Waarde van een schenking: is betwisting mogelijk?

Vermogensplanning is er voor iedereen. Maar niet iedereen is altijd zo blij met de manier waarop een planning verloopt. Schenkingen kunnen soms, ook al is vrijgevigheid hun uitgangspunt, een ongewenst resultaat hebben. Vooral dan wanneer de waarde van de schenking ter discussie ligt.

Stel u een gezin voor, vader - moeder - 2 kinderen. Bij kind 1 loopt alles op wieltjes. Goeie job, mooi inkomen, kortom, mits een beetje bancaire financiering kan kind 1 doen wat het wil. Bij kind 2 verloopt alles iets minder vlot. De ouders besluiten om kind 2 te "helpen" en alvast iets te schenken. Aangezien ze zelf niet in de financiële mogelijkheid zijn om hetzelfde te schenken aan hun 2 kinderen, lijkt het hun op dat moment de beste oplossing om dit te bedekken met de mantel der ouderliefde. Het komt er op neer dat de schenking aan kind 2 even verzwegen wordt, al dan niet onder het mom van "we trekken dat later wel recht".

Maar, zoals dat vaak gaat met dergelijke geheimpjes, spreekt kind 2 zijn of haar mond voorbij tegen kind 1. Die begrijpt de principes wel, maar voelt toch de nood om de Sherlock Holmes in zichzelf te ontdekken en gaat op onderzoek uit. Kind 1 ontdekt dat de waarde waartegen geschonken werd duidelijk veel lager ligt dan wat het goed in werkelijkheid waard is. Hoe komt dit? De fiscus berekent de schenkbelasting op de waarde van het goed, dus: hoe lager de waarde, hoe minder schenkbelasting.

Kan dit zomaar? Moet kind 1 dit zomaar tolereren, ook al is de reden waarom wel duidelijk?

Inbreng: evenwicht tussen de erfgenamen

In ons voorbeeld is het duidelijk dat kind 1 zich benadeeld voelt. Het is in de huidige wetgeving niet toegestaan om kinderen te onterven, ook niet onrechtstreeks.

Daarom moet men steeds rekening houden met de reserve van de kinderen. Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht, kunnen de ouders over 50% van hun vermogen vrij beschikken, dit is het zogenaamde beschikbare deel. De andere 50% is voorbestemd voor de reservataire erfgenamen (lees: de kinderen). Deze 50% wordt, pro rata het aantal kinderen, verdeeld. In ons voorbeeld zal elk kind dus sowieso recht hebben op de helft van die 50%. Dit kan hem/haar niet worden ontnomen.

Om te berekenen hoeveel dat effectief in waarde betekent, moet men de fictieve massa samenstellen. De fictieve massa bestaat uit zijn de actuele goederen, vermeerderd met de verrichte schenkingen en verminderd met de schulden. Het mechanisme van de inbreng is bedoeld om het evenwicht te bewaken en de reserve van de kinderen te garanderen.

Inbreng: in waarde

Onder het nieuwe erfrecht dient de inbreng steeds in waarde te gebeuren. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om een schenking van een roerend goed (geld, effectenportefeuille, kunst,...) of een onroerend goed.  De waarde die in aanmerking komt, is de waarde op de dag van de schenking, mits indexatie tot aan de dag van het overlijden.

Indexering van de waarde

Deze indexatie behoeft wel enige toelichting.

De regel van de indexering gaat uit van de premisse dat de begiftigde vanaf het ogenblik van de schenking “meester” (lees: volle eigenaar, zonder eigendomsbeperkende modaliteiten) is van het geschonken goed. Dit wil zeggen dat de begiftigde vrij over de geschonken goederen kan beschikken. Indien er geen beschikkingsrecht in volle eigendom is, dan is er in principe geen indexatie.

De indexering begint met andere woorden te lopen van zodra de begiftigde volledig zelf over het goed kan beschikken. Bij een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik, is de begiftigde op het moment van de schenking nog geen meester van de goederen. De inbreng in de fictieve massa geschiedt volgens de waarde op de dag van het overlijden van de schenker. Met andere woorden: op het moment dat het vruchtgebruik uitdooft.

Wat wanneer de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken pas verkrijgt op een datum na het overlijden van de schenker? In dat geval gebeurt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen.

Indien de begiftigde het beschikkingsrecht verkrijgt op een datum na de schenking maar voor het overlijden van de schenker, dan geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden van de schenker. Deze situatie kan zich voordoen indien er in de loop der jaren een eenzijdige afstand van het recht van vruchtgebruik gebeurt.

Intrinsieke waarde - verkoopwaarde

Er wordt voor de inbreng gekeken naar het bedrag waarmee de schenker zich verarmt. Dit bedrag dient, uiteraard, hetzelfde te zijn als het dat waarmee de begiftigde zich verrijkt. De wet stelt dat het concreet gaat om de intrinsieke waarde van het goed (art. 858, §3 BW). Dit is de (bij benadering) werkelijke waarde of verkoopwaarde van het geschonken goed in het economisch verkeer, op het tijdstip van de schenking. De intrinsieke waarde houdt rekening met alle kenmerken van het geschonken goed op dat tijdstip.

De intrinsieke waarde van het goed op het moment van de schenking, is de waarde zoals die in de akte vermeld of uitgedrukt wordt, behoudens indien die waarde manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op het moment van de schenking (art. 858, §4 BW). Dit is duidelijk wanneer een schenking van liquide middelen voorligt. Bij een schenking van onroerende goederen is het al een ander verhaal. Het staat nergens vermeldt hoe die schatting effectief dient te gebeuren. Dit in tegenstelling tot de schatting bij een overlijden, wat u kan nalezen in onze eerdere bijdrage.

Het gaat om de netto intrinsieke waarde. Indien er op de schenking lasten wegen, dan moet de waarde daarvan van het bedrag van de schenking worden afgetrokken. Het is irrelevant of het geschonken goed vruchten heeft opgebracht sinds het tijdstip van de schenking. Men houdt ook geen rekening met het genot dat de begiftigde van het goed heeft gehad. Althans, niet tot aan het tijdstip van het overlijden. Nadien lopen op het bedrag van de inbreng- of inkortingsschuld interesten aan de wettelijke rentevoet (art. 856 en 859 § 4 BW).

Deze netto intrinsieke waarde wordt bovendien geïndexeerd, op basis van de index van de consumptieprijzen (art. 858 § 3 BW).

Punctuele erfovereenkomst

Het is mogelijk om over de intrinsieke waarde van het goed een overeenkomst te sluiten. Dit kan in de schenkingsakte zelf gebeuren. Een andere optie is om te werken met een punctuele erfovereenkomst, tussen de schenker en de begiftigde. De waardering in die overeenkomst bindt ook iedere andere erfgenaam die ze aanvaardt (art. 858 § 5 lid 1 BW). In een eerdere bijdrage werden de principes hiervan reeds uiteengezet.

Fiscaal: wat met Vlabel?

Wanneer een notaris een schenkingsakte verlijdt, dient deze geregistreerd te worden op het bevoegde registratiekantoor. De ontvanger van de schenkbelasting zal op dat moment een eerste toetsing uitvoeren of de waarde correct is. Maar daarmee is de spreekwoordelijke kous nog niet af.

Vlabel beschikt zelf ook nog over een gewone aanslagtermijn van 5 jaar om een aanslag in de erfbelasting of de registratiebelasting te vestigen. Voor de erfbelasting start de termijn van 5 jaar vanaf de dag waarop de aangiftetermijn begint te lopen. Voor de registratiebelasting start de termijn van 5 jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot het heffing van registratiebelasting. In een standpunt van 23 mei 2018 stelt Vlabel dat deze aanslagtermijnen ook van toepassing zijn op aanslagen in het kader van een zogenaamde ‘tekortschatting’.

Conclusie

Indien een erfgenaam zich benadeeld voelt en het oneens is met de opgenomen waardering, draagt deze persoon de bewijslast om aan te tonen dat de waarde ‘manifest onredelijk’ was. Het advies is om zo snel mogelijk over te gaan tot een “realistische” schatting van de betrokken goederen. Dit om zwart op wit aan te tonen dat er effectief een manifest onredelijke waarde voorligt. Hoe langer men hiermee wacht, hoe moeilijker de bewijslast. Ook hier kunnen we verwijzen naar onze eerdere bijdrage.

Het benadeelde kind kan de schatting dan sowieso voorleggen op het moment van samenstelling van de fictieve massa. Gevolg hiervan: een aanpassing van het reservataire erfdeel en een rechtzetting van het onevenwicht.

aternio staat u graag bij in de opmaak uw planning. Contacteer ons voor meer informatie.

 


Van bemind naar bedrogen? Beheersvolmacht als nieuw lief i.p.v. de maatschap?

De maatschap beschikt over heel wat troeven die haar nuttig maken als instrument voor successieplanning. Zij wordt daarom vaak gebruikt als controlevehikel om een familiaal patrimonium over te dragen naar de volgende generatie zonder dat de schenkers per se de touwtjes volledig uit handen moeten geven.

Nu zijn er vermogensplanners die, na jarenlang de maatschap met hart en ziel te hebben aangeprezen, plots koele minnaars zijn geworden. Nochtans hebben zij Vlaanderens meer vermogende families zo geholpen bij de structurering van hun vermogen. Waar zij tot voor kort boeken verkochten die de maatschap aanbevelen als een interessant instrument voor vermogensplanning, richten zij nu de cupidopijlen op de beheersvolmacht.

De maatschap van bemind naar bedrogen? De vraag is of de beheersvolmacht ook terecht als volwaardig nieuw lief aan de familie wordt voorgesteld of gaan de afvallige vermogensplanners en de maatschap beter in relatietherapie? In deel één van een tweeluik proberen we op deze vraag een antwoord te geven door een kritische blik te werpen op de maatschap en haar verplichtingen. In een tweede deel spitsen we toe op de beheersvolmacht.

Wetswijzigingen 

Het taalgebruik inzake de maatschap is intussen door het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen aangepast. We spreken niet langer spreken van maten, deelbewijzen, beheerders, het doel van de maatschappen, maar wel van vennoten, aandelen, zaakvoerders en het voorwerp van de vennootschap.

In de wandelgangen is er soms nog steeds sprake van de ‘burgerlijke’ maatschap. Het onderscheid tussen de handelsvennootschappen en de burgerlijke vennootschappen is echter al sinds 1 november 2018 verdwenen. Als de notulen of de statuten nog steeds de maatschap definiëren als een ‘burgerlijke’ vennootschap is het dringend tijd om hierin verandering te brengen en opnieuw wat energie in de relatie te stoppen.

Artikel 2003 van het Burgerlijk Wetboek is gewijzigd door de Wet van 21 december 2018 en besproken in een eerdere blog. Dit is voor de maatschap relevant omdat het mandaat van de zaakvoerder (lasthebber) als een lastgeving van de vennoten (lastgevers) gekwalificeerd wordt. Indien de statuten op dat vlak niets voorzien, kan het mandaat van zaakvoerder een einde nemen indien één van de vennoten onbekwaam zou worden. Alweer tijd om een nieuwe date in te plannen?

Vlabel

Wanneer de relatie met de maatschap al helemaal verwaarloosd werd, is allicht ook de duurtijd in de statuten van de maatschap nog steeds afhankelijk gesteld van het overlijden van de langstlevende. De voorafgaande beslissing nr. 16046 d.d. 14.11.2016 van Vlabel heeft echter duidelijk gemaakt dat een maatschap opgericht tot aan het overlijden van de langstlevende van de schenkers een no go is. In dergelijk scenario is het meestal de bedoeling om de volledige controle over het vermogen van de maatschap bij de schenkers te houden.

Vlabel beschouwt dit echter als een constructie die identiek is aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker. De Vlaamse fiscale administratie oordeelt dat dit legaten zijn.  Bijgevolg zijn bij overlijden van de ouders erfbelastingen door de kinderen verschuldigd. De perfect georkestreerde date valt zo in het water.

Voorgaande aandachtspunten zijn niet onoverkomelijk en een loutere statutenwijziging als oplossing volstaat. Dit zijn op zich nog geen redenen om te breken met de maatschap. Blijven alle andere voordelen dan nog overeind?

Voor- en nadelen op een rijtje

Controle- en inkomstenbehoud tijdens het leven van de schenker, versnippering van het vermogen tegengaan, successiebesparing, fiscale neutraliteit… De maatschap voldoet aan al deze verwachtingen. Het is één van de begeerde instrumenten voor successieplanning die ervoor zorgt dat er een opsplitsing kan gemaakt worden tussen juridische eigendom enerzijds en economische eigendom en zeggenschap over het vermogen anderzijds.

Al deze voordelen zijn en blijven bestaan. Waarom dan al die drama rond de maatschap? Is het tijd om nieuw leven te blazen in de relatie of is het de liefde toch echt over?

1. Flexibiliteit

Aangezien het nieuwe vennootschapsrecht flexibiliteit op een piëdestal heeft geplaatst, is en blijft de maatschap een vorm die flexibeliteit in haar genen heeft. De maatschap kan namelijk perfect op maat worden gemaakt.

Ook het zaakvoerderschap kan losgekoppeld blijven van het financieel belang in de maatschap. Zelfs het zaakvoerderschap na het overlijden van de ouder kan bepaald worden. Till death due us part? Neen deze liefde is eindeloos, zelfs na het overlijden van de pater familias kan deze de touwtjes in handen houden over zijn opvolger zaakvoerder.

2. Discretie

Wringt misschien hier het schoentje?

De oprichting van een maatschap blijft eenvoudig en beperkt in kosten. De oprichting blijft immers vormvrij. Er is geen publicatieverplichting voor de statuten.

Toegegeven er lijkt er op het eerste gezicht minder discretie te zijn dan vroeger. Nu dient de maatschap zich immers te registreren in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) en de uiteindelijke begunstigden dienen zich ook bekend te maken in het UBO-register. Weet dat de uiteindelijke begunstigden van maatschappen enkel kunnen geraadpleegd worden door de bevoegde autoriteiten en, tegen betaling, door “eenieder die een legitiem belang aantoont".

Maar even serieus… Bent u al gaan kijken in het UBO-register of in de kruispuntbank? Klik maar even door op volgende link als de nieuwsgierigheid de bovenhand haalt: kbo/maatschap. Niet veel aan toch?

Een vreemde moet al de naam van de maatschap of het adres van de maatschap kennen om te ontdekken of u al dan niet een maatschap heeft. And so what? Niemand weet wat er achter de maatschap schuilgaat en welk vermogen er precies in zit. Poespas is er zeker meer, maar welke relatie brengt nu geen extra plichten teweeg? Dit aspect weegt alvast niet op tegen de voordelen van de standvastige relatie. Discretie is er bijgevolg nog steeds en de bangmakerij van sommigen is echt overdreven.

3. Boekhouding

Enkelvoudige boekhouding

Een maatschap opgericht vanaf 15 december 2018 is sinds die dag onderworpen aan de boekhoud‐ en inventarisverplichtingen en zal dus meteen een boekhouding moeten voeren. Een maatschap opgericht voor 15 december 2000 die in het verleden geen boekhouding voerde en haar boekhouding per kalenderjaar voert is sinds 1 januari 2020 onderworpen aan de boekhoud‐ en inventarisverplichtingen.

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen publiceerde onlangs een advies die mede aan de oorzaak van alle relatiedrama kan liggen. De Commissie stelde immers dat ook de maatschap potentieel een dubbele boekhouding moet voeren.

Dubbele boekhouding

Zonder even stil te staan bij de wet en de effectieve implicaties op de maatschap lijkt dit inderdaad vooral het kostenplaatje van de maatschap duurder te maken. Maar een nieuw lief kost ook geld, dus misschien is de huidige relatie nog niet zo slecht? Een dubbele boekhouding is immers enkel vereist voor die maatschappen die een omzet hebben van meer dan 500.000 euro. Dit is in veel gevallen niet aan de orde. We verduidelijken met een voorbeeld die in het CBN advies is opgenomen.

Het vermogen van een maatschap bestaat uit een aandelenparticipatie en een bankrekening. De maatschap houdt deze aandelenparticipatie, die bestaat uit 9 procent van de aandelen van een naamloze vennootschap, reeds vele jaren ongewijzigd aan en ontvangt hieruit een jaarlijks dividend van 130.000 euro. Tijdens het boekjaar wordt opnieuw een dividend ontvangen van 130.000 euro, wordt een superdividend ontvangen van 400.000 euro en wordt vervolgens 1 procent van de aandelenparticipatie verkocht voor een bedrag van 300.000 euro. De bankrekening genereert tijdens het boekjaar een interest van 300 euro. Het bedrag van de andere dan niet‐recurrente ontvangsten bedraagt in dit geval 130.300 euro.

Deze maatschap hoeft zich bijgevolg nog lang niet officieel te binden aan een dubbele boekhouding. Het aantal maatschappen dat ook effectief een dubbele boekhouding zal moeten voeren is allicht beperkt. Er is zelfs nog lang geen sprake van een verlovingsfeestje aangezien de maatschap ieder jaar opnieuw de keuze mag maken om een vereenvoudigde boekhouding te voeren, ongeacht welke boekhouding het jaar voordien werd gehouden.

Boekhouding in concreto

In de huidige stand van de boekhoudwetgeving zijn er geen formele vormvoorwaarden opgenomen waaraan de jaarrekening van een boekhoudplichtige onderneming die een vereenvoudigde boekhouding voert, moet voldoen.

De verantwoordingstukken dienen uiteraard performant te zijn. Als er een portefeuille is aangehouden in de maatschap wordt vaak gebruik gemaakt van de financiële staten die de bank overmaakt. Dit zou volgens de principes van een dubbele boekhouding an sich onvoldoende zijn.

Maar even realistisch blijven… de jaarrekening wordt niet gepubliceerd. Men kan zich de vraag stellen of men werkelijk afbreuk doet aan het principe van het voeren van een volledige boekhouding als men de financiële rapporten van de bank opneemt i.p.v. day-to-day bewegingen in de portefeuille?

Sancties bij het niet voeren van een dubbele boekhouding?

Wat is nu de mogelijke sanctie als de jaarrekening van de maatschap is opgesteld op basis van de financiële rapporten van de bank i.p.v. day-to-day bewegingen? Het boekhoudkundig eindresultaat van de maatschap op basis van de rapporten is immers wél correct. Er zijn heel wat sancties voor vennootschappen die hun jaarrekening niet neerleggen. De maatschap heeft echter geen verplichting om een jaarrekening neer te leggen. Enkel een verplichting om een dubbele boekhouding te voeren als de omzet meer dan 500.000 euro bedraagt.

De ratio legis van de dubbele boekhouding is immers dat een onderneming een voor haar gepaste boekhouding zou voeren zodat zij voldoende op de hoogte is van haar rechten en plichten. Een dubbele boekhouding biedt namelijk een gedetailleerder beeld van de onderneming. Een dubbele boekhouding biedt ook meer garanties naar de fiscus. Weet wel dat de maatschap fiscaal transparant is. Bovendien kan het niet genoeg herhaald worden: het boekhoudkundig resultaat op basis van periodieke bancaire rapporten is wél correct.

De enige "sanctie" die ons inziens kan spelen is de hoofdelijke aansprakelijkheid van de zaakvoerder(s) van de maatschap. Daarbij is men enkel aansprakelijk voor schade die het gevolg is van de niet-conforme boekhouding. Maar de boekhouding wordt gehouden in het voordeel van de vennoten én het resultaat van de maatschap is conform de financiële rapporten van de bank. Er is met andere woorden geen sprake van schade want de boekhouding geeft een juist resultaat weer. Gaan de aandeelhouders nu echt prat staan op het voeren van een dubbele boekhouding en het day-to-day volgen van de bankverrichtingen op de portefeuille?

U moet uw relatie niet altijd even au sérieux nemen.

Conclusie

Er zijn inderdaad meer formaliteiten waaraan de maatschap op heden moet voldoen. Maar elke relatie vergt nu eenmaal een inspanning.

Uit voorgaande durven wij besluiten dat voor de meeste maatschappen er maar weinig verandert. De maatschap is en blijft een flexibel instrument voor vermogensplanning waarvan de kosten beperkt zijn.

Maar misschien is men terecht dolverliefd op de beheersvolmacht. To be continued...

aternio helpt graag bij het ontwerp van uw maatschap. Contacteer ons vrijblijvend.


Autofiscaliteit anno 2020

Het autosalon is nog maar net voorbij en misschien hebt u nog niet de juiste keuze kunnen maken over welke auto u op vandaag wenst aan te kopen. Er is de laatste jaren immers heel wat gewijzigd in de autofiscaliteit. In 2020 gaat de laatste fase van de belastinghervorming na het Zomerakkoord in.  In deze bijdrage zetten we de belangrijkste krachtlijnen nog eens uiteen voor u.

Aftrekbaarheid

In de vennootschapsbelasting geldt voortaan voor alle kosten volgende formule:

Aftrekpercentage = 120% - (0,5% x CO2 x coëfficiënt)

Daarbij is de coëfficiënt gelijk aan:

  • 1 voor dieselmotoren en dieselvarianten zoals bijvoorbeeld hybride diesels
  • 0,9 voor voertuigen met een aardgasmotor (CNG) of een belastbaar vermogen < 12 fiscale pk
  • 0,95 voor alle andere motoren (benzine, lpg, biobrandstof)

Bovendien geldt een minimumpercentage van 50% (of 40% indien de C02-uitstoot > 200) en een maximumpercentage van 100%. Het aftrekpercentage van 120% voor elektrische wagens bestaat dus niet langer.

Bovenstaande formule geldt voortaan ook voor de brandstofkosten. Het standaard aftrekpercentage van 75% voor brandstofkosten is dus afgeschaft.

De aftrekbaarheid in de personenbelasting wordt op dezelfde wijze vastgesteld als in de vennootschapsbelasting (zie hoger). Enkel het minimumpercentage van aftrekbaarheid in de personenbelasting 75% is afgeschaft.

Valse hybride

Voertuigen die deels werken op brandstof en deels op een oplaadbare elektrische batterij, maar waarvan de capaciteit van de elektrische batterij slechts een beperkt gebruik toelaat, waren de voorbije jaren zeer aantrekkelijk omwille van hun gunstige fiscale regime. Denk daarbij aan de hoge fiscale aftrekbaarheid en het laag voordeel van alle aard voor privégebruik.

Deze zogenaamde ‘valse hybrides’ of ‘plug-inhybrides’ zijn anno 2020 fiscaal niet meer interessant.

Er is sprake van een valse hybride indien:

  • de CO2-uitstoot hoger is dan 50g/k; of
  • de elektrische batterij een energiecapaciteit heeft van < 0,5 kWh per 100kg wagengewicht.

Sinds 1 januari 2020 heeft de wetgever voor valse hybrides een eigen berekening van de CO2-uitstoot ingevoerd. De CO2-uitstoot is daarbij afhankelijk van de energiecapaciteit van de batterij in verhouding tot het autogewicht (in kWh/100 kg) en de CO2-uitstoot van de wagen.

Bij een valse hybride wordt geen rekening gehouden met de officiële CO2-uitstoot, maar wordt deze uitstoot vermenigvuldigd met 2,5. Ofwel houdt men rekening met de CO2-uitstoot van een overeenstemmend voertuig dat niet is uitgerust met een hybride motor.

De fiscale administratie heeft aan de autofabrikanten gevraagd om voor elke valse hybride een overeenstemmend voertuig te bepalen. Deze lijst met overeenstemmende voertuigen is op vandaag nog niet gepubliceerd.

Let wel, valse hybrides die werden aangekocht vóór 1 januari 2018 ontsnappen nog aan deze strengere regeling.

CO2-uitstoot: NEDC of WLTP?

In onze vorige bijdrage spraken we al over de NEDC en WLTP-normen inzake CO2-uitstoot. De nieuwe Europese WLTP-norm is strenger en leidt in principe tot hogere waardes van CO2-uitstoot, en dus een hogere belastbaarheid. Dit was echter niet de bedoeling van de wetgever. Daar werd dus een mouw aan gepast:

  • voor oude modellen (aangekocht vóór 1 juli 2017) of oude wagens (geproduceerd vóór 1 september 2018) geldt nog de oude NEDC-norm
  • voor nieuwe modellen (aangekocht vanaf 1 juli 2017) of nieuwe wagens (geproduceerd vanaf 1 september 2018) zijn er 2 CO2-normen:
  • WLTP: gemeten via een nieuwe methode
  • NEDC 2.0 (een CO2-uitstoot die vergelijkbaar zou moeten zijn met de CO2 gemeten onder de NEDC. Deze uitstoot wordt dan niet gemeten, maar omgerekend en vertrekkende vanuit de WLTP-waarde)

Belangrijke tip: sinds 1 juli 2019 vindt u geen CO2-uitstoot meer op het inschrijvingsbewijs. Kijk hiervoor dus naar het gelijkvormigheidsattest of op de website van de FOD Mobiliteit.

Contacteer ons voor meer uitgebreide informatie.


Eventueel vruchtgebruik: over hoe "misschien", echt kan worden

Vruchtgebruik: you love it or you hate it. Menig artikel werd reeds gewijd aan dit zakelijk recht. Zo ook door aternio. Ondermeer in een eerdere bijdrage behandelden we alvast enkele types van vruchtgebruik. Maar wist u dat er ook zoiets bestaat als het eventuele vruchtgebruik?

Vruchtgebruik "klassiek"

De klassieke definitie is dat vruchtgebruik een zakelijk recht is om van een zaak, waarvan een ander het eigendom heeft, het tijdelijk genot te hebben. Het ontstaat door een opsplitsing van het (volle) eigendomsrecht in blote eigendom enerzijds en vruchtgebruik anderzijds. Het is een (zakelijk) recht om van een goed, waarvan een ander de blote eigendom heeft, het tijdelijk genot te hebben en de vruchten ervan te genieten. Dit alles mits inachtname van en respect voor de bestemming van het goed.

Eventueel vruchtgebruik

Wat is dan een eventueel vruchtgebruik? Dit is een recht onder opschortende voorwaarde dat afhankelijk is van de toekomstige, onzekere gebeurtenis dat de titularis ervan nog in leven is op het tijdstip dat het door de erflater toegestane vruchtgebruik eindigt. Euhm, say what?

Wel, onder de wettelijke regels verkrijgt de gehuwde langstlevende partner het vruchtgebruik over de goederen van de overledene. De blote eigendom komt dan terecht bij de afstammelingen van de overledene. Het is echter mogelijk dat er zich in de nalatenschap een goed in blote eigendom bevindt. Wanneer de wettelijke regels dan worden toegepast en de langstlevende krijgt het vruchtgebruik van de hele nalatenschap, dan ontstaat het eventueel vruchtgebruik.

Dit eventueel vruchtgebruik krijgt pas uitwerking bij het overlijden van de oorspronkelijke vruchtgebruiker of bij het verstrijken van de termijn waarvoor het oorspronkelijke vruchtgebruik werd aangegaan. Dit alles op voorwaarde dat degene die het eventuele vruchtgebruik heeft gekregen, nog in leven is op het moment dat het oorspronkelijke vruchtgebruik stopt.

Een voorbeeld

Karel en Marie zijn gehuwd en hebben 1 zoon, Andreas. Andreas is op zijn beurt gehuwd met Annemie. Zij hebben samen 2 kinderen. Karel heeft een appartement in zijn eigen vermogen zitten. Hij schenkt dit aan zijn enige zoon Andreas, onder voorbehoud van vruchtgebruik. Op die manier behoudt hij zelf nog de huurinkomsten van het appartement. De schenkingsakte voorziet niet dat het vruchtgebruik naar Marie gaat, eens Karel zou overlijden.

Andreas komt om het leven in een tragisch ongeval. Annemie, zijn echtgenote, erft het vruchtgebruik op zijn volledige nalatenschap. In die nalatenschap zit dus, onder andere, de blote eigendom op het appartement.
Aangezien Karel nog in leven is, verkrijgt Annemie nu enkel het eventueel vruchtgebruik op het appartement. Hiermee kan ze in feite niet echt iets beginnen.

Het is pas op het moment dat Karel overlijdt, dat Annemie het effectieve vruchtgebruik zal verkrijgen. Uiteraard, indien zij op dat moment zelf nog in leven is.

Actieve vermogensplanning

In wat voorafgaat, is het uitgangspunt steeds de klassieke situatie dat goederen worden verkregen ingevolge een erfenis. Maar het is uiteraard wenselijk om tijdens uw leven een actieve planning te ondernemen. Erven is namelijk, in vele gevallen, duurder dan schenken.

Is het mogelijk om de blote eigendom van een goed door te schenken? En zo ja, is het dan ook mogelijk om later toch nog het vruchtgebruik over dat goed te verkrijgen, eens de oorspronkelijke vruchtgebruiker komt te overlijden? Ook hier is het antwoord "ja". U schenkt dan de blote eigendom door onder voorbehoud van het eventuele vruchtgebruik.

We maken even terug de koppeling met het voorbeeld, met dat verschil dat Andreas nu in leven blijft.

Andreas beslist om actief aan vermogensplanning te doen, en wil zijn blote eigendom op het appartement schenken aan zijn beide kinderen.  Anderzijds wil hij die huurinkomsten die zijn ouders nu opstrijken, later ook wel hebben. Dat vormt dan een aangename aanvulling op zijn pensioen. Dit is perfect mogelijk. Uiteraard moet men steeds rekening houden met wat er in de oorspronkelijke schenkingsakte staat. Het is niet ondenkbaar dat Karel en Marie hun goedkeuring moeten geven voor de schenking van Andreas aan zijn kinderen.

Nieuwe aangifte nalatenschap?

Moet er een nieuwe aangifte van nalatenschap gebeuren op het moment dat het eventuele vruchtgebruik omzet naar een effectief vruchtgebruik? Het antwoord is volmondig "ja". Wanneer de actieve samenstelling van de nalatenschap wijzigt, na het openvallen van de nalatenschap, moet men een nieuwe aangifte indienen. Dit kan dus onder meer gebeuren door het intreden van een voorwaarde. U kan de regels hieromtrent uitgebreid nalezen in een eerdere bijdrage.

Het Hof van Cassatie heeft het voorgaande ook duidelijk bevestigd. In een arrest van 25 januari 2019 stelde het Hof dat het actueel worden van een eventueel vruchtgebruik belangrijke gevolgen heeft voor de vruchtgebruiker. De nieuwe vruchtgebruiker dient binnen de voorziene termijn een nieuwe aangifte nalatenschap in te dienen, waarbij men het actueel geworden vruchtgebruik moet waarderen. De waardering dient te gebeuren op datum van het actueel worden. Indien de nieuwe aangifte niet of niet tijdig gebeurt, beginnen er intresten te lopen.

Fiscaal

De fiscus berekent de schenkbelasting steeds op basis van de waarde van het goed in volle eigendom. Maar, door de blote eigendom reeds door te schenken met voorbehoud van het eventuele vruchtgebruik, kan men de waarde van het oorspronkelijke vruchtgebruik (dus dat van Karel in ons voorbeeld) in mindering brengen.

Dit gebeurt, uiteraard niet, wanneer u pas schenkt op het moment dat u zelf volle eigenaar bent geworden. Voor de schenkbelasting maakt dat geen verschil: de fiscus berekent de rechten op basis van de waarde in volle eigendom. Dit zal alvast een iets hoger prijskaartje betekenen.

Vererven is, zoals eerder aangehaald, de duurste oplossing. De erfrechtelijke tarieven worden dan losgelaten op de nalatenschap. Er gebeurt wel de opsplitsing tussen de roerende goederen en de onroerende goederen. Maar na die opsplitsing is het gedaan: de berekening van de erfbelasting gebeurt een eerste op de waarde van alle roerende goederen en een tweede keer op de waarde van alle onroerende goederen.

Conclusie

Het is dus niet omdat u "enkel" over goederen in blote eigendom beschikt, dat u nog niet aan vermogensplanning kan doen. Integendeel, dit kan interessante perspectieven openen.

Weet alleen dat het eventueel vruchtgebruik naast zijn voordelen, ook nadelen kan hebben. Het verdient namelijk enige aandacht en opvolging. Het is niet ondenkbaar dat er bij de eerste schenking een opvolging, een terugval of een aanwas van vruchtgebruik is voorzien. Het kan dus wel enige tijd duren vooraleer uw eventueel vruchtgebruik "actueel" wordt. Bovendien is het de verplichting van de nieuwe vruchtgebruiker, en van die persoon alleen, om een nieuwe aangifte van nalatenschap in te dienen met de actuele waarde. U mag niet wachten tot de fiscus u hierover zelf aanspreekt. De intresten op het niet tijdig indienen van de nieuwe aangifte lopen en tikken snel aan.

aternio staat u graag bij in uw planning en private housekeeping. Want alles staat of valt met een goede voorbereiding en opvolging. Contacteer ons voor meer informatie.


Data Protection Day - Onze cookies kan u alvast niet weigeren!

Een cookie: lekkere versnapering voor bij de koffie of een privacy-dief? Ter gelegenheid van Data Protection Day of Dag van de Gegevensbescherming wil aternio u wegwijs maken in de wereld van privacy en cookies. Bij aternio staat de bescherming van de privacy van haar klanten, medewerkers en leveranciers bovenaan. Wij willen dan ook dat u bewust kan omgaan met cookies en de privacyaspecten die hieraan vasthangen.

De ene cookie is de andere niet! Cookies zijn kleine stukjes informatie, vaak in de vorm van een klein tekstbestandje opgeslagen op uw toestel. Websites gebruiken deze cookies om uw toestel te herkennen wanneer u hun website een volgende keer bezoekt. Dit kan heel handig zijn. Zo kunnen zij ervoor dat de website überhaupt correct zal functioneren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bijhouden van het winkelmandje tijdens het winkelen op een webshop. Er zijn echter verschillende andere soorten cookies: bijvoorbeeld functionele, analytische, marketing cookies. Vooral bij deze laatste soort cookies kan de vraag gesteld worden of zij altijd correct omgaan met de privacy van de gebruiker.

Marketing cookies en privacy. Websites gebruiken marketing cookies om gebruikers te volgen op hun website of op andere verbonden websites. Op deze manier wordt bijgehouden wat deze persoon interessant vindt en kan een profiel van hem/haar opgemaakt worden. Zeer handig voor webshops en voor andere reclamedoeleinden, maar niet altijd naar de zin van de gebruiker! We worden namelijk niet graag altijd ‘bespied’ wanneer we aan het surfen zijn.

To accept or not to accept. Websites zijn dan ook verplicht om het plaatsen en raadplegen van deze cookies optioneel te maken. Gebruikers moeten de mogelijkheid hebben om alle niet-essentiële cookies te weigeren! Websites doen dit doorgaans door een gebruiker, bij een eerste bezoek aan de website, een “cookiebanner” te tonen.

Ons advies. Ga bewust om met uw keuze om cookies te aanvaarden! (En breng de website op de hoogte als zij u niet laten weigeren.)

Zijn de cookies op uw website al in orde? Neem gerust contact met ons op, wij helpen jullie hier bij verder.


Breek uw hoofd (niet) over innovatie-inkomsten

Om ondernemingen te motiveren om meer te innoveren, kwam de Belgische overheid in 2017 met de aftrek voor innovatie-inkomsten. Elke Belgische vennootschap of buitenlandse vennootschap met een Belgische inrichting kan daardoor 85% van hun innovatie-inkomsten aftrekken van hun vennootschapsbelasting.

Om de correcte omvang van deze aftrek te berekenen moet de vennootschap een hele wiskundige oefening maken. De Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) verduidelijkte in haar Jaarverslag 2018 een berekening die zij aanvaardt voor onder andere de inkomsten uit software.

In aanmerking komende inkomsten

Voor de aftrek komen slechts de inkomsten die voortkomen uit bepaalde intellectuele eigendomsrechten in aanmerking. De aftrek geldt namelijk enkel voor inkomsten uit octrooien, auteursrechtelijk beschermde software, kwekersrecht, weesgeneesmiddelen en data- en marktexclusiviteit (voor geneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen).

De inkomsten betreffen onder meer inkomsten uit verleende licenties, royalties, inkomsten uit de verkoop van intellectuele eigendomsgoederen en zelfs schadevergoedingen naar aanleiding van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht.

De uiteindelijk in aanmerking komende inkomsten moet de vennootschap nog verder beperken. Enkel kwalificerende netto-inkomsten mogen gebruikt worden en er kan slechts het gedeelte van een zogenaamde 'nexus-breuk' behouden blijven.

De nexus-breuk staat voor de verhouding tussen de eigen uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) en de algehele uitgaven voor O&O. Onder de eigen O&O uitgaven begrijpt men de uitgaven de intellectuele eigendomsrechten door de onderneming of een onafhankelijke derde werden ontwikkeld. Deze uitgaven moeten steeds verband houden met het kwalificerende intellectuele eigendomsrecht. Vooraleer we de nexus-breuk verlaten mag zij nog verhoogd worden met 30%, ze kan evenwel nooit boven 1 uitstijgen.

Wat nu met de kwalificerende netto-inkomsten? De DVB houdt het in haar Jaarverslag op een berekening van de bruto innovatie-inkomsten. Ze zegt wel dat de aftrek enkel kan genieten ten belope van de netto-inkomsten. Daarbij laat ze echter na om te verduidelijken hoe deze berekening plaats moet vinden. De bruto innovatie-inkomsten dienen namelijk vermindert te worden met de in kosten opgenomen globale uitgaven, gedaan of gedragen in dat belastbaar tijdperk.

De berekening ziet er zodoende als volgt uit: aftrekbare innovatie-inkomsten = 85 % x kwalificerende netto-inkomsten x nexus-breuk .

Bruto innovatie-inkomsten uit software ontwikkeling

De DVB geeft in haar Jaarverslag 2018 een richtsnoer op welke wijze zij voorstelt om uit de integrale omzet van het gehele boekjaar de bruto innovatie-inkomsten te berekenen voor auteursrechtelijk beschermde softwareprogramma's. Het gaat echter om een berekening in stappen waarbij de DVB weinig verduidelijking aanreikt. Ze voorziet ons wel van een voorbeeld aan de hand waarvan we deze bijdrage verder opbouwen.

Tijd om de handen uit de mouwen te steken en onze rekenmachine van onder het stof te halen.

Stap 1 t.e.m stap 4: laten we eenvoudig starten

De DVB vertrekt van de integrale omzet over het gehele boekjaar. De bedoeling daarbij is om te eindigen bij de kwalificerende inkomsten van de auteursrechtelijk beschermde software en de hieraan inherent verbonden diensten.

Om tot de resterende omzet te komen moet de onderneming in de eerste plaats alle door haar gemaakte omzet die niet in verband kan gebracht worden met de auteursrechtelijk beschermde software weggelaten uit de berekening. Deze omzet moet de vennootschap van de integrale omzet over het gehele boekjaar aftrekken.

Van de integrale omzet zal men ten slotte de omzet die toewijsbaar is aan software die reeds inkomsten heeft voorgebracht voor 1 juli 2016 moeten aftrekken. Dit komt doordat enkel die inkomsten die voortkomen uit software gecommercialiseerd na 1 juli 2016 aanspraak kunnen maken op de aftrek voor innovatie-inkomsten. Een speciaal geval is de software die de onderneming reeds ontwikkelde voor 1 juli 2016, maar waarbij zij deze nadien nog verbeterde.

Voorbeeld DVB:

1.     Integrale omzet over het gehele boekjaar
2.    - omzet die losstaat van de auteursrechtelijk beschermde software
3.    - toewijsbaar aan software die voor 1 juli 2016 inkomsten opbrachten


4.    = Resterende omzet over het gehele boekjaar

Stap 5 t.e.m. stap 9: het einde is in zicht

Bij deze stappen is het de bedoeling om van de resterende omzet te komen tot de uiteindelijke kwalificerende bruto innovatie-inkomsten. Het uiteindelijk resultaat zal echter afhankelijk zijn of de vennootschap de verkoop van de software zelf voor haar rekening neemt of deze outsourced.

De DVB houdt allereerst bij haar berekeningen rekening met de principes inzake verrekenprijzen. Daarmee wil ze zeggen dat de resterende omzet uit stap 4 nog een deel omzet bevat dat eigenlijk een vergoeding omvat voor ondersteunende taken die plaatsvinden binnen de vennootschap. Deze vergoeding voor ondersteunende taken heeft tot doel de inkomsten uit de software te verkrijgen. Ter berekening maakt de DVB de breuk tussen de resterende omzet uit stap 4 en de integrale omzet in stap 1. Deze berekening resulteert dan in een breuk.

Vervolgens moeten we het hiervoor vermelde percentage vermenigvuldigen  met de directe en indirecte kosten. Deze kosten staan vermeld in de rekeningen 60 t.e.m. 64 van de minimum indeling van het algemeen rekeningenstelsel (MAR). Kosten die voor onderzoek en ontwikkeling kunnen worden aanzien mogen hier niet in rekening worden gebracht.

Daarna moet hierbij nog een zogenaamde "marktconforme routine marge" afgehouden worden. De grootte van de routine marge zal afhankelijk zijn of de vennootschap de verkoop zelf doet of deze outsourced. De DVB opteert ervoor deze routinemarge uit te drukken als een correctie op basis van een marge op de omzet. Ze sluit echter niet uit dat vennootschappen een andere winstindicator, zoals een cost-plus op toewijsbare directe en indirecte kosten mogen hanteren.

Zijn er in de onderneming nog andere intellectuele eigendomsrechten die enige waarde hebben, bv. merknamen? De inkomsten uit deze andere intellectuele eigendomsrechten moeten ten slotte nog afgetrokken worden om zo tot de bruto innovatie-inkomsten te komen.

Voorbeeld DVB:

4.      Resterende omzet over het gehele boekjaar
5.      Y% = resterende omzet (stap 4) / integrale omzet (stap 1)
6.     - Y% x (toewijsbare directe en indirecte kosten aan resterende omzet)
7.      - Routine marge
8.     - Gedeelte van omzet toewijsbaar aan andere intellectuele rechten


9.     = Bruto innovatie-inkomsten

Eigen rekenmethode gebruiken?

De DVB bespreekt in haar Jaarverslag niet alle door haar besliste rulings. Het is dus voor een vennootschap mogelijk om haar bruto-innovatie inkomsten op een andere wijze te berekenen. Dit blijkt immers uit andere recente rulings door de DVB over de innovatie-inkomsten.

Deze andere berekeningswijze kan verantwoordt zijn omwille van de sector of van de specifieke activiteit van de vennootschap. Uit haar andere rulings blijkt dan weer dat de DVB de hierboven beschreven rekenmethode ook voor de overige intellectuele eigendomsinkomsten prefereert.


Ik ben onderneming dus ik ben boekhoudplichtig

Het Wetboek van Economisch Recht (WER) onderwerpt heel wat personen, lichamen en organisaties aan boekhoudkundige verplichtingen. De term 'boekhouding' is een anachronisme,  dat valt toch echt niet te ontkennen. Wie houdt er immers anno 2020 nog boeken? Accounting is nochtans een veel accurater en  moderner begrip. Helaas, nostalgie viert nog steeds hoogtij op dit vlak.

Twee vragen stellen zich. Wie kwalificeert als 'boekhoudplichtige onderneming'?  Wanneer zijn de boekhoudkundige verplichtingen van het WER van toepassing?

Onderneming - natuurlijke persoon

Elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent in België is een boekhoudplichtige onderneming. Zelfstandig wil zeggen niet in dienstverband. Beroepsactiviteit impliceert dat er sprake is van duurzaamheid in de uitgeoefende activiteiten. Zo zijn alle vrije beroepers per definitie boekhoudplichtige ondernemingen.

Er zijn echter impliciete en expliciet uitzonderingen en zo vallen niet alle activiteiten van natuurlijke personen onder het ondernemingsbegrip.

Impliciet uitgesloten zijn natuurlijke personen die hun persoonlijk vermogen op een normale manier beheren. Dit is eveneens zo voor kleinschalige activiteiten in de deeleconomie die geen inkomen nastreven. In concreto gaat het over netwerken die vraag en aanbod bij elkaar brengen om  onderbenutte goederen en diensten te delen.

Expliciet uitgesloten als boekhoudkundige onderneming zijn natuurlijke personen die een bestuursmandaat uitoefenen, een land- of tuinbouwbedrijf exploiteren of diensten leveren aan particulieren via een erkend elektronisch deelplatform voor zover het inkomen fiscaal niet aanmerkt als beroepsinkomen.

Onderneming - rechtspersoon

Alle Belgische rechtspersonen zijn in principe aan te merken als een onderneming met accounting verplichtingen.

Toch zijn er ook hier enkele uitzonderingen. Vooreerst zijn dit de publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Uitzondering ook voor ondernemingen die uitsluitend een land- of tuinbouwbedrijf exploiteren én die niet belast zijn in de vennootschapsbelasting. Verenigingen en stichtingen met een hoofdactiviteit die onderworpen is aan bijzondere regels voor hun boekhouding en jaarrekening. Deze regels moeten dan wel gelijkwaardig zijn aan deze van het WER. Bij gebrek aan een wettelijke of officiële lijst terzake gebeurt de beoordeling hiervan door het bestuur van de vereniging of stichting.

Organisaties zonder rechtspersoonlijkheid

Organisaties die geen rechtspersoonlijkheid hebben en waarbij er geen uitkeringsoogmerk is, noch in rechte noch in feite aan leden of beslissingsnemers, worden niet aangemerkt als onderneming. Bijgevolg zijn zij ook geen boekhoudplichtige onderneming. Belgische vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, denk maar aan de maatschap, zijn veronderstelt steeds een uitkeringsoogmerk te hebben. M.a.w. een maatschap, ook de stille en de tijdelijke, is een onderneming met accounting verplichtingen. Dus ook de maatschap die privépatrimonium (effecten, kunst, ...) beheert.

Buitenlandse ondernemingen

Natuurlijke personen die uitsluitend in het buitenland zelfstandige beroepsactiviteiten uitoefenen zijn geen boekhoudplichtige onderneming onderworpen aan het WER. Organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid maar met één of meer bijkantoren in België zijn voor wat betreft deze bijkantoren wel onderworpen aan de boekhoudkundige verplichtingen van het WER.

Inwerkingtreding

Alle nieuwe ondernemingen die van start gegaan zijn na 1 november 2018 zijn onderworpen aan de accounting verplichtingen opgenomen in het WER. Voor de bestaande ondernemingen die voorheen geen boekhoudkundige verplichtingen hadden, gelden de accounting verplichtingen vanaf het eerste boekjaar dat aanvangt vanaf 1 mei 2019.

Voorbeelden

In een haar advies 2019/08 geeft de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) enkele voorbeelden.

Vrije beroepen, zoals advocaten en artsen, die hun activiteiten niet onder een vennootschapsvorm uitoefenen gelden de boekhoud- en inventarisverplichtingen vermeld in het WER vanaf 1 januari 2020.

Een maatschap opgericht op 15 december 2018 is reeds van bij haar aanvang onderworpen. Zij moet een boekhouding voeren. Voor een maatschap opgericht op 15 december 2000 en met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, gelden de boekhoud- en inventarisverplichtingen vermeld in het WER vanaf 1 januari 2020.

Een ziekenhuis, onderworpen aan het KB betreffende de jaarrekening van ziekenhuizen, is geen boekhoudplichtige onderneming naar het WER.

Een ambtenaar die in bijberoep een zelfstandige beroepsactiviteit als schrijnwerker uitoefent is een boekhoudplichtige onderneming.

Inspiratie bij de CBN

Wie zich wil verdiepen in de materie kan terecht bij enkele recente adviezen van de CBN. O.a.

Boekhoudplichtige onderneming - CBN-advies 2019/09g

De boekhoudkundige en jaarrekeningrechtelijke verplichtingen van een beoefenaar van een vrij beroep - CBN-advies 2019/10

De vereenvoudigde boekhouding van een natuurlijke persoon, maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap - CBN-advies 2019/11

 


Wettelijke etiquette ten aanzien van de consument. Is zwijgen goud?

In een eerdere blog stonden we stil bij de veranderingen die de wetgever aanbrengt in het Wetboek van Economisch Recht (WER). Zo gingen we dieper in op de nieuwe regels met betrekking tot onrechtmatige contractuele bedingen, oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen en het misbruik van economische afhankelijkheid van een onderneming.

Het WER tekent daarnaast ook de krijtlijnen uit hoe een professionele verkoper zich dient te gedragen ten aanzien van een consument. Zo zijn er een reeks handelingen die oneerlijk, misleidend of agressief zijn en bijgevolg verboden. Deze regels zijn an sich niet nieuw. Maar niet alleen de wetgever schiet af en toe in actie, ook de rechtspraak zorgt voor verhelderende ‘nieuwe’ inzichten.

We staan dan ook even stil bij de wettelijke etiquette voorgeschreven voor een onderneming ten aanzien van een consument.

Iedereen is druk bezig om zijn privacy en cookiebeleid aan te passen van zijn website, maar zijn de prijzen altijd goed geafficheerd?

Misleidende handelspraktijken

De wet stelt dat een handelspraktijk als misleidend wordt aanzien als het gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust. Dit is ook zo als de informatie feitelijk correct is maar de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen, waardoor men deze ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

Iedereen kent de algemene etiquette-regel: 'niet teveel (eten) opscheppen'. Zo mag een ondernemer niet te veel opscheppen over zijn producten als de presentatie van de producten niet langer feitelijke correct zou zijn hierdoor.

Minder algemeen bekend, 'kauw en slik het voedsel door voordat je een slok van je drank neemt'. De ondernemer dient ook eerst alle informatie zo goed als mogelijk voor te kauwen zodat de informatie hapklaar is voor de consument.

Onjuiste informatie zal uiteraard misleidend zijn, maar ook juiste informatie kan op dermate wijze worden weergegeven dat het misleidend is. Er hoeft zelfs geen sprake te zijn van bedrog bij de ondernemer om van een misleidende en dus een verboden handeling te kunnen spreken! De gebruikte term bedriegen in de wet wijst immers niet op een handeling van de ondernemer, maar wel op het gevolg van de misleidende voorstelling.

In de praktijk

Een onderneming kan beslissen om bewust te zwijgen over essentiële informatie om een overeenkomst met een consument binnen te halen. Hoe ver is hier te ver? Een kusje in het openbaar is aanvaardbaar, maar een tongzoen is echt niet Europees.

De consument in wiens ogen misleiding wordt beoordeeld is de ‘gemiddelde, geïnformeerde, omzichtige en oplettende’ consument. Ook de consument dient zich naar bepaalde etiquette te gedragen. Waar nodig dient zij informatie op te vragen zodat er geen sprake meer is van misleiding.

Prijs verzwijgen?

Het hoeft weinig uitleg dat de prijs van een product een essentieel element is. Een onderneming dient dan ook altijd de prijs van zijn product mee te delen. Daarenboven moet de samenstelling van de prijs zo meegedeeld worden dat er geen verwarring mogelijk is.

Miskent men deze etiquette en wordt de consument misleidt, is er sprake van een verboden handelspraktijk.

Absolute etiquette?

Mag je de ellebogen nooit op tafel steunen of toch wel tijdens gangen door? Hoe absoluut is de regel dat de ondernemer spreekplicht heeft over de essentiële elementen van zijn product?

Recente rechtspraak heeft zich gebogen over de vraag of er sprake is van misleidende praktijken als ook de consument nalatig is geweest. De consument heeft immers vraagplicht zoals uit voorgaande is gebleken.

De rechtspraak valt terug op het absoluut beginsel ‘fraus omnia corrumpit’. Latijns voor 'bedrog vernietigt alles'. Niemand kan zich op zijn bedrog beroepen om zijn gelijk te halen, zo ook de ondernemer niet.

Zelfs al heeft de consument een vraagplicht, een gemiddelde consument zou namelijk naar de prijs van een product vragen. Dan nog kan het stilzwijgen van een ondernemer niet worden aanvaard omdat hij net de bedoeling had om de consument te overtuigen een overeenkomst aan te gaan zonder glashelder te communiceren over de prijs.

Een alzo bedongen overeenkomst dient als onbestaand te worden aanzien. De consument moet integraal herstel krijgen.

Conclusie

Zelfs al moet er volgens het WER niet eens sprake zijn van bedrog in hoofde van de ondernemer, toch kan er sprake zijn van misleidende handelspraktijken jegens de consument als alle informatie juist is

Reden tot champagne? Iedere gelegenheid is goed om deze prikkelende godendrank te ontkurken. Maar voor de ondernemer een flesje ontpopt zal hij toch maar beter open kaart spelen over alle essentiële elementen van zijn product. De consument is heden ten dage beschermt door de wet, maar ook door algemene rechtsbeginselen zoals ‘fraus omnia corrumpit’.

Zijn uw prijzen allemaal duidelijk weergegeven?

aternio helpt ondernemingen. aternio kan evalueren of u terzake aan alle wetten en rechtsbeginselen voldoet. Contacteer ons vrijblijvend.


Onroerende verhuur met btw – verklaring is vereist

Bijna twee jaar geleden (wat gaat de tijd vlug) verscheen onze bijdrage  “Onroerende verhuur optioneel met btw: dan toch?!”.

Het Zomerakkoord 2017 introduceerde een optioneel stelsel waarbij men onroerende verhuur kan onderwerpen aan btw. De nieuwe btw-regeling inzake de onroerende verhuur is op 1 januari 2019 in werking getreden. De Koning was belast met de opdracht de nieuwe optieregeling verder uit te werken. Dit is gebeurd middels het Koninklijk Besluit van 7 november 2019.

We staan hier even bij stil aangezien mogelijkerwijze actie is vereist voor eind februari 2020.

Optionele btw-heffing - toepassingsgebied

De verhuurder en de huurder kunnen sinds 1 januari 2019 samen kiezen om hun onroerende verhuurovereenkomst te onderwerpen aan btw. De optionele regeling is voorbehouden voor nieuwe of vernieuwde gebouwen waarvoor de btw op de werken met betrekking tot het gebouw die specifiek bijdragen tot de oprichting ervan of, bij uitbreiding, tot de ingrijpende of belangrijke renovatie ervan ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is geworden.

Dit kan enkel als de huurder een belastingplichtige is die het gebouw gebruikt voor zijn economische activiteit. Bovendien is een specifieke verklaring vereist die de wil van de partijen bevestigt om de optie uit te oefenen.

Een gebouw is ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden. Het kan aldus ook gaan om een geasfalteerd opslagterrein bestemd voor de opslag van containers. Ook al lijkt dit op het eerste zicht geen gebouw an sich.

Voorwaarden van de optionele btw-heffing

Eén van de voorwaarden om de verhuur te kunnen onderwerpen aan btw is dat de huurder de hoedanigheid heeft van btw-plichtige. In concreto betekent dit dat men beschikt over een geldig btw-nummer en dat de huurder het onroerend goed zal gebruiken in het kader van de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. Wanneer men louter beschikt over een btw-nummer en het onroerende goed huurt in het kader van privé-activiteiten valt men wederom uit het toepassingsgebied.

Een andere voorwaarde is dat de gebouwen ook effectief economisch zelfstandig kunnen worden verhuurd en gebruikt. Dit houdt onder meer in dat men zich van buitenaf toegang moet kunnen verschaffen tot die gedeelten, zonder zich doorheen ruimten te moeten begeven die uitsluitend voor andere doeleinden dan de economische activiteit worden aangewend door de huurder of andere huurders. Zo is het dus ook mogelijk dat een gebouw met btw wordt verhuurd aan een kapper voor het gedeelte waarin zijn kapsalon is gevestigd, terwijl het andere gedeelte dat voor privédoeleinden wordt aangewend buiten de btw-heffing blijft.

De keuze voor toepassing van btw op een onroerende verhuur dient, zoals gezegd, te gebeuren middels een verklaring.

Optie lichten tegen uiterlijk 29 februari 2020!

Het voormelde Koninklijk Besluit verduidelijkt hoe de verklaring moet gebeuren voor de optionele BTW-heffing op onroerende verhuur.

De optie voor onderwerping aan btw blijkt uit een door de verhuurder en de huurder gedateerde en ondertekende verklaring. Deze verklaring omvat:

- de identificatiegegevens: naam of maatschappelijke benaming, adres en btw-identificatienummer van de verhuurder en de huurder;

- de identificatie van het gebouw of het gedeelte van het gebouw;

- de wilsverklaring van de partijen om de verhuur te belasten; en

- de datum waarop de optie uitwerking heeft.

De verklaring moet worden opgemaakt ten laatste op het tijdstip dat het huurcontract uitwerking heeft tussen de partijen. Het eenvoudigste is dan ook om dit in de huurovereenkomst zelf op te nemen als een pro fisco-verklaring. Indien de huurovereenkomst reeds afgesloten is en er geen verklaring is opgenomen, kan een addendum de oplossing zijn.

Het Koninklijk Besluit verduidelijkt dat er bij een stilzwijgende verlenging van een huurovereenkomst onder btw geen aanvullende optieverklaring vereist is.

Voor reeds lopende overeenkomsten waarbij er de intentie was om te opteren voor de btw moet de optie voor toepassing van de btw voor 29 februari 2020 worden gelicht.

Besluit

De btw-optie bij onroerend verhuur is een grote btw-hervorming. Kort samengevat is het sinds 1 januari 2019 mogelijk om onder bepaalde voorwaarden nieuwe en vernieuwde bedrijfsgebouwen te opteren voor verhuur met btw. Deze optie vereist een gedagtekende en ondertekende verklaring door verhuurder en huurder. Voor lopende huurovereenkomsten is het van belang om tegen 29 februari 2020 de optie te lichten.

Indien u meer wil weten over onroerende verhuur met btw kan u ook de circulaire met FAQ raadplegen (circulaire 2019/C/25 van 21.03.2019).

Uiteraard staat aternio ter beschikking indien u vragen zou hebben.


Is de plusouder het (plus-)kind van de rekening?

Nieuw samengestelde gezinnen oogsten al lang geen verwonderde blikken meer. De begrippen "plusouder en pluskind", de hedendaagse varianten voor stiefouders en stiefkinderen, zijn helemaal ingeburgerd in onze samenleving. Het gaat niet meer goed in uw "oorspronkelijke" gezin? Dus u besluit om de wegen de laten scheiden en andere familiale oorden op te zoeken. Fijn voor u, maar, staat u ook stil bij het mogelijke prijskaartje dat hier aan kan hangen? Dit is vooral een issue indien één van de ouders zou overlijden en er "behoeftige" niet-gemeenschappelijke kinderen zijn.

We halen deze regeling nog even van onder het spreekwoordelijke stof.

Wettelijke regel

De regel is dat de langstlevende partner het vruchtgebruik over de nalatenschap van de overleden partner erft, wanneer deze tot de nalatenschap komt met afstammelingen van de overledene. Dit is dus ook zo in een nieuw samengesteld gezin.

Hier ontdekken we alvast een eerste mogelijke conflicthaard. Het vruchtgebruik dooft namelijk pas uit wanneer ook de vruchtgebruiker "uitdooft". Concreet zullen de kinderen pas de volle eigendom verkrijgen, wanneer ook de vruchtgebruiker overleden is.  In een klassieke gezinssituatie is dit vaak nog te aanvaarden. Het zal echter minder makkelijk te verteren zijn wanneer die langstlevende partner, de plusouder is van de kinderen. Nog lastiger is het wanneer de vooroverleden ouder voor een aanzienlijk jongere pluspartner heeft gekozen. De kinderen moeten dan mogelijk nog lang wachten op hun erfenis (in volle eigendom).

Op financieel niveau gaat er door het overlijden bovendien een onderhoudsplichtige ouder verloren. Financiële problemen inzake de opvoeding en het onderhoud zijn niet ondenkbeeldig.

De wetgever voorziet in een compensatie indien er zich zo'n samenloop voordoet tussen een langstlevende plusouder en niet-gemeenschappelijke kinderen.

Omzetting vruchtgebruik door de plusouder 

Zowel de plusouder als de niet-gemeenschappelijke kinderen kunnen op een eenvoudige manier de omzetting van het vruchtgebruik vragen. Dit kan namelijk langs buitengerechtelijke weg, wat wil zeggen dat men het niet voor de rechtbank moet vorderen. Het volstaat dat de "wil tot omzetting" wordt uitdrukt. De omzetting is bovendien een recht. Bij een eventuele betwisting zal de rechter dit niet mogen weigeren. Deze werkwijze moet escalerende conflicten vermijden in nieuw samengestelde gezinnen.

Enkele randbemerkingen:
- het omzettingsrecht komt alleen toe aan een niet-gemeenschappelijke kind, een geadopteerd kind of een afstammeling van deze of aan de langstlevende die tot de nalatenschap komt met niet-gemeenschappelijke kinderen. Gemeenschappelijke kinderen hebben dit initiatiefrecht niet.
- het omzettingsrecht geldt bovendien niet voor de gezinswoning en de huisraad. Omzetting van dit vruchtgebruik behoeft steeds de instemming van de langstlevende.

Instantveroudering van de plusouder

Omzetting van het vruchtgebruik klinkt dus best wel aanlokkelijk. Maar, ook dit zou tot vervelende situaties kunnen leiden, indien de langstlevende plusouder nog relatief jong is.

Het burgerlijk wetboek voorziet daarom in een instantveroudering van de langstlevende pluspartner (artikel 745 quinquies, §3 BW). Door deze techniek wordt de langstlevende partner onmiddellijk geacht wordt 20 jaar ouder te zijn dat het oudste stiefkind. Het omzetten van het vruchtgebruik wordt zo opnieuw terug aantrekkelijker. De waarde van het vruchtgebruik daalt hierdoor aanzienlijk, want deze wordt namelijk berekend op basis van de leeftijd van de vruchtgebruiker. Daarmee samenhangend stijgt ook de waarde van de blote eigendom van de kinderen.

Assepoesterclausule

Een tweede compensatiemogelijkheid die de wetgever heeft voorzien, is de zogenaamde "Assepoesterclausule". Deze clausule treedt in werking wanneer de plusouder via het huwelijksvermogensrecht, het erfrecht, dan wel via een schenking of bij testament, iets van de overleden ouder ontvangen heeft. In dat geval ontstaat er onderhoudsverplichting van de plusouder tegenover de niet-gemeenschappelijke kinderen.

U schrikt, onderhoudsverplichting? Dat is toch enkel voor de "biologische" ouders tegenover hun kinderen? Ja, maar: het is geen onderhoudsvordering stricto senso en ook geen vordering tot levensonderhoud. Het is een verplichting die aan de pluspartner wordt opgelegd, maar die zich beperkt tot een strikt geldelijke bijdrage en enkel indien de eigen inkomsten van de kinderen niet volstaan. We merken dus wel een aantal voorwaarden op.

Deze regel is van openbare orde, waardoor het dus niet mogelijk is om hiervan afstand te doen. Het vormt bovendien een persoonlijk recht, toegekend aan de pluskinderen van de langstlevende plusouder. Dit wil zeggen dat de vordering niet kan worden opgenomen in de nalatenschap van de overleden partner.

De Assepoesterclausule zoals beschreven in artikel 203, §3 BW geldt specifiek voor gehuwde partners. Maar een gelijkaardige regeling is ook terug te vinden in artikel 1477, §5 BW, waar het gaat over wettelijk samenwonende partners. Enkel feitelijk samenwonende partners zijn hier niet door gebonden, aangezien zij geen erfrecht hebben tegenover elkaar.

Behoeftigheid?

De Assepoesterclausule vereist geen echte staat van behoeftigheid van het pluskind. Er wordt enkel gekeken naar de inkomsten die de niet-gemeenschappelijke kinderen verwerven uit de goederen van de nalatenschap (voor zover deze erover kunnen beschikken).

Omvang van de financiële bijdrage door de plusouder

Ok, het is duidelijk dat er van de langstlevende plusouder enkel een financiële tussenkomst wordt verwacht. Staat die plusouder dan met zijn of haar hele vermogen in voor het uitvoeren van de vordering? Nee! De omvang van de bijdrage beperkt zich tot dat wat de langstlevende plusouder uit de nalatenschap van de overledene heeft ontvangen. Het gaat dan om de waarde in volle eigendom of de waarde van het vruchtgebruik.

Maar naast het wettelijke erfrecht bestaan er nog wel nog zoiets als planningstechnieken om een langstlevende partner te bevoordelen. Zo kunnen er ook voordelen worden toegekend via een huwelijkscontract, maar ook via schenking of bij testament. Deze voordelen komen ook in aanmerking om de omvang van de financiële bijdrage te bepalen. Het is dus geen optie voor de plusouder om de nalatenschap te verwerpen en zorgeloos te genieten van de andere voordelen die verkregen zijn. Jammer, maar helaas!

Maar hier stopt de optelling nu wel. Het persoonlijk vermogen van de langstlevende plusouder blijft verder buiten beschouwing.

Conclusie

Bezint eer ge herbegint... Weet dat er manieren bestaan, die aan het voorgaande tegemoet kunnen komen.

Contacteer aternio om meer te weten over deze mogelijke oplossingen!