Effectentaks: tweede keer goeie keer?

De effectentaks; dit doet precies ergens een belletje bij u rinkelen? Klopt! In 2018 heeft de Belgische regering de effectentaks al eens ingevoerd. Maar deze taks was toen geen lang leven beschoren. De effectentaks werd toen vrijwel onmiddellijk vernietigd door het Grondwettelijk Hof wegens discriminatoir.

De regering De Croo doet nu opnieuw een poging. Tweede keer goeie keer?

Oude effectentaks

Met veel bravoure werd destijds de effectentaks - of soms ook wel de "rijkentaks" genoemd - ge√Įntroduceerd, ondanks de kritiek van de Raad van State. De taks bedroeg 0,15 procent op effectenrekeningen vanaf 500.000 euro.

De wetgever viseerde echter enkel effectenrekeningen van natuurlijke personen en liet onder andere effectenrekeningen van vennootschappen buiten beschouwing. Ook levensverzekeringen, aandelen, goud, kunst en vastgoed vielen er niet onder. Door allerlei achterpoortjes miste de effectentaks bovendien zijn effect.

Een arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 oktober 2019 bleek het einde te zijn voor de effectentaks.

Nieuwe effectentaks

Wie?

De regering De Croo heeft alvast goed geluisterd naar het Grondwettelijk Hof. Ook rechtspersonen (zowel vennootschappen als provincies, gemeenten, intercommunales en universiteiten) vallen nu binnen het toepassingsgebied.

Ook buitenlanders die effectenrekeningen hebben in Belgi√ę zullen er niet aan ontsnappen. Of omgekeerd, ook Belgen met een effectenrekening in het buitenland, zullen worden belast.

Het aantal titularissen van de rekening doet er niet toe. Zowel volle eigenaar, vruchtgebruiker als blote eigenaar worden belast.

Wat?

Alle financi√ęle instrumenten op de effectenrekening¬† zijn het voorwerp van de nieuwe taks. Denk aan aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, warrants en kasbons, maar ook¬† vastgoedcertificaten en zelfs cash op een effectenrekening.

Aandelen op naam zijn evenwel vrijgesteld.

Ook verzekeringen worden niet geviseerd. Let wel op, wanneer een verzekeraar bijvoorbeeld het vermogen van zijn klant belegt, valt hij wel onder de nieuwe effectentaks.

Hoeveel?

De grens voor de nieuwe taks is alvast opgetrokken. De nieuwe taks viseert voortaan effectenrekeningen van meer dan één miljoen euro.

Het tarief van de belasting bedraagt opnieuw 0,15% per jaar. De taks is verschuldigd op de gemiddelde waarde van de effectenrekening per kwartaal, namelijk op 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september.

Hoe?

Indien de betrokken effectenrekening is aangehouden bij een Belgische bank, dan zal zij instaan voor de (automatische) inhouding van de taks.

Ook voor effectenrekeningen in het buitenland zou dit in principe moeten worden ingehouden door de bank. Gebeurt dit niet, dan zal u zelf aangifte moeten doen en de belasting zelf betalen.

Conclusie

Afhankelijk van het geluid van de politieke oppositie komt de nieuwe effectentaks neer op een ordinaire verhoging van de belastingdruk, dan wel een gemiste kans om een echte belasting op vermogen in te voeren. Wat er ook van zij, zelfs in het nieuwe jasje is er nog steeds een risico op vernietiging door het Grondwettelijk Hof. Of de effectentaks dit keer dan wel overeind blijft zal de toekomst uitwijzen ...


Dag van de gegevensbescherming: ook de overheid is soms fout

28 januari is de Europese dag van de gegevensbescherming. Het is dan ook de ideale gelegenheid om het belang van privacy en gegevensbescherming in de verf te zetten. Voor ondernemingen is het niet gemakkelijk om de verplichtingen inzake privacy en gegevensbescherming correct te interpreteren en toe te passen.

Uit enkele recente voorbeelden blijkt dat dit voor onze overheid eveneens moeilijk blijkt. Dit kadert hoe belangrijk het is voor  ondernemingen en overheden om voorzichtig om te springen met de gegevens van hun klanten, gebruikers of andere natuurlijke personen en de verwerking ervan.

Verplicht Microsoft e-mailadres

De federale overheid zet verschillende middelen beschikbaar op haar website FisconetPlus. Zo kan elke burger de databank met publieke informatie, zoals wetgeving, rechtspraak, omzendbrieven en brochures opvragen. Om toegang te krijgen tot de database stelde de overheid verschillende opties beschikbaar. Inloggen kon via een bestaand Microsoft account of via een anoniem Microsoft account. Daarnaast was er ook de optie om rechtstreeks via MyMinfin in te loggen.

De geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna GBA) stelt in haar beslissing dat het gebruik van een Microsoft account door de overheid hier een inbreuk vormde op de GDPR. De overheid maakt namelijk zelf een optie beschikbaar om in te loggen, waarbij geen bijkomende persoonsgegevens verwerkt worden. Door het gebruik van Microsoft, en het inloggen via een bestaand Microsoft-account verwerkt men meer gegevens dan nodig. Omdat de optie zonder bijkomende verwerking beschikbaar is, stelt de GBA dat een optie die wel voorziet in een verdere verwerking niet in overeenstemming is met de GDPR.

We kunnen in deze zaak ook opmerken dat de GBA oordeelde dat de overheid een inbreuk maakte door haar cookiebeleid. Daarin stond namelijk dat een gebruiker akkoord gaat met de plaatsing van cookies bij verder gebruik van de website. Echter is een actieve instemming vereist en voldoet een louter verder scrollen of klikken op een website niet. De GBA besliste daarom om de FOD Financi√ęn voor dit alles te berispen.

UBO-register en het rijksregisternummer

De toegang tot het UBO-register was enkele dagen afgesloten. Het UBO-register is een database van de Uiteindelijke Begunstigde van een Belgische entiteiten. Het gaat meer bepaald om de natuurlijke personen die de controle houden deze entiteiten vast te stellen in het kader van fraudebestrijding en tegen het witwassen van geld.

De overheid had het UBO-register offline moeten halen omdat het mogelijk was om het rijksregisternummer van iedere burger te achterhalen. Indien men de voor-en achternaam en geboortedatum van een persoon kon achterhalen (vaak eenvoudig te achterhalen bij bekende personen) was het een fluitje van een cent om het rijksregister te achterhalen. Een rijksregisternummer is een belangrijk persoonlijk gegeven dat slechts in beperkte omstandigheden verwerkt mag worden. Dat iedere burger hier zomaar toegang toe kan krijgen is een enorme inbreuk op de privacy en gegevensbescherming.

Voorlopig lijkt de FOD Financi√ęn het probleem opgelost te hebben. De vraag rest echter nog of dit geen juridisch staartje zal krijgen, al dan niet via de GBA.

Besluit

We hopen dat bovenstaande voorbeelden aantonen dat een correcte privacy en gegevensbeschermingsstrategie voor iedereen niet eenvoudig is. Dit mag ons echter niet ontmoedigen en moet blijk geven van het belang om hieraan de nodige tijd en middelen te besteden. Het uiteindelijke doel van de regelgeving rond privacy en gegevensbescherming is nog steeds de bescherming van burgers, klanten, gelijk welke natuurlijke persoon. En zijn we dat dan eigenlijk niet allemaal?


Schenk- en erfbelasting krijgen een Vlaamse make-over

Na de hervorming van het vennootschapsrecht, het erfrecht, het goederenrecht,... is nu ook de regionale schenk- en erfbelasting aan de beurt. De Vlaamse regering heeft immers haar fiat gegeven voor een hervorming. Wat staat er ons de komende maanden concreet te wachten?

Krachtlijnen van de hervorming inzake schenk- en erfbelasting

De hervorming van de schenk- en erfbelasting steunt op twee pijlers:

  1. verlenging van de verdachte periode voor niet-geregistreerde schenkingen;
  2. de afschaffing van het duolegaat met als compensatie: verlaging van schenk- en erfbelasting richting 'zuivere goede doelen' en invoering van de zogenaamde 'vriendenerfenis'.

Een aantal van deze punten, zoals de verlenging van de verdachte periode en de vriendenerfenis, kwamen reeds aan bod. We bundelen deze hierna en zorgen voor een doorverwijzing naar de oudere blogartikelen.

Het begin: afschaffing van het duolegaat

Het beginpunt is eigenlijk de afschaffing van het duolegaat. Meer concreet zijn het eigenlijk de fiscale voordelen, gekoppeld aan het duolegaat, die afgeschaft worden. In een eerdere bijdrage kon u hierover alvast de uitgangspunten lezen. Het duolegaat verliest hierdoor alle financieel nut in hoofde van het goede doel.

Maar, hierdoor zien deze goede doelen mogelijk een aanzienlijk deel van hun fondsen verloren gaan. De Vlaamse regering laat dit niet zonder meer gebeuren en voorziet daarom in een aantal compensaties.

Verlaging schenk- en erfbelasting voor goede doelen

Zo is het nu ...

Schenkingen of legaten en de bijhorende schenk- en erfbelasting, zijn al jaren een hot item. Ze horen bij een vermogensplanning, zoals een kip bij een ei hoort.

Momenteel bestaat er een verlaagd tarief van 5,5% voor schenkingen aan vzw’s, ivzw's, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut. Als de schenker of de inbrenger echter zelf een vzw of een stichting is, dan geldt er een forfaitair tarief van 100 euro aan registratiebelasting.

Maar ook als u wenst te werken met een legaat, zijn er gunstige tarieven. U kan in uw testament namelijk een legaat opnemen aan vzw’s (zoals een vzw met een liefdadig doel), overheden en hun openbare instellingen, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ziekenfondsen, beroepsverenigingen, private stichtingen of stichtingen van openbaar nut. Op deze legaten is dan een verlaagd tarief van 8,5% erfbelasting van toepassing, ongeacht de waarde van het legaat. Merk op dat men in alle andere gevallen wél rekening houdt met de waarde van het legaat. Daarop worden dan de gekende tarieven van 3%, 9% en 27% losgelaten.

Dit verlaagde tarief is ook van toepassing op legaten aan vzw's, overheden, enz. .. die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte (EER), én die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen deze Europese Economische Ruimte hebben.

Dit komt er aan...

Het is de bedoeling om voornoemde bijzondere tarieven in de schenk- en erfbelasting voor goede doelen te verlagen naar 0%. Deze tariefverlaging komt er vanuit altru√Įstisch oogpunt.

Wanneer iemand een schenking of legaat overmaakt aan een goed doel, heeft die daar vaak een emotionele connectie mee. Door hier nu een 0%-tarief aan te koppelen, kunnen vzw’s, overheden en hun openbare instellingen, openbare centra voor maatschappelijk welzijn en stichtingen van openbaar nut een financieel duwtje in de rug krijgen.  Bovendien probeert men hierdoor het "verlies" aan inkomsten via het duolegaat te compenseren. Bemerk dat niet iedereen in aanmerking komt voor dit 0%-tarief.

De Vlaamse Regering maakt namelijk wel een merkwaardige afweging. Het 0%-tarief zal niet van toepassing zijn voor legaten en schenkingen aan private stichtingen. De reden hiervoor is te vinden in het feit dat het niet gereglementeerd is welke private doelen in aanmerking komen voor een private stichting en welke niet. Om erover te waken dat het 0%-tarief niet "misbruikt" wordt, is er dus voor gekozen om legaten aan private stichtingen blijvend te onderwerpen aan het huidige tarief van 8,5%. Andere uitsluitingen van het 0%-tarief zijn er voor ziekenfondsen, landsbonden van ziekenfondsen en beroepsverenigingen.

De nieuwe regeling inzake schenk- en erfbelasting, met bijhorend nieuw tarief zal gelden vanaf 1 juli 2021.

Vriendenerfenis

Een tweede compensatie voor de afschaffing van de fiscale voordelen van het duolegaat, bevindt zich in de zogenaamde vriendenerfenis. De Vlaamse Regering wil het mogelijk maken om een deel van uw erfenis testamentair na te laten aan uw "beste vriend".

Op dit legaat zou dan het laagste tarief van 3% van toepassing zijn, in plaats van het oorspronkelijke tarief van 25%. Uw beste vriend komt nu eigenlijk op gelijke hoogte te staan met erfgenamen van de eerste graad (echtgenoten en afstammelingen in rechte lijn).

De tariefverlaging komt er wel maar voor een beperkt bedrag van ten hoogste 15.000 euro. Het maximum nettovoordeel zou dus 3.300 euro bedragen (met name het verschil tussen 15.000 euro aan 25% en 15.000 euro aan 3%).

De inwerkingtreding van de regels inzake vriendenerfenis is momenteel eveneens voorzien op 1 juli 2021.

Sluiting kaasroute en verdachte periode

De kaasroute wordt eerstdaags gesloten. De verdachte periode voor niet in Belgi√ę geregistreerde schenkingen van roerende goederen wordt uitgebreid van 3 naar 4 jaar voor het overlijden van de schenker. Dit wil zeggen dat, indien u toch een dergelijke schenking hebt uitgevoerd en u komt te overlijden binnen deze periode, de geschonken goederen geacht worden zich alsnog in uw nalatenschap te bevinden. U kan er hier alles rustig over nalezen.

Over het tijdstip van inwerkingtreding zijn al veel woorden geschreven, maar het is nu wel duidelijk: de deur naar het buitenland sluit op 1 december 2020. Dat blijkt ook nog uit de op 18 november 2020 aangenomen tekst door de Commissie voor Financi√ęn en begroting. Rest nu enkel nog de finale goedkeuring, en klaar is Kees...

Voor andere niet-geregistreerde schenkingen van roerende goederen, zoals de bank- of handgift, én kosteloze beschikkingen via levensverzekeringen geldt eveneens de verlengde verdachte periode van 4 jaar. Het verschil met de kaasroute is de inwerkingtreding. De verdachte periode van 4 jaar geldt voor schenkingen die plaatsvinden vanaf 1 juli 2020. M.a.w. voor schenkingen van voor deze datum blijft de oude verdachte periode van 3 jaar gelden.

Conclusie

U merkt het, de Vlaamse Regering lijkt enerzijds te slaan, maar anderzijds zalft ze ook. Okay, er is het 0%-tarief voor zuivere goede doelen. Ja, er is de vriendenerfenis. Maar in de praktijk zullen toch vooral de verlenging van de verdachte periode naar 4 jaar, de afschaffing van de kaasroute en het verdwijnen van het fiscaal voordeel van het duolegaat blijven nazinderen. Voor zij die een duolegaat hebben opgenomen in hun testament dringt een testamentaire aanpassing zich alleszins op.

Contacteer aternio legal indien u samen met ons uw vermogensplanning wenst te optimaliseren.


verplichtingen

UBO-register, verplichtingen zijn een 'never-ending story'

Er is al heel wat geschreven over het UBO-register. Van de verplichte UBO-registratie over inhoudelijke regels tot de verhouding vruchtgebruiker-blote eigenaar. Voor zij die het horen donderen in Keulen: het is een register waarin een Belgische entiteit (oa. vennootschap, vzw, stichting) haar uiteindelijke begunstigde personen moet opnemen. Dit zijn de natuurlijke personen die uiteindelijk meer dan 25% van de stemrechten of aandelen in handen hebben. Entiteiten die hun UBO-register nog niet in orde hadden gebracht kregen onlangs aanmaningsbrieven.

Met het Koninklijk Besluit van 23 september 2020 stelt de overheid nu bijkomende voorwaarden aan de inschrijving in het UBO-register. Bijkomende verplichtingen waarvan we toch het nut in vraag durven stellen. Ondernemen in Belgi√ę is pompen of verzuipen en dit onder een niet aflatende stroom van administratieve verplichtingen.

Tussenliggende entiteiten in UBO

Personen houden niet altijd rechtstreeks de aandelen aan van hun werkvennootschap. Vaak werkt men met een structuur, waarbij de uiteindelijke aandeelhouders gebruik maken van een holdingvennootschap. Op deze manier kan men een hele cascade van tussenliggende aandeelhouder-entiteiten cre√ęren.

Het KB vermeldt nu uitdrukkelijk dat al deze tussenliggende entiteiten zich moeten registreren in het UBO-register. Het is niet langer voldoende dat een Belgische entiteit haar uiteindelijke begunstigde aanduidt met een gewogen percentage.

Heel erg vernieuwend is dit niet, de handleiding die bij het UBO-register hoort stelde al dat de registratie zo diende te gebeuren. Voor entiteiten die de letter van de wet volgden betekent dit echter dat ze hun registratie moeten herzien en bijwerken.

Verplicht uploaden stavingsstukken

Het KB voert bovendien een nieuwe verplichting in die voor heel wat extra werk zal zorgen voor entiteiten. Entiteiten moeten de informatie die ze in het register plaatsen staven met de nodige documenten. Deze documenten moeten bewijzen dat de informatie adequaat, nauwkeuring en actueel (!) is. Het KB verduidelijkt niet welke documenten juist gebruikt moeten worden. Betekent dit dat men steeds een uittreksel uit het (elektronisch) aandelenregister moet opladen, of zijn andere documenten ook voldoende? Een alternatief zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat het bestuur van de vennootschap de inschrijving in het aandelenregister bewijst aan de hand van een certificaat.

De vraag kan hier zeker gesteld worden welke meerwaarde deze nieuwe verplichting biedt. De informatie in het register moet juist zijn. Indien de entiteit verkeerde informatie heeft opgenomen in het UBO-register is de entiteit hiervoor verantwoordelijk en aansprakelijk. De bijkomende documentatieplicht lijkt louter een bijkomend middel voor de overheid om het UBO-register te controleren op fouten. En dus te penaliseren?

Beschikbare informatie bij raadplegen UBO-register

De toegang tot het register breidt het KB ook uit. De historiek van de wijzigingen aan het UBO register zal zichtbaar zijn wanneer een persoon informatie opvraagt over een entiteit. Het idee is dat een controle van de geschiedenis van de uiteindelijke begunstigden van de entiteit zo mogelijk is. De identiteit van de persoon die het UBO-register heeft aangevuld is echter zichtbaar bij de informatie over de historiek. Deze persoon kan een bestuurder zijn van de entiteit, maar ook een externe volmachthouder. Weet dus dat de persoonsgegevens van de persoon die het UBO-register bijwerkt voor de entiteit zichtbaar zullen zijn.

Bovendien kan elk lid van de bevolking (elke burger dus) nu de (dagelijks)bestuurder, oprichters en andere gevolmachtigde vertegenwoordigers van een stichting of vzw raadplegen. De persoon die het UBO-register raadpleegt moet hiervoor geen legitiem belang aantonen. Hoewel hierover stemmen opgaan dat dit een inbreuk kan uitmaken op het recht op privéleven van de personen geregistreerd in het UBO-register. Echter is de informatie over deze personen reeds vrij openbaar beschikbaar in de publicaties in het Belgisch Staatsblad en de KBO.

Trusts, een fiducie of een soortgelijke juridische constructie

Een trust, een fiducie of een soortgelijke juridische constructie moet zich eveneens registreren in het UBO-register. Hiervoor vereist het register echter dat zij ingeschreven zijn in de KBO, omdat het register het ondernemingsnummer nodig heeft. Op heden werden zij echter nog niet in de KBO geregistreerd waardoor het KB deze verplichting nu ook voor deze constructies invoert. Af te vragen blijft wel hoe dit afgedwongen zal worden ten opzichte van een buitenlandse trust, fiducie of soortgelijke juridische constructie.

Inwerkingtreding en gedoogbeleid

Het nieuwe KB en haar verplichtingen trad in werking 10 dagen na haar publicatie: dus op 11 oktober 2020. Het moet niet verbazen dat bijna geen enkele inschrijvingsplichtige entiteit zich reeds heeft aangepast aan de nieuwe vereisten. Het voorzien van de verantwoordingsstukken in het UBO-register brengt het nodige bijkomende werk met zich mee. Zeker voor entiteiten die de tussenliggende entiteiten nog moeten registeren. Het is te hopen dat de FOD Financi√ęn opnieuw zal voorzien in een gedoogbeleid.


Steun de cultuursector via tax shelter en krijg belastingvrijstelling

De cultuursector heeft het de laatste tijd hard te verduren. Grote festivals, voorstellingen en concerts werden één voor één geannuleerd of uitgesteld. Een financieel ruggensteuntje kan deze sector best gebruiken. Eén van de manieren om dit te doen is het investeren in de "Tax Shelter voor audiovisule werken en podiumkunsten". De fiscale gunstregeling bestaat al enige tijd, maar is sinds de covid 19-pandemie nog wat versoepeld.

Wat is de tax shelter voor audiovisuele werken en podiumkunsten ?

Winstgevende vennootschappen in Belgi√ę kunnen een fiscaal voordeel genieten wanneer zij investeren in audiovisuele werken of podiumkunsten, mits te voldoen aan een aantal voorwaarden. Kort samengevat komt de tax shelter neer op een belastingvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Naast de belastingbesparing ten belope van het investeringsbedrag, is er ook een extra opbrengst op de gestorte sommen (maximaal rendement is bij wet vastgelegd op Euribor 12 maanden + 4,50%).

Let op: de tax shelter voor audiovisuele werken en podiumkunsten mag echter niet verward worden met de tax shelter voor startende ondernemingen.

Hoe werkt het concreet?

Een investeerder kan een bepaalde productie steunen door een (voorlopig) "tax shelter-attest" te kopen van een producent. Partijen sluiten hiervoor een passende raamovereenkomst af.

De investeerder moet dan binnen de 3 maanden na het sluiten van deze raamovereenkomst het investeringsbedrag aan de producent betalen. De investeerder krijgt een voorlopige belastingvrijstelling (van 365% ¬†voor aanslagjaar 2019-2020‚ÄĮ) van het ge√Įnvesteerde bedrag in ruil.¬†Vervolgens gebruikt de producent het investeringsbedrag voor zijn productie en dit binnen de wettelijk vastgelegde termijnen.

De fiscale Cel Tax Shelter gaat na of alle voorwaarden zijn nageleefd. Uiterlijk op 31 december van het 4de jaar volgend op het jaar van de ondertekening van de raamovereenkomst, levert zij het definitieve tax shelter-attest af.

Dit definitief afgeleverd tax shelter-attest zet de voorlopige vrijstelling uiteindelijk om in een definitieve belastingvrijstelling voor de investeerder.

Wie komt in aanmerking?

a. Investeerder

Als tax shelter investeerder komen in principe alle Belgische vennootschappen (of vaste inrichtingen) in aanmerking, behalve productievennootschapen of televisieomroepen.

We merken evenwel op dat indien een kleine vennootschap kan genieten van het verlaagde tarief van 20% en de winst tot 100.000,00 euro beperkt blijft, de investering in de tax shelter een laag of soms een negatief rendement oplevert. Voor deze vennootschappen is de tax shelter dus niet interessant.

 

b. Producent

Als producent komen de Belgische vennootschappen (of vaste inrichtingen) in aanmerking met als voornaamste doel de productie van audiovisuele werken. Zij mogen alvast geen televisieomroep zijn en/of niet verbonden zijn met een omroep.

Wat komt in aanmerking?

a. Audiovisule werken

  • een fictiefilm (lange, gemiddelde en korte duurtijd), een documentaire, een animatiefilm of een kortfilm voor bioscopen;
  • een lange fictiefilm voor televisie (mogelijk opgedeeld in afleveringen);
  • een fictieserie, animatieserie, kinderreeks of documentaire bedoeld voor televisie;
  • een kinder- of jeugdreeks.

b. Podiumkunsten

  • theater;
  • circus;
  • straattheater;
  • opera;
  • klassieke muziek;
  • dans;
  • muziektheater, met inbegrip van musical en ballet, evenals de productie van een totaalspektakel.

Bovendien moeten voornoemde audiovisuele werken en podiumkunsten erkend zijn door de Vlaamse gemeenschap. Meer info over de erkenning vindt u hier.

Tijdelijke corona-versoepelingen

Ingevolge de covid 19-pandemie heeft de regering ook voorzien in enkele tijdelijke versoepelingen. Zo is voor de podiumkunsten beslist om de huidige termijn voor het verrichten van uitgaven van 24 maanden te verlengen met 6 maanden.

Voor de audiovisuele werken is eveneens beslist om de huidige termijn van 18 maanden (24 maanden voor animatie) te verlengen met 6 maanden. Om deze tijdelijke versoepeling te kunnen genieten dient de producent evenwel aan te tonen dat hij rechtstreekse schade heeft ondervonden als gevolg van de corona-maatregelen van de overheid.

De details over de tijdelijke corona-versoepelingen van de tax shelter kan u terugvinden in de circulaire van 25 mei 2020.

Conclusie

Er zijn veel goede redenen om op vandaag te investeren in een tax shelter. Zo steunt u niet alleen de cultuursector, maar doet u er ook een fiscaal en financieel voordeel bij. Bij ontvangst van het tax shelter attest, kan u genieten van een definitieve belastingvrijstelling en een rendement op uw investering. Bovendien kan een tax shelter een interessant alternatief zijn voor onvoldoende voorafbetalingen.

Contacteer aternio voor meer info.


bedrijfswagen

Bedrijfswagen: geen fiscale aftrekbeperking bij betaling voor privégebruik

Een belastingsplichtige heeft haar slag thuis gehaald voor het Hof van Cassatie in een arrest van 25 juni 2020 inzake de fiscale aftrekbeperking op kosten van een bedrijfswagen.

Volgens het Hof mag een vennootschap immers haar autokosten volledig aftrekken, ook al zijn de kosten voor het privégebruik van een bedrijfswagen door de werknemer of bedrijfsleider terugbetaald aan de vennootschap. De aftrekbeperking voor autokosten is zodoende niet van toepassing op de vennootschap.

Aftrekbeperking autokosten

Overeenkomstig de fiscale wetgeving (art. 66, §1 en art. 198bis WIB'92) zijn de beroepskosten voor het gebruik van personenwagens slechts in beperkte mate aftrekbaar. Voor een uitgebreide bespreking van de huidige autofiscaliteit verwijzen we naar Autofiscaliteit anno 2020.

VAA: geen probleem

Indien de vennootschap een bedrijfswagen ter beschikking stelt van een werknemer of bedrijfsleider, die de wagen ook gebruikt voor privédoeleinden, zal de genieter belast worden op een voordeel van alle aard (hierna VAA).

De fiscus tolereert echter dat voornoemde aftrekbeperking bij de vennootschap of werkgever soms niet van toepassing is. Dit is het geval indien er tegenover de beroepskosten van de bedrijfswagen een belastbaar VAA staat. Met andere woorden, de autokosten ondergaan geen aftrekbeperking bij de vennootschap/werkgever voor het bedrag van het VAA.

Bij de berekening van de verworpen uitgaven aangaande autokosten mag de vennootschap dus het gedeelte dat ze als VAA vermeldt op de inkomstenfiches, in mindering brengen (Vraag nr. 1206 van de heer Borginon dd. 27.03.2006). Op die wijze wil de fiscus ook dubbele belasting vermijden, hetgeen ze ook met zoveel woorden zegt in haar commentaar (Comm.66/41 en 195/109).

Wat met eigen bijdrage?

Wat gebeurt er nu wanneer de werknemer of bedrijfsleider een eigen bijdrage betaalt voor het privégebruik van de bedrijfswagen?

Welnu, in principe mag men het belastbaar VAA verminderen met de eigen bijdrage van de genieter van het voordeel (art. 36, §2 WIB'92). Op het stuk van de eigen bijdrage is er dus geen voordeel. Heeft dit nu gevolgen voor de afrekbeperking op het niveau van de vennootschap, voor de kosten van de bedrijfswagen?

Ja, daar wringt nu net het schoentje bij de fiscus...

Visie fiscus

De fiscus houdt er een zeer strikte visie op na.

Zij is namelijk van oordeel dat wanneer er géén VAA is, de aftrekbeperking sowieso behouden blijft. Ook al was dit door toedoen van de eigen bijdrage van de genieter van het voordeel.

Visie Cassatie

Uiteindelijk is deze problematiek tot bij het Hof van Cassatie geraakt. Zij geeft nu, net zoals het Hof van Beroep te Brussel, de belastingsplichtige gelijk.

Het Hof stelt namelijk dat de aftrekbeperking enkel van toepassing kan zijn wanneer de bedrijfswagen door de vennootschap zélf wordt gebruikt, en dus niet bij belast of betaald gebruik voor privédoeleinden.

Uit de wetsbepaling en parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat de aftrekbeperking enkel van toepassing is op de kosten voor het beroepsmatig gedeelte van de wagen. De aftrekbeperking geldt dus niet op de kosten m.b.t. het privégebruik.

"De omstandigheid dat de kosten voor het privégebruik door de werknemer worden terugbetaald, belet niet dat de werkgever/vennootschap deze kosten volledig mag aftrekken." volgens het Hof van Cassatie.

Samengevat: ook al staat er door de 'eigen' bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider tegenover het privégebruik van de bedrijfswagen geen VAA meer, dit niet belet dat de kosten aangaande dat privégebruik volledig aftrekbaar blijven bij de werkgever of vennootschap.

Conclusie

Het Hof van Cassatie bevestigt in haar arrest van 25 juni 2020 dat de aftrekbeperking voor autokosten niet van toepassing is ten belope van de eigen bijdrage van een werknemer of bedrijfsleider in het VAA voor het privégebruik van de bedrijfswagen.


Hoe tovert een vereniging weer brood op de plank?

Nu ons sociaal leven stilaan terug op gang komt, moet het vlammetje van het verenigingsleven opnieuw aangewakkerd worden. De corona-crisis heeft er voor gezorgd dat ook de non-profit sector noodgedwongen hun activiteiten dienden stil te leggen. Zij krijgen het nu vaak nog moeilijker dan de anderen om de draad weer op te pikken. Om terug te kunnen opstarten, zijn er namelijk fondsen nodig. Hoe krijgt zo'n vereniging of organisatie weer het nodige brood op de plank? In wat volgt geven we een bloemlezing van eerdere artikels, aangevuld met informatie van de overheid en geflankeerd door enkele belangrijke weetjes of aandachtspunten. Hierbij gaan we in deze bijdrage niet verder in op de activiteiten die de vereniging kan ontplooien, noch op de fiscale en economische gevolgen daarvan.

Giften

Wanneer we ons in de non-profit-sfeer bevinden, springt het begrip "gift" meteen in ons hoofd. Giften zijn inderdaad erg belangrijk voor verenigingen en organisaties.
Dat is ook onze wetgever niet ontgaan. Om giften en legaten te promoten heeft de Vlaamse wetgever voorzien in enkele verlaagde tarieven

Toepasselijke registratiebelasting

Voor giften aan een vereniging geldt een verlaagd tarief in de schenkbelasting. Schenkingen van zowel roerende als onroerende goederen kunnen plaatsvinden aan een vlak tarief van 5,5%. In vergelijking met de "standaard-tarieven" voor schenkingen aan derden, levert dit dus alvast een mooi voordeel op.

Indien een vereniging zelf een schenking, inclusief een inbreng om niet, aan een andere vereniging wil verrichten, dan is er zelfs enkel een forfaitair recht van 100 euro verschuldigd.

De vermindering is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER), en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EER hebben.

Fiscaal aftrekbaar?

Om fiscaal aftrekbaar te zijn, moeten zowel de gift als de begunstigde aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • de gift moet minstens 40 euro bedragen, per kalenderjaar en per vereniging;
  • de vereniging of instelling moet erkend zijn door de minister van Financi√ęn of zijn afgevaardigde.
    Niet iedereen komt zomaar in aanmerking voor een erkenning. Doorslaggevend criterium daarbij is de activiteit. Hier kan u nakijken of uw activiteit kan kwalificeren om een erkenning te krijgen;
  • de giften ontvangen via de tussenkomst van een online betaalplatform kunnen in aanmerking komen als de voorwaarden opgenomen in de¬†circulaire en het bijhorende addendum strikt worden nageleefd;
  • de vereniging of instelling moet een attest of kwijtschrift uitreiken voor de ontvangen giften;
  • de gift moet uit geld bestaan;
  • giften in de vorm van kunstwerken geven ook recht op een belastingvermindering als:
    • ze gedaan zijn aan rijksmusea, gemeenschappen en gewesten, provincies, gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn op voorwaarde dat die openbare machten ze voor hun musea bestemmen
    • het gaat om kunstwerken waarvan de minister van Financi√ęn erkend heeft dat zij behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten
    • de minister van Financi√ęn hun geldwaarde heeft vastgesteld.

De belastingvermindering bedraagt 45% van het werkelijk gestorte, en op het attest vermelde, bedrag.

Het totale bedrag van de giften waarvoor de belastingvermindering wordt verleend mag nooit meer bedragen dan ofwel 10% van het totale netto-inkomen, of 392.200 euro (voor aanslagjaar 2020 - inkomstenjaar 2019).

Ook voor gebouwen?

In bepaalde gevallen geldt er bovendien nog een bijkomend voordeel. Wanneer er een schenking van een gebouw wordt verricht aan een openbare instelling, dan zal er, door middel van een teruggave, een verlaagd tarief gelden van 3% in plaats van de voornoemde 5,5%. Deze bijkomende verlaging geldt niet zonder meer. De schenking dient te voldoen aan de voorwaarden voor het verlaagde tarief voor gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden.

Hoe gaat die teruggave dan juist in zijn werk? Bij de registratie van de akte zal de fiscus het gewone tarief van de schenkbelasting heffen. Indien de voorwaarden van het verlaagde tarief vervuld zijn, wordt het verschil tussen het eerder geheven gewone tarief en het verlaagde tarief terugbetaald. Deze terugbetaling dient men aan te vragen door middel van een verzoekschrift.

Legaten

Een alternatief voor de giften, zijn de legaten. Legaten zijn afkomstig uit testamenten en zijn bijgevolg onderworpen aan de erfbelasting. Maar ook hier heeft de Vlaamse wetgever voorzien in voordelige tarieven. Een legaat aan een vereniging, kan namelijk plaatsvinden tegen een tarief van 8,5% erfbelasting. Voornoemd tarief is geldig, ongeacht de concrete waarde van het legaat.

Dit verlaagde tarief is ook van toepassing op legaten aan vzw's, overheden, enz. .. die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de EER, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EER hebben.

Lidgelden

Een van de belangrijkste bronnen van inkomsten of werkingsmiddelen voor een vereniging, zijn de lidgelden. Door de betaling van lidgeld kunnen de leden genieten van het lidmaatschap van de vereniging en diensten die de vereniging verstrekt. U leest er alles over in een eerdere bijdrage. Meer dan ooit vraagt uw favoriete vereniging om hen te steunen, door uw lidmaatschap te verlengen. Op die manier beschikken zij over een gegarandeerd budget om hun activiteiten verder uit te bouwen.

Crowdfunding

Crowdfunding leeft. Het is een manier om fondsen en werkingsmiddelen te verzamelen, door een grote groep mensen aan te spreken‚ÄĮen‚ÄĮte vragen naar een (beperkte) bijdrage. Deze verzameltechniek is bij het publiek ondertussen wijdverspreid.

Voor de verenigingen zijn er 3 relevante vormen van crowdfunding:

  • donation-based crowdfunding: dit is een financiering zonder (of tegen een beperkte, eerder symbolische) tegenprestatie. Voorbeeld hiervan is sponsoring onder de vorm van reclame.
  • reward-based of pre-sales crowdfunding: in ruil voor een donatie verkrijg je een zogenaamde beloning, een toegangsticket, enkele drankbonnetjes,...
  • crowdlending: zoals het woord al laat vermoeden gaat het hier om leningen waarbij aan de financierder, al dan niet, een intrest zal worden betaald. In de praktijk¬†co√∂rdineert¬†een (erkend) platform¬†de crowd lending.

Verder vermelden we graag dat u online verschillende platformen kan terugvinden om uw vereniging in de kijker te zetten en het grote publiek aan te spreken.

Sponsoring

Sponsoring, ofwel het samenspel van aanbod en tegenprestatie. Het is een overeenkomst tussen de vereniging en een ondernemer of bedrijf om financi√ęle steun of steun in natura te vertrekken, in ruil voor publiciteit.

Courante voorbeelden zijn sportclubs die korting krijgen op drank bij de brouwer in ruil voor een exclusieve afname. Of de truitjes met sponsoring van een slager op voorwaarde dat de club haar inkopen voor het jaarlijks eetfestijn ook bij die slager doet. Maar ook vermelding van de naam of het logo van de sponsor op een website of een programmaboekje, zijn vaak voorkomende voorbeelden.

Weet dat de fiscus soms ook haar deeltje van de koek wil. U leest er hier en hier alles over.

Subsidies

Afhankelijk van de sector waarbinnen de vereniging werkzaam is, kan de overheid subsidies toekennen. Afhankelijk van de uitkerende instantie, kunnen er aan de toekenning van de subsidie voorwaarden worden gekoppeld.

Conclusie

In wat voorafgaat is duidelijk dat verenigingen of organisaties wel wat mogelijkheden ter beschikking hebben.
Ziet u door het bos van al die werkingsmiddelen de essenti√ęle bomen niet meer? Contacteer ons voor een analyse en optimalisatie van de structuur van uw vereniging.


stock

Quick fixes inzake btw: call-off stock

Sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde ‚Äėquick fixes‚Äô in werking getreden in Belgi√ę. Het gaat om een omzetting van de Europese richtlijnen (EU) 2019/475 en (EU) 2018/1910 die de regels aangaande grensoverschrijdende handelingen verder op punt zet.

De wet van 3 november 2019 vult het Btw-wetboek in Belgi√ę aan met onder meer een regeling inzake ‚Äėvoorraad op afroep‚Äô, ‚Äėkettingverkopen‚Äô en ‚Äėvrijstellingen op intracommunautaire leveringen‚Äô.

In huidige bijdrage gaan we dieper in op de regeling inzake voorraad op afroep (oftewel ‚Äėcall-off stock‚Äô).

Harmonisatie inzake call-off stock

Opdat afnemers steeds over de nodige voorraad zouden beschikken, houden leveranciers soms voorraden aan bij hun afnemers. Wanneer een leverancier hierbij goederen overbrengt naar een andere lidstaat, moet de leverancier zorgen voor de nodige btw-registratie en btw-aangiftes in dat land. Die overbrenging werd dan in principe beschouwd als een intracommunautaire levering/verwerving.

Wanneer de afnemer vervolgens goederen uit de voorraad haalt, de zogenaamde ‚Äėcall-off stock‚Äô, verrichtte de leverancier een lokale levering van goederen in de lidstaat waar de goederen zich dan bevinden.

De wetgever heeft dit proces willen vereenvoudigen. Voortaan beschouwt men deze handelingen, onder welbepaalde voorwaarden, als één vrijgestelde levering in de lidstaat van vertrek en één intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst.

De meeste Europese lidstaten hebben hier al een eigen nationale vereenvoudigingsregeling voor. Door de implementatie van de Europese richtlijn zijn de vereenvoudigingsregelingen in de diverse lidstaten volledig geharmoniseerd.

Nieuwe regeling

In de nieuwe regeling beschouwt met de overbrenging van voorraden van de ene lidstaat naar de andere in principe niet als een intracommunautaire levering. Evenwel, op het moment dat de afnemer de goederen uit de voorraad haalt, verricht de leverancier een intracommunautaire levering van goederen in de lidstaat van waaruit de call-off stock initieel is overgebracht . De afnemer dient een intracommunautaire verwerving van de goederen aan te geven in de lidstaat waar de call-off stock naartoe is gebracht.

Voorwaarden

Voornoemde vereenvoudiging bij call-off stock kan énkel indien aan volgende grondvoorwaarden is voldaan:

  • de afnemer is een btw-plichtige;
  • de afnemer heeft op basis van een overeenkomst met de leverancier het eigendomsrecht betreffende de goederen verkregen;
  • de leverancier is niet gevestigd en heeft evenmin een vaste inrichting in de lidstaat van aankomst van de goederen;
  • de afnemer heeft een btw-nummer in de lidstaat van aankomst van de goederen;
  • de leverancier beschikt v√≥√≥r het tijdstip van verzending over de identiteit en het btw-nummer van de afnemer in de lidstaat van aankomst;
  • de leverancier neemt het vervoer van de goederen op in een bijzonder register en vermeldt het btw-nummer van de afnemer op in zijn IC-listing; √©n
  • de goederen moeten binnen 12 maanden na aankomst aan de afnemer zijn verkocht.

Bijzondere gevallen

Wanneer een van voornoemde grondvoorwaarden niet langer is vervuld, zijn de normale regels (van overbrenging) opnieuw van toepassing.  In bepaalde bijzondere gevallen blijft de vereenvoudingsregel toch van toepassing:

  • Indien binnen de 12 maanden de goederen worden geleverd aan een andere afnemer kan de vereenvoudigingsregel toch van toepassing blijven. De goederen moeten hiervoor binnen dezelfde lidstaat blijven.¬† Bovendien dient de nieuwe afnemer een btw-nummer te hebben in deze lidstaat. De leverancier moet de nieuwe afnemer tot slot opnemen in het bijzonder register.
  • Ook wanneer de goederen binnen de termijn van 12 maanden worden teruggezonden naar de oorspronkelijk lidstaat, blijft de vereenvoudigingregel gelden. De leverancier dient hiertoe de terugzending op te nemen in het bijzondere register.

Bij vernietiging, verlies of diefstal van de goederen herneemt de normale btw-regeling zich wél. Dit is eveneens het geval wanneer de goederen naar een andere lidstaat worden verzonden.

Conclusie

Met de implementatie van de 'quick fixes' door de lidstaten zijn de intracommautaire handelingen op diverse punten geharmoniseerd en vereenvoudigd. Eén van die quick fixes is de regelgeving rond 'call-off stock' of 'voorraad op afroep'.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan kan dit voor bedrijven met call-off stock een grote administratieve vereenvouding zijn. De btw-registraties en -aangiftes in de verschillende lidstaten worden gereduceerd.

Roept dit vragen bij u op? Contacteer ons.


Wanneer is mijn btw opeisbaar?

Indien u een btw-plichtige bent dient u elke maand of elk kwartaal een aangifte te doen. De aangerekend btw op uw prestaties moet u doorstorten aan de schatkist. De btw die u zelf betaalde mag u aftrekken.

Maar vanaf wanneer is mijn btw opeisbaar? We brengen de belangrijkste regels uit de circulaire van 2019/C/65 nog eens in herinnering.

Datum van factuur is van tel

Sinds 1 januari 2016 is de opeisbaarheid van de btw afhankelijk van de datum van de factuur ofwel de datum van betaling.

Een (voorschot)factuur die u uitreikt vóór de levering van het goed of de voltooiing van de dienst maakt de btw opeisbaar.  De uitreiking van een factuur zorgt voor de opeisbaarheid van de btw, zelfs indien dit voor de levering of de voltooiing van de dienst gebeurt.

Voor de opeisbaarheid van de btw is de datum van het belastbaar feit van ondergeschikte orde.

Binnenlandse levering van een goed (B2B)

Voor een binnenlandse levering van een goed vindt het belastbaar feit plaats en wordt de btw opeisbaar in principe op het tijdstip van de levering (art. 16, § 1 WBTW). In afwijking hiervan wordt de btw opeisbaar over het gefactureerde bedrag, ongeacht of u deze factuur uitreikt vóór of na het tijdstip van de levering.

Bij een laatijdige (of bij gebrek aan) uitreiking van de factuur wordt de btw opeisbaar de vijftiende dag van de maand volgend op die van  het belastbaar feit (art. 17, § 1 WBTW). De vooruitbetaling blijft een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid.

Intracommunautaire levering

Bij intracommunautaire leveringen wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van uitreiking van de factuur. Tenminste voor zover men deze factuur uitreikt na de levering én voor het volledige bedrag.

De btw-administratie aanvaardt evenwel een factuur die uiterlijk 7 dagen vóór het belastbaar feit werd uitgereikt als geldig document. Bijvoorbeeld bij aanvang van verzending of vervoer van het verkochte goed.

Diensten (B2B)

Ook het verrichten van een dienst doet in principe de opeisbaarheid van btw ontstaan (art. 22 WBTW). De uitreiking van de factuur zal evenwel ook hier de btw opeisbaar maken. Dit ongeacht of deze factuur werd uitgereikt vóór of na het belastbaar feit (art. 22bis WBTW).

Ook door de betaling van (een deel van) de prijs wordt de btw opeisbaar, indien de betaling werd ontvangen vooraleer de dienst werd verricht. Net als bij de levering van goederen geldt de opeisbaarheid op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum.

Leveringen of diensten aan particulieren

Voor leveringen van goederen of diensten aan particulieren waarvoor geen facturatieplicht geldt, zal de betaling van de prijs de btw opeisbaar maken. Ook al reikt de ondernemer aan de particulier op vrijwililge basis een factuur uit.

Intracommunautaire diensten

Voor intracommunautaire diensten wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van dienst of door de betaling van de prijs  vóór het belastbaar feit van de dienst.

Handelingen met de overheid (B2G)

Voor handelingen met de overheid is de btw in principe opeisbaar op moment van betaling. De circulaire verduidelijkt de uitzonderingen hierop. Ook voor bepaalde beroepen zoals architecten, advocaten, bestuurders-rechtspersonen, bestaan diverse uitzonderingen.

Heeft u hieromtrent vragen? De tax-experts van aternio staan u graag bij.


Auteursrechten voor bedrijfsleiders: rulingcommissie opnieuw strenger

Het is inmiddels algemeen aanvaard door de Rulingcommissie dat bedrijfsleiders zich vanuit hun managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten kunnen uitkeren. Dit is een variant op het uitkeren van auteursrechten op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging. Hierna frissen we de reeds gekende criteria hiervoor nog eens op. Uit de laatste rulings blijkt echter dat de Rulingcommissie (Dienst Voorafgaande Beslissingen, DVB) bijkomende beperkingen oplegt. Is dit een manier om het populair fiscaal regime van auteursrechten in te dijken?

Basiscriteria

Het is door de Rulingcommissie aanvaard dat een bedrijfsleider zich, vanuit zijn vennootschap, een deel van de omzet als auteursrecht kan toekennen. Dit kan echter niet zomaar. De vennootschap én de bedrijfsleider dienen zich daarvoor aan volgende spelregels te houden.

Vooreerst moet het gaan om een auteursrechtelijk beschermd werk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan letterkundige werken, kunstwerken, maar ook bijvoorbeeld aan computerprogramma's. De auteur, zeg maar de maker, moet daarbij een zekere intellectuele of artistieke inspanning geleverd hebben. Het werk moet bovendien voldoende origineel zijn en in een concrete vorm gegoten zijn. Een louter idee op zich is absoluut onvoldoende.

In de praktijk vereist de Rulingcommissie een schriftelijk overeenkomst voor de overdracht van de auteursrechten. Deze overeenkomst bevat duidelijke afspraken, zo ook over de vergoeding. Het is de logica zelf: tegenover de overdracht van auteursrechten staan vergoedingen.

Welke vergoeding?

De belangrijkste vraag blijft uiteraard hoeveel die vergoeding mag zijn. Het mag immers niet de bedoeling zijn om een volledig loon onder het mom van fiscaal gunstige auteursrechten uit te keren. Auteursrechten kunnen immers als een gunstig roerend inkomen kwalificeren.

De fiscale wet begrenst de jaarlijkse roerende inkomsten op maximaal ‚ā¨61.200,00 (ge√Įndexeerd basisbedrag van ‚ā¨37.500,00 voor aanslagjaar 2020). Bovendien mag men op de eerste schijf van ‚ā¨16.320,00 (ge√Įndexeerd basisbedrag van 10.000,00 voor aanslagjaar 2020) een forfaitaire kostenaftrek van 50% toepassen. Op de tweede schijf van ¬†‚ā¨16.320,00 mag men een kostenforfait van 25% toepassen. De inkomsten boven deze grens worden belast als divers of beroepsinkomen.

Criteria voor bedrijfsleiders met een managementvenootschap

De auteursrechten moeten steeds bovenop de gewone vergoeding voor de prestaties van de bedrijfsleider komen. Ze mogen in geen geval een vervanging van loon inhouden. Wanneer de vennootschap een deel van haar omzet aan de bedrijfsleider uitkeert als auteursrechten moet zij bovendien rekening houden met enkele beperkingen.

Zo mag de vergoeding niet tot gevolg hebben dat minder dan de helft van wat de vennootschap van derden ontvangt uit de overdracht van auteursrechten, daadwerkelijk in de vennootschap blijft. M.a.w. de vennootschap mag maximaal 50% van omzet uit auteursrechten uitkeren.

Bovendien mag de vergoeding niet meer bedragen dan de helft van het  resultaat van het boekjaar vóór belasting en vóór aanrekening van de vergoeding voor auteursrechten aan de bedrijfsleider.

Bovenvermelde beperkingen mogen er echter niet toe leiden dat de vergoeding minder dan 5% bedraagt van de netto omzet uit de exploitatie van de auteursrechtelijk beschermde werken. Hiertoe worden de relevante kosten afgetrokken van de relevante omzet uit auteursrechten. Dit geldt ook voor de vergoedingen voor bijvoorbeeld de overdracht van auteursrechten aan werknemers en freelancers.

Ook moet de vennootschap rekening houden met de minimumbezolding¬†van ‚ā¨ 45.000,00 voor de bedrijfsleider. Indien de bezoldiging minder dan¬† ‚ā¨45.000,00 bedraagt, moet men de vergoeding voor auteursrechten beperken tot 5% van de netto creatieve omzet per bedrijfsleider.

Extra voorwaarde voor de bedrijfsleider

In haar recentste rulings van 7 mei 2019 (nr. 2019.0109 en 2019.0300) voegt de Rulingcommissie nu nog een nieuwe bijkomende voorwaarde toe voor bedrijfsleiders met een managementvennootschap.

De nieuwe beperking geldt niet enkel voor de bedrijfsleider, maar ook voor andere medewerkers voor de omzet uit auteursrechten zorgen. In dat geval moet men de vergoeding van de bedrijfsleider beperken in functie van de vergoeding aan de andere medewerkers.

Concreet mag de vergoeding voor auteursrechten, in geen geval hoger zijn dan het tweevoud van het gemiddelde van de vergoeding voor auteursrechten die de huidige en toekomstige medewerkers (werknemers of freelancers) in de loop van hetzelfde jaar ontvangen voor de overdracht van hun auteursrechten.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn dat de Rulingcommissie verwoede pogingen blijft doen om het populair regime van de auteursrechten te ontraden.

De interpretatie van de wetgeving door de Rulingcommissie evolueert in de praktijk continu. Helaas leidt dit tot té veel en té ingewikkelde criteria.  Vanuit een managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten uitkeren aan een bedrijfleider is hierdoor minder interessant.

De vergoeding die wordt bepaald op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging van de bedrijfsleider lijkt ons daarom veel eenvoudiger. Daarvoor gelden de ingewikkelde criteria immers niet.

Vragen? aternio helpt u wegwijs.