Help, de houder van mijn recht van opstal is failliet!?

Stel u voor… U bent eigenaar van een grond, maar u hebt zelf geen intenties om daarmee iets te doen. Anderzijds zijn er mensen die een gebouw willen plaatsen maar er de grond niet voor vinden. In de wondere wereld van de zakelijke rechten, kunnen die 2 personen elkaar zonder problemen vinden in de figuur van het recht van opstal.

Wat gebeurt er nu eigenlijk wanneer de opstalhouder (degene die de gebouwen geplaatst heeft) failliet zou gaan. Dooft het opstalrecht dan gewoon uit en komen de gebouwen toe aan de grondeigenaar omwille van het recht van natrekking? Of komen die gebouwen in de faillissementsboedel van de opstalhouder (aangezien die er toch eigenaar van is gedurende de termijn van het recht van opstal).

Het antwoord is niet eenduidig en zal moeten blijken uit de tekst van de overeenkomst waarmee het opstalrecht werd gevestigd.

Recht van opstal - new style

Het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna BW) voorziet in het nieuwe boek 3 inzake goederenrecht in een definitie van het opstalrecht:
‚ÄúHet opstalrecht is een zakelijk gebruiksrecht dat het eigendomsrecht verleent op al dan niet gebouwde volumes, voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond om er bouwwerken of beplantingen te hebben.‚ÄĚ

U kan er alles nog even rustig over nalezen in onze eerdere bijdrage.

Ontbindende voorwaarde opnemen bij de vestiging van het recht van opstal

Een ontbindende voorwaarde verwijst naar een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Indien die gebeurtenis zich voordoet, dan gaat de voorwaarde in vervulling en gaat de verbintenis retroactief teniet (art. 1183 BW). De overeenkomst verdwijnt dan als het ware, alsof zij nooit heeft bestaan. Bovendien is hier geen enkele handeling van partijen of van een rechter voor nodig, de be√ęindiging is ‚Äúvan rechtswege‚ÄĚ.

De realisatie van de voorwaarde heeft bovendien niets te maken met een eventuele wanprestatie van een partij bij de overeenkomst.

Het kan dus interessant zijn om een dergelijke ontbindende voorwaarde op te nemen in de overeenkomst. Op die manier dan de overeenkomst dan van rechtswege een einde nemen indien deze:
- op initiatief van √©√©n van de partijen wordt be√ęindigd; ofwel
- indien ‚Äú√©√©n van de contractpartijen failliet wordt verklaard, tot gerechtelijk akkoord wordt toegelaten, in vereffening wordt gesteld, in collectieve schuldenregeling wordt toegelaten of anderszins in een situatie van insolvabiliteit terechtkomt‚ÄĚ.

Discussie in rechtspraak en rechtsleer

Er is echter discussie in de rechtspraak en rechtsleer over de kwalificatie van dergelijk beding. Gaat het hier wel om een ontbindende voorwaarde? Is het niet eerder een ontbindend beding? De grondslag van de verschillen tussen de beide figuren ligt in de grondslag: het ontbindend beding vereist een fout in de uitvoering van de overeenkomst; de ontbindende voorwaarde staat daar helemaal los van.

Vandaar dat de rechtspraak meestal de kwalificatie als ontbindende voorwaarde aanvaardt. Bij deze kwalificatie is het ontstaan van een situatie van samenloop niet per definitie (enkel) te wijten is aan de schuldenaar .

In de rechtsleer is echter een andere beweging ontstaan, in het voordeel van het ontbindend beding. Het doorslaggevende element bevindt zich daar vooral over het al dan niet toekennen van een keuzemogelijkheid aan de wederpartij. Aangezien er op vandaag nog geen definitief antwoord over de kwalificatie te geven is, kunnen we enkel maar hernemen dat het zorgvuldig opstellen van de overeenkomst van onmetelijk belang is.

Rechtbank van koophandel te Gent van 16 maart 2018

In het voornoemde vonnis stelde de curator dat de clausule die bepaalt dat het recht van opstal eindigt bij faillissement van de opstalhouder, de boedel op bedrieglijke wijze benadeelt. Dit aangezien de constructies hierdoor per direct uit het vermogen van de gefailleerde verdwijnen. In de overeenkomst was een be√ęindigingsvergoeding bedongen, maar de curator was van mening dat deze onvoldoende was om de opstallen te vergoeden. Daaruit wou men afleiden dat er sprake was van bedrieglijk opzet om de schuldeisers van de gefailleerde te benadelen.

In dit arrest stelt het hof dat de clausule die de be√ęindiging in geval van faillissement regelt, een ontbindende voorwaarde betreft die een einde maakt aan een lopende overeenkomst. Het hof stelt bovendien dat dergelijke clausule principieel geldig is in geval van faillissement.

Of een clausule al dan niet abnormaal is qua vergoedingsregeling, dient men steeds op basis van de concrete omstandigheden te beoordelen.

Conclusie

Bij de vestiging van het recht van opstal is het erg belangrijk om met de nodige zorg om te springen met de bewoordigen. Dit is trouwens elementair bij alle overeenkomsten.

aternio legal staat u hier graag in bij. Contacteer ons vooraleer u voor onaangename verrassingen komt te staan.


Onderhoudsplicht naar uw ouders: moet dat nu echt, mama?

Wanneer een stel samen één of meerdere kinderen krijgen, dan gaat de maatschappij er van uit dat u er alles aan zal doen om de kroost alles te geven wat nodig is. Uiteraard hebt u dat over voor de kinderen: u zorgt voor kledij, ontspanningsmogelijkheden, een goede opleiding of kansen om zich praktisch te bekwamen. Kortom, u doet al het mogelijke om hen te doen uitgroeien tot succesvolle en zelfstandige mensen. "Als ze groot zijn" helpt u hen om, vanuit uw onderhoudsplicht als ouder, zelf een warm nest uit te bouwen.

Maar, naarmate de jaren verstrijken, wordt uzelf mogelijk minder zelfstandig en hebt u misschien zelf hulp nodig. U hebt best wat vermogen bij elkaar gespaard, maar al die nodige hulp kost toch wel wat. Wat nu als zou blijken dat uw eigen vermogen ontoereikend is om alles te kunnen blijven betalen? Kan u dan op uw beurt beroep doen op de onderhoudsplicht van uw kinderen?

Onderhoudsplicht van kinderen naar ouders

Ons Burgerlijk Wetboek (BW) voorziet in artikel 205 dat kinderen levensonderhoud verschuldigd zijn aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn. Deze plicht geldt bij uitbreiding ook voor de schoonkinderen, weze het slechts in ondergeschikte orde (en op basis van artikel 206 BW).

Bij wijze van nuancering kan gesteld worden dat kinderen slechts tot onderhoud van hun ouders geroepen worden, indien de huwelijkspartner van de hulpbehoevende ouder onvoldoende solvabel zou zijn.

Het voorgaande geldt bovendien indien aan de volgende twee voorwaarden voldaan is:

  • de ouder moet onderhoudsgerechtigd zijn, wat wil zeggen dat die ouder zelf geen middelen of inkomsten meer kan hebben om een menswaardig bestaan te lijden; en
  • het kind moet in staat zijn om voor deze kosten in te staan.

De beoordeling hiervan zal desgevallend bepaald worden door de rechtbank.

Bijzondere regeling bij verblijf in een Vlaams OCMW-woonzorgcentrum

Wanneer een bewoner van een OCMW-woonzorgcentrum de kosten voor het verblijf niet meer zelf kan betalen, kan de betrokken persoon in eerste instantie een tussenkomst vragen van het OCMW van de gemeente waar men was ingeschreven voor de opname.  Echter, dit is niet zonder meer. Het OCMW kan namelijk deze kosten terugvorderen van de onderhoudsplichtingen. De onderhoudsplicht kan hier dus ook weer aan de oppervlakte komen.

Sinds 2004 verschilt dit terugvorderbeleid van gemeente tot gemeente. Mits akkoord van de gemeenteraad is dit akkoord algemeen bindend en geldt het voor alle inwoners van de betrokken gemeente. Bij gebreke aan enig wetgevend initiatief is het dus mogelijk om aan "forumshopping" te doen, om een zo gunstig mogelijke gemeente te kiezen.

Onderhoudsplicht vs. onderhoudsbijdrage (of alimentatie)

Impliceert het voorgaande dan dat uw kinderen voor u een soort onderhoudsbijdrage (of alimentatie) zullen moeten betalen?

De onderhoudsplicht is een wettelijke verplichting die steunt op de solidariteit van de familieband van het gezin. Het is niet zomaar mogelijk om daar afstand van te doen. Een onderhoudsuitkering of alimentatie vloeit daaruit voort. Het is in eerste instantie een uitkering voor levensonderhoud aan de ex-echtgeno(o)te of aan de kinderen na een echtscheiding. Maar het geldt dus evenzeer in de richting van de kinderen naar de ouders.

Ook de fiscale regeling is hetzelfde: 80% van de bijdrage fiscaal aftrekbaar. Het maakt daarbij geen verschil of u die bijdrage bijvoorbeeld betaalt aan het woonzorgcentrum (en niet aan uw behoeftige ouder). Bij wijze van analogie leest u er alles over in een eerdere bijdrage.

Verwerpen van de nalatenschap?

Aha, horen we u denken, indien dus blijkt dat er een groot bedrag openstaat, dan verwerpen de kinderen toch gewoon de nalatenschap?

Lange tijd werd aangenomen dat, wanneer iedereen de nalatenschap zou verwerpen, schuldeisers van de overledene de (verwerpende) erfgenamen dan toch nog konden aanspreken op basis van artikel 205 BW. Verwerpen zou toen geen sluitende oplossing geweest zijn.

Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 20 september 2013 evenwel geoordeeld dat het recht op levensonderhoud vervat in artikel 205 BW berust op solidariteit binnen de familie. Dat recht hangt vast aan de persoon van de onderhoudsgerechtigde. Met andere woorden: enkel die persoon kan de vordering tot onderhoudsbijdrage instellen. De onderhoudsverplichting is effectief gekoppeld aan de staat van de persoon, aangezien het gaat over het recht op menswaardig bestaan. Schuldeisers kunnen dus, na het overlijden van de behoeftige ouder, geen beroep meer doen op artikel 205 BW om de openstaande vordering te innen.

Conclusie

Behoeftigheid is jammer genoeg nog steeds van onze tijd. Het kan het gevolg zijn van tegenslagen tijdens uw leven, of van verkeerd gelopen (plannings-)keuzes. Het Burgerlijk Wetboek voorziet in artikel 205 dat kinderen levensonderhoud verschuldigd zijn aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.

Contacteer ons om u bij te staan bij het uitwerken van een uitgebalanceerde planning, met oog voor uw financi√ęle noden, en geniet van een rustige "oude" dag.


Notarieel testament: dictée is zo passé

Het dicteren van een testament aan de notaris is passé. Sinds 1 september 2020 behoort het voorzeggen namelijk tot de verleden tijd bij het opstellen van een notarieel testament.

Het testament op zich lijkt soms zo een ouderwets gegeven, maar het is allesbehalve passé. Het is en blijft een belangrijk instrument voor zij die hun vermogen wensen te verdelen op een andere wijze dan deze die de wet voorschrijft.

Indien er geen testament voorhanden is, wordt de nalatenschap immers afgewikkeld overeenkomstig de wet. Dit kan wringen met wat de testator zelf wenst. De wet bevoorrecht in eerste orde de familiale banden. Als de feitelijk samenwonende niet die ring om de vinger wenste maar toch zijn partner een deel van zijn vermogen wil nalaten, is een testament een interessant instrument.

Maar zoals altijd, de wettelijke formaliteiten moeten nageleefd worden. Zorg dan ook dat bij uw testament de puntjes altijd op de i staan zodat uw vermogen aan de juiste toekomt als u passé bent.

Dicteren is zo pré september 2020

U kunt het testament zelf opstellen. Maar zo een eigenhandig geschreven testament houdt wel wat risico‚Äôs in. Een notari√ęle akte biedt meer garanties voor de effectieve uitvoering van het testament.

Tot voor 1 september 2020 kon u een testament dicteren aan een notaris in aanwezigheid van twee getuigen of aan twee notarissen. Onlangs¬†schreven we nog¬†: ‚ÄúHet is duidelijk dat een notarieel testament, verleden in de aanwezigheid van objectieve getuigen, alvast meer garantie biedt tot uitdrukking van de werkelijke en oprechte wil van de testator.‚ÄĚ

De wetgever doet er ook alles aan om ervoor te zorgen dat de werkelijke wil effectief op papier komt te staan. Vanaf 1 september 2020 is het dicteren van de inhoud van het testament echter geen verplichte formaliteit meer (art. 972 BW). De notaris moet een testament opstellen op basis van de door de testator uitgedrukte wil.

Werkelijke wil is in!

Deze kleine verandering zorgt ons inziens voor de praktijk voor een belangrijke wijziging. De notaris dient aldus, nog actiever dan voorheen, op zoek te gaan naar de werkelijke wil van de testator. Checken en dubbelchecken is de boodschap.

De wijziging brengt immers met zich mee dat ook mensen die een andere taal spreken of spraak- of gehoorproblemen hebben een notarieel testament kunnen laten opmaken.  Dit wil in sé ook zeggen dat iemand op zijn sterfbed die mogelijk amper kan praten nog een dergelijk testament kan opstellen. Welke notaris durft dit alleen aan?

De notaris mag voor hen nu een testament opstellen, zonder dat de testator woord voor woord moet dicteren. Het notarieel testament is geldig zolang het maar de werkelijke wil van de cli√ęnt uitdrukt.¬†In dat geval wordt het testament opgemaakt in de vorm van een notari√ęle akte. Voor de latere erfgenamen is het dan bijzonder moeilijk om de authenticiteit en de geldigheid van deze laatste wilsbeschikking in twijfel te trekken.

Bijzonder moeilijk is niet onmogelijk

Diegene die zijn testament opstelt moet eerst en vooral gezond van geest zijn. Daarnaast dient men ook bekwaam te zijn.

Een testament opstellen als je niet beschikt over je verstandelijk vermogen of je vrije wil is dus bijna onmogelijk. Maar bijna onmogelijk is niet gelijk aan onuitvoerbaar. Een wilsonbekwame persoon kan mits tussenkomst van een vrederechter nog steeds een testament opstellen.

Is jouw geest nog helemaal méé?

Men moet dus nog over voldoende gezond verstand beschikken om een testament te laten opmaken. Dit is een heel subjectief gegeven. De psychisch gestoorde denkt niet van zichzelf dat hij gestoord is.

Een niet onbelangrijk gegeven, want als blijkt dat het testament is opgesteld door een testator die niet gezond van geest is, kan het testament door de rechtbank nietig worden verklaard. De nietigverklaring van het testament betekent dat het wordt geacht nooit te hebben bestaan.

Een notaris die overtuigd is dat de testator niet gezond van geest is moet zijn ambt weigeren. Vroeger kon men eventueel uit de bewoording van het testament nog afleiden of een persoon als dan niet gezond was van geest. Voortaan zal dit element die langer mee in de beoordeling zitten, aangezien het dicteren van een testament tot het verleden behoort.

De afschaffing van het verplichte dictée maakt het misschien nog moeilijker om dat testament dat in de laatste levensuurtjes is opgemaakt aan te vechten. Wederom rust hier een belangrijke taak op de schouders van de notaris.

Conclusie

U hoeft uw testament niet langer te dicteren, maar de notaris zal actief moeten wroeten tot de werkelijke wil van de testator is achterhaald. Niet alleen bij het opstellen van het testament kunnen er addertjes in het gras verscholen zitten. De fiscaliteit is ook een slangenkuil. Een advies dat hiermee rekening houdt is broodnodig. De successietarieven, in het bijzonder bij het nalaten aan anderen dan kinderen, kunnen hoog oplopen.

aternio adviseert u hierbij graag. Contacteer ons indien u meer wil weten.


Our house, in the middle of our street. Het verlaagd verkooprecht.

"Our house, in the middle of our street
Our house, it has a crowd
There's always something happening"

There is always something happening...ook de Vlaamse decreetgever heeft niet stilgezeten. Voor de Vlaming geboren met een baksteen in zijn maag is het niet oninteressant om te weten hoeveel belastingen daadwerkelijk verschuldigd zijn bij de aankoop van een woning. Bij Vlaams decreet van 29 december 2019 is er voorzien in tarieven die lager zijn dan het basisverkooprecht van 10%. Bij decreet van 26 juni 2020 is er verder gesleuteld aan het toepassingsgebied en de termijnen voor deze verlaagde verkooptarieven.

Verkooprecht ‚Äď belastbaar voorwerp

Het verkooprecht op onroerend goed is verschuldigd in verscheidene situaties. Bijvoorbeeld als de eigendom of het vruchtgebruik van een onroerend goed overgedragen wordt, zoals bij de verkoop of bij een ruil. Het verkooprecht is ook verschuldigd bij inbreng in een Belgische vennootschap, in ruil voor aandelen, van een onroerend goed dat tot bewoning aangewend wordt of bestemd is.

Het verkooprecht is verschuldigd vanaf het ogenblik dat een verkoopovereenkomst gesloten is. Aldus is het verkooprecht soms al verschuldigd bij ondertekening van een onderhandse verkoopovereenkomst, het zogenaamde compromis. Indien er evenwel opschortende voorwaarden zijn bedongen in het compromis, is het verkooprecht pas opeisbaar als deze voorwaarden zijn vervuld.

Stilstaan bij de opschortende voorwaarden kan u bijgevolg veel geld besparen voor het geval de verkoop toch afspringt. De opschortende voorwaarden zorgen er dan voor dat er geen verkoop is en dat geen verkooprecht verschuldigd is.

Decreet 29 december 2019 - Daling van de tarieven

Voor het decreet van 29 december 2019 was bij de aankoop van de enige eigen woning 7% registratiebelasting verschuldigd in plaats van de gewone 10%. De voorwaarden om te kunnen genieten van dit verlaagd recht werd reeds beschreven in een vorige blog.

De tarieven kunnen echter nog lager zijn bij ingrijpend energetische renovatie van de gezinswoning  (6 %) of als deze woning kwalificeert als erfgoed en na het uitvoeren van investeringen (1%). Voor een beschermd patrimonium is het belastingvoordeel enkel toepasbaar op werken die in een door het agentschap Onroerend Erfgoed goedgekeurd beheersplan opgenomen zijn.

Bij decreet van 29 december 2019 werd het voormelde tarief van 7 % naar 6 % verlaagd (wijziging van artikel 2.9.4.2.11, § 1 VCF). Het bestaande tarief van 6 %, bij energetische renovatie, is verder verlaagd naar 5 % (wijziging van art. 2.9.4.2.12, § 1 VCF).

Het decreet trad in werking op 1 januari 2020. De tariefverlaging is bijgevolg van toepassing "op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2020".

Decreet van 26 juni 2020 ‚Äď Uitbreiding toepassingsgebied

Bij decreet van 26 juni 2020 (BS 29 juni 2020) is er wederom gesleuteld aan het verkooprecht.

Voor de aankoop van een enige eigen woning die door de verkrijger ingrijpend energetisch gerenoveerd zal worden, geldt ook een verlaagd tarief van 5 %. Sloop of herbouw waren daarbij tot nu toe uitgesloten, maar dat verandert nu. Wat is een ingrijpende energetische renovatie? We verwijzen u graag door naar Energiesparen.be als u hierover meer uitleg wenst.

De tariefverlaging breidt vanaf 1 januari 2021 uit tot gedeeltelijke sloop, gevolgd door een gedeeltelijke herbouw of herbouw.

Decreet van 26 juni 2020 ‚Äď Verlenging van termijnen

Het verkooprecht (10%, 6%, 5% of 1%) is verschuldigd wanneer een natuurlijk persoon een woning aankoopt om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen. In alle gevallen moet het vestigen van de hoofdverblijfplaats in het aangekochte goed binnen een welbepaalde termijn gebeuren.

Dit wil zeggen dat de koper daar zijn domicilie dient te vestigen. Voor het decreet moest men op het adres van de aangekochte woning zijn inschrijving doen binnen 2 jaar na de datum van de aankoopakte.

Bij decreet van 26 juni 2020 is de termijn nu op 3 jaar (6 %-tarief), respectievelijk 5 jaar (1 %-tarief) gebracht.

Het decreet heeft uitwerking met ingang van 1 juni 2020. De nieuwe, langere termijnen gelden ook voor de verkoopovereenkomsten die zijn gesloten vanaf 1 juni 2018 en vóór 1 juni 2020 met toepassing van het verlaagd tarief.

Conclusie

We slaan u met cijfers om de oren. Maar we doen dit graag indien u hiermee geld kan besparen. Vergeet men zijn domicilie te vestigen dan kan dit immers zuur opbreken. Goed dat er alvast in een langere termijn is voorzien. Een vermindering van het tarief is uiteraard interessant voor uw portemonnee, maar er zijn altijd andere manieren om nog verder te besparen/investeren.

aternio helpt u hierbij graag. aternio heeft immers oog voor alle puzzelstukken en bouwt graag mee aan uw belastingpaleis.


Op restaurant in Covid-19 tijden: wat met uw privacy?

Onder de huidige Covid-19 pandemie is het belangrijk om steeds de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen wanneer we ons in het openbaar begeven. Zo ook indien we met het gezin of in het breed met onze "bubbel" op restaurant gezellig willen gaan tafelen. De overheid heeft, om mogelijke broeihaarden op te sporen, daarom voorzien in registratieplicht voor horecagasten.  Wat mag een horeca-uitbater juist doen met deze gegevens en wat zegt de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit (hierna 'GBA') over privacy?

Maatregel door de overheid

De federale overheid heeft met haar ministerieel besluit van 28 juli 2020 een contacttracing-verplichting ingevoerd voor horeca-uitbaters. Zij moeten de contactgegevens verzamelen van één klant per tafel telkens wanneer zij klanten over de vloer krijgen.

De FOD Economie heeft op haar website een formulier ter beschikking gesteld dat kan dienen als voorbeeld bij het verzamelen van deze contactgegevens. Horeca-uitbaters zijn echter niet verplicht dit formulier te gebruiken. Indien de klanten weigeren hun gegevens te geven, heeft de horeca-uitbater zelfs de plicht om de klanten de deur te wijzen.

Horecaklanten zijn natuurlijk niet altijd even happig om hun persoonsgegevens mee te delen aan horeca-aangelegenheden. De GBA heeft daarom op haar website een advies gegeven hoe horeca-uitbaters conform de GDPR deze contactgegevens kunnen verzamelen.

Basisbeginselen van privacy en contacttracing

Informatie

Een belangrijke eerste stap bij het verzamelen van persoonsgegevens is toch steeds het informeren van de betrokken persoon. Zo zal de horeca-uitbater, op het formulier of via een link, duidelijke informatie moeten geven aan de klant. Horeca-uitbaters mogen er namelijk niet van uitgaan dat hun klanten steeds op de hoogte zijn van de laatste privacy implicaties van hun restaurantbezoek. Zo zal het formulier of de app duidelijk de hier besproken informatie moeten weergeven.

Verzamelen van gegevens

Het ministerieel besluit schrijft enkel voor dat de klant ofwel het telefoonnummer ofwel het e-mail adres moet achterlaten. Dit zijn dus eigenlijk de enige persoonsgegevens die de horeca-uitbater mag verzamelen. Bovendien mag men dit slechts vragen van 1 persoon per tafel. Overige contactgegevens, zoals de naam van deze persoon, kunnen verzameld worden, maar dit dan louter op vrijwillige basis. De horeca-uitbater moet de klant duidelijk informeren van het vrijwillige karakter van deze overige informatie. De GBA gaat er wel van uit dat het tijdstip en eventueel het tafelnummer en de duur van het bezoek mogen worden bijgehouden.

Het opvragen van een identiteitskaart lijkt ten stelligste af te raden. De vereiste informatie, zijnde het e-mailadres of telefoonnummer, staan namelijk niet op de identiteitskaart. Bovendien is de kans zo heel groot dat de horeca-uitbater onterecht gegevens zal verwerken. Denk hierbij aan de foto, het adres en het rijksregisternummer van de klant. De gegevensverzameling moet men beperken tot wat noodzakelijk is voor de contacttracing.

Gebruik en verwijderen van gegevens

De verzamelde gegevens "mogen enkel worden gebruikt voor de doeleinden van de strijd tegen COVID-19", volgens het ministerieel besluit. Dit wil dan ook zeggen dat de horeca-uitbater ze bijvoorbeeld niet mag gebruiken voor marketing, opslaan in het klantenbestand of enquêtes. Een horeca-uitbater mag ze enkel verzamelen en 14 dagen bijhouden. Daarna moet hij/zij deze onherroepelijk vernietigen. Heeft een besmetting zich voorgedaan binnen deze termijn van 14 dagen, dan mag de horeca-uitbater deze gegevens enkel doorsturen naar de bevoegde overheid. Zelf klanten contacteren is absoluut niet toegelaten.

Vertrouwelijkheid

Net zoals de horeca-uitbater de verzamelde gegevens zelf niet ongeoorloofd mag gebruiken, moet deze het ongeoorloofd gebruik door anderen ook voorkomen. Dit houdt in dat de horeca-uitbater nadat deze de gegevens verzameld heeft deze op een veilige plaats bewaard. Het is belangrijk dat de ingevulde formulieren niet voor andere klanten of niet bevoegde personen zichtbaar zijn. De GBA geeft hierbij een afgesloten kast of verzegelde enveloppen als voorbeeld. Worden de gegevens digitaal verzameld, dan moeten daar eveneens de nodige beschermingssystemen voorzien worden.

Uitgelichte voorbeelden

Papier of digitaal? Voor de GDPR en de overheid is de keuze in principe vrij. De horeca-uitbater heeft dus de verzameling van de klantgegevens de keuze uit een een papieren formulier of een app. Let er zeker op dat bij het digitaal verzamelen van de gegevens, de basisbeginselen gewaarborgd moeten worden. Verzamelt men de gegevens op papier, zorg er dan voor dat dit niet voor andere klanten toegankelijk is. Geef daarom individuele exemplaren en werk niet met een algemene lijst die men aan de bar of de deur hangt. De FOD Economie stelt een template ter beschikking die horeca-uitbaters kunnen gebruiken.

Weigeren en controle? De horeca-uitbater heeft de plicht om klanten te weigeren indien zij hun gegevens niet wensen achter te laten. De vraag kan zich dan ook stellen of horeca-uitbaters moeten controleren of de achtergelaten gegevens wel juist zijn. Een klant zou namelijk opzettelijk een onzinnig telefoonnummer of e-mail adres kunnen achterlaten. Zo ver hoeft de horeca-uitbater niet te gaan, dit zou namelijk een te zware verplichting zijn.

Privacy vragen? aternio legal helpt u graag verder.


bedrijfswagen

Bedrijfswagen: geen fiscale aftrekbeperking bij betaling voor privégebruik

Een belastingsplichtige heeft haar slag thuis gehaald voor het Hof van Cassatie in een arrest van 25 juni 2020 inzake de fiscale aftrekbeperking op kosten van een bedrijfswagen.

Volgens het Hof mag een vennootschap immers haar autokosten volledig aftrekken, ook al zijn de kosten voor het privégebruik van een bedrijfswagen door de werknemer of bedrijfsleider terugbetaald aan de vennootschap. De aftrekbeperking voor autokosten is zodoende niet van toepassing op de vennootschap.

Aftrekbeperking autokosten

Overeenkomstig de fiscale wetgeving (art. 66, §1 en art. 198bis WIB'92) zijn de beroepskosten voor het gebruik van personenwagens slechts in beperkte mate aftrekbaar. Voor een uitgebreide bespreking van de huidige autofiscaliteit verwijzen we naar Autofiscaliteit anno 2020.

VAA: geen probleem

Indien de vennootschap een bedrijfswagen ter beschikking stelt van een werknemer of bedrijfsleider, die de wagen ook gebruikt voor privédoeleinden, zal de genieter belast worden op een voordeel van alle aard (hierna VAA).

De fiscus tolereert echter dat voornoemde aftrekbeperking bij de vennootschap of werkgever soms niet van toepassing is. Dit is het geval indien er tegenover de beroepskosten van de bedrijfswagen een belastbaar VAA staat. Met andere woorden, de autokosten ondergaan geen aftrekbeperking bij de vennootschap/werkgever voor het bedrag van het VAA.

Bij de berekening van de verworpen uitgaven aangaande autokosten mag de vennootschap dus het gedeelte dat ze als VAA vermeldt op de inkomstenfiches, in mindering brengen (Vraag nr. 1206 van de heer Borginon dd. 27.03.2006). Op die wijze wil de fiscus ook dubbele belasting vermijden, hetgeen ze ook met zoveel woorden zegt in haar commentaar (Comm.66/41 en 195/109).

Wat met eigen bijdrage?

Wat gebeurt er nu wanneer de werknemer of bedrijfsleider een eigen bijdrage betaalt voor het privégebruik van de bedrijfswagen?

Welnu, in principe mag men het belastbaar VAA verminderen met de eigen bijdrage van de genieter van het voordeel (art. 36, §2 WIB'92). Op het stuk van de eigen bijdrage is er dus geen voordeel. Heeft dit nu gevolgen voor de afrekbeperking op het niveau van de vennootschap, voor de kosten van de bedrijfswagen?

Ja, daar wringt nu net het schoentje bij de fiscus...

Visie fiscus

De fiscus houdt er een zeer strikte visie op na.

Zij is namelijk van oordeel dat wanneer er géén VAA is, de aftrekbeperking sowieso behouden blijft. Ook al was dit door toedoen van de eigen bijdrage van de genieter van het voordeel.

Visie Cassatie

Uiteindelijk is deze problematiek tot bij het Hof van Cassatie geraakt. Zij geeft nu, net zoals het Hof van Beroep te Brussel, de belastingsplichtige gelijk.

Het Hof stelt namelijk dat de aftrekbeperking enkel van toepassing kan zijn wanneer de bedrijfswagen door de vennootschap zélf wordt gebruikt, en dus niet bij belast of betaald gebruik voor privédoeleinden.

Uit de wetsbepaling en parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat de aftrekbeperking enkel van toepassing is op de kosten voor het beroepsmatig gedeelte van de wagen. De aftrekbeperking geldt dus niet op de kosten m.b.t. het privégebruik.

"De omstandigheid dat de kosten voor het privégebruik door de werknemer worden terugbetaald, belet niet dat de werkgever/vennootschap deze kosten volledig mag aftrekken." volgens het Hof van Cassatie.

Samengevat: ook al staat er door de 'eigen' bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider tegenover het privégebruik van de bedrijfswagen geen VAA meer, dit niet belet dat de kosten aangaande dat privégebruik volledig aftrekbaar blijven bij de werkgever of vennootschap.

Conclusie

Het Hof van Cassatie bevestigt in haar arrest van 25 juni 2020 dat de aftrekbeperking voor autokosten niet van toepassing is ten belope van de eigen bijdrage van een werknemer of bedrijfsleider in het VAA voor het privégebruik van de bedrijfswagen.


erfenisbejaging

Een erfenis is geen jachttrofee, stropers opgelet!

Erfenisbejaging is als zonder toestemming jagen of dieren stelen op het terrein van een ander. De term zegt u misschien weinig of niks, enige verduidelijking is dus op zijn plaats. Bij iemands overlijden rijzen soms vragen bij het door de overledene opgestelde eigenhandig geschreven testament. Klassiek zijn de twijfels over de echtheid van het handschrift of de gezondheid van geest op het ogenblik van het opstellen van het testament. Subtieler wordt het wanneer de overledene het laatste testament heeft opgesteld onder invloed van naasten, mogelijk met aantasting van de vrije wil. Welnu, het is precies deze laatste situatie die het onderwerp vormt van deze bijdrage.

Erfenisbejaging

Erfenisbejaging is een bijzondere verschijningsvorm van bedrog. Het bedrog bestaat eruit dat een begiftigde of een derde frauduleuze middelen inzet om de vrije wil van de testator aan te tasten of te verminderen (art. 1116 BW). Het enige doel is vanzelfsprekend te zorgen voor een bevoordeling naar aanleiding van het overlijden van de testator.

Wanneer door toedoen van de begunstigden of een derde een kunstmatig klimaat van genegenheid wordt gecre√ęerd om de testator tot een bevoordeling te brengen, is er sprake van captatie. Typisch voorbeelden van captatie zijn het zwartmaken van bepaalde erfgenamen, een contactverbod of een algemeen sociaal isolement organiseren. Bij het influisteren of ontraden van specifieke testamentaire beschikkingen spreekt men van suggestie of ingeving. De suggestie kan bijvoorbeeld komen door iemand die, door sociale status of professionele activiteiten, een invloed heeft op de testator.

In de praktijk komen verboden captatie en suggestie meestal in gecombineerde vorm voor. Let wel: louter overdreven gevlei of geveinsde affectie ("dolus bonus") volstaan niet om van bedrog te spreken.

Wie draagt de bewijslast?

Bedrog wordt nooit vermoed, het moet worden bewezen. Het is dus aan diegene die beweert dat het testament is aangetast door erfenisbejaging die hiervan het bewijs moet leveren. Bovendien leidt bedrog niet automatisch tot de vernietigbaarheid van de betwiste rechtshandeling.

Er kan slechts sprake zijn van vernietigbaarheid van het testament wanneer een aantal elementen zijn verenigd.

  • Een materieel aspect. Het bedrog is veroorzaakt door ongeoorloofde kunstgrepen, met name een gedraging die bij de testator een verkeerde indruk wekt of bevestigt.
  • Een psychologisch aspect. Door kwaadwilligheid stelt men de werkelijkheid verkeerd voor om aldus de testator op het verkeerde spoor te zetten bij het opstellen van het testament.
  • Een doorslaggevende invloed. Het bedrog heeft klaarblijkelijk een doorslaggevende invloed op de wilsvorming van de testator.
  • Een causaal verband. Er is een oorzakelijk verband tussen de toestemming van de testator en de kunstgrepen.

Zij die de wilsbeschikking aanvechten zullen m.a.w. het precieze en omstandige bewijs moeten leveren dat, op het ogenblik van het schrijven van het testament, de vrije wil van de testator was aangetast door kwaadwillige listen en dat deze daadwerkelijk de wilsbeschikking hebben be√Įnvloed. Daarnaast zal ook rekening worden gehouden met de fysieke en psychische toestand van de testator.

Het bewijs kan met alle middelen van recht worden aangeleverd, dus ook door mondelinge of schriftelijke getuigenverklaringen. Het is aan de rechter om te oordelen over de geloofwaardigheid van schriftelijke getuigenverklaringen, ook al voldoen deze niet aan alle wettelijke vormvereisten. In dit geval moet de rechter wel aangeven waarom de getuigenverklaringen geloofwaardig zijn, ook al is niet voldaan aan alle gestelde vereisten.

Getuigenverklaringen, samen met eventuele andere elementen, kunnen finaal doen besluiten dat er sprake is van bedrog dan wel erfenisbejaging door toedoen van de begunstigde(n) van het betwiste testament.

Een bloemlezing

Uit spontane en belangeloos gedane, niet gestandaardiseerde of voorgekauwde verklaringen kan bijvoorbeeld blijken dat:

  • dwang, maneuvers, listen en leugens de bewegingsvrijheid van de testator ernstig beperkten;
  • gecre√ęerde omstandigheden de testator ertoe aanzetten in het voordeel van de begiftigde te handelen;
  • ruzies, kwaadsprekerij, druk en vermeende conflicten de testator sociaal en fysiek hebben ge√Įsoleerd van vrienden en familie;
  • de testator door sluwheid en manipulatie sterk afhankelijk is gemaakt van de begiftigde;
  • de begiftigde de communicatie (bv. briefwisseling, telefoongesprekken) van de testator controleerde;
  • financieel winstbejag de grondslag was voor het samenwonen of zorgen voor de testator (bankrekeningenhistoriek kan dit ondersteunen);
  • door de begiftigde dreigde een einde te make aan de (zorg)relatie.

Andere bewijselementen kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • de gebrekkige redactie van het eigenhandige testament in vergelijking met andere geschriften van de testator;
  • de moeizame schriftuur met haperingen en fouten;
  • de drukkende en systematische aanwezigheid van de begiftigden ten tijde van de redactie van het testament;
  • kunstmatig ogende toevoegingen in het testament;
  • de korte tijdspanne tussen een notarieel testament en een daaropvolgend eigenhandig geschreven testament vlak voor het overlijden;
  • het eigenhandig testament is geschreven kort voor het overlijden.

Het is door het samennemen van getuigenverklaringen met eventuele andere bewijselementen dat de rechter kan besluiten tot bedrieglijke erfenisbejaging, met de nietigverklaring van het testament tot gevolg (zie Gent, 5 en 12 december 2019, TEP, 2020, nr. 1, 181-193).

Conclusie

Het is duidelijk dat een notarieel testament, verleden in de aanwezigheid van objectieve getuigen, alvast meer garantie biedt tot uitdrukking van de werkelijke en oprechte wil van de testator.

Erfenisbejaging middels een door de testator eigenhandig geschreven testament is alvast geen goed idee. Bovendien is het moreel verwerpelijk. Het risico is immers niet ondenkbeeldig dat het testament wordt betwist en finaal nietig wordt verklaard door de rechter. Mogelijk goedbedoelde diensten of zorgen ten behoeve van een zieke of noodlijdende testator zijn geen verantwoording of vrijbrief om te azen op een nalatenschapsvermogen.

aternio legal adviseert u bij uw vermogensplanning.


gesplitste aankoop

Gesplitste aankoop in Belgi√ę, Vlaanderen is niet Brussel/Walloni√ę

Vlaanderen heeft, in tegenstelling tot het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een afzonderlijke fiscale administratie (Vlabel). Vlabel bepaalt het hebben en houden op het vlak van registratiebelasting (met inbegrip van schenk- en erfbelasting) in het Vlaams Gewest. Brussel en Walloni√ę hebben geen eigen fiscale belastingadministratie. Zij dienen gehoor te geven aan de federale fiscus.

Dit zorgt ervoor dat eenzelfde casus in het Vlaamse Gewest een andere behandeling kan krijgen dan in het Brussels Gewest of in het Waals Gewest.

In Belgi√ę houden we de zaken graag eenvoudig, toch? ¬†Wat en hoe moeten we nu waar en wanneer doen?

First things first: wat is een gesplitste aankoop?

De gesplitste aankoop is een interessant vermogensplanningsinstrument. Ouders die bijvoorbeeld een tweede verblijf willen kopen en erfbelastingen willen vermijden, doen de koop samen met hun kinderen. De ouders kopen het vruchtgebruik en de kinderen de blote eigendom. Een gesplitste aankoop dus.

Aangezien de ouders beschikken over het vruchtgebruik kunnen zij hun leven lang genieten van het tweede verblijf. Na hun overlijden dooft het vruchtgebruik uit en komt de volle eigendom bij de kinderen terecht. Het onroerend goed komt dus niet langer in de nalatenschap terecht. Bijgevolg dient er geen erfbelasting te worden voldaan.

Schenking vooraf aan de gesplitste aankoop

In het kader van deze successieplanning schenken ouders voorafgaandelijke aan de koop een geldsom. Dit stemt meestal overeen met de waarde van de blote eigendom. Schenkt u voor een Belgische notaris, dan moet die de akte altijd registreren, met schenkbelasting tot gevolg. Het is daarom een ingeburgerde praktijk om de schenkingsakte te laten opstellen door een buitenlandse notaris. Die is niet verplicht de akte te registreren in Belgi√ę. Er is zo geen schenkbelasting te betalen. Maar ook hier verwijzen wij naar een voorgaande blog die u meedeelde dat die route op 1 december dicht gaat.

De voorafgaande schenking lijkt heel eenvoudig, maar zo is het zoals zoveel zaken in Belgi√ę, jammer genoeg niet.

Er bestaat immers een wettelijk vermoeden dat in alle drie de gewesten speelt. Vlabel en de federale fiscus (artikel 2.7.1.0.7 VCF en artikel 9 W.W.Succ./Br.W.Succ.) gaan er namelijk vanuit dat de kinderen bevoordeeld zijn voorafgaand aan de koop. In ogen van de belastingadministraties is op deze wijze het goed door de ouders in volle eigendom aangekocht en zal erfbelasting verschuldigd zijn bij hun overlijden.

Dit wettelijk vermoeden is gelukkig weerlegbaar mits voldaan is aan drie elementen. De kinderen beschikken vrij op hun eigen rekening over de gelden voor de aankoop. De kinderen verrichten de betaling vanaf deze rekening. En tot slot, de waardering van het vruchtgebruik en de blote eigendom is correct gebeurd. In dat geval kunnen de kinderen de fiscus overtuigen dat er geen sprake is van een bevoordeling.

Standpunt Vlabel - Vlaanderen

In een eerdere blog hebben we het standpunt van Vlabel inzake de gesplitste aankoop onder de loep genomen.

Sinds 2013 aanvaardde Vlabel een geregistreerde schenking als tegenbewijs. Vlabel zette dit uiteen in een officieel standpunt.¬†De Raad van State heeft het standpunt van Vlabel echter vernietigd. Op 12 juni 2018 oordeelde de Raad van State in haar arrest nr. 241.761 dat ‚Äúaangezien noch de wettekst, noch de parlementaire voorbereiding, de registratie van de schenking in Belgi√ę oplegt en aangezien een fictiebepaling strikt moet worden uitgelegd, uit artikel 2.7.1.0.7 VCF niet kan worden afgeleid dat de schenking voorafgaand aan de gesplitste inschrijving maar als tegenbewijs kan worden aanvaard indien deze in Belgi√ę is geregistreerd‚ÄĚ.

Dit houdt in dat de bevoordeling van de kinderen ook op andere manieren kan weerlegd worden dan door een bewijs van registratie van de schenking.

Het offici√ęle standpunt werd vernietigd met als gevolg dat artikel 2.7.1.0.7 VCF wederom restrictief te lezen is. Het gevolg is dat schenking kan gebeuren middels een eenvoudige hand- of bankgift. Uiteraard is het bewijs van de datum bij dergelijke schenking een essentieel aandachtspunt.

Standpunt federale fiscus - Walloni√ę en Brussel

Ook de federale fiscus heeft naar aanleiding van het arrest van de Raad van State een nieuw standpunt ingenomen in september 2019 en haar visie verfijnd op 26 juni 2020. De fiscus verduidelijkt hoe die schenking vanaf 1 augustus het best gebeurt om erfbelasting te vermijden.

De federale belastingadministratie loopt hiermee in de pas en vereist evenmin een voorafgaande verplichte geregistreerde schenking. Wel dient de schenking duidelijk voor de aankoop te gebeuren.

Het was tot nu onduidelijk of de schenking moest gebeuren voor het ondertekenen van de onderhandse verkoopakte, de zogenaamde compromis, of voor de ondertekening van de authentieke akte. De federale fiscus hakt de knoop door.

Het volstaat voortaan om het vermoeden te weerleggen en successierechten op het aangekochte goed te vermijden, door aan te tonen dat de kinderen definitief eigenaar zijn van de geldmiddelen en dat zij effectief daarmee hun deel in de prijs hebben betaald.

Het standpunt van de federale fiscus stelt uitdrukkelijk dat het weinig verschil maakt of de schenking al dan niet gebeurd via notari√ęle akte.

De fiscus verduidelijkt ook dat indien er een betaling van een bedrag (voorschot, waarborg of andere) is voorzien in de compromis, het totale bedrag verschuldigd door de blote eigenaar dient geschonken te zijn voor de ondertekening van de compromis.

Voorgaande heeft tot gevolg dat de schenking een duidelijke datum dient te dragen. Indien de schenking voorafgaand aan de compromis van de gesplitste aankoop gebeurt met een handgift zal bijvoorbeeld een aangetekende aanvaardingsbrief, zogenaamd pact adjoint, de vaste datum kunnen bevestigen. Een pact adjoint kan ook soelaas bieden bij een bankgift, al kan men de datum hier ook bewijzen via de rekeninguittreksels. Hopelijk worden deze documenten zorgvuldig bewaard …

Conclusie

Door het nieuwe standpunt van de federale fiscus is er dus een andere behandeling over de gewestgrenzen heen.

Gemene deler in de gewesten is dat de schenking voorafgaand aan de gesplitste aankoop kan gebeuren via een hand- of bankgift. Er is geen registratieverplichting. Het bewijs van de vaste datum vraagt in voorkomend geval in alle drie de gewesten extra aandacht.

In het Vlaamse Gewest kan de voorafgaande schenking van de gelden die moeten dienen voor de aankoop van de blote eigendom gebeuren na de compromis maar voor de authentieke akte. In het Waalse en Brusselse Gewest daarentegen dient de voorafgaande schenking voor de compromis te gebeuren, alleszins wanneer hierin een betaling van een bedrag is opgenomen. Bovendien moet het totale bedrag verschuldigd door de blote eigenaar geschonken zijn voor de ondertekening van de compromis.

Het lijkt alvast raadzaam om ook in het Vlaams Gewest rekening te houden met het federale standpunt en de richtlijn inzake gesplitste aankoop te volgen.

Geraakt u er niet meer aan uit? aternio helpt u graag.


wettelijke samenwoning

Opgepast bij overstap van feitelijke naar wettelijke samenwoning

Ongehuwde partners die samenwonen kunnen een overeenkomst sluiten waarin zij afspraken omtrent hun samenleving concretiseren. In dergelijke samenlevingsovereenkomst zijn meestal vermogensrechtelijke regelingen opgenomen die zowel van toepassing zijn tijdens als bij het be√ęindigen van de samenleving.

Wat als feitelijke samenwonenden een onderhandse samenlevingsovereenkomst hebben gesloten en op een later ogenblik alsnog voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren wettelijk te gaan
samenwonen? Wat met de oorspronkelijke overeenkomst?

Juridische vorm van de samenlevingsovereenkomst

Een samenlevingsovereenkomst is die overeenkomst waarin vermogensrechtelijke afspraken zijn opgenomen omtrent het samenleven. Op vandaag ontbreekt nog steeds een wettelijke definitie van de samenlevingsovereenkomst.

Voor feitelijke samenwoners is er inhoudelijk een quasi onbeperkte contractvrijheid. Bovendien kan de overeenkomst zowel in onderhandse als authentieke vorm worden afgesloten. Wettelijke samenwonenden zijn gebonden door inhoudelijke regels en de wettelijke verplichting om de samenlevingsovereenkomst voor notaris af te sluiten.¬†Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is hierover zeer helder: de¬†overeenkomst tussen wettelijk samenwonenden "wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris‚ÄĚ.

Het is meteen duidelijk dat de keuze voor de samenlevingsvorm juridische gevolgen heeft. Wat nu met het stel dat    'vergeten' is om de onderhandse samenlevingsovereenkomst notarieel te bevestigen bij latere wettelijke samenleving?

Het antwoord lijkt even kort als wreed: de onderhandse samenlevingsovereenkomst tussen de feitelijke samenwoners kan niet meer dienen tot vermogensrechtelijke regeling van de wettelijke samenwoning. Deze stelling is althans bevestigd in een arrest van 7 november 2019 van het hof van beroep te Gent.

Authentieke overeenkomst bij wettelijk samenwonen

De redenen waarom de wet voorziet in een authentieke samenlevingsovereenkomst bij wettelijke samenwonenden zijn divers. Het vertrekpunt is uiteraard het feit dat het wettelijk samenwonen een vorm is die zich situeert tussen het feitelijk samenwonen en het huwelijk. Daarom heeft de wetgever het zinvol geacht om de geldigheid van de clausules te laten toetsen door een notaris. Door de authentieke vorm stelt men ook de tegenstelbaarheid ten aanzien van derden veilig.

In rechtsleer en rechtspraak is de stelling terug te vinden dat de samenlevingsovereenkomst tussen wettelijke samenwoners kwalificeert als een plechtige overeenkomst. Het rechtstreekse gevolg hiervan is dat de vormvereiste meteen een geldigheidsvereiste is van de overeenkomst.

Sanctie bij niet respecteren van de vormvereiste

Hoewel de wet niet letterlijk spreekt over de nietigheidssanctie bij het niet respecteren van de authentieke vormvoorwaarden lijkt het er toch sterk op dat absolute nietigheid het gevolg is. Eensgezindheid hieromtrent is er echter niet. Dit belet¬†het hof van beroep te Gent evenwel niet om in het voornoemde arrest duidelijk de absolute nietigheid uit te spreken. Het hof stelt expliciet dat het gebrek aan notari√ęle vorm van de samenlevingsovereenkomst tussen wettelijke samenwonenden gesanctioneerd wordt met de absolute nietigheid.

Feitelijke samenwonenden die de stap zetten naar wettelijke samenwoning zijn dus maar beter aandachtig. Een onderhandse samenlevingsovereenkomst is bij deze overstap allerminst garantie voor het afdwingen van de afspraken. Bij nietigheid gaan 'alle' gemaakte afspraken retroactief teniet. Het hoeft geen betoog dat dit tot hoogst onaangename gevolgen kan leiden.

En route du parcours ...

Zolang een koppel feitelijk samenwoont stellen zich geen vragen over de vormvereisten van de samenlevingsovereenkomst. Een onderhandse overeenkomst kan perfect. Als zij echter hun feitelijke status inruilen voor een wettelijke samenwoning is het meer dan raadzaam om de onderhandse afspraken te herbevestigen in een notari√ęle akte. Zo niet loopt diegene die zich wil beroepen op de onderhandse overeenkomst het risico om van een kale reis terug te komen.

Het arrest bevestigt andermaal dat mensen soms te lichtzinnig of onvoldoende ge√Įnformeerd kiezen voor een samenlevingsvorm. De tussenkomst van een¬†juridische adviseur is geen overbodige luxe bij het afsluiten van overeenkomsten. Minstens helpt het om¬†de geldigheid en de evenwichtigheid van de opgenomen bepalingen na te gaan. Ook bij een loutere wijziging van 'stelsel' is juridisch advies sterk aangewezen zodat iedereen ten volle op de hoogte is van de impact.

Conclusie

De verklaring van de wettelijke samenwoning is een kantelpunt in een relatie. Alle voorheen gemaakte afspraken, al dan niet opgenomen in een onderhandse samenlevingsovereenkomst, houdt men derhalve best tegen het licht. Het risico van de absolute nietigheid van een niet notarieel bevestigde samenlevingsovereenkomst kan eenvoudig vermeden worden. Kies daarom voor de veilige en zekere weg en laat de onderhandse samenlevingsovereenkomst bij de notaris bekrachtigen. Daarnaast beknibbelt u best geenszins op juridisch advies, laat u bij de overstap van feitelijke naar wettelijke samenwoning goed adviseren.

aternio legal kan samenwoners wegwijs make in het juridische en fiscale labyrint.

Bron: Gent 7 november 2019, T. Not, 2020, nr. 6, 512-528, met noot C. Blomme.


Influencers op social media: de fiscus als ongewenste volger?

Het leven van een influencer. Als we social media geloven is het vooral rozengeur en maneschijn. Het bestaan verpakt in 'pearly whites' en trendy kledij. Influencers zijn er in alle vormen en maten. Via diverse social media kanalen proberen zij het koopgedrag van hun volgers te be√Įnvloeden.

Steeds meer ondernemingen doen beroep op influencers om hun producten of diensten te promoten. Dit kan gaan over bijvoorbeeld restaurants, make-up, zonnebrillen, lingerie of andere kledij. Met hun talrijke volgers op Instagram of YouTube bereiken ze vaak een beter doelpubliek dan via meer traditionele publiciteit. In ruil voor hun inspanningen worden ze betaald, mogen ze de producten houden waarvoor ze promotie maken of kunnen influencers gratis gebruik maken van de door hen aangeprezen diensten.

Wat denkt de fiscus hiervan? Zijn er nog zaken waar een influencer moet aan denken?

Personenbelasting - voordeel alle aard

In antwoord op een parlementaire vraag antwoordt de minister van Financi√ęn dat de producten of de diensten die een influencer ontvangt in ruil voor de geleverde reclamediensten een voordeel alle aard zijn. Dergelijke voordelen kwalificeren als baten en zijn belastbaar als beroepsinkomen in de personenbelasting.

Een influencer die bijvoorbeeld kledij promoot en de geshowde kledij, na de promotie op social media, mag houden, moet dus weten dat dit aanleiding geeft tot een belastbaar voordeel alle aard.

De onderneming die het voordeel heeft verleend mag de kosten voor deze kledij fiscaal als kost aftrekken, mits aangifte van het voordeel in de personenbelasting. Daarom is de onderneming ertoe gehouden om de voordelen op te nemen op de passende fiscale fiche en samenvattende opgave. In geen geval mag de onderneming die het voordeel heeft verleend, kiezen voor de toepassing van een ander belastingstelsel, zoals het opnemen van de kosten onder de verworpen uitgaven.

Indien naast de voordelen in natura toch geldsommen worden uitbetaald kan het fiscaal regime van auteursrechten een interessante optie zijn. Teksten die een influencer schrijft en de beelden die de influencer maakt kunnen eventueel (deels) in auteursrechten worden uitbetaald. Inkomsten uit auteursrechten zijn namelijk gerangschikt onder de¬†roerende inkomsten¬†en zijn binnen bepaalde grenzen belastbaar tegen 15%.¬†Let wel: inkomsten boven de grens van ‚ā¨62.090,00 (voor aanslagjaar 2021) worden meestal belast als beroepsinkomen.

BTW

Uiteraard zijn er ook btw-aspecten verbonden aan de prestaties van de influencers. Een influencer die geregeld op zelfstandige basis dergelijke promotionele dienstprestaties verricht is namelijk een btw-plichtige. Door het veelvuldig en ijverig 'promotioneel' posten op bijvoorbeeld Instagram, zijn de activiteiten ook makkelijk vast te stellen.

Dit impliceert dat heel wat influencers de hoedanigheid van btw-plichtige verkrijgen, waardoor zij zich voor btw-doeleinden moeten identificeren. Het gevolg is dan ook dat de dienstprestaties van een influencer in principe aan btw zijn onderworpen. Hierbij horen verplichtingen, denk maar aan het indienen van periodieke aangiftes en het uitreiken van facturen.

Indien het omzetcijfer van de influencer niet hoger is dan 25.000 euro, kan geopteerd worden voor een bijzonder regime. Dit afwijkende regime laat toe dat men zich niet moet registreren voor btw-doeleinden en er geen indiening van periodieke btw-aangiften is vereist. De consequentie is dat de influencer geen recht heeft op btw-aftrek. Om zich te beroepen op dit bijzonder regime moet de influencer een individuele én voorafgaande toelating van de fiscale administratie verkrijgen.

Sociale en administratieve verplichtingen

Een influencer ontsnapt evenmin aan de verplichting om in orde te zijn met het sociaal statuut.

Als vertrekpunt is het statuut van zelfstandige het meest aangewezen. De keuze tussen zelfstandige in hoofd- of bijberoep zal afhangen van het antwoord op de vraag of er voldoende sociale rechten worden opgebouwd als werknemer of als ambtenaar. Aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds én betalen van sociale bijdragen zijn de opdracht. Daarnaast is een inschrijving noodzakelijk bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen. Met tussenkomst van een ondernemingsloket verkrijgt men een ondernemingsnummer (incl. activering van het btw-nummer). Vergeet ook niet dat een zelfstandige influencer een (vereenvoudigde) boekhouding moet voeren.

Is dit 'over the top' dan kan een interimcontract, i.e. een tijdelijk arbeidscontract, een oplossing bieden. De prestaties gebeuren dan als werknemer door tussenkomst van een interimbureau. Zodra de opdracht door de influencer is uitgevoerd stuurt het interimbureau een factuur aan de opdrachtgever en het interimbureau betaalt aan de influencer het loon, na aftrek van sociale bijdragen en belastingen.

Consumentenbescherming

Als influencer is het belangrijk te weten dat Europees en Belgisch consumentenrecht verplicht om reclame steeds als dusdanig herkenbaar te maken.¬†Elke misleiding of het weglaten van informatie die de beslissing van de consument kan be√Įnvloeden is verboden. De wijze waarop de verwijzing naar reclame moet gebeuren staat niet vast en kan verschillen van land tot land. Denk hierbij aan de verplichte vermelding ‚Äúcommerci√ęle communicatie‚ÄĚ, gebruiken van hashtags of mondelinge waarschuwing in video's.

De Aanbevelingen van de Raad voor de Reclame inzake online influencers gelden voor influencers die een vergoeding ontvangen √©n de adverteerder controle heeft over de commerci√ęle communicatie. Zijn beide voorwaarden niet voldaan dan gaat het het eenvoudigweg om een mening die een individu verspreidt via het internet.

Conclusie

Als influencer laat u niet alleen een marketingspoor na, ook de fiscus kan interesse hebben in uw populaire digitale activiteiten. Bovendien zijn er een aantal sociale en administratieve verplichtingen die om de hoek loeren. Het zou nonchalant zijn om de regels inzake consumentenbescherming niet ernstig te nemen. Een verstandige influencer vergeet ook niet dat duidelijke en goede afspraken met de opdrachtgever(s) inzake financi√ęle en commerci√ęle marketingprestaties aangewezen zijn.

Contacteer ons indien u duidelijkheid wenst omtrent uw huidige positie als influencer.