UBO-register: info meedelen uiterlijk vóór 30 november 2018

In een vorige bijdrage hebben we u al ingelicht over de invoering van het nieuwe ‘register van uiteindelijke begunstigden’ of kortweg ‘UBO-register’. Daarin werd al uiteengezet wie als uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt. De Antiwitwaswet dateert al van 18 september 2017, maar voor de praktische toepassing ervan was het nog wachten op de uitvoeringsbesluiten.

Met het KB van 30 juli 2018 is nu concreet vastgelegd welke informatie bestuurders moeten meedelen, wie toegang heeft, enzovoort.

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

Het UBO-register beoogt informatie te verzamelen over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen, vzw’s en stichtingen, trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten.

Het moet gaan om vennootschappen die in België opgericht zijn. Ook vzw’s en stichtingen moeten zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vzw-wet.

Maar wat betreft de trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten werd niet wettelijk bepaald waar zij opgericht of gelokaliseerd moeten zijn. We kunnen ervan uitgaan dat trusts vanuit België moeten worden beheerd. Maar volgens het KB moet ook een UBO-register worden bijgehouden indien de trustee of fiduciebeheerder buiten de EU gelokaliseerd is, maar bijvoorbeeld een onroerend goed in België aankoopt via de trust.

Bemerk dat het register geldt voor zowel kleine als grote entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dus ook voor maatschappen.

Welke informatie moet worden meegedeeld?

Voor de vennootschappen, vzw’s en stichtingen moet de informatie worden meegedeeld door de bestuurders. Bij trusts, fiducieën en gelijkaardige entiteiten moet dit gebeuren door de trustees of fiduciebeheerders.

In het register moeten de uiteindelijk begunstigden volledig worden geïdentificeerd, dit wil zeggen: naam, adres, nationaliteit, geboorteplaats, geboortedatum etc.

Daarnaast moet ook de omvang van het aanmerkelijk belang in een vennootschap worden meegedeeld.

Wie heeft toegang tot het register?

Voor wat betreft de vennootschappen, zou ‘in principe’ elke burger toegang hebben tot het register. Die toegang zal evenwel beperkt blijven tot bepaalde gegevens, dus bijvoorbeeld niet de voornaam, geboortedatum, adres enz.

Voor wat betreft vzw’s, stichtingen, trusts en dergelijke heeft een persoon of organisatie slechts toegang indien hij een legitiem belang aantoont.

Ook de fiscus heeft – met het oog op de belastingheffing – toegang tot het UBO-register.

Voor de toegang tot het register zal, behalve voor de autoriteiten, een administratieve bijdrage verschuldigd zijn.

In bepaalde gevallen (zoals bijvoorbeeld bij risico op fraude of chantage) kan de toegang tot het register ontzegd worden.

Hoe kan ik de info meedelen aan het register?

Via het online platform MyMinfin zal u toegang hebben tot het UBO-register. Vermits het register zelf nog niet operationeel is, kan u op dit ogenblik nog geen informatie meedelen.

Ook via een gevolmachtigde (bijvoorbeeld uw accountant) zal u info aan het register kunnen meedelen.

Wanneer dient de informatie te worden meegedeeld?

Het UBO-register wordt operationeel vanaf 31 oktober 2018. Vennootschappen dienen de gegevens vervolgens binnen de maand, dus uiterlijk op 30 november 2018, voor de eerste keer mee te delen.

Elke wijziging in het UBO-register (bijvoorbeeld adres, het belang…) moet binnen de maand nadat de wijziging gekend is, worden doorgegeven aan het UBO-register. Daarnaast moet de informatie ook jaarlijks worden bijgewerkt of bevestigd.

Sanctie

Zij die -ondanks de wettelijke verplichting- niet de vereiste informatie aan het UBO-register meedelen kunnen een administratieve boete krijgen ten belope van 250 tot maximum 250.000 euro.

Nog vragen?

Aarzel zeker niet om onze juristen te contacteren.


Gratis evenement en toch volledige btw-aftrek, het kan.

De minister van Financiën heeft gezorgd voor een ommezwaai inzake btw-aftrek bij evenementen. Hij stelt dat een gratis evenement voor het grote publiek recht kan geven op volledige aftrek van btw. Hiermee fluit hij vele fiscale controleurs terug die al jaren het tegenovergestelde beweerden.

Jarenlange discussie

Bij gratis evenementen, die wel betalende reclamediensten en/of cateringdiensten voorzien, is er sinds jaar en dag discussie of de organisator volledig recht op aftrek van btw heeft. In het verleden werd aangenomen dat een gratis evenement het algemeen belang dient. Hierdoor had de organisator geen volledig recht op aftrek van btw. Enkel de kosten gemaakt in het kader van de betalende reclame- en/of cateringdiensten mochten worden afgetrokken. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten uit deze diensten moesten worden afgesplitst.

Geen inkomgelden, maar toch economische activiteit

Naar analogie met het Hof van Justitie (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda) is de minister van Financiën van mening dat een gratis evenement waarbij ook reclamediensten en/of cateringdiensten worden verschaft, samen een economische activiteit uitmaken.(Vr. nr. 2055 Servais Verherstraeten, 30 januari 2018, Vr. en Antw. Kamer 2017-18, afl. 155, 441)

Vanwaar komt dit plots?Volgens hem is het onlogisch dat het gratis karakter zou impliceren dat het een afzonderlijke activiteit betreft. Als gevolg stelt de minister dat dergelijk evenement wel degelijk een volledig recht op aftrek van btw geeft.

Het basisprincipe om de aftrek te bepalen is het bestemmingsprincipe. Dit houdt in dat het recht van aftrek bepaald wordt door het koppelen van input aan output. Het antwoord van de Minister van Financiën is een logisch gevolg van de toepassing van dit basisprincipe.

Om het recht op aftrek te bepalen wordt vaak gekeken of de kost in de prijs van de output is opgenomen of in de algemene kosten. Dit klopt echter niet steeds. Een onderneming die winst nastreeft zal namelijk altijd rekening houden met haar kosten voor de bepaling van haar verkoopprijzen. Hierdoor zou er altijd recht van aftrek zijn. Wat niet strookt met de fiscale realiteit.

Het Hof van Justitie heeft in het verleden het recht van aftrek reeds bepaald op enkele andere criteria, namelijk de objectieve inhoud van de activiteiten en de noodzakelijkheid. Doordat dit subjectieve criteria betreffen, is er niet altijd duidelijkheid. Op grond van deze criteria heeft het Hof van Justitie al meermaals beslist dat er toch recht van btw-aftrek is.

Goed nieuws voor vzw’s

Door dit antwoord van de minister genieten ondernemingen die gratis evenementen organiseren waarbij reclame- en/of cateringdiensten worden verstrekt, volledig recht van aftrek inzake btw.

Maar ook vzw’s hebben hier voordeel bij. Indien zij dergelijk evenement organiseren zullen zij ook het volledige recht van aftrek hebben. Zij moeten dan wel alle formaliteiten voldoen om deze aftrek te kunnen gebruiken. Het evenement zelf zal zonder btw zijn, aangezien dit gratis is.

Een ander belangrijk punt is dat dit niet enkel voor de culturele evenementen geldt, maar voor alle evenementen. Hierdoor geldt dit ook voor de sportsector in de ruime zin van het woord, met name sportevenementen en sportinfrastructuur. Indien een sportvereniging of -club een nieuw stadion bouwt en hierin dergelijke gratis evenementen organiseert, zal ze toch de btw op de bouw van het stadion kunnen aftrekken.

Opgelet met subsidies

Indien een onderneming of vzw subsidies ontvangt voor de organisatie van een activiteit in het openbaar belang, heeft dit mogelijk een negatieve invloed op het recht van aftrek. Dit is in het verleden bevestigd in een parlementaire vraag, alsook door het Hof van Cassatie. (VR. nr. 314 Nyssens, 22 december 1999; Cass. 19 juni 201’, F.12.0082.N, Recreatie- en natuurpark Keiheuvel)

Deze visie is in latere rechtspraak niet altijd  gevolgd. Indien activiteiten deels ook met eigen middelen worden bekostigd, is reeds geoordeeld dat deze wel recht op aftrek kan hebben.

Indien er algemene werkingstoelagen worden ontvangen, dan heeft dit geen invloed op het recht van aftrek. Hoewel het onderscheid heel belangrijk is, is dit steeds duidelijk.  (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda)

Conclusie

De minister van Financiën heeft door zijn antwoord voor meer duidelijkheid gezorgd. Vanaf nu zullen fiscale controleurs moeten aanvaarden dat organisatoren van dergelijke evenementen volledig recht van btw-aftrek genieten. Voor ondernemingen en vzw’s is dit een goede zaak.


Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


Meldingsplicht voor fiscalisten van agressieve grensoverschrijdende constructies

Fiscalisten zullen vanaf 1 juli 2020 agressieve grensoverschrijdende constructies moeten melden aan de fiscus. Richtlijn 2018/822 inzake de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied kadert volledig in de ingezette strijd tegen internationale belastingontduiking. De meldingsplicht is grotendeels een weergave van actiepunt 12 van het internationaal plan van de OESO uit 2013 inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS).

Transparante fiscale constructies

Op vandaag worden nog steeds fiscale constructies opgezet waarbij belastbare winsten worden verschoven naar belastingparadzijen of waarbij de totale belastingdruk op een andere kunstmatige manier fors wordt verlaagd. Op zich zijn deze constructies niet altijd illegaal, maar sinds de Panama Papers is een agressieve fiscale planning maatschappelijk niet meer verdedigbaar.

Centrale database

Op 25 mei 2018 heeft de Europese Raad  Richtlijn 2018/822 aangenomen wat betreft de invoering van een meldingsplicht voor 'intermediairs' wanneer zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende fiscale constructies. Deze richtlijn maakt deel uit van een reeks maatregelen die ontwijking van vennootschapsbelasting moeten helpen vermijden en wijzigt Richtlijn 2011/16.

Intermediairs - zoals fiscale advocaten, belastingconsulenten, accountants - zullen daarom mogelijk schadelijke constructies moeten melden aan de nationale belastingsautoriteit. Via een centrale database zullen de lidstaten van de Europese Unie die informatie onderling uitwisselen. De lidstaten worden er verder toe verplicht sancties op te leggen aan intermediairs die de transparantiemaatregelen niet naleven.

Wat is 'agressief'?

De vraag stelt zich natuurlijk wat onder grensoverschrijdende 'agressieve planning' moet worden verstaan. Daarom zal door middel van "wezenskenmerken" worden bepaald welke types van  constructies aan de fiscus zullen moeten worden gerapporteerd. Dit betekent niet noodzakelijk dat een constructie schadelijk is. Wel dat ze mogelijk dient te worden onderzocht door de belastingautoriteiten. Veel constructies zijn immers volledig legitiem, het is dus een kwestie van uit te maken welke dat niet zijn.

Inwerkingtreding

De lidstraten krijgen tot 31 december 2019 de tijd om de richtlijn om te zetten in de nationale wetgeving. De nieuwe rapportageverplichtingen gelden vanaf 1 juli 2020. Op die datum zou de meldingsplicht ook in België  in werking moeten treden.

De lidstaten worden verplicht elke 3 maanden informatie uit te wisselen, dit binnen één maand na het einde van het kwartaal waarin de informatie is verstrekt. De eerste automatische informatie-uitwisseling zal dus uiterlijk op 31 oktober 2020 plaatsvinden.


GDPR en het nut van een Data Protection Officer

De Data Protection Officer of functionaris gegevensbescherming is in het leven geroepen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming, beter gekend als GDPR. Maar wat is een Data Protection Officer? Waarin kan deze een meerwaarde bieden voor u als onderneming ?

Wat is een Data Protection Officer?

Een Data Protection Officer, afgekort DPO en vertaald functionaris gegevensbescherming, is een persoon die over de nodige expertise inzake gegevensbescherming beschikt. Enerzijds betreft dit de Algemene Verordening Gegevensbescherming, anderzijds alle regelgeving die verband houdt met privacy en gegevensbescherming.

Deze kan een persoon binnen uw onderneming zijn of een externe persoon. Indien u een interne persoon aanstelt als DPO mag er geen belangenconflict ontstaan. Zo zal de zaakvoerder niet de rol van Data Protection Officer op zich mogen nemen.

Verplicht?

Het aanstellen van een Data Protection Officer is niet steeds een keuze. In sommige gevallen bent u als onderneming verplicht. Dit is het geval wanneer u:

  1. een overheidsinstantie of – orgaan bent.
  2. op grote schaal bijzondere categorieën persoonsgegevens of strafrechterlijke gegevens verwerkt en dit tot uw hoofdactiviteit behoort.
  3. op grote schaal regelmatig en stelselmatig observaties van betrokkene verricht en dit tot uw hoofdactiviteit behoort.

Om te weten of u tot één van de gevallen behoort waarbij het aanstellen van een Data Protection Officer verplicht is, is het van belang te weten wat "hoofdactiviteit" en "op grote schaal" betekent.

Wat is "de hoofdactiviteit"?

Indien het verwerken van persoonsgegevens tot de kerntaken van uw onderneming behoort, behoort deze ontegensprekelijk tot de hoofdactiviteit. Met andere woorden moet het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de doelstellingen van de onderneming.

Voorbeeld: een ziekenhuis heeft als hoofdactiviteit zorgverlening. Het verwerken van persoonsgegevens is noodzakelijk voor de doelstelling van het ziekenhuis, namelijk zorg verlenen aan patiënten.

Hoeveel is "op grote schaal"?

Het is niet mogelijk om een getal op het begrip “op grote schaal” te plaatsen. Dit zal steeds per situatie bekeken moeten worden. Bij de beoordeling of een verwerking op grote schaal plaatsvindt dient rekening te worden gehouden met de territoriale spreiding, het aantal verwerkte gegevens en betrokkene, de duur van de activiteit, ...

Voorbeeld: De verwerking van persoonsgegevens door een bank wordt beschouw als "op grote schaal". De verwerking van persoonsgegevens door een arts dan weer niet.

Geen verplichting, toch een aanrader

Indien u als onderneming niet verplicht bent om een Data Protection Officer aan te stellen, kan het toch worden aanbevolen. Een DPO kan een meerwaarde bieden in uw voorbereiding om GDPR compliant te worden, alsook de verdere opvolging.

Taken

Een Data Protection Officer heeft verscheidene taken. Allereerst zal de DPO u informeren en adviseren omtrent de verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.

In het kader van de opmaak van register van verwerkingsactiviteiten, het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, implementeren van nieuwe procedures, … zal de DPO u bijstaan.

Daarnaast ziet de DPO ook toe op de naleving van de verplichtingen zoals opgelegd door de Verordening en andere regelgeving/bepalingen omtrent gegevensbescherming. Ook toekomstige ontwikkelingen inzake gegevensbescherming, zoals nieuwe wetgeving of rechtspraak worden opgevolgd. Dit zorgt ervoor dat u steeds op de hoogte bent van nieuwe ontwikkelingen op het vlak van gegevensbescherming, waardoor u tijdig kan ingrijpen.

Verder zal de DPO uw contactpunt zijn voor de toezichthoudende autoriteit. Hij zal met de toezichthoudende autoriteit samenwerken indien er een klacht of controle zou ontstaan.

Conclusie

Ook al bent u niet verplicht om een Data Protection Officer aan te stellen, kan dit toch nuttig zijn. Deze helpt u in verschillende opzichten om uw onderneming met gegevensbescherming te laten omgaan.

Indien u graag begeleid wordt bij de implementatie van de Verordening of een externe Data Protection Officer wenst aan stellen, kan u bij aternio terecht.


Elektronische openbare verkoop: interactief en online

Vanaf 1 mei 2018 kan een openbare verkoop niet alleen met fysieke maar ook met elektronische biedingen gebeuren. Een gemengd scenario is evenwel niet voorzien. Er moet dus vooraf gekozen worden tussen een fysieke of een gedematerialiseerde openbare verkoop.

Een elektronische openbare verkoop is interactief en speelt zich af gedurende een bepaalde periode. Publiciteit voor dergelijke interactieve openbare verkoop zal  gebeuren via het internet en/of via een affiche op het te verkopen onroerende goed.

Basisregels

Het Gerechtelijk Wetboek (art. 1193 en 1587) bevat hiervoor een aantal nieuwigheden.

  1. de toewijzing is bij opbod en geschiedt in één enkele gedematerialiseerde zitting;
  2. de verkoopsvoorwaarden, de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen worden vooraf bepaald;
  3. de notaris wijst het goed toe binnen een periode van maximaal 10 werkdagen na het ogenblik waarop de elektronische openbare verkoop is gesloten;
  4. de toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en door het opstellen van het proces-verbaal van toewijzing;
  5. de verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. Modaliteiten en kostprijs voor koper bij niet vervulling van de voorwaarde worden vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.

Toewijzing

Na het afsluiten van de biedingen heeft de notaris dus maximaal 10 werkdagen om het hoogste bod kenbaar te maken aan de verkoper of de verzoeker, de hoogste bieder te contacteren en de nodige verificaties omtrent de bieder te doen. De bekendmaking van het hoogste bod gebeurt online.

Op dezelfde dag van de bekendmaking wordt het bod van de bieder authentiek bekrachtigd door het ondertekenen van het proces-verbaal van toewijzing. De ondertekening vereist de persoonlijke verschijning van partijen of hun lasthebbers voor de notaris.

De termijn van 10 werkdagen is echt een maximum. Niets belet dat reeds bij de aanvang van de biedingen een afspraak in de agenda van de notaris wordt voorbehouden voor de ondertekening van het proces-verbaal. Bijvoorbeeld de eerstvolgende werkdag na het sluiten van de biedingen. Bij een fysieke openbare verkoop wordt het proces-verbaal van toewijzing zelf onmiddellijk na het sluiten van de biedingen getekend.

Instelprijs en instelpremie

Naar analogie met andere bestaande onlineveilingen zal met een instelprijs worden gewerkt. Dit kan alleen maar de slaagkans van de elektronische openbare verkoop vergroten. Nu er geen recht van hoger bod meer is, is het vaststellen van een 'juiste' instelprijs natuurlijk belangrijk. Mocht niemand een bod doen dan is er voorzien in de mogelijkheid van afmijning.

De wet voorziet een instelpremie voor elke openbare verkoop waarbij gewerkt wordt met een instelprijs. De bieder die bij aanvang van de openbare verkoop het eerste bod doet, gelijk of hoger dan de instelprijs, krijgt een premie van 1% gelijk aan zijn eerste bod. Voorwaarde is wel dat het goed finaal aan hem wordt toegewezen. Bij een elektronische openbare verkoop zal het dus belangrijk zijn om snel te zijn. De kans op de premie is hier allicht kleiner dan bij een traditionele openbare verkoop in een verkoopzaal.

Kosten

Er is geopteerd om te blijven werken met het bestaande systeem waarbij de koper een forfaitair aandeel in de rechten, kosten en erelonen betaalt. Dit is volgens een bepaald percentage op de verkoopprijs en de eventuele bijkomende lasten. Dit kostenpercentage is sinds 1 januari 2013 uniform voor heel België, uiteraard zijn er de regionale verschillen inzake registratierechten.

Het is niet uitgesloten dat de publiciteitskosten, die leveringskosten zijn voor de verkoper, niet langer worden afgewenteld op de koper. De algemene verkoopsvoorwaarden zullen dit duidelijk maken.

Registratie en waarborgen

Voorafgaande registratie via de elektronische identiteitskaart (eID) of digitale ID (Itsme) zal noodzakelijk zijn. Al zal ook kunnen gewerkt worden met een login en paswoord dat via de notaris kan worden bekomen.

Net zoals bij een fysieke openbare verkoop kan de notaris van iedere bieder een zekerheid of een borg eisen. Dit moet blijken uit de algemene verkoopsvoorwaarden.

Online platform

De Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen (Fednot) lanceert in mei 2018 het online platform langswaar men zal kunnen bieden.  Het platform zal toegankelijk zijn via de website van het notariaat.


Individuele ficheplicht voor ziekenhuisartsen in een maatschap

Erelonen van artsen in een ziekenhuis worden vaak centraal geïnd door het ziekenhuis. Vervolgens worden de erelonen verder verdeeld onder de verschillende artsen. We zien dat artsen zich in de praktijk hiervoor vaak groeperen in een “maatschap”. De maatschap zal daarbij alle erelonen ontvangen en verder verdelen onder de verschillende artsen volgens een bepaalde verdeelsleutel.

Fiscale onduidelijkheid

Vorig jaar ontstond er een discussie omtrent de opmaak van fiches 281.50 wanneer artsen zich hebben verenigd in zo’n maatschap. De Minister van Financiën was van oordeel dat de fiche in principe moet worden opgemaakt op naam van elk lid van de maatschap met zijn of haar deel in de inkomsten. In werkelijkheid zien we dat veel ziekenhuizen slechts één fiche opmaken op naam van de maatschap, en dus niet op naam van de individuele leden. Het ziekenhuis weet namelijk niet steeds welke verdeelsleutel de artsen onderling hebben afgesproken, bijgevolg weet het ziekenhuis ook niet hoeveel elke arts uiteindelijk ontvangt.

Indien er echter een fiche is opgemaakt op naam van de maatschap en niet op naam van de individuele leden, zijn de bedragen niet langer aftrekbaar als beroepskosten voor het ziekenhuis. Bovendien riskeert het ziekenhuis een aanslag geheime commissielonen.

Dit mocht een Limburgs ziekenhuis ondervinden na een fiscale controle, waarbij zij geconfronteerd werd met een miljoenenclaim.

Verduidelijking

Na overleg met de FOD Financiën heeft de FOD Volksgezondheid een brief uitgebracht aan de ziekenhuizen.  In de brief staat dat een fiche moet worden opgemaakt per individueel lid voor hun deel van de inkomsten. Er mag dus geen fiche mag worden opgemaakt op naam van de maatschap.

Dit betekent natuurlijk dat de ziekenhuizen tijdig moeten worden geïnformeerd over de verdeling binnen de maatschap. Desnoods moet dit gebeuren op basis van de gegevens die het ziekenhuis vanwege het RIZIV ontvangt. Dit zorgt er mogelijk voor dat de gerapporteerde bedragen kunnen verschillen van de werkelijk ontvangen bedragen.

Volgens de brief zal het ziekenhuis gelukkig niet verantwoordelijk worden gesteld voor een eventuele afwijking tussen de reële inkomsten van de maten versus de aangegeven bedragen. Voorwaarde is wel dat het ziekenhuis aantoont dat de nodige inspanningen zijn geleverd om de vereiste info op te vragen. Dit betekent wellicht dat het ziekenhuis dan geen fiscale sancties hoeft te vrezen. De verduidelijking geldt vanaf aanslagjaar 2018.


Onroerende verhuur optioneel met btw: dan toch?!

In het groot zomerakkoord van premier Michel werd, naast de belangrijke hervorming van de vennootschapsbelasting, voorzien in een optioneel stelsel waarbij onroerende verhuur voortaan kan worden onderworpen aan btw. Het idee werd al gauw weer afgevoerd omdat het financieel niet haalbaar bleek te zijn.

Maar dit weekend heeft de regering, in het kader van de begrotingscontrole, hierover dan tóch een akkoord bereikt.

Waarom?

Op vandaag is de verhuur van onroerende goederen in principe vrijgesteld van btw. Dit betekent echter ook dat de btw-kosten voor oprichtings-, verbouwings- en herstellingswerken van onroerende goederen niet kunnen worden afgetrokken door de eigenaar/verhuurder. Dit drijft de uiteindelijke huurprijs aanzienlijk naar omhoog.

Er bestaan wel enkele uitzonderingen op de vrijgestelde onroerende verhuur, zoals bijvoorbeeld de verhuur van opslagruimte, leasing, etc. Maar in de praktijk blijken de voorwaarden vrij streng.

De invoering van het optioneel stelsel voor btw-belaste onroerende verhuur (zoals dit in Nederland bijvoorbeeld al langer bestaat) zou alvast een grote stap voorwaarts zijn.

Met de invoering van het optioneel btw-stelsel voor onroerende verhuur wil onze regering alvast een einde stellen aan de competiviteitshandicap van Belgische operatoren op de Europese vastgoedmarkt.

Toepassingsgebied

Het stelsel zou enkel gelden voor professionele huurders, niet voor particulieren of openbare instellingen.

Zoals gezegd gaat het over een louter 'optioneel' stelsel. Men kan met andere woorden zelf kiezen om de verhuur van onroerende goederen al dan niet te onderwerpen aan btw. De optie voor btw moet wel zowel door de huurder als de verhuurder worden uitgeoefend.

De nieuwe regels zullen ook enkel gelden voor nieuwbouwprojecten (met inbegrip van fundamentele nieuwbouw).

Indien wordt geopteerd voor het btw-stelsel zal een bijzondere herzieningstermijn van 25 jaar van toepassing zijn.

Inwerkingtreding

Momenteel zijn er nog geen officiële teksten beschikbaar, maar hier en daar wordt reeds melding gemaakt dat het stelsel in werking zal treden voor nieuwbouwprojecten vanaf 1 oktober 2018.

Wordt vervolgd...

 

 


GDPR, de klok tikt ook na 25 mei 2018

GDPR is voor veel ondernemingen een woord dat ze niet kennen of liever niet horen. Nochtans dient vanaf 25 mei 2018 elke onderneming GDPR-compliant te zijn. Omwille daarvan is het toch belangrijk dat u zich bewust bent van de verplichtingen en de sancties die GDPR inhoudt.

GDPR, wat is het en waarom?

GDPR is de afkorting voor "General Data Protection Regulation". Het betreft een Europese verordening, die de persoonsgegevens van natuurlijke personen beoogt te beschermen. De GDPR-verordening is tot stand gekomen omwille van de digitalisering van onze wereld.  Bescherming van persoonsgegevens is hierin super belangrijk. Bedrijven zoals facebook en google verwerken namelijk heel wat persoonsgegevens, maar ze zijn heus niet alleen. Men kan gerust stellen dat zo goed als elke onderneming dit doet.

De tweede reden waarom de Europese verordening tot stand gekomen is, is de uniformiteit. Reeds voor de verordening was er een Europese richtlijn. Deze werd in elke lidstaat omgezet in nationaal recht, waardoor er tussen de lidstaten nog te vaak verschillen waren. Omwille hiervan heeft de Europese Unie gekozen om een verordening uit te vaardigen. Deze verordening is onmiddellijk van toepassing in elke lidstaat.

Toepassingsgebied van GDPR

De verordening is van toepassing van zodra persoonsgegevens van een natuurlijke persoon elektronisch worden verwerkt of op volgorde (alfabetisch, chronologisch) worden geordend. Verwerken dient ruim geïnterpreteerd te worden. Voorbeelden zijn ordenen, verzamelen, opslaan, bewerken, ...

De verordening voorziet ook enkele uitzonderingen op het toepassingsgebied. Het verwerken van persoonsgegevens in het kader van activiteiten die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen, of door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van zuiver huishoudelijke of persoonlijke activiteiten  vallen niet onder het toepassingsgebied. Ook de verwerking door een lidstaat in het kader van beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie wordt niet door de verordening beoogt.

Wat de territoriale bevoegdheid betreft, strekt deze zich uit tot buiten de EU. Vooreerst moeten alle verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers die zich binnen de EU bevinden aan de verordening voldoen. De verordening heeft ook een impact op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers buiten de EU. Zij zullen steeds aan de verordening moeten voldoen in de mate dat zij persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Unie bevinden, verwerken.

Meer rechten voor betrokkenen

De grote doelstelling van de verordening is de natuurlijke persoon meer bescherming bieden inzake zijn persoonsgegevens. Deze bescherming gaat gepaard met informatie verstrekken, controle uitoefenen alsook rechten toekennen.

De betrokkene, wiens persoonsgegevens verwerkt wordt, moet transparantie krijgen. Dit houdt in dat de betrokkene goed, duidelijk en in begrijpelijke taal geïnformeerd moet worden. De verordening voorziet zelf expliciet uit wat deze informatie moet bestaan. (art. 13 en 14 GDPR)

Daarnaast voorziet de verordening dat de betrokkene meer controle heeft over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Dit wordt mee verwezenlijkt door de rechten die aan de betrokkene zijn toegekend in de verordening. Deze rechten zijn: transparantie, rectificatie, inzage, wissing, beperking, bezwaar, vrije overdracht en geautomatiseerde besluitvorming. Door middel van deze rechten te kunnen uitoefenen, heeft de betrokkene de mogelijkheid om de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren en eventueel zelfs in te grijpen.

Indien dit alles nog niet voldoende zou zijn, kan de betrokkene steeds een klacht indienen bij de toezichthoudende autoriteit of een beroep instellen bij de rechter. Voor België is de toezichthoudende autoriteit de Privacycommissie.

Verplichtingen uit GDPR

Gepaard gaande de bescherming voor de persoonsgegevens van de betrokkene, zijn er ook meer en strengere verplichtingen voor de verwerkingsverantwoordelijke (en verwerker). Vooreerst moeten de verwerkingsverantwoordelijke steeds kunnen aantonen dat zij GDPR-compliant zijn. Dit houdt in dat de bewijslast inzake het voldoen van de verplichtingen bij de verwerkingsverantwoordelijke ligt. Om dit te kunnen aantonen, moet de verwerkingsverantwoordelijke een intern beleid voeren.

Dit intern beleid zorgt er ook voor dat aan andere verplichtingen uit de verordening wordt voldaan. Deze andere verplichtingen zijn het waarborgen van de rechten, procedures inzake datalekken en uitoefenen van rechten door betrokkenen, opstellen van een register van verwerkingsactiviteiten, privacyverklaringen, overeenkomsten (werknemers, klanten, leveranciers,...) conform maken, beveiliging van IT systeem verbeteren, ...

Gaat dit niet te ver?

Ondanks de goede bedoelingen van de verordening gaat dit alles wel heel ver. Iedereen is het er over eens dat bescherming van persoonsgegevens in een digitale wereld essentieel is. De verordening heeft evenwel ook kleine ondernemingen meegesleurd in haar gigantisch web van verplichtingen. Denk maar aan de bakker om de hoek, die uw persoonsgegevens verwerkt met als doel uw bestelling klaar te maken of aan huis te brengen. Ook deze wordt onderworpen aan de verordening.

Het feit dat de verordening voorziet in proportionaliteit, is maar een magere troost. De verordening voorziet dan weliswaar dat de verplichtingen enkel voldaan moeten worden in proportie met de mogelijkheden van de onderneming. Toch blijft het voor vele ondernemingen een huzarenstuk om te voldoen.

Conclusie

GDPR is voor bijna niemand de ver van het bed show. U negeert de verordening best niet aangezien de sancties niet min zijn. De administratieve boetes kunnen oplopen tot 20.000.000 euro of 4% van de wereldwijde omzet van het vorig belastbaar tijdperk indien dit hoger zou zijn. Het zal de Privacycommissie zijn die door middel van onderzoeks- en vervolgingsbevoegdheden controles zal uitvoeren. Het risico op controle vergroot uiteraard wanneer een betrokkene een klacht indient.

Indien u dit wenst, kan aternio u begeleiden om uw onderneming GDPR-compliant te maken.