Eigendomsvoorbehoud: de Pandwet zorgt voor extra zekerheid

De huidige Pandwet is in werking getreden op 1 januari 2018. De hervormde wet is het resultaat van de wil van de wetgever om het stelsel van zakelijke zekerheden op roerende goederen te moderniseren. Dit alles om de kredietverlening te bevorderen en de economie te stimuleren. Alles is samengebracht onder Boek III, Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek. De voornaamste veranderingen situeren zich op het vlak van het het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht.

Laat ons hierna het eigendomsvoorbehoud in de Pandwet van naderbij bekijken.

Eigendomsvoorbehoud

In beginstel gaat de eigendom van een roerend goed over zodra koper en verkoper het eens zijn over de prijs. Van dergelijke 'solo consensu' afspraak kan men evenwel afwijken. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarbij er pas eigendomsoverdracht is zodra de gehele koopprijs van de geleverde goederen is betaald.

Een beding van eigendomsvoorbehoud geldt sinds 1 januari 2018 in iedere situatie van samenloop tussen schuldeisers en in geval van beslag. In het verleden werd de geldigheid en tegenstelbaarheid uitsluitend geregeld in de faillissementswetgeving. De wetgever heeft dus gezorgd voor een versterking van de zekerheidsfunctie van de eigendom.

Voorwaarden voor het eigendomsvoorbehoud

Een aantal cumulatieve voorwaarden zijn van toepassing op het beding dat de eigendomsoverdracht opschort tot de betaling van de prijs. Met name:

  • het eigendomsvoorbehoud betreft roerende goederen;
  • het terugvorderingsrecht impliceert dat de goederen nog in natura, dus identificeerbaar, aanwezig zijn;
  • de koper blijft in gebreke de volledige prijs te betalen; en
  • het beding is schriftelijk opgesteld uiterlijk op het ogenblik van de materiële levering van het goed.

Bemerk dat het eigendomsvoorbehoud, zelfs zonder registratie, tegenwerpelijk is aan derden.

Basis is de aanwezigheid van een geschrift, waarin het beding is opgenomen, uiterlijk op het ogenblik van levering. De koper moet ingestemd hebben met dit beding op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst. Is de koper een consument dan moet de instemming uit het geschrift zelf blijken. Dit kan middels de ondertekening van een bestel- of leveringsbon waarin het beding van eigendomsvoorbehoud staat. Let op: ondertekening van de factuur volstaat niet, tenzij de factuur is afgegeven bij de levering.

Draagwijdte

Door het eigendomsvoorbehoud op te nemen in het Burgerlijk Wetboek heeft het voorbehoud algemene draagwijdte gekregen.  Het is een zekerheidsrecht dat geldt in alle situaties, niet enkel bij faillissement. Hierdoor zijn ook andere situatie van samenloop tussen schuldeisers gecoverd zoals bij vereffening of collectieve schuldenregeling.

Ook de juridische aard van de overeenkomst doet er niet toe. Het eigendomsvoorbehoud kan niet alleen worden ingeroepen in het kader van een koop-verkoopovereenkomst, maar bijvoorbeeld ook bij aanneming, ruil of inbreng.

De regels die gelden voor zakelijke subrogatie, verwerking, vermenging en overdracht van de schuldvordering zijn ook van toepassing op het eigendomsvoorbehoud.

a. Zakelijk subrogatie

Het eigendomsvoorbehoud geldt dus ook voor alle schuldvorderingen die in de plek komen van de bezwaarde goederen. Dit zijn de schuldvorderingen uit overdracht en de vorderingen tot vergoeding wegens tenietgaan, beschadiging of waardeverlies van deze goederen. Tenzij anders overeengekomen geldt het voorbehoud ook voor de vruchten die bezwaarde goederen voortbrengen.

Indien de koper het goed vervreemdt vooraleer de volledige prijs is betaald en het goed zich niet langer  in diens patrimonium bevindt dan kan de verkoper-eigenaar een revindicatierecht uitoefenen op de schuldvordering van de koper op diegene aan wie hij heeft overgedragen.

b. Verwerking

Tenzij anders overeengekomen kan de koper de goederen, bestemd voor verwerking, ook effectief verwerken. Indien hierdoor een nieuw goed ontstaat dan bezwaart het bedongen eigendomsvoorbehoud dit nieuw goed. Verwerking met aanwending van goederen van derden zorgt voor een bijzondere situatie. In dit geval bezwaart het eigendomsvoorbehoud het nieuwe tot stand gekomen goed indien dit goed het voornaamste is (cfr. art. 567 BW) of indien dit goed de grootste waarde heeft. De derde heeft dan een vordering wegens verrijking zonder oorzaak ten aanzien van diegene die zich de eigendom heeft voorbehouden.

c. Vermenging

Vermenging met vervangbare goederen, bezwaard met een eigendomsvoorbehoud, door één of meer kopers, laat het eigendomsvoorbehoud onverlet. Indien door meerderen eigendomsvoorbehoud wordt ingeroepen dan laat men het eigendomsvoorbehoud gelden in verhouding tot de respectievelijke rechten.

d. Overdracht van schuldvordering

Overdracht van een gewaarborgde schuldvordering zorgt ook voor de overdracht van het eigendomsvoorbehoud.

Bij onroerendmaking: registratie van het eigendomsvoorbehoud

De basisregel is dat het eigendomsvoorbehoud voor roerende goederen verloren gaat zodra deze onroerend worden door incorporatie. Toch bestaat de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud niet te laten verdwijnen voor verkochte roerende goederen die onroerend worden door incorporatie. Voorwaarde is wel dat er registratie is van het eigendomsvoorbehoud in het pandregister. De verkoper brengt de koper hiervan altijd schriftelijk op de hoogte . Schade ingevolge de registratie van onjuiste gegevens leidt tot aansprakelijkheid van de verkoper. Opvolging van de registratie door de verkoper is een must!

Door de registratie krijgt de verkoper-eigenaar voorrang boven de hypothecaire schuldeiser. Zo is de verkoper van machines, toestellen, gereedschappen en ander bedrijfsmateriaal gebruikt in nijverheid,- handels- of ambachtsondernemingen beschermd door art. 20, 5° Hyp.W. Gedurende vijf jaar na de levering, te bewijzen met de boeken van de verkoper en behoudens tegenbewijs, blijft het voorrecht van de onbetaalde verkoper bestaan. In geval van onroerend beslag of faillissement geldt een langere termijn, m.n. tot na de geldelijke verdeling of de vereffening van het faillissement.

Verrijkingsverbod

De verkoper verrekent steeds de waarde van het teruggevorderde goed met de nog openstaande schuldvordering op de koper. Is deze waarde groter, dan is de verkoper gehouden tot afdracht van het saldo. De revindicatie mag er immers niet toe leiden dat de schuldeiser meer ontvangt dan zijn schuldvordering.

Conclusie

De Pandwet zorgt voor meer zekerheid op het vlak van eigendomsvoorbehoud. Het toepassingsgebied is bovendien enorm ruim. Net omdat de Pandwet behoorlijk duidelijk is inzake de regels met betrekking tot eigendomsvoorbehoud, is het aangewezen om oude nog bestaande bedingen tegen het licht te houden. Redactionele vereenvoudiging van clausules van eigendomsvoorbehoud is aangewezen. Zo niet kunnen verschillen in interpretatie leiden tot discussie. Laat dat nu net zijn wat een niet-betaalde verkoper absoluut wil vermijden.

Bij aternio kan u steeds terecht voor een screening van het eigendomsvoorbehoud in uw overeenkomsten.


Schatting onroerend goed bij overlijden: bindend voor Vlabel

Wanneer iemand komt te overlijden, moet er een aangifte nalatenschap gebeuren. Deze vormt de basis voor het heffen van de erfbelasting (onder de oude benaming "successierechten"). De erfrechtelijke tarieven worden losgelaten op de goederen die zich in het vermogen van de overledene bevinden. Afhankelijk van de verwantschapsgraad zal er dan een splitsing gemaakt worden tussen de roerende en de onroerende goederen. Ok, tot zover de theorie.

In de praktijk zal er in die aangifte nalatenschap ook een waardering moeten worden opgenomen. Voor de roerende goederen (gelden, effectenportefeuilles,...) is dat makkelijk aangezien daar per definitie een cijfer op kleeft. Maar hoe zit dat met onroerende goederen? Moeten daar effectief een schatting aan de basis liggen?

Deze waardering moet correct verlopen. Want wat is de werkelijke waarde? Indien u een (te) hoge waarde opneemt, zal u (te) veel erfbelasting moeten betalen.  Deze kan u niet meer recupereren, ook niet als u nadien toch aan een lagere prijs verkoopt. Geeft u een (te) lage waarde aan, dan riskeert u een boete wegens tekortschatting.

Het hoeft geen betoog dat de waarde die u opneemt maar beter zo realistisch mogelijk is. Om de onzekerheidsfactor weg te nemen, bestaat de mogelijkheid om beroep te doen op een door de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) erkend schatter-expert, die een schattingsverslag opstelt conform het charter van Vlabel.  Gevolg? Vlabel blij want ze hebben een realistische schatting; en u blij want u kan op uw twee oren slapen.

Zo was het vroeger (tot en met 2014)

Tot 2014 behoorde de inning van de erfbelasting tot het takenpakket van de federale overheid. De mogelijkheid bestond om een voorafgaande schatting op tegenspraak te vragen aan de ontvanger van het bevoegde registratiekantoor (oud art. 20 W.Succ.). Vervolgens werden er één of meerdere deskundigen aangesteld.  Dit alles gebeurde allemaal in onderling overleg.

Deze waardering gebeurde steeds op uw eigen kosten en was definitief, zowel voor u als voor de Administratie. Er waren geen aanvullende rechten of boeten verschuldigd, zelfs niet bij een verkoop met meerwaarde. Deze regeling bestaat nog steeds, ongeacht de ligging van de onroerende goederen, wanneer de erflater een inwoner is van het Waals of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Vlaanderen heeft er een andere regeling op na gehouden.

Schatting door een erkende schatter-expert (vanaf 2015)

Sinds 2015 is de erfbelasting een gewestmaterie geworden. Vlabel staat vanaf dat moment zelf in voor de inning van de erfbelasting in Vlaanderen. Het principe van de voorafgaande schatting op tegenspraak werd vervangen door een gratis eenzijdige schatting door Vlabel (art. 3.3.1.0.9 VCF).

Om de gratis eenzijdige schatting in het werk te stellen, moest Vlabel een schattingstool uitwerken om een betrouwbare schatting van de verkoopprijs te bepalen. In afwachting hiervan werd alvast in een alternatief systeem voorzien. Dit kreeg sinds eind 2017 een decretale basis in artikel 3.3.1.0.9/1 VCF en blijft tot op vandaag nog steeds bestaan.

Sinds eind 2017 kan u voor de schatting van onroerende goederen een beroep doen op landmeters-experten die een zogenaamd ‘kwaliteitscharter’ met Vlabel gesloten hebben. Al deze experten zijn terug te vinden in een lijst op de website van Vlabel. Een erkende schatter  kan u herkennen via diens Vlabel identificatienummer.

Wanneer u, als aangifteplichtige erfgenaam, de waarde van een onroerend goed wil laten schatten, kan u dus een beroep doen op een erkend schatter-expert. Niet onbelangrijk detail: deze schatting is bindend voor Vlabel mits er aan 3 cumulatieve voorwaarden is voldaan. Het schattingsverslag moet:
(1) opgesteld zijn door een door Vlabel erkend schatter-expert;
(2) goed gemotiveerd zijn en voldoen aan een aantal, wettelijk bepaalde, vorm- en kwaliteitsvereisten; en
(3) toegevoegd worden aan de aangifte van nalatenschap op het moment dat die ingediend wordt.

Maar let op: wanneer iemand een beroep doet op een schatter-expert, verlengt dit de aangiftetermijn niet! Onder het motto: goede afspraken maken goede vrienden: bespreek met de aangestelde schatter-expert wat de uiterste indieningstermijn van de aangifte is, om frustraties te vermijden.

De Vlaamse Belastingdienst voert bovendien controles uit op de geschatte waarde en op de schattingsverslagen.

Eenzijdige, bindende en gratis schatting door Vlabel

Met ingang van 1 april 2019 beschikt Vlabel over hun schattingstool. Sinds dat moment is het mogelijk om, vóór het indienen van de aangifte van nalatenschap, te verzoeken om een schatting van de waarde van het geheel of een deel van de in België gelegen onroerende goederen die deel uitmaken van een opengevallen nalatenschap. De bindende schatting kan enkel gevraagd worden wanneer de erflater woonachtig was in het Vlaams gewest. De schatting door Vlabel is een mogelijkheid die dus bestaat naast de  mogelijkheid om beroep te doen op een erkende schatter-expert.

De schattingstool vormt voor Vlabel een hulpmiddel maar zij zal finaal wel zelf de waarde van het onroerend goed bepalen. De voorafgaande schatting is daarom ook kosteloos. Vlabel zal het onroerend goed eenzijdig waarderen; u wordt hierbij niet betrokken. Bovendien is deze schatting bindend en zal zij gebruikt worden voor de berekening van de erfbelasting. Vlabel kan deze waarde niet (meer) in vraag stellen, zelfs niet wanneer u het onroerend goed later verkoopt voor een hogere prijs. Er is dan geen bijvoeglijke aangifte vereist. Bijgevolg zal er ook geen bijkomende erfbelasting van toepassing zijn.

Aanvraagprocedure

Een schatting door Vlabel moet, uiteraard, gevraagd worden voor de deadline voor het indienen van de aangifte nalatenschap verstrijkt en uiteraard vooraleer de  aangifte zelf effectief ingediend is. Voor een aanvraag tot bindende schatting moet een formulier, op papier of elektronisch, van de Vlaamse Belastingdienst gebruikt worden.

Het formulier bevat volgende elementen (nieuw art. 3.3.1.0.5. VCF) : (i) gegevens over de aanvragers (erfgenamen) en de erflater; (ii) de keuze van een woonplaats, als plaats waar alle kennisgevingen naar gestuurd kunnen worden; (iii) de aanduiding van het te schatten onroerend goed met de kadastrale gegevens; (iv) een overzicht van de stukken die nuttig kunnen zijn voor de schatting, zoals foto’s, schetsen van de ligging of indeling,... Deze stukken kunnen als bijlage toegevoegd worden. Vlabel bezorgt hiervan een ontvangstmelding. Het is mogelijk dat Vlabel nog bijkomende stukken opvraagt indien de aanvraag onvolledig of onduidelijk is (nieuw art. 3.3.1.0.5, §2 VCF) . Ook een plaatsbezoek behoort tot de mogelijkheden (nieuw art. 3.3.1.0.9, lid 3 VCF).

Ook voor schenkingen?

Aangezien deze procedure nu helemaal uitgewerkt is, kan deze ook buiten het kader van de nalatenschap haar nut betekenen. Zo onder meer wanneer u een schenking van een onroerend goed overweegt. Ook dan moet u een waarde voorleggen. Wanneer u hiervoor een erkend schatter-expert onder de arm neemt, kan u ook op dit vlak alvast gemoedsrust creëren.

aternio staat u graag bij, zowel wanneer u een schenking overweegt of indien u met een overlijden geconfronteerd wordt.


Uitzetting van handelshuurder door nieuwe eigenaar. Kan dat zomaar?

Is het interessant om een onroerend goed aan te kopen waarin een handelshuurder is gevestigd? Kan ik als nieuwe eigenaar de handelshuurder uit het gehuurde pand zetten? Wat zijn de rechten van de nieuwe eigenaar? Is er een geschreven handelshuurovereenkomst nodig om van handelshuur te kunnen spreken?

Dit zijn vragen die met de regelmaat van een klok terugkomen.

Handelshuurwet

De Handelshuurwet is van dwingend recht. Partijen kunnen er bijgevolg niet vanaf wijken, tenzij de wet dit toelaat.  Om van handelshuur te spreken moeten vijf voorwaarden cumulatief zijn voldaan:

  1. Het gaat om een huurovereenkomst. Overeenkomsten van bruiklening, bezetting ter bede, vruchtgebruik, opstel of erfpacht zijn uitgesloten.
  2. De huur heeft betrekking op een onroerend goed of een gedeelte ervan. Let wel op, een roerend goed, bijvoorbeeld een food truck, permanent op een bepaalde plaats geïnstalleerd,  kan wél het voorwerp uitmaken van een handelshuurovereenkomst.
  3. In het goed is een winkel, horecazaak (tenzij er een concessieovereenkomst of brouwerijovereenkomst op van toepassing is) of een ambachtsman ondergebracht die hier rechtstreeks contact hebben met het publiek. Ook bepaalde dienstverlenende ondernemingen zoals banken, verzekeringsmakelaars, reisagenten en vastgoedmakelaars  kunnen onder de handelshuur vallen. Andere ondernemers zoals o.a. architecten, advocaten en artsen vallen dan weer buiten het toepassingsgebied.
  4. Het onroerende goed is in hoofdzaak bestemd voor de economische activiteiten.
  5. De bestemming moet stilzwijgend of uitdrukkelijk aanvaard zijn bij het sluiten van de overeenkomst. Bij latere aanvaarding in de loop van de huurovereenkomst moet dit uitdrukkelijk gebeuren.

De Handelshuurwet kan in deze gevallen niet worden uitgesloten. Partijen kunnen wel de Handelshuurwet toepassen op een huurovereenkomst die niet aan alle voorwaarden voldoet.

Een gewaarschuwde koper is er twee waard

In de navolgende omstandigheden dient de koper extra voorzichtig te zijn.

Indien de handelshuurovereenkomst stelt dat de handelshuurder uit het goed kan worden gezet, lijkt het eenvoudig. De nieuwe eigenaar lijkt aldus op het eerste gezicht de handelshuurder uit te kunnen zetten, maar niets is minder waar. De nieuwe eigenaar had niet enkel de overeenkomst moeten lezen maar ook de wet.

De Handelshuurwet bepaalt immers dat, zelfs al stelt het huurcontract dat de huurder kan worden uitgezet, dit enkel kan in een aantal gevallen voorzien door de wet én mits de huur wordt opgezegd één jaar vooraf, binnen de drie maanden na de verkrijging van het goed én met vermelding van de redenen van de opzegging.

De nieuwe eigenaar zet de handelshuurder onmiddellijk uit het pand nu er toch geen geschreven handelshuurovereenkomst is. Ook hier zal de kersverse eigenaar moeten opletten. Zelfs al is er geen geschreven overeenkomst zal de handelshuurder dezelfde bescherming genieten indien deze het pand reeds zes maanden in gebruik heeft.

De nieuwe eigenaar beschikt niet over een vrijgeleide zelfs niet wanneer de Handelshuurwet uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Indien alle hogergenoemde voorwaarden van toepassing zijn, is de Handelshuurwet onverminderd van toepassing.

Beperkt aantal redenen tot uitzetting van de handelshuurder

Rekening houdende met voornoemde drie cumulatieve voorwaarden kan de nieuwe eigenaar de huurder slechts uitzetten in de gevallen die de Handelshuurwet voorziet.

De eigenaar die het onroerend goed zelf daadwerkelijk wenst te betrekken kan de handelshuurder uitzetten. De opzeg mag ook worden gegeven indien het betrekken van het pand zal worden gerealiseerd door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen of zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, door zijn echtgenoot, door diens afstammelingen, bloedverwanten in de opgaande lijn of aangenomen kinderen, of het te doen in gebruik nemen door een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierden van het kapitaal bezitten, in dezelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of aanneming staan tot de verhuurder of tot zijn echtgenoot. Met de intrede van de kapitaalloze vennootschap in het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen volstaat allicht dat de aandeelhouders ten minste drie vierden van de aandelen bezitten.

De uitzetting van de handelshuurder is ook gegrond als de nieuwe eigenaar een nieuwe bestemming wenst te geven aan het onroerende goed die elke handelsonderneming uitsluit.

De nieuwe eigenaar kan de handelshuurder uitzetten als hij het voornemen heeft om het goed af te breken en weder op te bouwen. De kosten van deze onroerende werken moeten drie jaar huur te boven gaan.

Tot slot is uitzetting van de handelshuurder mogelijk wegens grove tekortkomingen aan zijn verplichtingen als huurder. Hiermee is o.a. bedoeld ernstige tekortkomingen aan wettelijke en/of contractuele verplichtingen. Denk hierbij aan frequente nalaten om de huur tijdig te betalen, het goed beheren als een slechte huisvader of ongeoorloofd gedrag waardoor het (objectief) niet langer mogelijk is om de contractuele relatie in stand te houden.

Ter kennisbrenging na 3 maanden van de verkrijging?

Het recht van de nieuwe eigenaar om de uitzetting in te roepen kan enkel gebeuren binnen de drie maand na de verkrijging van het onroerend goed. De nieuwe eigenaar zal de handelshuur moeten eerbiedigen indien hij geen uitzetting te kennen heeft gegeven binnen de drie maanden na verkrijging.

Belangrijk hierbij is dat de handelshuurder een recht heeft op huurhernieuwing. Na de eerste 9 jaar kan de nieuwe eigenaar in een slechtste geval nog eens opgezadeld zitten met de handelshuurder voor een bijkomende 9 jaar.

Na de eerste periode van 9 jaar kan de nieuwe eigenaar de vernieuwing weigeren om dezelfde reden als de uithuiszetting, alsook als een nieuwe handelshuurder een hogere huurprijs heeft geboden en de huurder geen gelijk aanbod doet en indien de handelshuurder in de onmiddellijke buurt een soortgelijke handel is gestart.

Het onroerende goed wordt plots net wat duurder

Uitzetting zonder naleving van de Handelswet zal de aankoop van het pand net iets duurder laten uitvallen dan voorzien.

Wat indien de nieuwe eigenaar de handelshuurder uitzet zonder enige redenen? Of de nieuwe eigenaar de opgegeven reden niet nakomt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaar? In dat geval zal de handelshuurder recht hebben op een vergoeding van maar liefst drie jaar huur. Dit is eventueel nog te vermeerderen met een bedrag toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden.

aternio kan u steeds bijstaan bij controle en opmaak van overeenkomsten, mét de wet in het achterhoofd.


Schenking of verkoop van niet-volgestorte aandelen.

Bij de overdracht van aandelen, bijvoorbeeld bij schenking of verkoop, dient steeds rekening te worden gehouden met de mate van volstorting.

Of aandelen wel of niet volstort zijn is geen onbelangrijk gegeven wanneer de overdrager de begiftigde of de koper niet wil opzadelen met schulden. De overdracht van niet-volgestorte aandelen draagt immers een risico in zich.

De regeling onder het oude Wetboek van Vennootschappen (W.Venn.) was verschillend voor de bvba en de nv. Het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) brengt ook hier verandering teweeg. Tijd dus om de vennootschapsrechtelijke aspecten rond de overdracht van niet-volgestorte aandelen te belichten.

Overdracht van niet-volgestorte aandelen van een nv (W.Venn.)

De overdracht van de aandelen aan een koper of middels een schenking (bijvoorbeeld aan kinderen in het kader van een familiale opvolging) is ten aanzien van derden pas tegenwerpelijk na publicatie van de staat bij de jaarrekening. Deze staat vermeldt het aantal geplaatste aandelen, van de gedane stortingen en de lijst van de aandeelhouders die hun aandelen niet hebben volgestort, met vermelding van het bedrag dat zij nog verschuldigd zijn.

De tegenwerpelijkheid is bijgevolg van belang omdat het begin en eindpunt bepaalt waarop schuldeisers bij de nieuwe aandeelhouders kunnen aankloppen.

De vennootschap kan uiteraard ook een vordering instellen. Let wel, de overdracht van aandelen is tegenwerpelijk aan de vennootschap vanaf de inschrijving van de overdracht in het aandelenregister.

Artikel 507 W.Venn. bepaalt immers dat bij overdracht van niet volgestorte aandelen de nieuwe aandeelhouder de verplichting heeft om ten belope van het niet volgestorte bedrag bij te dragen in de schulden van voor de openbaarmaking van de overdracht. De nieuwe aandeelhouder die niet goed heeft opgelet kan zo opdraaien voor  onbetaalde schulden.

De nieuwe aandeelhouder blijft aansprakelijk tot 5 jaar na de publicatie. Zowel de vennootschap als de schuldeiser kunnen een vordering instellen tegen de nieuwe aandeelhouder.

Overdracht van niet volgestorte van aandelen van een bvba (W.Venn.)

Voor de overdracht van niet volgestorte aandelen van de bvba zijn er geen specifieke wettelijke regels.

De vroegere meerderheidsstrekking stelde dat het artikel van de nv per analogie van toepassing was op de bvba. Volgens recente rechtspraak is de overdrager  in de regel niet meer aansprakelijk vanaf de inschrijving in het aandelenregister. Anders dan in de nv is de nieuwe aandeelhouder in een bvba niet aansprakelijk voor schulden van voor de overdracht.

Vanaf inschrijving in het aandelenregister is een overdracht van aandelen van een bvba tegenwerpelijk ten aanzien van de vennootschap. Dit betreft zowel de rechten als de verplichtingen. Hieruit volgt dat de vennootschap geen stortingen meer kan vragen aan de overdragende vennoot na de inschrijving. De overdrager is bevrijd. Een (betwiste) minderheidstrekking stelt wel dat conform het gemeen recht er geen bevrijding van niet-volstorting mogelijk is dan mits het akkoord van de schuldeiser (in casu de vennootschap).

Overdracht van niet volgestorte aandelen volgens het WVV

Het WVV maakt een einde aan het verschil tussen de nv (artikel 7:77 WVV) en de bv (artikel 5:66 WVV). Zowel de oude als de nieuwe aandeelhouders zijn hoofdelijk gehouden hoofdelijk gehouden tot volstorting tegenover de vennootschap en tegenover derden.

Zelfs als er meerdere opeenvolgende overdrachten plaatsvinden zijn alle overdragers aansprakelijk. Een nieuwe overdracht sluit de aansprakelijkheid niet uit van de vorige aandeelhouders. Er geldt een verjaringstermijn van 5 jaar.

Behoudens uitsluiting in de overeenkomst tot overdracht van aandelen kan de overdrager regres nemen op de overnemer.

Voor bestaande bvba’s die, op het ogenblik waarop ze worden omgezet naar een bv nog vorderingen tot volstorting op hun aandeelhouders (voorheen vennoten) hebben openstaan, gelden de hierna volgende regels.

Het niet volgestorte gedeelte van het kapitaal wordt omgezet in een statutair onbeschikbare reserve (van rechtswege vanaf 1.01.2020).

Wil de bv de betrokken aandeelhouders bevrijden van hun volstortingsplicht, dan zal de algemene vergadering door een beslissing tot statutenwijziging dit deel van de statutair onbeschikbare reserve beschikbaar moeten stellen.

Het gaat om een terugbetaling van een, weliswaar nog niet gestorte, maar wel toegezegde inbreng.
Dergelijke terugbetaling moet in het nieuwe regime toegelaten zijn krachtens de nettoactieftest en liquiditeitstest.

Oplossingen

Als de pater familias zijn kinderen niet wil opzadelen met schulden en de verkoper geen discussie wenst met de koper na het sluiten van de overnameovereenkomst is volstorting aangewezen.

Zijn er geen gelden beschikbaar om een volstorting te realiseren dan kan een overeenkomst tussen partijen een oplossing bieden. Laat de vennootschap hier ook mee tekenen. In het negatieve geval geldt de overeenkomst immers enkel tussen de overdrager en de overnemer. Zo is men zeker dat de vennootschap of  de curator na het faillissement de verkoper niet meer kunnen aanspreken.

Vergeet niet dat de derden geen rekening moeten houden met dergelijke overeenkomst. Verkoopt u niet-volgestorte aandelen van een bv of een nv, dan is het bijgevolg mogelijk dat u wordt aangesproken tot volstorting, ongeacht wat u daarover in de verkoopovereenkomst hebt bedongen.

Weet dat bij de omzetting van een bvba in een bv de algemene vergadering het niet-volgestorte gedeelte beschikbaar kan stellen om zo problemen te vermijden.

aternio adviseert u indien nodig. Familiale planningen en overname overeenkomsten hebben voor ons geen geheimen!


Belasting op tweede verblijven in Frankrijk

Voor heel wat Belgen is het hun ultieme droom om een tweede verblijf te hebben in "la douce France". Maar soms 'vergeten' mensen dat er ook belasting is verschuldigd op een buitenverblijf in Frankrijk.

In deze bijdrage gaan we dieper in op de zogenaamde "impôt sur la fortune immobilière", kortweg IFI, die geldt vanaf 1 januari 2018. Dit is een Franse belasting op onroerende goederen gelegen in Frankrijk. Deze vermogensbelasting geldt zowel voor rijksinwoners (Fransen) als niet-rijksinwoners (zoals Belgen). Ook Frans onroerend goed aangehouden via een vennootschapsstructuur kan onder deze belasting vallen.

Belastbare basis

Voor natuurlijke personen die geen Frans rijksinwoner zijn, bijvoorbeeld Belgen, is de belastbare basis de nettowaarde op 1 januari van de onroerende goederen gelegen in Frankrijk.

Ofwel, de aandelen van Franse of buitenlandse vennootschappen voor de fractie van hun waarde die het onroerend goed in Frankrijk vertegenwoordigt.

De IFI is verschuldigd van zodra de belastbare basis meer dan € 1.300.000,00 € bedraagt. Onder dit bedrag betaalt men dus geen belasting.

Let wel, de vruchtgebruiker is IFI verschuldigd over de volledige waarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

Tarieven IFI

Navolgende barema's zijn van toepassing:

Belastingschrijven Tarieven Formule Belasting
Tot € 800.000 0% € 0
€ 800.000 - € 1.300.000 0,5% € 2.500
€ 1.300.000 - € 2.570.000 0,7% (B x 0,007) – € 6.600 € 8.890
€ 2.570.000 - € 5.000.000 1% (B x 0,01) – € 14.310 € 24.300
€ 5.000.000 - € 10.000.000 1,25% (B x 0,0125) – € 26.810 € 62.500
Boven € 10.000.000 1,5 (B x 0,015) – € 51.810 € 180.000

Waardering

De belastbare basis van het Frans onroerend goed is de 'venale waarde' van het onroerend goed op 1 januari van het betreffende jaar. Dit is de vrije verkoopwaarde en dus de waarde die een geïnteresseerde koper wil betalen voor het onroerend goed.

In de praktijk kan men wel kortingen krijgen bij verhuur of onverdeeldheid.

Wordt het onroerend goed aangehouden via een vennootschap (zoals een SCI)?

Dan dient men volgende formule toe te passen om de belastbare basis te berekenen:

Belastbare basis  = venale waarde van de aandelen x (venale waarde Frans onroerend goed/venale waarde activa vennootschap)

Aftrekbare kosten

Schulden die werden aangegaan voor verwerving van de activa mag u onder bepaalde voorwaarden aftrekken. Het gaat onder meer over kosten m.b.t.  de aankoop, de herstelling, het onderhoud van het onroerend goed. Finaal leidt dit tot een lagere belastbare basis en dus mogelijk geen of minder belasting.

Echter, de aftrek is beperkt wanneer de waarde van de onroerende goederen/aandelen meer dan € 5.000.000 bedraagt én de aftrek van de schulden meer dan 60% van deze waarde betreft.

Bovendien mogen de schulden niet zijn aangegaan met een hoofdzakelijk fiscaal doel. Schulden aangegaan vóór 1 januari 2018 doorstaan gelukkig de toets van de antimisbruikbepaling.

Aangifte

Er dient een jaarlijkse aangifte te worden ingediend via het speciaal formulier n°2042-IFI.

Indien de aangifte niet, foutief of laattijdig gebeurt, kan de Franse fiscus een rechtzetting doen.  Bovenop de verschuldigde belasting, zullen nalatigheidsinteresten en desgevallend een belastingverhoging worden opgelegd.

Nog vragen? Contacteer ons vrijblijvend.


Wat mag een vennootschap wettelijk doen?

Het beginsel van de wettelijke specialiteit en het statutair voorwerp bepalen wat een vennootschap wel of niet mag doen. Dit beginsel is wettelijk verankerd in het WVV (alsook in het voorafgaand Wetboek van Vennootschappen).

Onder het oude wetboek zijn handelingen gesteld in strijd met dit beginsel absoluut nietig. Met andere woorden, indien de vennootschap niet handelt volgens het wettelijke specialiteitsbeginsel worden deze handelen geacht nooit tot stand te zijn gekomen, noch gevolgen te hebben gehad. Een handeling, gesteld buiten het wettelijk doel, verbindt de derden maar ook de vennootschap niet.

Het WVV brengt evenwel een grote verandering teweeg.

Wettelijke specialiteit volgens het oud W.Venn. vs het WVV

Volgens het oude wetboek wordt een vennootschap opgericht met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.

De bekwaamheid van de vennootschap en de bevoegdheid van haar organen om haar rechtsgeldig te verbinden zijn aldus beperkt tot de handelingen die de vennootschap een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel bezorgen.

Het WVV onderstreept dat één van de doelen van de vennootschap is om aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen. De wettelijke specialiteit is zo ruimer opgevat.

Onder het WVV volstaat dat de vennootschap in haar statuten de mogelijkheid inbouwt winst uit te keren aan haar vennoten of andere vermogensbestanddelen aan hen te bezorgen.

Dit heeft verstrekkende gevolgen. Vooreerst volstaat het nastreven van winstuitkeringen of vermogensbesparingen voor de vennoten.

De vennootschap moet niet in al haar verrichtingen winst beogen! De vennootschap mag bijgevolg veel meer doen dan zij onder het oude wetboek kon.

Mag de vennootschap zich borgstellen? 

De betaling van andermans schuld is in de regel in strijd met de vereiste van winstoogmerk onder het oude recht. Dit is niet zo indien dit een eigen rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel oplevert voor degene die zich verbindt. Getuige volgende rechtspraak onder het oud W.Venn.

Het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelde op 7 februari 2019 dat een vennootschap handelingen kan stellen die haar niet onmiddellijk op korte termijn doch eventueel slechts op langere termijn een voordeel opleveren.

Het arrest handelt over een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen twee vennootschappen. In het addendum bij deze overeenkomst werd bepaald: “Alle bovenstaande vennootschappen verklaren onherroepelijk, hoofdelijk en solidair, de ene bij gebreke aan de andere, gehouden te zijn tot al hetgeen zij of één van hen verschuldigd is/zijn (…)”.

Het Hof oordeelt dat de aangegane verbintenis voor betaling van de schulden van de andere vennootschappen wel degelijk verenigbaar is met de vereiste van winstoogmerk en de wettelijke specialiteit, wanneer de borstellende vennootschap ook voordelen haalt uit de samenwerkingsovereenkomst.

Wijziging in de rechtspraak onder het WVV?

Onder het oude wetboek kan een vennootschap niet schenken zonder dat hier iets tegenover staat. Tenzij zij onrechtstreeks met het oog op de behartiging van het vennootschapsdoel werd gesteld.

Zoals aangehaald moet de vennootschap niet in haar verrichtingen, in al haar handelingen winst beogen onder het WVV. Zekerheden en andere verbintenissen in het voordeel van andere al dan niet verbonden vennootschappen zijn niet langer absoluut nietig. Het beginsel van de wettelijke specialiteit volgens het WVV is dus ruimer.

De vennootschap mag bijgevolg veel meer doen dan zij onder het oude wetboek kon. Zolang de vennootschap handelt binnen haar voorwerp (het vroegere doel onder het oude W.Venn.), kan zij zelfs handelen om niet.

Conclusie

Het voorwerp van de vennootschap dient uitdrukkelijk in de statuten te worden opgenomen. Het opnemen van een voldoende ruim voorwerp in de statuten van de vennootschap biedt ten slotte een wettelijke bescherming aan de bestuurders die bij hun beslissingen rekening houden met niet-financiële belangen. Goed opgestelde statuten worden dan ook nog belangrijker.

aternio kan u bijstaan bij de opmaak van uw statuten. Contacteer ons vrijblijvend.

 


Restschenking en familiale vennootschap

Restschenking en familiale vennootschap. Hoe verenigen die twee zich met elkaar? Wel, de Vlaamse decreetgever voorziet al een tijdje in een gunstregeling voor familiebedrijven of familiale ondernemingen. Kort samengevat komt het er op neer dat er bij een overlijden een vlak tarief van 3% erfbelasting wordt toegepast. Interessanter is echter om bij leven al te plannen. U kan namelijk schenken aan 0%, dus schenken zonder hierop ook maar enige belasting te betalen. Uiteraard zijn er een aantal voorwaarden waaraan u moet voldoen om van dit gunsttarief te kunnen genieten, deze kan u nalezen in een vorige bijdrage.

Bij voorkeur koppelt men dergelijke schenkingsakte aan een aantal voorwaarden. Courante modaliteiten zijn: de zaakvervanging, het vervreemdingsverbod, het beding van eigen blijven en het (al dan niet optionele) beding van terugkeer. Maar ook de figuur van de restschenking of fideïcommis de residuo kan zijn nut bewijzen in de planning. Maar wat is dit juist en hoe moeten we dit interpreteren in het kader van een familiale vennootschap? Lees gerust verder, u komt er alles over te weten.

Restschenking of fideïcommis de residuo

Waarover gaat het nu eigenlijk? De restschenking of schenking met fideïcommis de residuo is een rechtsfiguur waarbij de schenker de gewenste goederen schenkt aan een eerste begiftigde. In diezelfde schenkingsakte stelt de schenker ook meteen dat wat er bij het overlijden van deze eerste begiftigde nog aan goederen overblijft, zal toekomen aan een tweede begiftigde. De schenker benoemt deze tweede begiftigde ook meteen in de schenkingsakte. De tweede overgang van de goederen valt daardoor ook onder de schenkbelasting. Mocht de restschenking niet opgenomen zijn, zou deze overgang onder de erfbelasting terechtkomen.

Handig om te weten is dat de figuur van de restschenking zowel in het kader van een schenking als in het kader van een legaat mogelijk is.

Combinatie met de vrijstelling schenkbelasting

Er zijn twee momenten die we in aanmerking moeten nemen: de schenking aan de eerste begiftigde en de restschenking aan de tweede begiftigde. Deze laatste is in feite een schenking onder opschortende voorwaarde. Zij krijgt pas ten volle uitwerking door de realisatie van de voorwaarde waarvan zij afhangt. Concreet: het moment van overlijden van de eerste begiftigde.

In combinatie met de regels voor familiale vennootschappen kan dit tot mooie of minder mooie situaties lijden.

Bij de schenking aan de eerste begiftigde zal meestal voldaan zijn aan de voorwaarden om van de vrijstelling van schenkbelasting te kunnen genieten. De restschenking zal hier ook van kunnen genieten, indien de vereiste voorwaarden op het moment van overlijden van de eerste begiftigde nog steeds vervuld zijn. Indien dit niet het geval is, zal op de restschenking het "normale" tarief van 3% schenkbelasting van toepassing zijn.

Wat nu indien de voorwaarden voor vrijstelling bij de eerste schenking toch niet voldaan zijn, maar wél bij de restschenking? In dat geval zal de vrijstelling toepasselijk zijn op de restschenking. Met andere woorden: op de eerste schenking zal 3% betaald worden, de tweede schenking geniet van de vrijstelling. Maar het is wel opletten geblazen. u moet het in de akte voorzien dat men zich nu of in de toekomst mogelijks op de vrijstelling wil beroepen.

Wat als de fiscaliteit wijzigt?

De Vlaamse Codex Fiscaliteit (V.C.F) stelt in artikel 2.8.7.0.2 uitdrukkelijk dat het toepasselijk tarief dat is "dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn, indien de handeling onvoorwaardelijk was". Wat wil dit nu zeggen?

Stel, u doet een schenking van uw familiale vennootschap met vrijstelling van schenkbelasting. U voorziet ook in een restschenking. Zonder de vrijstelling, zou u op de schenking 3% registratierecht betalen (tarief voor schenking van roerende goederen). In de loop der jaren past de Vlaamse decreetgever zijn tarieven aan en de schenkbelasting op roerende goederen wordt verhoogd. Door het opnemen van de restschenking in uw oorspronkelijke schenking, zijn de tarieven vastgeklikt. Op de restschenking zijn de tarieven van de oorspronkelijke schenking van toepassing.

aternio staat u graag met raad en daad bij wanneer u wil starten met uw vermogensplanning.


Een huurovereenkomst onder ontbindende voorwaarde?

Als de handelshuurder geen vergunning krijgt… zo luidt de titel van een artikel te lezen op Immovlan.be gepubliceerd op 9 augustus 2018. Het artikel is geschreven door een bekend advocatenkantoor. Geen enkele reden om dus te twijfelen aan de juistheid… Mis poes!

Er wordt uiteengezet dat een huurovereenkomst wordt gesloten door iemand die een nachtwinkel wil beginnen. De huurder bekomt naderhand evenwel geen vergunning. Wat nu? De huurovereenkomst is geldig gesloten en de huurder zal alle verplichtingen dan ook moeten nakomen. De advocaat in kwestie stelt voor om de huurovereenkomst aan te gaan onder de ontbindende voorwaarde van het bekomen van een vergunning.

Logisch toch? Maar wel wettelijk verboden!

Ontbindende voorwaarde

Het lijkt een perfecte oplossing. Er is nog geen vergunning afgeleverd maar de enthousiaste ondernemer heeft al een pand op het oog dat hij wenst te huren. Hij wilt zich toch wel verzekeren van nét die idéale locatie.

De slimme verhuurder sluit een overeenkomst met een nieuwe huurder onder de ontbindende voorwaarde van wanbetaling. Van zodra de huurder zijn huurgelden niet betaalt, is de huurovereenkomst ontbonden. De verhuurder kan de huurder uitzetten. De verhuurder moet niet meer langs de rechter.

Volgt de ondernemer het advies van de advocaat dan sluit hij een overeenkomst onder de ontbindende voorwaarde van het bekomen van een vergunning. Geen vergunning is geen huurovereenkomst. Een eenvoudige manier om een einde te stellen aan een vervelende situatie. Geen gevaar dat de ondernemer nog huurgelden zal moeten ophoesten.

Volgt hij het advies van aternio dan doet hij dat zeker niet. Uiteraard kunnen partijen overeenkomen wat ze zelf willen, maar wat als de verhuurder toch terugkomt op zijn woord? De huurder heeft geen been om op te staan.

Wettelijk verbod

Artikel 1762bis van het Burgerlijk Wetboek (BW) leest letterlijk dat een uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde voor niet geschreven wordt gehouden.

De huurovereenkomst zal dan ook gewoon bestaan! Een huurovereenkomst onder ontbindende voorwaarde is dan ook geen goed idee. De ondernemer zit vast aan de huurovereenkomst.

Een beding in een handelshuurovereenkomst dat aan de verhuurder het recht verleent om in geval van faillissement/onvermogen van de huurder of het niet verkrijgen van een vergunning de huurovereenkomst voortijdig te beëindigen is ongeldig.

Ofwel dient dit beding te worden gekwalificeerd als een uitdrukkelijk ontbindend beding, wat verboden wordt door artikel 1762bis BW, ofwel verleent dit beding een opzeggingsrecht aan de verhuurder, in welk geval het in strijd is met de door artikel 3 Handelshuurwet opgelegde minimumduur van negen jaar.

Geen buitengerechtelijke ontbinding

De partij die gebruikmaakt van dergelijke eenzijdige verbreking moet vooreerst het bestaan bewijzen van een voldoende ernstige tekortkoming van haar medecontractant.

De huurder moet zijn medecontractant bovendien op een duidelijke en ondubbelzinnige manier in kennis stellen van zijn beslissing om het contract eenzijdig te beëindigen en van de reden daarvoor.

De partij die van een eenzijdige verbreking gebruikmaakt neemt bijgevolg een risico, aangezien de beoordeling door de rechter van de ernst van de vermeende inbreuk pas a posteriori gebeurt. Een rechterlijke controle kan nooit worden uitgesloten.

De rechterlijke tussenkomst is dus vereist voordat er eventueel sprake zou kunnen zijn van een ontbinding van het huurcontract. De rechter heeft zich door middel van artikel 1762bis BW op dwingende wijze willen verzekeren van het behoud van zijn controlebevoegdheid.

Het kan door de partijen niet worden omzeild. Het inroepen van een buitengerechtelijke ontbinding door middel van een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst biedt geen soelaas.

Conclusie

Een huurovereenkomst sluiten onder ontbindende voorwaarde is wettelijk niet toegestaan. Een huurovereenkomst onder opschortende voorwaarde kan. Een handelshuurder die in afwachting is van een vergunning kan zo in alle vertrouwen alsnog een overeenkomst tekenen.

Contacteer ons zodat uw opschortende voorwaarde alvast correct is geformuleerd.


Samenwonen of niet: hoe streng is het echtelijke dak?

Verliefd, verloofd, getrouwd. Huisje, tuintje, kindje. Spreekwoorden in overvloed. "Onder traditionele omstandigheden" sluiten die vlekkeloos aan op elkaar. Maar wat logisch en natuurlijk is voor de ene, is dat niet voor de andere. Zo zijn sommige koppels overtuigd van hun liefde voor elkaar, bezegelen ze dat met een huwelijk, maar continu met elkaar onder hetzelfde dak samenwonen is de spreekwoordelijke brug te ver.

Kan u tijdens het huwelijk elk een apart domicilieadres hebben? Of (aangezien we toch met spreekwoorden aan het goochelen zijn) steekt de wetgever daar een stokje voor ?

Wat zegt de wet?

Het Burgerlijk Wetboek (BW) regelt de rechten en plichten voor gehuwden. Dit vormt het huwelijksvermogensrecht en is terug te vinden in de artikels 203 tot en met 224 BW. Voornoemde artikels vormen het primair stelsel, wat wil zeggen dat deze dwingend van toepassing zijn op alle echtgenoten. Hierop zijn geen afwijkingen mogelijk.

Artikel 213 BW omvat onder meer het samenwonen en valt middenin die dwingende regels. Dit artikel stelt letterlijk: "Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd."

Om het even technisch te benaderen: wanneer regels van dwingend recht geschonden zijn, is dit op straffe van nietigheid. Persoonsrechtelijke aspecten zijn van openbare orde, ze raken aan de essentiële elementen van de samenleving, waardoor de sanctie een absolute nietigheid is. Vermogensrechtelijke aspecten zijn van dwingend recht en vallen onder de sanctie van de relatieve nietigheid, ze raken enkel de persoonlijke belangen van de echtgenoten).

Een schending van de regels van het primair huwelijksvermogensrecht valt met andere woorden onder de sanctie van de relatieve nietigheid. Door het relatief karakter is het mogelijk om de nietige rechtshandeling later nog te bevestigen. In tegenstelling tot de absolute nietigheid mag de rechter deze nietigheid niet uitspreken tenzij een partij hem hierom verzoekt.

Wat doet de praktijk?

In de praktijk kiezen echtgenoten er soms bewust voor om het eerste deel van artikel 213 BW te vergeten en dus toch apart te blijven wonen. De redenen om niet te gaan samenwonen kunnen divers zijn. Gezien de beide echtgenoten het hierover eens zijn, en de nietigheidsgrond dus niet inroepen, is er in eerste instantie geen vuiltje aan de lucht.

Maar wat niet is, kan echter wel nog komen. Wat als één van de echtgenoten de echtscheiding wil instellen?

Feitelijke scheiding

Omwille van het aparte domicilie vallen de echtgenoten principieel onder het systeem van de feitelijke scheiding.

Maar, wanneer deze feitelijke scheiding een bepaalde periode duurt, kan dit een grond vormen tot effectieve echtscheiding. Eén van de echtgenoten kan die vordering helemaal alleen instellen zodra de feitelijke scheiding meer dan 1 jaar duurt. Basis van de echtscheiding: de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk.

Even halt houden: is dit effectief zo zwart-wit? Nee, er is geen sprake van een feitelijke scheiding ingeval van een tijdelijke verwijdering van de woonplaats. Zelfs niet wanneer zij langere tijd duurt zoals bij een verwijdering als gevolg van de beroepswerkzaamheid, ziekte, verblijf in de gevangenis, verblijf in het ziekenhuis of in een psychiatrische inrichting of in andere gelijkaardige omstandigheden.

De feitelijke scheiding vereist dus zowel een materieel element,  het apart wonen, als een intentioneel element, de wil in hoofde van minstens 1 echtgenoot om geen levensgemeenschap meer te vormen met de mede-echtgenoot.

Al het voorgaande smelt weg als sneeuw voor de zon, indien u toch terug zou gaan samenwonen.

Hoe bekijkt de fiscus dit?

Als u in een bepaald jaar feitelijk gescheiden bent, moet u in principe het volgende jaar nog een gezamenlijke aangifte indienen.

Afhankelijk van hoe de situatie van de feitelijke scheiding ontstaan is, zal dit niet altijd zo makkelijk zijn. Om hieraan tegemoet te komen, aanvaardt de administratie echter twee afzonderlijk ingediende aangiften. In dat geval zullen zij de gegevens van de twee aangiften zelf samenbrengen om toch 1 enkele gemeenschappelijke aanslag te kunnen vestigen.

Bij de online-aangifte via Tax-on-web is het voor het jaar van feitelijke scheiding alleen mogelijk om een gezamenlijke aangifte in te dienen. Als u dus twee afzonderlijke aangiften wil indienen, zal dit op papier moeten gebeuren.

Bijkomend "weetje" is dat de fiscus kan eisen dat u bijdraagt in de betaling van de belastingen van uw echtgenoot, ook al bent u feitelijk gescheiden. Dit zal afhankelijk zijn van de aard van zowel het huwelijksstelsel en deze van de belasting. In een volgende bijdrage wordt hierop dieper ingegaan..


Geen voordeel bij marktconforme vergoeding?

In een recent arrest van 28 mei 2019 spreekt het Hof van Beroep van Antwerpen zich uit in het voordeel van een belastingplichtige inzake voordelen alle aard bij betaling van een marktconforme vergoeding. Met dit arrest gaat het Hof  regelrecht in tegen de strenge visie van de Minister van Financiën. Zo past de fiscus steeds de forfaits bij voordelen alle aard toe. Met een marktconforme bijdrage van de belastingplichtige houdt de fiscus absoluut geen rekening. Het Hof van Beroep fluit de fiscus hierin nu terug.

Voordelen alle aard

Een werknemer of bedrijfsleider kan, naast een bezoldiging in geld, ook allerhande voordelen van alle aard verkrijgen in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfswagens, leningen, bewoning, verwarming en elektriciteit enz.

Deze voordelen zijn belastbaar voor de werkelijke waarde bij de verkrijger (art. 36 WIB'92).

De wetgever heeft aan de Koning de bevoegdheid verleend om de waarde van die voordelen op een vast bedrag - dus forfaitair - te ramen. De meeste forfaits vinden we terug in artikel 18 van het KB/WIB'92.

Indien het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt voornoemd forfait verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider.

Forfait versus werkelijke waarde

Al decennialang woedt de discussie of deze forfaits in alle omstandigheden moeten worden toegepast.  Niet in het minste indien een werknemer of bedrijfsleider een marktconforme vergoeding betaalt, is er dan nog sprake van een belastbaar voordeel?

In dat geval is er immers geen sprake meer van een verrijking. Men bespaart immers niet op privéuitgaven die men anders wel had moeten doen. Ook indien de betaalde marktconforme vergoeding láger is dan de wettelijke forfaits, zou er geen sprake meer mogen zijn van een belastbaar voordeel.

Fiscus is streng

Maar de fiscus is streng. De fiscus past altijd het forfait toe.  Zo bevestigde  de Minister van Financiën in het verleden duidelijk gemaakt dat de eigen bijdrage enkel kon worden afgetrokken van het forfaitair gewaardeerde voordeel, niet van de werkelijke waarde.

Met het marktconforme karakter van de bijdrage houdt de fiscus dus geen rekening. Indien de bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider dus lager is dan het forfait, wordt hij nog steeds belast op het saldo, ook al is de bijdrage marktconform.

Rechtspraak is meegaander

Het recente arrest voor het Hof van Beroep te Antwerpen betreft een zaak waarbij de zaakvoerder met zijn vennootschap een overeenkomst rekening-courant sluit. De partijen komen een interest van 4,5% overeen. De forfaitaire rentevoet uit art. 18 KB/WIB'92 bedraagt op dat ogenblik echter 9%.

De fiscus belast de zaakvoerder op het saldo, met name 4,5% (9% minus 4,5%).

Maar volgens het Hof kan er slechts sprake zijn van een voordeel indie er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen voor de lening. De belastingplichtige kan dus nog steeds het tegenbewijs leveren dat het werkelijke voordeel lager ligt. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet kan leveren, is het forfait zonder meer van toepassing.

In deze zaak toont de zaakvoerder aan dat de aangerekende interestvoet van 4,5% marktconform (zoals tussen onafhankelijke contractspartijen) is. De aangerekende interestvoet is dus een evenwaardige tegenprestatie.

Het Hof besluit dus dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt dan de forfaire rentevoet zodat er in casu geen sprake meer is van een belastbaar voordeel alle aard.

Besluit

Eén zwaluw maakt de lente natuurlijk nog niet. Maar deze rechtspraak geeft wel moed en is hopelijk de voorbode voor meer. Deze uitspraak is bovendien niet enkel relevant voor leningen, maar  voor alle andere forfaitaire ramingen van voordelen alle aard.