Hoe tovert een vereniging weer brood op de plank?

Nu ons sociaal leven stilaan terug op gang komt, moet het vlammetje van het verenigingsleven opnieuw aangewakkerd worden. De corona-crisis heeft er voor gezorgd dat ook de non-profit sector noodgedwongen hun activiteiten dienden stil te leggen. Zij krijgen het nu vaak nog moeilijker dan de anderen om de draad weer op te pikken. Om terug te kunnen opstarten, zijn er namelijk fondsen nodig. Hoe krijgt zo'n vereniging of organisatie weer het nodige brood op de plank? In wat volgt geven we een bloemlezing van eerdere artikels, aangevuld met informatie van de overheid en geflankeerd door enkele belangrijke weetjes of aandachtspunten. Hierbij gaan we in deze bijdrage niet verder in op de activiteiten die de vereniging kan ontplooien, noch op de fiscale en economische gevolgen daarvan.

Giften

Wanneer we ons in de non-profit-sfeer bevinden, springt het begrip "gift" meteen in ons hoofd. Giften zijn inderdaad erg belangrijk voor verenigingen en organisaties.
Dat is ook onze wetgever niet ontgaan. Om giften en legaten te promoten heeft de Vlaamse wetgever voorzien in enkele verlaagde tarieven

Toepasselijke registratiebelasting

Voor giften aan een vereniging geldt een verlaagd tarief in de schenkbelasting. Schenkingen van zowel roerende als onroerende goederen kunnen plaatsvinden aan een vlak tarief van 5,5%. In vergelijking met de "standaard-tarieven" voor schenkingen aan derden, levert dit dus alvast een mooi voordeel op.

Indien een vereniging zelf een schenking, inclusief een inbreng om niet, aan een andere vereniging wil verrichten, dan is er zelfs enkel een forfaitair recht van 100 euro verschuldigd.

De vermindering is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER), en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EER hebben.

Fiscaal aftrekbaar?

Om fiscaal aftrekbaar te zijn, moeten zowel de gift als de begunstigde aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • de gift moet minstens 40 euro bedragen, per kalenderjaar en per vereniging;
  • de vereniging of instelling moet erkend zijn door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde.
    Niet iedereen komt zomaar in aanmerking voor een erkenning. Doorslaggevend criterium daarbij is de activiteit. Hier kan u nakijken of uw activiteit kan kwalificeren om een erkenning te krijgen;
  • de giften ontvangen via de tussenkomst van een online betaalplatform kunnen in aanmerking komen als de voorwaarden opgenomen in de circulaire en het bijhorende addendum strikt worden nageleefd;
  • de vereniging of instelling moet een attest of kwijtschrift uitreiken voor de ontvangen giften;
  • de gift moet uit geld bestaan;
  • giften in de vorm van kunstwerken geven ook recht op een belastingvermindering als:
    • ze gedaan zijn aan rijksmusea, gemeenschappen en gewesten, provincies, gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn op voorwaarde dat die openbare machten ze voor hun musea bestemmen
    • het gaat om kunstwerken waarvan de minister van Financiën erkend heeft dat zij behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten
    • de minister van Financiën hun geldwaarde heeft vastgesteld.

De belastingvermindering bedraagt 45% van het werkelijk gestorte, en op het attest vermelde, bedrag.

Het totale bedrag van de giften waarvoor de belastingvermindering wordt verleend mag nooit meer bedragen dan ofwel 10% van het totale netto-inkomen, of 392.200 euro (voor aanslagjaar 2020 - inkomstenjaar 2019).

Ook voor gebouwen?

In bepaalde gevallen geldt er bovendien nog een bijkomend voordeel. Wanneer er een schenking van een gebouw wordt verricht aan een openbare instelling, dan zal er, door middel van een teruggave, een verlaagd tarief gelden van 3% in plaats van de voornoemde 5,5%. Deze bijkomende verlaging geldt niet zonder meer. De schenking dient te voldoen aan de voorwaarden voor het verlaagde tarief voor gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden.

Hoe gaat die teruggave dan juist in zijn werk? Bij de registratie van de akte zal de fiscus het gewone tarief van de schenkbelasting heffen. Indien de voorwaarden van het verlaagde tarief vervuld zijn, wordt het verschil tussen het eerder geheven gewone tarief en het verlaagde tarief terugbetaald. Deze terugbetaling dient men aan te vragen door middel van een verzoekschrift.

Legaten

Een alternatief voor de giften, zijn de legaten. Legaten zijn afkomstig uit testamenten en zijn bijgevolg onderworpen aan de erfbelasting. Maar ook hier heeft de Vlaamse wetgever voorzien in voordelige tarieven. Een legaat aan een vereniging, kan namelijk plaatsvinden tegen een tarief van 8,5% erfbelasting. Voornoemd tarief is geldig, ongeacht de concrete waarde van het legaat.

Dit verlaagde tarief is ook van toepassing op legaten aan vzw's, overheden, enz. .. die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de EER, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EER hebben.

Lidgelden

Een van de belangrijkste bronnen van inkomsten of werkingsmiddelen voor een vereniging, zijn de lidgelden. Door de betaling van lidgeld kunnen de leden genieten van het lidmaatschap van de vereniging en diensten die de vereniging verstrekt. U leest er alles over in een eerdere bijdrage. Meer dan ooit vraagt uw favoriete vereniging om hen te steunen, door uw lidmaatschap te verlengen. Op die manier beschikken zij over een gegarandeerd budget om hun activiteiten verder uit te bouwen.

Crowdfunding

Crowdfunding leeft. Het is een manier om fondsen en werkingsmiddelen te verzamelen, door een grote groep mensen aan te spreken en te vragen naar een (beperkte) bijdrage. Deze verzameltechniek is bij het publiek ondertussen wijdverspreid.

Voor de verenigingen zijn er 3 relevante vormen van crowdfunding:

  • donation-based crowdfunding: dit is een financiering zonder (of tegen een beperkte, eerder symbolische) tegenprestatie. Voorbeeld hiervan is sponsoring onder de vorm van reclame.
  • reward-based of pre-sales crowdfunding: in ruil voor een donatie verkrijg je een zogenaamde beloning, een toegangsticket, enkele drankbonnetjes,...
  • crowdlending: zoals het woord al laat vermoeden gaat het hier om leningen waarbij aan de financierder, al dan niet, een intrest zal worden betaald. In de praktijk coördineert een (erkend) platform de crowd lending.

Verder vermelden we graag dat u online verschillende platformen kan terugvinden om uw vereniging in de kijker te zetten en het grote publiek aan te spreken.

Sponsoring

Sponsoring, ofwel het samenspel van aanbod en tegenprestatie. Het is een overeenkomst tussen de vereniging en een ondernemer of bedrijf om financiële steun of steun in natura te vertrekken, in ruil voor publiciteit.

Courante voorbeelden zijn sportclubs die korting krijgen op drank bij de brouwer in ruil voor een exclusieve afname. Of de truitjes met sponsoring van een slager op voorwaarde dat de club haar inkopen voor het jaarlijks eetfestijn ook bij die slager doet. Maar ook vermelding van de naam of het logo van de sponsor op een website of een programmaboekje, zijn vaak voorkomende voorbeelden.

Weet dat de fiscus soms ook haar deeltje van de koek wil. U leest er hier en hier alles over.

Subsidies

Afhankelijk van de sector waarbinnen de vereniging werkzaam is, kan de overheid subsidies toekennen. Afhankelijk van de uitkerende instantie, kunnen er aan de toekenning van de subsidie voorwaarden worden gekoppeld.

Conclusie

In wat voorafgaat is duidelijk dat verenigingen of organisaties wel wat mogelijkheden ter beschikking hebben.
Ziet u door het bos van al die werkingsmiddelen de essentiële bomen niet meer? Contacteer ons voor een analyse en optimalisatie van de structuur van uw vereniging.


stock

Quick fixes inzake btw: call-off stock

Sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde ‘quick fixes’ in werking getreden in België. Het gaat om een omzetting van de Europese richtlijnen (EU) 2019/475 en (EU) 2018/1910 die de regels aangaande grensoverschrijdende handelingen verder op punt zet.

De wet van 3 november 2019 vult het Btw-wetboek in België aan met onder meer een regeling inzake ‘voorraad op afroep’, ‘kettingverkopen’ en ‘vrijstellingen op intracommunautaire leveringen’.

In huidige bijdrage gaan we dieper in op de regeling inzake voorraad op afroep (oftewel ‘call-off stock’).

Harmonisatie inzake call-off stock

Opdat afnemers steeds over de nodige voorraad zouden beschikken, houden leveranciers soms voorraden aan bij hun afnemers. Wanneer een leverancier hierbij goederen overbrengt naar een andere lidstaat, moet de leverancier zorgen voor de nodige btw-registratie en btw-aangiftes in dat land. Die overbrenging werd dan in principe beschouwd als een intracommunautaire levering/verwerving.

Wanneer de afnemer vervolgens goederen uit de voorraad haalt, de zogenaamde ‘call-off stock’, verrichtte de leverancier een lokale levering van goederen in de lidstaat waar de goederen zich dan bevinden.

De wetgever heeft dit proces willen vereenvoudigen. Voortaan beschouwt men deze handelingen, onder welbepaalde voorwaarden, als één vrijgestelde levering in de lidstaat van vertrek en één intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst.

De meeste Europese lidstaten hebben hier al een eigen nationale vereenvoudigingsregeling voor. Door de implementatie van de Europese richtlijn zijn de vereenvoudigingsregelingen in de diverse lidstaten volledig geharmoniseerd.

Nieuwe regeling

In de nieuwe regeling beschouwt met de overbrenging van voorraden van de ene lidstaat naar de andere in principe niet als een intracommunautaire levering. Evenwel, op het moment dat de afnemer de goederen uit de voorraad haalt, verricht de leverancier een intracommunautaire levering van goederen in de lidstaat van waaruit de call-off stock initieel is overgebracht . De afnemer dient een intracommunautaire verwerving van de goederen aan te geven in de lidstaat waar de call-off stock naartoe is gebracht.

Voorwaarden

Voornoemde vereenvoudiging bij call-off stock kan énkel indien aan volgende grondvoorwaarden is voldaan:

  • de afnemer is een btw-plichtige;
  • de afnemer heeft op basis van een overeenkomst met de leverancier het eigendomsrecht betreffende de goederen verkregen;
  • de leverancier is niet gevestigd en heeft evenmin een vaste inrichting in de lidstaat van aankomst van de goederen;
  • de afnemer heeft een btw-nummer in de lidstaat van aankomst van de goederen;
  • de leverancier beschikt vóór het tijdstip van verzending over de identiteit en het btw-nummer van de afnemer in de lidstaat van aankomst;
  • de leverancier neemt het vervoer van de goederen op in een bijzonder register en vermeldt het btw-nummer van de afnemer op in zijn IC-listing; én
  • de goederen moeten binnen 12 maanden na aankomst aan de afnemer zijn verkocht.

Bijzondere gevallen

Wanneer een van voornoemde grondvoorwaarden niet langer is vervuld, zijn de normale regels (van overbrenging) opnieuw van toepassing.  In bepaalde bijzondere gevallen blijft de vereenvoudingsregel toch van toepassing:

  • Indien binnen de 12 maanden de goederen worden geleverd aan een andere afnemer kan de vereenvoudigingsregel toch van toepassing blijven. De goederen moeten hiervoor binnen dezelfde lidstaat blijven.  Bovendien dient de nieuwe afnemer een btw-nummer te hebben in deze lidstaat. De leverancier moet de nieuwe afnemer tot slot opnemen in het bijzonder register.
  • Ook wanneer de goederen binnen de termijn van 12 maanden worden teruggezonden naar de oorspronkelijk lidstaat, blijft de vereenvoudigingregel gelden. De leverancier dient hiertoe de terugzending op te nemen in het bijzondere register.

Bij vernietiging, verlies of diefstal van de goederen herneemt de normale btw-regeling zich wél. Dit is eveneens het geval wanneer de goederen naar een andere lidstaat worden verzonden.

Conclusie

Met de implementatie van de 'quick fixes' door de lidstaten zijn de intracommautaire handelingen op diverse punten geharmoniseerd en vereenvoudigd. Eén van die quick fixes is de regelgeving rond 'call-off stock' of 'voorraad op afroep'.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan kan dit voor bedrijven met call-off stock een grote administratieve vereenvouding zijn. De btw-registraties en -aangiftes in de verschillende lidstaten worden gereduceerd.

Roept dit vragen bij u op? Contacteer ons.


Wanneer is mijn btw opeisbaar?

Indien u een btw-plichtige bent dient u elke maand of elk kwartaal een aangifte te doen. De aangerekend btw op uw prestaties moet u doorstorten aan de schatkist. De btw die u zelf betaalde mag u aftrekken.

Maar vanaf wanneer is mijn btw opeisbaar? We brengen de belangrijkste regels uit de circulaire van 2019/C/65 nog eens in herinnering.

Datum van factuur is van tel

Sinds 1 januari 2016 is de opeisbaarheid van de btw afhankelijk van de datum van de factuur ofwel de datum van betaling.

Een (voorschot)factuur die u uitreikt vóór de levering van het goed of de voltooiing van de dienst maakt de btw opeisbaar.  De uitreiking van een factuur zorgt voor de opeisbaarheid van de btw, zelfs indien dit voor de levering of de voltooiing van de dienst gebeurt.

Voor de opeisbaarheid van de btw is de datum van het belastbaar feit van ondergeschikte orde.

Binnenlandse levering van een goed (B2B)

Voor een binnenlandse levering van een goed vindt het belastbaar feit plaats en wordt de btw opeisbaar in principe op het tijdstip van de levering (art. 16, § 1 WBTW). In afwijking hiervan wordt de btw opeisbaar over het gefactureerde bedrag, ongeacht of u deze factuur uitreikt vóór of na het tijdstip van de levering.

Bij een laatijdige (of bij gebrek aan) uitreiking van de factuur wordt de btw opeisbaar de vijftiende dag van de maand volgend op die van  het belastbaar feit (art. 17, § 1 WBTW). De vooruitbetaling blijft een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid.

Intracommunautaire levering

Bij intracommunautaire leveringen wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van uitreiking van de factuur. Tenminste voor zover men deze factuur uitreikt na de levering én voor het volledige bedrag.

De btw-administratie aanvaardt evenwel een factuur die uiterlijk 7 dagen vóór het belastbaar feit werd uitgereikt als geldig document. Bijvoorbeeld bij aanvang van verzending of vervoer van het verkochte goed.

Diensten (B2B)

Ook het verrichten van een dienst doet in principe de opeisbaarheid van btw ontstaan (art. 22 WBTW). De uitreiking van de factuur zal evenwel ook hier de btw opeisbaar maken. Dit ongeacht of deze factuur werd uitgereikt vóór of na het belastbaar feit (art. 22bis WBTW).

Ook door de betaling van (een deel van) de prijs wordt de btw opeisbaar, indien de betaling werd ontvangen vooraleer de dienst werd verricht. Net als bij de levering van goederen geldt de opeisbaarheid op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum.

Leveringen of diensten aan particulieren

Voor leveringen van goederen of diensten aan particulieren waarvoor geen facturatieplicht geldt, zal de betaling van de prijs de btw opeisbaar maken. Ook al reikt de ondernemer aan de particulier op vrijwililge basis een factuur uit.

Intracommunautaire diensten

Voor intracommunautaire diensten wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van dienst of door de betaling van de prijs  vóór het belastbaar feit van de dienst.

Handelingen met de overheid (B2G)

Voor handelingen met de overheid is de btw in principe opeisbaar op moment van betaling. De circulaire verduidelijkt de uitzonderingen hierop. Ook voor bepaalde beroepen zoals architecten, advocaten, bestuurders-rechtspersonen, bestaan diverse uitzonderingen.

Heeft u hieromtrent vragen? De tax-experts van aternio staan u graag bij.


Auteursrechten voor bedrijfsleiders: rulingcommissie opnieuw strenger

Het is inmiddels algemeen aanvaard door de Rulingcommissie dat bedrijfsleiders zich vanuit hun managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten kunnen uitkeren. Dit is een variant op het uitkeren van auteursrechten op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging. Hierna frissen we de reeds gekende criteria hiervoor nog eens op. Uit de laatste rulings blijkt echter dat de Rulingcommissie (Dienst Voorafgaande Beslissingen, DVB) bijkomende beperkingen oplegt. Is dit een manier om het populair fiscaal regime van auteursrechten in te dijken?

Basiscriteria

Het is door de Rulingcommissie aanvaard dat een bedrijfsleider zich, vanuit zijn vennootschap, een deel van de omzet als auteursrecht kan toekennen. Dit kan echter niet zomaar. De vennootschap én de bedrijfsleider dienen zich daarvoor aan volgende spelregels te houden.

Vooreerst moet het gaan om een auteursrechtelijk beschermd werk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan letterkundige werken, kunstwerken, maar ook bijvoorbeeld aan computerprogramma's. De auteur, zeg maar de maker, moet daarbij een zekere intellectuele of artistieke inspanning geleverd hebben. Het werk moet bovendien voldoende origineel zijn en in een concrete vorm gegoten zijn. Een louter idee op zich is absoluut onvoldoende.

In de praktijk vereist de Rulingcommissie een schriftelijk overeenkomst voor de overdracht van de auteursrechten. Deze overeenkomst bevat duidelijke afspraken, zo ook over de vergoeding. Het is de logica zelf: tegenover de overdracht van auteursrechten staan vergoedingen.

Welke vergoeding?

De belangrijkste vraag blijft uiteraard hoeveel die vergoeding mag zijn. Het mag immers niet de bedoeling zijn om een volledig loon onder het mom van fiscaal gunstige auteursrechten uit te keren. Auteursrechten kunnen immers als een gunstig roerend inkomen kwalificeren.

De fiscale wet begrenst de jaarlijkse roerende inkomsten op maximaal €61.200,00 (geïndexeerd basisbedrag van €37.500,00 voor aanslagjaar 2020). Bovendien mag men op de eerste schijf van €16.320,00 (geïndexeerd basisbedrag van 10.000,00 voor aanslagjaar 2020) een forfaitaire kostenaftrek van 50% toepassen. Op de tweede schijf van  €16.320,00 mag men een kostenforfait van 25% toepassen. De inkomsten boven deze grens worden belast als divers of beroepsinkomen.

Criteria voor bedrijfsleiders met een managementvenootschap

De auteursrechten moeten steeds bovenop de gewone vergoeding voor de prestaties van de bedrijfsleider komen. Ze mogen in geen geval een vervanging van loon inhouden. Wanneer de vennootschap een deel van haar omzet aan de bedrijfsleider uitkeert als auteursrechten moet zij bovendien rekening houden met enkele beperkingen.

Zo mag de vergoeding niet tot gevolg hebben dat minder dan de helft van wat de vennootschap van derden ontvangt uit de overdracht van auteursrechten, daadwerkelijk in de vennootschap blijft. M.a.w. de vennootschap mag maximaal 50% van omzet uit auteursrechten uitkeren.

Bovendien mag de vergoeding niet meer bedragen dan de helft van het  resultaat van het boekjaar vóór belasting en vóór aanrekening van de vergoeding voor auteursrechten aan de bedrijfsleider.

Bovenvermelde beperkingen mogen er echter niet toe leiden dat de vergoeding minder dan 5% bedraagt van de netto omzet uit de exploitatie van de auteursrechtelijk beschermde werken. Hiertoe worden de relevante kosten afgetrokken van de relevante omzet uit auteursrechten. Dit impliceert ook de vergoedingen voor bijvoorbeeld de overdracht van auteursrechten aan werknemers en freelancers.

Ook moet de vennootschap rekening houden met de minimumbezolding van € 45.000,00 voor de bedrijfsleider. Indien de bezoldiging minder dan  €45.000,00 bedraagt, moet men de vergoeding voor auteursrechten beperken tot 5% van de netto creatieve omzet per bedrijfsleider.

Extra voorwaarde voor de bedrijfsleider

In haar recentste rulings van 7 mei 2019 (nr. 2019.0109 en 2019.0300) voegt de Rulingcommissie nu nog een nieuwe bijkomende voorwaarde toe voor bedrijfsleiders met een managementvennootschap.

De nieuwe beperking geldt niet enkel voor de bedrijfsleider, maar ook voor andere medewerkers voor de omzet uit auteursrechten zorgen. In dat geval moet men de vergoeding van de bedrijfsleider beperken in functie van de vergoeding aan de andere medewerkers.

Concreet mag de vergoeding voor auteursrechten, in geen geval hoger zijn dan het tweevoud van het gemiddelde van de vergoeding voor auteursrechten die de huidige en toekomstige medewerkers (werknemers of freelancers) in de loop van hetzelfde jaar ontvangen voor de overdracht van hun auteursrechten.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn dat de Rulingcommissie verwoede pogingen blijft doen om het populair regime van de auteursrechten te ontraden.

De interpretatie van de wetgeving door de Rulingcommissie evolueert in de praktijk continu. Helaas leidt dit tot té veel en té ingewikkelde criteria.  Vanuit een managamentvennootschap een percentage van de omzet als auteursrechten uitkeren aan een bedrijfleider is hierdoor minder interessant.

De vergoeding die wordt bepaald op basis van de tijdsbesteding en brutobezoldiging van de bedrijfsleider lijkt ons daarom veel eenvoudiger. Daarvoor gelden de ingewikkelde criteria immers niet.

Vragen? aternio helpt u wegwijs.


Opstalrecht anno 2020: modernisering door nieuw goederenrecht

Komt dat zien, komt dat zien! De familie "Nieuwe Wetgeving" heeft er nog een zusje bij: het nieuwe goederenrecht! De Wet tot hervorming van het goederenrecht is op 31 januari 2020 goedgekeurd in het parlement. De Wet voorziet in volledig nieuwe regels inzake eigendom, mede-eigendom, opstalrecht, erfpacht, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden, ...

Bye bye boek II van het oude Burgerlijk Wetboek, adios Erfpachtwet en Opstalwet... Hallo Boek 3 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek! aternio loopt graag met u mee doorheen de wondere wereld van het nieuwe goederenrecht en we gaan van start met de meest opvallende wijzigingen aan het recht van opstal.

Opstalrecht doorheen de geschiedenis

Het opstalrecht draait al een tijdje mee. Zo vinden we in de Wet van 10 januari 1824 de volgende definitie terug:
“Het recht van opstal is een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen te hebben voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond. Het opstalrecht kan gevestigd worden door elke titularis van een onroerend zakelijk recht, binnen de grenzen van zijn recht.”

Het behoeft dus geen twijfel dat het opstalrecht zich tot één van de dinosaurussen van ons burgerlijk recht mag kronen. Er gebeurde reeds een beknopte modernisering in 2014. Maar de wetgever wou nu de specificiteit van het opstalrecht opnieuw in de verf zetten. Het is een beperkt zakelijk recht dat voorziet in een opsplitsing van het eigendomsrecht op een onroerend goed. Het gaat om een horizontale opsplitsing waardoor er enerzijds een grondeigenaar is, en anderzijds de eigenaar van de opstallen. Het opstalrecht verleent met andere woorden een eigendomsrecht op een bepaald volume, waarbinnen de opstalhouder kan bouwen of beplanting kan aanbrengen.

En zo is de nieuwe definitie geboren. Deze is voortaan terug te vinden in artikel 3.177 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en luidt als volgt:
“Het opstalrecht is een zakelijk gebruiksrecht dat het eigendomsrecht verleent op al dan niet gebouwde volumes, voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond om er bouwwerken of beplantingen te hebben.”

Horizontale splitsing van het eigendomsrecht

Het opstalrecht geeft gestalte aan de zogenaamde "derde dimensie" van het vastgoedrecht, door de toekenning van een eigendomsrecht van volumes op, boven of onder andermans grond, geheel of gedeeltelijk. Alle rechten en plichten van de partijen hangen vast aan die opsplitsing van het eigendomsrecht. De wetgever wou de specificiteit van het opstalrecht opnieuw benadrukken: het gaat om een beperkt zakelijk recht dat een – in beginsel tijdelijke – horizontale opsplitsing van het eigendomsrecht op een onroerend goed met zich meebrengt. Het verleent een eigendomsrecht op een volume, waarbinnen de opstalhouder bouwwerken of beplantingen kan verkrijgen of aanbrengen.

Het recht om bouwwerken op te richten, dan wel beplanting aan te brengen op andermans grond maakt de kern uit van de bevoegdheden van de opstalhouder. Weet wel dat dit recht enkel 'bestaat". Het is er, ongeacht of de opstalhouder er effectief iets mee doet of niet. De bouwwerken en beplantingen die de opstalhouder verkrijgt of opricht, zijn slechts het gevolg van de uitoefening van diens zakelijk recht (maar zijn dus niet het effectieve voorwerp van het opstalrecht).

Wie kan een opstalrecht vestigen?

De voorzet voor de wijzigingen werd reeds gegeven door de beperkte hervorming van het opstalrecht in 2014. Dit alles is nu verankerd in de nieuwe wet. Een opstalrecht kan gevestigd worden door de eigenaar of door elke titularis van een onroerend zakelijk gebruiksrecht, binnen de grenzen van zijn recht. De term "gebruiksrecht" is bewust gekozen, opdat de titularissen van "enkel" een zakelijke zekerheid geen opstalrecht zouden kunnen vestigen.

Uitbreiding van de basistermijn

Onder de oude wetgeving kon een opstalrecht "slechts" gevestigd worden voor maximaal 50 jaar. Daar heeft de wetgever nu een (horizontale) streep door getrokken: voortaan kan het opstalrecht gevestigd worden voor 99 jaar. In een aantal gevallen kan het zelfs eeuwigdurend zijn.

Het principe is dat het opstalrecht niet langer kan duren dan 99 jaar. Dat is de maximumduur: een opeenvolging van opstalrechten voor kortere duur is mogelijk, zolang deze de maximumduur maar niet overschrijden. Daarmee is ook meteen de vraag naar de hernieuwbaar beantwoord: mits akkoord van de partijen is dat dus perfect mogelijk.

In 2 uitzonderlijke gevallen kan het opstalrecht echter ook eeuwigdurend zijn.

Uitzondering 1: openbaar domein

Een eerste situatie waarbij dit zo is, is wanneer en zolang het door de grondeigenaar gevestigde opstalrecht bestemd is voor doeleinden van openbaar domein.

In dit geval moet het opstalrecht kunnen duren tot zolang de openbare bestemming blijft duren. Dit is een bevestiging van een principe dat in de rechtsleer reeds lang werd gedragen.

Uitzondering 2: volumevoordeel

Een tweede uitzondering is het mogelijk maken van een volumevoordeel. Het wordt mogelijk om gebouwen met verschillende functies/volumes te stapelen, zonder enige beperking in de tijd. Daarmee wil de wetgever de beschikbare ruimte, die soms schaars is, optimaal en duurzaam benutten.

Het gaat om de verdeling in volumes van een "complex en heterogeen onroerend geheel", dat verschillende volumes omvat die in aanmerking komen voor zelfstandig en verscheiden gebruik en die onderling geen enkel gemeenschappelijk deel hebben. In dit geval gaat om het dus om het samen bestaan van minstens 2 volumes die een verschillende bestemming hebben én die vatbaar zijn voor zelfstandig beheer. Het kan dan gaan om een residentieel gebouw, maar bijvoorbeeld ook om een winkelcentrum met een ondergrondse parking. Essentieel is dat er geen gemene delen mogen zijn. Zijn die er wel, dan komen we terecht in de dwingende regels inzake appartementsmede-eigendom. Dit betekent niet,
dat er een aantal collectieve voorzieningen mogen bestaan die door de verschillende opstalhouders op de volumes worden gebruikt.

Accessoir/onzelfstandig opstalrecht

Een accessoir of onzelfstandig opstalrecht kan ontspruiten uit verschillende hoofdrechten. Dit kan een ander zakelijk recht zijn, maar ook een persoonlijk of een administratief recht.
Het principe is al geruime tijd erkend in de rechtspraak en de rechtsleer. Het feit dat het nu bevestigd wordt in de wettekst, brengt dus de gewenste rechtszekerheid en efficiëntie met zich mee en zal vooral zijn nut bewijzen in de publiek-private partnerschappen.

Het accessoire opstalrecht blijft echter wel beperkt tot gebruiksrechten op onroerende goederen. Met andere woorden, een huwelijkscontract kan in principe geen accessoir opstalrecht doen ontstaan. Uiteraard kan wel een impliciet opstalrecht ontstaan indien bv. wanneer 2 partners samen een woning bouwen op de grond van één van hen en zij hiervan gebruik maken als mede-eigenaars. Ook in dat geval kan de natrekking, op basis van de omstandigheden van het geval, dus worden uitgesloten.

Het Latijnse adagium "accessorium sequitur principale" - bijzaak volgt hoofdzaak - speelt hier ten volle: het accessoire opstalrecht wordt namelijk gekenmerkt door een versterkte accessoriteit. Enerzijds kan het niet worden overgedragen zonder dat ook het hoofdrecht wordt overgedragen. Anderzijds is de duurtijd van het accessoire opstalrecht identiek aan de duurtijd van het hoofdrecht.

Einde van het opstalrecht

Het recht gaat niet teniet door het tenietgaan van de bouwwerken of beplantingen van de opstalhouder. Dit strookt ook met de kern van het recht. Het volume kan voortbestaan los van de werken of beplantingen die er deel van uitmaken.
Het opstalrecht neemt een einde indien de termijn waarvoor het werd toegestaan verstrijkt. Indien het gaat om een eeuwigdurend opstalrecht en er is reeds 99 jaar verstreken, dan kan de rechter de opheffing ervan bevelen indien het recht ieder nut (zelfs een toekomstig nut) heeft verloren.

Op het einde van het recht, gaat het eigendomsrecht op het volume, door de natrekking, over op de opstalgever of diens rechtsopvolgers. Hiervoor zal dan mogelijkerwijze een vergoeding moeten worden betaald. De basis hiervoor is de ongerechtvaardigde verrijking van de opstalgever, tegenover de opstalhouder.

Inwerkingtreding

De nieuwe wet is goedgekeurd op 31 januari 2020 en zal automatisch in werking treden, 18 maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

aternio volgt de nieuwe wetgeving op de voet.

Contacteer ons voor meer informatie.


Afronding cashbetalingen: de regels voor ondernemingen

Sinds 1 december 2019 ronden winkeliers de cashbetalingen af op 5 cent. De consument kan echter wel nog steeds de muntstukken van 1 en 2 cent blijven gebruiken in de winkels.

De kleine muntstukjes werden in praktijk weinig gebruikt. Ze bleven vaak in de geldbeugel zitten of thuis in een la. Daardoor dienden er voortdurend muntjes van 1 en 2 cent bijgemaakt te worden. Bovendien liep de kostprijs om de muntstukjes te maken erg hoog op. Uit een rondvraag in 2018 bij winkeliers en consumenten bleek er voldoende draagvlak te zijn voor een afronding bij cashbetalingen.

De Belgische overheid heeft hiervoor met ingang vanaf 1 december 2019 een wettelijk kader voorzien.

Wie moet afronden?

De verplichting om af te ronden, geldt voor alle cashbetalingen en voor alle ondernemingen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven. Ook vrije beroepen en alle personen, overheden … die op regelmatige basis economische interacties hebben met consumenten (zoals een zwembad, bibliotheek of cultureel centrum) vallen hieronder. Het geldt eveneens voor verenigingen met regelmatige economische activiteiten (zoals de verkoop van producten aan consumenten). Het maakt daarbij niet uit of zij een winstoogmerk hebben of niet.

Hoe gebeurt het afronden?

Enkel het totaalbedrag van alle aankopen samen én die de klant cash betaalt aan de kassa moet men afronden. Men mag dus niet de prijs van elk artikel afzonderlijk gaan afronden!

Het totaalbedrag moet men afronden naar het dichtste veelvoud van 5 cent, ofwel het lagere ofwel het hogere.

Ondernemingen moeten cashbetalingen door de consument steeds afronden indien:

  • de betaling gebeurt in gezamenlijke fysieke aanwezigheid van de consument en de onderneming; én
  • het te betalen bedrag groter is dan 5 cent.

Daarentegen mag men dus niet afronden in geval van verkoop op afstand (denk aan: online shopping) en tussen particulieren onderling of ondernemingen onderling.

Ondernemingen kunnen ook beslissen om de afronding toe te passen op andere betalingswijzen, maar zijn moeten dan dezelfde voorwaarden respecteren. In dat geval gelden de regels van het afronden voor ál hun klanten en betalingswijzen, behalve bij maaltijdcheques, ecocheques en waardebonnen.

Een onderneming die de afronding toepast, moet navolgende regels respecteren.

  • De afronding gebeurt énkel op het cash-gedeelte, ook indien de betaling deels in cash en deels met een andere betalingswijze gebeurt.
  • Indien de onderneming beslist om de afronding ook toe te passen op andere betalingswijzen dan de betaling in cash, moet men afronden op het totaalbedrag na aftrek van de bedragen betaald met maaltijdcheques, ecocheques of waardebonnen (zelfs als de betaling deels in cash en deels met een ander betalingsmiddel gebeurt). In dat geval afficheert de onderneming duidelijk zichtbaar de volgende test in zijn winkel: " Het totaalbedrag wordt altijd afgerond".
  • Het kasticket moet ook duidelijk zowel het totale te betalen bedrag als het afgeronde bedrag weergeven, ongeacht het werkelijk in cash betaalde of het werkelijke totaal betaalde bedrag.
  • Het eventueel terug te betalen bedrag is altijd afgerond.

Bron: Boek VI WER - art. VI.7/1 e.v. WER


Autofiscaliteit anno 2020

Het autosalon is nog maar net voorbij en misschien hebt u nog niet de juiste keuze kunnen maken over welke auto u op vandaag wenst aan te kopen. Er is de laatste jaren immers heel wat gewijzigd in de autofiscaliteit. In 2020 gaat de laatste fase van de belastinghervorming na het Zomerakkoord in.  In deze bijdrage zetten we de belangrijkste krachtlijnen nog eens uiteen voor u.

Aftrekbaarheid

In de vennootschapsbelasting geldt voortaan voor alle kosten volgende formule:

Aftrekpercentage = 120% - (0,5% x CO2 x coëfficiënt)

Daarbij is de coëfficiënt gelijk aan:

  • 1 voor dieselmotoren en dieselvarianten zoals bijvoorbeeld hybride diesels
  • 0,9 voor voertuigen met een aardgasmotor (CNG) of een belastbaar vermogen < 12 fiscale pk
  • 0,95 voor alle andere motoren (benzine, lpg, biobrandstof)

Bovendien geldt een minimumpercentage van 50% (of 40% indien de C02-uitstoot > 200) en een maximumpercentage van 100%. Het aftrekpercentage van 120% voor elektrische wagens bestaat dus niet langer.

Bovenstaande formule geldt voortaan ook voor de brandstofkosten. Het standaard aftrekpercentage van 75% voor brandstofkosten is dus afgeschaft.

De aftrekbaarheid in de personenbelasting wordt op dezelfde wijze vastgesteld als in de vennootschapsbelasting (zie hoger). Enkel het minimumpercentage van aftrekbaarheid in de personenbelasting 75% is afgeschaft.

Valse hybride

Voertuigen die deels werken op brandstof en deels op een oplaadbare elektrische batterij, maar waarvan de capaciteit van de elektrische batterij slechts een beperkt gebruik toelaat, waren de voorbije jaren zeer aantrekkelijk omwille van hun gunstige fiscale regime. Denk daarbij aan de hoge fiscale aftrekbaarheid en het laag voordeel van alle aard voor privégebruik.

Deze zogenaamde ‘valse hybrides’ of ‘plug-inhybrides’ zijn anno 2020 fiscaal niet meer interessant.

Er is sprake van een valse hybride indien:

  • de CO2-uitstoot hoger is dan 50g/k; of
  • de elektrische batterij een energiecapaciteit heeft van < 0,5 kWh per 100kg wagengewicht.

Sinds 1 januari 2020 heeft de wetgever voor valse hybrides een eigen berekening van de CO2-uitstoot ingevoerd. De CO2-uitstoot is daarbij afhankelijk van de energiecapaciteit van de batterij in verhouding tot het autogewicht (in kWh/100 kg) en de CO2-uitstoot van de wagen.

Bij een valse hybride wordt geen rekening gehouden met de officiële CO2-uitstoot, maar wordt deze uitstoot vermenigvuldigd met 2,5. Ofwel houdt men rekening met de CO2-uitstoot van een overeenstemmend voertuig dat niet is uitgerust met een hybride motor.

De fiscale administratie heeft aan de autofabrikanten gevraagd om voor elke valse hybride een overeenstemmend voertuig te bepalen. Deze lijst met overeenstemmende voertuigen is op vandaag nog niet gepubliceerd.

Let wel, valse hybrides die werden aangekocht vóór 1 januari 2018 ontsnappen nog aan deze strengere regeling.

CO2-uitstoot: NEDC of WLTP?

In onze vorige bijdrage spraken we al over de NEDC en WLTP-normen inzake CO2-uitstoot. De nieuwe Europese WLTP-norm is strenger en leidt in principe tot hogere waardes van CO2-uitstoot, en dus een hogere belastbaarheid. Dit was echter niet de bedoeling van de wetgever. Daar werd dus een mouw aan gepast:

  • voor oude modellen (aangekocht vóór 1 juli 2017) of oude wagens (geproduceerd vóór 1 september 2018) geldt nog de oude NEDC-norm
  • voor nieuwe modellen (aangekocht vanaf 1 juli 2017) of nieuwe wagens (geproduceerd vanaf 1 september 2018) zijn er 2 CO2-normen:
  • WLTP: gemeten via een nieuwe methode
  • NEDC 2.0 (een CO2-uitstoot die vergelijkbaar zou moeten zijn met de CO2 gemeten onder de NEDC. Deze uitstoot wordt dan niet gemeten, maar omgerekend en vertrekkende vanuit de WLTP-waarde)

Belangrijke tip: sinds 1 juli 2019 vindt u geen CO2-uitstoot meer op het inschrijvingsbewijs. Kijk hiervoor dus naar het gelijkvormigheidsattest of op de website van de FOD Mobiliteit.

Contacteer ons voor meer uitgebreide informatie.


Data Protection Day - Onze cookies kan u alvast niet weigeren!

Een cookie: lekkere versnapering voor bij de koffie of een privacy-dief? Ter gelegenheid van Data Protection Day of Dag van de Gegevensbescherming wil aternio u wegwijs maken in de wereld van privacy en cookies. Bij aternio staat de bescherming van de privacy van haar klanten, medewerkers en leveranciers bovenaan. Wij willen dan ook dat u bewust kan omgaan met cookies en de privacyaspecten die hieraan vasthangen.

De ene cookie is de andere niet! Cookies zijn kleine stukjes informatie, vaak in de vorm van een klein tekstbestandje opgeslagen op uw toestel. Websites gebruiken deze cookies om uw toestel te herkennen wanneer u hun website een volgende keer bezoekt. Dit kan heel handig zijn. Zo kunnen zij ervoor dat de website überhaupt correct zal functioneren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bijhouden van het winkelmandje tijdens het winkelen op een webshop. Er zijn echter verschillende andere soorten cookies: bijvoorbeeld functionele, analytische, marketing cookies. Vooral bij deze laatste soort cookies kan de vraag gesteld worden of zij altijd correct omgaan met de privacy van de gebruiker.

Marketing cookies en privacy. Websites gebruiken marketing cookies om gebruikers te volgen op hun website of op andere verbonden websites. Op deze manier wordt bijgehouden wat deze persoon interessant vindt en kan een profiel van hem/haar opgemaakt worden. Zeer handig voor webshops en voor andere reclamedoeleinden, maar niet altijd naar de zin van de gebruiker! We worden namelijk niet graag altijd ‘bespied’ wanneer we aan het surfen zijn.

To accept or not to accept. Websites zijn dan ook verplicht om het plaatsen en raadplegen van deze cookies optioneel te maken. Gebruikers moeten de mogelijkheid hebben om alle niet-essentiële cookies te weigeren! Websites doen dit doorgaans door een gebruiker, bij een eerste bezoek aan de website, een “cookiebanner” te tonen.

Ons advies. Ga bewust om met uw keuze om cookies te aanvaarden! (En breng de website op de hoogte als zij u niet laten weigeren.)

Zijn de cookies op uw website al in orde? Neem gerust contact met ons op, wij helpen jullie hier bij verder.


Ik ben onderneming dus ik ben boekhoudplichtig

Het Wetboek van Economisch Recht (WER) onderwerpt heel wat personen, lichamen en organisaties aan boekhoudkundige verplichtingen. De term 'boekhouding' is een anachronisme,  dat valt toch echt niet te ontkennen. Wie houdt er immers anno 2020 nog boeken? Accounting is nochtans een veel accurater en  moderner begrip. Helaas, nostalgie viert nog steeds hoogtij op dit vlak.

Twee vragen stellen zich. Wie kwalificeert als 'boekhoudplichtige onderneming'?  Wanneer zijn de boekhoudkundige verplichtingen van het WER van toepassing?

Onderneming - natuurlijke persoon

Elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent in België is een boekhoudplichtige onderneming. Zelfstandig wil zeggen niet in dienstverband. Beroepsactiviteit impliceert dat er sprake is van duurzaamheid in de uitgeoefende activiteiten. Zo zijn alle vrije beroepers per definitie boekhoudplichtige ondernemingen.

Er zijn echter impliciete en expliciet uitzonderingen en zo vallen niet alle activiteiten van natuurlijke personen onder het ondernemingsbegrip.

Impliciet uitgesloten zijn natuurlijke personen die hun persoonlijk vermogen op een normale manier beheren. Dit is eveneens zo voor kleinschalige activiteiten in de deeleconomie die geen inkomen nastreven. In concreto gaat het over netwerken die vraag en aanbod bij elkaar brengen om  onderbenutte goederen en diensten te delen.

Expliciet uitgesloten als boekhoudkundige onderneming zijn natuurlijke personen die een bestuursmandaat uitoefenen, een land- of tuinbouwbedrijf exploiteren of diensten leveren aan particulieren via een erkend elektronisch deelplatform voor zover het inkomen fiscaal niet aanmerkt als beroepsinkomen.

Onderneming - rechtspersoon

Alle Belgische rechtspersonen zijn in principe aan te merken als een onderneming met accounting verplichtingen.

Toch zijn er ook hier enkele uitzonderingen. Vooreerst zijn dit de publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Uitzondering ook voor ondernemingen die uitsluitend een land- of tuinbouwbedrijf exploiteren én die niet belast zijn in de vennootschapsbelasting. Verenigingen en stichtingen met een hoofdactiviteit die onderworpen is aan bijzondere regels voor hun boekhouding en jaarrekening. Deze regels moeten dan wel gelijkwaardig zijn aan deze van het WER. Bij gebrek aan een wettelijke of officiële lijst terzake gebeurt de beoordeling hiervan door het bestuur van de vereniging of stichting.

Organisaties zonder rechtspersoonlijkheid

Organisaties die geen rechtspersoonlijkheid hebben en waarbij er geen uitkeringsoogmerk is, noch in rechte noch in feite aan leden of beslissingsnemers, worden niet aangemerkt als onderneming. Bijgevolg zijn zij ook geen boekhoudplichtige onderneming. Belgische vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, denk maar aan de maatschap, zijn veronderstelt steeds een uitkeringsoogmerk te hebben. M.a.w. een maatschap, ook de stille en de tijdelijke, is een onderneming met accounting verplichtingen. Dus ook de maatschap die privépatrimonium (effecten, kunst, ...) beheert.

Buitenlandse ondernemingen

Natuurlijke personen die uitsluitend in het buitenland zelfstandige beroepsactiviteiten uitoefenen zijn geen boekhoudplichtige onderneming onderworpen aan het WER. Organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid maar met één of meer bijkantoren in België zijn voor wat betreft deze bijkantoren wel onderworpen aan de boekhoudkundige verplichtingen van het WER.

Inwerkingtreding

Alle nieuwe ondernemingen die van start gegaan zijn na 1 november 2018 zijn onderworpen aan de accounting verplichtingen opgenomen in het WER. Voor de bestaande ondernemingen die voorheen geen boekhoudkundige verplichtingen hadden, gelden de accounting verplichtingen vanaf het eerste boekjaar dat aanvangt vanaf 1 mei 2019.

Voorbeelden

In een haar advies 2019/08 geeft de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) enkele voorbeelden.

Vrije beroepen, zoals advocaten en artsen, die hun activiteiten niet onder een vennootschapsvorm uitoefenen gelden de boekhoud- en inventarisverplichtingen vermeld in het WER vanaf 1 januari 2020.

Een maatschap opgericht op 15 december 2018 is reeds van bij haar aanvang onderworpen. Zij moet een boekhouding voeren. Voor een maatschap opgericht op 15 december 2000 en met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, gelden de boekhoud- en inventarisverplichtingen vermeld in het WER vanaf 1 januari 2020.

Een ziekenhuis, onderworpen aan het KB betreffende de jaarrekening van ziekenhuizen, is geen boekhoudplichtige onderneming naar het WER.

Een ambtenaar die in bijberoep een zelfstandige beroepsactiviteit als schrijnwerker uitoefent is een boekhoudplichtige onderneming.

Inspiratie bij de CBN

Wie zich wil verdiepen in de materie kan terecht bij enkele recente adviezen van de CBN. O.a.

Boekhoudplichtige onderneming - CBN-advies 2019/09g

De boekhoudkundige en jaarrekeningrechtelijke verplichtingen van een beoefenaar van een vrij beroep - CBN-advies 2019/10

De vereenvoudigde boekhouding van een natuurlijke persoon, maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap - CBN-advies 2019/11

 


Aftrekbaarheid vastgoed: strand, zee en appartementje?

Een vennootschap koopt een onroerend goed aan dat zij gebruikt als kantoorruimten of bedrijfsgebouwen. Zij kan de gemaakte kosten die in aftrek brengen van haar vennootschapsbelasting.  Een bepaalde situatie bleef echter onduidelijk. Wat met een vastgoed dat werd aangekocht door de vennootschap, maar gratis ter beschikking wordt gesteld aan de bedrijfsleider. Het Hof van Beroep te Gent velde op 3 december 2019, over de aftrekbaarheid van een appartement aan zee, een opmerkelijke uitspraak.

Heersende theorie

Zoals we hieronder zullen uiteenzetten, wijkt het Hof te Gent met haar uitspraak af van wat voordien werd aangenomen. Het Hof van Cassatie oordeelde in het verleden namelijk dat de regels over de fiscale aftrekbaarheid van vastgoed beperkter geïnterpreteerd moesten worden.

Cassatie stelde dat om aftrekbaar te zijn, een kost niet inherent moet zijn aan een maatschappelijk doel van de vennootschap. Wel is vereist dat de kosten door de vennootschap zijn gemaakt om (belastbare) inkomsten te verkrijgen of te behouden. Wanneer niet aan deze voorwaarde is voldaan, doordat de vennootschap deze kosten enkel maakt in het belang van een derde, bijvoorbeeld de bedrijfsleider, en hier zelf geen voordeel van geniet, dan zijn deze kosten niet aftrekbaar.

Dit hield volgens Cassatie in dat wanneer de vennootschap een eigen economisch belang heeft aan de kosten van een appartement, deze kosten wel aftrekbaar zijn. De kosten zijn aldus aftrekbaar indien de vennootschap het appartement beroepsmatig aanwendt, verhuurt of indien de bedrijfsleider een vergoeding betaalt voor de terbeschikkingstelling. Zo ook wanneer de vennootschap het appartement ter beschikking stelt aan de bedrijfsleider als deel van zijn/haar bezoldiging. Voor dit laatste was wel vaak vereist dat deze terbeschikkingstelling deel uitmaakte van de bezoldigingspolitiek van de vennootschap.

Alles fiscaal aftrekbaar?

Het Hof te Gent gaat met haar uitspraak deze interpretatie voorbij en neemt een ruimer standpunt in. Het Hof oordeelt namelijk dat zelfs wanneer een bedrijfsleider een appartement gratis mag gebruiken en zelfs wanneer het gebruik volledig privé is, dat de kosten door de vennootschap nog steeds aftrekbaar zijn. De vennootschap dient, volgens het Hof, dus niet langer het appartement beroepsmatig te gebruiken of een vergoeding te eisen van de bedrijfsleider voordat zij de kosten van het appartement fiscaal kan aftrekken.

De zaak voor het Hof te Gent betrof een vennootschap die twee appartementen aan de Belgische kust had aangekocht. Zij stelde deze gratis ter beschikking van haar bedrijfsleider en er was geen beroepsmatig gebruik. De fiscus ging niet akkoord met de aftrekbaarheid als beroepskosten voor de kosten in de beide appartementen en had deze verworpen. Nadat de vennootschap ongelijk kreeg in eerste aanleg, werd hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Gent.

Elke investering gericht op het creëren van waarde voor de vennootschap, zal voor de vennootschap een aftrekbare kost zijn. Hierbij moet zij niet enkel kijken naar het verwerven van inkomsten op korte termijn, zoals huurgelden, maar een potentiële meerwaarde op lange termijn zal ook volstaan, zo stelde het Hof. Het Hof oordeelde in de bij haar aanhangige zaak dan ook dat zowel de aankoopwaarde als de intresten van de lening aftrekbare kosten zijn.

Concreet oordeelde het Hof van Beroep te Gent dat de aankoop van een appartement aan zee aftrekbaar zal zijn, wanneer de vennootschap het aankoopt als investeringsgoed. Het hof besloot namelijk dat een appartement aan zee een interessant investeringsgoed uitmaakt, gelet op de waardevastheid ervan. Er zal bijna steeds een waardestijging plaatsvinden, waardoor er voor de vennootschap een potentiële meerwaarde op lange termijn bestaat.

Aftrekbaarheid van vruchtgebruik?

De redenering van het Hof gaat niet op wanneer het appartement zich slechts in vruchtgebruik bij de vennootschap bevindt. Een vruchtgebruik is namelijk maar een tijdelijk recht, dat na verloop van de overeengekomen termijn uitdooft. De vennootschap zal dan niet kunnen genieten van de waardestijging van het goed. De meerwaarde die wordt gecreëerd bij de uiteindelijke verkoop van het goed komt enkel ten goede aan de blote eigenaar. De vennootschap zal dus geen gebruik kunnen maken van de ruime interpretatie van het Hof te Gent. De meerwaarde komt namelijk niet toe aan de vennootschap.

Besluit

Het arrest van het Hof van Beroep te Gent lijkt zeer goed nieuws voor vennootschappen met een appartementje aan zee. Zij zouden dit dan ook gratis en geheel voor het privégebruik van de bedrijfsleider ter beschikking kunnen stellen. Het is belangrijk te beseffen dat dit slechts één arrest uitmaakt en (slechts) van een Hof van Beroep. De waarde ervan mag u dus niet overschatten. De toekomst zal uitwijzen of andere hoven en rechtbanken (en in het bijzonder het Hof van Cassatie) deze ruime interpretatie zullen volgen.