Telewerk: nieuwe spelregels voor onkostenvergoeding

COVID-19 zorgde ervoor dat telewerk in menig bedrijf in ijltempo ingeburgerd geraakte. En dat het naar alle waarschijnlijkheid een blijvertje is, ook in post-COVID-19-tijden, beseft ook de fiscus. Voor de kosten en vergoedingen die dat met zich meebrengt, heeft de fiscus de fiscale spelregels nu vastgelegd in een nieuwe circulaire. De nieuwe fiscale regels overstijgen dus de coronaproblematiek.

Thuiswerk

Vooreerst: wat verstaat de fiscus onder telewerk? Als een werknemer of ambtenaar regelmatig thuis werk verricht dat hij ook op de werkvloer kan uitvoeren, dan is er sprake van telewerk. Het gaat wel degelijk om private lokalen van de werknemer. Werken in een satellietkantoor van de werkgever valt niet onder de toepassing van de circulaire. Bovendien moet het gaan om thuiswerk tijdens de normale werkdagen.

Wie kan een vergoeding krijgen?

Werknemers die structureel en regelmatig thuiswerken kunnen een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangen. Concreet moet het gaan om het equivalent van één werkdag per week. Twee halve dagen per week? Elke ochtend twee uur van thuis uit werken alvorens naar kantoor te gaan? Drie weken op kantoor werken en één week thuiswerk? Alles kan, zolang op maandbasis het equivalent van één werkdag per week wordt behaald. Een werknemer die sporadisch 's avonds thuis zijn laptop nog eens even openklapt, komt dus niet in aanmerking.

Bedrijfsleiders vallen eveneens niet onder het toepassingsgebied van de circulaire.

Forfaitaire kantoorvergoeding

Een werkgever kan met een forfaitaire kantoorvergoeding de algemene kantoorkosten van telewerkers belastingvrij vergoeden. Die vergoeding kan maximum 129,48 euro per maand bedragen. De regering besliste om dit bedrag tijdelijk te verhogen tot 144,31 euro voor de maanden april, mei en juni 2021.

Tijdens normale vakantieperiodes mag de vergoeding worden doorbetaald. Voor deeltijdse werknemers moet u de vergoeding niet prorateren.

Keert een werkgever een hogere vergoeding uit, zonder daarvoor bewijsstukken voor te leggen, dan wordt het deel van de vergoeding dat het maximumbedrag overstijgt wel belast.

Cumul met andere vergoedingen

De forfaitaire onkostenvergoeding dekt alle kantoorkosten. Het gaat om alle kosten die een werknemer maakt om zijn beroepsactiviteit van thuis uit te kunnen uitoefenen. Denk bijvoorbeeld aan papier, pennen, nutsvoorzieningen zoals water, verwarming en elektriciteit, onderhoud, verzekering, onroerende voorheffing, koffie, versnaperingen... Daarnaast kunnen werkgevers eveneens tussenkomen in aankopen van kantoormeubilair en/of informaticamateriaal door de werknemer. Wat in aanmerking kan komen, wordt door de fiscus beperkend opgelijst. Het gaat bijvoorbeeld om een bureaustoel, een printer/scanner, een hoofdtelefoon... voor zover de werkgever deze zaken ook in normale omstandigheden op de werkvloer ter beschikking zou stellen.

De fiscus beschouwt deze terugbetalingen als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever en dus belastingvrij. Maar redelijkheid is hier geboden. Dergelijke uitgaven kunnen niet elk jaar opnieuw vergoed worden. Daarom legde de fiscus de normale levensduur van een aantal zaken vast, bijvoorbeeld 10 jaar voor een bureaustoel en 3 jaar voor een printer/scanner.

De werkgever kan er ook voor opteren om de terugbetaling van een eenmalige aankoop te spreiden over een aantal jaren. Bewijsstukken moet de werkgever ter beschikking houden. U zal dus de factuur bij uw werknemer moeten opvragen.

Stopt de werknemer met telewerken en mag hij het materiaal houden, dan ontstaat er wel een voordeel van alle aard voor de werknemer.

Andere forfaitaire vergoedingen

Bovenop de forfaitaire kantoorvergoeding kan een werkgever nog andere forfaitaire vergoedingen toekennen aan telewerkende werknemers.

Het gaat dan om volgende forfaitaire vergoedingen:

  • maximum 20 euro per maand voor het professioneel gebruik van een priv√©-internetaansluiting en -abonnement;
  • maximum 20 euro per maand voor het professioneel gebruik van een priv√©-computer OF maximum 5 euro per maand voor het professioneel gebruik van een eigen tweede computerscherm en/of printer/scanner zonder priv√©-computer. De vergoeding van 5 euro per maand geldt per item, met een absoluut maximum van 10 euro per maand, en dat gedurende maximum drie jaar.

De werkgever mag dan wel niet op een andere manier in de kosten ervan zijn tussengekomen.

Terbeschikkingstelling kantoormeubilair/informaticamateriaal

In plaats van de kosten te vergoeden kan een werkgever er voor opteren om het materiaal zelf aan te kopen en ter beschikking te stellen van zijn werknemer. De fiscus aanvaardt dat hier geen voordeel van alle aard ontstaat. De werknemer is hier immers geen eigenaar van het materiaal.

Ook hier is redelijkheid de leidraad. Het moet gaan om goederen die noodzakelijk zijn om de beroepsactiviteit op een normale wijze thuis te kunnen uitoefenen. Alles wat daar boven uitstijgt, zal aanleiding geven tot het belasten van een voordeel van alle aard.

Niet-structureel thuiswerk

Werknemers die minder dan (het equivalent van) één dag per week thuiswerken kunnen in principe geen forfaitaire kantoorvergoeding krijgen. Betaalt u in dat geval toch een vergoeding voor de gemaakte kosten? Zorg er dan voor dat de vergoeding overeenstemt met de gemaakte kosten en dat die daarvoor ook effectief werd gebruikt. Is dat niet het geval, dan zal de vergoeding niet belastingvrij zijn.

Samengevat

Onkostenvergoedingen voor structureel en niet-structureel thuiswerk zijn en blijven onderworpen aan fiscale (en sociale) spelregels. De fiscale circulaire van 26 februari 2021 zorgt alvast voor een kader.

Om rechtszekerheid te bekomen over de door u toegepaste onkostenvergoedingen, kan u nog altijd, zoals voorheen vaak gebeurde, een ruling aanvragen bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (DVB).

De nieuwe circulaire trad in werking op 1 maart 2021, maar de regels zijn wel degelijk van toepassing vanaf 1 januari 2020. Aan bestaande rulings doet de circulaire geen afbreuk.

U wil graag een onkostenvergoeding uitbetalen aan uw werknemers die telewerken? aternio bekijkt graag samen met u de mogelijkheden.


Voortdurend verlies maken: hold your horses!

Voortdurend verlies maken, economisch is het niet gezond. Fiscaal is het verleidelijk. Getuige hiervan is  een interessant arrest van 15 september 2020 over een paardenfokkerij die al 20 jaar lang geen winst maakte, maar toch btw bleef aftrekken. Het gebrek aan winst deed de fiscus er toe besluiten dat de belastingplichtige geen professional was, maar een loutere amateur. De kosten van zijn zogenaamde 'hobby' zouden dan ook niet aftrekbaar zijn.

Het hof van beroep te Antwerpen (rolnr: 2019/AR/518) ziet het tóch anders...

Rechtspraak inkomstenbelasting paardenfokkerij

Op het vlak van inkomstenbelastingen vinden we heel wat rechtspraak over paardenfokkerijen die er in werkelijkheid niet op gericht zouden zijn om winst te behalen. De fiscus en rechtbanken oordelen daarbij doorgaans dat uit het geheel van omstandigheden blijkt dat de belastingplichtigen enkel het stelselmatig verrekenen van de verliezen beogen. Op die manier kunnen ze hun belastingen verlagen. De fiscus herkwalificeert de paardenfokkerij dan als "hobby" en verwerpt de kostenaftrek, zodat het resultaat op nul komt te staan.

Btw: economische activiteit

Op het vlak van btw wordt deze redenering echter niet doorgetrokken. Daar is het winstoogmerk immers van geen tel.

Artikel 4 van btw-wetboek definieert een belastingplichtige als: "eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht [...]".

Op het vlak van btw moet er dus sprake zijn van een "economische activiteit".

Bij de beoordeling ervan kijkt men naar alle feitelijke elementen. Denk aan de wijze van financiering, de exploitatievoorwaarden, de hoedigheid van de exploitant, de commercialisering, de aard van het cli√ęnteel enz.

In eerste aanleg had de rechtbank de fiscus nog gelijk gegeven. De verrichtingen van de vennootschap zouden geen economische waarde hebben, omdat er geen werkelijk duurzame opbrengsten uit voortkwamen. Het hof van beroep verbreekt - geheel terecht -dit vonnis.

Oordeel hof

Zoals gezegd, is het al dan niet winst maken, niet relevant voor de btw-plicht. De aanwezigheid van een 'economische activiteit' is dat wel. Het hof oordeelt in onderhavige zaak dat dit weldegelijk het geval is. Er worden paarden gefokt en trainingen gegeven. Ook is er de verkoop van sperma en inschrijvingen voor professionele wedstrijden. Verder beschikt de vennootschap over de nodige vergunningen en professionele infrastructuur en personeel. Het ontbreken van winst doet hier geen afbreuk aan.

Besluit

Via intelligente software gaat de fiscus op zoek naar alle ondernemingen die de laatste 5 jaar geen winst konden optekenen, om vervolgens de kostenaftrek te verwerpen en het resultaat op nul te zetten. Weet dat op het vlak van btw, de fiscus dit niet zomaar mag doen, hoewel de rechtspraak hierover wel nog wat verdeeld is.

Wij adviseren u graag en met kennis van zaken. Contacteer ons gerust.


belangenconflict

Het belang van het belangenconflict

De wetgever heeft de procedure inzake belangenconflicten onder het WVV meer uniform en ook eenvoudiger gemaakt. Bovendien omvat het toepassingsgebied voortaan ook vzw's en stichtingen. Ook de sanctie is ruimer toepasbaar. De onthoudingsplicht voor de geconflicteerde bestuurder levert weliswaar enkele praktische vraagstukken op. Het belang van het nauwgezet toepassen van deze procedure mag echter niet onderschat worden.

Welke conflicten?

Wanneer een bestuurder een belang heeft dat tegenstrijdig is met dat van de vennootschap, zal er vaak sprake zijn van een belangenconflict.

De volgende elementen zijn hierbij doorslaggevend:

  • het moet gaan om een¬†bestuurder;
  • het belang kan zowel¬†rechtstreeks¬†als¬†onrechtstreeks zijn;
  • het belang moet¬†vermogensrechtelijk van aard zijn; en
  • strijdig met het belang van de vennootschap.

Veel voorkomende belangenconflicten zijn de verhuur door de bestuurder van een deel van zijn privé-woning aan zijn managementvennootschap voor het uitoefenen van beroepsactiviteiten of de verkoop van aandelen tussen vennootschappen waarbij eenzelfde persoon bestuurder is. Het tegenstrijdig belang zal er dus vaak in bestaan dat de bestuurder in de ene hoedanigheid een zo hoog mogelijke en in de andere hoedanigheid een zo laag mogelijke prijs wenst te bekomen.

Procedure

Daar waar onder het oude Wetboek van vennootschappen - op vaak artifici√ęle wijze - beroep moest worden gedaan op een lasthebber ad hoc, voorziet het WVV nu in de hierna volgende procedure.

Voorafgaand aan het nemen van de beslissing (bv. het besluit van het bestuursorgaan tot ondertekening van de huurovereenkomst namens de vennootschap) moet de conflicteerde bestuurder het bestuursorgaan op de hoogte brengen. Zijn toelichting over de aard van dit belang wordt in de notulen vermeld. De notulen moeten ook de aard van de voorgenomen beslissing zelf, de vermogensrechtelijke gevolgen ervan voor de vennootschap en de verantwoording bevatten. Vergis u niet, deze formele procedure moet ook worden gevolgd wanneer de enige bestuurder ook de enige aandeelhouder is.

Is er slechts één bestuurder of hebben alle bestuurders een belangenconflict, dan moet de beslissing worden voorgelegd aan de algemene vergadering. De uitvoering zelf blijft echter wel op het bestuursorgaan rusten.

Belangrijke wijziging onder het WVV: de geconflicteerde bestuurder mag niet deelnemen aan de beraadslagingen of aan de stemming.

Het vormt o.i. daarbij geen probleem om gebruik te maken van unanieme schriftelijke besluiten nu daarvan net de essentie is dat er geen beraadslaging en stemming plaatsvindt. De niet-geconflicteerde bestuurders kunnen nog steeds unaniem beslissen. De geconflicteerde bestuurder kan de besluiten mee ondertekenen voor kennisname en akkoord.

Uitzonderingen

Voormelde procedure speelt niet in twee limitatieve gevallen:

  1. In geval van een overeenkomst gesloten tussen vennootschappen die rechtstreeks of onrechtstreeks minstens voor 95 % verbonden zijn dan wel voor minstens 95 % verbonden zijn met eenzelfde moedervennootschap;
  2. Wanneer de beslissing betrekking heeft op gebruikelijke verrichtingen onder de gebruikelijke voorwaarden en zekerheden voor soortgelijke verrichtingen.

De vennootschap moet de procedure dus nog steeds volgen wanneer zij een overeenkomst afsluit met haar bestuurder die ook 99 % aandeelhouder is. De uitzondering heeft namelijk enkel betrekking op verbondenheid tussen twee vennootschappen.

Voor de invulling van deze gebruikelijke verrichtingen speelt het voorwerp van de vennootschap een belangrijke rol. Het verhandelen van aandelen of het verhuren van onroerende goederen behoort vaak niet tot de core-business van de vennootschap, zodat deze uitzondering eerder niet dan wel van toepassing zal zijn.

Bekendmaking

De tekst over het belangenconflict opgenomen in de notulen of in een bijzonder verslag moet (letterlijk) worden overgenomen in het jaarverslag. In kleine niet genoteerde vennootschappen is de opmaak van een jaarverslag echter niet verplicht. In dat geval moet het worden opgenomen in een stuk dat samen met de jaarrekening wordt neergelegd. Het gaat dan om de notulen zelf of om een eensluidend verklaard uittreksel ervan.

In de praktijk komt het echter maar al te vaak voor dat het bestuursorgaan deze verplichtingen doorheen het boekjaar over het hoofd ziet. Het is slechts bij de voorbereiding van jaarrekening dat het belangenconflict-lampje, hopelijk en minstens bij de accountant, gaat branden.

Hoewel het uiteraard de voorkeur geniet om daadwerkelijk voorafgaand de beslissing ook formeel het nodige te doen, blijft een navolgende regularisatie eventueel wel mogelijk met dien verstande dat de beslissing op dat moment vaak reeds zal zijn uitgevoerd.

Sanctie

Vroeger kon enkel de vennootschap zelf de nietigheid van het besluit vormen indien de procedure niet was nageleefd. In de praktijk kwamen dergelijke vorderingen weinig voor. Het bestuursorgaan was vaak niet geneigd  om een vordering in te stellen tegen haar eigen leden.

Onder het WVV hebben ook alle belanghebbenden dit vorderingsrecht. Voortaan kan dus iedere belanghebbende de vernietiging vorderen omdat het bv. ook voor hemzelf een financieel nadeel oplevert.

Bestuurdersaansprakelijkheid

De geconflicteerde bestuurders blijven - zelfs na het volgen van de procedure - persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk wanneer het verkregen financeel voordeel onrechtmatig is ten nadele van de vennootschap. Het voorgaande geldt onverminderd de algemene mogelijkheid om aan bestuurdersaansprakelijkheid te ontsnappen door voorafgaande melding.

Een nauwkeurige omschrijving van de financi√ęle implicaties is dus key.

Statuten

Omwille van enkele praktische problemen verdient het aanbeveling om de belangenconflictprocedure ook in de statuten verder te moduleren. Denk hierbij aan aanwezigheidsquora die niet worden gehaald omwille van de onthoudingsplicht van de geconflicteerde bestuurder.

In de statuten voorzien dat een verwijzing naar de algemene vergadering steeds mogelijk is,  vormt hiervoor een oplossing.

Conclusie

Bestuurders moeten steeds alert zijn wanneer zij overeenkomsten met de vennootschap sluiten. Een correcte toepassing van de belangenconflictprocedure levert hierbij bescherming op tegen vorderingen van de vennootschap en derden. Een tijdige toepassing zorgt bovendien ook voor een vlot verloop van de jaarafsluiting.

Hebt u nog vragen over een belangenconflict? Contacteer ons en we zorgen voor licht in de duisternis.


Een zoveelste aflevering in de UBO-register saga

Zoals reeds aangegeven in onze eerdere blogpost, voorziet het KB van 23 september 2020 in de verplichting om voortaan ook bewijsstukken in het UBO-register op te laden. Een gedoogbeleid kon gezien de bijzonder realistische uitvoeringstermijn van amper 10 dagen niet uitblijven. Initieel kreeg de informatieplichtige hiervoor tijd tot 30 april 2021.

Na enkele maanden waarin alle goede huisvaders onder u (of zijn het ondertussen 'voorzichtige en redelijke personen'?) aan de slag gingen om nog maar eens aan deze administratieve grillen te voldoen, neemt onze Minister van Financi√ęn nu het initiatief om de termijn nogmaals uit te stellen, ditmaal tot 31 augustus 2021. Zou het de administratie misschien opgevallen zijn dat er nog geen enkele duidelijkheid over de aard van deze bewijsstukken bestond? Brengt de nieuwe versie van de FAQ soelaas?

Na het nieuwe uitstel: duidelijke richtlijnen over de stukken?

Wellicht komen er spontaan allerlei verwensingen op bij ondernemers of accountants die voor hun ondernemingen hemel en aarde hebben verzet om tijdig (lees: voor 30 april 2021) alle stukken te verzamelen. Anderen slaken misschien een zucht van opluchting door het bekomen uitstel. Feit blijft dat we er met zijn allen in principe maar het raden naar hadden welke stukken de wetgever nu precies bedoelde. Hoe bewijst men eigenlijk dat de informatie m.b.t. de geregistreerde UBO adequaat, nauwkeurig en actueel is?

UBO op basis van kapitaal- en/of stemrechten

Voor deze UBO's (de zogenaamde categorie 1) leek één en ander vrij straight-forward: het aandelenregister. Het kan evenwel niet de bedoeling zijn om identiteitsgegevens van aandeelhouders die niet als UBO kwalificeren vrij te geven. Hierdoor vervalt één en ander al snel in een tijdrovend knip-en plakwerk. Geen nood: momenteel worden kennelijk IT-systemen ontwikkeld om elektronische aandelenregisters automatisch aan het UBO-register te koppelen dus waarom nog wakker liggen van de privacy van de aandeelhouders?

Ook de tussentijdse entiteiten bleken vaak roet in het eten te gooien: wat met buitenlandse entiteiten die geen equivalent voor het aandelenregister kennen of met tussentijdse entiteiten waarmee de band zodanig onrechtstreeks is dat het opvragen van de stukken niet altijd even vlot verloopt? Maar al te vaak is de informatieplichtige op die manier afhankelijk van de zin voor administratie van soms quasi-onbekende bestuursorganen.

De FAQ voegt aan het lijstje van voorbeelden nu ook notari√ęle akten en notulen van algemene vergaderingen toe. Hierbij echter eenzelfde bedenking: zelfs wanneer de informatieplichtige zich beperkt tot de aanhef van de akte of tot de aanwezigheidslijst, bevatten deze vaak gegevens van niet-geviseerde aandeelhouders waardoor opnieuw knip- en plakwerk vereist zal zijn. Bijkomend nadeel: om het bewijs actueel te houden, zal men elk jaar opnieuw de meest recente aanwezigheidslijst moeten toevoegen. Kwestie van niet stil te vallen, nietwaar?

UBO door controle via andere middelen

De stukken voor de UBO's die controle uitoefenen via andere middelen (categorie 2) vormen meteen al een ander paar mouwen. Is de UBO-kwalificatie gebaseerd op de statuten, dan kan de informatieplichtige o.i. nog volstaan met het opladen van een uittreksel uit de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Wat indien deze controle evenwel blijkt uit een aandeelhoudersovereenkomst? Een aandeelhoudersovereenkomst bevat vaak net de afspraken die men niet publiekelijk in de statuten wil regelen. Zal het dan volstaan om een quasi-volledig geanonimiseerde versie van deze overeenkomst op te laden?

De nieuwe FAQ vraagt voortaan enkel dat het stuk 'leesbaar' is, zodat het knip- en plakwerk dus ook daadwerkelijk aanmoedigt. Bijkomende meevaller: u hoeft geen (al dan niet be√ędigd) vertaler in te schakelen, want ook Engelstalige stukken worden aanvaard.

UBO als hoger leidinggevend personeel

Tenslotte bestond er tot voor kort één ogenschijnlijk 'gemakkelijke' categorie, namelijk die van het hoger leidinggevend personeel. In se kon de informatieplichtige bij gebreke aan andere UBO's doorgaans de bestuurders registreren, samen met het desbetreffende benoemingsbesluit.

De FAQ leert ons echter dat het niet enkel vereist is om te bewijzen op basis waarvan de UBO tot deze categorie behoort. Plots moet men ook aantonen dat de UBO de functie in de praktijk daadwerkelijk uitoefent. Als klap op de vuurpijl dient de informatieplichtige te bewijzen dat hij in de eerste en tweede categorie geen UBO's heeft kunnen aanduiden. In concreto lijkt de administratie dus te verwachten dat de informatieplichtige 1) én het benoemingsbesluit 2) én het integrale aandelenregister waaruit blijkt dat de persoon in kwestie er niet of slechts voor een klein aantal aandelen in voorkomt 3) én de statuten en/of eventuele aandeelhoudersovereenkomsten voorlegt.

Dit doet o.i. toch (opnieuw) de wenkbrauwen fronsen. Ook hier zullen weer personen worden geviseerd die niets met de UBO-registratie te maken hebben. Wat is trouwens het nut van deze bijkomende vereisten als de verantwoordelijkheid voor de UBO-registratie en de daarbij horende aansprakelijkheid toch bij zowel de formeel benoemde als feitelijke bestuurders ligt?

Stukken voor verenigingen en stichtingen

Na maanden onduidelijkheid is er eindelijk een toelichting beschikbaar. De stukken voor de UBO's van verenigingen en stichtingen lijkt de administratie hierbij volledig over het hoofd te hebben gezien.

Enige verduidelijking had nochtans wenselijk geweest. Meer in het bijzonder met betrekking tot personen in wiens hoofdzakelijk belang de vereniging of stichting werd opgericht. Doorgaans zal het voorwerp opgenomen in de statuten wel als leidraad kunnen dienen. De informatieplichtige kan zich hierbij beperken tot bijvoorbeeld 'de leerlingen in een bepaalde regio' of 'de certificaathouders van de stichting'. Een nominatieve aanduiding is niet vereist.

Wat met de op te laden stukken? De FAQ vermeldt op dit vlak enkel dat een verwijzing 'zie statuten' volstaat. Bij een klassieke STAK zullen de statuten echter niet veel bijzonders bijbrengen inzake de certificaathouders. Verwacht de overheid dat in dat geval ook de administratievoorwaarden worden opgeladen of behoort een loutere verklaring van het bestuursorgaan van de stichting eveneens tot de mogelijkheden?

Aanvullende vereisten voor buitenlandse UBO's en in het buitenland opgemaakte stukken

Zo u na heel dit verzamelproces bij een UBO zonder rijksregisternummer of nationaal bis-nummer terecht zou zijn gekomen, dient de informatieplichtige voortaan ook steeds een kopie van het buitenlandse identiteitsbewijs op te laden.

De informatieplichtige denkt voortaan ook beter twee keer na indien hij stukken afkomstig uit het buitenland wenst op te laden. De FAQ brengt namelijk fijntjes ook de wetgeving inzake legalisatie in herinnering. Dit brengt potentieel bijkomende kosten en administratie met zich mee.

Alles pijs en vree want enkel de bevoegde autoriteiten kijken mee?

In de FAQ benadrukt de overheid dat de opgeladen stukken enkel toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten. Vanuit privacyoverwegingen lijkt ons dit ook niet meer dan logisch. Desalniettemin lijken we bij elke nieuwe fase in deze saga telkens meer te moeten prijsgeven en documenteren. Het is nog maar de vraag of deze verplichting tot verregaande informatiedeling nog verantwoordbaar is in het licht van de doelstelling van de wetgever, met name anti-witwaspraktijken tegengaan en terrorismebestrijding.

Samengevat

De informatieplichtigen krijgen uitstel tot 31 augustus 2021 om tot jaarlijkse bevestiging en het opladen van stukken over te gaan. De vereisten verbonden aan deze stukken worden voor de categorie van het hoger leidinggevend personeel gevoelig uitgebreid. Engelse en geanonimiseerde stukken zijn toegelaten. De nieuwe versie van de FAQ doet echter nog steeds meer vragen rijzen dan ze beantwoordt. Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Ziet u door het bos de bomen niet meer? aternio legal kan u hierbij assisteren! Contacteer ons voor meer informatie en bijstand.


Bewakingscamera die meer filmt dan privédomein vangt boete

Bewakingscamera's zijn de uitgewezen manier om privé-eigendom te beschermen tegen inbraak, vandalisme en/of diefstal. Deze camera's filmen echter vaak meer dan enkel de eigendom van de eigenaar van het bewakingssysteem. Zo kan een deel van de openbare weg of de privé-eigendom van een buur mee zichtbaar zijn op de camerabeelden. Hoewel het bij de plaatsing van de camera's de bedoeling is om zo maximaal mogelijk bescherming te bieden moet ook rekening gehouden met de Algemene Verordening Gegevensbescherming ("AVG" of "GDPR"). De Gegevensbeschermingsautoriteit ("GBA") beboette op 24 november 2021 het filmen van de openbare weg.

Plaatsen van bewakingscamera's

Het plaatsen van bewakingscamera's dient ter bescherming van privé-eigendom van natuurlijke personen en ondernemingen. Op het plaatsen van camera's is de camerawet van 21 maart 2007 van toepassing. Deze wet regelt de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's. Eigenaars van dergelijke camera's moeten echter ook rekening houden met de GDPR bij het verwerken van de camerabeelden.

Het Europees Hof van Justitie bevestigde dat beelden gemaakt door een camera ook onder het toepassingsgebied van de GDPR vallen. In de GDPR is wel een uitzondering voorzien voor zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteiten.  Deze uitzondering dient ertoe privépersonen die persoonsgegevens verwerken binnen de privécontext vrij te stellen van de verplichtingen van de GDPR. Dit laatste is bijgevolg niet noodzakelijk altijd van toepassing op natuurlijke personen. Camera's die zich op privédomein bevinden, maar die de openbare weg of het domein van een derde (gedeeltelijk) filmen, kunnen niet gebruik maken van deze vrijstelling.

Onrechtmatige verwerking persoonsgegevens

Bij de beoordeling of het maken van beelden via bewakingscamera's gerechtvaardigd is, moet er onder andere een rechtsgrond krachtens artikel 6, lid 1 GDPR aanwezig zijn. Zo kan er bijvoorbeeld toestemming gegeven zijn door de buur wiens privédomein (gedeeltelijk) gefilmd wordt. De overige voorwaarden, zoals het vervullen van een taak van openbaar belang of voldoen aan een wettelijke verplichting, zullen meestal niet voorhanden zijn. Hierdoor zal een privépersoon of onderneming terug moeten vallen op een verwerking op basis van het gerechtvaardigd belang.

Gerechtvaardigd belang

Bij de toetsing van de aanwezigheid van een gerechtvaardigd belang kijkt de GBA eerst naar de belangen waarop de verwerking gesteund is. De GBA ziet de bescherming van goederen, de gezondheid en het leven van de eigenaars en familieleden, door het plaatsen van bewakingscamera's als gerechtvaardigd. Het plaatsen van bewakingscamera's om diefstal, inbraak en vandalisme te bestrijden zijn normaal gerechtvaardigd.

De GBA haalt in onderhavige beslissing aan dat er in het verleden concrete schadegevallen aanwezig waren. Ze wijst hierbij op het ontbreken van een louter hypothetisch risico op beschadigingen, diefstal of inbraak. Het lijkt ons dat ook zonder dergelijke historische gebeurtenissen, de belangen voor de plaatsing van bewakingscamera's gerechtvaardigd zijn. Dit met name bij de plaatsing van camerabewaking door een privépersoon of onderneming om diens privé-eigendom te beschermen.

Niet noodzakelijk en belangen wegen niet op

De GBA zag echter wel een probleem bij de toetsing van de noodzakelijkheid en bij de afweging van de belangen. Aan deze voorwaarden zal veelal niet voldaan zijn indien een (gedeelte) van de openbare weg of het privédomein van een derde mee gefilmd worden.

"Uitgebreid en constant filmen van de openbare weg" ziet de GBA niet als noodzakelijk om de gerechtvaardigde belangen te behartigen. Dit gaat namelijk voorbij aan het principe van de minimale gegevensverwerking. Dat door de herpositionering van de camera, deze bijna nutteloos is, vormt volgens de GBA geen tegenargument. Zij stelt dat een dergelijk technisch vervelend gevolg geen 'ontsnappingsroute' kan vormen.  Een dergelijke redenering geldt eveneens voor het filmen van het privédomein van een derde. Deze derde zou echter wel diens toestemming kunnen geven.

Bij de afweging van de belangen van de eigenaar van de camerabewaking en de belangen van diegene die gefilmd worden, ziet de GBA wederom een probleem. De GBA weegt de gerechtvaardigde belangen af tegen de eerbiediging van het privéleven en de gegevensbescherming van de gefilmde personen. Het voortdurend in beeld brengen van de openbare weg of het privédomein van een derde vormt een ernstige inbreuk op deze grondrechten. Bewakingscamera's zullen bijgevolg geen deel van de openbare weg in beeld mogen brengen. Zelfs al heeft de cameraeigenaar een gerechtvaardigd belang om diens privédomein te beschermen.

Wel kan opgemerkt worden dan het toevallig en kleinschalig filmen van de openbare weg aanvaardbaar kan zijn. Zo zal vaak een klein stukje van de openbare weg zichtbaar zijn op camera's die op de voorgevel/tuin gericht zijn. Wanneer dit er niet voor zorgt dat personen en/of kinderen zichtbaar zijn, zal dit wellicht toch gerechtvaardigd zijn.

Opmerkelijk: gegevensbescherming door ontwerp

Een opmerkelijk element aan de beslissing van de GBA is dat zij een berisping uitdeelt op grond van de "gegevensbescherming door ontwerp". Dit principe wordt echter traditioneel in een andere context geplaats. Zo tracht men in de computerwetenschappen ervoor te zorgen dat bij het maken van onder meer software de gegevensbescherming reeds is ingebouwd in het systeem. Het mag dus verbazen dat de GBA dit principe aanhaalt om de plaatsing van camera's te beoordelen.

De GBA oordeelde dat bij de plaatsing van bewakingscamera's men eveneens passende maatregelen moet nemen. Indien de openbare weg of het privédomein van een derde gefilmd worden, dan zal dit vrijwel zeker lijden tot de verwerking van persoonsgegevens. Aangezien deze verwerking onrechtmatig zal zijn, zie hierboven, is dus niet voldaan aan het principe van de gegevensbescherming door ontwerp.

Wat de keuze door de GBA voor de gegevensbescherming door ontwerp opmerkelijk maakt, is dat er een alternatief beschikbaar is. Zo bestaat het algemene gegevensbeschermingsbeginsel van de minimale gegevensverwerking. Dit beginsel stelt dat men enkel die gegevens mag verwerken die daadwerkelijke noodzakelijk zijn voor de doeleinden van de verwerking. Dit beginsel dient er bijgevolg uitdrukkelijk voor om buitensporige verwerking van gegevens in te perken. De GBA haalt in haar beslissing echter aan dat, voor de toepassing van de gegevensbescherming door ontwerp, geen daadwerkelijke verwerking dient plaats te hebben. Hierbij verschilt dit principe toch van het beginsel van de minimale gegevensbescherming.

Besluit

Het mag dus duidelijk zijn dat de plaatsing van een bewakingscamera ook voor de gegevensbescherming belangrijk is. De maximale beveiliging van het privédomein zal dus plaats moeten ruimen voor de gegevensbescherming van derden. In casu bleef de sanctionering door de GBA evenwel beperkt: een berisping en een boete van 1.500 euro uit. Dit laatste echter na rekening te hebben gehouden met het feit dat het om particulieren ging en dat de plaatsing van de camera's reeds werd aangepast.

Vergeet voor de plaatsing van een bewakingscamera de verplichting van een melding hiervan bij de politie niet. Dit is wettelijk vereist, net als het plaatsen van een pictogram en het bijhouden van een verwerkingsregister.

Hebt u vragen omtrent privacy? aternio legal beantwoordt ze graag.


Let's get digital! FOD Financi√ęn ziet e-Box zitten.

Vanaf 1 januari 2025 gebeurt de uitwisseling van informatie tussen de FOD Financi√ęn en belastingplichtigen elektronisch via het beveiligd elektronisch platform (e-Box) . Dit is zonder meer een verplichting voor professionelen en rechtspersonen, behalve indien om technische redenen geen identificeren op het platform kan gebeuren. Particulieren blijven op papier communiceren tenzij ze uitdrukkelijk gekozen hebben voor de elektronische uitwisseling. Let's get digital: ook voor uw belastingzaken!

Sinds 1 april 2021 wordt alvast alle papieren correspondentie met de FOD Financi√ęn gereproduceerd, geregistreerd en bewaard op e-Box. Tal van andere overheden gingen de fiscale administratie reeds voor.

Welke informatie?

De elektronische beveiligde uitwisseling van informatie via e-Box heeft betrekking op alle correspondentie met juridische waarde tussen de fiscale administratie en belastingplichtigen. Dit zijn zowel de reguliere brieven als de aangetekende zendingen.

De elektronische uitwisseling van berichten langs een beveiligde elektronische weg wordt de regel en de uitwisseling van fiscale informatie op papier de uitzondering.

Welke belastingplichtigen?

Professionelen en rechtspersonen zullen al hun rechten en verplichtingen vervullen via eBox. Zij zijn verplicht om langs elektronische weg te communiceren met de FOD Financi√ęn tenzij ze zich niet kunnen identificeren op e-Box. Een Koninklijk Besluit bepaalt nog de uitzonderlijke gevallen van overmacht waarin deze identificatie niet mogelijk is.

Particulieren¬†werken op papier tenzij zij expliciet gekozen hebben om langs elektronische weg te communiceren met de FOD Financi√ęn. Het is voor hen een toetredingsoptie (opt-in) en dus geen verplichting. Meer zelfs, particulieren die geopteerd hebben voor elektronische communicatie kunnen altijd op hun stappen terugkomen en terug kiezen voor de papieren weg. Voor particulieren is deactivering van e-Box altijd mogelijk.

Professionele derden die handelen in de uitoefening van hun beroep, zoals accountants en belastingadviseurs, zijn altijd verplicht het beveiligd elektronisch platform te gebruiken, zelfs wanneer zij een belastingplichtige vertegenwoordigen die geniet van de opt-in.

Welke belastingen?

De elektronische communicatie geldt voor diverse belastingen en taksen, zoals opgenomen in de Wetboeken:

  • Inkomstenbelasting (vennootschaps-, rechtspersonen- en personenbelasting, evenals de belasting niet-inwoners);
  • BTW;
  • Registratie-, hypotheek- en griffierechten ;
  • Successierechten;
  • Diverse rechten en taksen;
  • Minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Verder worden ook elektronische communicatie mogelijk gemaakt in het licht van enkele wetten, zoals:

  • Domaniale wet van 22 december 1949;
  • Wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen;
  • Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen;
  • Wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financi√ęle contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

Welk platform?

De basis voor alle digitale communicatie met de FOD Financi√ęn is het beveiligd elektronisch platform e-Box. Middels aangepaste beveiligings- en authenticatietechnieken wil de overheid de oorsprong, de integriteit, de inhoud, de tijdsaanduiding en de bewaring van de berichten verzekeren.

e-Box functioneert als portaal. In geval van communicatie met de fiscale administratie zal bijvoorbeeld worden doorverwezen naar MyMinfin. MyMinfin blijft dus gewoon verder bestaan. Het is via e-Box dat de belastingplichtigen bij de documenten op MyMinfin terechtkomen.

Weet dat e-Box vandaag al¬†berichten en documenten ter beschikking stelt die afkomstig zijn van verschillende overheidsdiensten, niet alleen van de FOD Financi√ęn. Heel wat andere federale overheidsdiensten, openbare instellingen van sociale zekerheid, ministeries van de regionale overheid, provincies, steden en gemeenten gebruiken reeds e-Box.¬†Tal van andere instellingen zijn bezig met de voorbereiding van het gebruik van e-Box.

Wie kennis wil maken met de moderne manier van communiceren door lokale, regionale en federale overheden registreert zich als particulier op Mijn Burgerprofiel of als ondernemer op e-Box Enterprise. U krijgt meteen een beveiligd overzicht van uw overheidszaken. Laat u alvast verbazen.

Conclusie

De digitalisering is een lange reis waarbij nog tal van praktische zaken verder moeten worden uitgewerkt. Beveiligde elektronische uitwisseling van berichten, ook met de diverse overheden, wordt de regel. Professionelen hebben gewoonweg geen keuze. Particulieren kunnen de digitale boot alsnog afhouden, het is slechts een kwestie van tijd vooraleer ook zij aan boord zullen zijn. Laat u alvast verbazen en kijk eens op Mijn Burgerprofiel of op e-Box Enterprise.

Voor aternio is digitaal communiceren geen afscheid van persoonlijke communicatie. Hebt u vragen? Shoot!


Effectentaks: tweede keer goeie keer?

De effectentaks; dit doet precies ergens een belletje bij u rinkelen? Klopt! In 2018 heeft de Belgische regering de effectentaks al eens ingevoerd. Maar deze taks was toen geen lang leven beschoren. De effectentaks werd toen vrijwel onmiddellijk vernietigd door het Grondwettelijk Hof wegens discriminatoir.

De regering De Croo doet nu opnieuw een poging. Tweede keer goeie keer?

Oude effectentaks

Met veel bravoure werd destijds de effectentaks - of soms ook wel de "rijkentaks" genoemd - ge√Įntroduceerd, ondanks de kritiek van de Raad van State. De taks bedroeg 0,15 procent op effectenrekeningen vanaf 500.000 euro.

De wetgever viseerde echter enkel effectenrekeningen van natuurlijke personen en liet onder andere effectenrekeningen van vennootschappen buiten beschouwing. Ook levensverzekeringen, aandelen, goud, kunst en vastgoed vielen er niet onder. Door allerlei achterpoortjes miste de effectentaks bovendien zijn effect.

Een arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 oktober 2019 bleek het einde te zijn voor de effectentaks.

Nieuwe effectentaks

Wie?

De regering De Croo heeft alvast goed geluisterd naar het Grondwettelijk Hof. Ook rechtspersonen (zowel vennootschappen als provincies, gemeenten, intercommunales en universiteiten) vallen nu binnen het toepassingsgebied.

Ook buitenlanders die effectenrekeningen hebben in Belgi√ę zullen er niet aan ontsnappen. Of omgekeerd, ook Belgen met een effectenrekening in het buitenland, zullen worden belast.

Het aantal titularissen van de rekening doet er niet toe. Zowel volle eigenaar, vruchtgebruiker als blote eigenaar worden belast.

Wat?

Alle financi√ęle instrumenten op de effectenrekening¬† zijn het voorwerp van de nieuwe taks. Denk aan aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, warrants en kasbons, maar ook¬† vastgoedcertificaten en zelfs cash op een effectenrekening.

Aandelen op naam zijn evenwel vrijgesteld.

Ook verzekeringen worden niet geviseerd. Let wel op, wanneer een verzekeraar bijvoorbeeld het vermogen van zijn klant belegt, valt hij wel onder de nieuwe effectentaks.

Hoeveel?

De grens voor de nieuwe taks is alvast opgetrokken. De nieuwe taks viseert voortaan effectenrekeningen van meer dan één miljoen euro.

Het tarief van de belasting bedraagt opnieuw 0,15% per jaar. De taks is verschuldigd op de gemiddelde waarde van de effectenrekening per kwartaal, namelijk op 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september.

Hoe?

Indien de betrokken effectenrekening is aangehouden bij een Belgische bank, dan zal zij instaan voor de (automatische) inhouding van de taks.

Ook voor effectenrekeningen in het buitenland zou dit in principe moeten worden ingehouden door de bank. Gebeurt dit niet, dan zal u zelf aangifte moeten doen en de belasting zelf betalen.

Conclusie

Afhankelijk van het geluid van de politieke oppositie komt de nieuwe effectentaks neer op een ordinaire verhoging van de belastingdruk, dan wel een gemiste kans om een echte belasting op vermogen in te voeren. Wat er ook van zij, zelfs in het nieuwe jasje is er nog steeds een risico op vernietiging door het Grondwettelijk Hof. Of de effectentaks dit keer dan wel overeind blijft zal de toekomst uitwijzen ...


Dag van de gegevensbescherming: ook de overheid is soms fout

28 januari is de Europese dag van de gegevensbescherming. Het is dan ook de ideale gelegenheid om het belang van privacy en gegevensbescherming in de verf te zetten. Voor ondernemingen is het niet gemakkelijk om de verplichtingen inzake privacy en gegevensbescherming correct te interpreteren en toe te passen.

Uit enkele recente voorbeelden blijkt dat dit voor onze overheid eveneens moeilijk blijkt. Dit kadert hoe belangrijk het is voor  ondernemingen en overheden om voorzichtig om te springen met de gegevens van hun klanten, gebruikers of andere natuurlijke personen en de verwerking ervan.

Verplicht Microsoft e-mailadres

De federale overheid zet verschillende middelen beschikbaar op haar website FisconetPlus. Zo kan elke burger de databank met publieke informatie, zoals wetgeving, rechtspraak, omzendbrieven en brochures opvragen. Om toegang te krijgen tot de database stelde de overheid verschillende opties beschikbaar. Inloggen kon via een bestaand Microsoft account of via een anoniem Microsoft account. Daarnaast was er ook de optie om rechtstreeks via MyMinfin in te loggen.

De geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna GBA) stelt in haar beslissing dat het gebruik van een Microsoft account door de overheid hier een inbreuk vormde op de GDPR. De overheid maakt namelijk zelf een optie beschikbaar om in te loggen, waarbij geen bijkomende persoonsgegevens verwerkt worden. Door het gebruik van Microsoft, en het inloggen via een bestaand Microsoft-account verwerkt men meer gegevens dan nodig. Omdat de optie zonder bijkomende verwerking beschikbaar is, stelt de GBA dat een optie die wel voorziet in een verdere verwerking niet in overeenstemming is met de GDPR.

We kunnen in deze zaak ook opmerken dat de GBA oordeelde dat de overheid een inbreuk maakte door haar cookiebeleid. Daarin stond namelijk dat een gebruiker akkoord gaat met de plaatsing van cookies bij verder gebruik van de website. Echter is een actieve instemming vereist en voldoet een louter verder scrollen of klikken op een website niet. De GBA besliste daarom om de FOD Financi√ęn voor dit alles te berispen.

UBO-register en het rijksregisternummer

De toegang tot het UBO-register was enkele dagen afgesloten. Het UBO-register is een database van de Uiteindelijke Begunstigde van een Belgische entiteiten. Het gaat meer bepaald om de natuurlijke personen die de controle houden deze entiteiten vast te stellen in het kader van fraudebestrijding en tegen het witwassen van geld.

De overheid had het UBO-register offline moeten halen omdat het mogelijk was om het rijksregisternummer van iedere burger te achterhalen. Indien men de voor-en achternaam en geboortedatum van een persoon kon achterhalen (vaak eenvoudig te achterhalen bij bekende personen) was het een fluitje van een cent om het rijksregister te achterhalen. Een rijksregisternummer is een belangrijk persoonlijk gegeven dat slechts in beperkte omstandigheden verwerkt mag worden. Dat iedere burger hier zomaar toegang toe kan krijgen is een enorme inbreuk op de privacy en gegevensbescherming.

Voorlopig lijkt de FOD Financi√ęn het probleem opgelost te hebben. De vraag rest echter nog of dit geen juridisch staartje zal krijgen, al dan niet via de GBA.

Besluit

We hopen dat bovenstaande voorbeelden aantonen dat een correcte privacy en gegevensbeschermingsstrategie voor iedereen niet eenvoudig is. Dit mag ons echter niet ontmoedigen en moet blijk geven van het belang om hieraan de nodige tijd en middelen te besteden. Het uiteindelijke doel van de regelgeving rond privacy en gegevensbescherming is nog steeds de bescherming van burgers, klanten, gelijk welke natuurlijke persoon. En zijn we dat dan eigenlijk niet allemaal?


Schenk- en erfbelasting krijgen een Vlaamse make-over

Na de hervorming van het vennootschapsrecht, het erfrecht, het goederenrecht,... is nu ook de regionale schenk- en erfbelasting aan de beurt. De Vlaamse regering heeft immers haar fiat gegeven voor een hervorming. Wat staat er ons de komende maanden concreet te wachten?

Krachtlijnen van de hervorming inzake schenk- en erfbelasting

De hervorming van de schenk- en erfbelasting steunt op twee pijlers:

  1. verlenging van de verdachte periode voor niet-geregistreerde schenkingen;
  2. de afschaffing van het duolegaat met als compensatie: verlaging van schenk- en erfbelasting richting 'zuivere goede doelen' en invoering van de zogenaamde 'vriendenerfenis'.

Een aantal van deze punten, zoals de verlenging van de verdachte periode en de vriendenerfenis, kwamen reeds aan bod. We bundelen deze hierna en zorgen voor een doorverwijzing naar de oudere blogartikelen.

Het begin: afschaffing van het duolegaat

Het beginpunt is eigenlijk de afschaffing van het duolegaat. Meer concreet zijn het eigenlijk de fiscale voordelen, gekoppeld aan het duolegaat, die afgeschaft worden. In een eerdere bijdrage kon u hierover alvast de uitgangspunten lezen. Het duolegaat verliest hierdoor alle financieel nut in hoofde van het goede doel.

Maar, hierdoor zien deze goede doelen mogelijk een aanzienlijk deel van hun fondsen verloren gaan. De Vlaamse regering laat dit niet zonder meer gebeuren en voorziet daarom in een aantal compensaties.

Verlaging schenk- en erfbelasting voor goede doelen

Zo is het nu ...

Schenkingen of legaten en de bijhorende schenk- en erfbelasting, zijn al jaren een hot item. Ze horen bij een vermogensplanning, zoals een kip bij een ei hoort.

Momenteel bestaat er een verlaagd tarief van 5,5% voor schenkingen aan vzw’s, ivzw's, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut. Als de schenker of de inbrenger echter zelf een vzw of een stichting is, dan geldt er een forfaitair tarief van 100 euro aan registratiebelasting.

Maar ook als u wenst te werken met een legaat, zijn er gunstige tarieven. U kan in uw testament namelijk een legaat opnemen aan vzw’s (zoals een vzw met een liefdadig doel), overheden en hun openbare instellingen, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ziekenfondsen, beroepsverenigingen, private stichtingen of stichtingen van openbaar nut. Op deze legaten is dan een verlaagd tarief van 8,5% erfbelasting van toepassing, ongeacht de waarde van het legaat. Merk op dat men in alle andere gevallen wél rekening houdt met de waarde van het legaat. Daarop worden dan de gekende tarieven van 3%, 9% en 27% losgelaten.

Dit verlaagde tarief is ook van toepassing op legaten aan vzw's, overheden, enz. .. die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte (EER), én die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen deze Europese Economische Ruimte hebben.

Dit komt er aan...

Het is de bedoeling om voornoemde bijzondere tarieven in de schenk- en erfbelasting voor goede doelen te verlagen naar 0%. Deze tariefverlaging komt er vanuit altru√Įstisch oogpunt.

Wanneer iemand een schenking of legaat overmaakt aan een goed doel, heeft die daar vaak een emotionele connectie mee. Door hier nu een 0%-tarief aan te koppelen, kunnen vzw’s, overheden en hun openbare instellingen, openbare centra voor maatschappelijk welzijn en stichtingen van openbaar nut een financieel duwtje in de rug krijgen.  Bovendien probeert men hierdoor het "verlies" aan inkomsten via het duolegaat te compenseren. Bemerk dat niet iedereen in aanmerking komt voor dit 0%-tarief.

De Vlaamse Regering maakt namelijk wel een merkwaardige afweging. Het 0%-tarief zal niet van toepassing zijn voor legaten en schenkingen aan private stichtingen. De reden hiervoor is te vinden in het feit dat het niet gereglementeerd is welke private doelen in aanmerking komen voor een private stichting en welke niet. Om erover te waken dat het 0%-tarief niet "misbruikt" wordt, is er dus voor gekozen om legaten aan private stichtingen blijvend te onderwerpen aan het huidige tarief van 8,5%. Andere uitsluitingen van het 0%-tarief zijn er voor ziekenfondsen, landsbonden van ziekenfondsen en beroepsverenigingen.

De nieuwe regeling inzake schenk- en erfbelasting, met bijhorend nieuw tarief zal gelden vanaf 1 juli 2021.

Vriendenerfenis

Een tweede compensatie voor de afschaffing van de fiscale voordelen van het duolegaat, bevindt zich in de zogenaamde vriendenerfenis. De Vlaamse Regering wil het mogelijk maken om een deel van uw erfenis testamentair na te laten aan uw "beste vriend".

Op dit legaat zou dan het laagste tarief van 3% van toepassing zijn, in plaats van het oorspronkelijke tarief van 25%. Uw beste vriend komt nu eigenlijk op gelijke hoogte te staan met erfgenamen van de eerste graad (echtgenoten en afstammelingen in rechte lijn).

De tariefverlaging komt er wel maar voor een beperkt bedrag van ten hoogste 15.000 euro. Het maximum nettovoordeel zou dus 3.300 euro bedragen (met name het verschil tussen 15.000 euro aan 25% en 15.000 euro aan 3%).

De inwerkingtreding van de regels inzake vriendenerfenis is momenteel eveneens voorzien op 1 juli 2021.

Sluiting kaasroute en verdachte periode

De kaasroute wordt eerstdaags gesloten. De verdachte periode voor niet in Belgi√ę geregistreerde schenkingen van roerende goederen wordt uitgebreid van 3 naar 4 jaar voor het overlijden van de schenker. Dit wil zeggen dat, indien u toch een dergelijke schenking hebt uitgevoerd en u komt te overlijden binnen deze periode, de geschonken goederen geacht worden zich alsnog in uw nalatenschap te bevinden. U kan er hier alles rustig over nalezen.

Over het tijdstip van inwerkingtreding zijn al veel woorden geschreven, maar het is nu wel duidelijk: de deur naar het buitenland sluit op 1 december 2020. Dat blijkt ook nog uit de op 18 november 2020 aangenomen tekst door de Commissie voor Financi√ęn en begroting. Rest nu enkel nog de finale goedkeuring, en klaar is Kees...

Voor andere niet-geregistreerde schenkingen van roerende goederen, zoals de bank- of handgift, én kosteloze beschikkingen via levensverzekeringen geldt eveneens de verlengde verdachte periode van 4 jaar. Het verschil met de kaasroute is de inwerkingtreding. De verdachte periode van 4 jaar geldt voor schenkingen die plaatsvinden vanaf 1 juli 2020. M.a.w. voor schenkingen van voor deze datum blijft de oude verdachte periode van 3 jaar gelden.

Conclusie

U merkt het, de Vlaamse Regering lijkt enerzijds te slaan, maar anderzijds zalft ze ook. Okay, er is het 0%-tarief voor zuivere goede doelen. Ja, er is de vriendenerfenis. Maar in de praktijk zullen toch vooral de verlenging van de verdachte periode naar 4 jaar, de afschaffing van de kaasroute en het verdwijnen van het fiscaal voordeel van het duolegaat blijven nazinderen. Voor zij die een duolegaat hebben opgenomen in hun testament dringt een testamentaire aanpassing zich alleszins op.

Contacteer aternio legal indien u samen met ons uw vermogensplanning wenst te optimaliseren.


verplichtingen

UBO-register, verplichtingen zijn een 'never-ending story'

Er is al heel wat geschreven over het UBO-register. Van de verplichte UBO-registratie over inhoudelijke regels tot de verhouding vruchtgebruiker-blote eigenaar. Voor zij die het horen donderen in Keulen: het is een register waarin een Belgische entiteit (oa. vennootschap, vzw, stichting) haar uiteindelijke begunstigde personen moet opnemen. Dit zijn de natuurlijke personen die uiteindelijk meer dan 25% van de stemrechten of aandelen in handen hebben. Entiteiten die hun UBO-register nog niet in orde hadden gebracht kregen onlangs aanmaningsbrieven.

Met het Koninklijk Besluit van 23 september 2020 stelt de overheid nu bijkomende voorwaarden aan de inschrijving in het UBO-register. Bijkomende verplichtingen waarvan we toch het nut in vraag durven stellen. Ondernemen in Belgi√ę is pompen of verzuipen en dit onder een niet aflatende stroom van administratieve verplichtingen.

Tussenliggende entiteiten in UBO

Personen houden niet altijd rechtstreeks de aandelen aan van hun werkvennootschap. Vaak werkt men met een structuur, waarbij de uiteindelijke aandeelhouders gebruik maken van een holdingvennootschap. Op deze manier kan men een hele cascade van tussenliggende aandeelhouder-entiteiten cre√ęren.

Het KB vermeldt nu uitdrukkelijk dat al deze tussenliggende entiteiten zich moeten registreren in het UBO-register. Het is niet langer voldoende dat een Belgische entiteit haar uiteindelijke begunstigde aanduidt met een gewogen percentage.

Heel erg vernieuwend is dit niet, de handleiding die bij het UBO-register hoort stelde al dat de registratie zo diende te gebeuren. Voor entiteiten die de letter van de wet volgden betekent dit echter dat ze hun registratie moeten herzien en bijwerken.

Verplicht uploaden stavingsstukken

Het KB voert bovendien een nieuwe verplichting in die voor heel wat extra werk zal zorgen voor entiteiten. Entiteiten moeten de informatie die ze in het register plaatsen staven met de nodige documenten. Deze documenten moeten bewijzen dat de informatie adequaat, nauwkeuring en actueel (!) is. Het KB verduidelijkt niet welke documenten juist gebruikt moeten worden. Betekent dit dat men steeds een uittreksel uit het (elektronisch) aandelenregister moet opladen, of zijn andere documenten ook voldoende? Een alternatief zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat het bestuur van de vennootschap de inschrijving in het aandelenregister bewijst aan de hand van een certificaat.

De vraag kan hier zeker gesteld worden welke meerwaarde deze nieuwe verplichting biedt. De informatie in het register moet juist zijn. Indien de entiteit verkeerde informatie heeft opgenomen in het UBO-register is de entiteit hiervoor verantwoordelijk en aansprakelijk. De bijkomende documentatieplicht lijkt louter een bijkomend middel voor de overheid om het UBO-register te controleren op fouten. En dus te penaliseren?

Beschikbare informatie bij raadplegen UBO-register

De toegang tot het register breidt het KB ook uit. De historiek van de wijzigingen aan het UBO register zal zichtbaar zijn wanneer een persoon informatie opvraagt over een entiteit. Het idee is dat een controle van de geschiedenis van de uiteindelijke begunstigden van de entiteit zo mogelijk is. De identiteit van de persoon die het UBO-register heeft aangevuld is echter zichtbaar bij de informatie over de historiek. Deze persoon kan een bestuurder zijn van de entiteit, maar ook een externe volmachthouder. Weet dus dat de persoonsgegevens van de persoon die het UBO-register bijwerkt voor de entiteit zichtbaar zullen zijn.

Bovendien kan elk lid van de bevolking (elke burger dus) nu de (dagelijks)bestuurder, oprichters en andere gevolmachtigde vertegenwoordigers van een stichting of vzw raadplegen. De persoon die het UBO-register raadpleegt moet hiervoor geen legitiem belang aantonen. Hoewel hierover stemmen opgaan dat dit een inbreuk kan uitmaken op het recht op privéleven van de personen geregistreerd in het UBO-register. Echter is de informatie over deze personen reeds vrij openbaar beschikbaar in de publicaties in het Belgisch Staatsblad en de KBO.

Trusts, een fiducie of een soortgelijke juridische constructie

Een trust, een fiducie of een soortgelijke juridische constructie moet zich eveneens registreren in het UBO-register. Hiervoor vereist het register echter dat zij ingeschreven zijn in de KBO, omdat het register het ondernemingsnummer nodig heeft. Op heden werden zij echter nog niet in de KBO geregistreerd waardoor het KB deze verplichting nu ook voor deze constructies invoert. Af te vragen blijft wel hoe dit afgedwongen zal worden ten opzichte van een buitenlandse trust, fiducie of soortgelijke juridische constructie.

Inwerkingtreding en gedoogbeleid

Het nieuwe KB en haar verplichtingen trad in werking 10 dagen na haar publicatie: dus op 11 oktober 2020. Het moet niet verbazen dat bijna geen enkele inschrijvingsplichtige entiteit zich reeds heeft aangepast aan de nieuwe vereisten. Het voorzien van de verantwoordingsstukken in het UBO-register brengt het nodige bijkomende werk met zich mee. Zeker voor entiteiten die de tussenliggende entiteiten nog moeten registeren. Het is te hopen dat de FOD Financi√ęn opnieuw zal voorzien in een gedoogbeleid.