Change of control clausules

Change of control clausules komen voornamelijk ter sprake bij overnamedeals van aandelen die een controlewijziging tot gevolg hebben.

Vaak verklaart de verkoper van de aandelen aan de koper dat er geen change of control clausules spelen.

De waarde van de onderneming is immers vaak afhankelijk van de waarde van haar overeenkomsten.

Indien er wél change of control clausules spelen, ontstaan immers ongemakkelijke situaties. Aan uw klanten, leveranciers of de bank zal gevraagd moeten worden of zij de overeenkomst ook verderzetten na de verkoop van de aandelen aan de koper.

Er gaat dan ook heel wat schuil achter deze clausules, die op het eerste gezicht banaal lijken.

Afbakening van het begrip

De controle is “de bevoegdheid om in rechte of in feite een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”.

Een “wijziging” in controle is het gevolg van het verlies van voorgemelde bevoegdheden, een vrijwillige overdracht, of een actieve “verovering” door een minderheidsaandeelhouder of een derde van de controle.

De change of control clausule maakt het mogelijk om een overeenkomst te verpersoonlijken. Als de bestuurder belangrijker wordt dan de vennootschap waarmee het contract wordt ondertekend, wees dan maar gerust dat dergelijke clausule aanwezig zal zijn. In het geval de bestuurder zijn zeggenschap in de vennootschap komt te verliezen zal de clausule uitwerking krijgen. De overeenkomst verliest voor de contractpartij immers mogelijkerwijze aan waarde.

Banken schrijven vaak dergelijke clausules in hun overeenkomsten waardoor zij het recht hebben om een lening voortijdig op te eisen wanneer de controle over de vennootschap wijzigt.

De clausule onder het oude vennootschapsrecht

Artikel 556 van het Wetboek van vennootschappen (hierna W.Venn.) bepaalt dat enkel de algemene vergadering aan derden rechten kan toekennen die een invloed hebben op het vermogen van de vennootschap, dan wel een schuld of een verplichting te haren laste doen ontstaan, wanneer de uitoefening van deze rechten afhankelijk is van een verandering van de controle die op haar wordt uitgeoefend.

In mensentaal…. als er een change in controle clausule aanwezig is in de overeenkomst waarop de vennootschap wenst in te tekenen zal de algemene vergadering dit moeten goedkeuren.

Het tweede lid van voorgemeld artikel stelt daarenboven dat dit besluit gepubliceerd moet worden.

Gelukkig gelden deze formaliteiten dan ook enkel in een NV en in de commanditaire vennootschap op aandelen.

Wij vermoeden dat maar weinig bestuurders zich hiervan bewust zijn…

Nietigheidsanctie

Voorgemelde bepaling is voorgeschreven op straffe van nietigheid.

De clausule (en eventueel heel de overeenkomst) is nietig indien zij niet werd goedgekeurd of de beslissing niet werd gepubliceerd.

Dergelijke formaliteiten hebben bijgevolg verstrekkende gevolgen.

Gevolgen afwezigheid van de goedkeuring

Een bestuurder treedt buiten zijn bevoegdheid als hij een overeenkomst tekent die niet wordt goedgekeurd door de algemene vergadering.

Aangezien de goedkeuring door de algemene vergadering is voorgeschreven bij wet, begaat de bestuurder aldus een overtreding van de wet.

Change of control clausules zijn dan ook au sérieux te nemen.

De vennootschap kan uitspelen dat zij niet gebonden is door de bewuste clausule en zich beroepen op de nietigheid. Indien de vennootschap bijvoorbeeld wordt aangesproken door de kredietverstrekker na een controlewijziging die het krediet onmiddellijk wenst op te zeggen kan zij stellen dat dit niet rechtsgeldig is! De goede trouw van de kredietverstrekker is daarbij zelfs irrelevant. Hij moet de wet kennen! De bank had dus moeten weten dat de algemene vergadering haar goedkeuring diende te geven.

Het is dan ook van belang om te weten:

  1. Hoe sterk u staat in een overeenkomst – Is de change of control clausule in uw voordeel?;
  2. Maar zeker of u dit ook kan uitspelen.

Deelbaarheidsbeding

Als de algemene vergadering de clausule niet heeft goedgekeurd is de change of control clausule nietig. De nietigheid van het beding kan wel eens de nietigheid van heel de overeenkomst teweeg brengen!

In een goed beredeneerde overeenkomst zal vaak een deelbaarheidsbeding zijn opgenomen. De nietige clausule wordt dan gewoon als een afzonderlijk deel in de vuilbak geworpen en het ander deel van de overeenkomst blijft bestaan.

Leest u uw contract wel eens goed na?

Change door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV)?

Artikel 556 W.Venn. is oorspronkelijk bedoeld als een beperking op beschermingsconstructies tegen overnamebiedingen. Het is dan ook niet de bedoeling geweest om deze bepaling om alle NV's toe te passen. Het WVV wijzigt dan ook het toepassingsgebied.

De verplichte goedkeuring door de algemene vergadering zal enkel noodzakelijk zijn in beursgenoteerde NV's.

De tekst is tevens gewijzigd van “invloed op het vermogen” naar “aanzienlijke invloed op het vermogen”. De beperking tot enkel beursgenoteerde NV's is een noodzakelijke wijziging, maar wat is een "aanzienlijke" invloed? De clausules worden immers pas pertinent wanneer er sprake is van een controlewijziging. De impact van een overeenkomst op het vermogen van een vennootschap is bijgevolg geen statisch gegeven...

Door de wijziging wordt dan ook enige rechtsonzekerheid ingevoerd.

Inwerkingtreding? Van algemene vergadering naar de Raad van Bestuur.

De bepaling met betrekking tot de change of control clausules zijn van dwingende aard en zullen dus automatisch op de NV's van toepassing worden op 01.01.2020.

U ontdekt na deze datum een overeenkomst met dergelijke niet-goedgekeurde clausule in een niet-beursgenoteerde NV? Dan dient de Raad van Bestuur deze overeenkomst te bekrachtigen!

Altijd noopt de ondertekening van een overeenkomst tot een grondige lezing! Wij staan voor u paraat als u hulp nodig hebt.


Aansprakelijkheid van bestuurders in het nieuwe vennootschapsrecht

Over het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna afgekort WVV) is al veel inkt gevloeid. In onze eerdere bijdrage kan u alvast de grootste krachtlijnen nalezen. Het WVV heeft al wat belangrijke nieuwigheden te bieden, niet in het minst de beperkte aansprakelijkheid voor de bestuurders van een vennootschap. De wetgever heeft hiermee duidelijk ingespeeld op de tendens om bestuurders sneller aansprakelijk te stellen voor hun handelingen. De nieuwe regels hebben als doel om het ondernemen terug sexy te maken en om morele gemoedsrust te creëren voor de huidige en toekomstige bestuurders.

Algemene aansprakelijkheid

Het WVV voorziet nu in een algemene aansprakelijkheidsregeling. "Algemeen" aangezien ze geldt voor alle rechtspersonen, ongeacht de concrete vorm. De regeling geldt voor elk lid van een bestuursorgaan, dus ook voor de dagelijks bestuurder en zelfs ook voor feitelijke bestuurders. Feitelijke bestuurders zijn namelijk de personen die de vennootschap werkelijk besturen, ook al zijn ze daartoe niet effectief benoemd (door de algemene vergadering, met een publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad).

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Alle voornoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit betekent dat elk lid persoonlijk aansprakelijk is voor beslissingen of nalatigheden van het bestuur. Het voorgaande geldt ongeacht of het bestuur al dan niet een college vormt. De leden van het bestuursorgaan zijn tegenover de vennootschap én tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die ontstaan is door overtredingen van het WVV of de statuten van de vennootschap. Elke bestuurder kan met andere woorden aangesproken worden om zelf volledig in te staan voor vergoeding van de schade aan de betrokken benadeelde(n).

De hoofdelijke aansprakelijkheid wegens loutere bestuursfouten vormt dus een uitbreiding op de eerdere aansprakelijkheidsregels.

Staan bestuurders nu voor een voldongen feit? Moeten ze zich zomaar neerleggen bij de nieuwe regels en hun hoofdelijke aanspreekbaarheid voor schade gewoon accepteren? Nee! Een bestuurder kan de vermeende fout namelijk melden aan de andere leden van het bestuur (of aan een ander toezichtsorgaan). Enkel in dat geval kan men een bestuurder ontheffen van zijn aansprakelijkheid voor fouten waarin hij/zij geen aantoonbaar deel heeft gehad.

Wettelijke beperkingen van de aansprakelijkheid

Hoofdelijke aansprakelijkheid is heel wat. Op basis van het voorgaande zou u zich kunnen afvragen wat nu nog het nut is van een vennootschap. Terecht ... Ware het niet dat het WVV ook voorziet in een uitdrukkelijke beperking van de aansprakelijkheid. De wet voorziet namelijk in een plafonnering van het maximale bedrag waartoe een bestuurder aansprakelijk kan zijn. Deze plafonds zijn afhankelijk van 2 variabelen: het gemiddelde balanstotaal en de gemiddelde omzet (excl. btw) van de laatste 3 boekjaren, voorafgaand aan het instellen van de aansprakelijkheidsvordering.

De reden voor het invoeren van dergelijke beperkingen is dat bestuurders op die manier een redelijke aansprakelijkheidsverzekering kunnen afsluiten.Ook wil men de ongelijkheid wegwerken ten aanzien van managers die als werknemers of via managementvennootschappen van een aansprakelijkheidsbeperking genieten.

Deze aansprakelijkheidsbeperking geldt zowel tegenover de vennootschap zelf als tegenover derden. De beperking geldt bovendien ongeacht de (buiten-)contractuele grondslag van de aansprakelijkheid. De maximale bedragen gelden ook voor alle bedoelde personen samen. Zij gelden per feit of geheel van feiten dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid, ongeacht het aantal eisers of vorderingen.

Zijn verdere contractuele beperkingen mogelijk?

Het WVV bepaalt bovendien dat het niet mogelijk is om voornoemde aansprakelijkheid verder te beperken dan wat er wettelijk voorzien is. Er wordt geen rekening gehouden met bepalingen in de statuten, een overeenkomst of een eenzijdige wilsuiting waarbij men een bestuurder vooraf exonereert of vrijwaart voor diens aansprakelijkheid. Dit wil zeggen dat men op voorhand geen afstand kan doen van een aansprakelijkheidsvordering ten opzichte van de bestuurder.

Bovendien is het ook verboden om de financiële gevolgen van de bestuurdersaansprakelijkheid door een andere entiteit te laten dragen. Op die manier zou men de persoonlijke aansprakelijkheidsregeling van de bestuurder namelijk makkelijk kunnen uithollen. Derden zoals de moedervennootschappen/controlerende entiteiten of aandeelhouders mogen daarentegen bestuurders wel vrijwaren.

Uitsluitingen

Maar, zoals elke medaille hebben ook deze regels ook een keerzijde. De aansprakelijkheidsbeperking geldt namelijk niet ingeval van:

  • vaak voorkomende lichte fouten;
  • zware fouten;
  • bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden;
  • fouten tegen wettelijke verplichtingen inzake o.a. het geldig inschrijven van aandelen, het volstorten van het kapitaal en de kapitaalsverhoging;
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden (onder bepaalde voorwaarden);
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale zekerheidsbijdragen (onder bepaalde voorwaarden).

Met andere woorden: enkel de toevallige lichte fout kan genieten van de beperking van aansprakelijkheid. De vraag of deze beperkingen niet eerder een lege doos zijn, is hier absoluut op zijn plaats.

Aandachtspunten als bestuurder of aandeelhouder?

Het is nu nog meer aan te raden om op voorhand statuten en managementovereenkomsten grondig na te kijken en desgevallend reeds aan een update te onderwerpen.

Volgende punten verdienen bijzondere aandacht:

  • de opdracht van de bestuurder dient steeds zo duidelijk mogelijk te worden omschreven. De bestuurdersaansprakelijkheid is ten aanzien van de vennootschap namelijk van contractuele aard. Bij voorkeur omschrijft men zowel de opdracht als de definitie van fouten en de daaraan gekoppelde gevolgen best zo duidelijk mogelijk;
  • men kan dan wel niet afwijken van de maxima van de aansprakelijkheidsbeperking, maar verfijning is wel mogelijk (denk aan: bewijsclausules, overmachtsclausules,...);
  • het is ook mogelijk om vast te stellen hoe de hoofdelijke aansprakelijkheid zich tussen de verschillende bestuurders verhoudt.

De juristen van aternio staan u graag bij met raad en daad om u te adviseren in deze materie. U kan ze hier contacteren.


Registratierechten op vonnissen, de winnaar kan toch verliezen

We gaan er uiteraard van uit dat u gelijk hebt! Het adagium ‘bezint eer ge begint’ is evenwel een goede leidraad vooraleer een gerechtelijke procedure wordt aangevat. Met dank aan het 'veroordelingsrecht' zou de fiscus wel eens aan de haal kunnen gaan met uw overwinning, de winnaar kan toch verliezen.

Uw advocaat zal u, hopelijk, inlichten over de vermoedelijke kostprijs van zijn ereloonstaat. Op zijn minst zal u zijn uurtarief kennen.

Uiteraard werd u ingelicht over de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, deze kosten dient u alvast in rekening te brengen.

Werd u ook ingelicht over de registratierechten die de fiscus op vonnissen en arresten heft?

Onze ervaring is dat weinig mensen, inclusief advocaten, hiervan op de hoogte zijn en al zeker cliënten hierover onvoldoende op de hoogte worden gebracht.

Registratierechten op vonnissen en arresten 

Ontving u zonet een veroordelend vonnis voor een som van 12.500,00 euro of meer, vergeet voortaan dan niet dat u weldra een betalingsverzoek van de fiscus zal ontvangen voor de registratierechten.

De ratio legis achter de registratierechten bestaat erin dat de verliezende partij zijn steentje dient bij te dragen aan de ‘maatschappelijke service van onze gerecht’.

Ik moet voor de politierechter komen want ik reed door het rode licht en riskeer nu een zware boete. Geen paniek! Op strafboeten, burgerlijke boeten, tuchtboeten of veroordelingen tot het betalen van onderhoudsuitkeringen zijn geen registratierechten verschuldigd.

Desalniettemin kan de invordering van registratierechten een bijkomende financiële aderlating betekenen. Immers bedraagt het registratierecht op een vonnis 3 % van de veroordeling (bijvoorbeeld op een veroordeling van 200.000,00 euro zijn registratierechten ten bedrage van 6.000,00 euro verschuldigd).

Maakt u dan ook de rekensom voor u een gerechtelijke procedure aanvat? Is de mogelijke veroordeling + dagvaardingskosten + rechtsplegingsvergoeding + registratierechten + ereloon van advocaten + risico faillissement/insolvabiliteit van de tegenparij nog in verhouding met de potentiële inkomsten? Zal u als winnaar toch verliezen?

U laat het betalingsverzoek best niet langer liggen dan een maand, aangezien u anders bijkomende boetes riskeert.

Hoger beroep

Registratierechten zijn verschuldigd ongeacht of er hoger beroep is aangetekend. Slechts indien de rechter in hoger beroep beslist om u gedeeltelijk of geheel vrij te spreken zal u de registratierechten terugkrijgen.

Vergeet niet dat procedures in hoger beroep snel een aantal jaar in beslag nemen. Doorgaan tot het bittere einde is de enige mogelijkheid op recuperatie.

Winnende partij kan ook verliezen

De fiscus dient zich in principe tot de verliezende partij te richten.

Indien evenwel uw tegenpartij niet vrijwillig overgaat tot betaling dient u een gerechtsdeurwaarder in te schakelen.

De gerechtsdeurwaarder zal met de inkomende gelden vooreerst zijn eigen kosten betalen. Navolgend worden de registratierechten betaald, aangezien de deurwaarder verplicht is om eerst na te gaan of de fiscus al voldaan is. Dit alles voordat u ook maar één euro ziet verschijnen.

Uw frustratie is terecht …U wint de procedure, u betaalt keurig de ereloonstaat van uw advocaat en u kan eindelijk uw factuur ten bedrage van 15.000 euro innen. Uw tegenpartij dient het geld op te hoesten. Zij betaalt niet vrijwillig en u dient het vonnis te betekenen via tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder (dit kost u opnieuw geld). De eerste 1.000,00 euro die binnenkomen gaan integraal naar de deurwaarder en de fiscus. In tussentijd heeft de deurwaarder een aflossingsregeling bekomen met de tegenpartij voor een aflossing van 150,00 euro per maand. De tegenpartij bezit geen onroerende goederen en een beslag op roerende goederen zal u meer kosten dan opbrengen… Is het sop de kolen nog waard? De winnaar kan zo toch verliezen.

Alternatief, vermijd registratiebelasting

De registratierechten zijn enkel verschuldigd op veroordelingen. U start beter onmiddellijk een onderhandeling met uw tegenpartij vooraleer u wordt veroordeeld, of u de zakken van uw advocaat spijst om een baldadige procedure te voeren.

Wij adviseren dan ook om te onderhandelen met uw tegenpartij, kom tot een vergelijk en laat dit akteren in een akkoordvonnis. Dit akkoordvonnis behelst immers geen veroordeling en hierop zijn geen registratierechten verschuldigd.

Conclusie

Denk vooraf tweemaal na en maak, voor u een gerechtelijke procedure aanvat, toch even een kosten-baten analyse.

Contacteer ons vrijblijvend voor 'the best legal solution'.


Fiscus viseert sportclubs bij sponsoring

De fiscus heeft het nu blijkbaar gemunt op sportclubs die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Denk bijvoorbeeld aan clubs die korting krijgen op drank bij de brouwer in ruil voor een exclusieve afname. Of de truitjes met sponsoring van een slager op voorwaarde dat de sportclub haar inkopen voor het jaarlijks eetfestijn ook bij die slager doet.

Volgens de fiscus moet een sportclub op deze sponsoring roerende voorheffing betalen.

Roerende voorheffing

De vergoeding voor het toestaan van exclusiviteit is immers een roerend inkomen, meent de fiscus. Een vergoeding voor het verkrijgen van het recht om iets te doen (bijvoorbeeld het exclusief leveren van drank), is een vergoeding voor een roerend goed.

Een vergoeding voor de concessie van een roerend goed is een roerend inkomen, waarop dus roerende voorheffing moet worden ingehouden.

In de redenering van de fiscus zouden de truitjes met sponsoring op voor de sportclubs een roerend inkomen vormen waarop roerende voorheffing verschuldigd is.

Let op: ruime toepassing ?

Voorlopig viseert de fiscus enkel sportclubs. Maar de redenering zou ook perfect kunnen gelden voor andere verenigingen, culturele organisaties, scholen ...

Het is dus niet uitgesloten dat de fiscus zich binnenkort ook wel eens op andere sectoren zou kunnen richten voor het navorderen van roerende voorheffing. De fiscus lijkt immers heel snel van een concessie van roerende inkomsten te spreken.

Hoe bedrag bepalen?

Indien deze clubs roerende voorheffing zouden moeten inhouden, moeten zij uiteraard wel weten op welk bedrag. Het probleem is echter dat het hier telkens om voordelen in natura gaat. De waarde van bijvoorbeeld bedrukte truitjes is dus niet zo eenvoudig te bepalen. In de praktijk zal het dus ook niet eenvoudig zijn om het correcte bedrag aan roerende voorheffing te bepalen en in te houden.

Wie moet inhouden?

Maar we stuiten ook nog op een ander praktisch probleem. Het is ook niet steeds zo duidelijk wie deze roerende voorheffing moet inhouden.

In principe moet de betaler van het inkomen roerende voorheffing inhouden. Maar als de verkrijger van roerende inkomsten onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting, zoals de meeste sportclubs en sportverenigingen, is de verkrijger van de roerende inkomsten in principe de schuldenaar van de roerende voorheffing. Tot voor kort ging de fiscus bij de verkrijger (lees de sportclubs) de roerende voorheffing navorderen. Maar in navolging van Cassatierechtspraak heeft de fiscus nu ook haar standpunt gewijzigd. Voortaan zou ze enkel de betaler van het inkomen aanspreken.

Wordt ongetwijfeld vervolgd ... Ondertussen toch maar opletten met kosteloze voordelen.

Bron: Fisc. Act. nr.7, week 21-29 februari 2019


Bingo! Vlaamse Belasting op Spelen en Weddenschappen

Sinds 1 januari 2019 int de Vlaamse Belastingdienst de Belasting op Spelen en Weddenschappen. Wat houdt deze belasting zoal in? Wij maken u wegwijs.

Spelen en weddenschappen

De belasting op spelen en weddenschappen is van toepassing op alle soorten spelen en weddenschappen. Het zijn alle verrichtingen waarbij deelnemers een som inzetten met risico van verlies, in de hoop hieruit voordeel (in geld of natura) te behalen.

Spelen en weddenschappen omvatten niet alleen kansspelen. Zijn ook bedoeld wedstrijden, proeven, kampen, matches, behendigheidsspelen, vermakelijkheden, pronostieken, tombola’s, etc.

Gewestelijke belasting

De belasting op spelen of weddenschappen is een Vlaamse belasting. Zij is dus verschuldigd als de spelen of weddenschappen worden ingericht op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Voor online spelen en weddenschappen moet men kijken naar de locatie van de server om te bepalen aan welk gewest de belasting moet worden betaald.

Vrijstellingen

Gelukkig zijn er ook vrijstellingen. Zo zijn toegelaten loterijen steeds vrijgesteld, zelfs als ze online georganiseerd worden.

Ook volgende spelen en weddenschappen zijn vrijgesteld, behalve als er online op kan ingezet worden:

  • bepaalde duivenprijskampen, als de inzetten alleen maar door de eigenaars van de duiven gebeuren;
  • bepaalde wedstrijden uitsluitend ingericht voor musea of bepaalde instellingen;
  • sportbeoefening (deze vrijstelling geldt niet voor weddenschappen op sportwedstrijden);
  • bepaalde volksvermakelijkheden als de inzet beperkt is tot 50 euro per persoon per dag; en
  • vogelzangwedstrijden.

Tarief

In principe geldt een uniform belastingtarief van 15% op de opbrengst. De opbrengst is dan de som van de inzetten min de uitgekeerde winsten. Hierop bestaan wel heel wat uitzonderingen.  In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de soorten spelen en hoe ze belast worden.

Soort spel of weddenschap Belastbare grondslag &

schijven (euro)

Tarief
(%)

casinospelen

(het vroegere afwijkende tarief voor baccara chemin de fer en roulette zonder zero verdwijnt)

 

dagopbrengst
(incasso bij opening – incasso bij sluiting + inzetten – uitgekeerde winst):

van

0,01

tot

865.000

 

33 %

>865.000

44 %

slottoestellen (casino)

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):

van

0,01

tot

1.200.000

 

20 %

1.200.000,01

2.450.000

25 %

2.450.000,01

3.700.000

30 %

3.700.000,01

6.150.000

35 %

6.150.000,01

8.650.000

40 %

8.650.000,01

12.350.000

45 %

> 12.350.000

50 %

online spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

11 %

mediaspelen (bv. quiz via TV, SMS, …)

bedrag van de sommen of inleggelden:
uniform tarief

15 %

paardenwedrennen
hondenwedstrijden
sportevenementen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

overige spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

 

Aangifte

Vanaf 2019 gebeurt de online aangifte via het digitaal loket.

De aangifte moet gebeuren door de inrichter van spelen of weddenschappen die georganiseerd worden in het Vlaamse Gewest of de aanbieder van online spelen of weddenschappen die uitgebaat worden via een server in het Vlaamse Gewest.

Hiermee laat de inrichter de Vlaamse Belastingdienst weten dat er gedurende een bepaalde periode of op een specifieke dag een spel of weddenschap wordt ingericht.

De aangifte voor de berekening van de belasting wordt maandelijks ingediend. Na het indienen van de online aangifte ontvangt de inrichter een aanslagbiljet. De betaaltermijn bedraagt 2 maanden.

 


Vrijwilligerswerk: hogere vergoeding voor bepaalde categorieën vrijwilligers

Vrijwilligerswerk betekent voor velen een goede daad verrichten. Voor organisaties zijn deze mensen van waardevol belang. Ondanks het principe dat vrijwilligerswerk onbezoldigd is, mag de organisatie wel een kostenvergoeding toekennen. Laten we hier even dieper op ingaan.

Wat is vrijwilligerswerk?

De Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, oftewel Vrijwilligerswet, omschrijft een vrijwilliger als iemand die zich vrijwillig en onbezoldigd inzet ten behoeve van één of meer personen, van een groep of organisatie die geen winst nastreeft.

Vrijwillig is ongedwongen. Een gemeenschapsdienst, stage of een alternatieve sanctie,… is daarom volgens de wet geen vrijwilligerswerk.

Onbezoldigd is zonder loon. Echter, het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de vrijwilliger een forfaitaire kostenvergoeding kan ontvangen. De Vrijwilligerswet bepaalt de plafonds.

Let op! Activiteiten in eigen privé- of familieverband worden niet aanzien als vrijwilligerswerk.

Kostenvergoedingen 2019

 Voor inkomstenjaar 2019 bedraagt de geïndexeerde forfaitaire kostenvergoeding:

  • maximum 34,71 euro per dag,
  • met een maximum van 1388,40 euro per jaar.

Uitzonderingsregeling

Artikel 12 van de Vrijwilligerswet machtigt de Koning om voor specifieke categorieën van vrijwilligers de plafonds van de forfaitaire kostenvergoeding te verhogen. Hiervan werd nu gebruikt gemaakt.

Op 28 december 2018 is een Koninklijk Besluit gepubliceerd dat de jaargrens van de kostenvergoeding voor bepaalde groepen vrijwilligers optrekt naar maximum 2549,90 euro, in plaats van de gebruikelijke 1388,40 euro. De regeling is van kracht sinds 1 januari 2019.

Wie komt in aanmerking?

De uitzonderingsregel geldt enkel voor volgende categorieën vrijwilligers:

  • de sportsector, zijnde een sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester en seingever bij sportwedstrijden;
  • de nachtoppas, namelijk voor het inslapen bij, alsook de dag-oppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt;
  • in het niet-dringend liggend ziekenvervoer, namelijk voor het liggend ziekenvervoer naar, vanuit en tussen ziekenhuizen of vestigingsplaatsen van ziekenhuizen, dat niet onder het toepassingsgebied van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening valt en volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt.

Voorwaarden

Aan voornoemde uitzonderingsregeling zijn bepaalde voorwaarden verbonden:

  • maximum dagbedrag van 34,71 euro;
  • de onkostenvergoeding is niet combineerbaar met een activiteit die valt onder het verenigingswerk in dezelfde organisatie of voor dezelfde activiteit. Je kan dus niet van twee walletjes eten. Ofwel doe je de activiteit als vrijwilliger, ofwel als verenigingswerker;
  • de regeling voor een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding geldt niet voor vrijwilligers die in de periode waarin ze vrijwilligerswerk verrichten een sociale bijstands- of sociale zekerheidsuitkering ontvangen. Deze uitkeringsgerechtigde vrijwilliger moet zich houden aan een maximum van 34,71 euro per dag met een maximum van 1388,40 euro per jaar, ongeacht welke activiteit hij doet.

Wat met stewards?

In een circulaire van begin 2018 heeft de fiscale Administratie aanvaard dat ten aanzien van stewards bij voetbalclubs, er onder bepaalde voorwaarden, in het geheel geen jaargrens speelt.

Er geldt enkel de grens van 34,71 euro per dag die nu eens “per wedstrijd” en dan weer “per dag” mag worden toegepast.

Nu een steward in de sportsector ook onder de categorie vrijwilligers met een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding valt, stelt zich de vraag of deze administratieve fiscale regeling nog gehandhaafd wordt.

Tot slot enkele fiscale tips

  • Stel als organisatie voor de vrijwilligers geen fiscale fiches op. De fiscus beschouwt de ontvangen bedragen dan als een inkomen, waarop belasting betaald moet worden.
  • Betaal de kostenvergoeding tijdig uit. De fiscus kijkt naar het jaar waarin de vergoeding is gegeven.
  • Overschrijdt de maxima bedragen nooit.
  • Geef geen onkostenvergoedingen per uur. De fiscus zal dit zelden aanvaarden en de maximumbedragen riskeren snel overschreden te worden.

Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, juryleden, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.

Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.


UBO-register: info meedelen uiterlijk vóór 31 maart 2019

In een vorige bijdrage hebben we u al ingelicht over de invoering van het nieuwe ‘register van uiteindelijke begunstigden’ of kortweg ‘UBO-register’. Daarin werd al uiteengezet wie als uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt. De Antiwitwaswet dateert al van 18 september 2017, maar voor de praktische toepassing ervan was het nog wachten op de uitvoeringsbesluiten.

Met het KB van 30 juli 2018 is nu concreet vastgelegd welke informatie bestuurders moeten meedelen, wie toegang heeft, enzovoort.

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

Het UBO-register beoogt informatie te verzamelen over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen, vzw’s en stichtingen, trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten.

Het moet gaan om vennootschappen die in België opgericht zijn. Ook vzw’s en stichtingen moeten zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vzw-wet.

Maar wat betreft de trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten werd niet wettelijk bepaald waar zij opgericht of gelokaliseerd moeten zijn. We kunnen ervan uitgaan dat trusts vanuit België moeten worden beheerd. Maar volgens het KB moet ook een UBO-register worden bijgehouden indien de trustee of fiduciebeheerder buiten de EU gelokaliseerd is, maar bijvoorbeeld een onroerend goed in België aankoopt via de trust.

Bemerk dat het register geldt voor zowel kleine als grote entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dus ook voor maatschappen.

Welke informatie moet worden meegedeeld?

Voor de vennootschappen, vzw’s en stichtingen moet de informatie worden meegedeeld door de bestuurders. Bij trusts, fiducieën en gelijkaardige entiteiten moet dit gebeuren door de trustees of fiduciebeheerders.

In het register moeten de uiteindelijk begunstigden volledig worden geïdentificeerd, dit wil zeggen: naam, adres, nationaliteit, geboorteplaats, geboortedatum etc.

Daarnaast moet ook de omvang van het aanmerkelijk belang in een vennootschap worden meegedeeld.

Wie heeft toegang tot het register?

Voor wat betreft de vennootschappen, zou ‘in principe’ elke burger toegang hebben tot het register. Die toegang zal evenwel beperkt blijven tot bepaalde gegevens, dus bijvoorbeeld niet de voornaam, geboortedatum, adres enz.

Voor wat betreft vzw’s, stichtingen, trusts en dergelijke heeft een persoon of organisatie slechts toegang indien hij een legitiem belang aantoont.

Ook de fiscus heeft – met het oog op de belastingheffing – toegang tot het UBO-register.

Voor de toegang tot het register zal, behalve voor de autoriteiten, een administratieve bijdrage verschuldigd zijn.

In bepaalde gevallen (zoals bijvoorbeeld bij risico op fraude of chantage) kan de toegang tot het register ontzegd worden.

Hoe kan ik de info meedelen aan het register?

Via het online platform MyMinfin zal u toegang hebben tot het UBO-register. Vermits het register zelf nog niet operationeel is, kan u op dit ogenblik nog geen informatie meedelen.

Ook via een gevolmachtigde (bijvoorbeeld uw accountant) zal u info aan het register kunnen meedelen.

Wanneer dient de informatie te worden meegedeeld?

Elke wijziging in het UBO-register (bijvoorbeeld adres, het belang…) moet binnen de maand nadat de wijziging gekend is, worden doorgegeven aan het UBO-register. Daarnaast moet de informatie ook jaarlijks worden bijgewerkt of bevestigd.

De eerste registratie in het UBO-register moet gebeuren vóór 31 maart 2019.

Sanctie

Zij die -ondanks de wettelijke verplichting- niet de vereiste informatie aan het UBO-register meedelen kunnen een administratieve boete krijgen.

Nog vragen?

Aarzel zeker niet om onze juristen te contacteren.


Gratis evenement en toch volledige btw-aftrek, het kan.

De minister van Financiën heeft gezorgd voor een ommezwaai inzake btw-aftrek bij evenementen. Hij stelt dat een gratis evenement voor het grote publiek recht kan geven op volledige aftrek van btw. Hiermee fluit hij vele fiscale controleurs terug die al jaren het tegenovergestelde beweerden.

Jarenlange discussie

Bij gratis evenementen, die wel betalende reclamediensten en/of cateringdiensten voorzien, is er sinds jaar en dag discussie of de organisator volledig recht op aftrek van btw heeft. In het verleden werd aangenomen dat een gratis evenement het algemeen belang dient. Hierdoor had de organisator geen volledig recht op aftrek van btw. Enkel de kosten gemaakt in het kader van de betalende reclame- en/of cateringdiensten mochten worden afgetrokken. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten uit deze diensten moesten worden afgesplitst.

Geen inkomgelden, maar toch economische activiteit

Naar analogie met het Hof van Justitie (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda) is de minister van Financiën van mening dat een gratis evenement waarbij ook reclamediensten en/of cateringdiensten worden verschaft, samen een economische activiteit uitmaken.(Vr. nr. 2055 Servais Verherstraeten, 30 januari 2018, Vr. en Antw. Kamer 2017-18, afl. 155, 441)

Vanwaar komt dit plots?Volgens hem is het onlogisch dat het gratis karakter zou impliceren dat het een afzonderlijke activiteit betreft. Als gevolg stelt de minister dat dergelijk evenement wel degelijk een volledig recht op aftrek van btw geeft.

Het basisprincipe om de aftrek te bepalen is het bestemmingsprincipe. Dit houdt in dat het recht van aftrek bepaald wordt door het koppelen van input aan output. Het antwoord van de Minister van Financiën is een logisch gevolg van de toepassing van dit basisprincipe.

Om het recht op aftrek te bepalen wordt vaak gekeken of de kost in de prijs van de output is opgenomen of in de algemene kosten. Dit klopt echter niet steeds. Een onderneming die winst nastreeft zal namelijk altijd rekening houden met haar kosten voor de bepaling van haar verkoopprijzen. Hierdoor zou er altijd recht van aftrek zijn. Wat niet strookt met de fiscale realiteit.

Het Hof van Justitie heeft in het verleden het recht van aftrek reeds bepaald op enkele andere criteria, namelijk de objectieve inhoud van de activiteiten en de noodzakelijkheid. Doordat dit subjectieve criteria betreffen, is er niet altijd duidelijkheid. Op grond van deze criteria heeft het Hof van Justitie al meermaals beslist dat er toch recht van btw-aftrek is.

Goed nieuws voor vzw’s

Door dit antwoord van de minister genieten ondernemingen die gratis evenementen organiseren waarbij reclame- en/of cateringdiensten worden verstrekt, volledig recht van aftrek inzake btw.

Maar ook vzw’s hebben hier voordeel bij. Indien zij dergelijk evenement organiseren zullen zij ook het volledige recht van aftrek hebben. Zij moeten dan wel alle formaliteiten voldoen om deze aftrek te kunnen gebruiken. Het evenement zelf zal zonder btw zijn, aangezien dit gratis is.

Een ander belangrijk punt is dat dit niet enkel voor de culturele evenementen geldt, maar voor alle evenementen. Hierdoor geldt dit ook voor de sportsector in de ruime zin van het woord, met name sportevenementen en sportinfrastructuur. Indien een sportvereniging of -club een nieuw stadion bouwt en hierin dergelijke gratis evenementen organiseert, zal ze toch de btw op de bouw van het stadion kunnen aftrekken.

Opgelet met subsidies

Indien een onderneming of vzw subsidies ontvangt voor de organisatie van een activiteit in het openbaar belang, heeft dit mogelijk een negatieve invloed op het recht van aftrek. Dit is in het verleden bevestigd in een parlementaire vraag, alsook door het Hof van Cassatie. (VR. nr. 314 Nyssens, 22 december 1999; Cass. 19 juni 201’, F.12.0082.N, Recreatie- en natuurpark Keiheuvel)

Deze visie is in latere rechtspraak niet altijd  gevolgd. Indien activiteiten deels ook met eigen middelen worden bekostigd, is reeds geoordeeld dat deze wel recht op aftrek kan hebben.

Indien er algemene werkingstoelagen worden ontvangen, dan heeft dit geen invloed op het recht van aftrek. Hoewel het onderscheid heel belangrijk is, is dit steeds duidelijk.  (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda)

Conclusie

De minister van Financiën heeft door zijn antwoord voor meer duidelijkheid gezorgd. Vanaf nu zullen fiscale controleurs moeten aanvaarden dat organisatoren van dergelijke evenementen volledig recht van btw-aftrek genieten. Voor ondernemingen en vzw’s is dit een goede zaak.


Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.