Nieuw verbintenissenrecht: overdracht van schuld en van contract wettelijk verankerd

In ons eerder blogartikel berichtten wij u reeds over het goedgekeurde wetsvoorstel houdende het nieuwe verbintenissenrecht. Zoals aangekondigd, zullen wij de komende tijd de voornaamste nieuwigheden voor u belichten. We gaan hierbij van start met de wettelijke regeling inzake overdracht van verbintenissen. Naast de overdracht van schuldvordering vinden nu ook de overdracht van schuld en van contract hun plaats in het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

1. Overdracht van schuldvordering

De wettelijke grondslag van de overdracht van schuldvordering is terug te vinden in artikel 5:174 e.v. Burgerlijk Wetboek. Algemeen uitgangspunt is dat schuldvorderingen steeds vatbaar zijn voor overdracht. Zij zijn deel van het vermogen van de schuldeiser. Niet-overdraagbaarheid vloeit voort uit de wet, de aard of uit contractuele afspraken.

Belangrijk te noteren is dat een contractuele onoverdraagbaarheid niet zondermeer tegenwerpelijk is aan derden. Enkel wanneer de derde-overnemer kennis had van de clausule kan hij op basis van derde-medeplichtigheid aan contractsbreuk worden aangesproken.

De overdracht blijft in se vormvrij. Voor de tegenwerpelijkheid aan de schuldenaar moet laatstvermelde op de hoogte zijn van het feit van de overdracht zelf (en dus niet van de overdrachtsakte). De overdracht heeft geen invloed op de excepties die de schuldenaar kan inroepen. Betaling voor kennisgeving werkt nog steeds bevrijdend.

Tevens wordt benadrukt dat de regels inzake overdracht niet enkel voor schuldvorderingen maar ook voor overdrachten van andere onlichamelijke goederen gelden. Een aparte bepaling regelt ook de gedeeltelijke overdrachten en de overdrachten van toekomstige schuldvorderingen.

2. Overdracht van schuld

Een nieuwigheid is de invoering van artikel 5:187 e.v. Burgerlijk Wetboek dat voortaan ook de overdracht van een schuld regelt. Deze figuur werd steeds met enige argwaan bekeken aangezien:

  1. de schuldoverdracht de schuldeiser opzadelt met een potentieel minder solvabele schuldenaar; en
  2. de schuldvordering die uit de schuld voortvloeit aan de schuldenaar toebehoort en in principe enkel hij erover kan beschikken.

Logisch gevolg: de schuld kan enkel met toestemming van de schuldeiser aan een derde worden overgedragen. Hierdoor ontstaat als het ware een driepartijenovereenkomst die de oorspronkelijke schuldenaar bevrijdt. Deze bedrijving werkt in principe enkel voor de toekomst . Het is echter perfect mogelijk om andersluidende contractuele afspraken te maken en dus alsnog in een hoofdelijkheid of een terugwerkende overname te voorzien.

Een gebrek aan toestemming van de schuldeiser maakt de schuldoverdracht echter niet onmogelijk. In dat geval is er namelijk sprake van een onvolkomen schuldoverdracht. Deze resulteert sowieso in een hoofdelijke gehoudenheid van overdrager en overnemer.

Ook een interne schuldovername is mogelijk. Deze onderscheidt zich van de onvolkomen schuldoverdracht omdat de overnemer niet de bedoeling heeft zich tegenover de schuldeiser te verbinden. Dergelijke overname heeft bijgevolg uitsluitend interne werking.

3. Overdracht van contract

Volgens de parlementaire voorbereiding is het uitgangspunt van een contractsoverdracht de volgende:

"Een contractsoverdracht is meer dan een optelsom van schulden en schuldvorderingen, maar de onveranderde overgang van de
gehele contractuele verhouding. De overnemer treedt dus niet enkel in de rechten en verplichtingen, maar in alle contractuele bevoegdheden e.d.m."

Voordien kenden we dergelijke figuur uitsluitend uit bijzondere wetgeving inzake bv. de overdracht van huur of van arbeidsovereenkomsten. De algemene grondslag hiervoor vinden we vanaf nu in artikel 5:193 e.v. Burgerlijk Wetboek.

Ook hier bestaat een onderscheid tussen een onvolkomen en volkomen overdracht. In beginsel is de toestemming van de medecontractant niet vereist voor de contractsoverdracht. Deze toestemming is namelijk slechts noodzakelijk om de overdrager te bevrijden. Zonder toestemming blijft de overdracht onvolkomen. Een volkomen contractsoverdracht heeft daarentegen het verdwijnen van de overdrager uit de contractuele relatie tot gevolg. De voorafgaand aan de overdracht opeisbare schulden blijven in principe voor rekening van de overdrager. Ook hier is echter contractuele afwijking mogelijk.

Slot

De regels inzake overdracht van schuldvordering zijn in belangrijke mate bestendigd. De eerder toegepaste figuren van schuld- en contactsoverdracht hebben echter een wettelijke basis gekregen, hetgeen enkel maar kan bijdragen aan de rechtszekerheid. Deze overdrachten zijn in principe altijd mogelijk. Bij de overdracht van schuldvordering blijft kennisgeving vereist met het oog op tegenwerpelijkheid. Bij de schuld-en contractsoverdracht wordt de toestemming van alle betrokken partijen vereist met het oog op de bevrijding van de overdrager.

Contacteer ons gerust voor meer informatie over dit onderwerp.


Elektronisch betalen (eindelijk) de nieuwe standaard

In de strijd tegen fiscale fraude heeft de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers op 10 maart 2022 een zoveelste wet "houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding" goedgekeurd. Eén van de gevolgen hiervan is dat ondernemingen verplicht zijn om aan consumenten de mogelijkheid te geven elektronisch te betalen. Het Wetboek van economisch recht is in die zin aangepast. Vraag is in hoeverre elektronisch betalen op vandaag, mede door Covid en commerciële druk, niet reeds de standaard is.

Voor wie?

Alle ondernemingen die op regelmatige wijze economische activiteiten uitvoeren gericht op consumenten moeten elektronisch betalen mogelijk maken. De verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden, geldt bijgevolg alleen in een b2c-relatie. M.a.w. voor betalingen verricht tussen ondernemingen (in een B2B-verhouding) bestaat de verplichting niet. Ondernemingen zijn zowel handelaars, vrije beroepers en verenigingen.

Ook overheden kwalificeren als onderneming in zoverre het economische activiteiten betreft die geen taken zijn van algemeen belang. Voor dergelijke activiteiten gericht op consumenten, denk maar aan het beheer van een zwembad, een bibliotheek
of een cultureel centrum, zijn ook overheden verplicht om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden.

Zoals gezegd ontsnappen verenigingen evenmin aan de verplichting, mits zij regelmatige economische handelingen stellen waardoor concurrentie ontstaat met andere ondernemingen. De nieuwe verplichting geldt niet voor éénmalige of occasionele activiteiten van verenigingen.

Elektronisch betaalmiddel

Een “elektronisch betaalmiddel” is elk betaalmiddel waarbij men geen gebruik maakt van eurobiljetten en -munten. Het is alvast duidelijk dat dit betalingen met een bankkaart betreft, uitgevoerd via conventionele betaalterminal of smartphoneapplicaties (Applepay, Payconiq, ...), betalingen per bankoverschrijving of online betaalplatformen (Paypal, Mollie, ...).

Maaltijdcheques, ecocheques en consumptiecheques, maar ook cryptomunten en virtuele valuta worden evenwel niet als elektronische betaalmiddelen beschouwd.

Voor het overige mag de onderneming dus vrij kiezen welk elektronisch betaalmiddel zij aanbiedt. Het begrip “elektronisch
betaalmiddel” kan zeer ruim worden opgevat, zolang de onderneming maar minstens één elektronische betaalvorm aanbiedt. Gezien de diverse technologische mogelijkheden op vlak van elektronische betaalmogelijkheden hoeven echt geen buitensporige kosten te worden gemaakt. Keuze genoeg.

Cash betalen blijft vanzelfsprekend nog steeds mogelijk. Het is zelfs zo dat ondernemingen cash betalingen in euro niet mogen weigeren. Uiteraard moeten zij rekening houden met de verplichtingen inzake het beperkt gebruik van contanten overeenkomstig de antiwitwaswetgeving, in casu mag geen enkele betaling in cash worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro.

De onderneming mag ook geen rechtstreekse kosten aanrekenen aan de consumenten voor het gebruik van een elektronisch betaalmiddel.

Verplichting en sancties

Vanaf 1 juli 2022 zijn ondernemingen verplicht minstens één elektronisch betaalvorm aan te bieden.

Om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd, is voorzien in een sanctie. Het betreft een sanctie van niveau 2 die is opgelegd in het artikel XV.83 van het Wetboek van economisch recht. Dit impliceert een geldboete van 26 tot 10.000 euro, te vermenigvuldigen met 8 om de opdeciemen mee te verrekenen. De Economische Inspectie houdt een oog in het zeil.

Conclusie

Vanaf 1 juli 2022 geldt voor ondernemingen onverminderd de verplichting om minstens één elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen in een B2C-verhouding. Voor betalingen verricht tussen ondernemingen (B2B-verhouding) tot slot is er geen verplichting.

Argumenten contra het aanvaarden van elektronische betalingen zijn niet langer van tel. De voordelen daarentegen zijn dat wel: geen kasverschillen, geen problemen met wisselgeld en geen risico's op diefstal.

Bij vragen omtrent deze of andere economische of fiscale maatregelen kan aternio u adviseren.


fiscaal co-ouderschao

Fiscaal co-ouderschap: is het een "moetje" of een "magje"?

Wanneer een relatie spaak loopt is, er niet alleen een emotionele component waarmee we moeten rekening houden. Na het nemen van de (al dan niet gewenste) beslissing om uit elkaar te gaan, moet ook het financiële plaatje aan bod komen. Alsof dat alles nog niet genoeg is, dient u bovendien te "onderhandelen" over de regeling inzake de kinderen. Beslissen om uit elkaar te gaan kan emotioneel misschien de beste oplossing zijn en in een goede verstandhouding is veel mogelijk. Maar het betekent vaak het begin van een burgerrechtelijk en fiscaalrechtelijk getouwtrek. Het fiscaal co-ouderschap werd wettelijk verankerd om daaraan alvast tegemoet te komen.

Maar is die wettelijke regeling wel altijd de beste in uw situatie? Is het mogelijk dat de ex-partners onderling andere regelingen te treffen? We merken dat daar in de praktijk toch vaak discussies over ontstaan en zijn daarom de rechtspraak en rechtsleer ingedoken.

Wat is fiscaal co-ouderschap?

Wanneer ouders van een gemeenschappelijk kind beslissen om uit elkaar te gaan, zullen zij ook apart gaan wonen. Ze beslissen echter om wel gezamenlijk en gelijkwaardig de opvoeding en het ouderlijk gezag inzake de kinderen te blijven uitoefenen. Het uitgangspunt is "gelijkwaardigheid": we gaan zoveel mogelijk op gelijke basis verdelen. Dit is het burgerrechtelijke co-ouderschap.

Het fiscaal co-ouderschap werd met dezelfde saus overgoten. Het uitgangspunt is ook daar dat kinderen geacht worden, gelijk deel uit te maken van het fiscale gezin van de beide ouders. Door het fiscaal co-ouderschap zullen de beide ouders, elk voor de helft, van de fiscale voordelen inzake het ten laste nemen van de kinderen kunnen genieten.  De wettelijke basis is opgenomen in artikel 132bis WIB'92. Voornoemd artikel, bevat ook de formaliteiten waaraan vervuld moet zijn om van het fiscaal co-ouderschap te kunnen genieten.

Indien aan de formaliteiten voldaan is, zullen de ouders allebei, tegelijkertijd, de kinderen ten laste kunnen nemen.

Voorwaarden fiscaal co-ouderschap

Aan de toepassing van het fiscaal co-ouderschap zijn formaliteiten verbonden.

Zo moet er een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders zijn. In die overeenkomst moeten zij uitdrukkelijk vermelden dat de huisvesting van de kinderen gelijkmatig verdeeld is. Ook moet er genoteerd staan dat beide ouders bereid zijn om de toeslagen op de belastingvrije som voor de kinderen onder elkaar willen verdelen.

Indien er niet zo'n dergelijke overeenkomst tussen de ouders is, dan kan ook uit rechterlijke beslissing de gelijkmatige huisvesting van de kinderen blijken.

Strikte interpretatie

De ouders mogen geen deel meer uitmaken van hetzelfde gezin, maar ze dienen wel samen te voldoen aan de onderhoudsplicht richting de gezamenlijke kinderen. Daarover bestaat meestal geen discussie.

Vooral het principe van de gelijkmatige verdeling van de huisvesting kan zich echter weren als een duiveltje in een wijwatervat. Dat principe is namelijk strikt te interpreteren. In gevallen waarbij de huisvesting assymetrisch of (quasi)ongelijk is, zal het fiscaal co-ouderschap geen toepassing kunen vinden.

Ook het belang van de onderliggende overeenkomst of rechterlijke uitspraak mag men niet onderschatten. Zonder dergelijk document is fiscaal co-ouderschap niet mogelijk. Het woord niet dient men hier effectief te onderlijnen. Het volstaat niet om de gelijkmatige huisvesting feitelijk te kunnen bewijzen, door verklaringen of andere rechtsmiddelen. Het feitelijk gelijkmatig verblijf van de kinderen bij de ouders, is op zichzelf niet voldoende.

Met andere woorden: de rechterlijke beslissing, dan wel de geregistreerde of gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders, vormt het enige (weerlegbare) bewijsmiddel van de gelijkmatige huisvesting. Weerlegbaar, want het is niet omdat u over een dergelijk geschrift beschikt, dat de situatie in de praktijk ook effectief zo wordt uitgevoerd. De ouder bij wie de kinderen voornamelijk verblijven zal met alle middelen van recht het tegenbewijs kunnen leveren.

Is afwijken van de basisregels mogelijk?

Indien de ouders zelf een overeenkomst inzake het verblijf van de kinderen opmaken en willen genieten van het voordeel van het fiscaal co-ouderschap, moeten zij zich daarmee uitdrukkelijk akkoord verklaren. Dit is niet het geval indien de rechter een dergelijke uitspraak doet.

Het is ook mogelijk dat ouders bij overeenkomst beslissen om een gelijk verblijf van de kinderen te organiseren, maar zonder het fiscaal co-ouderschap erbij te nemen.

Ouders kunnen dus afwijken van het principe van het fiscaal co-ouderschap en dit via hun onderlinge geregistreerde/gehomologeerde overeenkomst.

Het behoeft ook de vermelding dat het fiscaal co-ouderschap zal vervallen indien de onderhoudsplichtige ouder beslist om periodieke onderhoudsbijdragen ten voordele van de kinderen in aftrek te brengen. Dit is uitdrukkelijk niet toegestaan door artikel 132bis WIB'92. Dat zou dan nog een achterpoortje kunnen zijn om het fiscaal co-ouderschap buiten spel te zetten.


Hervormingstrein raast verder: nieuw verbintenissenrecht goedgekeurd

Eind 2020 is de hervorming van het Burgerlijk Wetboek ingezet met de invoering van nieuwe bewijsregels. Een jaar later kreeg ook het goederenrecht een nieuw jasje. op 21 april 2022 heeft de Kamer ook haar goedkeuring aan het nieuwe verbintenissenrecht verleend. Het aangenomen wetsvoorstel bevat een aantal nieuwigheden die aternio in de komende weken graag voor u toelicht. Hierna volgen alvast een aantal aandachtspunten:

Ratio legis nieuw verbintenissenrecht

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het nieuwe verbintenissenrecht er voornamelijk op gericht is om een nieuw evenwicht te scheppen tussen de wilsautonomie van partijen en de beschermende rol van de rechter. De wettekst bevat namelijk een evolutie in beide richtingen: bepaalde zaken worden ontdaan van een rechterlijke bemoeienis terwijl m.b.t. andere zaken net sneller door de rechter zal kunnen worden ingegrepen.

Structuur

Het nieuwe boek 5 zal de volgende titels bevatten:

  1. Inleidende bepalingen: Hieronder wordt voortaan een definitie van een verbintenis alsook van een natuurlijke verbintenis ondergebracht. De juridische afdwingbaarheid geldt als voornaamste criterium van onderscheid.
  2. Bronnen van verbintenissen: Er zijn verbintenissen die voortvloeien uit al dan niet meerzijdige rechtshandelingen, oneigenlijke contracten, buitencontractuele aansprakelijkheid of uit de wet. Het voorgaande neemt echter niet weg dat verbintenissen ook door schijn kunnen ontstaan doch niet als algemene bron van verbintenissen maar voortvloeiend uit een aantal specifieke rechtsfiguren (bv. verbod rechtsmisbruik, schijnvertegenwoordiging, onverschuldigde betaling aan een schijnschuldeiser)
  3. Algemeen regime van de verbintenis: Deze titel vormt in se de kern van het nieuwe recht en omvat alle bepalingen die betrekking hebben op het leven van een verbintenis. Het ontstaan, de gevolgen van schending, de overdracht en het tenietgaan ervan.

Inwerkingtreding en toepassing nieuw verbintenissenrecht

Het nieuwe verbintenissenrecht zal van toepassing zijn vanaf de eerste dag van de zesde maand na bekendmaking van de wet. Vermoedelijk zal elke contractspartij zich dus vanaf begin 2023 naar de nieuwe bepalingen moeten schikken.

Vanaf dan worden de nieuwe bepalingen in principe van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die erna hebben plaatsgevonden. Eenvoudig gesteld zal een overeenkomst die na inwerkingtreding werd gesloten evident aan de nieuwe bepalingen onderworpen zijn.

Dit neemt echter niet weg dat de nieuwe bepalingen desgewenst ook van toepassing kunnen zijn op:

  • toekomstige gevolgen die plaatsvinden na inwerkingtreding van overeenkomsten gesloten voor inwerkingtreding;
  • rechtshandelingen en -feiten die plaatsvinden na inwerkingtreding m.b.t. overeenkomsten ontstaan uit rechtshandelingen en -feiten die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding.

Het staat partijen namelijk vrij om hun verbintenisrechtelijke relatie reeds vroeger aan het nieuwe verbintenissenrecht te onderwerpen. Als het ware kan men nu ook in contractuele context voor een 'opt-in' kiezen.

Slot

Het hoeft geen betoog dat deze nieuwe hervorming belangrijke implicaties kan hebben op lopende onderhandelingen met het oog op een nieuwe overeenkomst. Ook is het niet onverstandig de opportuniteit van een vroegtijdige onderwerping aan het nieuwe verbintenissenrecht onder de loep te nemen. Misschien is het evenzeer wenselijk om bepaalde overeenkomsten te gaan heronderhandelen of minstens de algemene voorwaarden bij te werken.

aternio houdt u in ieder geval verder op de hoogte. Wij zijn zoals steeds beschikbaar om u bij te staan in deze nieuwe uitdagingen.


Energetische renovatieplicht bij verwerving bedrijfsgebouw

Met ingang vanaf 1 januari 2022 geldt er een energetische renovatieplicht bij de verwerving van een niet-residentieel gebouw. Dit is een gevolg van het Energiebesluit en de Omzendbrief OMG/VEKA 2021/1, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 februari 2022. De verplichting is het resultaat van een besluit dat de Vlaamse Regering op 9 juli 2021 nam. In wat volgt nemen we u graag mee doorheen de nieuwe regels, met hun bijhorende uitzonderingen.

Wat zijn niet-residentiële gebouwen?

Tijdstip van ondertekening is doorslaggevend

Om deze vraag te beantwoorden, moeten we de feitelijke toestand van het pand in beschouwing nemen. Daarbij is het moment van ondertekening van de authentieke akte van doorslaggevende aard. De bestemming/het gebruik van het pand op dat moment, is bepalend. Wat u later zelf met het pand gaat doen, is daarbij irrelevant.

Kleine randbemerking bij het voorgaande. De energetische renovatieplicht geldt namelijk niet alleen wanneer u een "volledig gebouw" in de totaliteit verwerft. Nee, de regeling is ook van toepassing wanneer u "slechts" eigenaar wordt van een gedeelte van een gebouw. Uiteraard moeten de regels dan enkel toegepast worden op het door u verworven deel, niet op het volledige gebouw. Dat spreekt voor zich.

Typevoorbeelden van niet-residentiële gebouwen zijn: kantoren, handelszaken, scholen, horecazaken, zorginstellingen, ...

Uitzonderingen

Voor sommige gebouwen geldt echter een uitzondering: zij zullen niet vallen onder de nieuwe regelgeving. Het gaat daarbij om:
- industriële gebouwen bestemd voor productie en opslag of bewerking van goederen;
- kleine alleenstaande gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50m²;
- boerderijen;
- kerken; en
- gebouwen die minder dan 2 jaar gebruikt zullen worden.

Grootste gemene deler

Voor gebouwen waarin meerdere bestemmingen gehuisvest worden, zal men kijken naar de kwalificatie van het grootst bruikbaar vloeroppervlak. Indien het niet-residentiële deel het grootste deel inneemt, zal het gebouw als niet-residentieel bestempeld worden. Ingeval van combinatie met industrie, dan dient het niet-residentiële deel minstens 30% te bedragen. Indien het gebouw voor 70% of meer uit industriële toepassingen bestaat, zal het de kwalificatie van een industrieel gebouw verkrijgen en dus buiten de toepassing van de energetische renovatiemaatregelen vallen. Indien er geen grootste bruikbare vloeroppervlakte bepaald kan worden, is de hoofdbestemming per definitie niet-residentieel.

Toepassingsgebied van de energetische renovatieplicht

Bij een eigendomsoverdracht van een niet-residentiële gebouw en/of eenheid vanaf 1 januari 2022, moet men binnen de 5 jaar voldoen aan de nieuwe energetische renovatieplicht.
Het gaat om renovatiemaatregelen, waarbij men volgende zaken zeker dient aan te pakken:
- dakisolatie;
- beglazing;
- opwekkers voor ruimteverwarming; en
- koelinstallaties.

De regelgeving stelt ook duidelijk wat het minimale maatregelenpakket van de energetische renovatie juist inhoud. Deze techniciteiten blijven verder buiten het bestek van deze bijdrage.

Welke overdrachten vallen onder de verplichting?

Tijdstip van ondertekening is opnieuw doorslaggevend

De nieuwe energetische renovatieplicht begint te lopen vanaf het moment van het verlijden van de authentieke akte houdende overdracht van het bedrijfsgebouw. Er zijn echter verschillende mogelijkheden waarop men een gebouw kan overdragen.

Het hoeft geen betoog dat een overdracht van de volle eigendom van dergelijk gebouw, de energetische renovatieplicht toepasselijk maakt. Maar zij zal ook van toepassing zijn bij de overdracht of vestiging van een recht van opstal of een erfpacht.

Uitzondering

Maar ook op deze regel zijn een aantal uitzonderingen. Zo zal men de energetische renovatieplicht niet triggeren indien men een bestaand recht van opstal of erfpacht, tussen dezelfde partijen, verlengt. Ook indien de eigendomsoverdracht het gevolg is van een fusie of een opslorping, gelden de voornoemde regels evenmin. In dat geval neemt de nieuwe rechtspersoon namelijk de rechten en plichten over van de oude. Daardoor kwalificeren zij niet als overdrachten, zoals bedoeld in het kader van de regels inzake renovatieverplichting. Last but not least geldt de energetische renovatieplicht, overduidelijk, niet indien men het betreffende gebouw binnen de 5 jaar na de aankoop zal slopen.

Strafsancties bij niet-naleven van de verplichting

Indien de koper de energetische renovatieplicht naast zich neerlegt, riskeert deze een administratieve geldboete die kan oplopen van 500 euro tot 200.000 euro. Bovendien geldt dat de boete niet bevrijdend is. Mocht u denken: ik betaal wel de boete en daarmee is de kous af. Nee hoor: na de boete zal u een nieuwe termijn opgelegd krijgen, om alsnog te voldoen aan de energetische renovatieplicht. Loontje komt om zijn boontje?

Conclusie

Het uitvoeren van de energetische renovatieplicht is iets wat u goed moet bekijken. U haalt er best voorafgaandelijk al een aantal experts bij, om de toestand van het pand voorafgaand te evalueren. Bovendien neemt u nog even de calculator bij de hand om enkele ramingen te maken, vooraleer u overgaat tot het plaatsen van uw handtekening. Op die manier komt u niet voor verrassingen, met bijhorende financiële katertjes, te staan.

aternio staat u graag bij, bij mogelijke financiële analyses die u overweegt voorafgaand aan de aankoop.


Cassatie over de bestuurder als onderneming in faillissementszaken

Het Hof van Cassatie heeft op 18 maart 2022 een arrest geveld waarbij het een voorwaarde lijkt toe te voegen aan het ondernemingsbegrip. Op basis daarvan besluit zij dat de bestuurder van een gefailleerde vennootschap niet in faling kan worden verklaard. Hiermee gaat het Hof verder dan wat wettelijk voorzien is.

Het ondernemingsbegrip in het faillissementsrecht

Overeenkomstig artikel XX.22, 7° juncto artikel I.1, 1° Wetboek Economisch Recht kwalificeert als onderneming:

  1. iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  2. iedere rechtspersoon;
  3. en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.

De wetgever voorziet ook in een aantal uitzonderingen m.n. publiekrechtelijke rechtspersonen, de overheid zelf, en verenigingen zonder uitkeringsoogmerk.

Toepassing in faillissementsrecht

Een bezoldigde natuurlijke persoon-bestuurder van een vennootschap kwalificeert in principe dus als uitoefener van een zelfstandige beroepsactiviteit. Om die reden zal deze bestuurder als onderneming worden beschouwd en dus ook in faling kunnen worden verklaard.

Het is namelijk zo dat een schuldenaar die bij voortduur heeft opgehouden te betalen en wiens krediet ondermijnd is, in staat van faillissement verkeert. Voormelde schuldenaar dient steeds een onderneming te zijn. Hierin schuilt dus meteen het belang van de invulling van het ondernemingsbegrip.

Toepassing ingevolge Cassatierechtspraak

In haar arrest lijkt het Hof echter een extra voorwaarde aan het ondernemingsgebrip toe te voegen. Het Hof overweegt namelijk dat een natuurlijke persoon slechts een onderneming is: "Wanneer hij een organisatie vormt die bestaat uit een geheel van materiële, financiële of menselijke middelen met het oog op de zelfstandige uitoefening van de beroepsactiviteit."

Hiermee stelt het Hof dat een bestuurder die geen eigen organisatie vormt in se geen onderneming is en dus niet vatbaar voor faillietverklaring. Hoe dit geheel van materiële, financiële of menselijke middelen moet worden beoordeeld, blijft echter een raadsel.

Vergelijking met andere domeinen

Middels dit arrest wordt als het ware een extra invulling aan de wettekst toegevoegd, die echter geen weerslag lijkt te vinden in andere domeinen.

Op het vlak van de inschrijvingsplicht in de KBO en de boekhoudkundige verplichtingen van ondernemingen, heeft de wetgever bestuurders expliciet uitgesloten. Andere ondernemingen zijn wel aan deze verplichtingen onderworpen. Ipse facto zijn bestuurders dus ook ondernemingen die echter van een uitzondering kunnen genieten.

Ook de Raad van State heeft steeds geoordeeld dat een bestuurder een onderneming is. Dit gezien hij zijn mandaat beroepsmatig uitoefent en niet in ondergeschikt verband.

Een bestuurder zal tenslotte ook in het sociale zekerheidsrecht steeds aan een vermoeden van toepassing van het sociaal statuut van zelfstandige onderworpen zijn.

Conclusie

Het hoeft geen betoog dat een bestuurder geconfronteerd met een faillissementsvordering zich op dit arrest zal beroepen. Het louter aanhalen geen onderneming te zijn, kan verder ook gevolgen hebben voor wat betreft de materiële bevoegdheid van de rechtbanken. Dat deze cassatierechtspraak ook wetswijzigingen op andere domeinen teweeg zal brengen, is momenteel niet aan de orde.

Bij aternio volgen wij dit in ieder geval verder op de voet.


Vruchtgebruik in de vennootschap - wat met uw planning?

De gesplitste aankoop van een onroerend goed, waarbij een vennootschap het vruchtgebruik verwerft, is vaste praktijk. Het is daarom een techniek die bij menig aandeelhouder of bestuurder van een patrimoniumvennootschap bekend in de oren klinkt. Klassieke configuratie: de aandeelhouder/bestuurder koopt de blote eigendom en de vennootschap verwerft voor 15 jaar of langer het vruchtgebruik. Het onroerend goed gaat na de duurtijd van dit zakelijk recht in principe kosteloos naar de blote eigenaar. Het is een mooi verhaal, niet?

Men verliest hierbij soms het aspect estate planning, zeg maar de successierechten op onroerende goederen, uit het oog. Welnu, actuele rechtspraak en de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) komen ons (on)bewust ter hulp. Deze bijdrage behandelt twee vragen. Wat is de fiscale kostprijs van de registratierechten bij verlenging van het vruchtgebruik?  Wat is in casu de belastbare grondslag bij schenking van de blote eigendom?

We laten hierna de mogelijke implicaties op vlak van directe belastingen buiten beschouwing.

Verlenging van het vruchtgebruik

Blote eigenaar en vruchtgebruiker kunnen overeenkomen om, voor het aflopen van het vruchtgebruik, de duurtijd te verlengen. Onder het oude goederenrecht kon men een verlenging bedingen zonder evenwel de maximale wettelijke looptijd van 30 jaar te overschrijden. Het nieuwe goederenrecht laat sinds 1 september 2021 toe dat het recht maximaal tot 99 jaar kan worden verlengd.

Vlabel houdt voor dat een dergelijke verlening kwalificeert als een nieuwe overeenkomst. Deze visie is om die reden terug te vinden in enkele voorafgaande beslissingen van Vlabel. Het gevolg hiervan is dat een verlenging (of bij uitbreiding een vernieuwing) aanleiding geeft tot heffing van het verkooprecht van 12%. Met het nieuwe goederenrecht is dit evenwel niet meer te verdedigen.

Ter herinnering de vier wettelijke cumulatieve voorwaarden voor het verkooprecht vereisen dat er sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel, een overdragende overeenkomst, een overdracht van eigendom of vruchtgebruik én een onroerend goed. Bij een verlenging van het vruchtgebruik is er geen sprake van een overdracht van een zakelijk recht. Een uitspraak van het hof van beroep van Gent (30 november 2021, 2020/AR/1541) stelt dat een verlenging de loutere bevestiging of het behoud van een bestaande toestand is. Dat de partijen bij de overeenkomst tot verlenging dezelfde zijn als bij de oorspronkelijke vestiging is irrelevant.

Vermits niet is voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden is geen verkooprecht verschuldigd bij de verlenging van het vruchtgebruik. Gevolg is dat de verlenging kosteloos kan gebeuren.

Schenking blote eigendom

Bij een schenking van blote eigendom waarbij de schenker zich het vruchtgebruik voorbehoudt, gebeurt de berekening van de schenkbelasting over de waarde van de volle eigendom. Zoals in de inleiding reeds vermeld is de latere aanwas van het vruchtgebruik bij de blote eigendom principieel belastingvrij. Wat is de fiscale situatie bij schenking van de blote eigendom wanneer de schenker niet (langer) het vruchtgebruik heeft?

De wetgeving stipuleert dat in dit geval de belastbare grondslag niet lager mag zijn de verkoopwaarde van de volle eigendom minus de waarde van het vruchtgebruik. Indien de vruchtgebruiker een rechtspersoon is, is de resterende looptijd van dit recht mee bepalend. De link met voornoemde verlenging van het vruchtgebruik behoeft daarom geen verduidelijking.

In een standpunt van 27 september 2021 bevestigt Vlabel dat een schenking met voorbehoud van eventueel vruchtgebruik dezelfde fiscale behandeling krijgt. Het is perfect mogelijk om als blote eigenaar te schenken met voorbehoud van eventueel vruchtgebruik wanneer de  vruchten van het onroerend goed toebehoren aan een vennootschap. In casu is schenkbelasting verschuldigd op de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het actuele vruchtgebruik.

Conclusie

Kortom, één en één is twee. Vermits het verlengen van het vruchtgebruik geen nieuwe overeenkomst betreft, is er geen verkooprecht verschuldigd. Dat is dus handig. Dergelijke kosteloze verlenging biedt daarom mogelijkheden bij een latere schenking van de blote eigendom. Hoe langer de vennootschap het vruchtgebruik van het onroerend goed nog aanhoudt: hoe hoger de waarde van het vruchtgebruik en des te lager de belastbare grondslag voor de berekening van de schenkbelasting. Weet dat de grondslag nooit lager is dan de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het actuele vruchtgebruik. Met andere woorden er zijn planningsmogelijkheden.

aternio legal begeleid u graag bij uw planning.


Fiscaal regime voor expats in wetgevend jasje

Al sinds 1983 kent België een fiscaal aantrekkelijk regime voor expats. Dit regime was echter louter gebaseerd op een administratieve circulaire. Voortaan is er nu ook een wettelijke basis in de Programmawet van 27 december 2021.

Het nieuwe regime voor expats bestaat uit 2 delen: namelijk het 'Bijzonder Belastingstel voor Ingekomen Belastingplichtigen (BBIB) en het 'Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Onderzoekers' (BBIO). De nieuwe fiscale regeling treedt in werking met ingang vanaf 1 januari 2022.

De bedoeling is nog steeds om België fiscaal aantrekkelijk te maken voor buitenlandse high potentials. Het wettelijk kader moet daarom extra rechtszekerheid bieden. De wettelijke verankering biedt alvast heel wat voordelen en verbeteringen. Echter, omwille van budgettaire redenen, zijn er ook beperkingen.

Expat voorwaarden

Zoals gezegd zal de nieuwe regeling van toepassing zijn voor 'ingekomen belastingplichtigen' en 'ingekomen onderzoekers'. Ingekomen belastingplichtigen kunnen zowel werknemers als bedrijfsleiders zijn. Ingekomen onderzoekers kunnen enkel werknemers zijn.

Een ingekomen belastingplichtige moet bovendien rechtstreeks aangeworven zijn in het buitenland en tewerkgesteld zijn binnen een multinationale groep of vzw. Ook een onderzoeker dient rechtstreeks aangeworven te zijn in het buitenland. Maar voor een onderzoeker hoeft de Belgische werkgever geen deel uit te maken van een multinationale groep.

Verder mag de expat 5 jaar voorafgaand aan de indiensttreding in België:
-geen rijksinwoner zijn geweest van België;
-niet gewoond hebben binnen een afstand van 150km van de Belgische grens (grensarbeiders vallen dus voortaan uit de boot);
-niet onderworpen zijn geweest aan de Belgische belasting niet-inwoners voor wat betreft zijn beroepsinkomsten.

Tot slot dienen ingekomen belastingplichtigen per jaar een minimum brutobezoldiging (dus voor aftrek sociale zekerheidsbijdragen) van 75.000,00 euro te hebben. Deze vereiste geldt niet voor onderzoekers. Onderzoekers dienen wel een specifiek wetenschappelijk masterdiploma te kunnen voorleggen, oftewel het equivalent van 10 jaar beroepservaring.

30%-regel

Het interessante aan het expat-egime is het feit dat heel wat kosten aangaande de tewerkstelling in België beschouwd worden als 'kosten eigen aan de werkgever'. Deze kosten kunnen dus belastingvrij worden terugbetaald.

Een percentage van 30% van de brutobezoldiging wordt beschouwd als kosten eigen aan de werkgever. Deze forfaitaire onkostenvergoeding bedraagt maximaal 90.000 euro per jaar. De onkostenvergoeding moet bovendien contractueel vastgelegd worden.

Daarnaast worden nog enkele uitzonderlijke kosten aanvaard, namelijk:
- verhuiskosten naar België (=eenmalig);
- kosten voor de inrichting van de woning in België, binnen de eerste 6 maanden na aankomst, met een maximum van 1.500 euro;
- schoolkosten voor de leerplichtige kinderen  in België.

Duurtijd statuut

De nieuwe regeling heeft voortaan een beperkte duurtijd. Men kan van het nieuwe regime genieten gedurende een periode van 5 jaar. Deze periode kan men verlengen met 3 jaar na de indiening van een nieuwe aanvraag, mits alle voorwaarden zijn voldaan.

Procedure

Om van het fiscaal regime voor expats te kunnen genieten dient de werkgever een elektronische aanvraag in te dienen bij de fiscale administratie binnen de 3 maanden na aanvang van terwerkstelling in België. Bij deze aanvraag voegt de werkgever een attest waarbij de betreffende werknemer of bedrijfsleider zijn akkoord geeft.

De fiscale administratie dient vervolgens binnen de 3 maanden een beslissing te nemen.

Inwerkingtreding

Het nieuwe expat-regime is zoals gezegd van toepassing sinds 1 januari 2022. Expats kunnen opteren voor dit nieuwe regime indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

Zij die nog geen geldige aanvraag hebben ingediend, of niet voldoen aan alle voorwaarden, kunnen nog 2 jaar genieten van een overgangsregeling overeenkomstig de oude administratieve circulaire van 8 augustus 1983.

Nog vragen? Neem gerust contact met ons op.


compromis

Compromis bij verkoop: ontbinding bij wanprestatie?

Bij de verkoop van een onroerend goed sluiten partijen meestal een onderhandse overeenkomst af, in de volksmond "de compromis". Vaak is de overeenkomst afgesloten onder één of meer opschortende of ontbindende voorwaarden. Niet zelden voorziet deze overeenkomst, naast genoemde voorwaarde(n), in een uitdrukkelijk ontbindend beding. Met zo een beding willen partijen zich indekken voor die situatie waarbij een andere partij een wanprestatie begaat.

Over voorwaarden en uitdrukkelijk ontbindende bedingen

Opschortende voorwaarde

Bij een verkoop onder opschortende voorwaarde laten partijen de uitvoerbaarheid (of opeisbaarheid) van de verbintenis afhangen van de realisatie van een toekomstige en onzekere voorwaarde. De overeenkomst bestaat wel degelijk maar onder de modaliteit van één of meer opschortende voorwaarden. Vertaald naar de verkoop van een onroerend goed is er bij akkoord over prijs en voorwerp, ondanks de opschortende voorwaarde, wel degelijk een geldige verkoop.

Hoewel er geen vormvoorwaarden zijn verbonden aan het toevoegen van een opschortende voorwaarde is het absoluut aangewezen om de voorwaarde duidelijk en ondubbelzinnig te formuleren. Klassiek zijn de opschortende voorwaarden van het bekomen van een (hypothecaire) lening door de koper binnen een afgesproken termijn of het verkrijgen van een bodemattest.

Ontbindende voorwaarde

Een ontbindende voorwaarde is, net zoals een opschortende voorwaarde, een modaliteit van de verbintenis. De vervulling van een ontbindende voorwaarde impliceert het automatisch en met terugwerkende kracht tenietgaan van de verbintenis. Ook hier is het essentieel dat de voorwaarde toekomstig en onzeker is.

Duidelijkheid en helderheid in de formulering van de voorwaarde zijn absoluut aangewezen. Vermits partijen zelf zelf het karakter van de toekomstige en onzekere gebeurtenis kunnen bepalen, kan een voorwaarde opschortend dan wel ontbindend zijn. Zo is het perfect mogelijk om het niet verkrijgen van een (hypothecaire) lening als een ontbindende voorwaarde op te nemen in een verkoopovereenkomst.

Uitdrukkelijk ontbindend beding

In tegenstelling tot een ontbindende voorwaarde heeft een uitdrukkelijk ontbindend beding een sanctionerend karakter. Meestal zal het uitdrukkelijk ontbindend beding geformuleerd worden in een specifieke en wel omlijnde context. Een dergelijk beding maakt het mogelijk om bij een toerekenbare contractuele wanprestatie van de andere partij de overeenkomst facultatief en zonder rechterlijke tussenkomst te ontbinden. Het uitdrukkelijk ontbindend beding geeft de schuldeisende partij de mogelijkheid om éénzijdig te kiezen tussen de gedwongen uitvoering dan wel de beëindiging van de overeenkomst. Er is in geen geval sprake van een automatische ontbinding.

Wanprestatie en uitdrukkelijk ontbindend beding

Bij opschortende en ontbindende voorwaarden heeft de toekomstige en onzekere gebeurtenis altijd een bijkomstig én extern karakter. Bijkomstig omdat dergelijke voorwaarden modaliteiten zijn aan de overeenkomst. Extern omdat de gebeurtenis geen verband mag hebben met het niet nakomen van de verbintenis. Anders gezegd, een toekomstige en onzekere gebeurtenis mag nooit een wanprestatie van een partij zijn. Het uitdrukkelijk ontbindend beding daarentegen is net een sanctionerend actiemiddel voor het geval een partij een wanprestatie begaat. Bovendien kan er mogelijk aanspraak gemaakt worden op een bijkomende schadevergoeding.

Motiveren, ingebrekestellen en kennisgeven

Motiveren

De partij die zich op het uitdrukkelijk ontbindend beding wil beroepen moet dit motiveren.  Het is vanzelfsprekend van belang dat de wanprestatie binnen het toepassingsgebied van het afgesproken beding valt. De motivering vereist daarom nauwkeurigheid en duidelijkheid zodat de andere partij weet wat het verwijt is en hoe ze dit kan herstellen. Het is aangewezen om in het beding een opsomming, limitatief of exemplatief, te geven van mogelijke wanprestaties. Bijvoorbeeld het niet meewerken aan het verlijden van de authentieke akte of het niet betalen van het voorschot of de prijs binnen de afgesproken termijn.

Ingebrekstellen

De eerste stap in de procedure is in principe een ingebrekestelling, tenzij het beding uitdrukkelijk in een vrijstelling voorziet. Dergelijke vrijstelling kan maar moet voldoende duidelijk gestipuleerd zijn. Het is onvoldoende om louter te bepalen dat een voorafgaande rechterlijke tussenkomst niet vereist is, het zogenaamde "ontbonden van rechtswege". Vermijd ook verwarrende uitdrukkingen zoals "onmiddellijk ontbonden" of "als ontbonden beschouwd". Evenmin vervangt de plicht tot kennisgeving de ingebrekestelling. Het is daarentegen niet zo dat de ingebrekestelling een aankondiging moet bevatten van de gekozen sanctie bij niet-remediëring van de wanprestatie.

Gezien het facultatief karakter van het uitdrukkelijk ontbindend beding is er een keuzerecht tussen enerzijds de gedwongen uitvoering en anderzijds de ontbinding. M.a.w. een vordering tot uitvoering in natura (of bij equivalent) kan, ook al is dit niet expliciet voorzien in het beding. Het is wel mogelijk dat de overeenkomst de gedwongen uitvoering uitsluit. Het inroepen van het uitdrukkelijk ontbindend beding kan ook nadat reeds is gekozen voor de gedwongen uitvoering. Het omgekeerde kan niet, er is geen weg terug zodra de éénzijdige beslissing tot ontbinding ter kennis is gebracht.

Kennisgeven

De beslissing tot ontbinding moet verplicht gebeuren met een kennisgeving. Het kan niet genoeg herhaald worden: het uitdrukkelijk ontbindend beding heeft geen automatische uitwerking. De wanprestatie an sich is onvoldoende om de ontbinding van de verkoopovereenkomst te doen intreden.

Zonder uitdrukkelijke, duidelijke en ondubbelzinnige kennisgeving kan er geen buitengerechtelijke ontbinding zijn. Het is aan te raden om in het uitdrukkelijk ontbindend beding te bepalen op welke wijze (vorm en termijn) de kennisgeving moet gebeuren én welke vermeldingen ze moet bevatten. Inhoudelijk bevat de kennisgeving minstens de beslissing én de motivering voor ontbinding.

Rechterlijke tussenkomst

Hoewel het inroepen van het uitdrukkelijk ontbindend beding in se een buitengerechtelijke ontbinding is, blijft de optie bestaan om de gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst te vorderen. Bij betwisting van de eenzijdige ontbindingsbeslissing is bovendien een rechterlijke controle a posteriori niet uitgesloten. Niet alleen kan de rechter zich uitspreken over de regelmatigheid van de ontbindingsbeslissing maar ook over de rechtmatigheid ervan.

Onregelmatigheid

Bij het nazicht van de de inhoudelijke en formele  regelmatigheid mag de rechter in geen geval de ernst of de (externe) reden van de wanprestatie beoordelen. Voorbeelden van onregelmatigheid zijn de afwezigheid van ingebrekestelling, het ontbreken van een gemotiveerde kennisgeving of het niet respecteren van de voorwaarden. In het geval van een onregelmatige ontbinding blijft de overeenkomst automatisch behouden. M.a.w. de ontbindingsbeslissing is 'onwerkbaar'.

Onrechtmatigheid

Gelet op het éénzijdig karakter van de beslissing tot ontbinding is rechtsmisbruik uit den boze. De rechter beschikt terzake over een marginale misbruikcontrole. Rechtsmisbruik betekent dat de toegepaste ontbindingssanctie de grenzen te buiten gaat van een normale rechtsuitoefening in de gegeven concrete omstandigheden. Een dergelijke toetsing kan aan bod komen wanneer het uitdrukkelijk ontbindend beding algemeen geformuleerd is en er geen limitatieve opsomming van tekortkomingen is voorzien. Voorbeelden van rechtsmisbruik zijn het disproportioneel karakter van de ontbindingssanctie ten opzicht van de wanprestatie, het weigeren van een redelijk voorstel tot remediëring van de wanprestatie of de verweten wanprestatie heeft betrekking heeft op een niet essentieel deel van de overeenkomst.

In de huidige stand van het recht is de sanctie bij rechtsmisbruik hetzij het behoud van de overeenkomst hetzij een geldelijke schadevergoeding ingeval de overeenkomst ontbonden blijft. Onder het nieuwe Burgerlijk Wetboek zullen zowel de onregelmatige als onrechtmatige ontbinding leiden tot de onwerkzaamheid van de ontbindingsbeslissing.

Conclusie

De boodschap van deze bijdrage is hopelijk duidelijk. De redactie van een uitdrukkelijk ontbindend beding vereist aandacht. Het gebruik van misleidende uitdrukkingen zoals "ontbonden van rechtswege", "onmiddellijk ontbonden" of "als ontbonden beschouwd" zijn absoluut te mijden. Respect voor formalisme is belangrijk bij het inroepen van het uitdrukkelijk ontbindend beding. Maak daarom van het beding een duidelijke en concrete tekst met oog voor het toepassingsgebied en de verplichtingen naar vorm, termijn en inhoud. Het kan alleen maar helpen.

aternio legal helpt graag bij het totstandkomen van overeenkomsten.

Zie ook S. STIJNS en S. DE REY, "Het uitdrukkelijk ontbindend beding in een compromis voor onroerende koop", T.Not. 2021, 9, 729-757.


Zorgvolmacht in een internationaal kleedje?

De zorgvolmacht is in de loop der jaren uitgegroeid tot een basisbegrip in de beschermingsmaatregelen. Sinds de invoering van deze rechtsfiguur heeft ze al in vele situaties haar nut bewezen. Dit kan alleen maar bejubeld en gepromoot worden! De zorgvolmacht werd formeel in het leven geroepen met ingang vanaf 1 januari 2014. In een eerdere bijdrage hebben we u al ingewijd in deze wondere wereld van deze buitengerechtelijke beschermingstechniek. Ook de uitbreiding van het toepassingsgebied, kwam al eerder aan bod. In wat volgt gaan we even verder in op de uitwerking van de zorgvolmacht, in een internationale context.

Grensoverschrijdende regeling

Wanneer een casus een internationaal tintje krijgt, wordt u met allerlei regelgeving om de oren geslagen. Zo is er in België het Wetboek van Internationaal Privatrecht (W.IPR), Dat zal altijd het vangnet zijn en blijven. Echter, er zijn ook nog bijzondere regels. Zo moeten we, met ingang vanaf 1 januari 2021, ook rekening houden met het Verdrag van Den Haag over de internationale bescherming van volwassenen (hierna het "Verdrag van den Haag" of het "Verdrag"). België is namelijk toegetreden tot het Verdrag. Maar ook de Rome I-Verordening bestaat nog steeds. Ziet u door dat internationale bos de bomen nog?

Internationaal vraagstuk inzake zorgvolmacht

Het hoeft geen betoog dat al die verschillende regels er vaak toe hebben geleid dat het niet zo eenvoudig is om een antwoord op een internationaal vraagstuk te formuleren.

Voor 1 januari 2021

Voor de inwerkingtreding van het Verdrag van den Haag moest men eerst een kwalficatievraag beantwoorden. Wordt de zorgvolmacht in concreto gezien als een contract van lastgeving? Of ligt er eerder een beschermingsmaatregel op tafel? Het antwoord op de vraag, impliceert ook al meteen de toepasselijke rechtsbron.

Indien het document aanzien werd als een contract van lastgeving, dan was de Rome I-Verordening van toepassing.
Weerhield men de kwalificatie als beschermingsmaatregel, dan vielen we terug op de regels het het W.IPR.

Vanaf 1 januari 2021

Zorgvolmachten verleden vanaf voornoemde datum zullen onder toepassingsgebied van het Verdrag van den Haag vallen. Op basis van dat Verdrag zal het dan mogelijk zijn om het toepasselijke recht te bepalen. Uitgangspunt is dat het toepasselijke recht dat is van het land waar de volwassene op het moment van ondertekening van de zorgvolmacht, zijn gewone verblijfplaats heeft.

Het voorgaande geldt uiteraard niet indien er in de zorgvolmacht een uitdrukkelijke keuze voor de toepassing van een ander recht is opgenomen. In dat geval zal het gekozen recht toepassing vinden. Let wel, die keuzemogelijkheid is niet onbeperkt!

Artikel 15, tweede lid van het Verdrag van den Haag somt de rechtsstelsels op, waaruit men kan kiezen. Het gaat om het recht van de staat:
- waarvan de volwassene de nationaliteit bezit;
- waar de volwassene eerder zijn gewone verblijfplaats had;
- waar het vermogen van de volwassene is gelegen, met betrekking tot dat vermogen.

Die laatste optie spreekt tot de verbeelding. Het is dus mogelijk om in uw zorgvolmacht te kiezen voor meerdere rechtsstelsels en die toepasselijk te verklaren op het vermogensbestanddeel dat daar ter plaatse gelegen is.

We denken hierbij aan een persoon die niet enkel een woning in België heeft, maar ook graag in een eigen stulpje in het Zuiden vertoeft; maar ook graag een uitvalsbasis heeft in een skigebied. Voor alle verschillende (onroerende) goederen kan men dus het recht van de respectievelijke staten kiezen. Het zal ook dat recht zijn dat het bestaan, de omvang, de wijziging en het einde van de vertegenwoordiging in de zorgvolmacht regelen. Als dat maar goed komt...

Automatisme?

Het antwoord op de titelvraag is: nee. De toepassing van het Verdrag van den Haag is geen automatisme. Het vraagstuk dat men moest ontwarren voor de inwerkingtreding, blijft in zekere mate sluimerend aanwezig. Indien de lastgever (nog) niet ongekwaam is, en het dus om een contract van loutere lastgeving gaat, zal men nog steeds moeten terugvallen op de Rome I-Verordening.

Het is pas nadat de lastgever onbekwaam zal zijn, dat men kan teruggrijpen naar het Verdrag van den Haag.

Veiligheidshalve lijkt het dus aangewezen om, bij het maken van een rechtskeuze in een zorgvolmacht, van bij de start rekening te houden met de limitatieve lijst die het Verdrag van den Haag reeds voorziet.

Praktische toepassing en conclusie

Indien een buitenlandse zorgvolmacht opgemaakt is in overeenstemming met het door het Verdrag toepasselijke recht, dan zal deze in België uitwerking krijgen. Is dat niet het geval, dan plooien we ons terug op ons W.IPR om zo te beoordelen of de buitenlandse zorgvolmacht uitwerking kan krijgen.

Andersom geldt dat een Belgische zorgvolmacht, opgesteld overeenkomstig het Verdrag, sowieso uitwerking krijgt in landen die het Verdrag zelf ook geratificeerd hebben.

Voor landen die het Verdrag (nog) niet hebben geratificeerd zal het voorgaande vraagstuk blijven gelden. Zij grijpen terug naar hun eigen, nationale, regels van internationaal privaatrecht. Op die manier zullen zij dan beoordelen of de Belgische zorgvolmacht uitwerking kan krijgen... of niet...

Indien het internationaal aspect ver van uw bed staat, dan nog blijft de zorgvolmacht een buitengewoon belangrijke stapsteen in uw planningstraject. Onze juristen helpen u graag bij de totstandkoming van uw volmacht of bij een kritische analyse van uw bestaande zorgvolmacht.