Love thy neighbour as thyself. Burenhinder in het nieuwe goederenrecht.

Het leerstuk van de burenhinder heeft met de invoering van het nieuwe goederenrecht onderdak gekregen in het  Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel in de praktijk de irritaties die potentieel de kop opsteken tussen buren legio zijn, was een specifieke regeling feitelijk onbestaande. Met de komst van het nieuwe goederenrecht verkrijgt de vordering uit hinder die buren van elkaar ondervinden, nu ook een specifieke plaats in de wet.

Terugblik

Wie het aan de stok had met zijn buur, diende terug te vallen op de evenwichtsleer die volgt uit de rechtspraak en op de wettelijke definitie van eigendom.

Artikel 544 oud BW:

"Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of de verordeningen."

Deze bepaling was echter niet bepaald ideaal voor het verhelpen van burenhinder. Deze bepaling werd eerder gebruikt in de volgende zin: de uitoefening op volstrekte wijze van het ene eigendomsrecht eindigt waar de volstrekte uitoefening door de ander begint.

Bovendien diende de vordering tot schadevergoeding gesteld te worden op basis van de buitencontractuele aansprakelijkheid, hetgeen een fout in hoofde van de buur veronderstelt. Het is nochtans perfect mogelijk uw buur te hinderen, zonder daarbij wetten of verordeningen te schenden.

Om hieraan tegemoet te komen heeft het Hof van Cassatie, met haar schoorsteen- en kanaalarresten, de evenwichtsleer in het leven geroepen. Een eigenaar van een onroerend goed die door een niet-foutief feit het evenwicht verbreekt door aan zijn buur een stoornis op te leggen die de gewone nabuurschapsnadelen overschrijdt, is een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd ter herstelling van het evenwicht.

Hoewel deze creatie van een foutloze aansprakelijkheid op basis van de loutere omschrijving van het eigendomsrecht vaak aan kritiek onderhevig was, vond deze toch haar doorgang in quasi alle rechtbanken. Het is dan ook deze rechtspraak die aan de basis ligt van de voortaan wettelijk geregelde burenhinder.

Bestendiging van de evenwichtsleer

Artikel 3.101 van het nieuwe BW vormt de wettelijke basis voor de vorderingen inzake burenhinder.

Volgende elementen zijn daarbij essentieel:

1. Het moet gaan om naburige eigenaars.

Hierbij dienen meteen drie zaken genuanceerd te worden.

Nabuurschap vereist niet dat beide onroerende goederen onmiddellijk aan elkaar grenzen. Hinder uit nabuurschap kan perfect ook ontstaan ingevolge een onroerend goed dat 'in de omgeving' gelegen is.

Bovendien gaat het nieuwe goedererecht uit van een driemensionale opvatting van het onroerend goed. Het gaat dus niet alleen om twee naast elkaar gelegen gronden. Ook de eigenaar van een nutsleiding onder de grond kan als uw buur kwalificeren.

Tenslotte is de vordering uit hoofde van bovenmatige burenhinder niet exclusief voorbehouden aan de eigenaar. Ook de hinderlijke buur hoeft niet steeds de eigenaar van het onroerend goed te zijn. Elkeen die door een zakelijk of persoonlijk recht over een attribuut van het eigendomsrecht beschikt, kan een vordering op grond van burenhinder instellen of tegen zich gericht krijgen. Een burengeschil tussen de huurder van een woning en de erfpachter van een grond in de buurt kan dus perfect.

2. De hinder moet bovenmatig zijn.

Om de bovenmatigheid van de hinder te beoordelen, heeft de wetgever zelf al een aantal richtlijnen voorzien. Onder andere het tijdstip, de frequentie en de intensiteit van de hinder, de eerstingebruikneming of de publieke bestemming van het onroerend goed kunnen daarbij van belang zijn. Zo zal nachtelijke hinder doorgaans vaker als bovenmatig gekwalificeerd worden.

Belangrijk principe is dat het bestaan van bovenmatige hinder niet per sé vereist dat er materiële schade is. Hinder kan bijvoorbeeld ook voortvloeien uit het wegnemen van zonlicht.

Voormelde opsomming geldt louter als voorbeeld. De rechter kan soeverein beoordelen in welke mate de hinder bovenmatig is en kan dus ook met andere factoren zoals de privacy rekening houden. Dat uw buur daarentegen werkelijk lichtgeraakt is, is hier niet van belang.

3. De hinder moet toerekenbaar zijn.

Deze vereiste komt erop neer dat de hinder het gevolg moet zijn van een daad, verzuim of gedraging van de hinderverwekkende buur. Het volstaat dus niet dat de buur louter bewaarder is van het onroerend goed.

De hinder zal echter vaak  voortkomen uit werken die een buur op zijn perceel laat uitvoeren door derden. Ook hiervoor voorziet de wet in een oplossing: als er hinder ontstaat door werken waarvoor men de toelating heeft gegeven, wordt deze hinder geacht toerekenbaar te zijn aan de opdrachtgever.

4. Compensatie

Het principe dat de schadevergoeding niet bestaat uit een volledig wegnemen van de hinder, maar louter uit het terugdringen van het bovenmatig karakter ervan blijft behouden. De wetgever verleent hiervoor aan de rechter drie instrumenten:

  • een geldelijke compenserende vergoeding met als nadeel dat de hinder  op zich wel verder blijft bestaan;
  • een geldelijke vergoeding van de compenserende maatregelen doch dit kan enkel als door die maatregelen niet opnieuw een onevenwicht ontstaat;
  • een bevel tot staking van de hinderverwekkende handeling.

Preventief optreden

Het is echter ook denkbaar dat de hinder (die doorgaans van de overheid komt) nog niet bestaat maar dat er wel een noodzaak bestaat om deze preventief een halt toe te roepen.

Stel dat er op het achtergelegen terrein een windmolenpark vergund wordt. De omliggende erfeigenaars maken zich zorgen over het geluid, de slagschaduw, het wegnemen van het zonlicht, ... Het is reeds lang onbetwist dat het hebben van een vergunning de hinder niet rechtvaardigd. Een vergunning wordt namelijk steeds uitgereikt onder de verplichting om deze uit te oefenen binnen de grenzen van de wet.

De wetgever heeft nu echter ook een preventieve vordering in het leven geroepen in artikel 3.102 BW.

Indien de hinder bestaat uit ernstige en manifeste risico's inzake veiligheid, gezondheid of vervuiling dan kan de buur preventieve maatregelen vorderen teneinde te verhinderen dat het risico zich realiseert.

In een notendop

Onder het nieuwe goederenrecht verkrijgt ook de leer inzake burenhinder een concrete wettelijk grondslag. Voorwaarden voor een succesvolle vordering zijn 1) het nabuurschap 2) het bovenmatig karakter en 3) de toerekenbaarheid van de hinder. Dergelijke vordering strekt echter niet tot het volledig wegnemen van de hinder. Deze geeft enkel recht op een compensatie alsof de hinder wel tot een normaal niveau beperkt was. Ook preventieve maatregelen ter voorkoming van burenhinder kunnen afgedwongen worden.

Slapeloze nachten ten gevolge het gedrag van uw buren? Zelf het plan opgevat om ingrijpende en misschien wel hinderlijke werken uit te voeren? Contacteer ons.


Nieuwe afstandsregels beplantingen en snoeiing van overhangende takken doorstaan grondwettelijke toetsing.

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek houdende het nieuwe goederenrecht omvat een nieuwe regeling inzake de afstand van beplantingen en het rooien of snoeien van overhangende takken en doorschietende wortels. De voorgaande regeling in het Veldwetboek werd hierdoor opgeheven. Het Grondwettelijk Hof heeft het vernietingsberoep van een aantal natuurorganisaties bij arrest dd. 21 oktober 2021 afgewezen.

Situering

Voorheen waren de regels over de afstanden van beplantingen en overhangende takken opgenomen in het Veldwetboek. Het openbaar domein viel echter niet onder de toepassing van deze regels.

De nieuwe regels staan voortaan in artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek en luiden als volgt:

Art. 3.133. Afstanden van beplantingen

"Alle beplantingen moeten minimaal op de hierna bepaalde afstanden van de perceelsgrens staan, tenzij indien partijen hierover een contract hebben gesloten of indien de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan.

De in het eerste lid bedoelde afstand bedraagt voor bomen die minstens twee meter hoog zijn, twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de andere bomen, struiken en hagen een halve meter. De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van de beplantingen die op een kortere afstand zijn aangebracht, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. De nabuur kan zich evenwel niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de eigenaar het recht deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken."

Art. 3.134. Overhangende takken en wortels

"Indien een eigenaar van beplantingen waarvan de takken of wortels doorschieten over de perceelsgrens, nalaat de doorschietende takken of wortels te verwijderen binnen zestig dagen na een ingebrekestelling per aangetekende zending van de nabuur, kan deze laatste eigenmachtig, op kosten van de eigenaar van de beplantingen, deze takken of wortels wegsnijden en zich toe-eigenen.

Als de nabuur het doorschietende zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. Het recht om de verwijdering te eisen, kan niet uitdoven door verjaring.

Vruchten die op natuurlijke wijze van de bomen op een aanpalend onroerend goed vallen, behoren toe aan degene die het genot van dit laatste onroerend goed heeft."

Voornaamste vernieuwing van deze regeling bestaat in het feit dat:

  1. openbare domeingoederen niet uitgesloten zijn;
  2. de nabuur niet enkel de rooiing maar voortaan ook de snoeiing kan vragen;
  3. dit mogelijk is zodra de afstandsregels niet werden nageleefd los van het leerstuk van de bovenmatige burenhinder;
  4. de nabuur bij gebreke aan spontane remediëring zelf tot actie mag overgaan.

Aangevoerde middelen tot vernietiging

Vlak na de inwerkingtreding van het nieuwe goederenrecht op 1 september 2021 hebben een aantal natuurverenigingen de krachten gebundeld. Zij dienden quasi meteen een verzoekschrift tot nietigverklaring van de nieuwe regeling in.

Hun argumentatie is samen te vatten in de volgende drie middelen:

  1. De nieuwe (federale) regeling schendt de bevoegdheidsregels omdat zij inwerkt op de gewestelijke bevoegdheid inzake de inrichting en het beheer van het openbaar domein;
  2. Er wordt geen onderscheid gemaakt  naargelang de perceelsgrens zich tussen twee private percelen bevindt, dan wel één van die percelen tot het openbaar domein behoort terwijl het onderscheid tussen privaat en openbaar domein wel een onderscheid rechtvaartigt;
  3. Er is geen overgangsregeling voorzien. Hierdoor kunnen naburen onmiddellijk zelf tot snoeiing van overhangende takken overgaan. Zij kunnen ook de rooiing van verkeerd op het openbaar domein geplaatste bomen vragen. Dit alles zelfs als die takken of bomen er al van voor de inwerkingstreding van het nieuwe goederenrecht waren;
  4. De nieuwe regeling brengt een aanzienlijke achteruitgang in de grondwettelijke bescherming van een gezond leefmilieu met zich mee. Deze achteruitgang is niet te verantwoorden vanuit het algemeen belang.

Beoordeling

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat geen van voormelde argumenten kan overtuigen.  Het Hof heeft het verzoek tot vernietiging van de nieuwe regeling afgewezen. Zij overwoog daarbij het volgende:

Bevoegdheidsregels

Wat de bevoegdheidsverdeling betreft, wijst het Hof op de algemene bevoegdheid van de federale overheid inzake het burgerlijk recht. De federale overheid is bevoegd, ongeacht het feit of andere overheden in het kader van hun bevoegdheden eveneens maatregelen inzake de materie kunnen nemen. De federale overheid moet er wel over waken dat zij de uitoefening van de gewestbevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt.

Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is. Het nieuwe goederenrecht voorziet niet in een afbreuk aan bijzondere bepalingen, van toepassing op bepaalde goederen. De gewesten kunnen dus nog steeds specifieke bepalingen aannemen die afwijken van de algemene regeling voorzien in het nieuwe boek 3.

Bovendien vestigt het Hof de aandacht op het feit dat ook artikel 3.133 en 3.134 zelf in bescherming voorzien. De regeling vindt slechts toepassing op domeingoederen "in de mate dat zulks aan de openbare bestemming van het goed niet in de weg staat". In die zin beschermt de wet de domeingoederen al op zichzelf, zonder dat specifieke beschermingsmaatregelingen van de gewesten vereist zijn.

Onderscheiden regeling naargelang privaat dan wel openbaar domein

Hierover overweegt het Hof dat ook hier de artikelen 3.133 en 3.134 zelf wel degelijk rekening houden met het verschil tussen openbare domeingoederen en andere goederen. Er dient namelijk eerst te worden nagegaan of "zulks aan de openbare bestemming van dat goed in de weg staat". Enkel wanneer dit niet het geval is, moeten de op de openbare domeingoed aangebrachte beplantingen de minimale afstanden respecteren. Alleen dan kan een nabuur recht doen gelden op de snoeiing of rooiing.

Bovendien moet, wannneer de rooiing of snoeiing wordt gevorderd, de rechter nog steeds nagaan of er geen sprake is van rechtsmisbruik. De rechter dient hierbij met alle omstandigheden en dus ook met het algemeen belang rekening te houden.

Gebrek aan overgangsregeling

Het Hof hekelt hier de verkeerde lezing van de overgangsbepalingen. De nieuwe regeling is namelijk slechts van toepassing op de rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na 1 september 2021. Het aanbrengen van beplantingen kwalificeert als dergelijk rechtsfeit.

Aangezien de nieuwe regeling wel degelijk enkel "nieuwe" beplantingen viseert, is het niet onrechtvaardig dat deze regeling onmiddellijk uitwerking krijgt.  Evenmin dat de oude regels uit het Veldwetboek onmiddellijk werden opgeheven. De oude regels blijven namelijk van toepassing op de beplantingen die voor 1 september 2021 werden aangebacht.

Bescherming leefmilieu

Vroeger konden naburen die zich benadeeld voelden door beplantingen op het openbaar domein slechts de rooiing verkrijgen indien dit abnormale burenhinder uitmaakte. Vandaag zou dit al kunnen zodra vaststaat dat de afstandsregels niet gerespecteerd zijn. Dit zou leiden tot een verlies aan openbaar groen terwijl dit grondwettelijke bescherming geniet. Eenieder heeft namelijk recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.

Het Hof volgt deze redenering niet:

  1. Zij herhaalt dat de nieuwe regeling enkel toepassing vindt op openbare domeingoederen voor zover zulks de openbare bestemming van het goed niet in de weg staat. Dit zal doorgans wel het geval zijn bij bermbeplantingen.
  2. Als de openbare bestemming de regeling wel toelaat, dan is er nog steeds de bescherming van het verbod op rechtsmisbruik.
  3. Bovendien mag de nabuur zelfs wanneer voldaan is aan voormelde voorwaarden niet zonder meer zelf tot snoeiing of rooiing overgaan. Hij is verplicht de eigenaar van het naburig perceel eerst in gebreke te stellen. Men kan zelf slechts tot actie overgaan na een wachttermijn van 60 dagen. De overheid beschikt dus over een redelijke termijn om zich voor de rechtbank hiertegen te verzetten.

Conclusie

Samengevat oordeelt het Hof dat het nieuwe goederenrecht voldoende bescherming biedt aan het openbaar domein. Het gaat niet om een toelating tot het zonder meer wildkappen door ontevreden naburen van reeds lang verkeerd geplaatste bomen of overhangende takken van openbare percelen. Anderzijds brengt de nieuwe regeling ook voor de private nabuur enige versoepeling met zich mee. Hij hoeft namelijk niet langer aan te tonen dat hij abnormaal gehinderd wordt door deze beplantingen. Wanneer ze op een verkeerde afstand van zijn perceel staan kan hij een vordering instellen. Deze vordering kan succesvol zijn indien:

  1. hiermee de openbare bestemming van het openbaar perceel niet in het gedrang komt;
  2. het verzoek tot rooiing of snoeiing geen rechtsmisbruik uitmaakt.

In welke mate deze in se kleine versoepeling tot een ware toestroom aan dergelijke vorderingen zal leiden, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Contacteer ons gerust indien u hierover meer wil weten.

 


verbeurdverklaring

Verbeurdverklaring lastens een derde: het zal je maar overkomen

Het zal je maar overkomen, door een strafprocedure als bonafide derde getroffen worden door verbeurdverklaring van een eigen rechtmatig goed. Gelukkig kan je in voorkomende situatie tussenkomen in het rechtsgeding om jezelf te verdedigen tegen een potentiële nadelige uitspraak. Een succesvolle verdediging stoelt evenwel op drie fundamentele voorwaarden. Laten we dit samen van nabij bekijken.

Voorwaarde 1: daadwerkelijk derde zijn

Een derde is eenieder die aanspraken kan laten gelden op het verbeurdverklaarde goed zonder burgerlijke partij of veroordeelde te zijn. Een aandachtige  lezer bemerkt meteen dat een medebeklaagde in een strafprocedure niet uitgesloten is als een belanghebbende derde. Dit principe is bevestigd in diverse uitspraken van het Hof van Cassatie. Met andere woorden gezegd: een derde is niet per se iemand die niet betrokken is in de strafzaak die heeft geleid tot de verbeurdverklaring.

Voorwaarde 2: derde heeft een zakelijk recht

Als vaststaat dat men daadwerkelijk derde is, is de volgende bijkomende vereiste dat men zakelijke rechten moet hebben op het te verbeurd verklaren goed. Denk hierbij in de eerste plaats aan het eigendomsrecht, maar ook aan pandrechten of rechten van hypothecaire schuldeisers.

Voorwaarde 3: derde is te goeder trouw

De derde met een zakelijk recht moet tot slot te goeder trouw zijn. Het is aan de rechter om bij de beoordeling hiervan rekening te houden met alle omstandigheden die voorliggen. Bonafide impliceert niet geweten hebben of niet kunnen weten hebben dat het goed is gebruikt om een strafbaar feit te plegen. Het is niet omdat er tegen de derde geen vervolging is ingesteld dat men kan besluiten tot goede trouw. Door verwijtbare gedragingen kan men immers toch hebben meegeholpen aan het plegen van een misdrijf.

Het is gepast om te wijzen op de wettelijke gevolgen van het intrinsiek illegaal karakter van vermogensvoordelen bij witwassen. In de Balsamo-case (EHRM, 8 oktober 2019, nrs. 20319/17 en 20414/17, Balsamo-San Marino) is geoordeeld dat vermogensvoordelen afkomstig van illegale oorsprong terecht zijn ontnomen. Dit ondanks het feit dat de beklaagden werden vrijgesproken van witwassen wegens geen (of onvoldoende) kennis van de illegale oorsprong van de gelden.

Bescherming van de derde

Een bonafide derde kan vrijwillig tussenkomen in een strafprocedure waarbij goederen betrokken zijn waarop deze derde zakelijke rechten heeft. Zelfs wanneer de derde geen partij was in eerste aanleg kan deze alsnog hoger beroep aantekenen tegen het vonnis. De derde kan zo nodig ook verzet doen. Voorziening in cassatie is eveneens mogelijk wanneer de verbeurdverklaring lastens de derde is uitgesproken in laatste aanleg.

Tenslotte kan de derde als rechtmatige eigenaar terug in bezit worden gesteld van het ontnomen goed mits dit ter beschikking is van het gerecht. In casu dienen twee restrictieve voorwaarden voorhanden te zijn. Het goed moet in natura worden teruggevonden én het moet in handen van het gerecht zijn door inbeslagneming of door vrijwillige terbeschikkingstelling.

Conclusie

Het succesvol verweer van een derde tegen verbeurdverklaring van goederen is slechts mogelijk mits drie voorwaarden cumulatief zijn voldaan. Met name moet men daadwerkelijk een derde zijn, zakelijke rechten hebben op de te verbeurd verklaren goederen en last but not least te goeder trouw zijn. Het principe van de goede trouw speelt wel slechts een rol zolang het verbeurdverklaarde goed niet volgens een wettelijke maatregel uit het economisch verkeer moet verdwijnen.

Zie ook P. WAETERINCKX, De rechten van derden te goeder trouw bij de verbeurdverklaring van zaken die hen “toebehoren”. Wat houdt het toetsingscriterium “te goeder trouw” in, en wat is de juridische draagwijdte ervan?, R.A.B.G., 2021/11, 1021-1030


Het financieel plan: een aardig klusje voor zowel oprichters als notarissen

Eerder berichtten wij reeds over de formele vereisten voor de opmaak van een financieel plan dat onder het nieuwe Wetboek het levenslicht zagen. Hoewel dit op het eerste zicht de kostprijs van de oprichting van een vennootschap de hoogte injaagt, verdient  de beschermingsfunctie ervan desalniettemin bijzondere aandacht. Een onzorgvuldig opgesteld financieel plan en een vordering in oprichtersaansprakelijkheid gaan namelijk vaak hand in hand. Recente rechtspraak (1) eist niet alleen van de oprichter(s) en cijferberoepers maar ook van de notaris zelf bijzondere waakzaamheid.

Formele verplichtingen van de notaris

De verplichtingen die het Wetboek zelf aan de notaris oplegt zijn vrij straight forward. De notaris moet er vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt enkel voor zorgen dat hij:

  1. voorafgaand aan het verlijden van de oprichtingsakte een financieel plan ontvangt;
  2. vervolgens dit plan in het notarieel dossier bewaart voor mocht het ooit aan de rechtbank moeten worden voorgelegd; en
  3. tenslotte bekijkt of alle wettelijk vereiste elementen in het plan zijn opgenomen.

De notaris hoeft zich om aan deze verplichtingen te voldoen niet om te scholen tot accountant. Het Wetboek voorziet namelijk zelf in een checklist.

Doorgaans zal de zorgvuldige oprichter ook beroep doen op een cijferberoeper. Hierdoor bleef de controletaak van de notaris en zijn risico op enige aansprakelijkheid al bij al vrij beperkt.

Ambtsverplichtingen van de notaris

De notaris moet echter niet alleen rekening houden met de puur vennootschapsrechtelijke bepalingen. Hij is namelijk ook een openbaar ambtenaar die onderworpen is aan bijzondere wetgeving inclusief bijkomende verplichtingen.

Zo volgt uit de Wet op het notarisambt voort dat een notaris niet alleen moet waken over de correcte toepassing van de wet maar ook dat hij zijn cliënten moet bijstaan en advies moet verstrekken.

Doorgaans zal de oprichter in de akte om die reden een standaardclausule terugvinden waarin hij verklaart dergelijk advies en bijstand te hebben ontvangen alvorens tot het ondertekenen van de akte over te gaan.

In de praktijk zal de notaris doorgaans wel wijzen op het belang van een zorgvuldig opgesteld financieel plan en uitleggen wat de oprichtersaansprakelijkheid inhoudt. Een diepgaand gesprek om te peilen naar de kennis van de oprichters en een cijfermatige analyse ter beoordeling van de haalbaarheid van het plan, is echter minder voorkomend. Temeer nu een zorgvuldige oprichter voor de opmaak van het financieel plan doorgaans een beroep doet op een cijferberoeper. Dit gegeven zou de adviesplicht van de notaris al wat moeten vergemakkelijken.

Een controle van de formele vereisten en enige duiding bij het belang van het financieel plan, zal de notaris doorgaans wel vrijwaren voor enige aansprakelijkheid bij navolgend faillissement.

Toename van het risico op aansprakelijkheid?

Recente rechtspraak van het Hof van Beroep Luik lijkt deze principes echter op de helling te zetten. In het voorliggende geval was er namelijk geen probleem met het financieel plan op het vlak van formele vereisten. Evenmin kon de notaris worden verweten het belang van het financieel plan niet te hebben onderstreept.

Het Hof besloot echter tot aansprakelijkheid van de notaris op basis van de gebrekkige cijfermatige inhoud van het plan. Dit overigens terwijl de oprichters hiervoor beroep hadden gedaan op een cijferberoeper. Volgens het Hof had de notaris op basis van gesprek met de oprichters eenvoudig kunnen afleiden dat zij geen voeling hadden met het vennootschapswezen. Aan de cijfers had hij moeten vaststellen dat de eerste drie jaren na oprichting geen winst voorzagen zodat het ingebracht eigen vermogen niet voldoende was.

Achterliggende gedachte lijkt dat wanneer een plan inhoudelijk zo flagrant ontoereikend is, het de naam 'financieel plan' niet meer waardig is. Aldus is niet aan de formele vereiste van het voorleggen ervan voldaan.

In de noot bij het arrest halen Diederick Bruloot en Gauthier Vandebossche (1) terecht aan dat op die manier in se alles op een hoopje wordt gegooid en één en ander een brug te ver gaat. Vooreerst blijft een onderscheid tussen de formele en raadgevingsverplichting van de notaris aangewezen. Daarnaast gaat het niet op om de aansprakelijkheid van de notaris te onderwerpen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm op basis van inhoudelijke aspecten terwijl hij op basis van de formele verplichtingen zich in se met deze inhoudelijke aspecten niet mag inlaten.

Toekomstige rechtspraak zal uitwijzen of men op basis van de adviesplicht van de notaris daadwerkelijk ook een financiële analyse van zijn kant mag verwachten én in welke mate dit het oprichtingsproces al dan niet zal bemoeilijken.

Conclusie

Het was reeds duidelijk dat het financieel plan een belangrijke plaats inneemt bij de oprichting van een vennootschap. Er zondermeer vanuit gaan dat de notaris het financieel plan cijfermatig wel zal bestuderen als garantie op succes, lijkt ons eerder wishful thinking. Spijts voormelde rechtspraak blijft het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de oprichter zelf om een realistisch plan voor te leggen. Het hoeft geen betoog dat de bijstand van een cijferberoeper hierbij geen overbodige luxe is.

Anderzijds toont het voorgaande ook aan dat van de notaris meer mag worden verwacht dan het louter aan sneltempo afhaspelen van de voorliggende akte. Soms lijkt het misschien geen evidentie: u mag de notaris nog alles vragen alvorens uw krabbel te zetten.

Voor een volledige gemoedsrust is het niet alleen aan te raden om het plan door een professional te laten opstellen, juridische begeleiding kan zeker ook geen kwaad. Niet alleen als extra controlevehikel tegenover de notaris maar ook al bij het bepalen van de geschikte rechtsvorm.

Gelukkig hebben we bij aternio alles in huis: finance én legal solutions. Neem dus gerust contact op.

(1) Luik (7e k.) nr. 2018/RG/779, 14 januari 2020 in JLMB 2020, afl. 30, 1419 en http://jlmbi.larcier.be/ (27 september 2020); JDSC 2020, afl. 1, 63, noot DELVAUX, M.; TRVRPS 2021, afl. 2, 214 en http://www.trv.be/trv/default.aspx?l=NL (10 april 2021), noot BRULOOT, D., VANDENBOSSCHE, G.


Nieuw: 'centraal register van economische knipperlichten'

Met ingang van 5 juli 2021 (KB 13 juni 2021) werd in België een nieuw 'centraal register van economische knipperlichten' in het leven geroepen. Dit register heeft tot doel ondernemingen in moeilijkheden sneller op te sporen, om zo de gepaste maatregelen te kunnen treffen.

Kamers voor Ondernemingen In Moeilijkheden (KOIM)

Binnen de ondernemingsrechtbanken zijn de specifieke 'Kamers voor Ondernemingen In Moeilijkheden' (KOIM) bevoegd voor het opsporen en opvolgen van de toestand van ondernemingen in moeilijkheden. Zij doen al het nodige om de continuïteit van de activiteiten te behouden, maar ook om de rechten van de schuldeisers te vrijwaren.

De KOIM volgt de financiële toestand van de onderneming op de voet en neemt - zo nodig - de gepaste maatregelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het aansturen van de onderneming tot herstelmaatregelen om een faillissement te vermijden.

Wanneer de situatie echter onherstelbaar is aangetast, moet zij het dossier doorsturen naar het parket voor een dagvaarding tot faillissement.

Welke 'knipperlichten'?

Daar waar voorheen de gegevens her en der verspreid lagen en men de puzzelstukjes zelf diende te leggen, verzamelt en centraliseert het register nu alle relevante indicatoren of knipperlichten om ondernemingen in moeilijkheden op te sporen.

Hoe meer 'knipperlichten' er gaan branden, hoe groter de noodzaak voor de KOIM om de toestand van de onderneming in kwestie te onderzoeken.

Vooreerst hebben de knipperlichten betrekking op gegevens die administraties nu al wettelijk dienen mee te delen aan de ondernemingsrechtbank.

Het gaat om schuldenaren die:

- reeds een kwartaal de socialezekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan de RSZ;
- reeds een kwartaal de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan het RSVZ, wat de zelfstandigen betreft;
- de BTW of bedrijfsvoorheffing niet meer betaald hebben aan de administratie van financiën;
- gewichtige en overeenstemmende feiten hebben gepleegd die de continuïteit van de economische activiteit in het gedrang kunnen brengen, en die zijn vastgesteld door een gecertificeerd accountant, accountant, fiscaal accountant of bedrijfsrevisor;
- onderworpen zijn aan een kennisgeving van inbeslagname;
- onderworpen zijn aan een vonnis tot beëindiging van de handelshuur;
- bij verstek of op tegenspraak zijn veroordeeld, terwijl zij de gevorderde hoofdsom niet hebben betwist.

Andere knipperlichten zijn bijvoorbeeld:

-de financiële gezondheidsindicator berekend door de Nationale Bank van België;
-het aantal werknemers van de onderneming; en
-het regelmatig verplaatsen van de zetel van de onderneming.

Deze indicatoren zullen worden bewaard gedurende vijf jaar vanaf hun registratie in het register.

Toegang tot het register?

Gelet op de precaire situatie waarin de betreffende onderneming zich bevindt, is het register niet voor iedereen toegankelijk.

Enkel de griffie, de rechters van de KOIM, de rechter-verslaggevers en de bevoegde procureurs des Konings hebben rechtstreeks toegang tot het register.

Het KB van 13 juni 2021 vermeldt de maatregelen tot bescherming van de vertrouwelijkheid en veiligheid van verwerkte persoonsgegevens.

Conclusie

De KOIM zal ondernemingen in moeilijkheden voortaan kunnen opsporen via gegevens uit het 'centraal register van economische knipperlichten'. Het is dus daarom belangrijk om uw betalingen en administratie nauwgezet op te volgen. Het opzetten van een goede corporate en financial housekeeping kan daarbij al wonderen verrichten!


Erkenning als beroepsvereniging niet langer vanzelfsprekend

Op 30 juli 2021 is het uitvoeringsKB van 7 juli 2021 inzake de weerlegging van het vermoeden van erkenning als beroepsvereniging of federatie van beroepsverenigingen in werking getreden. Voortaan beschikt de overheid over een middel om de voordelen verbonden aan het statuut van beroepsvereniging opnieuw in te trekken. Deze bijdrage omvat een overzicht van de criteria die een doorslaggevende rol spelen.

Het lot van beroepsverenigingen bij de inwerkingtreding van het WVV

Een beroepsvereniging is een vereniging die instaat voor de studie, bescherming en ontwikkeling van de beroepsbelangen van haar leden maar die dus op zichzelf geen beroep uitoefent.

Eén van de voornaamste voordelen verbonden aan deze rechtsvorm bestaat uit de erkenning van haar representativiteit en de mogelijkheid tot deelname aan diverse overheidscommissies. Het betere lobbywerk zeg maar. Doorheen de jaren zagen dan ook werkelijk voor quasi elke sector heel wat beroepsverenigingen het daglicht.

De Wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voorziet echter niet langer in de rechtsvorm van een beroepsvereniging as such. Net zoals wat geldt voor de andere afgeschafte rechtsvormen hebben zij tot 1 januari 2024 de tijd om zich om te zetten in een andere overgebleven rechtsvorm. Doen zij dit niet, dan worden zij automatisch omgezet naar een VZW.

VZW erkend als beroepsvereniging

Specifiek voor de op dat moment bestaande beroepsverenigingen voorzag de wetgever echter in een bijkomend voordeel. Deze verenigingen worden namelijk vermoed erkend te zijn als 'VZW erkend als beroepsvereniging'. Op die manier kon een beroepsvereniging de inwerkingtreding van het WVV in se achteloos aan zich laten voorbij gaan.

De minister van Middenstand heeft een lijst opgesteld van al deze beroepsverenigingen. Zelf moest de beroepsvereniging op zich dus niks ondernemen om erkend te zijn inclusief bijhorende voordelen.

Zoals zo vaak zit het gevaar hem in de staart. De wetgever voegde fijntjes toe dat dit vermoeden weerlegbaar is, echter zonder modaliteiten of criteria te voorzien. Hiervoor was het dus wachten op een besluit van de Koning.

Intrekking van de erkenning

De eerste mogelijkheid tot intrekking ligt voor de hand: de beroepsvereniging die meent onterecht op de lijst van de minister te zijn opgenomen, kan zelf afstand doen van het vermoeden van erkenning. De Minister is desgevallend gehouden om de vereniging van de lijst te schrappen.

De tweede mogelijkheid heeft betrekking op de beroepsverenigingen die vrijwillig de vorm van een VZW aannemen. Voor wie dus pro-actief en tijdig het nodige doet, volstaat het om een formulier in te vullen en een aantal verplichte statutaire elemeneten op te nemen. Deze elementen hebben betrekking op het absoluut uittrederecht van leden, de organisatie van het bestuursorgaan, de sancties bij niet-naleving van reglementen en een minnelijke geschillenregeling. De overheid controleert of deze elementen aanwezig zijn en maakt daarmee de erkenning finaal. Zijn deze elementen niet aanwezig, dan ontvangt de vereniging een laatste verwittiging. Nadien kan men niet langer van het vermoeden van erkenning genieten.

Beroepsverenigingen die de deadline van 1 januari 2024 laten verstrijken, verkrijgen automatisch de rechtsvorm van VZW. Dergelijke VZW's hebben zes maanden de tijd om alsnog hun statuten aan te passen en voormelde elemeneten op te nemen. Gebeurt dit niet, dan vormt ook dit nalaten een weerlegging van het vermoeden van erkenning.

Tenslotte moeten ook reeds bestaande VZW's een aanvraag tot erkenning indienen wanneer zij de voordelen wensen te genieten. Zo deze aanvraag wordt verleend of geweigerd is het vermoeden zonder voorwerp en technisch gezien aldus ook weerlegd.

Conclusie

Het is momenteel niet langer vanzelfsprekend dat men de erkenning als beroepsvereniging kan behouden. Het verdient dan ook aanbeveling om pro-actief te handelen en vrijwillig de omzetting naar een VZW door te voeren, daarbij rekening houdend met de vereiste statutaire elementen. De deadline afwachten zorgt enkel voor nodeloos kunst- en vliegwerk.

Neem gerust contact op voor bijstand bij de aanpassing van de statuten en erkenning als beroepsvereniging.


Hoe het formulier KI buitenlands onroerend goed correct invullen?

In een vorige blog hebben we het reeds uitvoerig gehad over de toekenning van een Belgisch Kadastraal Inkomen (KI) voor buitenlands vastgoed.

Om dit KI te kunnen bepalen, zullen alle eigenaars van buitenlands vastgoed zeer binnenkort een vragenlijst krijgen. Sommige eigenaars hebben het formulier misschien al ontvangen. Hoe vult u dit formulier correct in? U leest het hierna.

Onverdeelde eigenaars?

Elke Belgische belastingplichtige die zakelijke rechten (eigendom, vruchtgebruik, erfpacht, opstal) heeft op een in het buitenland gelegen onroerend goed, is verplicht daarvan aangifte te doen.

Indien het een onroerend goed in onverdeeldheid betreft, moet elke deelgenoot afzonderlijk het formulier indienen. Elke deelgenoot vermeldt zijn eigendomsrechten 'onder de vorm van een breuk'. (zie vak 3 van het formulier)
Bijvoorbeeld: U bent samen met uw broer (eveneens een Belg) onverdeeld eigenaar van het onroerend goed. U vermeldt beiden afzonderlijk op het formulier "1/2" bij de eigendomsrechten.
Dit geldt eveneens voor echtgenoten, ook wanneer het onroerend goed in gemeenschap is aangehouden. Zij dienen dus ook elk afzonderlijk een aangifteformulier in te dienen.

Gebouwd onroerend goed

De bepaling van het KI voor buitenlandse gebouwde onroerende goederen gebeurt op dezelfde wijze als voor in België gelegen gebouwen. We moeten dus kijken naar de "normale nettohuurwaarde" op 1 januari 1975. Indien deze waarde niet voorhanden is  zal men het KI bepalen aan de hand van de huidige verkoopwaarde.  De huidige verkoopswaarde brengt men terug tot de waarde van 1975 door toepassing van een correctiefactor. Die correctiefactor (15,036 voor inkomstenjaar 2020) zal men jaarlijks in een Koninklijk Besluit publiceren. Vervolgens moet men op deze waarde de kapitalisatiefactor van 5,3% toepassen.

- Actuele verkoopswaarde is gekend

Indien u de actuele verkoopwaarde (normale verkoopwaarde) van uw onroerend goed kent, kan u dit invullen in vak 4 van het formulier. Dit is de verkoopprijs die op het tijdstip van de aangifte onder normale verkoopvoorwaarden zou kunnen worden verkregen.

- Actuele verkoopswaarde is niet gekend

Indien u de 'actuele verkoopwaarde' van het onroerend goed echter niet kent, maakt het aangifteformulier een onderscheid tussen 3 verschillende situaties;

1) Terrein waarop u een gebouw hebt laten optrekken

In deze situatie moet u in vak 5 de verwervingsprijs van de grond aangeven (exclusief notariskosten en registratierechten) en de datum van de verwerving. Daarnaast vermeldt u ook de kostprijs van de constructie (exclusief BTW of andere gelijkgestelde buitenlandse belasting) en de datum van het einde van de werken.

2) Gebouwd goed verworven zonder verdere verbouwingswerken uit te voeren

In dit geval moet u de verwervingsprijs in vak 6 opgeven, samen met de datum van verwerving. De verwervingsprijs is opnieuw exclusief notariskosten en registratierechten.

3) Gebouwd onroerend goed waaraan vervolgens wel verbouwingswerken zijn uitgevoerd

Indien er intussen wel verbouwingswerken zijn uitgevoerd, moet u in vak 7 van het formulier de "actuele normale verkoopwaarde" opgeven (zijnde, de verkoopprijs "die op het tijdstip van de aangifte onder normale verkoopvoorwaarden zou kunnen worden verkregen").

- Verkoopwaarde in 1975 is gekend

Tot slot voorziet vak 8 van het formulier de de mogelijkheid om toch "de normale verkoopwaarde in 1975" of "het jaarlijks bruto huurinkomen in 1975" (namelijk: de som van de ontvangen huurgelden en huurvoordelen) aan te geven.

Uit een eerdere circulaire bleek immers dat wanneer de belastingplichtige voormelde waarden in 1975 kent, hij aan de fiscale administratie kan vragen om deze waarden te gebruiken in plaats van de huidige waarde aangepast met de voormelde correctiefactor.

Ongebouwde onroerende goederen

Het KI van ongebouwde onroerende goederen  zal men vaststellen op basis van de schaal van 2 euro per hectare.

Materieel en outillage

Om KI van  materieel en de outillage te berekenen, zal men op de gebruikswaarde de correctiefactor van 5,3 % toe te passen.Men acht de gebruikswaarde  gelijk aan 30 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde als nieuw, eventueel vermeerderd met de kosten van de opeenvolgende veranderingen.

Timing

Belastingplichtigen hebben tijd tot eind 2021 om het aangifteformulier terug te sturen.

Belastingplichtigen die voor de eerste keer buitenlands vastgoed aangeven in hun aangifte in de personenbelasting van 2021 zullen in september/oktober" het formulier ontvangen. Ook zij hebben tijd tot 31 december 2021 om het formulier terug te sturen.

Heeft u pas na 1 januari 2021 een buitenlands onroerend goed gekocht? Dan moet u dat spontaan melden binnen de 4 maanden na de aankoop.


Nieuwe regels betalingstermijnen: boter bij de vis!

Niet gerespecteerde betalingstermijnen, het is voor heel wat bedrijven een blok aan het been. Bovendien heeft de coronacrisis het belang van tijdige betaling nogmaals pijnlijk duidelijk gemaakt. Daar waar ondernemingen voor de crisis nog een buffer hadden om laattijdige betalingen op te vangen, heeft de coronacrisis ervoor gezorgd dat die marge (zo goed als) weg is. Als we de voorspellingen mogen geloven, komt er na het uitdoven van de steunmaatregelen nog een golf faillissementen op ons af.

Kan het tij toch nog keren of kunnen we de schade op zijn minst beperken? De wetgever doet alvast een poging. Recent heeft de Kamer immers de regels inzake betalingstermijnen aangescherpt. Een aantal achterpoortjes in de reeds bestaande wetgeving worden gesloten. Doel is de betaalhygiëne van bedrijven, maar zeker ook van overheden gevoelig verbeteren.

Overzicht nieuwe regels betalingstermijnen

Met de wijziging van de Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties worden een aantal nieuwe nieuwe regels ingevoerd en worden bestaande regels aangescherpt. Voor alle duidelijkheid: de wet viseert de betalingspolitiek tussen ondernemingen onderling en heeft dus geen betrekking op laattijdige betaling door consumenten.

We zetten de voornaamste wijzigingen op een rijtje.

Maximum 60 dagen

De wettelijke betalingstermijn bedraagt voortaan maximum 60 dagen. Daar waar dit voordien eerder een richtlijn was, kunnen bedrijven hiervan voortaan onderling niet meer afwijken. Dat moet vooral de kleinere bedrijven beschermen tegen de grotere spelers. Grote afnemers houden er immers vaak een minder stipte betalingshygiëne op na of bedingen steevast langere betalingstermijnen. Daar zit het onevenwicht in machtsverhoudingen natuurlijk voor iets tussen. De nieuwe maximumtermijn moeten hieraan tegemoetkomen.

Verificatieperiode als onderdeel van betalingstermijn

De wettelijke of contractuele verificatieperiode moet bovendien deel uitmaken van die betalingstermijn van maximum 60 dagen. Tot voor kort had de klant-ondernemer maximum 30 dagen om de goederen of diensten en/of de factuur te controleren. Die termijn werd evenwel vaak misbruikt om de betalingstermijn gewoon te verlengen. Dat maakte dat er veelal 90 dagen voorbijgingen alvorens de factuur opeisbaar was.

Meedelen gegevens facturatie bij levering

Uiterlijk op het moment van ontvangst van de goederen of prestatie van de diensten moet de schuldenaar alle nodige gegevens voor het opmaken van de factuur meedelen aan de schuldeiser. Gedaan dus met treuzelen bij het aanleveren van gegevens voor de factuur. Omgekeerd geldt dat evenzeer: een ondernemer die bedingt dat hij de factuur pas opstelt binnen een bepaald aantal dagen na ontvangst van de juiste gegevens voor facturatie, zorgt ook voor een impliciete verlenging van de betalingstermijn. Om die reden mogen partijen de ontvangstdatum van de factuur niet meer contractueel vastleggen. Dat verbod gold al in relaties met de overheid, maar geldt voortaan dus ook in B2B-relaties.

Automatisch hoge verwijlintresten en forfait invorderingskosten

Wordt een factuur ondanks het voorgaande toch niet tijdig betaald? Voortaan zullen er onmiddellijk en automatisch hoge verwijlintresten (8 % in 2021) verschuldigd zijn. Een ingebrekestelling is daarvoor niet meer nodig. Het "recht" op intresten bij wanbetaling verandert zo in een "verplichting" voor de wanbetaler om het verschuldigde bedrag automatisch te verhogen met verwijlintresten. Bovendien verhoogt dat bedrag voortaan eveneens onmiddellijk en automatisch met 40 euro als forfaitaire vergoeding voor de invorderingskosten van de schuldeiser. De schuldenaar heeft wel nog de mogelijkheid om aan te tonen dat hij niet verantwoordelijk is voor de vertraging in de betaling. De vraag rijst dan wel wat het lot is van conventionele schadebedingen uit de algemene voorwaarden. Zal de rechtbank haar matigingsbevoegdheid gebruiken of laat ze de contractvrijheid tussen partijen spelen?

Ook voor overheden

Niet onbelangrijk: de regels binden niet alleen bedrijven onderling, maar ook de overheden in ons land. Begin dit jaar tikte Europa België nog op de vingers wegens buitensporige betalingsachterstanden. De overheden in ons land weten dus wat hen te doen staat: het goede voorbeeld geven!

Beginnen moet de overheid alvast doen met het publiceren van de wijzigingen in het Belgisch Staatsblad. De nieuwe regels inzake betalingstermijnen treden in werking op de eerste dag van de zesde maand na die van publicatie in het Belgisch Staatsblad. aternio volgt het voor u op!


Snelheidsduivel met een vennootschap: the postman sometimes rings twice.

De hardwerkende zelfstandige gunt zichzelf wel eens een cadeautje in de vorm van een sportwagen. Wie over een vennootschap beschikt, zal er doorgaans voor opteren om hiervan een professionele aankoop te maken. De wagen inschrijven op de zaak, de BTW in mindering brengen en klaar is kees. Putting the pedal to the metal kan de ondernemer echter zuur opbreken wanneer hij op administratief vlak minder snel is. De Wegverkeerswet voorziet namelijk ook een identificatieverplichting voor alle rechtspersonen.

Van een vaak onzinnige zoektocht naar een verplichting voor de rechtspersoon zelf

Oorspronkelijke regeling

Toen de dieren nog spraken bestond er geen bijzondere regeling voor verkeersinbreuken begaan door niet ter plekke aangetroffen personen met een voertuig waarvan de kentekenplaat op een vennootschap geregistreerd stond. De politiediensten zouden dus wel bij de vennootschap aankloppen maar zonder vrijwillige medewerking van het bestuursorgaan zou dit vaak tot niks leiden. Het bestuursorgaan was niet verplicht om de schuldige aan te duiden. Dit kwam in se erop neer dat nog harder rijden om zo aan de politiediensten te onstnappen geen dwaze overweging was.

Verplichting voor de vertegenwoordigingsbevoegde natuurlijke persoon

In 1996 kwam aan deze wild wild west toestanden een einde met de invoering van artikel 67bis en 67ter in de Wegverkeerswet. Zodra de kentekenplaat staat ingeschreven op naam van een rechtspersoon, dient de rechtspersoon vertegenwoordigende natuurlijke persoon de identiteit van de bestuurder of van de persoon die het voertuig dan onder zich had kenbaar te maken. Wie dat niet doet, is strafbaar louter omwille van het niet voldoen aan deze identificatieverplichting.

De bestuurder van een vennootschap duidt dus iemand aan, maar wat als deze evenmin de bestuurder blijkt te zijn? Simpel: dan moet deze laatste opnieuw een andere persoon als bestuurder aanduiden. Zo kon het Parket van de Procureur des Konings wel een paar keer moeten dagvaarden alvorens de juiste persoon voor zich te hebben. Met wat geluk leidde dit kat-en-muis spel tot de verjaring van de vordering tout court.

Verplichting uitgebreid tot de vennootschap zelf

In de jaren die daarop volgden zag echter een nieuw concept in het strafrecht het daglicht: de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een vennootschap. Gelet op deze (r)evolutie kon ook de Wegverkeerswet niet achterblijven met een wetswijziging in 2018 tot gevolg.

Sedertdien is ook de vennootschap zelf verplicht om de bestuurder te identificeren.  Bij gebreke hieraan maakt de vennootschap zelf zich schuldig aan een misdrijf. Het Parket kan voortaan, wanneer de bestuurder is weten te ontkomen, zowel de leden van het bestuursorgaan als de vennootschap zelf dagvaarden. Bovendien volstaat het voor de vennootschap niet om enkel een Chinese vrijwilliger of werknemer te slachtofferen. De wet voorziet nu dat het om de 'onmiskenbare bestuurder' moet gaan. De vennootschap zal dus niet eender wie kunnen aanduiden om haar straf te ontlopen.

Indien de bestuurder van de wagen niet de bestuurder maar een werknemer van de vennootschap is, kan een inschrijving van de werknemer als 'gebruikelijke bestuurder' in de Kruispuntbank Voertuigen soelaas bieden. In dat geval zal namelijk vermoed worden dat de als gebruikelijke bestuurder geregistreerde persoon ook daadwerkelijk bestuurder was. De betrokken werknemer moet dan zelf maar een andere bestuurder aanduiden wanneer dit niet het geval was.

Het gevaar van de vergetelheid

Voormelde registratie als gebruikelijke bestuurder is voor de vennootschap evident vooral wanneer het om werknemers gaat. Wanneer de bestuurder van de vennootschap zelf echter aan het stuur zat, kan too fast snel tot too furious leiden.

Louter hypothetisch. De bestuurder heeft van het bouwverlof gebruik gemaakt om zijn nieuwe racepaard aan het Belgische asfalt te laten wennen. Hij wordt met het voertuig op naam van de vennootschap geflitst. Wat later valt in de vennootschapsbrievenbus een uitnodiging tot minnelijke schikking. Tijdens deze vakantie is het bureau onbemand. Ook na de vakantie raakt deze uitnodiging ondergesneeuwd op het bureau van een reeds overwerkte bediende. Klinkt dit scenario minder hypothetisch dan gewenst?

Gevolg: zowel de vennootschap als de bestuurder in kwestie zullen een iets minder fijne uitnodiging, dagvaarding genaamd, ontvangen. De bestuurder - helemaal bekoeld van zijn zomertrip - meldt zich op de gevraagde datum aan om (na vaak uren wachten) tot verantwoording te worden geroepen door dé Politierechter himself. Hij heeft zich misschien voorgenomen zijn verlies waardig te dragen: wie zijn g*t verbandt, ...

De wraak van onze hoeders van de wet zal echter dubbel zo zoet wanneer de tot inkeer gekomen bestuurder braafjes verschijnt voornemens om de boete te betalen. Hij zal namelijk niet enkel gestraft worden voor zijn losbandig zomers gedrag. Ook de vennootschap zal in de buidel moeten tasten wegens een nog ander misdrijf. Het niet voldoen aan de identificatieverplichting.

Conclusie: Drive safe & save!

Het eerste uitgangspunt moet nog steeds zijn: vermijd verkeersinbreuken zowel voor uzelf als voor de andere weggebruikers. Een tripje naar Zolder of Francorchamps is overigens een leuk alternatief. Wie het echter niet kan laten om de grenzen van de op de openbare weg geldende snelheidsbeperkingen op te zoeken, kan maar beter zijn zaken op orde hebben. Het niet identificeren van uzelf als bestuurder van zowel de vennootschap als van het voertuig kan tot dubbele bestraffing leiden.

Contacteer ons gerust voor meer informatie over dit onderwerp of assistentie bij de registratie van de gebruikers van het wagens op naam van de vennootschap.


btw-forfait voor kleinhandelaars dooft uit

Op vandaag zijn er in België nog steeds enkele duizenden kleinhandelaars die gebruik maken van de zogenaamde forfaitaire btw-regeling. Dit betekent dat men de btw niet berekent op hun werkelijke verkopen en aankopen, maar op een forfait, bepaald per sector. Het gaat hierbij voornamelijk om caféhouders, bakkers, slagers en kappers.

De huidige regering heeft nu beslist om dit regime te laten uitdoven. Tegen 1 januari 2028 moet het regime volledig afgeschaft zijn.

btw-forfait

De btw-administratie heeft met bepaalde sectoren forfaits afgesproken om hun omzet te belasten. De omzet van deze btw-plichtigen wordt daarbij forfaitair berekend op basis van hun aankopen of hun uurtarieven.

Om van het forfaitaire regime te kunnen genieten, zijn er uiteraard wel enkele voorwaarden:

  • Zo mag de jaaromzet, exclusief btw, niet hoger zijn dan € 750.000,00;
  • Vanaf 1 januari 2020 kan ook enkel een onderneming/natuurlijke persoon nog genieten van het forfaitaire regime. Vennootschappen zijn voortaan dus uitgesloten;
  • Minstens 3/4 van de omzet komt uit handelingen waarvoor het niet verplicht is een factuur uit te schrijven;
  • Tot slot moet de kleinhanderaar tot een van volgende toegelaten sectoren of beroepen behoren:- apothekers- bakkers, brood- en banketbakkers;
    - caféhouders;
    - consumptie-ijsbereiders;
    - exploitanten van frietkramen;
    - foornijveraars;
    - herenkappers, dameskappers, heren- en dameskappers;
    - kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren, kranten en tijdschriften, levensmiddelen, zuivelproducten en melkventers;
    - schoenherstellers;
    - slagers en spekslagers.

Een boekhouding voor iedereen

De forfaitaire btw-regeling vormt sowieso een uitzondering op het voeren van een gedetailleerde en bewijskrachtige boekhouding. Sinds de hervorming van het Wetboek van Economisch Recht moet nochtans elke onderneming een boekhouding voeren.

Kleinhandelaars die nog altijd zonder boekhouding werken, zullen hier vanaf 2028 niet langer aan ontsnappen. De regering maakt namelijk komaf met de forfaitaire btw.

In het forfait voor de caféhouders is bijvoorbeeld vastgelegd hoeveel pinten je uit een vat bier kan tappen. Dit is uiteraard een fraudegevoelig systeem en voer voor discussie.

In haar voortdurende strijd tegen fiscale fraude, wil de regering daarom ook dit forfaitaire btw-regime afschaffen. Dit heeft tot gevolg dat vanaf 2028 elke ondernemer - hoe klein ook - een boekhouding zal moeten voeren.

Timing

Tijdens een vergadering vorig jaar met de FOD Financiën en de vertegenwoordigers van alle betrokken sectoren werd de afschaffing vanaf 1 januari 2023 vooropgesteld. Echter, dit was voor de betrokken sectoren te kort dag. Daarom werd een uitdoofscenario overeengekomen. De afschaffing van de forfaitaire belastingregeling zal dus pas gelden vanaf 1 januari 2028. Dit geldt ook enkel voor zij die reeds het forfait toepassen.

Vanaf 1 januari 2022 kan niet meer gestart worden met de forfaitaire belastingregeling.

Conclusie

Het effectieve einde van de forfaitaire btw-regeling voor kleinhandelaars is nu heel dichtbij. Vanaf 1 januari 2022 zal alvast niet meer gestart kunnen worden onder de forfaitaire regeling. Voor diegene die er actueel nog gebruik van maken, valt het doek op 1 januari 2028.

Laat ons eerlijk zijn: dit fiscaal anachronisme hoort niet langer in een moderne economie waar digitalisering en elektronische betalingen mee het ritme bepalen. Bovendien is het een finale en logische stap in het belasten van de werkelijke resultaten.