Fiscus viseert sportclubs bij sponsoring

De fiscus heeft het nu blijkbaar gemunt op sportclubs die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Denk bijvoorbeeld aan clubs die korting krijgen op drank bij de brouwer in ruil voor een exclusieve afname. Of de truitjes met sponsoring van een slager op voorwaarde dat de sportclub haar inkopen voor het jaarlijks eetfestijn ook bij die slager doet.

Volgens de fiscus moet een sportclub op deze sponsoring roerende voorheffing betalen.

Roerende voorheffing

De vergoeding voor het toestaan van exclusiviteit is immers een roerend inkomen, meent de fiscus. Een vergoeding voor het verkrijgen van het recht om iets te doen (bijvoorbeeld het exclusief leveren van drank), is een vergoeding voor een roerend goed.

Een vergoeding voor de concessie van een roerend goed is een roerend inkomen, waarop dus roerende voorheffing moet worden ingehouden.

In de redenering van de fiscus zouden de truitjes met sponsoring op voor de sportclubs een roerend inkomen vormen waarop roerende voorheffing verschuldigd is.

Let op: ruime toepassing ?

Voorlopig viseert de fiscus enkel sportclubs. Maar de redenering zou ook perfect kunnen gelden voor andere verenigingen, culturele organisaties, scholen ...

Het is dus niet uitgesloten dat de fiscus zich binnenkort ook wel eens op andere sectoren zou kunnen richten voor het navorderen van roerende voorheffing. De fiscus lijkt immers heel snel van een concessie van roerende inkomsten te spreken.

Hoe bedrag bepalen?

Indien deze clubs roerende voorheffing zouden moeten inhouden, moeten zij uiteraard wel weten op welk bedrag. Het probleem is echter dat het hier telkens om voordelen in natura gaat. De waarde van bijvoorbeeld bedrukte truitjes is dus niet zo eenvoudig te bepalen. In de praktijk zal het dus ook niet eenvoudig zijn om het correcte bedrag aan roerende voorheffing te bepalen en in te houden.

Wie moet inhouden?

Maar we stuiten ook nog op een ander praktisch probleem. Het is ook niet steeds zo duidelijk wie deze roerende voorheffing moet inhouden.

In principe moet de betaler van het inkomen roerende voorheffing inhouden. Maar als de verkrijger van roerende inkomsten onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting, zoals de meeste sportclubs en sportverenigingen, is de verkrijger van de roerende inkomsten in principe de schuldenaar van de roerende voorheffing. Tot voor kort ging de fiscus bij de verkrijger (lees de sportclubs) de roerende voorheffing navorderen. Maar in navolging van Cassatierechtspraak heeft de fiscus nu ook haar standpunt gewijzigd. Voortaan zou ze enkel de betaler van het inkomen aanspreken.

Wordt ongetwijfeld vervolgd ... Ondertussen toch maar opletten met kosteloze voordelen.

Bron: Fisc. Act. nr.7, week 21-29 februari 2019


Bingo! Vlaamse Belasting op Spelen en Weddenschappen

Sinds 1 januari 2019 int de Vlaamse Belastingdienst de Belasting op Spelen en Weddenschappen. Wat houdt deze belasting zoal in? Wij maken u wegwijs.

Spelen en weddenschappen

De belasting op spelen en weddenschappen is van toepassing op alle soorten spelen en weddenschappen. Het zijn alle verrichtingen waarbij deelnemers een som inzetten met risico van verlies, in de hoop hieruit voordeel (in geld of natura) te behalen.

Spelen en weddenschappen omvatten niet alleen kansspelen. Zijn ook bedoeld wedstrijden, proeven, kampen, matches, behendigheidsspelen, vermakelijkheden, pronostieken, tombola’s, etc.

Gewestelijke belasting

De belasting op spelen of weddenschappen is een Vlaamse belasting. Zij is dus verschuldigd als de spelen of weddenschappen worden ingericht op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Voor online spelen en weddenschappen moet men kijken naar de locatie van de server om te bepalen aan welk gewest de belasting moet worden betaald.

Vrijstellingen

Gelukkig zijn er ook vrijstellingen. Zo zijn toegelaten loterijen steeds vrijgesteld, zelfs als ze online georganiseerd worden.

Ook volgende spelen en weddenschappen zijn vrijgesteld, behalve als er online op kan ingezet worden:

  • bepaalde duivenprijskampen, als de inzetten alleen maar door de eigenaars van de duiven gebeuren;
  • bepaalde wedstrijden uitsluitend ingericht voor musea of bepaalde instellingen;
  • sportbeoefening (deze vrijstelling geldt niet voor weddenschappen op sportwedstrijden);
  • bepaalde volksvermakelijkheden als de inzet beperkt is tot 50 euro per persoon per dag; en
  • vogelzangwedstrijden.

Tarief

In principe geldt een uniform belastingtarief van 15% op de opbrengst. De opbrengst is dan de som van de inzetten min de uitgekeerde winsten. Hierop bestaan wel heel wat uitzonderingen.  In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de soorten spelen en hoe ze belast worden.

Soort spel of weddenschap Belastbare grondslag &

schijven (euro)

Tarief
(%)

casinospelen

(het vroegere afwijkende tarief voor baccara chemin de fer en roulette zonder zero verdwijnt)

 

dagopbrengst
(incasso bij opening – incasso bij sluiting + inzetten – uitgekeerde winst):

van

0,01

tot

865.000

 

33 %

>865.000

44 %

slottoestellen (casino)

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):

van

0,01

tot

1.200.000

 

20 %

1.200.000,01

2.450.000

25 %

2.450.000,01

3.700.000

30 %

3.700.000,01

6.150.000

35 %

6.150.000,01

8.650.000

40 %

8.650.000,01

12.350.000

45 %

> 12.350.000

50 %

online spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

11 %

mediaspelen (bv. quiz via TV, SMS, …)

bedrag van de sommen of inleggelden:
uniform tarief

15 %

paardenwedrennen
hondenwedstrijden
sportevenementen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

overige spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

 

Aangifte

Vanaf 2019 gebeurt de online aangifte via het digitaal loket.

De aangifte moet gebeuren door de inrichter van spelen of weddenschappen die georganiseerd worden in het Vlaamse Gewest of de aanbieder van online spelen of weddenschappen die uitgebaat worden via een server in het Vlaamse Gewest.

Hiermee laat de inrichter de Vlaamse Belastingdienst weten dat er gedurende een bepaalde periode of op een specifieke dag een spel of weddenschap wordt ingericht.

De aangifte voor de berekening van de belasting wordt maandelijks ingediend. Na het indienen van de online aangifte ontvangt de inrichter een aanslagbiljet. De betaaltermijn bedraagt 2 maanden.

 


Vrijwilligerswerk: hogere vergoeding voor bepaalde categorieën vrijwilligers

Vrijwilligerswerk betekent voor velen een goede daad verrichten. Voor organisaties zijn deze mensen van waardevol belang. Ondanks het principe dat vrijwilligerswerk onbezoldigd is, mag de organisatie wel een kostenvergoeding toekennen. Laten we hier even dieper op ingaan.

Wat is vrijwilligerswerk?

De Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, oftewel Vrijwilligerswet, omschrijft een vrijwilliger als iemand die zich vrijwillig en onbezoldigd inzet ten behoeve van één of meer personen, van een groep of organisatie die geen winst nastreeft.

Vrijwillig is ongedwongen. Een gemeenschapsdienst, stage of een alternatieve sanctie,… is daarom volgens de wet geen vrijwilligerswerk.

Onbezoldigd is zonder loon. Echter, het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de vrijwilliger een forfaitaire kostenvergoeding kan ontvangen. De Vrijwilligerswet bepaalt de plafonds.

Let op! Activiteiten in eigen privé- of familieverband worden niet aanzien als vrijwilligerswerk.

Kostenvergoedingen 2019

 Voor inkomstenjaar 2019 bedraagt de geïndexeerde forfaitaire kostenvergoeding:

  • maximum 34,71 euro per dag,
  • met een maximum van 1388,40 euro per jaar.

Uitzonderingsregeling

Artikel 12 van de Vrijwilligerswet machtigt de Koning om voor specifieke categorieën van vrijwilligers de plafonds van de forfaitaire kostenvergoeding te verhogen. Hiervan werd nu gebruikt gemaakt.

Op 28 december 2018 is een Koninklijk Besluit gepubliceerd dat de jaargrens van de kostenvergoeding voor bepaalde groepen vrijwilligers optrekt naar maximum 2549,90 euro, in plaats van de gebruikelijke 1388,40 euro. De regeling is van kracht sinds 1 januari 2019.

Wie komt in aanmerking?

De uitzonderingsregel geldt enkel voor volgende categorieën vrijwilligers:

  • de sportsector, zijnde een sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester en seingever bij sportwedstrijden;
  • de nachtoppas, namelijk voor het inslapen bij, alsook de dag-oppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt;
  • in het niet-dringend liggend ziekenvervoer, namelijk voor het liggend ziekenvervoer naar, vanuit en tussen ziekenhuizen of vestigingsplaatsen van ziekenhuizen, dat niet onder het toepassingsgebied van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening valt en volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt.

Voorwaarden

Aan voornoemde uitzonderingsregeling zijn bepaalde voorwaarden verbonden:

  • maximum dagbedrag van 34,71 euro;
  • de onkostenvergoeding is niet combineerbaar met een activiteit die valt onder het verenigingswerk in dezelfde organisatie of voor dezelfde activiteit. Je kan dus niet van twee walletjes eten. Ofwel doe je de activiteit als vrijwilliger, ofwel als verenigingswerker;
  • de regeling voor een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding geldt niet voor vrijwilligers die in de periode waarin ze vrijwilligerswerk verrichten een sociale bijstands- of sociale zekerheidsuitkering ontvangen. Deze uitkeringsgerechtigde vrijwilliger moet zich houden aan een maximum van 34,71 euro per dag met een maximum van 1388,40 euro per jaar, ongeacht welke activiteit hij doet.

Wat met stewards?

In een circulaire van begin 2018 heeft de fiscale Administratie aanvaard dat ten aanzien van stewards bij voetbalclubs, er onder bepaalde voorwaarden, in het geheel geen jaargrens speelt.

Er geldt enkel de grens van 34,71 euro per dag die nu eens “per wedstrijd” en dan weer “per dag” mag worden toegepast.

Nu een steward in de sportsector ook onder de categorie vrijwilligers met een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding valt, stelt zich de vraag of deze administratieve fiscale regeling nog gehandhaafd wordt.

Tot slot enkele fiscale tips

  • Stel als organisatie voor de vrijwilligers geen fiscale fiches op. De fiscus beschouwt de ontvangen bedragen dan als een inkomen, waarop belasting betaald moet worden.
  • Betaal de kostenvergoeding tijdig uit. De fiscus kijkt naar het jaar waarin de vergoeding is gegeven.
  • Overschrijdt de maxima bedragen nooit.
  • Geef geen onkostenvergoedingen per uur. De fiscus zal dit zelden aanvaarden en de maximumbedragen riskeren snel overschreden te worden.

Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, juryleden, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.

Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.


UBO-register: info meedelen uiterlijk vóór 31 maart 2019

In een vorige bijdrage hebben we u al ingelicht over de invoering van het nieuwe ‘register van uiteindelijke begunstigden’ of kortweg ‘UBO-register’. Daarin werd al uiteengezet wie als uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt. De Antiwitwaswet dateert al van 18 september 2017, maar voor de praktische toepassing ervan was het nog wachten op de uitvoeringsbesluiten.

Met het KB van 30 juli 2018 is nu concreet vastgelegd welke informatie bestuurders moeten meedelen, wie toegang heeft, enzovoort.

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

Het UBO-register beoogt informatie te verzamelen over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen, vzw’s en stichtingen, trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten.

Het moet gaan om vennootschappen die in België opgericht zijn. Ook vzw’s en stichtingen moeten zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vzw-wet.

Maar wat betreft de trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten werd niet wettelijk bepaald waar zij opgericht of gelokaliseerd moeten zijn. We kunnen ervan uitgaan dat trusts vanuit België moeten worden beheerd. Maar volgens het KB moet ook een UBO-register worden bijgehouden indien de trustee of fiduciebeheerder buiten de EU gelokaliseerd is, maar bijvoorbeeld een onroerend goed in België aankoopt via de trust.

Bemerk dat het register geldt voor zowel kleine als grote entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dus ook voor maatschappen.

Welke informatie moet worden meegedeeld?

Voor de vennootschappen, vzw’s en stichtingen moet de informatie worden meegedeeld door de bestuurders. Bij trusts, fiducieën en gelijkaardige entiteiten moet dit gebeuren door de trustees of fiduciebeheerders.

In het register moeten de uiteindelijk begunstigden volledig worden geïdentificeerd, dit wil zeggen: naam, adres, nationaliteit, geboorteplaats, geboortedatum etc.

Daarnaast moet ook de omvang van het aanmerkelijk belang in een vennootschap worden meegedeeld.

Wie heeft toegang tot het register?

Voor wat betreft de vennootschappen, zou ‘in principe’ elke burger toegang hebben tot het register. Die toegang zal evenwel beperkt blijven tot bepaalde gegevens, dus bijvoorbeeld niet de voornaam, geboortedatum, adres enz.

Voor wat betreft vzw’s, stichtingen, trusts en dergelijke heeft een persoon of organisatie slechts toegang indien hij een legitiem belang aantoont.

Ook de fiscus heeft – met het oog op de belastingheffing – toegang tot het UBO-register.

Voor de toegang tot het register zal, behalve voor de autoriteiten, een administratieve bijdrage verschuldigd zijn.

In bepaalde gevallen (zoals bijvoorbeeld bij risico op fraude of chantage) kan de toegang tot het register ontzegd worden.

Hoe kan ik de info meedelen aan het register?

Via het online platform MyMinfin zal u toegang hebben tot het UBO-register. Vermits het register zelf nog niet operationeel is, kan u op dit ogenblik nog geen informatie meedelen.

Ook via een gevolmachtigde (bijvoorbeeld uw accountant) zal u info aan het register kunnen meedelen.

Wanneer dient de informatie te worden meegedeeld?

Elke wijziging in het UBO-register (bijvoorbeeld adres, het belang…) moet binnen de maand nadat de wijziging gekend is, worden doorgegeven aan het UBO-register. Daarnaast moet de informatie ook jaarlijks worden bijgewerkt of bevestigd.

De eerste registratie in het UBO-register moet gebeuren vóór 31 maart 2019.

Sanctie

Zij die -ondanks de wettelijke verplichting- niet de vereiste informatie aan het UBO-register meedelen kunnen een administratieve boete krijgen.

Nog vragen?

Aarzel zeker niet om onze juristen te contacteren.


Gratis evenement en toch volledige btw-aftrek, het kan.

De minister van Financiën heeft gezorgd voor een ommezwaai inzake btw-aftrek bij evenementen. Hij stelt dat een gratis evenement voor het grote publiek recht kan geven op volledige aftrek van btw. Hiermee fluit hij vele fiscale controleurs terug die al jaren het tegenovergestelde beweerden.

Jarenlange discussie

Bij gratis evenementen, die wel betalende reclamediensten en/of cateringdiensten voorzien, is er sinds jaar en dag discussie of de organisator volledig recht op aftrek van btw heeft. In het verleden werd aangenomen dat een gratis evenement het algemeen belang dient. Hierdoor had de organisator geen volledig recht op aftrek van btw. Enkel de kosten gemaakt in het kader van de betalende reclame- en/of cateringdiensten mochten worden afgetrokken. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten uit deze diensten moesten worden afgesplitst.

Geen inkomgelden, maar toch economische activiteit

Naar analogie met het Hof van Justitie (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda) is de minister van Financiën van mening dat een gratis evenement waarbij ook reclamediensten en/of cateringdiensten worden verschaft, samen een economische activiteit uitmaken.(Vr. nr. 2055 Servais Verherstraeten, 30 januari 2018, Vr. en Antw. Kamer 2017-18, afl. 155, 441)

Vanwaar komt dit plots?Volgens hem is het onlogisch dat het gratis karakter zou impliceren dat het een afzonderlijke activiteit betreft. Als gevolg stelt de minister dat dergelijk evenement wel degelijk een volledig recht op aftrek van btw geeft.

Het basisprincipe om de aftrek te bepalen is het bestemmingsprincipe. Dit houdt in dat het recht van aftrek bepaald wordt door het koppelen van input aan output. Het antwoord van de Minister van Financiën is een logisch gevolg van de toepassing van dit basisprincipe.

Om het recht op aftrek te bepalen wordt vaak gekeken of de kost in de prijs van de output is opgenomen of in de algemene kosten. Dit klopt echter niet steeds. Een onderneming die winst nastreeft zal namelijk altijd rekening houden met haar kosten voor de bepaling van haar verkoopprijzen. Hierdoor zou er altijd recht van aftrek zijn. Wat niet strookt met de fiscale realiteit.

Het Hof van Justitie heeft in het verleden het recht van aftrek reeds bepaald op enkele andere criteria, namelijk de objectieve inhoud van de activiteiten en de noodzakelijkheid. Doordat dit subjectieve criteria betreffen, is er niet altijd duidelijkheid. Op grond van deze criteria heeft het Hof van Justitie al meermaals beslist dat er toch recht van btw-aftrek is.

Goed nieuws voor vzw’s

Door dit antwoord van de minister genieten ondernemingen die gratis evenementen organiseren waarbij reclame- en/of cateringdiensten worden verstrekt, volledig recht van aftrek inzake btw.

Maar ook vzw’s hebben hier voordeel bij. Indien zij dergelijk evenement organiseren zullen zij ook het volledige recht van aftrek hebben. Zij moeten dan wel alle formaliteiten voldoen om deze aftrek te kunnen gebruiken. Het evenement zelf zal zonder btw zijn, aangezien dit gratis is.

Een ander belangrijk punt is dat dit niet enkel voor de culturele evenementen geldt, maar voor alle evenementen. Hierdoor geldt dit ook voor de sportsector in de ruime zin van het woord, met name sportevenementen en sportinfrastructuur. Indien een sportvereniging of -club een nieuw stadion bouwt en hierin dergelijke gratis evenementen organiseert, zal ze toch de btw op de bouw van het stadion kunnen aftrekken.

Opgelet met subsidies

Indien een onderneming of vzw subsidies ontvangt voor de organisatie van een activiteit in het openbaar belang, heeft dit mogelijk een negatieve invloed op het recht van aftrek. Dit is in het verleden bevestigd in een parlementaire vraag, alsook door het Hof van Cassatie. (VR. nr. 314 Nyssens, 22 december 1999; Cass. 19 juni 201’, F.12.0082.N, Recreatie- en natuurpark Keiheuvel)

Deze visie is in latere rechtspraak niet altijd  gevolgd. Indien activiteiten deels ook met eigen middelen worden bekostigd, is reeds geoordeeld dat deze wel recht op aftrek kan hebben.

Indien er algemene werkingstoelagen worden ontvangen, dan heeft dit geen invloed op het recht van aftrek. Hoewel het onderscheid heel belangrijk is, is dit steeds duidelijk.  (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda)

Conclusie

De minister van Financiën heeft door zijn antwoord voor meer duidelijkheid gezorgd. Vanaf nu zullen fiscale controleurs moeten aanvaarden dat organisatoren van dergelijke evenementen volledig recht van btw-aftrek genieten. Voor ondernemingen en vzw’s is dit een goede zaak.


Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


Meldingsplicht voor fiscalisten van agressieve grensoverschrijdende constructies

Fiscalisten zullen vanaf 1 juli 2020 agressieve grensoverschrijdende constructies moeten melden aan de fiscus. Richtlijn 2018/822 inzake de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied kadert volledig in de ingezette strijd tegen internationale belastingontduiking. De meldingsplicht is grotendeels een weergave van actiepunt 12 van het internationaal plan van de OESO uit 2013 inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS).

Transparante fiscale constructies

Op vandaag worden nog steeds fiscale constructies opgezet waarbij belastbare winsten worden verschoven naar belastingparadzijen of waarbij de totale belastingdruk op een andere kunstmatige manier fors wordt verlaagd. Op zich zijn deze constructies niet altijd illegaal, maar sinds de Panama Papers is een agressieve fiscale planning maatschappelijk niet meer verdedigbaar.

Centrale database

Op 25 mei 2018 heeft de Europese Raad  Richtlijn 2018/822 aangenomen wat betreft de invoering van een meldingsplicht voor 'intermediairs' wanneer zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende fiscale constructies. Deze richtlijn maakt deel uit van een reeks maatregelen die ontwijking van vennootschapsbelasting moeten helpen vermijden en wijzigt Richtlijn 2011/16.

Intermediairs - zoals fiscale advocaten, belastingconsulenten, accountants - zullen daarom mogelijk schadelijke constructies moeten melden aan de nationale belastingsautoriteit. Via een centrale database zullen de lidstaten van de Europese Unie die informatie onderling uitwisselen. De lidstaten worden er verder toe verplicht sancties op te leggen aan intermediairs die de transparantiemaatregelen niet naleven.

Wat is 'agressief'?

De vraag stelt zich natuurlijk wat onder grensoverschrijdende 'agressieve planning' moet worden verstaan. Daarom zal door middel van "wezenskenmerken" worden bepaald welke types van  constructies aan de fiscus zullen moeten worden gerapporteerd. Dit betekent niet noodzakelijk dat een constructie schadelijk is. Wel dat ze mogelijk dient te worden onderzocht door de belastingautoriteiten. Veel constructies zijn immers volledig legitiem, het is dus een kwestie van uit te maken welke dat niet zijn.

Inwerkingtreding

De lidstraten krijgen tot 31 december 2019 de tijd om de richtlijn om te zetten in de nationale wetgeving. De nieuwe rapportageverplichtingen gelden vanaf 1 juli 2020. Op die datum zou de meldingsplicht ook in België  in werking moeten treden.

De lidstaten worden verplicht elke 3 maanden informatie uit te wisselen, dit binnen één maand na het einde van het kwartaal waarin de informatie is verstrekt. De eerste automatische informatie-uitwisseling zal dus uiterlijk op 31 oktober 2020 plaatsvinden.


GDPR en het nut van een Data Protection Officer

De Data Protection Officer of functionaris gegevensbescherming is in het leven geroepen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming, beter gekend als GDPR. Maar wat is een Data Protection Officer? Waarin kan deze een meerwaarde bieden voor u als onderneming ?

Wat is een Data Protection Officer?

Een Data Protection Officer, afgekort DPO en vertaald functionaris gegevensbescherming, is een persoon die over de nodige expertise inzake gegevensbescherming beschikt. Enerzijds betreft dit de Algemene Verordening Gegevensbescherming, anderzijds alle regelgeving die verband houdt met privacy en gegevensbescherming.

Deze kan een persoon binnen uw onderneming zijn of een externe persoon. Indien u een interne persoon aanstelt als DPO mag er geen belangenconflict ontstaan. Zo zal de zaakvoerder niet de rol van Data Protection Officer op zich mogen nemen.

Verplicht?

Het aanstellen van een Data Protection Officer is niet steeds een keuze. In sommige gevallen bent u als onderneming verplicht. Dit is het geval wanneer u:

  1. een overheidsinstantie of – orgaan bent.
  2. op grote schaal bijzondere categorieën persoonsgegevens of strafrechterlijke gegevens verwerkt en dit tot uw hoofdactiviteit behoort.
  3. op grote schaal regelmatig en stelselmatig observaties van betrokkene verricht en dit tot uw hoofdactiviteit behoort.

Om te weten of u tot één van de gevallen behoort waarbij het aanstellen van een Data Protection Officer verplicht is, is het van belang te weten wat "hoofdactiviteit" en "op grote schaal" betekent.

Wat is "de hoofdactiviteit"?

Indien het verwerken van persoonsgegevens tot de kerntaken van uw onderneming behoort, behoort deze ontegensprekelijk tot de hoofdactiviteit. Met andere woorden moet het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de doelstellingen van de onderneming.

Voorbeeld: een ziekenhuis heeft als hoofdactiviteit zorgverlening. Het verwerken van persoonsgegevens is noodzakelijk voor de doelstelling van het ziekenhuis, namelijk zorg verlenen aan patiënten.

Hoeveel is "op grote schaal"?

Het is niet mogelijk om een getal op het begrip “op grote schaal” te plaatsen. Dit zal steeds per situatie bekeken moeten worden. Bij de beoordeling of een verwerking op grote schaal plaatsvindt dient rekening te worden gehouden met de territoriale spreiding, het aantal verwerkte gegevens en betrokkene, de duur van de activiteit, ...

Voorbeeld: De verwerking van persoonsgegevens door een bank wordt beschouw als "op grote schaal". De verwerking van persoonsgegevens door een arts dan weer niet.

Geen verplichting, toch een aanrader

Indien u als onderneming niet verplicht bent om een Data Protection Officer aan te stellen, kan het toch worden aanbevolen. Een DPO kan een meerwaarde bieden in uw voorbereiding om GDPR compliant te worden, alsook de verdere opvolging.

Taken

Een Data Protection Officer heeft verscheidene taken. Allereerst zal de DPO u informeren en adviseren omtrent de verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.

In het kader van de opmaak van register van verwerkingsactiviteiten, het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, implementeren van nieuwe procedures, … zal de DPO u bijstaan.

Daarnaast ziet de DPO ook toe op de naleving van de verplichtingen zoals opgelegd door de Verordening en andere regelgeving/bepalingen omtrent gegevensbescherming. Ook toekomstige ontwikkelingen inzake gegevensbescherming, zoals nieuwe wetgeving of rechtspraak worden opgevolgd. Dit zorgt ervoor dat u steeds op de hoogte bent van nieuwe ontwikkelingen op het vlak van gegevensbescherming, waardoor u tijdig kan ingrijpen.

Verder zal de DPO uw contactpunt zijn voor de toezichthoudende autoriteit. Hij zal met de toezichthoudende autoriteit samenwerken indien er een klacht of controle zou ontstaan.

Conclusie

Ook al bent u niet verplicht om een Data Protection Officer aan te stellen, kan dit toch nuttig zijn. Deze helpt u in verschillende opzichten om uw onderneming met gegevensbescherming te laten omgaan.

Indien u graag begeleid wordt bij de implementatie van de Verordening of een externe Data Protection Officer wenst aan stellen, kan u bij aternio terecht.