevend vlak is het melden van bepaalde cryptorekeningen toch aannemelijk. Dit is allicht zo voor de wallets aangeboden door gecentraliseerde crypto exchanges met een buitenlandse financiële licentie. Bij gedecentraliseerde exchanges zonder vertrouwde tussenpersoon zijn er praktische moeilijkheden die een aangifte actueel verhinderen. Wallets die volledig in eigen handen zijn vallen vandaag niet onder de aangifteplicht. Wetgevend initiatief terzake zou op zijn plaats zijn.

De melding aan het CAP en de aangifte in de personenbelasting van een buitenlandse cryptorekening zorgt ongetwijfeld voor fiscale interesse. De kans op een verder fiscaal vervolg, lees vragen of controle, is dus niet ondenkbeeldig. Vergeet immers niet dat de belastbaarheid van gerealiseerde meerwaarden op virtuele munten realistisch is.


Een partner maar geen kinderen: wie erft en wie niet?

In een eerdere bijdrage gingen we in op de situatie dat u alleenstaand bent en geen kinderen hebt. Wat nu indien u wel een partner hebt, maar al dan niet bewust kinderloos bent gebleven. Gaat alles dan automatisch naar uw langstlevende partner? Krijgen uw broers en/of zussen ook nog iets? Of misschien erven uw ouders ook nog wel? Het antwoord is afhankelijk van hoe uw relatie juist is samengesteld: bent u gehuwd - wettelijk of feitelijk samenwonend?

Huwelijk

U bent gehuwd, prachtig! Bij uw overlijden zal er eerst een ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel plaatsvinden. Hebt u gekozen voor het stelsel van scheiding van goederen, dan zijn er slechts 2 vermogens: het eigen vermogen van uzelf en dat van uw partner. Bent u onder het wettelijk stelsel gehuwd, dan zijn er  3 vermogens: het eigen vermogen van uzelf, dat van uw partner en dan nog het gemeenschappelijk vermogen. In dit laatste geval bestaat uw nalatenschap uit de goederen uit uw eigen vermogen en (standaard) de helft van het gemeenschappelijk vermogen. Wanneer er een huwelijkscontract in het spel is, kan deze verdeling echter anders zijn.

De huwelijkse partner heeft het meest uitgebreide wettelijke erfrecht. De grootorde van dat erfrecht is echter wel afhankelijk van de andere erfgenamen die tot de nalatenschap komen.

Wanneer er naast uw echtgenoot/echtgenote ook nog andere erfgerechtigden zijn, dan bekomt de langstlevende het vruchtgebruik op uw eigen goederen.  De goederen die zich in de gemeenschap bevinden of die in onverdeeldheid waren, zullen in volle eigendom toekomen aan de langstlevende.

Zijn er geen erfgenamen waarmee de langstlevende in samenloop komt, dan erft hij of zij uw volledige nalatenschap in volle eigendom.

Door te huwen weet u dus sowieso dat de goederen uit uw nalatenschap in handen van uw partner terechtkomen.

Wettelijk samenwonende partner

U en uw partner zijn naar de ambtenaar van de burgerlijke stand gegaan en u hebt daar een verklaring afgelegd. In dat geval bent u wettelijke samenwonend. De wet voorziet dan in een beperkt erfrecht voor de langstlevende partner.  Beperkt, als ware het een "light huwelijk", althans voor wat betreft het erfrecht. Uiteraard is het ook hier mogelijk om nog bij te sturen door middel van een testament.

De langstlevende wettelijk samenwonende partner erft enkel het vruchtgebruik op de gezinswoning en de aanwezige huisraad. Indien u de gezinswoning huurt, zal de langstlevende deze huur kunnen verder zetten en erft hij of zij enkel het vruchtgebruik op de aanwezige huisraad.

Ja, u leest het goed: de langstlevende heeft enkel aanspraken inzake het vruchtgebruik op de gezinswoning.  De blote eigendom zal aan de overige erfgenamen toekomen. Alle andere goederen die zich in uw nalatenschap bevinden, zullen bovendien integraal en in volle eigendom naar uw overige erfgenamen gaan, op basis van de regels van de wettelijke devolutie. Zijn er geen erfgenamen beschikbaar, dan zal de Staat uw goederen met plezier aanvaarden.

Feitelijke samenwoning?

Voor feitelijke samenwoners is er wettelijk niets geregeld.  De partners zijn als het ware vreemden voor elkaar. Indien er testamentair niets geregeld is, zijn het de erfgenamen van de respectievelijke partners die effectief zullen erven. Hiervoor verwijzen we graag naar de regels van de wettelijke devolutie, zoals uiteengezet in een eerdere bijdrage.

Dit kan zeer onaangename gevolgen hebben, bijvoorbeeld inzake de gezinswoning. In vele gevallen komt het wegvallen van een partner erop neer dat de langstlevende de woning moet verlaten. Een testament kan ook hier soelaas bieden en ervoor zorgen dat de langstlevende de woning toch kan verwerven.

Fiscaliteit

Sinds 2007 geldt voor de langstlevende partner in het Vlaamse Gewest namelijk een vrijstelling (0%) van erfbelasting op de nettowaarde van de gezinswoning. Hieraan zijn uiteraard een aantal voorwaarden gekoppeld. Zo geldt de vrijstelling van de erfbelasting voor de gezinswoning voor gehuwden, wettelijk samenwonenden of feitelijk samenwonenden. Voor feitelijk samenwonenden geldt bijkomend wel dat de partners minstens 3 jaar moeten samenwonen vóór het tijdstip van overlijden.

Conclusie

Het is belangrijk dat u de juiste afwegingen maakt van wat u zelf wil dat er met uw vermogen gebeurt. De juristen van aternio staan u graag om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Bewijs het maar! Nieuwe bewijsregels in het burgerlijk recht.

Het Belgische Burgerlijk Wetboek is op heel wat punten toe aan modernisering. Daarom staat een nieuw Burgerlijk wetboek in de steigers dat zal bestaan uit negen boeken. Boek acht inzake het bewijs is inmiddels klaar. Vanaf 1 november 2020 wijzigen de bewijsregels in het burgerlijk recht.

De aanpassingen zijn ingegeven vanuit de noodzaak om te moderniseren, te verduidelijken en beter te definiëren. Uiteraard heeft de technologische evolutie ook een impact op de bewijsvoering. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de regels van het vrije bewijs zijn uitgebreid.

Basis van bewijs

Behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, moet men alleen aangevoerde of betwiste feiten of rechtshandelingen bewijzen. Het recht, algemeen bekende feiten of ervaringsregels hoeven geen bewijsvoering.

Tenzij er afwijkende wettelijke regels  zijn, wordt het bewijs geleverd met een redelijke mate van zekerheid. Bij een negatief feit kan het aantonen van de waarschijnlijkheid van dat feit volstaan. Hetzelfde geldt voor positieve feiten waarvan het vanwege de aard zelf van het te bewijzen feit niet mogelijk of niet redelijk is om een zeker bewijs te verlangen.

Voortaan kan de rechter, bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, in het licht van uitzonderlijke omstandigheden, bepalen wie de bewijslast draagt wanneer de normale bewijsregels kennelijk onredelijk zouden zijn. Dit kan enkel wanneer de rechter alle nuttige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen, erover heeft gewaakt en vaststelt dat er vervolgens nog steeds geen voldoende bewijs is geleverd.

Vrij bewijsstelsel

In het vrije bewijsstelsel kan men het bewijs leveren op gelijk welke manier. Het oude plafond van 375 euro is verhoogd naar 3.500 euro. Dit impliceert dat heel wat handelingen voortaan zullen kunnen worden bewezen op eender welke wijze. Voor heel wat dagdagelijkse verrichtingen is een ondertekend geschrift dus niet meer noodzakelijk. Onder de grens van 3.500 euro kunnen bijvoorbeeld berichten via WhatsApp of Messenger, getuigen en vermoeden volstaan.

Eenzijdige rechtshandelingen

Inzake eenzijdige rechtshandelingen is het bewijs altijd vrij, ongeacht hun waarde. Eenzijdige rechtshandelingen zijn handelingen die uitsluitend plaatsvinden als gevolg van de wil van degene die ze uitvoert. Behoudens de instemming van de uitvoerder is van niemand anders goedkeuring vereist. Voorbeelden zijn een verkoopaanbod of een schuldbekentenis.

Opgelet voor een eenzijdige verbintenis tot betalen of levering van vervangbare zaken is wel een schriftelijke verbintenis vereist. De verbintenis levert bovendien pas een bewijs op indien zij de handtekening bevat van de persoon die zich verbindt. De som of de hoeveelheid moet voluit in letters worden geschreven door diegene die zich verbindt. Iedere overeenkomst die afwijkt van deze regel is nietig.

Voor het bewijs van de datum geldt een specifieke regeling. Een onderhandse akte verkrijgt, ten aanzien van derden, geen vaste dagtekening dan:
1° van de dag waarop zij is geregistreerd, ofwel
2° van de dag waarop de hoofdinhoud ervan is vastgesteld in een authentieke akte, ofwel
3° van de dag waarop minstens één van de partijen de akte of de datum ervan niet langer kan wijzigen, onder meer ten gevolge van het overlijden van een partij.

Ondernemingsbewijs

Tussen of tegen ondernemingen is het bewijs vrij, ook voor sommen die de som van 3.500 euro overschrijden. De vrije bewijsvoering geldt niet wanneer een onderneming iets wil bewijzen tegen iemand die geen onderneming voert. Voor natuurlijke personen die tevens ondernemer zijn geldt de vrijheid van bewijs niet voor rechtshandelingen die vreemd zijn aan hun onderneming.

Een door een onderneming aanvaarde of niet binnen een redelijke termijn betwiste factuur tegen deze onderneming levert bewijs op van de aangevoerde rechtshandeling. Het aanbrengen van een tegenbewijs is wel mogelijk.

De uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van een factuur door een persoon die geen onderneming is, maakt slechts een feitelijk vermoeden uit. Het gebrek aan betwisting van een factuur door een dergelijke persoon geldt niet als een aanvaarding van die factuur. behalve wanneer deze afwezigheid van betwisting een omstandig stilzwijgen uitmaakt.

Andere uitzonderingen op ondertekend geschrift

Een ondertekend geschrift kan steeds worden vervangen door een bekentenis, een beslissende eed of een begin van bewijs door geschrift voor zover dit laatste wordt aangevuld met een ander bewijsmiddel.  Derden kunnen het bewijs van een rechtshandeling met alle bewijsmiddelen leveren. Ten aanzien van derden kan een partij het bewijs leveren van een rechtshandeling met alle bewijsmiddelen.

Bron: Wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 'Bewijs', BS 14 mei 2019


Vruchtgebruik: wettelijke voortzetting, terugval of aanwas?

Vruchtgebruik. Bekend, bemind en vanzelfsprekend voor velen, soms onbegrijpelijk voor anderen. Het ontstaat door een opsplitsing van het (volle) eigendomsrecht in blote eigendom enerzijds en vruchtgebruik anderzijds. Het is een (zakelijk) recht om van een goed, waarvan een ander de blote eigendom heeft, het tijdelijk genot te hebben. Het kan gaan om het bewonen van een woning of het innen van de vruchten (lees: intresten) van een effectenportefeuille. Er zijn echter verschillende "types" mogelijk, die we graag even kort toelichten.

Type 1: wettelijk voortgezet vruchtgebruik

Schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik komen zeer courant voor. Sinds 1 september 2018 voorziet het nieuwe erfrecht in iets nieuws: de automatische overdracht naar de langstlevende echtgenoot van de schenker. Dit nieuwtje geldt ook richting de langstlevende wettelijk samenwonende partner, indien het over de gezinswoning gaat. Uiteraard zijn hier voorwaarden aan verbonden. Voorwaarde 1 is dat de begunstigde reeds gehuwd of wettelijk samenwonend was met de erflater op het ogenblik van de schenking. Voorwaarde 2 is dat de schenker gedurende zijn/haar leven geen afstand heeft gedaan van het vruchtgebruik.

Op deze wettelijk voorziene overgang dient "normaal gezien" erfbelasting te worden betaald. Normaal gezien, want er geldt een uitzondering indien het gaat om de gezinswoning. In dit laatste geval geniet de langstlevende van een specifieke vrijstelling in de erfbelasting.

Type 2: terugval

Soms weet iemand al op voorhand dat het wettelijk voortgezet vruchtgebruik geen uitwerking kan krijgen, omdat de voorwaarden niet vervuld zijn.

In dat geval kan een beding van terugval in de akte opgenomen worden. Daardoor kan de schenker alvast verzekeren dat het vruchtgebruik bij zijn/haar overlijden terechtkomt bij de gewenste persoon. Gebruikelijk gaat het hier om de langstlevende partner van de schenker. Het betreft een opvolgend vruchtgebruik onder de opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker (en dus geen wettelijk voortgezet vruchtgebruik). Wanneer dit niet expliciet in de akte staat, zal het vruchtgebruik dus aanwassen bij de blote eigenaars. Deze laatsten verkrijgen op dat moment dus de volle eigendom.

Wanneer de terugval uitwerking krijgt, zal de fiscale administratie deze belasten in de schenkbelasting. Dit geldt ongeacht of de terugval betrekking heeft op een onroerend of een roerend goed.

Bemerk hierbij het verschil: het wettelijk voortgezet vruchtgebruik valt onder de erfbelasting; de terugval valt onder de schenkbelasting. Dit kan een aanzienlijk verschil geven bij de uiteindelijk te betalen belasting!

Type 3: aanwas

Het voorgaande ging er steeds vanuit dat 1 iemand de schenking deed en diens voorbehouden vruchtgebruik aan iemand anders wou laten. Het is echter ook mogelijk dat echtgenoten of partners samen een schenking uitvoeren. Het gaat dan om gemeenschappelijke goederen of goederen die zij in onverdeeldheid aanhouden. In dat geval kunnen de beide schenkers als modaliteit bedingen dat, indien 1 van hen zou overlijden, het vruchtgebruik dan aanwast bij de langstlevende onder hen.

De langstlevende bekomt het vruchtgebruik dan door een zogenaamd "beding ten behoeve van zichzelf". Daardoor zal een dergelijke aanwas  geen aanleiding geven tot enige belasting, niet in de schenkbelasting en dus ook niet in de erfbelasting. Dit werd ook expliciet bevestigd door de Vlaamse decreetgever.

De juristen van aternio staan u graag om u te adviseren in deze materie. U kan ons hier contacteren.

 


Change of control clausules

Change of control clausules komen voornamelijk ter sprake bij overnamedeals van aandelen die een controlewijziging tot gevolg hebben.

Vaak verklaart de verkoper van de aandelen aan de koper dat er geen change of control clausules spelen.

De waarde van de onderneming is immers vaak afhankelijk van de waarde van haar overeenkomsten.

Indien er wél change of control clausules spelen, ontstaan immers ongemakkelijke situaties. Aan uw klanten, leveranciers of de bank zal gevraagd moeten worden of zij de overeenkomst ook verderzetten na de verkoop van de aandelen aan de koper.

Er gaat dan ook heel wat schuil achter deze clausules, die op het eerste gezicht banaal lijken.

Afbakening van het begrip

De controle is “de bevoegdheid om in rechte of in feite een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”.

Een “wijziging” in controle is het gevolg van het verlies van voorgemelde bevoegdheden, een vrijwillige overdracht, of een actieve “verovering” door een minderheidsaandeelhouder of een derde van de controle.

De change of control clausule maakt het mogelijk om een overeenkomst te verpersoonlijken. Als de bestuurder belangrijker wordt dan de vennootschap waarmee het contract wordt ondertekend, wees dan maar gerust dat dergelijke clausule aanwezig zal zijn. In het geval de bestuurder zijn zeggenschap in de vennootschap komt te verliezen zal de clausule uitwerking krijgen. De overeenkomst verliest voor de contractpartij immers mogelijkerwijze aan waarde.

Banken schrijven vaak dergelijke clausules in hun overeenkomsten waardoor zij het recht hebben om een lening voortijdig op te eisen wanneer de controle over de vennootschap wijzigt.

De clausule onder het oude vennootschapsrecht

Artikel 556 van het Wetboek van vennootschappen (hierna W.Venn.) bepaalt dat enkel de algemene vergadering aan derden rechten kan toekennen die een invloed hebben op het vermogen van de vennootschap, dan wel een schuld of een verplichting te haren laste doen ontstaan, wanneer de uitoefening van deze rechten afhankelijk is van een verandering van de controle die op haar wordt uitgeoefend.

In mensentaal…. als er een change in controle clausule aanwezig is in de overeenkomst waarop de vennootschap wenst in te tekenen zal de algemene vergadering dit moeten goedkeuren.

Het tweede lid van voorgemeld artikel stelt daarenboven dat dit besluit gepubliceerd moet worden.

Gelukkig gelden deze formaliteiten dan ook enkel in een NV en in de commanditaire vennootschap op aandelen.

Wij vermoeden dat maar weinig bestuurders zich hiervan bewust zijn…

Nietigheidsanctie

Voorgemelde bepaling is voorgeschreven op straffe van nietigheid.

De clausule (en eventueel heel de overeenkomst) is nietig indien zij niet werd goedgekeurd of de beslissing niet werd gepubliceerd.

Dergelijke formaliteiten hebben bijgevolg verstrekkende gevolgen.

Gevolgen afwezigheid van de goedkeuring

Een bestuurder treedt buiten zijn bevoegdheid als hij een overeenkomst tekent die niet wordt goedgekeurd door de algemene vergadering.

Aangezien de goedkeuring door de algemene vergadering is voorgeschreven bij wet, begaat de bestuurder aldus een overtreding van de wet.

Change of control clausules zijn dan ook au sérieux te nemen.

De vennootschap kan uitspelen dat zij niet gebonden is door de bewuste clausule en zich beroepen op de nietigheid. Indien de vennootschap bijvoorbeeld wordt aangesproken door de kredietverstrekker na een controlewijziging die het krediet onmiddellijk wenst op te zeggen kan zij stellen dat dit niet rechtsgeldig is! De goede trouw van de kredietverstrekker is daarbij zelfs irrelevant. Hij moet de wet kennen! De bank had dus moeten weten dat de algemene vergadering haar goedkeuring diende te geven.

Het is dan ook van belang om te weten:

  1. Hoe sterk u staat in een overeenkomst – Is de change of control clausule in uw voordeel?;
  2. Maar zeker of u dit ook kan uitspelen.

Deelbaarheidsbeding

Als de algemene vergadering de clausule niet heeft goedgekeurd is de change of control clausule nietig. De nietigheid van het beding kan wel eens de nietigheid van heel de overeenkomst teweeg brengen!

In een goed beredeneerde overeenkomst zal vaak een deelbaarheidsbeding zijn opgenomen. De nietige clausule wordt dan gewoon als een afzonderlijk deel in de vuilbak geworpen en het ander deel van de overeenkomst blijft bestaan.

Leest u uw contract wel eens goed na?

Change door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV)?

Artikel 556 W.Venn. is oorspronkelijk bedoeld als een beperking op beschermingsconstructies tegen overnamebiedingen. Het is dan ook niet de bedoeling geweest om deze bepaling om alle NV's toe te passen. Het WVV wijzigt dan ook het toepassingsgebied.

De verplichte goedkeuring door de algemene vergadering zal enkel noodzakelijk zijn in beursgenoteerde NV's.

De tekst is tevens gewijzigd van “invloed op het vermogen” naar “aanzienlijke invloed op het vermogen”. De beperking tot enkel beursgenoteerde NV's is een noodzakelijke wijziging, maar wat is een "aanzienlijke" invloed? De clausules worden immers pas pertinent wanneer er sprake is van een controlewijziging. De impact van een overeenkomst op het vermogen van een vennootschap is bijgevolg geen statisch gegeven...

Door de wijziging wordt dan ook enige rechtsonzekerheid ingevoerd.

Inwerkingtreding? Van algemene vergadering naar de Raad van Bestuur.

De bepaling met betrekking tot de change of control clausules zijn van dwingende aard en zullen dus automatisch op de NV's van toepassing worden op 01.01.2020.

U ontdekt na deze datum een overeenkomst met dergelijke niet-goedgekeurde clausule in een niet-beursgenoteerde NV? Dan dient de Raad van Bestuur deze overeenkomst te bekrachtigen!

Altijd noopt de ondertekening van een overeenkomst tot een grondige lezing! Wij staan voor u paraat als u hulp nodig hebt.


WLTP of NEDC? Bent u nog mee?

Wie nu een nieuwe wagen koopt, zal het zich zeker al hebben afgevraagd. Hoeveel CO2 stoot mijn wagen uit? In onze huidige maatschappij denken we immers allemaal wel na over het klimaat.

Nieuwe norm = WLTP

Wel, de CO2-uitstoot van nieuwe  wagens wordt voortaan gemeten volgens een nieuwe testprocedure, de zogenaamde WLTP (Worldwide Harmonised Light vehicle Test Procedure).

Deze WLTP-norm vervangt de oude NEDC-norm. De auto-industrie evolueert namelijk zodanig snel dat de NEDC-test niet meer aangepast is aan het huidige drukke verkeer. De Europese Unie heeft daarom beslist om gaandeweg de nieuwe WLTP-norm in te voeren.

Let wel, de nieuwe WLTP-norm is strenger en leidt tot hogere waardes van CO2-uitstoot.

Fiscaliteit

De CO2-uitstoot is niet enkel van belang voor het milieu. Deze normen zijn ook van belang in de fiscaliteit.

Denk maar aan de aftrek autokosten, het voordeel alle aard, de verkeersbelasting, de BIV enzovoort, die worden berekend aan de hand van de CO2-uitstoot.

Maar welke norm past de fiscus toe?

De fiscus bevestigt in haar FAQ dat u de oude NEDC-norm mag gebruiken tot eind 2020 voor de berekening van het voordeel alle aard. We nemen aan dat dit ook geldt voor de kostenaftrek.

Bij Vlabel bevestigen ze dan weer dat men enkel rekening houdt met de NEDC-norm voor de verkeersbelasting en BIV.

Tot eind 2020 mag nog de gunstigere NEDC-waarde (gemeten of omgerekend) gebruikt worden als basis voor de autofiscaliteit.

Gelijkvormigheidsattest

Waar kan ik de CO2-uitstoot van mijn wagen terugvinden?

Op het gelijkvormigheidsattest van uw nieuwe wagen (vanaf eind 2018) zou u - in principe - onder code 49 beide normen moeten terugvinden. Op het inschrijvingsbewijs zal u enkel de WLTP-norm vinden.

Oudere wagens zullen in principe enkel de oude NEDC-norm op hun documenten vermelden.

Conclusie

Indien u slechts één uitstoot terugvindt, verifieer dan eerst goed of dit weldegelijk de gunstigere NEDC-norm is en niet de strengere WLTP-norm.