Nieuw verbintenissenrecht: wilsgebreken

Het goedgekeurde wetsvoorstel houdende hervorming van het verbintenissenrecht bevestigt de bestaande wilsgebreken in artikel 5.33 e.v. Burgerlijk Wetboek. Daarnaast doet ook een 'nieuw' wilsgebrek zijn intrede, m.n. "misbruik van omstandigheden". In navolging van onze eerdere blogartikels zetten wij nu ook even de algemene wilsgebreken voor u op een rijtje.

Algemeen

Een wilsgebrek is erop gericht om de toestemming van een contractspartij te beschermen. Een contractspartij kan slechts op geldige wijze akkoord gaan voor zover zij haar wil vrij en bewust kan uiten.

Uitgangspunt is dat een wilsgebrek betrekking moet hebben op een element dat doorslaggevend is voor de contractsluiting. Zo de overeenkomst op doorslaggevende wijze is aangetast door een wilsgebrek speelt de sanctie van relatieve nietigheid. Het is dus enkel de beschermde partij (van wie de vrije en bewuste wil verstoord is) die de nietigheid van de overeenkomst kan inroepen. Let wel, dit is geen verplichting. De beschermde partij kan er perfect voor opteren om de nietigheid niet in te roepen en de overeenkomst aldus te bevestigen.

Zo het wilsgebrek geen betrekking heeft op een doorslaggevend element, speelt de nietigheidssanctie niet. In dat geval kan er echter wel sprake zijn van precontractuele aansprakelijkheid of van een contractsaanpassing (zie infra). Bovendien wordt ook bevestigd dat een vernietigend wilsgebrek evenzeer een buitencontractuele fout kan uitmaken. De combinatie van de contractuele vordering tot vernieitiging van een overeenkomst met buitencontractuele vordering tot schadevergoeding is mogelijk. Tenslotte kan voortaan - weliswaar onder strikte voorwaarden - ook bedrog of misbruik van omstandigheden door een derde een wilsgebrek uitmaken.

Dwaling

Artikel 5.34 e.v. Burgerlijk Wetboek bevat de bevestiging van de reeds eerder via rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde voorwaarden. Niet elke dwaling kwalificeert namelijk als een wilsgebrek. Daarvoor moet er gedwaald zijn over een element doorslaggevend voor de contractsluiting (supra). Het doorslaggevend karakter moet kenbaar zijn voor de medecontractant en de dwaling moet verschoonbaar zijn.

Verschoonbaarheid vereist dat een voorzichtiging en redelijk persoon in gelijkaardige omstandigheden ook zou hebben gedwaald. De beoordeling hiervan rust op een afweging tussen de informatieplicht van de ene partij en de onderzoeksplicht van de andere partij. Zo zal het verstrekken van foute informatie aan een leek, deze leek doorgaans ontslaan van zijn onderzoeksplicht.

Niet alleen dwaling over een contractueel element maar ook rechtsdwaling en dwaling over de persoon zijn mogelijk. Dwaling over de waarde of de prijs van een voorwerp is echter uitgesloten als wilsgebrek.

Bedrog

Een meer specifieke vorm van dwaling is het wilsgebrek bedrog. Voorwaarde voor bedrog is nog steeds het opzettelijk gebruik van kunstgrepen door de medecontractant. Het bedrog moet evenzeer doorslaggevend zijn geweest voor de contractssluiting. Enkel zogenaamd hoofdbedrog leidt tot nietigheid. Indien het bedrog tot gevolg heeft dat men tegen andere voorwaarden had gecontracteerd, dan is er sprake van een louter incidenteel bedrog. Incidenteel bedrog leidt niet tot nietigheid maar kan wel aanleiding geven tot schadevergoeding.

Ook Cassatierechtspraak inzake de aard van de kunstgreep werd bevestigd. Zowel het opzettelijk verstrekken van verkeerde informatie als het opzettelijk achterhouden of onvolledig verstrekken van informatie kan bedrog uitmaken mits de medecontractant tot het verstrekken van informatie  gehouden is én hij de informatie kent.

Tenslotte bevestigt artikel 5.35 Burgerlijk Wetboek dat het bedrog als specifieke dwaling niet aan de verschoonbaarheidsvereiste is onderworpen. 'Fraus omnia corrumpit' blijft overeind en kwade trouw wordt niet vermoed.

Geweld

Artikel 5.36 Burgerlijk Wetboek groepeert het wilsgebrek 'geweld' in al haar vormen. Geweld kan bestaan uit een fysieke of morele dwang en kan worden uitgeoefend tegen de contractspartij maar ook tegen haar naasten.

De voorwaarden voor toepassing van dit wilsgebrek blijven behouden:

  • er ontstaat een vrees voor een aanzienlijke aantasting die van die aard is dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden ook zou kunnen worden be√Įnvloed;
  • het geweld is doorslaggevend voor de contractssluiting, ook hier kan een geval van 'incidenteel geweld' niet tot nietigheid maar enkel tot schadevergoeding leiden;
  • het geweld is onrechtmatig, het uitoefenen van dwang door het aanwenden van rechtsmiddelen of het uitoefenen van een normaal gezag als ouder is niet onrechtmatig.

Zoals vermeld kan ook het vernieitigend gebrek 'geweld' uitgaan van een derde.

Misbruik van omstandigheden

Onder de benaming ‚Äúgekwalificeerde benadeling‚ÄĚ vond dit wilsgebrek reeds in de rechtspraak en de rechtsleer ingang. Volledig nieuw is het dus niet. Het gaat hier om situaties waarbij een contract manifest onevenwichtig is door het misbruik van de superieure positie van de ene contractspartij tegenover de andere. Dikwijls bleken dergelijke vorderingen onsuccesvol omwille van een gebrek aan bewijs van deze elementen. Onder invloed van Cassatierechtspraak zijn de toepassingsvoorwaarden nu wettelijk verankerd:

  • een kennelijk onevenwicht tussen de bedongen prestaties;
  • concrete omstandigheden van inferioriteit waardoor de andere contractspartij zich een voordeel heeft kunnen toe-eigenen;
  • een oorzakelijk verband tussen het misbruik en het kennelijk onevenwicht.

Wat betreft de sanctie speelt ook de relatieve nietigheid. Weliswaar met dien verstande dat indien het misbruik niet doorslaggevend was voor de contractssluiting de rechter ook tot aanpassing van de onevenwichtige prestatie kan besluiten als vorm van herstel. Eenzelfde mogelijkheid komt overigens terug onder de in het Burgerlijk Wetboek ingeschreven imprevisieleer. Ook hier kan een evenwicht worden hersteld door aanpassing van de prestatie met als verschil dat het onevenwicht slechts na contractsluiting is ontstaan.

Benadeling en veinzing

Tenslotte bevestigt de wetgever dan een eenvoudige benadeling in principe geen nietigheidsgrond vormt. Het bestaan van een onevenwicht tussen de prestaties van partijen is namelijk geen algemeen wilsgebrek.

Ook veinzing is geen wilsgebrek as such. In het geval van veinzing sluiten partijen een contract samen met een verborgen contract dat het eerste contract wijzigt of teniet doet. Het verborgen contract is wel degelijk geldig tussen partijen. Derden te goeder trouwe kunnen daarentegen kiezen tussen het veruitwendigde dan wel het verborgen contract.

 

Twijfelt u aan de rechtsgeldigheid van een overeenkomst? Heeft u iets ondertekend waarop u gezien de omstandigheden wenst terug te komen? Contacteer ons.


Nieuw verbintenissenrecht: overdracht van schuld en van contract wettelijk verankerd

In ons eerder blogartikel berichtten wij u reeds over het goedgekeurde wetsvoorstel houdende het nieuwe verbintenissenrecht. Zoals aangekondigd, zullen wij de komende tijd de voornaamste nieuwigheden voor u belichten. We gaan hierbij van start met de wettelijke regeling inzake overdracht van verbintenissen. Naast de overdracht van schuldvordering vinden nu ook de overdracht van schuld en van contract hun plaats in het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

1. Overdracht van schuldvordering

De wettelijke grondslag van de overdracht van schuldvordering is terug te vinden in artikel 5:174 e.v. Burgerlijk Wetboek. Algemeen uitgangspunt is dat schuldvorderingen steeds vatbaar zijn voor overdracht. Zij zijn deel van het vermogen van de schuldeiser. Niet-overdraagbaarheid vloeit voort uit de wet, de aard of uit contractuele afspraken.

Belangrijk te noteren is dat een contractuele onoverdraagbaarheid niet zondermeer tegenwerpelijk is aan derden. Enkel wanneer de derde-overnemer kennis had van de clausule kan hij op basis van derde-medeplichtigheid aan contractsbreuk worden aangesproken.

De overdracht blijft in se vormvrij. Voor de tegenwerpelijkheid aan de schuldenaar moet laatstvermelde op de hoogte zijn van het feit van de overdracht zelf (en dus niet van de overdrachtsakte). De overdracht heeft geen invloed op de excepties die de schuldenaar kan inroepen. Betaling voor kennisgeving werkt nog steeds bevrijdend.

Tevens wordt benadrukt dat de regels inzake overdracht niet enkel voor schuldvorderingen maar ook voor overdrachten van andere onlichamelijke goederen gelden. Een aparte bepaling regelt ook de gedeeltelijke overdrachten en de overdrachten van toekomstige schuldvorderingen.

2. Overdracht van schuld

Een nieuwigheid is de invoering van artikel 5:187 e.v. Burgerlijk Wetboek dat voortaan ook de overdracht van een schuld regelt. Deze figuur werd steeds met enige argwaan bekeken aangezien:

  1. de schuldoverdracht de schuldeiser opzadelt met een potentieel minder solvabele schuldenaar; en
  2. de schuldvordering die uit de schuld voortvloeit aan de schuldenaar toebehoort en in principe enkel hij erover kan beschikken.

Logisch gevolg: de schuld kan enkel met toestemming van de schuldeiser aan een derde worden overgedragen. Hierdoor ontstaat als het ware een driepartijenovereenkomst die de oorspronkelijke schuldenaar bevrijdt. Deze bedrijving werkt in principe enkel voor de toekomst . Het is echter perfect mogelijk om andersluidende contractuele afspraken te maken en dus alsnog in een hoofdelijkheid of een terugwerkende overname te voorzien.

Een gebrek aan toestemming van de schuldeiser maakt de schuldoverdracht echter niet onmogelijk. In dat geval is er namelijk sprake van een onvolkomen schuldoverdracht. Deze resulteert sowieso in een hoofdelijke gehoudenheid van overdrager en overnemer.

Ook een interne schuldovername is mogelijk. Deze onderscheidt zich van de onvolkomen schuldoverdracht omdat de overnemer niet de bedoeling heeft zich tegenover de schuldeiser te verbinden. Dergelijke overname heeft bijgevolg uitsluitend interne werking.

3. Overdracht van contract

Volgens de parlementaire voorbereiding is het uitgangspunt van een contractsoverdracht de volgende:

"Een contractsoverdracht is meer dan een optelsom van schulden en schuldvorderingen, maar de onveranderde overgang van de
gehele contractuele verhouding. De overnemer treedt dus niet enkel in de rechten en verplichtingen, maar in alle contractuele bevoegdheden e.d.m."

Voordien kenden we dergelijke figuur uitsluitend uit bijzondere wetgeving inzake bv. de overdracht van huur of van arbeidsovereenkomsten. De algemene grondslag hiervoor vinden we vanaf nu in artikel 5:193 e.v. Burgerlijk Wetboek.

Ook hier bestaat een onderscheid tussen een onvolkomen en volkomen overdracht. In beginsel is de toestemming van de medecontractant niet vereist voor de contractsoverdracht. Deze toestemming is namelijk slechts noodzakelijk om de overdrager te bevrijden. Zonder toestemming blijft de overdracht onvolkomen. Een volkomen contractsoverdracht heeft daarentegen het verdwijnen van de overdrager uit de contractuele relatie tot gevolg. De voorafgaand aan de overdracht opeisbare schulden blijven in principe voor rekening van de overdrager. Ook hier is echter contractuele afwijking mogelijk.

Slot

De regels inzake overdracht van schuldvordering zijn in belangrijke mate bestendigd. De eerder toegepaste figuren van schuld- en contactsoverdracht hebben echter een wettelijke basis gekregen, hetgeen enkel maar kan bijdragen aan de rechtszekerheid. Deze overdrachten zijn in principe altijd mogelijk. Bij de overdracht van schuldvordering blijft kennisgeving vereist met het oog op tegenwerpelijkheid. Bij de schuld-en contractsoverdracht wordt de toestemming van alle betrokken partijen vereist met het oog op de bevrijding van de overdrager.

Contacteer ons gerust voor meer informatie over dit onderwerp.


Elektronisch betalen (eindelijk) de nieuwe standaard

In de strijd tegen fiscale fraude heeft de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers op 10 maart 2022 een zoveelste wet "houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding" goedgekeurd. E√©n van de gevolgen hiervan is dat ondernemingen verplicht zijn om aan consumenten de mogelijkheid te geven elektronisch te betalen. Het Wetboek¬†van economisch recht is in die zin aangepast. Vraag is in hoeverre elektronisch betalen op vandaag, mede door Covid en commerci√ęle druk, niet reeds de standaard is.

Voor wie?

Alle ondernemingen die op regelmatige wijze economische activiteiten uitvoeren gericht op consumenten moeten elektronisch betalen mogelijk maken. De verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden, geldt bijgevolg alleen in een b2c-relatie. M.a.w. voor betalingen verricht tussen ondernemingen (in een B2B-verhouding) bestaat de verplichting niet. Ondernemingen zijn zowel handelaars, vrije beroepers en verenigingen.

Ook overheden kwalificeren als onderneming in zoverre het economische activiteiten betreft die geen taken zijn van algemeen belang. Voor dergelijke activiteiten gericht op consumenten, denk maar aan het beheer van een zwembad, een bibliotheek
of een cultureel centrum, zijn ook overheden verplicht om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden.

Zoals gezegd ontsnappen verenigingen evenmin aan de verplichting, mits zij regelmatige economische handelingen stellen waardoor concurrentie ontstaat met andere ondernemingen. De nieuwe verplichting geldt niet voor éénmalige of occasionele activiteiten van verenigingen.

Elektronisch betaalmiddel

Een ‚Äúelektronisch betaalmiddel‚ÄĚ is elk betaalmiddel waarbij men geen gebruik¬†maakt van eurobiljetten en -munten. Het is alvast duidelijk dat dit¬†betalingen met een bankkaart betreft, uitgevoerd via¬†conventionele betaalterminal of smartphoneapplicaties (Applepay, Payconiq, ...), betalingen per bankoverschrijving of online betaalplatformen (Paypal, Mollie, ...).

Maaltijdcheques, ecocheques en consumptiecheques, maar ook cryptomunten en virtuele valuta worden evenwel niet als elektronische betaalmiddelen beschouwd.

Voor het overige mag de onderneming dus vrij kiezen welk elektronisch betaalmiddel zij aanbiedt. Het begrip “elektronisch
betaalmiddel‚ÄĚ kan zeer ruim worden opgevat, zolang de onderneming maar minstens √©√©n elektronische betaalvorm aanbiedt. Gezien de diverse technologische mogelijkheden op vlak van elektronische betaalmogelijkheden hoeven echt geen¬†buitensporige kosten te worden gemaakt. Keuze genoeg.

Cash betalen blijft vanzelfsprekend nog steeds mogelijk. Het is zelfs zo dat ondernemingen cash betalingen in euro niet mogen weigeren. Uiteraard moeten zij rekening houden met de verplichtingen inzake het beperkt gebruik van contanten overeenkomstig de antiwitwaswetgeving, in casu mag geen enkele betaling in cash worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro.

De onderneming mag ook geen rechtstreekse kosten aanrekenen aan de consumenten voor het gebruik van een elektronisch betaalmiddel.

Verplichting en sancties

Vanaf 1 juli 2022 zijn ondernemingen verplicht minstens één elektronisch betaalvorm aan te bieden.

Om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd, is voorzien in een sanctie. Het betreft een sanctie van niveau 2 die is opgelegd in het artikel XV.83 van het Wetboek van economisch recht. Dit impliceert een geldboete van 26 tot 10.000 euro, te vermenigvuldigen met 8 om de opdeciemen mee te verrekenen. De Economische Inspectie houdt een oog in het zeil.

Conclusie

Vanaf 1 juli 2022 geldt voor ondernemingen onverminderd de verplichting om minstens één elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen in een B2C-verhouding. Voor betalingen verricht tussen ondernemingen (B2B-verhouding) tot slot is er geen verplichting.

Argumenten contra het aanvaarden van elektronische betalingen zijn niet langer van tel. De voordelen daarentegen zijn dat wel: geen kasverschillen, geen problemen met wisselgeld en geen risico's op diefstal.

Bij vragen omtrent deze of andere economische of fiscale maatregelen kan aternio u adviseren.


Hervormingstrein raast verder: nieuw verbintenissenrecht goedgekeurd

Eind 2020 is de hervorming van het Burgerlijk Wetboek ingezet met de invoering van nieuwe bewijsregels. Een jaar later kreeg ook het goederenrecht een nieuw jasje. op 21 april 2022 heeft de Kamer ook haar goedkeuring aan het nieuwe verbintenissenrecht verleend. Het aangenomen wetsvoorstel bevat een aantal nieuwigheden die aternio in de komende weken graag voor u toelicht. Hierna volgen alvast een aantal aandachtspunten:

Ratio legis nieuw verbintenissenrecht

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het nieuwe verbintenissenrecht er voornamelijk op gericht is om een nieuw evenwicht te scheppen tussen de wilsautonomie van partijen en de beschermende rol van de rechter. De wettekst bevat namelijk een evolutie in beide richtingen: bepaalde zaken worden ontdaan van een rechterlijke bemoeienis terwijl m.b.t. andere zaken net sneller door de rechter zal kunnen worden ingegrepen.

Structuur

Het nieuwe boek 5 zal de volgende titels bevatten:

  1. Inleidende bepalingen: Hieronder wordt voortaan een definitie van een verbintenis alsook van een natuurlijke verbintenis ondergebracht. De juridische afdwingbaarheid geldt als voornaamste criterium van onderscheid.
  2. Bronnen van verbintenissen: Er zijn verbintenissen die voortvloeien uit al dan niet meerzijdige rechtshandelingen, oneigenlijke contracten, buitencontractuele aansprakelijkheid of uit de wet. Het voorgaande neemt echter niet weg dat verbintenissen ook door schijn kunnen ontstaan doch niet als algemene bron van verbintenissen maar voortvloeiend uit een aantal specifieke rechtsfiguren (bv. verbod rechtsmisbruik, schijnvertegenwoordiging, onverschuldigde betaling aan een schijnschuldeiser)
  3. Algemeen regime van de verbintenis: Deze titel vormt in se de kern van het nieuwe recht en omvat alle bepalingen die betrekking hebben op het leven van een verbintenis. Het ontstaan, de gevolgen van schending, de overdracht en het tenietgaan ervan.

Inwerkingtreding en toepassing nieuw verbintenissenrecht

Het nieuwe verbintenissenrecht zal van toepassing zijn vanaf de eerste dag van de zesde maand na bekendmaking van de wet. Vermoedelijk zal elke contractspartij zich dus vanaf begin 2023 naar de nieuwe bepalingen moeten schikken.

Vanaf dan worden de nieuwe bepalingen in principe van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die erna hebben plaatsgevonden. Eenvoudig gesteld zal een overeenkomst die na inwerkingtreding werd gesloten evident aan de nieuwe bepalingen onderworpen zijn.

Dit neemt echter niet weg dat de nieuwe bepalingen desgewenst ook van toepassing kunnen zijn op:

  • toekomstige gevolgen die plaatsvinden na inwerkingtreding van overeenkomsten gesloten voor inwerkingtreding;
  • rechtshandelingen en -feiten die plaatsvinden na inwerkingtreding m.b.t. overeenkomsten ontstaan uit rechtshandelingen en -feiten die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding.

Het staat partijen namelijk vrij om hun verbintenisrechtelijke relatie reeds vroeger aan het nieuwe verbintenissenrecht te onderwerpen. Als het ware kan men nu ook in contractuele context voor een 'opt-in' kiezen.

Slot

Het hoeft geen betoog dat deze nieuwe hervorming belangrijke implicaties kan hebben op lopende onderhandelingen met het oog op een nieuwe overeenkomst. Ook is het niet onverstandig de opportuniteit van een vroegtijdige onderwerping aan het nieuwe verbintenissenrecht onder de loep te nemen. Misschien is het evenzeer wenselijk om bepaalde overeenkomsten te gaan heronderhandelen of minstens de algemene voorwaarden bij te werken.

aternio houdt u in ieder geval verder op de hoogte. Wij zijn zoals steeds beschikbaar om u bij te staan in deze nieuwe uitdagingen.


Energetische renovatieplicht bij verwerving bedrijfsgebouw

Met ingang vanaf 1 januari 2022 geldt er een energetische renovatieplicht bij de verwerving van een niet-residentieel gebouw. Dit is een gevolg van het Energiebesluit en de Omzendbrief OMG/VEKA 2021/1, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 februari 2022. De verplichting is het resultaat van een besluit dat de Vlaamse Regering op 9 juli 2021 nam. In wat volgt nemen we u graag mee doorheen de nieuwe regels, met hun bijhorende uitzonderingen.

Wat zijn niet-residenti√ęle gebouwen?

Tijdstip van ondertekening is doorslaggevend

Om deze vraag te beantwoorden, moeten we de feitelijke toestand van het pand in beschouwing nemen. Daarbij is het moment van ondertekening van de authentieke akte van doorslaggevende aard. De bestemming/het gebruik van het pand op dat moment, is bepalend. Wat u later zelf met het pand gaat doen, is daarbij irrelevant.

Kleine randbemerking bij het voorgaande. De energetische renovatieplicht geldt namelijk niet alleen wanneer u een "volledig gebouw" in de totaliteit verwerft. Nee, de regeling is ook van toepassing wanneer u "slechts" eigenaar wordt van een gedeelte van een gebouw. Uiteraard moeten de regels dan enkel toegepast worden op het door u verworven deel, niet op het volledige gebouw. Dat spreekt voor zich.

Typevoorbeelden van niet-residenti√ęle gebouwen zijn: kantoren, handelszaken, scholen, horecazaken, zorginstellingen, ...

Uitzonderingen

Voor sommige gebouwen geldt echter een uitzondering: zij zullen niet vallen onder de nieuwe regelgeving. Het gaat daarbij om:
- industri√ęle gebouwen bestemd voor productie en opslag of bewerking van goederen;
- kleine alleenstaande gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50m²;
- boerderijen;
- kerken; en
- gebouwen die minder dan 2 jaar gebruikt zullen worden.

Grootste gemene deler

Voor gebouwen waarin meerdere bestemmingen gehuisvest worden, zal men kijken naar de kwalificatie van het grootst bruikbaar vloeroppervlak. Indien het niet-residenti√ęle deel het grootste deel inneemt, zal het gebouw als niet-residentieel bestempeld worden. Ingeval van combinatie met industrie, dan dient het niet-residenti√ęle deel minstens 30% te bedragen. Indien het gebouw voor 70% of meer uit industri√ęle toepassingen bestaat, zal het de kwalificatie van een industrieel gebouw verkrijgen en dus buiten de toepassing van de energetische renovatiemaatregelen vallen. Indien er geen grootste bruikbare vloeroppervlakte bepaald kan worden, is de hoofdbestemming per definitie niet-residentieel.

Toepassingsgebied van de energetische renovatieplicht

Bij een eigendomsoverdracht van een niet-residenti√ęle gebouw en/of eenheid vanaf 1 januari 2022, moet men binnen de 5 jaar voldoen aan de nieuwe energetische renovatieplicht.
Het gaat om renovatiemaatregelen, waarbij men volgende zaken zeker dient aan te pakken:
- dakisolatie;
- beglazing;
- opwekkers voor ruimteverwarming; en
- koelinstallaties.

De regelgeving stelt ook duidelijk wat het minimale maatregelenpakket van de energetische renovatie juist inhoud. Deze techniciteiten blijven verder buiten het bestek van deze bijdrage.

Welke overdrachten vallen onder de verplichting?

Tijdstip van ondertekening is opnieuw doorslaggevend

De nieuwe energetische renovatieplicht begint te lopen vanaf het moment van het verlijden van de authentieke akte houdende overdracht van het bedrijfsgebouw. Er zijn echter verschillende mogelijkheden waarop men een gebouw kan overdragen.

Het hoeft geen betoog dat een overdracht van de volle eigendom van dergelijk gebouw, de energetische renovatieplicht toepasselijk maakt. Maar zij zal ook van toepassing zijn bij de overdracht of vestiging van een recht van opstal of een erfpacht.

Uitzondering

Maar ook op deze regel zijn een aantal uitzonderingen. Zo zal men de energetische renovatieplicht niet triggeren indien men een bestaand recht van opstal of erfpacht, tussen dezelfde partijen, verlengt. Ook indien de eigendomsoverdracht het gevolg is van een fusie of een opslorping, gelden de voornoemde regels evenmin. In dat geval neemt de nieuwe rechtspersoon namelijk de rechten en plichten over van de oude. Daardoor kwalificeren zij niet als overdrachten, zoals bedoeld in het kader van de regels inzake renovatieverplichting. Last but not least geldt de energetische renovatieplicht, overduidelijk, niet indien men het betreffende gebouw binnen de 5 jaar na de aankoop zal slopen.

Strafsancties bij niet-naleven van de verplichting

Indien de koper de energetische renovatieplicht naast zich neerlegt, riskeert deze een administratieve geldboete die kan oplopen van 500 euro tot 200.000 euro. Bovendien geldt dat de boete niet bevrijdend is. Mocht u denken: ik betaal wel de boete en daarmee is de kous af. Nee hoor: na de boete zal u een nieuwe termijn opgelegd krijgen, om alsnog te voldoen aan de energetische renovatieplicht. Loontje komt om zijn boontje?

Conclusie

Het uitvoeren van de energetische renovatieplicht is iets wat u goed moet bekijken. U haalt er best voorafgaandelijk al een aantal experts bij, om de toestand van het pand voorafgaand te evalueren. Bovendien neemt u nog even de calculator bij de hand om enkele ramingen te maken, vooraleer u overgaat tot het plaatsen van uw handtekening. Op die manier komt u niet voor verrassingen, met bijhorende financi√ęle katertjes, te staan.

aternio staat u graag bij, bij mogelijke financi√ęle analyses die u overweegt voorafgaand aan de aankoop.


Cassatie over de bestuurder als onderneming in faillissementszaken

Het Hof van Cassatie heeft op 18 maart 2022 een arrest geveld waarbij het een voorwaarde lijkt toe te voegen aan het ondernemingsbegrip. Op basis daarvan besluit zij dat de bestuurder van een gefailleerde vennootschap niet in faling kan worden verklaard. Hiermee gaat het Hof verder dan wat wettelijk voorzien is.

Het ondernemingsbegrip in het faillissementsrecht

Overeenkomstig artikel XX.22, 7¬į¬†juncto¬†artikel I.1, 1¬į Wetboek Economisch Recht kwalificeert als onderneming:

  1. iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  2. iedere rechtspersoon;
  3. en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.

De wetgever voorziet ook in een aantal uitzonderingen m.n. publiekrechtelijke rechtspersonen, de overheid zelf, en verenigingen zonder uitkeringsoogmerk.

Toepassing in faillissementsrecht

Een bezoldigde natuurlijke persoon-bestuurder van een vennootschap kwalificeert in principe dus als uitoefener van een zelfstandige beroepsactiviteit. Om die reden zal deze bestuurder als onderneming worden beschouwd en dus ook in faling kunnen worden verklaard.

Het is namelijk zo dat een schuldenaar die bij voortduur heeft opgehouden te betalen en wiens krediet ondermijnd is, in staat van faillissement verkeert. Voormelde schuldenaar dient steeds een onderneming te zijn. Hierin schuilt dus meteen het belang van de invulling van het ondernemingsbegrip.

Toepassing ingevolge Cassatierechtspraak

In haar arrest lijkt het Hof echter een extra voorwaarde aan het ondernemingsgebrip toe te voegen. Het Hof overweegt namelijk dat een natuurlijke persoon slechts een onderneming is:¬†"Wanneer hij een organisatie vormt die bestaat uit een geheel van materi√ęle, financi√ęle of menselijke middelen met het oog op de zelfstandige uitoefening van de beroepsactiviteit."

Hiermee stelt het Hof dat een bestuurder die geen eigen organisatie vormt in se geen onderneming is en dus niet vatbaar voor faillietverklaring.¬†Hoe dit geheel van materi√ęle, financi√ęle of menselijke middelen moet worden beoordeeld, blijft echter een raadsel.

Vergelijking met andere domeinen

Middels dit arrest wordt als het ware een extra invulling aan de wettekst toegevoegd, die echter geen weerslag lijkt te vinden in andere domeinen.

Op het vlak van de inschrijvingsplicht in de KBO en de boekhoudkundige verplichtingen van ondernemingen, heeft de wetgever bestuurders expliciet uitgesloten. Andere ondernemingen zijn wel aan deze verplichtingen onderworpen. Ipse facto zijn bestuurders dus ook ondernemingen die echter van een uitzondering kunnen genieten.

Ook de Raad van State heeft steeds geoordeeld dat een bestuurder een onderneming is. Dit gezien hij zijn mandaat beroepsmatig uitoefent en niet in ondergeschikt verband.

Een bestuurder zal tenslotte ook in het sociale zekerheidsrecht steeds aan een vermoeden van toepassing van het sociaal statuut van zelfstandige onderworpen zijn.

Conclusie

Het hoeft geen betoog dat een bestuurder geconfronteerd met een faillissementsvordering zich op dit arrest zal beroepen. Het louter aanhalen geen onderneming te zijn, kan verder ook gevolgen hebben voor wat betreft de materi√ęle bevoegdheid van de rechtbanken. Dat deze cassatierechtspraak ook wetswijzigingen op andere domeinen teweeg zal brengen, is momenteel niet aan de orde.

Bij aternio volgen wij dit in ieder geval verder op de voet.


Fiscaal regime voor expats in wetgevend jasje

Al sinds 1983 kent Belgi√ę een fiscaal aantrekkelijk regime voor expats. Dit regime was echter louter gebaseerd op een administratieve circulaire. Voortaan is er nu ook een wettelijke basis in de Programmawet van 27 december 2021.

Het nieuwe regime voor expats bestaat uit 2 delen: namelijk het 'Bijzonder Belastingstel voor Ingekomen Belastingplichtigen (BBIB) en het 'Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Onderzoekers' (BBIO). De nieuwe fiscale regeling treedt in werking met ingang vanaf 1 januari 2022.

De bedoeling is nog steeds om Belgi√ę fiscaal aantrekkelijk te maken voor buitenlandse high potentials. Het wettelijk kader moet daarom extra rechtszekerheid bieden. De wettelijke verankering biedt alvast heel wat voordelen en verbeteringen. Echter, omwille van budgettaire redenen, zijn er ook beperkingen.

Expat voorwaarden

Zoals gezegd zal de nieuwe regeling van toepassing zijn voor 'ingekomen belastingplichtigen' en 'ingekomen onderzoekers'. Ingekomen belastingplichtigen kunnen zowel werknemers als bedrijfsleiders zijn. Ingekomen onderzoekers kunnen enkel werknemers zijn.

Een ingekomen belastingplichtige moet bovendien rechtstreeks aangeworven zijn in het buitenland en tewerkgesteld zijn binnen een multinationale groep of vzw. Ook een onderzoeker dient rechtstreeks aangeworven te zijn in het buitenland. Maar voor een onderzoeker hoeft de Belgische werkgever geen deel uit te maken van een multinationale groep.

Verder mag de expat 5 jaar voorafgaand aan de indiensttreding in Belgi√ę:
-geen rijksinwoner zijn geweest van Belgi√ę;
-niet gewoond hebben binnen een afstand van 150km van de Belgische grens (grensarbeiders vallen dus voortaan uit de boot);
-niet onderworpen zijn geweest aan de Belgische belasting niet-inwoners voor wat betreft zijn beroepsinkomsten.

Tot slot dienen ingekomen belastingplichtigen per jaar een minimum brutobezoldiging (dus voor aftrek sociale zekerheidsbijdragen) van 75.000,00 euro te hebben. Deze vereiste geldt niet voor onderzoekers. Onderzoekers dienen wel een specifiek wetenschappelijk masterdiploma te kunnen voorleggen, oftewel het equivalent van 10 jaar beroepservaring.

30%-regel

Het interessante aan het expat-egime is het feit dat heel wat kosten aangaande de tewerkstelling in Belgi√ę beschouwd worden als 'kosten eigen aan de werkgever'. Deze kosten kunnen dus belastingvrij worden terugbetaald.

Een percentage van 30% van de brutobezoldiging wordt beschouwd als kosten eigen aan de werkgever. Deze forfaitaire onkostenvergoeding bedraagt maximaal 90.000 euro per jaar. De onkostenvergoeding moet bovendien contractueel vastgelegd worden.

Daarnaast worden nog enkele uitzonderlijke kosten aanvaard, namelijk:
- verhuiskosten naar Belgi√ę (=eenmalig);
- kosten voor de inrichting van de woning in Belgi√ę, binnen de eerste 6 maanden na aankomst, met een maximum van 1.500 euro;
- schoolkosten voor de leerplichtige kinderen¬† in Belgi√ę.

Duurtijd statuut

De nieuwe regeling heeft voortaan een beperkte duurtijd. Men kan van het nieuwe regime genieten gedurende een periode van 5 jaar. Deze periode kan men verlengen met 3 jaar na de indiening van een nieuwe aanvraag, mits alle voorwaarden zijn voldaan.

Procedure

Om van het fiscaal regime voor expats te kunnen genieten dient de werkgever een elektronische aanvraag in te dienen bij de fiscale administratie binnen de 3 maanden na aanvang van terwerkstelling in Belgi√ę. Bij deze aanvraag voegt de werkgever een attest waarbij de betreffende werknemer of bedrijfsleider zijn akkoord geeft.

De fiscale administratie dient vervolgens binnen de 3 maanden een beslissing te nemen.

Inwerkingtreding

Het nieuwe expat-regime is zoals gezegd van toepassing sinds 1 januari 2022. Expats kunnen opteren voor dit nieuwe regime indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

Zij die nog geen geldige aanvraag hebben ingediend, of niet voldoen aan alle voorwaarden, kunnen nog 2 jaar genieten van een overgangsregeling overeenkomstig de oude administratieve circulaire van 8 augustus 1983.

Nog vragen? Neem gerust contact met ons op.


Terugbetaling kosten: let op uw fiscale fiches

Vanaf het inkomstenjaar 2022 is er een bijkomende verplichting bij terugbetaling van kosten aan een bedrijfsleider of een werknemer. Voortaan moeten alle forfaitaire (vaste) en met bewijsstukken (variabele) terugbetaalde kosten effectief worden vermeld op de individuele fiscale fiche en de samenvattende opgave. Het negeren van deze verplichting leidt tot fiscale toorn in de vorm van administratieve boetes. Dit is helaas geen voorbeeld van de beloofde vermindering van de administratieve lasten.

Principe

Een kost die door een bedrijfsleider of werknemer is gedaan voor rekening van de vennootschap of werkgever is in hoofde van deze laatste een aftrekbare beroepskost. Voor de bedrijfsleider of werknemer daarentegen is de terugbetaling geen belastbaar inkomen.

De terugbetaling van 'kosten eigen aan de werkgever' kan forfaitair gebeuren dan wel op basis van bewijsstukken. Wanneer de forfaitaire kosten vastgesteld zijn volgens ernstige normen is er geen probleem. In tegenstelling tot de RSZ is er voor de directe belastingen geen onkostentabel met maximumbijdragen. Wil men fiscaal meer zekerheid dan kan men terecht bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen ('de rulingdienst').

De fiscale fiches 281.10 of 281.20 moeten verwijzen naar de terugbetaling van dergelijke kosten. Bij terugbetaling op basis van bewijsstukken, vermeldt de fiche ‚ÄúJa ‚Äď bewijsstukken‚ÄĚ. Bij terugbetaling door middel van een forfaitaire vergoeding op basis van ‚Äėernstige met elkaar overeenstemmende normen‚Äô, is de vermelding ‚ÄúJa ‚Äď ernstige normen‚ÄĚ.

Waar tot 2021 de fiches enkel een bedrag moesten vermelden bij forfaitaire kosten die niet beantwoorden aan ernstige normen, is dit voortaan de regel. Van alle terugbetaalde kosten moet het bedrag van de onkostenvergoeding opgenomen worden in het vak ‚Äúdiverse inlichtingen‚ÄĚ. Een ¬†eenvoudige ‚ÄėJa‚Äô volstaat niet meer. De afsluitdatum van het boekjaar van de vennootschap is van geen tel, het kalenderjaar is de basis.

Sanctie

Bij de forfaitaire vergoedingen heeft het niet-verantwoorden door individuele fiches de niet-aftrekbaarheid als beroepskost tot gevolg. Dit is niet het geval bij de terugbetalingen op basis van bewijsstukken. Het niet-respecteren van de ficheplicht kan in die gevallen wel bestraft worden met een administratieve boete. Die boete bedraagt 50 euro voor een eerste overtreding (met een maximum van 1.250 euro) en/of een belastingverhoging van minstens 10%.

Rompslomp

Met de nieuwe ruimere ficheverplichting wil men enerzijds beter controle uitoefenen op het eventueel dubbel gebruik van forfaitaire vergoedingen en terugbetalingen op basis van bewijsstukken en anderzijds de onterechte aftrek als beroepskost door de bedrijfsleider of werknemer vermijden. Dit alles heeft zoals gezegd een prijs: meer administratief werk.

In het bijzonder voor de  terugbetaalde kosten op basis van bewijsstukken betekent dit extra rompslomp. Dergelijke terugbetaling wordt meestal niet verwerkt via de loonadministratie maar rechtstreeks, na controle van de verantwoordingsstukken, in de boekhouding. Om het een en ander in goede banen te leiden is een uitgewerkte procedure aangewezen. Het is voortaan van belang dat de verantwoordelijke van de loonadministratie op de hoogte is van de daadwerkelijk terugbetaalde kosten.

Conclusie

Het is misschien kort door de bocht maar probeer terugbetaling van variabele kosten te vermijden. Bijvoorbeeld door met bank- of tankkaarten op naam van de onderneming te werken, cash-betalingen door de. bedrijfsleider (opgelet voor de lopende rekening!) te mijden of waar het kan met forfaitaire onkostenvergoedingen op basis van ernstige normen te werken. Is dit niet mogelijk of blijven er toch onvermijdbare werkelijke variabele kosten over, laat dan een maandelijkse onkostennota met verantwoordingsstukken opstellen. Het maakt het extra werk voor de loonadministratie alvast op dat vlak iets eenvoudiger.


Webinar organiseren: hoe zit dat met de btw?

Een cursus of opleiding organiseren en deze met fysieke aanwezigheden laten volgen? Het zit er in deze covid-tijden helaas niet vaak meer in. Daarom gaan ondernemingen op zoek naar allerlei creatieve oplossingen om hun cursus of opleiding online te laten plaatsvinden. Tijdens deze 'webinars' is het soms zelf mogelijk om het publiek interactief te laten deelnemen.

Het is daarom interessant om toch eens stil te staan bij de btw-kwalificatie van dergelijke opleidingen.

In deze bijdrage gaan we enkel in op webinars, georganiseerd door in Belgi√ę gevestigde ondernemingen. De btw-vrijstellingen voor universiteiten of scholen laten we hier even buiten beschouwing.

Intellectueel werk of dienst verricht langs elektronische weg

Voor de btw-kwalificatie maakt het dus wel degelijk een verschil of de deelnemers van de cursus actief kunnen deelnemen of niet.

Indien het een interactief webinar betreft, waarbij het publiek vragen kan stellen tijdens het webinar, beschouwt men dit als een "intellectueel werk" in de zin van art.18, ¬ß1, lid 2, 1¬į van het Wetboek btw (hierna: wbtw):

Daarentegen, indien de opleiding op voorhand werd opgenomen en het publiek op eender welk moment de sessie kan bekijken, spreekt men van een "langs elektronische weg verrichte dienst" in de zin van art. 18, ¬ß1, lid 2, 16¬į wbtw. Het menselijk contact tussen de cursist en de deelnemer is bij een elektronische dienst uiteraard erg beperkt.

Plaats van de dienst

Vervolgens is het belangrijk om de plaats van de dienst te bepalen.

Bij een intellectueel werk - hier het webinar - is de plaats van de dienst, de plaats waar de activiteit effectief verricht wordt. Dit is zowel het geval wanneer de deelnemers belastingplichtigen (b2b) of particulieren (b2c) zijn.

Voorbeelden

In het geval van een interactieve opleiding zal de plaats van de dienst het land zijn van de organisator van het webinar. Daar wordt immers het materi√ęle werk verricht. Wanneer een Belgische onderneming een interactief webinar organiseert zal de plaats van de dienst dus Belgi√ę zijn. Hij rekent 21% btw aan.

Gaat het daarentegen om een elektronische dienst - dus zonder actieve tussenkomst van de cursist - is de plaats van de dienst daar waar de ontvanger gevestigd is. Dit is zowel het geval wanneer de ontvanger een particulier (b2c) of een belastingplichtige (b2b) is. Wanneer bijvoorbeeld een Belgische onderneming een elektronische dienst aan een Spaanse particulier verricht zal hierop Spaanse btw van toepassing zijn.

Indien de ontvanger een belastingsplichtige is (B2B) uit Spanje, zal de dienst in Spanje plaatsvinden. De organisator van de elektronische dienst zal bijgevolg kunnen factureren met "btw verlegd". Dit betekent dat de deelnemer van het webinar de Spaanse btw zal moeten voldoen via zijn btw-aangifte.

Is de ontvanger van de elektronische dienst afkomst uit een derdeland (denk aan Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, ...), dan zal dit derdeland de plaats van de dienst zijn. De organisator rekent op zijn factuur geen btw aan maar hij vermeld: "plaats van de dienst buiten de EU".

Samengevat

Organiseert u een interactief webinar, dan is de plaats van deze dienst deze waar de activiteit effectief verricht wordt. Is het echter een webinar zonder enige tussenkomt van docent en deelnemer, dan zal er eerder sprake zijn van een langs elektronische weg verrichtte dienst. Voor de plaatsbepaling van de elektronische dienst is de plaats waar de ontvanger gevestigd is bepalend.


Geen aftrek van buitenlandse verliezen meer?

De aankondiging van de fisale hervorming in 2018 door regering Michel I, ligt al even achter ons, maar toch is het nuttig om bepaalde zaken nog even op te frissen.

Met ingang vanaf aanslagjaar 2021 ging immers de derde en laatste fase van deze belastinghervorming in. Eén van die maatregelen was de beperking van de aftrek van buitenlandse verliezen. Belgische vennootschappen met een buitenlandse vaste inrichting of vastgoed spitsen nu best even hun oren.

Wereldwijd inkomen

Een Belgische vennootschap is belastbaar op haar wereldwijd inkomen. Dit betekent dat ook de opbrengsten en kosten met betrekking tot een buitenlandse vaste inrichting of buitenlands onroerend goed tot het wereldwijd inkomen van de Belgische vennootschap zijn gerekend.

Maar vervolgens moeten we kijken naar de dubbelbelastingverdragen tussen Belgi√ę en het andere Verdragland (=waar de vaste inrichting of het onroerend goed gelegen is) gesloten zijn, om te bepalen waar men de inkomsten effectief gaat belasten.

In de meeste dubbelbelastingverdragen is de heffingsbevoegdheid voor winst van een buitenlandse vaste inrichting of onroerend goed toegekend aan het land waar de vaste inrichting of  onroerend goed gelegen is.

Het buitenlands inkomen zal dus wel moeten worden aangegeven, maar is vrijgesteld in Belgi√ę.

Wat met verliezen?

1. Oude wet vóór 1 januari 2020

Voor de boekjaren die een aanvang nemen vóór 1 januari 2020, kon men het verlies van zo’n vaste inrichting of onroerend goed gelegen in een verdragsland in principe aftrekken van de Belgische winst. Het was wel vereist dat de verliezen nog niet werden aangewend in de winstberekening van die vaste inrichting.

De meeste dubbelbelastingverdragen voorzien echter ook in een zogenaamde 'recapture'-regeling. Indien de verliezen later toch nog werden verrekend met de toekomstige winsten van de vaste inrichting, dan moest de Belgische vennootschap op dat moment haar belastbare basis terug corrigeren. Zo vermeed men een dubbele verliescompensatie.

2. Sinds 1 januari 2020 : enkel definitief verlies

Sinds 1 januari 2020 zijn de regels in de vennootschapsbelasting met betrekking tot de aftrek van buitenlandse verliezen verstrengd.

Voortaan kan het verlies van een buitenlandse vaste inrichting of onroerend goed niet zonder meer aftrekken van de Belgische winst.

  • verliezen bij de definitieve stopzetting van de activiteiten in een bepaalde lidstaat, waarbij er nog geen aftrek is verleend voor deze verliezen in die lidstaat; √©n
  • verliezen die bestaan wanneer de vennootschap geen activa meer bezit in een andere lidstaat en er nog geen aftrek is verleend in die lidstaat m.b.t. die verliezen.¬†

Anitmisbruikbepaling

Om te voorkomen dat een vennootschap haar activiteiten in het land van de vaste inrichting tijdelijk stopzet om vervolgens te hervatten (en dus 'definitieve' verliezen in Belgi√ę afgetrokken zijn), is er in artikel 185, ¬ß 3, lid 6 WIB 1992 een antimisbruikbepaling ingevoerd.
De antimisbruikbepaling voorziet namelijk in een recapture in het belastbaar tijdperk van de heropstart.
Dit gebeurt wanneer de Belgische vennootschap "binnen de 3 jaar na de aftrek van het definitieve beroepsverlies" van haar buitenlandse inrichting opnieuw activiteiten opstart in het land van de vaste inrichting. De recapture is onmiddellijk van toepassing, ongeacht het feit of de betreffende verliezen daadwerkelijk zijn afgetrokken in het land van de vaste inrichting.

Samengevat

Sinds aanslagjaar 2021 zijn verliezen met betrekking tot een buitenlandse vaste inrichting of buitenlands onroerend goed niet zonder meer aftrekbaar in de Belgische vennootschapsbelasting. Zij zullen voortaan slechts fiscaal aftrekbaar wanneer ze binnen de EER definitief geleden zijn, bijvoorbeeld bij de sluiting van de vaste inrichting.