Uw vennootschap en huwelijk: let op bij het oppotten van beroepsinkomsten!

We keren even terug naar 1 september 2018. Een belangrijke peildatum, want sindsdien is het nieuw huwelijksvermogensrecht in werking getreden. Dit heeft ook belangrijke financi√ęle implicaties voor de gelden in uw vennootschap. Heeft u een eigen beroepsvennootschap en bent u gehuwd onder een gemeenschapsstelsel? Lees dan zeker verder‚Ķ¬†

Gemeenschapsstelsel 

Indien u getrouwd bent zonder een huwelijkscontract valt u onder het wettelijk stelsel, zijnde het meest voorkomende gemeenschapsstelsel. 

Concreet is er dan sprake zijn van 3 vermogens: uw eigen vermogen, dat van uw echtgenoot en een gemeenschappelijk vermogen. Al hetgeen u reeds had vóór uw huwelijk, of verkrijgt via erfenis of schenking blijft in uw eigen vermogen. Al hetgeen u tijdens uw huwelijk verwerft, behoort tot het gemeenschappelijk vermogen. Ook inkomsten die worden verkregen uit eigen vermogen behoren steeds tot de gemeenschap. 

Aandelen verkregen met gemeenschappelijke gelden: ‚Äėtitre et finance‚Äô¬†

Indien de verkrijging van aandelen in een vennootschap met geld uit de gemeenschap zijn betaald en ingeschreven op naam van √©√©n echtgenoot, zullen de lidmaatschapsrechten (‚Äėtitre‚Äô) van deze aandelen toebehoren aan het eigen vermogen van die ene echtgenoot (art. 2.3.19, ¬ß1, 5¬į BW). Het moet daarbij gaan hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, zoals een besloten vennootschap (BV), hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder uitoefent.¬†¬†

De vermogenswaarde (‚Äėfinance‚Äô) van diezelfde aandelen behoren daarentegen toe aan het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten.¬†

Aandelen verkregen met eigen gelden 

Indien u echter aandelen bezat vóór uw huwelijk, of aandelen tijdens uw huwelijk heeft verworven via schenking van uw ouders of erfenis, dan behoren deze aandelen tot uw eigen vermogen.  

In praktijk gebeurt het vaak dat deze echtgenoot zich weinig loon of dividend uitkeert en de beroepsinkomsten gaat oppotten in de eigen beroepsvennootschap. Op zich hoeft dit - tijdens het huwelijk - geen probleem te zijn.  

Nieuwe vergoedingsregel  

Echter, bij de ontbinding van het huwelijk (echtscheiding) onder een gemeenschapsstelsel zullen de 3 vermogens met elkaar moeten afrekenen wanneer het ene vermogen zich heeft verrijkt ten koste van een ander vermogen, dat zich heeft verarmd. In het scenario waarbij men een beroep uitoefent middels een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn, kan een financieel twistpunt ontstaan. 

Het nieuwe artikel 2.3.44, §1 en 2 BW wil deze ongelijkheid herstellen met een vergoedingsregel. 

Bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend: het rijker geworden vermogen (zijnde het eigen vermogen van de ene echtgenoot) zal aan het verarmde vermogen (zijnde het gemeenschappelijk vermogen) een vergoeding verschuldigd zijn, op deze manier wordt het evenwicht tussen de echtgenoten weer hersteld. 

Let op met oppotten 

Zo zal ook het oppotten van alle inkomsten in de eigen beroepsvennootschap ‚Äď in plaats van deze te gebruiken voor het gezin ‚Äď op basis van de nieuwe vergoedingsregel, kunnen leiden tot een recht op een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen bij echtscheiding. De vergoeding zal enkel betrekking hebben op het te veel opgepotte vermogen uit de professionele vennootschap.¬†

De wet bepaalt in het bijzonder dat een vergoeding is verschuldigd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen, als het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend. 

Deze vergoedingsregeling vormt de wettelijke bekrachtiging van vaststaande rechtspraak.  

Door deze wettelijk regeling wil men vermijden dat de gemeenschap, i.e. het gezin, wordt benadeeld omdat u uw beroepsactiviteit uitoefent via een vennootschap die tot uw eigen vermogen behoort. Indien u immers geen vennootschap had, maar een eenmanszaak, dan zouden de beroepsinkomsten immers ook gemeenschappelijk zijn geweest. 

Werking in de tijd 

De nieuwe vergoedingsregel geldt voor echtgenoten die gehuwd zijn n√° de peildatum van 1 september 2018. Voor zij die reeds gehuwd waren op 1 september 2018 kan de huwgemeenschap zich slechts beroepen op de vergoedingsregeling voor de ‚Äėmislopen‚Äô inkomsten vanaf 1 september 2018.¬†


Domeinnaam: wat als de wegen scheiden?

Een nieuw jaar, boordevol goede voornemens en nieuwe uitdagingen. Misschien overweegt u wel om dit jaar, samen met uw beste vriend(in), een nieuwe onderneming uit de grond te stampen. Dat is altijd al een droom geweest en daar wil u nu eindelijk eens werk van maken. Tijdens een gezellige informele brainstormmeeting bedenken jullie een naam voor de nieuwe uitdaging. Dergelijke grote stap, verdient een professionele aanpak. U bent er dan ook vast van overtuigt om de nieuwe naam, met bijhorende domeinnaam, te laten registreren. Zoals het echte goede vrienden betaamt, vertrouwt u elkaar blindelings. Onder het motto "vele kleintjes maken een groot", beslist u de taken onder elkaar te verdelen.

Keuze van de rechtsvorm van uw onderneming

We vatten kort even samen welke afwegingen u dient te maken en aan welke punten u dient te denken.

Vooreerst moet u de afweging maken hoe u de samenwerking wenst te structureren. Wilt u met een volwaardige vennootschap werken of wenst u de toekomst nog even af te tasten en gaat u daarom voor een iets lichtere vorm?

Samenwerken onder de vorm van een eenmanszaak is, zoals de naam het al laat vermoeden, niet mogelijk. Twee eenmanszaken kunnen uiteraard wel samenwerken. Maar dan dient u een stapje verder te gaan, om alles te structureren.
Dat stapje verder kan dan het oprichten van een maatschap, of een van diens subvormen zijn. De historische maatschap pur sang, heeft op zichzelf geen rechtspersoonlijkheid en bevindt zich meer in de sfeer van de vermogensplanning.

De door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) voorziene subvormen zijn de commanditaire vennootschap (CommV) en de vennootschap onder firma (VOF). Deze subvormen worden gekenmerkt door een onvolkomen rechtspersoonlijkheid: het is een echte rechtspersoon, maar met een hoofdelijke aansprakelijkheid voor (minstens één van) de vennoten. De oprichting van een CommV of een VOF kan gebeuren zonder tussenkomst van een notaris. Uiteraard dient u statuten uit te werken en dient er een publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad te gebeuren, alsook een registratie in de kruispuntbank van ondernemingen (KBO) en het UBO-register. Registratie van een merknaam en/of domeinnaam is uiteraard mogelijk.

Indien u echt full-option wil gaan, dan kan u een volwaardige vennootschap oprichten. De bekendste vormen zijn dan de besloten vennootschap (BV) en de naamloze vennootschap (NV). Voor de oprichting daarvan dient u wel even langs de notaris te passeren. Maar vergeet ook uw accountant niet te contacteren. Er zal namelijk een financieel plan moeten worden voorgelegd. De aansprakelijkheden die hiermee gepaard gaan, zijn bovendien niet min. Na de oprichting zal er ook een publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad gebeuren, alsook een registratie in de KBO en het UBO-register. Vergeet ook hier de registratie van de merknaam en/of domeinnaam niet te doen, dat gebeurt namelijk niet vanzelf.

Goede vrienden maken goede afspraken (en vice versa)

Ongeacht de keuze van de rechtsvorm, die u op basis van het voorgaande hebt gemaakt, moet u afspraken op papier zetten. Hetzij in de statuten van uw vennootschap, hetzij in een aparte aandeelhoudersovereenkomst, het maakt niet uit maar ze moeten er zijn. Het zal dan in eerste instantie gaan over de klassiekers:

  • hoe en met welke meerderheden gaan we beslissingen nemen?
  • wie heeft welke bevoegdheden om op te treden?
  • ¬†hoe gaan we conflicten regelen?
  • ¬†...

Maar denk ook even aan de praktische zaken. Wat als de wegen scheiden? Wie krijgt er dan de voorkeur om de activiteiten verder te zetten? Wat met de benaming? Wat met de domeinnaam? Heeft de taakverdeling bij de oprichting daar iets mee te maken? Misschien zijn dit zaken waar u in eerste instantie niet aan wil denken. Het is belangrijk om vooraf afspraken te maken, zodat het voor alle partijen duidelijk is. Laat dat nu net hetgeen zijn waar het hof van beroep te Antwerpen uitspraak over heeft gedaan, in een arrest van 2 juni 2021.

Antwerpen 2 juni 2021 - de feiten

Twee heren hadden samen een vennootschap opgericht. Eén van beide heeft de registratie van de domeinnaam voor zijn rekening genomen, inclusief de aanhorigheden zoals mailadressen, website en social media. Aangezien de registratie had plaatsgevonden voor de effectieve oprichting, staat de registratie op diens persoonlijke naam. Taakverdeling, heerlijk toch.

Echter, na enige tijd blijkt de samenwerking toch niet zo vlotjes te lopen en wensen de heren de samenwerking stop te zetten. Maar ook dat verliep niet zonder slag of stoot, waardoor de zaak voor de rechtbank kwam.

De rechtbank oordeelde dat één van de heren, diegene die effectief de activiteit wou verderzetten, de aandelen van de andere diende over te nemen. De (handels-)benaming van de vennootschap wordt daardoor mee overgenomen. Het was pas daarna dat het conflict over de domeinnaam naar boven kwam, want deze stond geregistreerd op de persoonlijke naam van degene die zijn aandelen had moeten overdragen. Deze laatste had dan wel zijn aandelen moeten overdragen, maar over de domeinnaam is niet gesproken en dus kon en mocht hij die blijven gebruiken. De overdracht van de domeinnaam wordt dan ook in rechte gevorderd.

Domeinnaam is geen intellectuele eigendom

Een domeinnaam is geen intellectueel eigendomsrecht. Het principe is dat de domeinnaam toekomt aan degene die hem eerst heeft geregistreerd. First come, first served. Het lijkt over and out te zijn voor de overnemende aandeelhouder, ware het niet dat hij zich wenst te beroepen op het Wetboek van Economisch Recht (WER) en de regeling van malafide registratie van domeinnamen die daarin staat opgenomen (artikel XII.22).

Deze regeling heeft als doen om op te kunnen treden tegen een bewust misbruik van een domeinnaam: obscure figuren die bewust bepaalde registraties van domeinnaam doen, om verwarring te zaaien of om die domeinnaam daarna tegen woekerprijzen te verkopen. Indien dergelijk misbruik kan aangetoond worden, dan kan de doorhaling of overdracht van de registratie bevolen worden door de rechtbank.

Maar, in de voorliggende casus kan voornoemd misbruik geen toepassing vinden. Het WER staat de procedure inzake malafide registraties namelijk enkel toe indien het gaat over het moment van registratie van de domeinnaam. In dit geval was er op het moment van de registratie nog geen vuiltje aan de lucht. Artikel XII.22 kan geen toepassing vinden bij het instandhouden/hernieuwen van een domeinnaam.

Dit neemt echt niet weg dat het blijven gebruiken van de domeinnaam door de overdragende partner, geen aanleiding kan geven tot enige schade (contractueel of buitencontractueel), waardoor een rechter wel de overdracht van de domeinnaam zou kunnen bevelen. Dit is in concreto wat het hof van beroep te Antwerpen gedaan heeft: het oordeel was dat de registratiehouder effectief eigenaar is van de domeinnaam, maar dat dit niet wegneemt dat het gebruik van de domeinnaam een inbreuk uitmaakt op het verbod op daden die strijden met de eerlijke marktpraktijken.

Conclusie op basis van het arrest

De beroepsbelangen van de overnemende partij worden geschaad, doordat de houder van de domeinnaam de naam nog blijft gebruiken en alzo verwarring sticht. In concreto heeft het hof van beroep een tijdsgebonden staking van het gebruik van de domeinnaam bevolen.

Conclusie

Moraal van het verhaal is om niet te overhaast in een nieuw avontuur te duiken. Soms moet je uiteraard durven springen, maar het is toch aangewezen om voorafgaand alle pro's en contra's te overwegen en u hierin te laten adviseren en bijstaan. Duidelijke schriftelijke afspraken, ook over de kleinere zaken zoals een domeinnaam, dienen  hoog in het vaandel te worden gedragen

aternio legal denkt graag verder en is dus graag uw sparringpartner wanneer u nieuwe wegen wenst te bewandelen.


Vruchtgebruik en ouderlijk vruchtgenot voor u gespiegeld

Vruchtgebruik en ouderlijk vruchtgenot hebben heel wat overeenkomsten en toch zijn ze niet gelijk. Beiden verschillen immers op een aantal vlakken. Het is te kort door de bocht om te stellen dat het ouderlijk vruchtgenot het vruchtgebruik van de ouders is. In deze bijdrage zetten we de belangrijkste gelijkenissen en verschillen tussen het gemeenrechtelijk vruchtgebruik en het ouderlijk vruchtgenot in de verf.

Definitie

Het Burgerlijk Wetboek definieert het gemeenrechtelijk vruchtgebruik als een tijdelijk recht op het gebruik en het genot van een goed van de blote eigenaar, zoals een voorzichtig en redelijk persoon. De uitoefening van het recht moet in overeenstemming zijn met de bestemming van dat goed en onder de verplichting om het goed bij het einde van zijn recht terug te geven (art. 3:138, lid 1 BW).

De ouders hebben het gebruik en het genot van alle goederen van hun minderjarige kinderen en dit tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding (art. 384 oud BW). Naar analogie met het wettelijk vruchtgebruik is het kind eigenaar van de blote eigendom. Het ouderlijk vruchtgenot komt specifiek met het ouderlijk gezag en vangt dus ten vroegste aan bij de geboorte. Dit vruchtgenot¬†verschaft de ouders het recht om te genieten van de vruchten en inkomsten van de goederen van een minderjarige kind. Het ouderlijk vruchtgenot geldt niet¬†op goederen die een minderjarig kind door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerft noch op geschonken of ge√ęrfde goederen¬†onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zullen hebben.

Gelijkenissen

Vruchten

Het verkrijgen van de vruchten is bij zowel het gemeenrechtelijk vruchtgebruik als het ouderlijk vruchtgenot identiek. Met name hebben zij recht op alle vruchten die tijdens het gebruik of het genot afgescheiden of opeisbaar worden; dat is ook het geval voor de vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren op het ogenblik van het ontstaan van het vruchtgebruik of het vruchtgenot. Vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren bij het einde van het vruchtgebruik of het vruchtgenot, komen toe aan de blote eigenaar.

Lasten

Op vlak van lasten dragen de ouders, net als de klassieke vruchtgebruiker, de lasten waartoe vruchtgebruikers gehouden zijn. Dit betekent o.a. de verplichting om: (a) een beschrijving van de bezwaarde goederen op te maken; (b) de goederen in volle eigendom te verzekeren voor de gebruikelijke risico's en hiervoor de premies te betalen; (c) alle periodieke lasten te dragen die verband houden met het gebruik en genot van de bezwaarde goederen; (d) onderhoudsherstellingen te verrichten die, op korte of lange termijn, nodig zijn om de waarde van de goederen te vrijwaren, onder voorbehoud van normale slijtage, ouderdom of overmacht en (e) bij te dragen in de schulden van de boedel in verhouding tot de waarde van het gebruik of genot.

Einde

Misbruik en afstand van recht zijn gronden van be√ęindiging die het ouderlijk vruchtgenot deelt met het gemeenrechtelijk vruchtgebruik.

Verschillen

Lasten

De wetgever heeft bijzondere lasten opgelegd in het kader van het ouderlijk vruchtgenot die veel verder gaan dan de lasten van de vruchtgebruiker. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het specifieke karakter van het ouderlijk vruchtgenot als onderdeel van het ouderlijk gezag.

Zo zijn de ouders verplicht tot (a) het instaan voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen; (b) de betaling van de rentetermijnen of interesten van de kapitalen, inbegrepen de vervallen nog niet vereffende interesten bij het openvallen van het vruchtgenot en (c) de begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte.

Bovendien moeten de ouders, in tegenstelling tot de vruchtgebruiker, ook de grove herstellingen uitvoeren tijdens de duur van het vruchtgenot. Op het einde van het vruchtgenot kunnen de ouders een vergoeding eisen ten belope van maximaal de meerwaarde die het goed als gevolg van de grove herstellingen heeft gekregen.

Beschikking

Het ouderlijk vruchtgenot is niet vatbaar voor vervreemding,  beslag, hypotheek- of pandvestiging. Goederen van minderjarige kinderen zijn dus beschermd tegen schuldeisers van de ouders. Beslag op de inkomsten van het vruchtgenot door schuldeisers van de ouders is slechts mogelijk voor zover deze inkomsten niet hoeven gebruikt te worden voor de verplichte lasten.

Bemerk dat een vruchtgebruiker wel het vruchtgebruik kan vervreemden, een hypotheek kan laten vestigen of beslag kan laten leggen.

Einde

Kenmerkend voor het ouderlijk vruchtgenot is de be√ęindiging ervan bij de meerderjarigheid, ontvoogding of adoptie van het kind. Specifieke gronden van be√ęindiging van het recht op vruchtgenot zijn onwaardigheid, de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen vastgesteld door de rechtbank, pleegvoogdij en de ontzetting uit het ouderlijk gezag. Weet ook dat er geen sprake is van ouderlijk vruchtgenot voor die ouder die niet belast is met het goederenbeheer.

Conclusie

Hoewel op het ouderlijk vruchtgenot bepaalde beginselen van het gemeenrechtelijk vruchtgebruik van toepassing zijn, kent het een autonome regeling. Het ouderlijk vruchtgenot is een recht met een aantal bijzondere uitsluitingen, verplichtingen en lasten.

Zie ook: A. VAN SINAY, 'Het ouderlijk vruchtgenot - een kritische analyse', Brussel, Intersentia, Cahiers 2022, 110 p.


huurindexatie

Gedeeltelijk verbod op huurindexatie voor niet-energiezuinige woningen

Het Vlaams nooddecreet van 3 oktober 2022 beperkt de indexatie van de huurprijzen om de gevolgen van de energiecrisis te verlichten. Het verbod tot huurindexatie beperkt zich tot die woningen die als niet kwaliteitsvol en niet-energiezuinig kwalificeren. Er is met andere woorden geen sprake van een algemene bevriezing van de huurindexatie.

Drijfveer

De stijgende prijzen (als gevolg van de hoge inflatie) zorgen ervoor dat ge√Įndexeerde huurprijzen gevoelig hoger liggen dan de huurprijzen van het jaar voordien. De huurders ervaren bovendien ook de druk van de hoge energieprijzen. Omdat algemeen blijkt dat¬†huurders gemiddeld minder vermogend zijn¬†dan eigenaar-bewoners zijn zij extra getroffen door de oplopende prijzen en duurdere woonkosten. Uit onderzoek blijkt¬†dat huurders meer gehuisvest zijn in kwalitatief minder goede en minder energiezuinige¬†woningen, waardoor de energiekosten nog hoger oplopen. Het nooddecreet zorgt daarom voor een gedifferentieerd stelsel van tijdelijke bevriezing van de indexering van de huurprijzen.

Welke woningen?

Het decreet is uitsluitend van toepassing op huurovereenkomsten voor hoofdverblijven. Andere huurovereenkomsten, denk hierbij aan studentenhuur, zijn niet geviseerd. Daarenboven is het verbod op huurindexatie beperkt tot huurovereenkomsten die in werking zijn getreden voor 1 oktober 2022. Bij huurovereenkomsten die inwerking zijn getreden vanaf 1 oktober 2022 kan de verhuurder wel degelijk indexeren op de eerste verjaardag.

Belangrijk is dat de mogelijkheid tot indexatie is gekoppeld aan het gerealiseerde energiepeil van de huurwoning. Het label van het energieprestatiecertificaat (EPC) is hierin bepalend.

EPC en indexering

Voor huurwoningen die een energielabel A+, A, B of C hebben blijft de mogelijkheid tot indexering behouden. Huurwoningen met label E of F en woningen waarvan het energiepeil niet bekend is, zijn sinds 1 oktober 2022 gedurende één jaar uitgesloten van de mogelijkheid tot indexatie. Voor huurwoningen met energielabel D is de indexeringsmogelijkheid gedurende één jaar beperkt tot 50%.

Om te vermijden dat de huurprijsindexatie na verloop van één jaar opnieuw ten volle speelt, zal voor de huurwoningen zonder EPC en voor woningen die over het label D, E of F beschikken, vanaf 1 oktober 2023 rekening worden gehouden met een correctiefactor. De berekening en de passende correctiefactor zijn terug te vinden in het decreet.

Bestraffing

De gedeeltelijke bevriezing van de huurindexatie enerzijds en de toepassing van een correctiefactor vanaf 1 oktober 2023 anderzijds zijn niet meer of niet minder dan een bestraffing van verhuurders van niet-energiezuinige woningen.

Hoewel het hebben van een EPC sinds 2009 verplicht is zijn er wettelijke uitzonderingen voor huurovereenkomsten van voor 2009 en voor overeenkomsten waarvoor geen publiciteit is gevoerd. Het nooddecreet biedt echter geen uitweg voor verhuurders die zich in deze uitzonderingsgevallen bevinden. Als deze verhuurders willen indexeren zit er niets anders op dan alsnog een EPC aan te vragen en te hopen dat het label goed is.

Na het verkrijgen van een gunstig label kan de verhuurder in de periode tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023 alsnog overgaan tot indexatie conform de regels vastgelegd in het decreet. Met dien verstande dat de verhuurder geen drie maanden (zoals in principe is bepaald in het woninghuurrecht) kan teruggaan in de tijd, de huurwoning beschikte op dat moment immers nog niet over een gunstig EPC-label.

Conclusie

Het decreet heeft een dubbel doel:  de betaalbaarheid van huurwoningen te verzekeren en eigenaars aan te moedigen om de energetische prestaties van de huurwoningen  te verbeteren. Met het 'éénmalige en uitzonderlijke' (gedeeltelijk) verbod op indexatie voor huurwoningen zonder EPC-label of woningen met een ander label dan A+, A, B of C, koppelt de decreetgever onverbloemd de woningkwaliteit aan de indexering van de huurprijs.

Als het EPC-label verbetert of als een goed EPC-label wordt verkregen, kan de verhuurder in de periode tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023 alsnog overgaan tot huurindexatie conform de regels vastgesteld in het decreet. Voor de huurwoningen zonder EPC en voor woningen die over het label D, E of F beschikken, zal vanaf 1 oktober 2023 rekening worden gehouden met een correctiefactor voor het bepalen van de huurindexering.


Niet getrouwd met de boze wolf: het toekenningsbeding

Trouwen onder het stelsel van scheiding van goederen klinkt helaas nog al te vaak als kil en afstandelijk. Toch hoeft dit niet zo te zijn. Het is een stelsel met heel wat mogelijkheden waarbij tal van huwelijksvoordelen kunnen worden toegekend. Door het inlassen van uitdrukkelijke bedingen in de huwelijksovereenkomst kunnen namelijk voordelen worden bekomen. In deze bijdrage belichten we het in de praktijk minder toegepaste toekenningsbeding voor goederen die exclusief aan één echtgenoot toebehoren. Laat ons mee de mythe helpen ontkrachten dat een scheiding van goederen gelijk staat aan trouwen met een hebzuchtige boze wolf.

Huwelijksvoordelen: wat zijn dat?

Het zijn voordelen, expliciet opgenomen in de huwelijksovereenkomst, die verkregen worden uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksstelsel en die een duidelijk onderdeel zijn van het gekozen stelsel. Dergelijke voordelen zijn nooit een civiele schenking, toch kan er mogelijk sprake zijn van inkorting. Er zijn immers plafonds aan huwelijksvoordelen in het geval er gemeenschappelijke of niet-gemeenschappelijke kinderen zijn (art. 2.3.5.7 en 2.3.5.8. BW).

Bij plafondoverschrijding behandelt de wetgever de huwelijksvoordelen, minstens erfrechtelijk, alsof het om een schenking gaat. Alle huwelijksvoordelen tot aan deze plafonds zijn volkomen én blijven onaantastbaar voor de kinderen. Ondanks een eventueel overstijging zijn en blijven de voordelen hoe dan ook huwelijksvoordelen.

Ingeval er gemeenschappelijke kinderen zijn, kan er inkorting zijn voor het aandeel boven de helft in waarde van de tegenwoordige (voorhuwelijkse) goederen of toekomstige goederen verkregen voor of tijdens het huwelijk door erfenis, schenking of testament. De andere helft en de aanwinsten zijn reservebestendige huwelijksvoordelen.

In aanwezigheid van niet-gemeenschappelijke kinderen zijn de huwelijksvoordelen reservebestendig zolang ze niet meer dan de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde aanwinsten toekennen aan de andere echtgenoot. Het surplus is bijgevolg vatbaar voor inkorting.

Voorbeelden van conventionele huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen zijn:

  • het beding van inbreng waarbij √©√©n of beide echtgenoten goederen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) brengen;
  • het verblijvingsbeding, niet zelden aangevuld met een keuzebeding, dat bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel goederen toekent die in onverdeeldheid aan beide echtgenoten toebehoren; of
  • het toekenningsbeding, eventueel ook met opties, ¬†dat bij vereffening en verdeling goederen toekent die exclusief toebehoren aan de echtgenoot-eigenaar.

Toekenningsbeding

Echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen kunnen m.a.w. voordelen bedingen inzake goederen die exclusief toebehoren aan één van hen. Het voordeel van het toekenningsbeding is dat deze goederen tijdens het huwelijk in het bezit blijven van de echtgenoot-eigenaar. In tegenstelling tot het TIGV behoren de betrokken goederen niet in onverdeeldheid toe aan de echtgenoten. Pas bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel zullen ze finaal bij de andere echtgenoot terechtkomen. Het is perfect mogelijk om het toekenningsbeding optioneel te maken. Denk bijvoorbeeld aan de keuze van de langstlevende echtgenoot in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, voor de geheelheid of voor bepaalde percentages van alle of van bepaalde goederen, waarbij de keuze voor ieder goed verschillend kan zijn.

Net omdat de echtgenoot-eigenaar over de volle beschikkingsbevoegdheid blijft beschikken, zijn er een aantal knipperlichten.

Het is namelijk perfect mogelijk dat de eigenaar de goederen tijdens het huwelijk spontaan (of gedwongen) verkoopt of wegschenkt. Om die reden is het nuttig om te voorzien in een clausule van zaakvervanging of een bepaling waardoor de andere echtgenoot aanspraak kan maken op de waarde van de goederen. Het kan ook aangewezen zijn om in een verrekenregeling te voorzien ingeval de andere echtgenoot financi√ęle of andere bijdragen heeft geleverd. Idem dito voor wat betreft een passiefregeling met betrekking tot de openstaande schulden die verband houden met de toegekende goederen.

Door het opnemen van dergelijke clausules onderbouwen de echtgenoten zonder enige twijfel de kwalificatie van het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel. De bijkomende regelingen inzake het beding zorgen voor de duidelijke integratie en coherentie in het huwelijksvermogensstelsel.

Hoe zit het fiscaal?

De Vlaamse Belastingadministratie (Vlabel) erkent alvast het bestaan van een toekennings- of toebedelingsbeding. De voorafgaande beslissing 21018 van 15 maart 2021 laat hierover niet de minste twijfel. De burgerrechtelijke kwalificatie van een dergelijk beding wordt ook fiscaal als een niet-schenking aanvaard, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

Op het verkregen huwelijksvoordeel wordt niet alleen geen schenkbelasting geheven maar ook geen erfbelasting. Het voordeel is namelijk geen erfrechtelijke verkrijging vermits de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel steeds de vereffening-verdeling van de nalatenschap voorafgaat.

Een toekenningsbeding is echter een overeenkomst onder bezwarende titel van een onverdeeld deel en kan aldus worden belast. Het gevolg hiervan is dat Vlabel op de overdracht van onverdeelde onroerende goederen registratiebelasting, i.e. het verkooprecht, zal heffen. Indien de verrichting daarentegen betrekking heeft op roerende goederen, is hierop geen Vlaamse registratiebelasting verschuldigd.

Het blijft wel opletten voor de kwelduivel van fiscaal misbruik. Vlabel kan elke overeenkomst, gesloten vanaf 1 juni 2012, immers aftoetsen aan de antimisbruikbepalingen. Er is geen fiscaal misbruik indien er voldoende niet-fiscale motieven ten grondslag liggen aan het beding. Vlabel bekijkt dit met (te) strenge blik. De belastingpraktijk wijst op fiscaal misbruik bij bedingen in de huwelijksovereenkomst waarbij de onroerende goederen niet zijn betrokken. Wie geen fiscaal risico wil lopen onderwerpt alle goederen best aan eenzelfde regeling.

The way to go is alleszins om de niet-fiscale motieven voor het gekozen huwelijksstelsel en het toekenningsbeding, of enige ander beding, op te nemen in de huwelijksovereenkomst. De keuze voor het stelsel van scheiding van goederen is meestal ingegeven vanuit de bescherming die het stelsel biedt inzake mogelijk verhaal van schuldeisers en de gewaarborgde autonomie inzake het bestuur en beheer van de eigen goederen. Voor het toekenningsbeding lijkt het hoofdmotief allicht de bezorgdheid om de langstlevende echtgenoot te beschermen bij overlijden.

Conclusie

Het opnemen van een toekenningsbeding in een huwelijksovereenkomst kan nuttig zijn. Het biedt de mogelijkheid, om vanuit de bezorgdheid voor het welzijn van de langstlevende echtgenoot, bij vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel eigen goederen toe te kennen op een civielrechtelijke en fiscaal interessante manier. Tot het overlijden of bij echtscheiding blijven deze goederen alleszins onder het autonoom bestuur en beheer van de echtgenoot-eigenaar.  De redactie van een toekenningsbeding, meer algemeen ook deze van andere bedingen, vereist de nodige zorg teneinde de kwalificatie als huwelijksvoordeel veilig te stellen.

aternio adviseert u graag bij uw planning.


Nieuw verbintenissenrecht: wilsgebreken

Het goedgekeurde wetsvoorstel houdende hervorming van het verbintenissenrecht bevestigt de bestaande wilsgebreken in artikel 5.33 e.v. Burgerlijk Wetboek. Daarnaast doet ook een 'nieuw' wilsgebrek zijn intrede, m.n. "misbruik van omstandigheden". In navolging van onze eerdere blogartikels zetten wij nu ook even de algemene wilsgebreken voor u op een rijtje.

Algemeen

Een wilsgebrek is erop gericht om de toestemming van een contractspartij te beschermen. Een contractspartij kan slechts op geldige wijze akkoord gaan voor zover zij haar wil vrij en bewust kan uiten.

Uitgangspunt is dat een wilsgebrek betrekking moet hebben op een element dat doorslaggevend is voor de contractsluiting. Zo de overeenkomst op doorslaggevende wijze is aangetast door een wilsgebrek speelt de sanctie van relatieve nietigheid. Het is dus enkel de beschermde partij (van wie de vrije en bewuste wil verstoord is) die de nietigheid van de overeenkomst kan inroepen. Let wel, dit is geen verplichting. De beschermde partij kan er perfect voor opteren om de nietigheid niet in te roepen en de overeenkomst aldus te bevestigen.

Zo het wilsgebrek geen betrekking heeft op een doorslaggevend element, speelt de nietigheidssanctie niet. In dat geval kan er echter wel sprake zijn van precontractuele aansprakelijkheid of van een contractsaanpassing (zie infra). Bovendien wordt ook bevestigd dat een vernietigend wilsgebrek evenzeer een buitencontractuele fout kan uitmaken. De combinatie van de contractuele vordering tot vernieitiging van een overeenkomst met buitencontractuele vordering tot schadevergoeding is mogelijk. Tenslotte kan voortaan - weliswaar onder strikte voorwaarden - ook bedrog of misbruik van omstandigheden door een derde een wilsgebrek uitmaken.

Dwaling

Artikel 5.34 e.v. Burgerlijk Wetboek bevat de bevestiging van de reeds eerder via rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde voorwaarden. Niet elke dwaling kwalificeert namelijk als een wilsgebrek. Daarvoor moet er gedwaald zijn over een element doorslaggevend voor de contractsluiting (supra). Het doorslaggevend karakter moet kenbaar zijn voor de medecontractant en de dwaling moet verschoonbaar zijn.

Verschoonbaarheid vereist dat een voorzichtiging en redelijk persoon in gelijkaardige omstandigheden ook zou hebben gedwaald. De beoordeling hiervan rust op een afweging tussen de informatieplicht van de ene partij en de onderzoeksplicht van de andere partij. Zo zal het verstrekken van foute informatie aan een leek, deze leek doorgaans ontslaan van zijn onderzoeksplicht.

Niet alleen dwaling over een contractueel element maar ook rechtsdwaling en dwaling over de persoon zijn mogelijk. Dwaling over de waarde of de prijs van een voorwerp is echter uitgesloten als wilsgebrek.

Bedrog

Een meer specifieke vorm van dwaling is het wilsgebrek bedrog. Voorwaarde voor bedrog is nog steeds het opzettelijk gebruik van kunstgrepen door de medecontractant. Het bedrog moet evenzeer doorslaggevend zijn geweest voor de contractssluiting. Enkel zogenaamd hoofdbedrog leidt tot nietigheid. Indien het bedrog tot gevolg heeft dat men tegen andere voorwaarden had gecontracteerd, dan is er sprake van een louter incidenteel bedrog. Incidenteel bedrog leidt niet tot nietigheid maar kan wel aanleiding geven tot schadevergoeding.

Ook Cassatierechtspraak inzake de aard van de kunstgreep werd bevestigd. Zowel het opzettelijk verstrekken van verkeerde informatie als het opzettelijk achterhouden of onvolledig verstrekken van informatie kan bedrog uitmaken mits de medecontractant tot het verstrekken van informatie  gehouden is én hij de informatie kent.

Tenslotte bevestigt artikel 5.35 Burgerlijk Wetboek dat het bedrog als specifieke dwaling niet aan de verschoonbaarheidsvereiste is onderworpen. 'Fraus omnia corrumpit' blijft overeind en kwade trouw wordt niet vermoed.

Geweld

Artikel 5.36 Burgerlijk Wetboek groepeert het wilsgebrek 'geweld' in al haar vormen. Geweld kan bestaan uit een fysieke of morele dwang en kan worden uitgeoefend tegen de contractspartij maar ook tegen haar naasten.

De voorwaarden voor toepassing van dit wilsgebrek blijven behouden:

  • er ontstaat een vrees voor een aanzienlijke aantasting die van die aard is dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden ook zou kunnen worden be√Įnvloed;
  • het geweld is doorslaggevend voor de contractssluiting, ook hier kan een geval van 'incidenteel geweld' niet tot nietigheid maar enkel tot schadevergoeding leiden;
  • het geweld is onrechtmatig, het uitoefenen van dwang door het aanwenden van rechtsmiddelen of het uitoefenen van een normaal gezag als ouder is niet onrechtmatig.

Zoals vermeld kan ook het vernieitigend gebrek 'geweld' uitgaan van een derde.

Misbruik van omstandigheden

Onder de benaming ‚Äúgekwalificeerde benadeling‚ÄĚ vond dit wilsgebrek reeds in de rechtspraak en de rechtsleer ingang. Volledig nieuw is het dus niet. Het gaat hier om situaties waarbij een contract manifest onevenwichtig is door het misbruik van de superieure positie van de ene contractspartij tegenover de andere. Dikwijls bleken dergelijke vorderingen onsuccesvol omwille van een gebrek aan bewijs van deze elementen. Onder invloed van Cassatierechtspraak zijn de toepassingsvoorwaarden nu wettelijk verankerd:

  • een kennelijk onevenwicht tussen de bedongen prestaties;
  • concrete omstandigheden van inferioriteit waardoor de andere contractspartij zich een voordeel heeft kunnen toe-eigenen;
  • een oorzakelijk verband tussen het misbruik en het kennelijk onevenwicht.

Wat betreft de sanctie speelt ook de relatieve nietigheid. Weliswaar met dien verstande dat indien het misbruik niet doorslaggevend was voor de contractssluiting de rechter ook tot aanpassing van de onevenwichtige prestatie kan besluiten als vorm van herstel. Eenzelfde mogelijkheid komt overigens terug onder de in het Burgerlijk Wetboek ingeschreven imprevisieleer. Ook hier kan een evenwicht worden hersteld door aanpassing van de prestatie met als verschil dat het onevenwicht slechts na contractsluiting is ontstaan.

Benadeling en veinzing

Tenslotte bevestigt de wetgever dan een eenvoudige benadeling in principe geen nietigheidsgrond vormt. Het bestaan van een onevenwicht tussen de prestaties van partijen is namelijk geen algemeen wilsgebrek.

Ook veinzing is geen wilsgebrek as such. In het geval van veinzing sluiten partijen een contract samen met een verborgen contract dat het eerste contract wijzigt of teniet doet. Het verborgen contract is wel degelijk geldig tussen partijen. Derden te goeder trouwe kunnen daarentegen kiezen tussen het veruitwendigde dan wel het verborgen contract.

 

Twijfelt u aan de rechtsgeldigheid van een overeenkomst? Heeft u iets ondertekend waarop u gezien de omstandigheden wenst terug te komen? Contacteer ons.


Nieuw verbintenissenrecht: overdracht van schuld en van contract wettelijk verankerd

In ons eerder blogartikel berichtten wij u reeds over het goedgekeurde wetsvoorstel houdende het nieuwe verbintenissenrecht. Zoals aangekondigd, zullen wij de komende tijd de voornaamste nieuwigheden voor u belichten. We gaan hierbij van start met de wettelijke regeling inzake overdracht van verbintenissen. Naast de overdracht van schuldvordering vinden nu ook de overdracht van schuld en van contract hun plaats in het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

1. Overdracht van schuldvordering

De wettelijke grondslag van de overdracht van schuldvordering is terug te vinden in artikel 5:174 e.v. Burgerlijk Wetboek. Algemeen uitgangspunt is dat schuldvorderingen steeds vatbaar zijn voor overdracht. Zij zijn deel van het vermogen van de schuldeiser. Niet-overdraagbaarheid vloeit voort uit de wet, de aard of uit contractuele afspraken.

Belangrijk te noteren is dat een contractuele onoverdraagbaarheid niet zondermeer tegenwerpelijk is aan derden. Enkel wanneer de derde-overnemer kennis had van de clausule kan hij op basis van derde-medeplichtigheid aan contractsbreuk worden aangesproken.

De overdracht blijft in se vormvrij. Voor de tegenwerpelijkheid aan de schuldenaar moet laatstvermelde op de hoogte zijn van het feit van de overdracht zelf (en dus niet van de overdrachtsakte). De overdracht heeft geen invloed op de excepties die de schuldenaar kan inroepen. Betaling voor kennisgeving werkt nog steeds bevrijdend.

Tevens wordt benadrukt dat de regels inzake overdracht niet enkel voor schuldvorderingen maar ook voor overdrachten van andere onlichamelijke goederen gelden. Een aparte bepaling regelt ook de gedeeltelijke overdrachten en de overdrachten van toekomstige schuldvorderingen.

2. Overdracht van schuld

Een nieuwigheid is de invoering van artikel 5:187 e.v. Burgerlijk Wetboek dat voortaan ook de overdracht van een schuld regelt. Deze figuur werd steeds met enige argwaan bekeken aangezien:

  1. de schuldoverdracht de schuldeiser opzadelt met een potentieel minder solvabele schuldenaar; en
  2. de schuldvordering die uit de schuld voortvloeit aan de schuldenaar toebehoort en in principe enkel hij erover kan beschikken.

Logisch gevolg: de schuld kan enkel met toestemming van de schuldeiser aan een derde worden overgedragen. Hierdoor ontstaat als het ware een driepartijenovereenkomst die de oorspronkelijke schuldenaar bevrijdt. Deze bedrijving werkt in principe enkel voor de toekomst . Het is echter perfect mogelijk om andersluidende contractuele afspraken te maken en dus alsnog in een hoofdelijkheid of een terugwerkende overname te voorzien.

Een gebrek aan toestemming van de schuldeiser maakt de schuldoverdracht echter niet onmogelijk. In dat geval is er namelijk sprake van een onvolkomen schuldoverdracht. Deze resulteert sowieso in een hoofdelijke gehoudenheid van overdrager en overnemer.

Ook een interne schuldovername is mogelijk. Deze onderscheidt zich van de onvolkomen schuldoverdracht omdat de overnemer niet de bedoeling heeft zich tegenover de schuldeiser te verbinden. Dergelijke overname heeft bijgevolg uitsluitend interne werking.

3. Overdracht van contract

Volgens de parlementaire voorbereiding is het uitgangspunt van een contractsoverdracht de volgende:

"Een contractsoverdracht is meer dan een optelsom van schulden en schuldvorderingen, maar de onveranderde overgang van de
gehele contractuele verhouding. De overnemer treedt dus niet enkel in de rechten en verplichtingen, maar in alle contractuele bevoegdheden e.d.m."

Voordien kenden we dergelijke figuur uitsluitend uit bijzondere wetgeving inzake bv. de overdracht van huur of van arbeidsovereenkomsten. De algemene grondslag hiervoor vinden we vanaf nu in artikel 5:193 e.v. Burgerlijk Wetboek.

Ook hier bestaat een onderscheid tussen een onvolkomen en volkomen overdracht. In beginsel is de toestemming van de medecontractant niet vereist voor de contractsoverdracht. Deze toestemming is namelijk slechts noodzakelijk om de overdrager te bevrijden. Zonder toestemming blijft de overdracht onvolkomen. Een volkomen contractsoverdracht heeft daarentegen het verdwijnen van de overdrager uit de contractuele relatie tot gevolg. De voorafgaand aan de overdracht opeisbare schulden blijven in principe voor rekening van de overdrager. Ook hier is echter contractuele afwijking mogelijk.

Slot

De regels inzake overdracht van schuldvordering zijn in belangrijke mate bestendigd. De eerder toegepaste figuren van schuld- en contactsoverdracht hebben echter een wettelijke basis gekregen, hetgeen enkel maar kan bijdragen aan de rechtszekerheid. Deze overdrachten zijn in principe altijd mogelijk. Bij de overdracht van schuldvordering blijft kennisgeving vereist met het oog op tegenwerpelijkheid. Bij de schuld-en contractsoverdracht wordt de toestemming van alle betrokken partijen vereist met het oog op de bevrijding van de overdrager.

Contacteer ons gerust voor meer informatie over dit onderwerp.


Elektronisch betalen (eindelijk) de nieuwe standaard

In de strijd tegen fiscale fraude heeft de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers op 10 maart 2022 een zoveelste wet "houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding" goedgekeurd. E√©n van de gevolgen hiervan is dat ondernemingen verplicht zijn om aan consumenten de mogelijkheid te geven elektronisch te betalen. Het Wetboek¬†van economisch recht is in die zin aangepast. Vraag is in hoeverre elektronisch betalen op vandaag, mede door Covid en commerci√ęle druk, niet reeds de standaard is.

Voor wie?

Alle ondernemingen die op regelmatige wijze economische activiteiten uitvoeren gericht op consumenten moeten elektronisch betalen mogelijk maken. De verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden, geldt bijgevolg alleen in een b2c-relatie. M.a.w. voor betalingen verricht tussen ondernemingen (in een B2B-verhouding) bestaat de verplichting niet. Ondernemingen zijn zowel handelaars, vrije beroepers en verenigingen.

Ook overheden kwalificeren als onderneming in zoverre het economische activiteiten betreft die geen taken zijn van algemeen belang. Voor dergelijke activiteiten gericht op consumenten, denk maar aan het beheer van een zwembad, een bibliotheek
of een cultureel centrum, zijn ook overheden verplicht om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden.

Zoals gezegd ontsnappen verenigingen evenmin aan de verplichting, mits zij regelmatige economische handelingen stellen waardoor concurrentie ontstaat met andere ondernemingen. De nieuwe verplichting geldt niet voor éénmalige of occasionele activiteiten van verenigingen.

Elektronisch betaalmiddel

Een ‚Äúelektronisch betaalmiddel‚ÄĚ is elk betaalmiddel waarbij men geen gebruik¬†maakt van eurobiljetten en -munten. Het is alvast duidelijk dat dit¬†betalingen met een bankkaart betreft, uitgevoerd via¬†conventionele betaalterminal of smartphoneapplicaties (Applepay, Payconiq, ...), betalingen per bankoverschrijving of online betaalplatformen (Paypal, Mollie, ...).

Maaltijdcheques, ecocheques en consumptiecheques, maar ook cryptomunten en virtuele valuta worden evenwel niet als elektronische betaalmiddelen beschouwd.

Voor het overige mag de onderneming dus vrij kiezen welk elektronisch betaalmiddel zij aanbiedt. Het begrip “elektronisch
betaalmiddel‚ÄĚ kan zeer ruim worden opgevat, zolang de onderneming maar minstens √©√©n elektronische betaalvorm aanbiedt. Gezien de diverse technologische mogelijkheden op vlak van elektronische betaalmogelijkheden hoeven echt geen¬†buitensporige kosten te worden gemaakt. Keuze genoeg.

Cash betalen blijft vanzelfsprekend nog steeds mogelijk. Het is zelfs zo dat ondernemingen cash betalingen in euro niet mogen weigeren. Uiteraard moeten zij rekening houden met de verplichtingen inzake het beperkt gebruik van contanten overeenkomstig de antiwitwaswetgeving, in casu mag geen enkele betaling in cash worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro.

De onderneming mag ook geen rechtstreekse kosten aanrekenen aan de consumenten voor het gebruik van een elektronisch betaalmiddel.

Verplichting en sancties

Vanaf 1 juli 2022 zijn ondernemingen verplicht minstens één elektronisch betaalvorm aan te bieden.

Om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd, is voorzien in een sanctie. Het betreft een sanctie van niveau 2 die is opgelegd in het artikel XV.83 van het Wetboek van economisch recht. Dit impliceert een geldboete van 26 tot 10.000 euro, te vermenigvuldigen met 8 om de opdeciemen mee te verrekenen. De Economische Inspectie houdt een oog in het zeil.

Conclusie

Vanaf 1 juli 2022 geldt voor ondernemingen onverminderd de verplichting om minstens één elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen in een B2C-verhouding. Voor betalingen verricht tussen ondernemingen (B2B-verhouding) tot slot is er geen verplichting.

Argumenten contra het aanvaarden van elektronische betalingen zijn niet langer van tel. De voordelen daarentegen zijn dat wel: geen kasverschillen, geen problemen met wisselgeld en geen risico's op diefstal.

Bij vragen omtrent deze of andere economische of fiscale maatregelen kan aternio u adviseren.


fiscaal co-ouderschao

Fiscaal co-ouderschap: is het een "moetje" of een "magje"?

Wanneer een relatie spaak loopt is, er niet alleen een emotionele component waarmee we moeten rekening houden. Na het nemen van de (al dan niet gewenste) beslissing om uit elkaar te gaan, moet ook het financi√ęle plaatje aan bod komen. Alsof dat alles nog niet genoeg is, dient u bovendien te "onderhandelen" over de regeling inzake de kinderen. Beslissen om uit elkaar te gaan kan emotioneel misschien de beste oplossing zijn en in een goede verstandhouding is veel mogelijk. Maar het betekent vaak het begin van een burgerrechtelijk en fiscaalrechtelijk getouwtrek. Het fiscaal co-ouderschap werd wettelijk verankerd om daaraan alvast tegemoet te komen.

Maar is die wettelijke regeling wel altijd de beste in uw situatie? Is het mogelijk dat de ex-partners onderling andere regelingen te treffen? We merken dat daar in de praktijk toch vaak discussies over ontstaan en zijn daarom de rechtspraak en rechtsleer ingedoken.

Wat is fiscaal co-ouderschap?

Wanneer ouders van een gemeenschappelijk kind beslissen om uit elkaar te gaan, zullen zij ook apart gaan wonen. Ze beslissen echter om wel gezamenlijk en gelijkwaardig de opvoeding en het ouderlijk gezag inzake de kinderen te blijven uitoefenen. Het uitgangspunt is "gelijkwaardigheid": we gaan zoveel mogelijk op gelijke basis verdelen. Dit is het burgerrechtelijke co-ouderschap.

Het fiscaal co-ouderschap werd met dezelfde saus overgoten. Het uitgangspunt is ook daar dat kinderen geacht worden, gelijk deel uit te maken van het fiscale gezin van de beide ouders. Door het fiscaal co-ouderschap zullen de beide ouders, elk voor de helft, van de fiscale voordelen inzake het ten laste nemen van de kinderen kunnen genieten.  De wettelijke basis is opgenomen in artikel 132bis WIB'92. Voornoemd artikel, bevat ook de formaliteiten waaraan vervuld moet zijn om van het fiscaal co-ouderschap te kunnen genieten.

Indien aan de formaliteiten voldaan is, zullen de ouders allebei, tegelijkertijd, de kinderen ten laste kunnen nemen.

Voorwaarden fiscaal co-ouderschap

Aan de toepassing van het fiscaal co-ouderschap zijn formaliteiten verbonden.

Zo moet er een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders zijn. In die overeenkomst moeten zij uitdrukkelijk vermelden dat de huisvesting van de kinderen gelijkmatig verdeeld is. Ook moet er genoteerd staan dat beide ouders bereid zijn om de toeslagen op de belastingvrije som voor de kinderen onder elkaar willen verdelen.

Indien er niet zo'n dergelijke overeenkomst tussen de ouders is, dan kan ook uit rechterlijke beslissing de gelijkmatige huisvesting van de kinderen blijken.

Strikte interpretatie

De ouders mogen geen deel meer uitmaken van hetzelfde gezin, maar ze dienen wel samen te voldoen aan de onderhoudsplicht richting de gezamenlijke kinderen. Daarover bestaat meestal geen discussie.

Vooral het principe van de gelijkmatige verdeling van de huisvesting kan zich echter weren als een duiveltje in een wijwatervat. Dat principe is namelijk strikt te interpreteren. In gevallen waarbij de huisvesting assymetrisch of (quasi)ongelijk is, zal het fiscaal co-ouderschap geen toepassing kunen vinden.

Ook het belang van de onderliggende overeenkomst of rechterlijke uitspraak mag men niet onderschatten. Zonder dergelijk document is fiscaal co-ouderschap niet mogelijk. Het woord niet dient men hier effectief te onderlijnen. Het volstaat niet om de gelijkmatige huisvesting feitelijk te kunnen bewijzen, door verklaringen of andere rechtsmiddelen. Het feitelijk gelijkmatig verblijf van de kinderen bij de ouders, is op zichzelf niet voldoende.

Met andere woorden: de rechterlijke beslissing, dan wel de geregistreerde of gehomologeerde overeenkomst tussen de ouders, vormt het enige (weerlegbare) bewijsmiddel van de gelijkmatige huisvesting. Weerlegbaar, want het is niet omdat u over een dergelijk geschrift beschikt, dat de situatie in de praktijk ook effectief zo wordt uitgevoerd. De ouder bij wie de kinderen voornamelijk verblijven zal met alle middelen van recht het tegenbewijs kunnen leveren.

Is afwijken van de basisregels mogelijk?

Indien de ouders zelf een overeenkomst inzake het verblijf van de kinderen opmaken en willen genieten van het voordeel van het fiscaal co-ouderschap, moeten zij zich daarmee uitdrukkelijk akkoord verklaren. Dit is niet het geval indien de rechter een dergelijke uitspraak doet.

Het is ook mogelijk dat ouders bij overeenkomst beslissen om een gelijk verblijf van de kinderen te organiseren, maar zonder het fiscaal co-ouderschap erbij te nemen.

Ouders kunnen dus afwijken van het principe van het fiscaal co-ouderschap en dit via hun onderlinge geregistreerde/gehomologeerde overeenkomst.

Het behoeft ook de vermelding dat het fiscaal co-ouderschap zal vervallen indien de onderhoudsplichtige ouder beslist om periodieke onderhoudsbijdragen ten voordele van de kinderen in aftrek te brengen. Dit is uitdrukkelijk niet toegestaan door artikel 132bis WIB'92. Dat zou dan nog een achterpoortje kunnen zijn om het fiscaal co-ouderschap buiten spel te zetten.


Hervormingstrein raast verder: nieuw verbintenissenrecht goedgekeurd

Eind 2020 is de hervorming van het Burgerlijk Wetboek ingezet met de invoering van nieuwe bewijsregels. Een jaar later kreeg ook het goederenrecht een nieuw jasje. op 21 april 2022 heeft de Kamer ook haar goedkeuring aan het nieuwe verbintenissenrecht verleend. Het aangenomen wetsvoorstel bevat een aantal nieuwigheden die aternio in de komende weken graag voor u toelicht. Hierna volgen alvast een aantal aandachtspunten:

Ratio legis nieuw verbintenissenrecht

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het nieuwe verbintenissenrecht er voornamelijk op gericht is om een nieuw evenwicht te scheppen tussen de wilsautonomie van partijen en de beschermende rol van de rechter. De wettekst bevat namelijk een evolutie in beide richtingen: bepaalde zaken worden ontdaan van een rechterlijke bemoeienis terwijl m.b.t. andere zaken net sneller door de rechter zal kunnen worden ingegrepen.

Structuur

Het nieuwe boek 5 zal de volgende titels bevatten:

  1. Inleidende bepalingen: Hieronder wordt voortaan een definitie van een verbintenis alsook van een natuurlijke verbintenis ondergebracht. De juridische afdwingbaarheid geldt als voornaamste criterium van onderscheid.
  2. Bronnen van verbintenissen: Er zijn verbintenissen die voortvloeien uit al dan niet meerzijdige rechtshandelingen, oneigenlijke contracten, buitencontractuele aansprakelijkheid of uit de wet. Het voorgaande neemt echter niet weg dat verbintenissen ook door schijn kunnen ontstaan doch niet als algemene bron van verbintenissen maar voortvloeiend uit een aantal specifieke rechtsfiguren (bv. verbod rechtsmisbruik, schijnvertegenwoordiging, onverschuldigde betaling aan een schijnschuldeiser)
  3. Algemeen regime van de verbintenis: Deze titel vormt in se de kern van het nieuwe recht en omvat alle bepalingen die betrekking hebben op het leven van een verbintenis. Het ontstaan, de gevolgen van schending, de overdracht en het tenietgaan ervan.

Inwerkingtreding en toepassing nieuw verbintenissenrecht

Het nieuwe verbintenissenrecht zal van toepassing zijn vanaf de eerste dag van de zesde maand na bekendmaking van de wet. Vermoedelijk zal elke contractspartij zich dus vanaf begin 2023 naar de nieuwe bepalingen moeten schikken.

Vanaf dan worden de nieuwe bepalingen in principe van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die erna hebben plaatsgevonden. Eenvoudig gesteld zal een overeenkomst die na inwerkingtreding werd gesloten evident aan de nieuwe bepalingen onderworpen zijn.

Dit neemt echter niet weg dat de nieuwe bepalingen desgewenst ook van toepassing kunnen zijn op:

  • toekomstige gevolgen die plaatsvinden na inwerkingtreding van overeenkomsten gesloten voor inwerkingtreding;
  • rechtshandelingen en -feiten die plaatsvinden na inwerkingtreding m.b.t. overeenkomsten ontstaan uit rechtshandelingen en -feiten die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding.

Het staat partijen namelijk vrij om hun verbintenisrechtelijke relatie reeds vroeger aan het nieuwe verbintenissenrecht te onderwerpen. Als het ware kan men nu ook in contractuele context voor een 'opt-in' kiezen.

Slot

Het hoeft geen betoog dat deze nieuwe hervorming belangrijke implicaties kan hebben op lopende onderhandelingen met het oog op een nieuwe overeenkomst. Ook is het niet onverstandig de opportuniteit van een vroegtijdige onderwerping aan het nieuwe verbintenissenrecht onder de loep te nemen. Misschien is het evenzeer wenselijk om bepaalde overeenkomsten te gaan heronderhandelen of minstens de algemene voorwaarden bij te werken.

aternio houdt u in ieder geval verder op de hoogte. Wij zijn zoals steeds beschikbaar om u bij te staan in deze nieuwe uitdagingen.