Help, de houder van mijn recht van opstal is failliet!?

Stel u voor… U bent eigenaar van een grond, maar u hebt zelf geen intenties om daarmee iets te doen. Anderzijds zijn er mensen die een gebouw willen plaatsen maar er de grond niet voor vinden. In de wondere wereld van de zakelijke rechten, kunnen die 2 personen elkaar zonder problemen vinden in de figuur van het recht van opstal.

Wat gebeurt er nu eigenlijk wanneer de opstalhouder (degene die de gebouwen geplaatst heeft) failliet zou gaan. Dooft het opstalrecht dan gewoon uit en komen de gebouwen toe aan de grondeigenaar omwille van het recht van natrekking? Of komen die gebouwen in de faillissementsboedel van de opstalhouder (aangezien die er toch eigenaar van is gedurende de termijn van het recht van opstal).

Het antwoord is niet eenduidig en zal moeten blijken uit de tekst van de overeenkomst waarmee het opstalrecht werd gevestigd.

Recht van opstal - new style

Het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna BW) voorziet in het nieuwe boek 3 inzake goederenrecht in een definitie van het opstalrecht:
‚ÄúHet opstalrecht is een zakelijk gebruiksrecht dat het eigendomsrecht verleent op al dan niet gebouwde volumes, voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond om er bouwwerken of beplantingen te hebben.‚ÄĚ

U kan er alles nog even rustig over nalezen in onze eerdere bijdrage.

Ontbindende voorwaarde opnemen bij de vestiging van het recht van opstal

Een ontbindende voorwaarde verwijst naar een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Indien die gebeurtenis zich voordoet, dan gaat de voorwaarde in vervulling en gaat de verbintenis retroactief teniet (art. 1183 BW). De overeenkomst verdwijnt dan als het ware, alsof zij nooit heeft bestaan. Bovendien is hier geen enkele handeling van partijen of van een rechter voor nodig, de be√ęindiging is ‚Äúvan rechtswege‚ÄĚ.

De realisatie van de voorwaarde heeft bovendien niets te maken met een eventuele wanprestatie van een partij bij de overeenkomst.

Het kan dus interessant zijn om een dergelijke ontbindende voorwaarde op te nemen in de overeenkomst. Op die manier dan de overeenkomst dan van rechtswege een einde nemen indien deze:
- op initiatief van √©√©n van de partijen wordt be√ęindigd; ofwel
- indien ‚Äú√©√©n van de contractpartijen failliet wordt verklaard, tot gerechtelijk akkoord wordt toegelaten, in vereffening wordt gesteld, in collectieve schuldenregeling wordt toegelaten of anderszins in een situatie van insolvabiliteit terechtkomt‚ÄĚ.

Discussie in rechtspraak en rechtsleer

Er is echter discussie in de rechtspraak en rechtsleer over de kwalificatie van dergelijk beding. Gaat het hier wel om een ontbindende voorwaarde? Is het niet eerder een ontbindend beding? De grondslag van de verschillen tussen de beide figuren ligt in de grondslag: het ontbindend beding vereist een fout in de uitvoering van de overeenkomst; de ontbindende voorwaarde staat daar helemaal los van.

Vandaar dat de rechtspraak meestal de kwalificatie als ontbindende voorwaarde aanvaardt. Bij deze kwalificatie is het ontstaan van een situatie van samenloop niet per definitie (enkel) te wijten is aan de schuldenaar .

In de rechtsleer is echter een andere beweging ontstaan, in het voordeel van het ontbindend beding. Het doorslaggevende element bevindt zich daar vooral over het al dan niet toekennen van een keuzemogelijkheid aan de wederpartij. Aangezien er op vandaag nog geen definitief antwoord over de kwalificatie te geven is, kunnen we enkel maar hernemen dat het zorgvuldig opstellen van de overeenkomst van onmetelijk belang is.

Rechtbank van koophandel te Gent van 16 maart 2018

In het voornoemde vonnis stelde de curator dat de clausule die bepaalt dat het recht van opstal eindigt bij faillissement van de opstalhouder, de boedel op bedrieglijke wijze benadeelt. Dit aangezien de constructies hierdoor per direct uit het vermogen van de gefailleerde verdwijnen. In de overeenkomst was een be√ęindigingsvergoeding bedongen, maar de curator was van mening dat deze onvoldoende was om de opstallen te vergoeden. Daaruit wou men afleiden dat er sprake was van bedrieglijk opzet om de schuldeisers van de gefailleerde te benadelen.

In dit arrest stelt het hof dat de clausule die de be√ęindiging in geval van faillissement regelt, een ontbindende voorwaarde betreft die een einde maakt aan een lopende overeenkomst. Het hof stelt bovendien dat dergelijke clausule principieel geldig is in geval van faillissement.

Of een clausule al dan niet abnormaal is qua vergoedingsregeling, dient men steeds op basis van de concrete omstandigheden te beoordelen.

Conclusie

Bij de vestiging van het recht van opstal is het erg belangrijk om met de nodige zorg om te springen met de bewoordigen. Dit is trouwens elementair bij alle overeenkomsten.

aternio legal staat u hier graag in bij. Contacteer ons vooraleer u voor onaangename verrassingen komt te staan.


Onderhoudsplicht naar uw ouders: moet dat nu echt, mama?

Wanneer een stel samen één of meerdere kinderen krijgen, dan gaat de maatschappij er van uit dat u er alles aan zal doen om de kroost alles te geven wat nodig is. Uiteraard hebt u dat over voor de kinderen: u zorgt voor kledij, ontspanningsmogelijkheden, een goede opleiding of kansen om zich praktisch te bekwamen. Kortom, u doet al het mogelijke om hen te doen uitgroeien tot succesvolle en zelfstandige mensen. "Als ze groot zijn" helpt u hen om, vanuit uw onderhoudsplicht als ouder, zelf een warm nest uit te bouwen.

Maar, naarmate de jaren verstrijken, wordt uzelf mogelijk minder zelfstandig en hebt u misschien zelf hulp nodig. U hebt best wat vermogen bij elkaar gespaard, maar al die nodige hulp kost toch wel wat. Wat nu als zou blijken dat uw eigen vermogen ontoereikend is om alles te kunnen blijven betalen? Kan u dan op uw beurt beroep doen op de onderhoudsplicht van uw kinderen?

Onderhoudsplicht van kinderen naar ouders

Ons Burgerlijk Wetboek (BW) voorziet in artikel 205 dat kinderen levensonderhoud verschuldigd zijn aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn. Deze plicht geldt bij uitbreiding ook voor de schoonkinderen, weze het slechts in ondergeschikte orde (en op basis van artikel 206 BW).

Bij wijze van nuancering kan gesteld worden dat kinderen slechts tot onderhoud van hun ouders geroepen worden, indien de huwelijkspartner van de hulpbehoevende ouder onvoldoende solvabel zou zijn.

Het voorgaande geldt bovendien indien aan de volgende twee voorwaarden voldaan is:

  • de ouder moet onderhoudsgerechtigd zijn, wat wil zeggen dat die ouder zelf geen middelen of inkomsten meer kan hebben om een menswaardig bestaan te lijden; en
  • het kind moet in staat zijn om voor deze kosten in te staan.

De beoordeling hiervan zal desgevallend bepaald worden door de rechtbank.

Bijzondere regeling bij verblijf in een Vlaams OCMW-woonzorgcentrum

Wanneer een bewoner van een OCMW-woonzorgcentrum de kosten voor het verblijf niet meer zelf kan betalen, kan de betrokken persoon in eerste instantie een tussenkomst vragen van het OCMW van de gemeente waar men was ingeschreven voor de opname.  Echter, dit is niet zonder meer. Het OCMW kan namelijk deze kosten terugvorderen van de onderhoudsplichtingen. De onderhoudsplicht kan hier dus ook weer aan de oppervlakte komen.

Sinds 2004 verschilt dit terugvorderbeleid van gemeente tot gemeente. Mits akkoord van de gemeenteraad is dit akkoord algemeen bindend en geldt het voor alle inwoners van de betrokken gemeente. Bij gebreke aan enig wetgevend initiatief is het dus mogelijk om aan "forumshopping" te doen, om een zo gunstig mogelijke gemeente te kiezen.

Onderhoudsplicht vs. onderhoudsbijdrage (of alimentatie)

Impliceert het voorgaande dan dat uw kinderen voor u een soort onderhoudsbijdrage (of alimentatie) zullen moeten betalen?

De onderhoudsplicht is een wettelijke verplichting die steunt op de solidariteit van de familieband van het gezin. Het is niet zomaar mogelijk om daar afstand van te doen. Een onderhoudsuitkering of alimentatie vloeit daaruit voort. Het is in eerste instantie een uitkering voor levensonderhoud aan de ex-echtgeno(o)te of aan de kinderen na een echtscheiding. Maar het geldt dus evenzeer in de richting van de kinderen naar de ouders.

Ook de fiscale regeling is hetzelfde: 80% van de bijdrage fiscaal aftrekbaar. Het maakt daarbij geen verschil of u die bijdrage bijvoorbeeld betaalt aan het woonzorgcentrum (en niet aan uw behoeftige ouder). Bij wijze van analogie leest u er alles over in een eerdere bijdrage.

Verwerpen van de nalatenschap?

Aha, horen we u denken, indien dus blijkt dat er een groot bedrag openstaat, dan verwerpen de kinderen toch gewoon de nalatenschap?

Lange tijd werd aangenomen dat, wanneer iedereen de nalatenschap zou verwerpen, schuldeisers van de overledene de (verwerpende) erfgenamen dan toch nog konden aanspreken op basis van artikel 205 BW. Verwerpen zou toen geen sluitende oplossing geweest zijn.

Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 20 september 2013 evenwel geoordeeld dat het recht op levensonderhoud vervat in artikel 205 BW berust op solidariteit binnen de familie. Dat recht hangt vast aan de persoon van de onderhoudsgerechtigde. Met andere woorden: enkel die persoon kan de vordering tot onderhoudsbijdrage instellen. De onderhoudsverplichting is effectief gekoppeld aan de staat van de persoon, aangezien het gaat over het recht op menswaardig bestaan. Schuldeisers kunnen dus, na het overlijden van de behoeftige ouder, geen beroep meer doen op artikel 205 BW om de openstaande vordering te innen.

Conclusie

Behoeftigheid is jammer genoeg nog steeds van onze tijd. Het kan het gevolg zijn van tegenslagen tijdens uw leven, of van verkeerd gelopen (plannings-)keuzes. Het Burgerlijk Wetboek voorziet in artikel 205 dat kinderen levensonderhoud verschuldigd zijn aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.

Contacteer ons om u bij te staan bij het uitwerken van een uitgebalanceerde planning, met oog voor uw financi√ęle noden, en geniet van een rustige "oude" dag.


Notarieel testament: dictée is zo passé

Het dicteren van een testament aan de notaris is passé. Sinds 1 september 2020 behoort het voorzeggen namelijk tot de verleden tijd bij het opstellen van een notarieel testament.

Het testament op zich lijkt soms zo een ouderwets gegeven, maar het is allesbehalve passé. Het is en blijft een belangrijk instrument voor zij die hun vermogen wensen te verdelen op een andere wijze dan deze die de wet voorschrijft.

Indien er geen testament voorhanden is, wordt de nalatenschap immers afgewikkeld overeenkomstig de wet. Dit kan wringen met wat de testator zelf wenst. De wet bevoorrecht in eerste orde de familiale banden. Als de feitelijk samenwonende niet die ring om de vinger wenste maar toch zijn partner een deel van zijn vermogen wil nalaten, is een testament een interessant instrument.

Maar zoals altijd, de wettelijke formaliteiten moeten nageleefd worden. Zorg dan ook dat bij uw testament de puntjes altijd op de i staan zodat uw vermogen aan de juiste toekomt als u passé bent.

Dicteren is zo pré september 2020

U kunt het testament zelf opstellen. Maar zo een eigenhandig geschreven testament houdt wel wat risico‚Äôs in. Een notari√ęle akte biedt meer garanties voor de effectieve uitvoering van het testament.

Tot voor 1 september 2020 kon u een testament dicteren aan een notaris in aanwezigheid van twee getuigen of aan twee notarissen. Onlangs¬†schreven we nog¬†: ‚ÄúHet is duidelijk dat een notarieel testament, verleden in de aanwezigheid van objectieve getuigen, alvast meer garantie biedt tot uitdrukking van de werkelijke en oprechte wil van de testator.‚ÄĚ

De wetgever doet er ook alles aan om ervoor te zorgen dat de werkelijke wil effectief op papier komt te staan. Vanaf 1 september 2020 is het dicteren van de inhoud van het testament echter geen verplichte formaliteit meer (art. 972 BW). De notaris moet een testament opstellen op basis van de door de testator uitgedrukte wil.

Werkelijke wil is in!

Deze kleine verandering zorgt ons inziens voor de praktijk voor een belangrijke wijziging. De notaris dient aldus, nog actiever dan voorheen, op zoek te gaan naar de werkelijke wil van de testator. Checken en dubbelchecken is de boodschap.

De wijziging brengt immers met zich mee dat ook mensen die een andere taal spreken of spraak- of gehoorproblemen hebben een notarieel testament kunnen laten opmaken.  Dit wil in sé ook zeggen dat iemand op zijn sterfbed die mogelijk amper kan praten nog een dergelijk testament kan opstellen. Welke notaris durft dit alleen aan?

De notaris mag voor hen nu een testament opstellen, zonder dat de testator woord voor woord moet dicteren. Het notarieel testament is geldig zolang het maar de werkelijke wil van de cli√ęnt uitdrukt.¬†In dat geval wordt het testament opgemaakt in de vorm van een notari√ęle akte. Voor de latere erfgenamen is het dan bijzonder moeilijk om de authenticiteit en de geldigheid van deze laatste wilsbeschikking in twijfel te trekken.

Bijzonder moeilijk is niet onmogelijk

Diegene die zijn testament opstelt moet eerst en vooral gezond van geest zijn. Daarnaast dient men ook bekwaam te zijn.

Een testament opstellen als je niet beschikt over je verstandelijk vermogen of je vrije wil is dus bijna onmogelijk. Maar bijna onmogelijk is niet gelijk aan onuitvoerbaar. Een wilsonbekwame persoon kan mits tussenkomst van een vrederechter nog steeds een testament opstellen.

Is jouw geest nog helemaal méé?

Men moet dus nog over voldoende gezond verstand beschikken om een testament te laten opmaken. Dit is een heel subjectief gegeven. De psychisch gestoorde denkt niet van zichzelf dat hij gestoord is.

Een niet onbelangrijk gegeven, want als blijkt dat het testament is opgesteld door een testator die niet gezond van geest is, kan het testament door de rechtbank nietig worden verklaard. De nietigverklaring van het testament betekent dat het wordt geacht nooit te hebben bestaan.

Een notaris die overtuigd is dat de testator niet gezond van geest is moet zijn ambt weigeren. Vroeger kon men eventueel uit de bewoording van het testament nog afleiden of een persoon als dan niet gezond was van geest. Voortaan zal dit element die langer mee in de beoordeling zitten, aangezien het dicteren van een testament tot het verleden behoort.

De afschaffing van het verplichte dictée maakt het misschien nog moeilijker om dat testament dat in de laatste levensuurtjes is opgemaakt aan te vechten. Wederom rust hier een belangrijke taak op de schouders van de notaris.

Conclusie

U hoeft uw testament niet langer te dicteren, maar de notaris zal actief moeten wroeten tot de werkelijke wil van de testator is achterhaald. Niet alleen bij het opstellen van het testament kunnen er addertjes in het gras verscholen zitten. De fiscaliteit is ook een slangenkuil. Een advies dat hiermee rekening houdt is broodnodig. De successietarieven, in het bijzonder bij het nalaten aan anderen dan kinderen, kunnen hoog oplopen.

aternio adviseert u hierbij graag. Contacteer ons indien u meer wil weten.


Steun de cultuursector via tax shelter en krijg belastingvrijstelling

De cultuursector heeft het de laatste tijd hard te verduren. Grote festivals, voorstellingen en concerts werden één voor één geannuleerd of uitgesteld. Een financieel ruggensteuntje kan deze sector best gebruiken. Eén van de manieren om dit te doen is het investeren in de "Tax Shelter voor audiovisule werken en podiumkunsten". De fiscale gunstregeling bestaat al enige tijd, maar is sinds de covid 19-pandemie nog wat versoepeld.

Wat is de tax shelter voor audiovisuele werken en podiumkunsten ?

Winstgevende vennootschappen in Belgi√ę kunnen een fiscaal voordeel genieten wanneer zij investeren in audiovisuele werken of podiumkunsten, mits te voldoen aan een aantal voorwaarden. Kort samengevat komt de tax shelter neer op een belastingvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Naast de belastingbesparing ten belope van het investeringsbedrag, is er ook een extra opbrengst op de gestorte sommen (maximaal rendement is bij wet vastgelegd op Euribor 12 maanden + 4,50%).

Let op: de tax shelter voor audiovisuele werken en podiumkunsten mag echter niet verward worden met de tax shelter voor startende ondernemingen.

Hoe werkt het concreet?

Een investeerder kan een bepaalde productie steunen door een (voorlopig) "tax shelter-attest" te kopen van een producent. Partijen sluiten hiervoor een passende raamovereenkomst af.

De investeerder moet dan binnen de 3 maanden na het sluiten van deze raamovereenkomst het investeringsbedrag aan de producent betalen. De investeerder krijgt een voorlopige belastingvrijstelling (van 365% ¬†voor aanslagjaar 2019-2020‚ÄĮ) van het ge√Įnvesteerde bedrag in ruil.¬†Vervolgens gebruikt de producent het investeringsbedrag voor zijn productie en dit binnen de wettelijk vastgelegde termijnen.

De fiscale Cel Tax Shelter gaat na of alle voorwaarden zijn nageleefd. Uiterlijk op 31 december van het 4de jaar volgend op het jaar van de ondertekening van de raamovereenkomst, levert zij het definitieve tax shelter-attest af.

Dit definitief afgeleverd tax shelter-attest zet de voorlopige vrijstelling uiteindelijk om in een definitieve belastingvrijstelling voor de investeerder.

Wie komt in aanmerking?

a. Investeerder

Als tax shelter investeerder komen in principe alle Belgische vennootschappen (of vaste inrichtingen) in aanmerking, behalve productievennootschapen of televisieomroepen.

We merken evenwel op dat indien een kleine vennootschap kan genieten van het verlaagde tarief van 20% en de winst tot 100.000,00 euro beperkt blijft, de investering in de tax shelter een laag of soms een negatief rendement oplevert. Voor deze vennootschappen is de tax shelter dus niet interessant.

 

b. Producent

Als producent komen de Belgische vennootschappen (of vaste inrichtingen) in aanmerking met als voornaamste doel de productie van audiovisuele werken. Zij mogen alvast geen televisieomroep zijn en/of niet verbonden zijn met een omroep.

Wat komt in aanmerking?

a. Audiovisule werken

  • een fictiefilm (lange, gemiddelde en korte duurtijd), een documentaire, een animatiefilm of een kortfilm voor bioscopen;
  • een lange fictiefilm voor televisie (mogelijk opgedeeld in afleveringen);
  • een fictieserie, animatieserie, kinderreeks of documentaire bedoeld voor televisie;
  • een kinder- of jeugdreeks.

b. Podiumkunsten

  • theater;
  • circus;
  • straattheater;
  • opera;
  • klassieke muziek;
  • dans;
  • muziektheater, met inbegrip van musical en ballet, evenals de productie van een totaalspektakel.

Bovendien moeten voornoemde audiovisuele werken en podiumkunsten erkend zijn door de Vlaamse gemeenschap. Meer info over de erkenning vindt u hier.

Tijdelijke corona-versoepelingen

Ingevolge de covid 19-pandemie heeft de regering ook voorzien in enkele tijdelijke versoepelingen. Zo is voor de podiumkunsten beslist om de huidige termijn voor het verrichten van uitgaven van 24 maanden te verlengen met 6 maanden.

Voor de audiovisuele werken is eveneens beslist om de huidige termijn van 18 maanden (24 maanden voor animatie) te verlengen met 6 maanden. Om deze tijdelijke versoepeling te kunnen genieten dient de producent evenwel aan te tonen dat hij rechtstreekse schade heeft ondervonden als gevolg van de corona-maatregelen van de overheid.

De details over de tijdelijke corona-versoepelingen van de tax shelter kan u terugvinden in de circulaire van 25 mei 2020.

Conclusie

Er zijn veel goede redenen om op vandaag te investeren in een tax shelter. Zo steunt u niet alleen de cultuursector, maar doet u er ook een fiscaal en financieel voordeel bij. Bij ontvangst van het tax shelter attest, kan u genieten van een definitieve belastingvrijstelling en een rendement op uw investering. Bovendien kan een tax shelter een interessant alternatief zijn voor onvoldoende voorafbetalingen.

Contacteer aternio voor meer info.


Our house, in the middle of our street. Het verlaagd verkooprecht.

"Our house, in the middle of our street
Our house, it has a crowd
There's always something happening"

There is always something happening...ook de Vlaamse decreetgever heeft niet stilgezeten. Voor de Vlaming geboren met een baksteen in zijn maag is het niet oninteressant om te weten hoeveel belastingen daadwerkelijk verschuldigd zijn bij de aankoop van een woning. Bij Vlaams decreet van 29 december 2019 is er voorzien in tarieven die lager zijn dan het basisverkooprecht van 10%. Bij decreet van 26 juni 2020 is er verder gesleuteld aan het toepassingsgebied en de termijnen voor deze verlaagde verkooptarieven.

Verkooprecht ‚Äď belastbaar voorwerp

Het verkooprecht op onroerend goed is verschuldigd in verscheidene situaties. Bijvoorbeeld als de eigendom of het vruchtgebruik van een onroerend goed overgedragen wordt, zoals bij de verkoop of bij een ruil. Het verkooprecht is ook verschuldigd bij inbreng in een Belgische vennootschap, in ruil voor aandelen, van een onroerend goed dat tot bewoning aangewend wordt of bestemd is.

Het verkooprecht is verschuldigd vanaf het ogenblik dat een verkoopovereenkomst gesloten is. Aldus is het verkooprecht soms al verschuldigd bij ondertekening van een onderhandse verkoopovereenkomst, het zogenaamde compromis. Indien er evenwel opschortende voorwaarden zijn bedongen in het compromis, is het verkooprecht pas opeisbaar als deze voorwaarden zijn vervuld.

Stilstaan bij de opschortende voorwaarden kan u bijgevolg veel geld besparen voor het geval de verkoop toch afspringt. De opschortende voorwaarden zorgen er dan voor dat er geen verkoop is en dat geen verkooprecht verschuldigd is.

Decreet 29 december 2019 - Daling van de tarieven

Voor het decreet van 29 december 2019 was bij de aankoop van de enige eigen woning 7% registratiebelasting verschuldigd in plaats van de gewone 10%. De voorwaarden om te kunnen genieten van dit verlaagd recht werd reeds beschreven in een vorige blog.

De tarieven kunnen echter nog lager zijn bij ingrijpend energetische renovatie van de gezinswoning  (6 %) of als deze woning kwalificeert als erfgoed en na het uitvoeren van investeringen (1%). Voor een beschermd patrimonium is het belastingvoordeel enkel toepasbaar op werken die in een door het agentschap Onroerend Erfgoed goedgekeurd beheersplan opgenomen zijn.

Bij decreet van 29 december 2019 werd het voormelde tarief van 7 % naar 6 % verlaagd (wijziging van artikel 2.9.4.2.11, § 1 VCF). Het bestaande tarief van 6 %, bij energetische renovatie, is verder verlaagd naar 5 % (wijziging van art. 2.9.4.2.12, § 1 VCF).

Het decreet trad in werking op 1 januari 2020. De tariefverlaging is bijgevolg van toepassing "op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2020".

Decreet van 26 juni 2020 ‚Äď Uitbreiding toepassingsgebied

Bij decreet van 26 juni 2020 (BS 29 juni 2020) is er wederom gesleuteld aan het verkooprecht.

Voor de aankoop van een enige eigen woning die door de verkrijger ingrijpend energetisch gerenoveerd zal worden, geldt ook een verlaagd tarief van 5 %. Sloop of herbouw waren daarbij tot nu toe uitgesloten, maar dat verandert nu. Wat is een ingrijpende energetische renovatie? We verwijzen u graag door naar Energiesparen.be als u hierover meer uitleg wenst.

De tariefverlaging breidt vanaf 1 januari 2021 uit tot gedeeltelijke sloop, gevolgd door een gedeeltelijke herbouw of herbouw.

Decreet van 26 juni 2020 ‚Äď Verlenging van termijnen

Het verkooprecht (10%, 6%, 5% of 1%) is verschuldigd wanneer een natuurlijk persoon een woning aankoopt om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen. In alle gevallen moet het vestigen van de hoofdverblijfplaats in het aangekochte goed binnen een welbepaalde termijn gebeuren.

Dit wil zeggen dat de koper daar zijn domicilie dient te vestigen. Voor het decreet moest men op het adres van de aangekochte woning zijn inschrijving doen binnen 2 jaar na de datum van de aankoopakte.

Bij decreet van 26 juni 2020 is de termijn nu op 3 jaar (6 %-tarief), respectievelijk 5 jaar (1 %-tarief) gebracht.

Het decreet heeft uitwerking met ingang van 1 juni 2020. De nieuwe, langere termijnen gelden ook voor de verkoopovereenkomsten die zijn gesloten vanaf 1 juni 2018 en vóór 1 juni 2020 met toepassing van het verlaagd tarief.

Conclusie

We slaan u met cijfers om de oren. Maar we doen dit graag indien u hiermee geld kan besparen. Vergeet men zijn domicilie te vestigen dan kan dit immers zuur opbreken. Goed dat er alvast in een langere termijn is voorzien. Een vermindering van het tarief is uiteraard interessant voor uw portemonnee, maar er zijn altijd andere manieren om nog verder te besparen/investeren.

aternio helpt u hierbij graag. aternio heeft immers oog voor alle puzzelstukken en bouwt graag mee aan uw belastingpaleis.


Op restaurant in Covid-19 tijden: wat met uw privacy?

Onder de huidige Covid-19 pandemie is het belangrijk om steeds de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen wanneer we ons in het openbaar begeven. Zo ook indien we met het gezin of in het breed met onze "bubbel" op restaurant gezellig willen gaan tafelen. De overheid heeft, om mogelijke broeihaarden op te sporen, daarom voorzien in registratieplicht voor horecagasten.  Wat mag een horeca-uitbater juist doen met deze gegevens en wat zegt de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit (hierna 'GBA') over privacy?

Maatregel door de overheid

De federale overheid heeft met haar ministerieel besluit van 28 juli 2020 een contacttracing-verplichting ingevoerd voor horeca-uitbaters. Zij moeten de contactgegevens verzamelen van één klant per tafel telkens wanneer zij klanten over de vloer krijgen.

De FOD Economie heeft op haar website een formulier ter beschikking gesteld dat kan dienen als voorbeeld bij het verzamelen van deze contactgegevens. Horeca-uitbaters zijn echter niet verplicht dit formulier te gebruiken. Indien de klanten weigeren hun gegevens te geven, heeft de horeca-uitbater zelfs de plicht om de klanten de deur te wijzen.

Horecaklanten zijn natuurlijk niet altijd even happig om hun persoonsgegevens mee te delen aan horeca-aangelegenheden. De GBA heeft daarom op haar website een advies gegeven hoe horeca-uitbaters conform de GDPR deze contactgegevens kunnen verzamelen.

Basisbeginselen van privacy en contacttracing

Informatie

Een belangrijke eerste stap bij het verzamelen van persoonsgegevens is toch steeds het informeren van de betrokken persoon. Zo zal de horeca-uitbater, op het formulier of via een link, duidelijke informatie moeten geven aan de klant. Horeca-uitbaters mogen er namelijk niet van uitgaan dat hun klanten steeds op de hoogte zijn van de laatste privacy implicaties van hun restaurantbezoek. Zo zal het formulier of de app duidelijk de hier besproken informatie moeten weergeven.

Verzamelen van gegevens

Het ministerieel besluit schrijft enkel voor dat de klant ofwel het telefoonnummer ofwel het e-mail adres moet achterlaten. Dit zijn dus eigenlijk de enige persoonsgegevens die de horeca-uitbater mag verzamelen. Bovendien mag men dit slechts vragen van 1 persoon per tafel. Overige contactgegevens, zoals de naam van deze persoon, kunnen verzameld worden, maar dit dan louter op vrijwillige basis. De horeca-uitbater moet de klant duidelijk informeren van het vrijwillige karakter van deze overige informatie. De GBA gaat er wel van uit dat het tijdstip en eventueel het tafelnummer en de duur van het bezoek mogen worden bijgehouden.

Het opvragen van een identiteitskaart lijkt ten stelligste af te raden. De vereiste informatie, zijnde het e-mailadres of telefoonnummer, staan namelijk niet op de identiteitskaart. Bovendien is de kans zo heel groot dat de horeca-uitbater onterecht gegevens zal verwerken. Denk hierbij aan de foto, het adres en het rijksregisternummer van de klant. De gegevensverzameling moet men beperken tot wat noodzakelijk is voor de contacttracing.

Gebruik en verwijderen van gegevens

De verzamelde gegevens "mogen enkel worden gebruikt voor de doeleinden van de strijd tegen COVID-19", volgens het ministerieel besluit. Dit wil dan ook zeggen dat de horeca-uitbater ze bijvoorbeeld niet mag gebruiken voor marketing, opslaan in het klantenbestand of enquêtes. Een horeca-uitbater mag ze enkel verzamelen en 14 dagen bijhouden. Daarna moet hij/zij deze onherroepelijk vernietigen. Heeft een besmetting zich voorgedaan binnen deze termijn van 14 dagen, dan mag de horeca-uitbater deze gegevens enkel doorsturen naar de bevoegde overheid. Zelf klanten contacteren is absoluut niet toegelaten.

Vertrouwelijkheid

Net zoals de horeca-uitbater de verzamelde gegevens zelf niet ongeoorloofd mag gebruiken, moet deze het ongeoorloofd gebruik door anderen ook voorkomen. Dit houdt in dat de horeca-uitbater nadat deze de gegevens verzameld heeft deze op een veilige plaats bewaard. Het is belangrijk dat de ingevulde formulieren niet voor andere klanten of niet bevoegde personen zichtbaar zijn. De GBA geeft hierbij een afgesloten kast of verzegelde enveloppen als voorbeeld. Worden de gegevens digitaal verzameld, dan moeten daar eveneens de nodige beschermingssystemen voorzien worden.

Uitgelichte voorbeelden

Papier of digitaal? Voor de GDPR en de overheid is de keuze in principe vrij. De horeca-uitbater heeft dus de verzameling van de klantgegevens de keuze uit een een papieren formulier of een app. Let er zeker op dat bij het digitaal verzamelen van de gegevens, de basisbeginselen gewaarborgd moeten worden. Verzamelt men de gegevens op papier, zorg er dan voor dat dit niet voor andere klanten toegankelijk is. Geef daarom individuele exemplaren en werk niet met een algemene lijst die men aan de bar of de deur hangt. De FOD Economie stelt een template ter beschikking die horeca-uitbaters kunnen gebruiken.

Weigeren en controle? De horeca-uitbater heeft de plicht om klanten te weigeren indien zij hun gegevens niet wensen achter te laten. De vraag kan zich dan ook stellen of horeca-uitbaters moeten controleren of de achtergelaten gegevens wel juist zijn. Een klant zou namelijk opzettelijk een onzinnig telefoonnummer of e-mail adres kunnen achterlaten. Zo ver hoeft de horeca-uitbater niet te gaan, dit zou namelijk een te zware verplichting zijn.

Privacy vragen? aternio legal helpt u graag verder.


bedrijfswagen

Bedrijfswagen: geen fiscale aftrekbeperking bij betaling voor privégebruik

Een belastingsplichtige heeft haar slag thuis gehaald voor het Hof van Cassatie in een arrest van 25 juni 2020 inzake de fiscale aftrekbeperking op kosten van een bedrijfswagen.

Volgens het Hof mag een vennootschap immers haar autokosten volledig aftrekken, ook al zijn de kosten voor het privégebruik van een bedrijfswagen door de werknemer of bedrijfsleider terugbetaald aan de vennootschap. De aftrekbeperking voor autokosten is zodoende niet van toepassing op de vennootschap.

Aftrekbeperking autokosten

Overeenkomstig de fiscale wetgeving (art. 66, §1 en art. 198bis WIB'92) zijn de beroepskosten voor het gebruik van personenwagens slechts in beperkte mate aftrekbaar. Voor een uitgebreide bespreking van de huidige autofiscaliteit verwijzen we naar Autofiscaliteit anno 2020.

VAA: geen probleem

Indien de vennootschap een bedrijfswagen ter beschikking stelt van een werknemer of bedrijfsleider, die de wagen ook gebruikt voor privédoeleinden, zal de genieter belast worden op een voordeel van alle aard (hierna VAA).

De fiscus tolereert echter dat voornoemde aftrekbeperking bij de vennootschap of werkgever soms niet van toepassing is. Dit is het geval indien er tegenover de beroepskosten van de bedrijfswagen een belastbaar VAA staat. Met andere woorden, de autokosten ondergaan geen aftrekbeperking bij de vennootschap/werkgever voor het bedrag van het VAA.

Bij de berekening van de verworpen uitgaven aangaande autokosten mag de vennootschap dus het gedeelte dat ze als VAA vermeldt op de inkomstenfiches, in mindering brengen (Vraag nr. 1206 van de heer Borginon dd. 27.03.2006). Op die wijze wil de fiscus ook dubbele belasting vermijden, hetgeen ze ook met zoveel woorden zegt in haar commentaar (Comm.66/41 en 195/109).

Wat met eigen bijdrage?

Wat gebeurt er nu wanneer de werknemer of bedrijfsleider een eigen bijdrage betaalt voor het privégebruik van de bedrijfswagen?

Welnu, in principe mag men het belastbaar VAA verminderen met de eigen bijdrage van de genieter van het voordeel (art. 36, §2 WIB'92). Op het stuk van de eigen bijdrage is er dus geen voordeel. Heeft dit nu gevolgen voor de afrekbeperking op het niveau van de vennootschap, voor de kosten van de bedrijfswagen?

Ja, daar wringt nu net het schoentje bij de fiscus...

Visie fiscus

De fiscus houdt er een zeer strikte visie op na.

Zij is namelijk van oordeel dat wanneer er géén VAA is, de aftrekbeperking sowieso behouden blijft. Ook al was dit door toedoen van de eigen bijdrage van de genieter van het voordeel.

Visie Cassatie

Uiteindelijk is deze problematiek tot bij het Hof van Cassatie geraakt. Zij geeft nu, net zoals het Hof van Beroep te Brussel, de belastingsplichtige gelijk.

Het Hof stelt namelijk dat de aftrekbeperking enkel van toepassing kan zijn wanneer de bedrijfswagen door de vennootschap zélf wordt gebruikt, en dus niet bij belast of betaald gebruik voor privédoeleinden.

Uit de wetsbepaling en parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat de aftrekbeperking enkel van toepassing is op de kosten voor het beroepsmatig gedeelte van de wagen. De aftrekbeperking geldt dus niet op de kosten m.b.t. het privégebruik.

"De omstandigheid dat de kosten voor het privégebruik door de werknemer worden terugbetaald, belet niet dat de werkgever/vennootschap deze kosten volledig mag aftrekken." volgens het Hof van Cassatie.

Samengevat: ook al staat er door de 'eigen' bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider tegenover het privégebruik van de bedrijfswagen geen VAA meer, dit niet belet dat de kosten aangaande dat privégebruik volledig aftrekbaar blijven bij de werkgever of vennootschap.

Conclusie

Het Hof van Cassatie bevestigt in haar arrest van 25 juni 2020 dat de aftrekbeperking voor autokosten niet van toepassing is ten belope van de eigen bijdrage van een werknemer of bedrijfsleider in het VAA voor het privégebruik van de bedrijfswagen.


erfenisbejaging

Een erfenis is geen jachttrofee, stropers opgelet!

Erfenisbejaging is als zonder toestemming jagen of dieren stelen op het terrein van een ander. De term zegt u misschien weinig of niks, enige verduidelijking is dus op zijn plaats. Bij iemands overlijden rijzen soms vragen bij het door de overledene opgestelde eigenhandig geschreven testament. Klassiek zijn de twijfels over de echtheid van het handschrift of de gezondheid van geest op het ogenblik van het opstellen van het testament. Subtieler wordt het wanneer de overledene het laatste testament heeft opgesteld onder invloed van naasten, mogelijk met aantasting van de vrije wil. Welnu, het is precies deze laatste situatie die het onderwerp vormt van deze bijdrage.

Erfenisbejaging

Erfenisbejaging is een bijzondere verschijningsvorm van bedrog. Het bedrog bestaat eruit dat een begiftigde of een derde frauduleuze middelen inzet om de vrije wil van de testator aan te tasten of te verminderen (art. 1116 BW). Het enige doel is vanzelfsprekend te zorgen voor een bevoordeling naar aanleiding van het overlijden van de testator.

Wanneer door toedoen van de begunstigden of een derde een kunstmatig klimaat van genegenheid wordt gecre√ęerd om de testator tot een bevoordeling te brengen, is er sprake van captatie. Typisch voorbeelden van captatie zijn het zwartmaken van bepaalde erfgenamen, een contactverbod of een algemeen sociaal isolement organiseren. Bij het influisteren of ontraden van specifieke testamentaire beschikkingen spreekt men van suggestie of ingeving. De suggestie kan bijvoorbeeld komen door iemand die, door sociale status of professionele activiteiten, een invloed heeft op de testator.

In de praktijk komen verboden captatie en suggestie meestal in gecombineerde vorm voor. Let wel: louter overdreven gevlei of geveinsde affectie ("dolus bonus") volstaan niet om van bedrog te spreken.

Wie draagt de bewijslast?

Bedrog wordt nooit vermoed, het moet worden bewezen. Het is dus aan diegene die beweert dat het testament is aangetast door erfenisbejaging die hiervan het bewijs moet leveren. Bovendien leidt bedrog niet automatisch tot de vernietigbaarheid van de betwiste rechtshandeling.

Er kan slechts sprake zijn van vernietigbaarheid van het testament wanneer een aantal elementen zijn verenigd.

  • Een materieel aspect. Het bedrog is veroorzaakt door ongeoorloofde kunstgrepen, met name een gedraging die bij de testator een verkeerde indruk wekt of bevestigt.
  • Een psychologisch aspect. Door kwaadwilligheid stelt men de werkelijkheid verkeerd voor om aldus de testator op het verkeerde spoor te zetten bij het opstellen van het testament.
  • Een doorslaggevende invloed. Het bedrog heeft klaarblijkelijk een doorslaggevende invloed op de wilsvorming van de testator.
  • Een causaal verband. Er is een oorzakelijk verband tussen de toestemming van de testator en de kunstgrepen.

Zij die de wilsbeschikking aanvechten zullen m.a.w. het precieze en omstandige bewijs moeten leveren dat, op het ogenblik van het schrijven van het testament, de vrije wil van de testator was aangetast door kwaadwillige listen en dat deze daadwerkelijk de wilsbeschikking hebben be√Įnvloed. Daarnaast zal ook rekening worden gehouden met de fysieke en psychische toestand van de testator.

Het bewijs kan met alle middelen van recht worden aangeleverd, dus ook door mondelinge of schriftelijke getuigenverklaringen. Het is aan de rechter om te oordelen over de geloofwaardigheid van schriftelijke getuigenverklaringen, ook al voldoen deze niet aan alle wettelijke vormvereisten. In dit geval moet de rechter wel aangeven waarom de getuigenverklaringen geloofwaardig zijn, ook al is niet voldaan aan alle gestelde vereisten.

Getuigenverklaringen, samen met eventuele andere elementen, kunnen finaal doen besluiten dat er sprake is van bedrog dan wel erfenisbejaging door toedoen van de begunstigde(n) van het betwiste testament.

Een bloemlezing

Uit spontane en belangeloos gedane, niet gestandaardiseerde of voorgekauwde verklaringen kan bijvoorbeeld blijken dat:

  • dwang, maneuvers, listen en leugens de bewegingsvrijheid van de testator ernstig beperkten;
  • gecre√ęerde omstandigheden de testator ertoe aanzetten in het voordeel van de begiftigde te handelen;
  • ruzies, kwaadsprekerij, druk en vermeende conflicten de testator sociaal en fysiek hebben ge√Įsoleerd van vrienden en familie;
  • de testator door sluwheid en manipulatie sterk afhankelijk is gemaakt van de begiftigde;
  • de begiftigde de communicatie (bv. briefwisseling, telefoongesprekken) van de testator controleerde;
  • financieel winstbejag de grondslag was voor het samenwonen of zorgen voor de testator (bankrekeningenhistoriek kan dit ondersteunen);
  • door de begiftigde dreigde een einde te make aan de (zorg)relatie.

Andere bewijselementen kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • de gebrekkige redactie van het eigenhandige testament in vergelijking met andere geschriften van de testator;
  • de moeizame schriftuur met haperingen en fouten;
  • de drukkende en systematische aanwezigheid van de begiftigden ten tijde van de redactie van het testament;
  • kunstmatig ogende toevoegingen in het testament;
  • de korte tijdspanne tussen een notarieel testament en een daaropvolgend eigenhandig geschreven testament vlak voor het overlijden;
  • het eigenhandig testament is geschreven kort voor het overlijden.

Het is door het samennemen van getuigenverklaringen met eventuele andere bewijselementen dat de rechter kan besluiten tot bedrieglijke erfenisbejaging, met de nietigverklaring van het testament tot gevolg (zie Gent, 5 en 12 december 2019, TEP, 2020, nr. 1, 181-193).

Conclusie

Het is duidelijk dat een notarieel testament, verleden in de aanwezigheid van objectieve getuigen, alvast meer garantie biedt tot uitdrukking van de werkelijke en oprechte wil van de testator.

Erfenisbejaging middels een door de testator eigenhandig geschreven testament is alvast geen goed idee. Bovendien is het moreel verwerpelijk. Het risico is immers niet ondenkbeeldig dat het testament wordt betwist en finaal nietig wordt verklaard door de rechter. Mogelijk goedbedoelde diensten of zorgen ten behoeve van een zieke of noodlijdende testator zijn geen verantwoording of vrijbrief om te azen op een nalatenschapsvermogen.

aternio legal adviseert u bij uw vermogensplanning.


Carry back voor Covid-19 verliezen - overschat uw ongeluk niet

De Belgische overheid heeft reeds verschillende maatregelen genomen om ondernemingen te helpen tijdens de Covid-19 pandemie. Met de wet van 23 juni 2020 wil de overheid ondernemingen steunen die het vorige boekjaar winsten hebben gemaakt, maar zich nu, al dan niet omwille van Covid-19, geconfronteerd zien met verliezen. Zo voegt zij voor deze ondernemingen onder andere een carry back regeling in.

Carry back - What's in a name?

De carry back-regeling betekent dat ondernemingen verliezen van het huidige boekjaar kunnen compenseren met belastbare winsten van het voorgaande boekjaar. De belastingen die de onderneming normaal dit jaar zou moeten betalen op haar fiscale winsten zijn zo tijdelijk vrijgesteld. Zo vermindert deze tijdelijke vrijstelling de belastingdruk op ondernemingen. Het teveel betaalde aan voorafbetalingen zal de fiscus bovendien zo snel mogelijk terugbetalen.

Ondernemingen en ondernemers krijgen de keuze of zij voor de regeling willen opteren. Er is geen verplichting om gebruik te maken van de verliesverrekening. Weet wel dat de keuze onherroepelijk is.

Aangifte

Via de fiscale aangifte in de vennootschapsbelasting van het boekjaar dat afsluit tussen 13 maart 2019 en 31 juli 2020 kan de belastingplichtige opteren voor de carry back. Om te genieten van deze tijdelijke vrijstelling voorziet de belastingplichtige in de aangifte in een éénmalige vrijgestelde reserve ten belope van haar verwachtte verlies voor het daarop volgende boekjaar.

Voor vennootschappen bedraagt de vrijgestelde reserve maximaal 20 miljoen euro. De vrijgestelde reserve zal dan in dit volgende boekjaar gebruikt moeten worden om de werkelijke fiscale verliezen te compenseren. De onderneming zal een speciale opgave 275 COV moeten invullen, waarin zij de aanleg van de vrijgestelde reserve weergeeft. Zij zal deze opgave moeten toevoegen aan haar aangifte voor het betreffende boekjaar. Indien deze aangifte reeds ingediend werd, dan moet de onderneming de speciale opgave samen met de opgave voor 30 november 2020 indienen.

Ondernemers belast in de personenbelasting of BNI, dit zijn in het bijzonder de zelfstandigen, kunnen gebruik maken van de regeling door de tijdelijke vrijstelling op te nemen in de aangifte van aanslagjaar 2020 (inkomsten 2019). In het aanslagjaar 2021 (inkomsten van 2020) zal de tijdelijke vrijstelling dan gebruikt moeten worden om de werkelijke verliezen te compenseren. De aangifte zal dienen te gebeuren via een afzonderlijk aangifteformulier, dat voorlopig nog niet beschikbaar is.

Opgelet: overschatten van Covid-19 verlies

Indien de onderneming gebruik wil maken van de carry back regeling, moet zij haar verwachtte verlies voorspellen. Deze voorspelling zal de toekomstige werkelijke verliezen zo dicht mogelijk moeten benaderen. Indien de verwachtte verliezen ernstig overschat worden, rekent de fiscus een belastingverhoging aan. Indien de onderneming de verliezen juist inschatte of zelfs onderschatte is er uiteraard geen sprake van een afzonderlijk aanslag en een verhoging.

Ondernemingen belast in de vennootschapsbelasting

Om het bedrag van de belastinggrondslag en de verhoging vast te stellen in de vennootschapsbelasting maakt de fiscus gebruik van een heuse berekening. Deze berekening in haar geheel uit de doeken doen zou deze blog onleesbaar maken en zou ons werkelijk te ver leiden. Weet echter dat de fiscus toelaat dat u de verwachtte verliezen tot 10% mag overschatten. Op het gedeelte dat de vennootschap te veel overschatte, wordt de verhoging die schommelt tussen de 2 en 40% berekend.

Door de tariefdaling van de vennootschapsbelasting van 29,58% (2019) naar 25% (2020) is er steeds een impliciete verhoging van toepassing. Het is namelijk niet de bedoeling dat vennootschappen de voorlopige vrijstelling gebruiken om hun winsten te onderwerpen aan de lagere vennootschapsbelasting. Het gaat hierbij louter om een corrigerende maatregel en niet om een bestraffing van de vennootschappen die gebruik willen maken van de carry back.

Ondernemingen belast in de personenbelasting

Voor ondernemingen belast in de personenbelasting kijkt de fiscus naar het verlies dat geleden zou zijn indien de tijdelijke vrijstelling niet werd teruggenomen. Dat bedrag vermenigvuldigen we dan met 10%, dit is het gecorrigeerde verlies. Daarna nemen we het bedrag van de tijdelijke vrijstelling en verminderen we dit met het gecorrigeerd verlies. Het resultaat van deze bewerking laat ons toe te weten wat de grondslag is voor de verhoging. Hierop berekent de fiscus een belastingvermeerdering die tussen de 2% en 18% bedraagt.

Welke (uitgesloten) ondernemingen

De carry back regeling staat open voor ondernemingen die onderworpen zijn aan de personen-, vennootschaps- en belasting voor niet-inwoners vennootschappen. Bijgevolg kunnen naast vennootschappen ook zelfstandigen gebruik maken van deze regeling.

De overheid wil echter enkel ondernemingen helpen die getroffen worden door de Covid-19 pandemie. Ze sluit daarom enkele categorie√ęn ondernemingen uit van de regeling.

  • Ondernemingen die overgaan tot het uitkeren van dividenden (incl. liquidatiereserves), inkoop eigen aandelen of enige vermindering of verdeling van het eigen vermogen doorvoeren. Dit indien de onderneming deze transacties uitvoert in de periode tussen 12 maart 2020 en de indiening van de aangifte voor het aanslagjaar 2021.
  • Ondernemingen die op of voor 18 maart 2020 te beschouwen zijn als een onderneming in moeilijkheden. Zo helpt de overheid enkel die ondernemingen die louter omwille van de Covid-19 pandemie verliezen zijn gaan leiden. Niet ondernemingen die voordien al in (financieel) moeilijk vaarwater terecht gekomen waren.
  • Beleggingsvennootschappen, instellingen voor belegging in schuldvorderingen, gereglementeerde vastgoedvennootschappen en organismen voor de financiering van pensioenen;
  • Co√∂peratieve participatievennootschappen;
  • Zeescheepvaartvennootschappen;
  • Ondernemingen die deelnemingen aanhouden in vennootschappen in belastingparadijzen of aan zulke vennootschappen betalingen uitvoeren.

Besluit

De nieuwe carry back regeling wil de overheid ondernemingen helpen die door Covid-19 onverwachte verliezen lijden. Maar toch verwacht ze dat ondernemingen correct gaan voorspellen hoe groot hun verliezen juist zullen zijn. Het mag dan wel een tegengestelde redenering lijken, het overschatten van uw verliezen kan u duur komen te staan. Of het sop de kool waard is moet individueel bekeken worden. Gezien het sanctioneringsregime is het afwegen van de risico's zeker op z'n plaats.

Wil u gebruik maken van de carry back regeling? Neem dan contact met ons op.


gesplitste aankoop

Gesplitste aankoop in Belgi√ę, Vlaanderen is niet Brussel/Walloni√ę

Vlaanderen heeft, in tegenstelling tot het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een afzonderlijke fiscale administratie (Vlabel). Vlabel bepaalt het hebben en houden op het vlak van registratiebelasting (met inbegrip van schenk- en erfbelasting) in het Vlaams Gewest. Brussel en Walloni√ę hebben geen eigen fiscale belastingadministratie. Zij dienen gehoor te geven aan de federale fiscus.

Dit zorgt ervoor dat eenzelfde casus in het Vlaamse Gewest een andere behandeling kan krijgen dan in het Brussels Gewest of in het Waals Gewest.

In Belgi√ę houden we de zaken graag eenvoudig, toch? ¬†Wat en hoe moeten we nu waar en wanneer doen?

First things first: wat is een gesplitste aankoop?

De gesplitste aankoop is een interessant vermogensplanningsinstrument. Ouders die bijvoorbeeld een tweede verblijf willen kopen en erfbelastingen willen vermijden, doen de koop samen met hun kinderen. De ouders kopen het vruchtgebruik en de kinderen de blote eigendom. Een gesplitste aankoop dus.

Aangezien de ouders beschikken over het vruchtgebruik kunnen zij hun leven lang genieten van het tweede verblijf. Na hun overlijden dooft het vruchtgebruik uit en komt de volle eigendom bij de kinderen terecht. Het onroerend goed komt dus niet langer in de nalatenschap terecht. Bijgevolg dient er geen erfbelasting te worden voldaan.

Schenking vooraf aan de gesplitste aankoop

In het kader van deze successieplanning schenken ouders voorafgaandelijke aan de koop een geldsom. Dit stemt meestal overeen met de waarde van de blote eigendom. Schenkt u voor een Belgische notaris, dan moet die de akte altijd registreren, met schenkbelasting tot gevolg. Het is daarom een ingeburgerde praktijk om de schenkingsakte te laten opstellen door een buitenlandse notaris. Die is niet verplicht de akte te registreren in Belgi√ę. Er is zo geen schenkbelasting te betalen. Maar ook hier verwijzen wij naar een voorgaande blog die u meedeelde dat die route op 1 december dicht gaat.

De voorafgaande schenking lijkt heel eenvoudig, maar zo is het zoals zoveel zaken in Belgi√ę, jammer genoeg niet.

Er bestaat immers een wettelijk vermoeden dat in alle drie de gewesten speelt. Vlabel en de federale fiscus (artikel 2.7.1.0.7 VCF en artikel 9 W.W.Succ./Br.W.Succ.) gaan er namelijk vanuit dat de kinderen bevoordeeld zijn voorafgaand aan de koop. In ogen van de belastingadministraties is op deze wijze het goed door de ouders in volle eigendom aangekocht en zal erfbelasting verschuldigd zijn bij hun overlijden.

Dit wettelijk vermoeden is gelukkig weerlegbaar mits voldaan is aan drie elementen. De kinderen beschikken vrij op hun eigen rekening over de gelden voor de aankoop. De kinderen verrichten de betaling vanaf deze rekening. En tot slot, de waardering van het vruchtgebruik en de blote eigendom is correct gebeurd. In dat geval kunnen de kinderen de fiscus overtuigen dat er geen sprake is van een bevoordeling.

Standpunt Vlabel - Vlaanderen

In een eerdere blog hebben we het standpunt van Vlabel inzake de gesplitste aankoop onder de loep genomen.

Sinds 2013 aanvaardde Vlabel een geregistreerde schenking als tegenbewijs. Vlabel zette dit uiteen in een officieel standpunt.¬†De Raad van State heeft het standpunt van Vlabel echter vernietigd. Op 12 juni 2018 oordeelde de Raad van State in haar arrest nr. 241.761 dat ‚Äúaangezien noch de wettekst, noch de parlementaire voorbereiding, de registratie van de schenking in Belgi√ę oplegt en aangezien een fictiebepaling strikt moet worden uitgelegd, uit artikel 2.7.1.0.7 VCF niet kan worden afgeleid dat de schenking voorafgaand aan de gesplitste inschrijving maar als tegenbewijs kan worden aanvaard indien deze in Belgi√ę is geregistreerd‚ÄĚ.

Dit houdt in dat de bevoordeling van de kinderen ook op andere manieren kan weerlegd worden dan door een bewijs van registratie van de schenking.

Het offici√ęle standpunt werd vernietigd met als gevolg dat artikel 2.7.1.0.7 VCF wederom restrictief te lezen is. Het gevolg is dat schenking kan gebeuren middels een eenvoudige hand- of bankgift. Uiteraard is het bewijs van de datum bij dergelijke schenking een essentieel aandachtspunt.

Standpunt federale fiscus - Walloni√ę en Brussel

Ook de federale fiscus heeft naar aanleiding van het arrest van de Raad van State een nieuw standpunt ingenomen in september 2019 en haar visie verfijnd op 26 juni 2020. De fiscus verduidelijkt hoe die schenking vanaf 1 augustus het best gebeurt om erfbelasting te vermijden.

De federale belastingadministratie loopt hiermee in de pas en vereist evenmin een voorafgaande verplichte geregistreerde schenking. Wel dient de schenking duidelijk voor de aankoop te gebeuren.

Het was tot nu onduidelijk of de schenking moest gebeuren voor het ondertekenen van de onderhandse verkoopakte, de zogenaamde compromis, of voor de ondertekening van de authentieke akte. De federale fiscus hakt de knoop door.

Het volstaat voortaan om het vermoeden te weerleggen en successierechten op het aangekochte goed te vermijden, door aan te tonen dat de kinderen definitief eigenaar zijn van de geldmiddelen en dat zij effectief daarmee hun deel in de prijs hebben betaald.

Het standpunt van de federale fiscus stelt uitdrukkelijk dat het weinig verschil maakt of de schenking al dan niet gebeurd via notari√ęle akte.

De fiscus verduidelijkt ook dat indien er een betaling van een bedrag (voorschot, waarborg of andere) is voorzien in de compromis, het totale bedrag verschuldigd door de blote eigenaar dient geschonken te zijn voor de ondertekening van de compromis.

Voorgaande heeft tot gevolg dat de schenking een duidelijke datum dient te dragen. Indien de schenking voorafgaand aan de compromis van de gesplitste aankoop gebeurt met een handgift zal bijvoorbeeld een aangetekende aanvaardingsbrief, zogenaamd pact adjoint, de vaste datum kunnen bevestigen. Een pact adjoint kan ook soelaas bieden bij een bankgift, al kan men de datum hier ook bewijzen via de rekeninguittreksels. Hopelijk worden deze documenten zorgvuldig bewaard …

Conclusie

Door het nieuwe standpunt van de federale fiscus is er dus een andere behandeling over de gewestgrenzen heen.

Gemene deler in de gewesten is dat de schenking voorafgaand aan de gesplitste aankoop kan gebeuren via een hand- of bankgift. Er is geen registratieverplichting. Het bewijs van de vaste datum vraagt in voorkomend geval in alle drie de gewesten extra aandacht.

In het Vlaamse Gewest kan de voorafgaande schenking van de gelden die moeten dienen voor de aankoop van de blote eigendom gebeuren na de compromis maar voor de authentieke akte. In het Waalse en Brusselse Gewest daarentegen dient de voorafgaande schenking voor de compromis te gebeuren, alleszins wanneer hierin een betaling van een bedrag is opgenomen. Bovendien moet het totale bedrag verschuldigd door de blote eigenaar geschonken zijn voor de ondertekening van de compromis.

Het lijkt alvast raadzaam om ook in het Vlaams Gewest rekening te houden met het federale standpunt en de richtlijn inzake gesplitste aankoop te volgen.

Geraakt u er niet meer aan uit? aternio helpt u graag.