Private equity vennootschap revisited: beleg op een andere wijze.

Een private privak is een niet-genoteerde beleggingsvennootschap via hetwelk  private beleggers risicodragend investeren in niet-genoteerde ondernemingen. Dit private equity vehikel biedt investeerders de mogelijkheid om te beleggen in ondernemingen zonder gebruik te maken van een eigen vennootschap. Het fiscaal vriendelijk karakter van een private privak is een absolute bonus.

Door een gemis aan flexibiliteit is het succes echter zeer beperkt gebleven. Daarom is in de zomer van 2018 de private privak, voor de derde keer sinds haar wettelijke invoering in 2003, aangepast. Is het ditmaal de goed keer?

Versoepeling juridisch kader

Voortaan kan de private privak werkelijk controle uitoefenen over de vennootschappen  in haar portfolio. Hiermee wordt één van de grote hindernissen weggenomen die succes in de weg stonden. Het is nu immers mogelijk dat de private privak actief betrokken is bij het beleid van de vennootschappen waarin zij investeert. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten door aanwezigheid in het bestuur of door het geven van adviezen.

Een tweede hindernis die is opgeruimd betreft de duurtijd van de private privak. De initiële maximale looptijd van 12 jaar is voortaan verlengbaar. Indien de statuten dit voorzien kunnen de aandeelhouders tot tweemaal verlengen, telkens met een periode van maximaal 3 jaar. Dit is mogelijk nuttig in moeilijke economische tijden. Een verlenging vereist een goedkeuring door 90% van de stemmen die minstens 50% van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.

De minimale investering van een belegger in de private privak bedraagt nu 25.000 euro. Door de oorspronkelijke  drempel van 100.000 euro te verlagen komt een bredere groep van beleggers in aanmerking. Om niet te vallen onder de regels van openbare aanbiedingen moet het aanbod evenwel worden voorgesteld aan minder dan 150 investeerders.

Het aantal investeerders of aandeelhouders blijft ongewijzigd, ten minste zes niet-verbonden aandeelhouders zijn vereist. Aandeelhouders met stemrecht mogen in principe niet met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen. Verbonden aandeelhouders kunnen ervoor kiezen om als één aandeelhouder te worden beschouwd. Aandeelhouders die door familiale of aanverwante band tot de vierde graad met elkaar verbonden zijn, worden als één aandeelhouder gerekend.
Binnen de private privak is de creatie van verschillende compartimenten mogelijk. Dit zijn van elkaar onderscheiden delen zodat winst of verlies van het ene compartiment geen impact heeft op mogelijke dividenduitkeringen van een ander compartiment. Een compartiment vereist minimaal 6 niet verbonden aandeelhouders.

Belastinghervorming

Aan een private privak zijn een aantal fiscale gunstregelingen verbonden. Hierdoor is de private privak zelf nagenoeg vrijgesteld van belastingen. Voor de investeerder heeft de private privak het grote voordeel dat zij fiscaal neutraal is. Een minder gunstige fiscale behandeling dan een rechtstreekse investering is aldus uitgesloten. Indien de private privak haar wettelijke verplichtingen niet nakomt zal zij aan het normale stelsel van vennootschapsbelasting onderworpen worden.

Een voorafgaandelijk en blijvend inschrijving op de lijst van de private privaks bij de FOD Financiën is  vereist. Deze inschrijving houdt geen enkele beoordeling in van de opportuniteit en de kwaliteit van de verrichtingen of van de positie van de private privak.

Nieuw is de invoering van een belastingvermindering voor de minderwaarden die worden gerealiseerd op aandelen van een private privak opgericht vanaf 1 januari 2018. Deze vermindering is wel niet combineerbaar met ‘Tax Shelter for start-ups”. Naar aanleiding van de totale verdeling van de activa van de private privak geldt een belastingvermindering gelijk aan 25% van deze minderwaarde, met een plafond van 25.000 €. De minderwaarde is gelijk aan het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal verminderd met  (a) de ontvangen som bij verdeling en (b) de dividenden die de aandeelhouder heeft ontvangen.

Er is ook een indirect VVPRbis regime gecreëerd. Hierdoor kunnen investeerders toch genieten van de verlaagde roerende voorheffing van 15% of 20%. Vanzelfsprekend moet de private privak dan geïnvesteerd hebben in VVPRbis-aandelen.

Om dubbele belasting van dividenden te voorkomen, is een vrijstelling van roerende voorheffing ingevoerd bij  doorstorting van Belgische dividenden door de privak. Dit kan louter indien er roerende voorheffing verschuldigd was en deze niet is gecrediteerd door de private privak.

Conclusie

Dankzij de herwerkte juridische en fiscale regels is de private privak absoluut interessant. Het is een flexibel, fiscaal transparant en tijdelijk vehikel waarin meerdere personen kunnen beleggen in interessante investeringsdossiers. Voor niet-genoteerde ondernemingen kan het een mogelijk alternatief zijn voor bankkredieten en beursnoteringen ter financiering van hun investeringsprojecten.

Contacteer onze juristen bij specifieke vragen met betrekking tot de private privak.


Conventioneel gecreëerde huwgemeenschap

Echtgenoten kunnen middels een huwelijkscontract kiezen voor een conventionele huwgemeenschap. Dit betekent dat zij zelf de regels vastleggen voor de samenstelling, de vereffening en de verdeling van deze gemeenschap. Dergelijk gemeenschapsstelsel is duidelijk te onderscheiden van de wettelijke gemeenschap. De rechten inzake bestuur en de rechten va de schuldeisers zijn echter "untouchable".

Wettelijk stelsel: mag het een ietsje meer zijn?

Gehuwden onder het wettelijk gemeenschapsstelsel hebben de vrijheid om eigen goederen alsnog in gemeenschap te brengen. Dit kunnen zowel specifieke actuele goederen betreffen als nog toekomstig te verwerven goederen uit schenkingen of erfenissen. Het kan zowel om roerende als onroerende goederen gaan.

Indien echtgenoten beslissen om al hun huidige en toekomstige goederen in gemeenschap te brengen, dan kiezen zijn voor het stelsel van algehele gemeenschap. Er zijn in dit geval geen eigen vermogens.

Anticipatieve inbreng van een onroerend goed door ongehuwden

De anticipatieve inbreng van een onroerend goed is een nieuwigheid voor een ongehuwd koppel dat samen een onroerend goed aankoopt in onverdeeldheid. Het is echter niet uitgesloten dat ze later trouwen, mogelijk hebben zij  de wens om dit voorhuwelijks goed alsnog in gemeenschap te brengen. De mogelijke redenen hiervoor zijn divers. Zo kan het voordelen bieden inzake financiering of bestuur.

Zonder de nieuwe wettelijke bepaling leidt de uitvoering van deze wens tot het opstellen van een huwelijkscontract waarin zij bepalen dat het voorhuwelijks aangekochte onroerende goed in gemeenschap wordt gebracht. Dit brengt natuurlijk kosten met zich mee.

Om geen extra moeite of kosten te moeten doen voorziet de wet nu in een clausule van anticipatieve inbreng in de aankoopakte. Middels dergelijke clausule zal het onroerend goed bij een later huwelijk automatisch tot de huwgemeenschap behoren.

Niets belet de echtgenoten echter om terug te komen op deze anticipatieve clausule en er via een huwelijkscontract alsnog van af te wijken.

Schulden ingevolge inbreng in gemeenschap

Een nieuwe wettelijke regeling is er ook voor schulden ingevolge een inbreng in gemeenschap. Het speelt hierbij geen enkele rol of het een standaardinbreng of anticipatieve inbreng betreft.

Voortaan zijn de nog openstaande schulden op het ogenblik van de inbreng en die door de inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, ten laste van het gemeenschappelijk vermogen. Deze regel is evenwel niet dwingend en het staat de echtgenoten vrij om hieromtrent een andersluidende overeenkomst te maken.

Toepassing in de tijd

De bepalingen met betrekking tot de gevolgen van de inbreng zijn van toepassing vanaf 1 september 2018. Behoudens indien het huwelijkscontract voorziet in een afwijkende regeling  zijn de regels ook van toepassing op eerdere inbrengen. Voor wie nog niet gehuwd is een verklaring van anticipatieve inbreng mogelijk vanaf 1 september 2018.


Beroepsgeheim geen absolute bescherming tegen fiscus

De vraag of de fiscus een aanslag kan vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs is en blijft een punt van discussie. Het Hof van Cassatie spreekt zich terug opmerkelijk uit over deze vraag.

Antigoon-toets

Het Hof van Cassatie oordeelde reeds op 22 mei 2015 dat de feitenrechter niet steeds onrechtmatig verkregen bewijs moet weren. Dergelijk bewijs moet slechts geweerd worden indien de manier van verkrijging op een zodanige wijze indruist tegen wat de burger van een behoorlijk handelende overheid mag verwachten.

Dit is het geval zodra het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is of het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Hiermee heeft het Hof van Cassatie de fiscale Antigoon-toets gecreëerd. De Antigoonleer stelt dat onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken toch gebruikt mag worden. Een mijlpaalarrest dus op fiscaal vlak.

Sindsdien kan de fiscale administratie een aanslag vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs. Het komt de feitenrechter toe om op grond van de Antigoon-toets te beoordelen of het onrechtmatig bewijs geweerd wordt. Het Hof van Cassatie reikt in zijn arrest enkele criteria aan waarop de feitenrechter zich kan baseren.

Hof van Justitie gaat niet akkoord

Niet veel later oordeelde het Europese Hof van Justitie echter tegenovergesteld. Het Hof van Justitie meende dat de schendig van een door het Unierecht gewaarborgd recht de aanwending van het bewijs in de weg stond. (HvJ 17 december 2015, C-419/14)

In de rechtsleer bestaan er verschillende interpretaties over de verhouding van het arrest van het Hof van Justitie ten opzichte van het Hof van Cassatie. Sommige menen dat het Hof van Justitie de Antigoon-toets van het Hof van Cassatie aan de kant schuift. Anderen zijn milder en menen dat het arrest van het Hof van Justitie enkel betrekking heeft op btw-zaken.

Ondanks de onzekere interpretatie is het duidelijk dat het Hof van Cassatie zich niet aan de kant laat zetten door het Hof van Justitie.

Bewijs verkregen door miskenning van beroepsgeheim mag ook

Onlangs bevestigde het Hof van Cassatie opnieuw haar eerdere Antigoon-rechtspraak. Zij gaat zelf nog een stap verder door te oordelen dat de fiscus of feitenrechter bewijs verkregen door miskenning van het beroepsgeheim ook kan aanwenden. (Cass. 18 januari 2018, F.16.0031.N)

De fiscus voerde een onderzoek waarbij zij inlichtingen verkreeg van de advocaat van de belastingplichtige. Op basis van deze inlichtingen vestigde zij een aanslag wegens het niet aangeven van beroepsinkomsten. De belastingplichtige ging hier niet mee akkoord vanwege schending van het beroepsgeheim door de advocaat. De belastingplichtige stapte naar de rechtbank te Brussel en vervolgens het Hof van Beroep. Bij beide ving de belastingplichtige bot. Als laatste redmiddel wendde hij zich tot het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie bevestigt evenwel de fiscale Antigoon-rechtspraak. Daarbij meent het Hof dat bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim ook aan de Antigoon-toets moet worden onderworpen.

Het Hof van Cassatie concludeert dat het weren van bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim niet per definitie moet. Daarentegen zegt zij evenmin dat dergelijk bewijs steeds toegelaten is. Met andere woorden het Hof blijft haar eerdere visie trouw.

Relatie met recht op een eerlijk proces

Aangezien het recht op beroepsgeheim deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, is dit arrest opmerkelijk. Daarnaast lijkt het erop dat het Hof van Cassatie zich niet concreet heeft willen uitspreken. Naast het vasthouden aan haar eerder gecreëerde Antigoon-toets, heeft het Hof weinig opgelost van de discussiepunten.

Het arrest bepaalt dat de feitenrechter bevoegd is om te oordelen of het onrechtmatig verkregen bewijs geweerd moet worden.  Hierbij dient de rechter na te gaan of het onrechtmatig verkrijgen bewijs indruist tegen wat van een behoorlijk handelde overheid verwacht mag worden en of het recht op een eerlijk proces is belemmerd.

In casu had de advocaat zich niet beroepen op zijn beroepsgeheim en deze inlichtingen verstrekt op loutere vraag van de fiscus. Als gevolg, argumenteerde de rechter dat de handeling van de fiscus niet als onbehoorlijk kan aanzien worden.

Tip: gebruik het beroepsgeheim

Een vertrouwenspersoon, zoals een advocaat of een accountant,  kan hieruit lessen trekken en zich bij vragen van de fiscus beter beroepen op zijn beroepsgeheim. Indien de fiscus dan alsnog het bewijs verkrijgt op grond van miskenning van het beroepsgeheim, lijkt de kans groter dat het geweerd zal moeten worden. Uiteraard blijft de finale beoordeling tot de bevoegdheid van de feitenrechter behoren.


Levensverzekering en gehuwden in een stelsel van gemeenschap

Individuele levensverzekeringen en gehuwden in een stelsel van gemeenschap, het is al vele jaren voer voor verwarring en discussie. Bijvoorbeeld: is er een vergoeding verschuldigd, is de verzekeringsprestatie eigen of gemeenschappelijk, wat bij en na een echtscheiding? De nieuwe huwelijksvermogensregels kaderen en verduidelijken het vermogensrechtelijk statuut van uitkeringen van individuele levensverzekeringen.

Individuele levensverzekering

De nieuwe regeling is uitsluitend van toepassing voor uitkeringen van individuele levensverzekeringen en niet voor groepsverzekeringen. Individuele levensverzekeringen vertrekken namelijk vanuit een persoonlijk initiatief van de verzekeringsnemer en vallen, in tegenstelling tot groepsverzekeringen, niet onder  de sociale zekerheidswetgeving. Daarenboven verschillen beide verzekeringen wezenlijk qua financiering en uitbetaling.

Vertrekpunt is  dat het contract van levensverzekering is afgesloten door een verzekeringsnemer die gehuwd is in een gemeenschapsstelsel. De levensverzekeringsuitkeringen kunnen bijvoorbeeld in kapitaal of in afkoopwaarde zijn.

Uitkering tijdens het huwelijk

Klassiek voorbeelden zijn de pensioenspaarverzekering uitgekeerd tijdens het huwelijk of  de beleggingsverzekering afgekocht tijdens het huwelijk.

Indien de premies merendeel betaald zijn met gemeenschappelijke gelden dan zijn de latere uitkeringen tijdens het stelsel gemeenschappelijk. Het is dus onbelangrijk dat een deel van de premies met eigen gelden is betaald, wel zal het eigen vermogen een vergoeding krijgen voor de met eigen middelen betaalde premies.

Zijn de premies daarentegen hoofdzakelijk betaald met eigen gelden dan komt de uitkering  terecht in het eigen vermogen van de begunstigde. In dergelijk scenario ontvangt de huwgemeenschap een vergoeding voor de met gemeenschapsgelden betaalde premies.

Uitkering wegens overlijden

Als de uitkering plaats vindt wegens overlijden zijn twee mogelijkheden te onderscheiden.

1. Levensverzekering afgesloten door een echtgenoot (A) ten gunste van zijn mede-echtgenoot (B)

Dit is wat men noemt een AAB-configuratie, de verzekering is afgesloten door echtgenoot A op zijn eigen hoofd, ten voordele van echtgenoot B. In dit geval zegt de wet dat de uitkering een eigen goed is van de langstlevende (B), ook al zijn de premies uitsluitend met gemeenschapsgelden betaald.

Echtgenoot B is hiervoor geen vergoeding verschuldigd aan de gemeenschap. Het is echter niet uitgesloten dat er sprake is van een schenking indien zou blijken dat er intentie was om te begiftigen. Schenkingen die onrechtstreeks via aan levensverzekering tot stand komen zijn onderworpen aan inkorting.  Voor zover dit uitdrukkelijk bedongen is in de verzekeringsovereenkomst, ook aan inbreng.

2. Levensverzekering afgesloten door een echtgenoot (A) die het overlijdensrisico van zijn mede-echtgenoot (B) wil dekken ten gunste van zichzelf (A)

Dit is wat men noemt een ABA-contract. Ook in dit geval is de uitkering een eigen goed van de langstlevende (A), zelfs al zijn de premies met gemeenschapsgelden betaald. In tegenstelling tot vorig scenario is wel degelijk een vergoeding verschuldigd aan de huwgemeenschap.

Geen opeisbare uitkering bij ontbinding van het stelsel

Twee scenario's zijn mogelijk. Primo het stelsel wordt ontbonden door echtscheiding of door conventionele omzetting naar een ander huwelijksstelsel. Secundo het is de begunstigde van het levensverzekeringscontract die overlijdt en niet de verzekerde. In beide gevallen is de verzekeringsprestatie niet opeisbaar bij de ontbinding van het huwelijk.

De kwalificatieregels bepalen dat de vorderbare netto-afkoopwaarde van het verzekeringscontract, op datum van ontbinding van het stelsel, een eigen goed is van de verzekeringnemer. Wanneer meer dan de helft van de premies zijn betaald door de gemeenschap, dan heeft de huwgemeenschap recht op een vergoeding. Deze vergoeding kan nooit kleiner zijn dan  de betaalde premies.

Toepassing in de tijd

De besproken regels gelden voor verzekeringsprestaties verschuldigd vanaf 1 september 2018.  Ze zijn ook van toepassing voor de berekening van afkoopwaarden vanaf 1 september 2018.

Voormelde regels inzake het vermogensrechtelijk statuut van uitkeringen van individuele levensverzekeringen zijn echter niet van dwingende aard. Middels huwelijkscontract kunnen andere schikkingen worden getroffen met betrekking tot hun individuele levensverzekeringen.


Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, juryleden, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.

Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.


Huwen met (zuivere) scheiding van goederen

Het huwelijksvermogensrecht heeft sinds 1 september 2018 een heuse make-over beleefd. Eerder hebben we het al gehad over het gemeenschappelijk stelsel. Er is ook nog het stelsel van scheiding van goederen.

De wetgever heeft met het idee is gespeeld om de zuivere scheiding van goederen niet langer toe te staan. Uiteindelijk is het ook na 1 september 2018 nog mogelijk om de keuze te maken voor een stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Scheiding van goederen: zuiver of niet?

Wat is dat scheiding van goederen? Het stelsel van scheiding van goederen kent twee substelsels: de zuivere scheiding en de scheiding met corrigerende clausules.

De zuivere scheiding van goederen is het meest drastisch. Er is namelijk géén gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot heeft enkel zijn of haar eigen vermogen. Vanzelfsprekend kunnen de echtgenoten wel samen goederen bezitten in onverdeeldheid. Tegenstanders van het behoud van de zuivere scheiding vonden dat liefde en vermogensrechtelijke solidariteit moeten primeren. Uiteindelijk hebben de voorstanders het gehaald en geldt contractuele vrijheid ook bij een huwelijk. Maar ...

Voortaan geldt een dubbele set van bepalingen vooraleer men kan huwen onder zuivere scheiding van goederen. Ten eerste bepaalt de wet zelf welke corrigerende bepalingen mogelijk zijn. Het beding van verrekening van aanwinsten is hierbij de grote promotiekampioen, hierover dadelijk meer. Ten tweede krijgt de notaris een duidelijke informatieplicht. In het huwelijkscontract moet namelijk expliciet verwezen worden naar de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.

Bewijs van schuldvordering en andere aanpassingen

Zowel het bewijs van eigendom als het bewijs van schuldvordering kan voortaan geleverd worden door getuigen, vermoedens en 'algemene bekendheid'. Het wettelijk bewijssysteem en de eis voor een geschrift vanaf 375 euro gelden niet tussen echtgenoten.

De echtgenoot die goederen heeft beheerd van de andere moet zich verantwoorden over het beheer en in het bijzonder de inkomsten die tijdens dit beheer zijn geïnd. Hiermee volgt de wetgever het Grondwettelijk Hof dat eerder had geoordeeld dat de verplichting tot rekening en verantwoording essentieel zijn voor elke lastgeving. De echtgenoot-beheerder is dus niet vrijgesteld van deze verantwoording.

Het verkoopverbod tussen echtgenoten is afgeschaft en er is geen rechterlijke machtiging meer nodig bij aankoop van het aandeel van de andere echtgenoot in een onverdeeld goed.

Corrigerende clausules

Zoals al aangeven is het mogelijk om het stelsel van de scheiding van goederen te modaliseren. In dit geval is er geen sprake meer van zuivere scheiding van goederen. Uiteraard moeten de toegevoegde bedingen verenigbaar zijn met het stelsel van scheiding van goederen.

Voorbeelden van toegelaten corrigerende clausules zijn bedingen met betrekking tot bewijsvoering inzake eigendom en schuldvordering, verrekenbedingen tussen vermogens, bedingen inzake regeling van onverdeeldheden die tussen echtgenoten zouden bestaan.

Het gevaar schuilt vooral in de externe werking (ten aanzien van schuldeisers) bij de creatie van een gemeenschap , een doel- of bestemmingsvermogen of onverdeeldheid. Zolang geen regels van het gemeenschappelijk stelsel van toepassing worden verklaard is er geen punt. De toevoeging van een verrekenbeding zorgt niet voor problemen op dit vlak.

Verrekenbedingen

Al wie een beding van verrekening van aanwinsten toevoegt, is onderworpen aan wettelijke bepalingen terzake (art. 1469/1 tot /13 BW). De wet bepaalt hoe men de vergelijking maakt tussen het eindvermogen en het aanvangsvermogen.  Dit verschil is de vermogensaanwas. De echtgenoot die meer vermogensaanwas heeft verwezenlijkt dan de andere echtgenoot is een bedrag verschuldigd gelijk aan de helft van het verschil.

De precieze vaststelling van het aanvangs- en eindvermogen is eveneens wettelijk geregeld. Zo moet men rekening houden met schulden, erfenissen en schenkingen of het verkwistend of bedrieglijk omgaan met het vermogen. De wet laat toe dat echtgenoten afwijken van de wettelijke regels. Het is dus perfect mogelijk om de verrekening te beperken tot enkele goederen of andere verrekensleutels te voorzien bij overlijden of echtscheiding.

Huwelijksvoordelen

Huwelijksvoordelen zijn de voordelen die ontstaan uit de werking, de samenstelling en de vereffening of verdeling van het stelsel. In principe is een toegekend huwelijksvoordeel nooit een gift en dus niet onderworpen aan de schenkingsregels. Dit is absoluut het geval bij een gelijke verdeling van aanwinsten. Hetgeen impliceert dat kinderen niet kunnen inroepen dat hun erfrechtelijke reserve is aangetast. Dit is ook zo in een stiefouderrelatie.

Bij een stelsel van scheiding van goederen, bijvoorbeeld aangevuld met een verrekenbeding, of een intern gemeenschappelijk vermogen, zal het toegekende voordeel aan de langstlevende niet als een gift worden aanzien. Geen risico op inkorting mits rekening te houden met de wettelijke bepalingen inzake samenloop met gemeenschappelijke (en eventueel niet gemeenschappelijke) kinderen.

Billijkheidscorrectie bij echtscheiding

Echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen kunnen bij echtscheiding aan de rechter vragen om een billijkheidscorrectie. Dergelijke correctie is een compensatie onder de vorm van een beperkte verrekening van aanwinsten. Voorwaarden zijn wel dat de verzoekende echtgenoot kan aantonen dat (a) de omstandigheden sinds het sluiten van het huwelijkscontract onvoorzien en ongunstig zijn gewijzigd en (b) dat er niet voldoende eigen vermogen is.

Door de rechterlijke correctie is het mogelijk om de manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot te remediëren. De compensatie is beperkt tot één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk, verminderd met de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoeker.

Een eenvoudig voorbeeld ter illustratie. De vrouw heeft aanwinsten voor 800 en de man heeft aanwinsten van 100. Samengevoegd is dit 900. Mits te voldoen aan de voorwaarden kan de man daarvan één derde eisen (300) verminderd met de eigen aanwinsten (100). De rechter kan maximaal 200 toekennen.

Echtgenoten kunnen ervoor opteren deze billijkheidscorrectie contractueel uit te sluiten. Ze is immers niet dwingend van aard. Een uitsluiting vereist wel dat de keuze expliciet wordt gemaakt in het huwelijkscontract. Bovendien  is de notaris op straffe van aansprakelijkheid verplicht de echtgenoten op de keuze te wijzen en de notaris maakt hiervan ook uitdrukkelijk melding.

De billijkheidscorrectie geldt niet voor echtgenoten die voor 1 september 2018 zijn gehuwd, ongeacht de datum waarop ze uit de echt scheiden.

Conclusie

Huwen onder zuivere scheiding van goederen is nog altijd toegestaan. De mogelijkheden om een stelsel van scheiding van goederen te moduleren met corrigerende clausules maakt het het stelsel interessant. De keuze voor een rechterlijke billijkheidsclausule kan bij echtscheiding helpen om de manifest onbillijke gevolgen na onvoorziene en ongunstige wijzigingen te beperken.

Samen met uw notaris kunnen de juristen van aternio u helpen bij het maken van de meest aangewezen keuze.


Hype van auteursrechten ontgaat ook fiscus niet!

Steeds meer ondernemingen betalen aan hun werknemers of bedrijfsleiders vergoedingen voor de cessie of concessie van auteursrechten, vanwege het fiscaal gunstig karakter. De tsunami aan vragen bij de rulingcommissie hieromtrent is enorm. De rulingcommissie wordt in ieder geval strenger bij het beoordelen van de voorwaarden en de modaliteiten van de vergoeding.

Is alles zomaar een werk dat auteursrechten verleend?

Werken die aan de hierna genoemde voorwaarden voldoen, vallen onder de auteurswet. Het auteursrecht beschermd precies deze werken.

Vooreerst dient het werk door creativiteit tot stand te zijn gekomen. Dit betekent concreet dat het werk het veruitwendigen van de creatieve geest moet zijn. Dit mag zowel literair als artistiek zijn. Voorbeelden zijn schilderijen, beeldhouwwerken, computerprogramma’s, geschreven artikels, …

Als tweede voorwaarde geldt dat het werk zintuiglijk waarneembaar moet zijn. Dit is te verklaren doordat het auteursrecht de vorm beschermd. Het loutere idee of concept achterliggend wordt niet door het auteursrecht beschermd.

Daarnaast stelt de wetgever dat het werk origineel dient te zijn. De wetgever meent dat er sprake is van originaliteit wanneer het werk de persoonlijkheid van de auteur vertoont. Dit houdt in dat het werk reeds eerder mag vertoont of gemaakt zijn. Het is daarentegen wel van essentieel belang dat de auteur zijn eigen persoonlijkheid in het werk legt. Hij dient er aldus een persoonlijke toets aan te geven.

Werknemer is auteur, maar wat met werkgever?

Het komt heel vaak voor dat een werknemer een auteurswerk maakt in opdracht van een werkgever. De werkgever-onderneming gebruikt dit werk voor de exploitatie van zijn onderneming. Indien een cessie of concessie van auteursrechten vergoed wordt, is dit een roerend inkomen in hoofde van de werknemer. Hoewel de werknemer dit meestal ervaart als loon, heeft deze vergoeding een andere fiscaal regime.

Fiscaal regime

Eerst en vooral is de belastingdruk op dergelijke vergoedingen lager. Op de vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt namelijk slechts 15% roerende voorheffing ingehouden.

Wat de kosten betreft, kent dit regime ook een aantrekkelijk kostenforfait.

Het staat iedereen vrij om te kiezen voor het forfait dan wel de werkelijke kosten. Deze werkelijke kosten dienen dan wel bewezen te worden. 

Belang van een ruling

Aangezien het niets steeds evident is om te beoordelen of een werk al dan niet als auteurswerk wordt gekwalificeerd, is het handig om een ruling aan te vragen. In een eerdere bijdrage gaven we reeds aan wat een ruling inhoudt en hoe de procedure verloopt. Kort samengevat, een ruling geeft fiscale rechtszekerheid.

Indien een ruling bevestigt dat een werk als auteurswerk gekwalificeerd kan worden, dan zullen de vergoedingen voor de cessie of concessie van het werk  ook al roerend inkomen beschouwd worden.

Daarnaast zal bij de ruling ook de omvang van de vergoeding beoordeeld worden, waardoor ook hierover rechtszekerheid bestaat.

Rulingcommissie verstrengt haar beoordeling

Het toekennen van vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt steeds meer toegepast. Om het specifieke karakter van de vergoeding te bewaren, heeft de rulingcommissie  doorheen de jaren haar beoordeling verstrengd. Vooral omtrent de grootte van de vergoedingen zien we in de recente rulings een strengere aanpak.

Volgens de rulingcommissie moet er een onderscheid gemaakt worden tussen vergoedingen uit de cessie of concessie van de auteursrechten en het loon dat de werknemer en/of bedrijfsleider krijgt om zijn functie uit te oefenen. Natuurlijk kunnen beide in elkaar vloeien wanneer een werknemer en/of bedrijfsleider binnen de uitvoering van hun functie een auteurswerk tot stand brengt. Hoe dan ook mag het niet de bedoeling zijn om loon te vervangen door dergelijk roerend inkomen.

Zeker wat betreft bedrijfsleiders is de rulingcommissie heel streng. Zij zal de grootte van de vergoeding steeds beoordelen in functie van de omzet, gerealiseerd door middel van het auteurswerk. Dit houdt in dat de vergoeding steeds marktconform dient te zijn.

Daarnaast kijkt de rulingcommissie in haar beoordeling ook naar de invloed op de boekhoudkundige winst en de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders

Conclusie

Vergoedingen uit de cessie of concessie van een auteurswerk toekennen aan werknemers en/of bedrijfsleiders is fiscaal voordelig. Maar let goed op de voorwaarden. Indien u graag rechtszekerheid wenst, is een ruling aanvragen steeds een goed idee.

Denkt uw onderneming eraan dergelijke vergoedingen toe te kennen? Contacteer aternio om u te adviseren en bij te staan.


Erfenis belastingvrij naar kleinkinderen via doorgeefschenking

Stel u erft van uw ouders een mooie som geld. Maar u bent inmiddels 60 jaar en heeft het geld eigenlijk niet meer nodig. Uw kinderen daarentegen, prille dertigers, zouden het geld goed kunnen gebruiken voor de verbouwing van hun huis of de start van hun eigen zaak.

De oplossing bestaat erin om uw erfenis onmiddellijk door te schenken aan uw kinderen, dus de kleinkinderen van de erflater. Dit is de zogenaamde “doorgeefschenking”.

Belastingvrij vanaf 1 september 2018

Vanaf 1 september 2018 kan u in Vlaanderen een deel van uw erfenis meteen aan uw kinderen of kleinkinderen doorschenken zonder schenkbelastingen te betalen, mits u aan een aantal voorwaarden voldoet.

Het vermogen van de grootouders komt bij zo’n generatiesprong rechtstreeks in het vermogen van de kleinkinderen terecht.

Voorwaarden m.b.t. erfenis

De erfenis belastingvrij doorschenken kan op voorwaarde dat de erflater na 31 augustus 2018 is overleden. Op de erfenis moet ook reeds erfbelasting zijn geheven door het Vlaams Gewest.  De erflater zal dus de laatste vijf jaar vóór zijn overlijden in Vlaanderen (niet Brussel of Wallonië) moeten hebben gewoond.

Voorwaarden m.b.t. doorgeefschenking

Aan de schenking zelf zijn ook enkele voorwaarden verbonden.

-Ten eerste moet de erfenis binnen het jaar na het overlijden van de erflater worden doorgeschonken.

-Verder geldt de schenking enkel aan ‘afstammelingen’, dit zijn dus de kinderen, kleinkinderen enz. Ook stiefkinderen zouden hieronder vallen.

-De doorgeefschenking kan ook pas gebeuren indien de erfbelasting werkelijk is betaald, en dit om misbruik tegen te gaan.

-De schenking moet gebeuren bij notariële akte en mag geen opschortende voorwaarden of termijnen bevatten.

-Tot slot kan voor de fiscale vrijstelling de waarde van de schenking niet hoger zijn dan de waarde van de geërfde goederen.

Enkel waarde schenken volstaat.

We geven ook nog even mee dat het volstaat om enkel de waarde van de erfenis te schenken, en niet per se de goederen zelf. Een voorbeeld ter verduidelijking: indien u een effectenportefeuille ter waarde van € 300.000 erft van uw ouders, kan u de som van € 300.000 doorschenken aan uw kinderen, zonder dat u de portefeuille zelf uit handen moet geven.

 


Wettelijk stelsel: beroepsinkomsten en professionele autonomie in het nieuw

Zoals reeds in een introductiebijdrage is geschreven is het Belgisch huwelijksvermogensrecht sinds 1 september 2018 vernieuwd. Zo zijn een aantal nieuwe regels geïntroduceerd inzake het wettelijk stelsel met  betrekking tot beroepsinkomsten en professionele autonomie.

Wettelijk stelsel - gemeenschap van aanwinsten

De basis van het wettelijk stelsel is door de nieuwe wetgeving niet veranderd. Het is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Wat impliceert dat vooral de beroepsinkomsten vallen binnen het gemeenschappelijk vermogen, net zoals de spaaropbrengsten die deze inkomsten genereren. Alle bezittingen (activa) en alle schulden (passiva) waarvan men niet kan bewijzen dat ze eigen zijn, zijn gemeenschappelijk.

Elke bijzaak (accessorium) van een eigen goed is voortaan ook een eigen goed. Hierbij bestaat geen onderscheid tussen roerende en onroerende goederen. Daarenboven is een roerend goed eigen zodra het voor meer dan vijftig percent betaald is met eigen gelden.

Beroepsinkomsten

Enkel de beroepsinkomsten waarvan het recht op die inkomsten is ontstaan door arbeid of prestaties tijdens het bestaan van de huwgemeenschap vallen in de gemeenschap. Wat ervoor of erna is verdiend valt er buiten. Dit is nu in het bijzonder geregeld voor de opzeggingsvergoeding en de vergoeding van persoonlijke schade.

De opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst komen aan de gemeenschap toe voor dat deel dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het wettelijk stelsel loopt.

Bij uitkeringen ter vergoeding van persoonlijke schade, bijvoorbeeld naar aanleiding van een arbeids- of verkeersongeval, onderscheiden de schadecomponenten zich ook voor het huwelijksvermogensstelsel. Wat betekent dit concreet?

Schadevergoeding tot herstel van persoonlijke ongeschiktheid die geen betrekking hebben op economische waardeerbare gevolgen van aangetaste fysieke of psychische integriteit, is eigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vergoedingen die pijnen of beperkingen, als gevolg van het letsel, compenseren in het dagelijkse leven.

Schadevergoedingen die daarentegen huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel compenseren behoren toe aan de gemeenschap. Hiervan is sprake bij vergoedingen voor de aantasting van het potentieel om huishoudelijke, professionele of lucratieve taken te verrichten. Ook de vergoeding voor de aantasting van de concurrentiekracht op de arbeidsmarkt is hiervan een voorbeeld.

Professionele autonomie

Hoewel de beroepsinkomsten tot de gemeenschap behoren moet elke echtgenoot voldoende autonomie hebben om een eigen professionele loopbaan te ontwikkelen. Inmenging van de andere echtgenoot in deze keuze is in principe niet geoorloofd.

Dit blijkt voldoende uit het basisprincipe waarbij elke echtgenoot, zolang de belangen van het gezin niet in gevaar komen, het recht heeft een beroep naar keuze uit te oefenen. Daarenboven int elke echtgenoot zijn eigen beroepsinkomen. Weliswaar met inachtneming van de juiste bestedingsvolgorde: beroepsinkomsten dienen bij voorrang voor de gezinslasten en het overschot mag vervolgens professioneel besteed worden.

In het verlengde van de professionele autonomie geldt dat elke echtgenoot eigenaar kan zijn van zijn professionele uitrusting. Dit laatste ook bij ontbinding van het stelsel.

Professionele uitrusting

De opsplitsing tussen het titularis zijn van het recht ('titre') en de vermogenswaarde ('finance') van het goed geldt voortaan ook voor de professionele uitrusting. Het recht om te handelen als eigenaar van de professionele uitrusting is eigen, de vermogenswaarde op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel is daarentegen gemeenschappelijk.

Goederen, zowel onroerend als roerend, die een echtgenoot exclusief professioneel gebruikt zijn zonder meer eigen. Bijgevolg kan deze echtgenoot zich ook als eigenaar ('titre') gedragen. Dit is niet zo wanneer de echtgenoten samen het beroep of het bedrijf uitbaten. Voor goederen die door één van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn gekocht, komt de vermogenswaarde ('finance') toe aan de gemeenschap.

Als alleen de vermogenswaarde gemeenschappelijk is komt de 'finance' alleen toe aan de gemeenschap op het moment van verkoop of bij ontbinding van het stelsel. Opgelet: dit is dus niet de waarde op het ogenblik van verdeling.

Cliënteel

Het cliënteel komt exclusief en persoonlijk toe aan de beroepsactieve echtgenoot. Dit is volledig naar analogie met autonome beoefening van het beroep of de uitbating van het bedrijf.

De waarde van het cliënteel is gemeenschappelijk voor zover ze tijdens het stelsel is opgebouwd. In tegenstelling tot de vermogenswaarde van de professionele uitrusting of de aandelen in een professionele vennootschap geldt hier de economische waarde. Met andere woorden het cliënteel moet (a) ten gelde kunnen worden gemaakt en (b) verhandelbaar zijn. Is dit niet het geval dan is er geen sprake van waarde.

Oefenen de echtgenoten samen hetzelfde beroep uit dan is er vanzelfsprekend geen 'titre" en 'finance'. Het cliënteel, opgebouwd tijdens het stelsel, is dan zonder meer gemeenschappelijk. Van preferentiële toewijzing is geen sprake.

Aandelen in een professionele vennootschap

Vennootschapsaandelen op naam van één echtgenoot, verworven met gemeenschappelijke gelden, kunnen toch eigen zijn. Dit kan echter slechts voor aandelen van twee soorten vennootschappen.

Vooreerst gaat het om aandelen van een vennootschap waar slechts één echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent. Tweede type is de vennootschap waarbij het intuitu personae karakter in hoofde van de echtgenoot-aandeelhouder essentieel is. Deze persoonsgebondenheid kan objectief vastgesteld worden aan de hand van bijvoorbeeld overdraagbaarheidsbeperkingen of voorkoopclausules in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst.

In alle andere vennootschappen zijn de aandelen ofwel eigen ofwel gemeenschappelijk. Bij gemeenschappelijke aandelen is preferentiële toewijzing uitgesloten.

Neutraliteit van beroepsuitoefening via vennootschap

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht wil vermijden dat de gemeenschap nadeel ondervindt van het feit dat één echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent via een vennootschap. Vanzelfsprekend is dit niet zo wanneer de aandelen toebehoren aan de gemeenschap. De vermogenswaarde is dan gemeenschappelijk, net als het loon en de dividenden die worden uitgekeerd.

Anders is het wanneer de aandelen volledig eigen zijn aan de echtgenoot. Dit is zo met aandelen die de echtgenoot bezat voor het huwelijk of die verkregen zijn uit een schenking of een erfenis. Het hoeft weinig toelichting dat de echtgenoot de inkomstenstromen kan 'sturen' waardoor de gemeenschap is benadeeld. Een beperkte loontoekenning of  winstuitkering zijn hiervan voorbeelden.

De nieuwe wetgeving heeft daarom een vergoedingsregeling uitgewerkt. Met name voorziet zij in een compensatie voor niet geïnde nettoberoepsinkomsten die de gemeenschap redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet via een eigen vennootschap was uitgeoefend. De waardevermeerdering van de aandelen  blijft buiten schot. De beweegredenen voor de minder ontvangsten zijn irrelevant. Het doet er dus niet toe of het bijvoorbeeld kwaadwillig was of om fiscale redenen.

De 'benadeelde' mede-echtgenoot kan op basis van een vergelijkende analyse proberen aantonen dat dezelfde beroepsactiviteit in een ander kader, zelfstandig of in vennootschap met niet eigen aandelen, meer had gegenereerd. Het is dat meerdere dat bij de ontbinding van het stelsel voor de gemeenschap kan worden opgeëist.

De 'onderbetaalde' echtgenoot kan zich verdedigen tegen deze eis tot vergoeding. Op basis van voor te leggen vennootschapsdocumenten kunnen argumenten voor de mindere inkomstenstroom naar voor worden geschoven. Indien partijen het hierover niet eens worden zal de rechter, na tussenkomst van een expert, oordelen.

Toepassing in de tijd

Inzake opzeggingsvergoeding en vergoeding van persoonlijke schade gelden de regels ook voor uitkeringen verkregen voor 1 september 2018. De nieuwe regels inzake professionele autonomie (uitrusting, cliënteel, aandelen) en neutraliteit gelden voor al wie gehuwd is voor 1 september 2018  enkel voor verkregen goederen respectievelijk gederfde inkomsten vanaf die datum.

Conclusie

Huwen onder het wettelijk stelsel is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. De wijzigingen die aangebracht zijn op vlak van hebben vooral de werking van het stelsel verduidelijkt en logischer gemaakt. De professionele autonomie wordt extra in de verf gezet. Bijzonder zijn dan weer de regels rond de neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap waarbij vrijwaring van de gemeenschap voorop staat.


Huwen is sinds 1 september 2018 (een beetje) anders

Niet alleen het erfrecht zit sinds 1 september 2018 in een nieuw jasje, ook het huwelijksvermogensrecht is sinds die datum aangepast. Deze bijdrage is de aanzet van een korte reeks rond huwen en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan.

Starten doen we alvast met de algemene bepalingen van het primair en secundair huwelijksstelsel. Primair zijn de dwingende regels die voor iedereen gelden en secundair zijn de algemene of specifieke regels verbonden met het gekozen huwelijksstelsel.

Primair huwelijksstelsel

Het primair huwelijksstelsel betreft de wettelijke regels die van openbare orde zijn en die aldus voor iedereen gelden,  ongeacht het huwelijksvermogensstelsel waaronder zij gehuwd zijn. Het zijn de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten ontstaan door het loutere feit van het huwelijk. In geen geval kan afgeweken worden van de regels opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (art. 212-224 BW).

Het Burgerlijk Wetboek bevat onder meer bepalingen inzake:

  • de gezinslasten (kosten van het huishouden en het huwelijk) waarin beide echtgenoten in verhouding tot hun mogelijkheden moeten bijdragen en waarvoor ze tegen derden in principe hoofdelijk gehouden zijn;
  • de keuze en de bescherming van de gezinswoning;
  • de uitoefening van een beroep;
  • de mogelijkheden om bij echtelijke moeilijkheden beschermende of bestraffende maatregelen te vragen aan de familierechtbank.

De principes en de bepalingen van het primair huwelijksstelsel zijn niet gewijzigd door de nieuwe huwelijksvermogenswet.

Secundair huwelijksstelsel - algemeen

Een aantal van de algemene bepalingen die gelden ongeacht de verdere de keuze voor een gemeenschap of een scheiding van goederen zijn behouden, andere zijn dan weer gewijzigd (art. 1387 tot 1397/1 BW).

Ongewijzigd zijn:

  • de keuzevrijheid voor de echtgenoten om het huwelijksstelsel uit te werk naar hun goeddunken;
  • de neerslag van deze expliciete keuze gebeurt bij notariële akte;
  • het principe dat het stelsel in werking treedt vanaf het aangaan van het huwelijk;
  • de mogelijkheid en de formaliteiten om het gekozen huwelijksstelsel later te wijzigen.

Gewijzigd daarentegen zijn:

  • de modaliteiten om in het huwelijkscontract bindende erfafspraken te maken wanneer er kinderen zijn uit een vorige relatie  (zogenaamde 'Valkeniersbeding');
  • de preferentiële toewijzing van goederen na ontbinding van een gemeenschapsstelsel;
  • de huwelijksvermogensrechtelijke heling.

Valkeniersbeding

Het Valkeniersbeding, genoemd naar de oud-politicus Jef Valkeniers, maakt het mogelijk om in het huwelijkscontract afspraken te maken over de rechten die de langstlevende zal hebben in de nalatenschap van de eerst stervende. Hierdoor kunnen de rechten van kinderen uit een eerdere relatie worden beschermd. Voortaan moeten daartoe volgende voorwaarden zijn vervuld.

  1. Minstens één van de echtgenoten heeft op het ogenblik van het huwelijkscontract één of meer kinderen uit een vorige relatie. Er moet met andere woorden sprake zijn van een stiefouderrelatie.
  2. De regeling die de echtgenoten uitwerken moet niet wederkerig zijn. Hierbij kunnen erfrechten worden toegekend die afwijken van het minimaal voorbehouden vruchtgebruik voor de langstlevende.
  3. De langstlevende kan niet verzaken aan het recht van bewoning (en het recht van gebruik van de inboedel) van de gezinswoning voor een periode van zes maanden vanaf het overlijden van de eerst stervende. Bijgevolg kan de langstlevende nooit gedwongen worden om de gezinswoning sneller te verlaten. Een langere termijn of zelfs een tijdelijk vruchtgebruik kunnen wel in het Valkeniersbeding worden opgenomen.
  4. Vermits het Valkeniersbeding de facto een verzaking inhoudt van de erfrechten gelden de wettelijke termijnen van informatie en beraad zoals bij andere erovereenkomsten. Nog snel vlak voor het huwelijk een huwelijkscontract opstellen met een Valkeniersbeding is hierdoor onmogelijk.

Preferentiële toewijzing

Bij ontbinding van het huwelijksstelsel, als gevolg van overlijden of echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, kan men vragen om bepaalde goederen bij voorkeur toe te wijzen.

Dergelijke preferentiële toewijzing is mogelijk voor de gezinswoning, de inboedel en de professionele goederen. Het is totaal onbelangrijk of het echtpaar gehuwd was onder gemeenschap of  onder scheiding van goederen.

Voor de gezinswoning is het irrelevant of de woning een gemeenschapsgoed is dan wel in onverdeeldheid toebehoort aan beide echtgenoten. Latere afzonderlijke toewijzing voor de inboedel is perfect mogelijk. De echtgenoot die slachtoffer is van gezinsgeweld door de andere echtgenoot heeft in principe voorrang op de gezinswoning.

Inzake de professionele goederen is het basisprincipe dat alle professionele goederen, die niet eigen zijn,  in aanmerking komen. Daarom kan niet enkel het professioneel onroerend goed maar ook de (on)roerende uitrusting het voorwerp zijn van een preferentiële toewijzing.

Huwelijksvermogensrechtelijke heling

Een echtgenoot die gemeenschappelijke of onverdeelde goederen aan de verdeling wil onttrekken door het bestaan ervan opzettelijk te verzwijgen maakt zich schuldig aan heling. Dit geldt ook bij het bewust achterhouden van gegevens waardoor een verrekenbeding geen correcte uitwerking heeft.

Informatie verzwijgen of valse verklaringen afleggen, leidt tot sanctionering. In concreto betekent dit dat de echtgenoot, die zich schuldig maakt aan heling, zijn aandeel verlies in de geheelde goederen of waarden of ten belope van deze goederen of waarden in de berekening van de verrekenvordering. De sanctie kan vermeden worden door spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie te verstrekken of de valse verklaringen recht te zetten.

Toepassing in de tijd

De nieuwe regels gelden voor iedereen die vanaf 1 september 2018 in het huwelijk treedt. Voor zij die gehuwd zijn voor deze datum en het ook nog zijn op 1 september 2018 blijft het toepasselijk huwelijksstelsel onverminderd gelden.

De regels inzake preferentiële toewijzing en heling gelden niet alleen voor de huwelijken afgesloten vanaf 1 september 2018.  maar ook voor huwelijken afgesloten voor deze datum waarbij de ontbinding plaatsvindt na 1 september 2018.  Bij echtscheidingen gelden de nieuwe regels niet wanneer het verzoek tot echtscheiding dateert van voor 1 september 2018.

Conclusie

De make-over van het huwelijksvermogensrecht zorgt alvast voor een meer hedendaagse wetgeving. Het is alvast duidelijk dat de modaliteiten van het Valkeniersbeding zijn gewijzigd, evenals de bepalingen inzake de preferentiële toewijzing. Een echtgenoot die zich schuldig maakt aan huwelijksvermogensrechtelijke heling kan enkel ontsnappen aan een sanctie door tijdig berouw te tonen. De impact en de toepassing in de tijd op het wettelijk stelsel en het stelsel van scheiding van goederen komen aan bod in volgende bijdragen.