Voortaan minder risico op monsterboeten

U heeft wellicht ooit al iets gehoord over de zogenaamde 'aanslag geheime commissielonen', beter bekend als de 'monsterboete'.
Wanneer bijvoorbeeld lonen of bepaalde vergoedingen door de uitkerende vennootschap niet zijn vermeld op een fiscale fiche, kan zij worden gesanctioneerd door een aanslag geheime commissielonen.

De wet van 27 juni 2021 (B.S. 30 juni 2021) versoepelt nu de voorwaarden om aan de toepassing van deze bijzondere aanslag te kunnen ontsnappen.

Ficheplicht

In principe zijn kosten voor een onderneming pas fiscaal aftrekbaar wanneer zij door de nodige bewijsstukken zijn verantwoord.

Voor lonen en voordelen alle aard toegekend aan werknemers of bedrijfsleiders en vergoedingen toegekend aan zelfstandige verkrijgers (commissies, makelaarslonen) geldt zelfs een bijzondere ficheplicht.

Vennootschappen moeten deze fiches jaarlijks opmaken en indienen bij de fiscus. Op die manier kan de fiscale administratie nagaan of de uiteindelijke verkrijgers van de vergoedingen deze ook correct hebben aangegeven.

Aanslag geheime commissielonen

Wanneer de vennootschap echter niet heeft voldaan aan voornoemde ficheverplichting kan zij worden onderworpen aan een aanslag geheime commissielonen. De vergoedingen worden daarbij afzonderlijk belast bij de uitkerende vennootschap.

Het tarief van de bijzondere aanslag bedraagt op vandaag 100% wanneer de verkrijger een natuurlijke persoon is, en 50% wanneer de verkrijger een rechtspersoon is (voorheen was dit 309% !).

Ontsnappingsroutes

De wet voorzag echter in 2 ontsnappingsroutes.

Ten eerste is de monsterboete niet verschuldigd wanneer de verkrijger van lonen of voordelen ze aangegeven heeft (art. 219, lid 5 WIB 92).

Daarnaast is de monsterboete evenmin verschuldigd wanneer de fiscus de genieter van de lonen of voordelen 'tijdig en op ondubbelzinnige wijze' kan identificeren (art. 219, lid 6 WIB 92). (De fiscus hoeft de bedragen nog niet effectief te hebben belast.)

De identificatie is 'tijdig' wanneer dit uiterlijk gebeurt binnen 2 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari van het betrokken aanslagjaar.

Wanneer de fiscus de verkrijger identificeerde buiten deze periode, dan kon de fiscus bij de vennootschap alsnog een aanslag geheime commissielonen opleggen, ook had er een belasting plaatsgevonden bij de verkrijger.

Dit heeft de wetgever nu aangepast.

Nieuwe wetgeving versoepelt ontsnappingsroute

De fiscus mag de bijzondere aanslag voortaan ook niet meer opleggen - na de periode voor ondubbelzinnige identificatie  -  wanneer de binnenlandse verkrijger akkoord gaat met de belasting in zijn hoofde. Die belasting kan binnen de gewone aanslagtermijn van 3 jaar of de bijzondere termijn van 7 jaar bij fraude.

Conclusie

De aanslag geheime commissielonen heeft al sinds haar invoering de gemoederen beroerd. Zowel het tarief als de concrete toepassing ervan werd door de belastingplichtigen telkens als zéér onredelijk aangevoeld. Ook de fiscale wetgever heeft dit uiteindelijk erkend, getuige de laatste wetswijziging. De monsterboete is voortaan de uitzondering in plaats van de regel.

aternio gidst u doorheen de fiscale jungle. Toch twijfels of vragen: contacteer ons.


Weg ermee! Geen dubbele erfbelasting op buitenlandse goederen

Niemand betaalt graag dubbel. Dat is zo in het dagelijkse leven en dat is dus niet anders wanneer het over bijzondere gebeurtenissen gaat zoals een overlijden. In deze bijdrage gaat het specifiek over de erfbelasting naar aanleiding van het overlijden van iemand met fiscale woonplaats in België die goederen bezit in het buitenland.

Het is al jarenlang een wettelijke regel dat erfgenamen in principe geen Belgische erfbelasting moeten betalen op buitenlandse onroerende goederen. Meer bepaald kan de erfbelasting die betrekking heeft op de buitenlandse onroerende goederen, verminderd worden met de buitenlandse erfbelasting op deze goederen. Voor roerende goederen (aandelen, bank- en effectenrekeningen, ...) was er geen regeling voorzien. Het Grondwettelijk Hof heeft daar nu, in een arrest van 3 juni 2021, evenwel paal en perk aan gesteld. Onderscheid maken in belastbaarheid tussen buitenlandse onroerende en roerende goederen is ongrondwettig.

Een beetje geschiedenis inzake internationale erfbelasting

De wet van 10 augustus 1923 heeft een successieregel ingevoerd om dubbele erfbelasting te vermijden. Echter, in die wetgeving ging het enkel over dubbele belasting op onroerende goederen. Meer specifiek kan men de belasting die in het buitenland betaald werd op onroerende goederen, verrekenen met de in België verschuldigde erfbelasting op deze buitenlandse onroerende goederen. Weliswaar mits het voldoen van de cruciale voorwaarde dat de erfbelasting ook daadwerkelijk in het buitenland is betaald. De erfgenamen bewijzen dit aan de hand van een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs, een afschrift van de buitenlandse aangifte en een berekening van de buitenlandse belasting.

Raar maar waar, over roerende goederen wordt in een Belgische context met geen woord gerept. Wat niet uitsluit dat er in het andere land geen vermindering zou kunnen zijn van de in België verschuldigde erfbelasting.

Daar is het Grondwettelijk Hof

Bijna honderd jaar na de wet van 1923 heeft het Grondwettelijk Hof de rug gerecht en uitspraak gedaan over het redelijk en objectief verantwoord karakter van dit verschil in behandeling.

De feiten

Een man is Belgisch rijksinwoner, maar overlijdt in Spanje. De erfgenamen dienden Belgische en Spaanse aangiftes in. België zal namelijk belasten op het wereldwijde vermogen, maar ook Spanje wil de lokale onroerende goederen en banktegoeden belasten. De erfgenamen zien zich dus geconfronteerd met dubbele erfbelasting en de fiscale administratie wou enkel verrekening doorvoeren voor het onroerend vermogen.

De uitspraak

Het Grondwettelijk Hof stelt dat niets de verantwoording voor het verschil in behandeling nog kan staande houden. Historisch gezien vormde het onroerend goed quasi het enige belangrijke deel van het vermogen. Vandaag de dag moeten roerende goederen daar vaak niet meer voor onder doen. Het tegendeel is soms zelfs waar. Het Hof kan dan ook niet anders dan besluiten tot een schending van het grondwettelijk (fiscaal) gelijkheids en non-discriminatiebeginsel.

Het Grondwettelijk Hof heeft bijgevolg de betreffende bepaling van het federale Wetboek van successierechten (art. 17 W.Succ) ongrondwettig verklaard. Voor Vlaanderen is echter sinds 1 januari 2015 de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), met eigen regels, van kracht. Het arrest heeft echter ook belang voor Vlaanderen, aangezien er eenzelfde letterlijke bepaling in de VCF (art. 2.7.3.2.1 VCF) is opgenomen.

Het is nu aan de verschillende wetgevers om deze ongelijkheid (zo snel mogelijk) op te heffen.

Het gevolg

Het arrest van het Grondwettelijk Hof maakt het mogelijk om teruggave te bekomen van de ten onrechte teveel betaalde belasting. De termijn hiervoor bedraagt vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd. Voor het Vlaamse Gewest kan dit met een bezwaar dan wel een verzoek tot ambtshalve ontheffing. Voor de andere gewesten kan een verzoek tot teruggave worden ingesteld.

Conclusie

Erfgenamen kunnen op basis van het voornoemde arrest, de in het buitenland betaalde erfbelasting voor roerende goederen alvast verrekenen met de in België betaalde erfbelasting. Dit kan uiteraard niet zonder meer. De belastingsplichtige dient een aantal bewijsstukken voor te leggen, zoals het betalingsbewijs, de buitenlandse aangifte en berekening van de erfbelasting.

Weet wel dat, als de betaalde buitenlands erfbelasting lager is dan die in België, dat men nog gedeeltelijk zal moeten bijbetalen. Als de buitenlandse erfbelasting hoger is, dan hoeft u hier in België niets meer te voldoen.

Het arrest is alleen maar toe te juichen, aangezien de ongelijkheid in behandeling al enkele jaren een doorn in het oog is van menig fiscalist.

aternio is deel van een PrimeGlobal en kan u helemaal ontzorgen bij een nalatenschap met internationale aspecten. Neem zeker contact op voor meer informatie.


Belastingschulden na aandelenoverdracht bij VOF

Het Hof van Cassatie is duidelijk over de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten van een VOF. Zij blijven aansprakelijk voor belastingschulden die uitvoerbaar geworden zijn ná publicatie van de aandelenoverdracht (1).

Algemeen kader

Eigen aan de VOF is dat haar vennoten hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap. Bovendien kunnen haar aandelen principieel niet worden overgedragen. Is een aandelenoverdracht statutair toch toegelaten dan kan dit geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen van de vennootschap die dateren van vóór de tegenwerpelijkheid van de overdracht.

Vorig jaar wierp het Hof al eens de schijnwerpers op deze principes (2). Het Hof ging over tot vernietiging van een vonnis in een zaak waarbij de vordering tot achterstallige huur lastens de voormalige vennoot van een VOF werd afgewezen. Hiermee bevestigde het Hof  dat een ex-vennoot gehouden blijft tot verbintenissen van de vennootschap die voortvloeien uit overeenkomsten van vóór de aandelenoverdracht.

Arrest 30 april 2021

In haar arrest van 30 april 2021 gaat het Hof nog een stapje verder. Zij oordeelt namelijk dat deze principes eveneens van toepassing zijn op belastingschulden die slechts uitvoerbaar werden ná de aandelenoverdracht.

In het bestreden arrest was namelijk geredeneerd dat een fiscale vordering m.b.t. aanslagjaar 2002 pas ontstaat bij het inkohieren ervan. De aanslag werd dus pas na de aandelenoverdracht uitvoerbaar. Het arrest besloot dat een vennoot enkel kon worden aangesproken voor een belasting die werd ingekohierd voor het tijdstip van de publicatie van de overdracht van de aandelen in het Belgisch Staatsblad.

Het Hof veegt voorgaande redenering van tafel. Zij steunt haar oordeel op onder meer de volgende overwegingen:

  • artikel 360, eerste lid WIB'92: een voor een aanslagjaar verschuldigde belasting dient gevestigd op de inkomsten die de belastingsplichtige in het belastbaar tijdperk heeft verkregen;
  • een schuld uit inkomstenbelasting staat definitief vast wanneer het belastbaar tijdperk waarin de inkomsten zijn verkregen afgesloten is;
  • een navolgend uitvoerbaar belastingskohier kan inderdaad in regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de personen die bij naam erin vermeld staan (in casu de nieuwe vennoot);
  • het voorgaande doet geen afbreuk aan de vennootschapsrechtelijke bepalingen inzake de VOF;
  • hieruit volgt dat de ná aandelenoverdracht ingekohierde aanslag m.b.t. het inkomstenjaar van de aandelenoverdracht alsnog uitvoerbaar is op het vermogen van de ex-vennoot.

Conclusie

Met voormeld arrest verduidelijkt het Hof van Cassatie dat voor de toepassing van de vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprincipes bij een VOF in se enkel het moment van het ontstaan van de schuld van belang is. De uitvoerbaarverklaring van schuldvordering ná publicatie van de aandelenoverdracht, doet hieraan geen afbreuk. De voormalige vennoot blijft aldus aansprakelijk ook al heeft hij zijn aandelen reeds lang overgedragen.

WIe binnenkort aandelen van een VOF verkoopt of koopt, houdt hiermee maar beter rekening bij het onderhandelen van de overdrachtsovereenkomst. Het aanvaarden van standaardclausules kan al snel tot onaangename verrassingen leiden.

aternio legal kan u helpen bij het inbouwen van de geschikte beschermingsmechanismen.

(1) Cass. (1e k.) AR F.19.0133.N, 30 april 2021 (BELGISCHE STAAT / A. F.) (rolnr :F.19.0133.N).

(2) Cass. nr N-20200618-2 (C.18.0333.N), 18 juni 2020.


Testament - het ene geschrift is het andere niet

Wanneer u het woord "testament" hoort, denkt u ongetwijfeld aan onze eerdere bijdragen waarbij het ging over de verschillende soorten testamenten. En gelijk hebt u, want er zijn inderdaad verschillende vormen. Wat nu wanneer er twee versies van zo'n laatste wilsbeschikking op tafel liggen, het ene notarieel opgemaakt en het andere eigenhandig geschreven? Welke versie primeert?

Verschillende soorten van testament

Een testament is, volgens ons Burgerlijk Wetboek (BW) een eenzijdige rechtshandeling, die ad nutum (lees: te allen tijde) kan worden herroepen en die slechts uitwerking heeft bij het overlijden van de testator.

Er zijn 3 basis-verschijningsvormen mogelijk. Zo is er:

  • het notarieel of openbaar testament;
  • het eigenhandig of holografisch testament; en
  • het internationaal testament.

Handig weetje is dat er, naast de voornoemde gewone testamentsvormen, er ook nog buitengewone testamentsvormen zijn, zoals:

  • het testament gemaakt in oorlogstijd;
  • het militair testament; en
  • het maritiem testament.

Deze buitengewone wilsbeschikkingen hebben vaak slechts een beperkte geldigheidsduur. We laten deze echter, in het bestek van deze bijdrage, verder buiten beschouwing.

Het notarieel of openbaar testament

Dit is het meest formalistische van de testamentsvormen. Oorspronkelijk diende het notarieel testament te worden opgemaakt voor een notaris, in het bijzijn van getuigen. Maar gelukkig is hieraan enige tijd geleden gesleuteld en beschikken we nu over ietwat meer moderne regels.

Maar, het is niet omdat het dictée nu weggevallen is, dat al de andere formaliteiten ook niet meer gelden. Nee hoor, het is en blijft een notariële akte die mede-ondertekend wordt door de notaris, als bevoegde ambtenaar.

Het hoeft dus geen verder betoog dat dit zeer formele karakter zorgt voor een sterke bewijswaarde. Indien iemand wenst aan te tonen dat het document ongeldig zou zijn, dan moet dit via de procedure van valsheid in geschrifte verlopen. Kleine noot hierbij: dit is een zeer zware procedure die vaak niet succesvol is, indien het tegen een notaris wordt opgenomen.

Het eigenhandig of holografisch testament

Dit is de minst formele testamentsvorm, die ook al eerder aan bod kwam.

U zal merken dat er een verregaande trend tot deformalisering inzake testamenten is. Deze trend is er om zoveel mogelijk testamenten uitwerking te laten krijgen. Dat is absoluut een goede zaak.

Het internationaal testament

In tegenstelling tot wat de terminologie laat vermoeden, is deze testamentsvorm niet enkel bruikbaar in een internationale context. Er hoeven ook niet noodzakelijk internationale aanknopingspunten te zijn om dit testament op te maken. De term "internationaal" is historisch en verwijst naar het Verdrag van Washington (1973). Het was de bedoeling om een uniforme basis voor testamenten in te voeren, voor de staten die het Verdrag zouden onderschrijven.

Een internationaal testament moet schriftelijk zijn, maar het maakt niet uit in welke vorm het is. Ook het middel waarmee het geschreven is, maakt niet uit. Bovendien moet de testator het ook niet per definitie zelf geschreven hebben.

Op straffe van nietigheid is het wel vereist dat er verklaard wordt dat het document effectief de wil van de testator vertegenwoordigt. Dat moet in aanwezigheid van getuigen en een bevoegd persoon, vaak een notaris. Het is ook op dat moment dat het testament een handtekening moet krijgen.

Vervolgens zal het ook aangewezen zijn dat de notaris het document dateert en de pagina's nummert en laat paraferen. Maar het ontbreken hiervan triggert enkel de aansprakelijkheid van de notaris, niet de nietigheid van het document.

Welke vorm primeert?

In principe beschikt de testator over de keuze van de testamentsvorm. Op zich zijn alle vormen ook even geldig. Maar, wat als er plots, bij een overlijden, meerdere testamenten boven water komen? Moeten we dan kijken naar het meest recente qua datum? Of primeert de notariële versie sowieso boven de eigenhandig geschreven variant?

De rechtbank van eerste aanleg in Gent heeft zich op 2 april 2020 over dergelijke kwestie uitgesproken. Vooreerst moet het duidelijk zijn dat er een verschil is tussen bewijswaarde en bewijskracht.

Het eigenhandig testament verliest namelijk elke bewijswaarde, van zodra iemand het testament ontkent en vanaf het moment dat een rechter zich hierbij aansluit. Het eigenhandig testament verliest bovendien elke bewijskracht, na een dergelijke ontkenning. Dit alles leidt tot de conclusie dat de inhoud van het eigenhandig testament in feite irrelevant is geworden.

Vlabel gooit de stok in het hoenderhok

Boter bij de vis, moet Vlabel gedacht hebben en zij namen door te taxeren het heft in eigen handen.

In het voorliggende geval waren er dus twee testamenten: één notarieel waarin de ex-echtgenote als begunstigde was opgenomen en één onderhands, waarin iemand anders als begunstigde was vermeld. De ex-echtgenote betwist de geldigheid van het (latere) eigenhandig testament. Dit was voor Vlabel voldoende om te concluderen tot belasting van de eerste begunstigde, namelijk de ex-echtgenote. Los van wat de uitkomst van de rechtbank ook zou zijn, had zij een aangifte moeten indienen, als begunstigde van het testament. De geldigheid van het latere document werd betwist en dient daardoor dus (tijdelijk) voor onbestaande te worden beschouwd. Als later de geldigheid van de eigenhandige versie wordt bewezen, kan een ontheffing plaatsvinden, maar dat is dus niet zeker.

In het omgekeerde geval, wanneer de begunstigde van het eigenhandig testament, de notariële versie zou betwisten, zou dit geen verschil geven. Het notariële testament behoudt namelijk de volledige bewijswaarde tot zolang het niet nietig werd verklaard. Ook in dat geval zou de ex-echtgenote dus gehouden zijn tot betaling van erfbelasting. Deze gehoudenheid vervalt slechts ingeval van officiële nietigverklaring van het notariële testament.

Conclusie

Wanneer u als testator duidelijk weet wat u wil en zeker bent dat u in de toekomst niet meer van gedacht zal veranderen, kan een eigenhandig testament de job echt wel aan. Zelfs als u in een meer turbulent leven verzeild bent geraakt, dan kan u ook uw heil zoeken in het eigenhandig testament maar enkel als u zelf consequent bent. Laat de regel zijn: eens eigenhandig, altijd eigenhandig. Let op wanneer u de vormen begint te vermengen, want dan kan u dus in bovengenoemde situatie terechtkomen. Tenzij u uiteraard uw aangifte van nalatenschap graag een beetje spannend maakt...

aternio adviseert u graag wanneer u overweegt om een laatste wilsbeschikking op te maken voor uw nabestaanden.


verbeurdverklaring

Verbeurdverklaring lastens een derde: het zal je maar overkomen

Het zal je maar overkomen, door een strafprocedure als bonafide derde getroffen worden door verbeurdverklaring van een eigen rechtmatig goed. Gelukkig kan je in voorkomende situatie tussenkomen in het rechtsgeding om jezelf te verdedigen tegen een potentiële nadelige uitspraak. Een succesvolle verdediging stoelt evenwel op drie fundamentele voorwaarden. Laten we dit samen van nabij bekijken.

Voorwaarde 1: daadwerkelijk derde zijn

Een derde is eenieder die aanspraken kan laten gelden op het verbeurdverklaarde goed zonder burgerlijke partij of veroordeelde te zijn. Een aandachtige  lezer bemerkt meteen dat een medebeklaagde in een strafprocedure niet uitgesloten is als een belanghebbende derde. Dit principe is bevestigd in diverse uitspraken van het Hof van Cassatie. Met andere woorden gezegd: een derde is niet per se iemand die niet betrokken is in de strafzaak die heeft geleid tot de verbeurdverklaring.

Voorwaarde 2: derde heeft een zakelijk recht

Als vaststaat dat men daadwerkelijk derde is, is de volgende bijkomende vereiste dat men zakelijke rechten moet hebben op het te verbeurd verklaren goed. Denk hierbij in de eerste plaats aan het eigendomsrecht, maar ook aan pandrechten of rechten van hypothecaire schuldeisers.

Voorwaarde 3: derde is te goeder trouw

De derde met een zakelijk recht moet tot slot te goeder trouw zijn. Het is aan de rechter om bij de beoordeling hiervan rekening te houden met alle omstandigheden die voorliggen. Bonafide impliceert niet geweten hebben of niet kunnen weten hebben dat het goed is gebruikt om een strafbaar feit te plegen. Het is niet omdat er tegen de derde geen vervolging is ingesteld dat men kan besluiten tot goede trouw. Door verwijtbare gedragingen kan men immers toch hebben meegeholpen aan het plegen van een misdrijf.

Het is gepast om te wijzen op de wettelijke gevolgen van het intrinsiek illegaal karakter van vermogensvoordelen bij witwassen. In de Balsamo-case (EHRM, 8 oktober 2019, nrs. 20319/17 en 20414/17, Balsamo-San Marino) is geoordeeld dat vermogensvoordelen afkomstig van illegale oorsprong terecht zijn ontnomen. Dit ondanks het feit dat de beklaagden werden vrijgesproken van witwassen wegens geen (of onvoldoende) kennis van de illegale oorsprong van de gelden.

Bescherming van de derde

Een bonafide derde kan vrijwillig tussenkomen in een strafprocedure waarbij goederen betrokken zijn waarop deze derde zakelijke rechten heeft. Zelfs wanneer de derde geen partij was in eerste aanleg kan deze alsnog hoger beroep aantekenen tegen het vonnis. De derde kan zo nodig ook verzet doen. Voorziening in cassatie is eveneens mogelijk wanneer de verbeurdverklaring lastens de derde is uitgesproken in laatste aanleg.

Tenslotte kan de derde als rechtmatige eigenaar terug in bezit worden gesteld van het ontnomen goed mits dit ter beschikking is van het gerecht. In casu dienen twee restrictieve voorwaarden voorhanden te zijn. Het goed moet in natura worden teruggevonden én het moet in handen van het gerecht zijn door inbeslagneming of door vrijwillige terbeschikkingstelling.

Conclusie

Het succesvol verweer van een derde tegen verbeurdverklaring van goederen is slechts mogelijk mits drie voorwaarden cumulatief zijn voldaan. Met name moet men daadwerkelijk een derde zijn, zakelijke rechten hebben op de te verbeurd verklaren goederen en last but not least te goeder trouw zijn. Het principe van de goede trouw speelt wel slechts een rol zolang het verbeurdverklaarde goed niet volgens een wettelijke maatregel uit het economisch verkeer moet verdwijnen.

Zie ook P. WAETERINCKX, De rechten van derden te goeder trouw bij de verbeurdverklaring van zaken die hen “toebehoren”. Wat houdt het toetsingscriterium “te goeder trouw” in, en wat is de juridische draagwijdte ervan?, R.A.B.G., 2021/11, 1021-1030


Beding van voorafname - be careful what you wish for

Dat het erg belangrijk is om de juiste woordkeuzes te maken, is een waarheid als een koe. Keer op keer worden dergelijke "clichés" bevestigd. Dit keer door onze Vlaamse Belastingdienst (Vlabel). In de voorliggende casus was er onduidelijkheid over de interpretatie van een beding van voorafname in het huwelijkscontract. Het ging specifiek over een keuzebeding en de implicaties daarvan bij de verdeling van de huwgemeenschap.

Gaat u mee met ons doorheen de wondere wereld van de modaliteiten in een huwelijkscontract?

Beding van voorafname - keuzebeding

Het beding van voorafname zorgt ervoor dat de langstlevende partner, bij een overlijden, kan kiezen wat deze alvast naar zich toe wil trekken.

Een gekende verschijningsvorm van een dergelijk beding, is het keuzebeding. Dat is heden ten dage een bijzonder gegeerde clausule in menig huwelijkscontract. Hierdoor kan de langstlevende partner zelf een pakket goederen uit de gemeenschap samenstellen. De gekozen goederen zullen dan toebedeeld worden door de werking van het huwelijkscontract en niet door het overlijden van de ene partner. Daardoor komt de erfbelasting ook alvast niet in het vizier. Handig toch?

No words needed - of misschien toch wel?

Behoudens wanneer het huwelijkscontract iets anders voorziet, kan de voorafname gebeuren zonder aanrekening op het deel van de langstlevende in het gemeenschappelijk vermogen. De verdeling van het saldo van dat gemeenschappelijk vermogen gebeurt dan nog tussen de langstlevende en de nalatenschap van de overleden partner.

U heeft de bui vermoedelijk voelen hangen bij het lezen van de intro. Het woordje "behoudens" voorspelt alvast niet veel goeds. Althans niet in de besproken interpretatie van Vlabel.

Zich van geen kwaad bewust, ging de langstlevende er van uit dat de helft van het resterende gemeenschappelijk vermogen aan haar zou toekomen. Bovendien zou ook het vruchtgebruik over de goederen uit de nalatenschap haar worden toegekend. Zo stond het althans opgenomen in de aangifte van nalatenschap.

Maar dit is buiten Vlabel gerekend. Zij stellen dat de langstlevende afstand had gedaan van haar helft in de huwgemeenschap. Daardoor diende de aanslag ten aanzien van de kinderen niet berekend te worden op de helft van de resterende goederen uit de gemeenschap. Nee, men diende de aanslag te vestigen op de totaliteit van de resterende goederen.

Hoe kan dat?

Ja, dat is natuurlijk de vraag. Want u hebt met ons meegelezen dat het beding van voorafname normaal gezien geen impact heeft op de verdeling van het saldo van het gemeenschappelijk vermogen. Dat laatste kan "gewoon" verdeeld worden, bij helften.

Men verwacht van een huwelijkscontract dat het voordelen en duidelijkheid brengt. Dat is in de overgrote meerderheid van de situaties ook echt wel het geval. Maar in dit geval zit de clue in de bewoordingen. Vlabel publiceert in de voorliggende casus namelijk een uittreksel van het huwelijkscontract in kwestie. Het contract stelt onder meer dat: "de bezittingen die na keuze niet toekomen aan de langstlevende echtgenoot zullen afhangen van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot". 

Die zin is het probleem. Een klassiek beding van vooruitmaking impliceert dat wat rest van het gemeenschappelijk vermogen, gelijkmatig verdeeld wordt. Herinner u echter de zinsnede: "behoudens wanneer het huwelijkscontract iets anders voorziet". De bewuste clausule in stelt duidelijk dat de resterende goederen onmiddellijk afhangen van de nalatenschap. Daardoor maken zij dus geen deel uit van het gemeenschappelijk vermogen. Bijgevolg wordt geargumenteerd dat partijen uitdrukkelijk hebben afgeweken van de aanrekening op het deel van de langstlevende in het gemeenschappelijk vermogen.

Conclusie

Vaak gaat men, om economische redenen of wegens tijdsgebrek, te snel voorbij aan formuleringen in officiële documenten. Jammer, maar heel erg "helaas", want daardoor kan men in geval van betwistingen vaak tot ongewenste resultaten komen. Wees kritisch, wik en weeg uw woorden en neem uw tijd voor dergelijke documenten. Probeer de inhoud en draagwijdte steeds ten volle te begrijpen. Vindt u die juridische termen wat lastig? Geen nood, de juristen van aternio staan u graag bij om alles door te nemen en het u in "mensentaal" uit te leggen.


Het financieel plan: een aardig klusje voor zowel oprichters als notarissen

Eerder berichtten wij reeds over de formele vereisten voor de opmaak van een financieel plan dat onder het nieuwe Wetboek het levenslicht zagen. Hoewel dit op het eerste zicht de kostprijs van de oprichting van een vennootschap de hoogte injaagt, verdient  de beschermingsfunctie ervan desalniettemin bijzondere aandacht. Een onzorgvuldig opgesteld financieel plan en een vordering in oprichtersaansprakelijkheid gaan namelijk vaak hand in hand. Recente rechtspraak (1) eist niet alleen van de oprichter(s) en cijferberoepers maar ook van de notaris zelf bijzondere waakzaamheid.

Formele verplichtingen van de notaris

De verplichtingen die het Wetboek zelf aan de notaris oplegt zijn vrij straight forward. De notaris moet er vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt enkel voor zorgen dat hij:

  1. voorafgaand aan het verlijden van de oprichtingsakte een financieel plan ontvangt;
  2. vervolgens dit plan in het notarieel dossier bewaart voor mocht het ooit aan de rechtbank moeten worden voorgelegd; en
  3. tenslotte bekijkt of alle wettelijk vereiste elementen in het plan zijn opgenomen.

De notaris hoeft zich om aan deze verplichtingen te voldoen niet om te scholen tot accountant. Het Wetboek voorziet namelijk zelf in een checklist.

Doorgaans zal de zorgvuldige oprichter ook beroep doen op een cijferberoeper. Hierdoor bleef de controletaak van de notaris en zijn risico op enige aansprakelijkheid al bij al vrij beperkt.

Ambtsverplichtingen van de notaris

De notaris moet echter niet alleen rekening houden met de puur vennootschapsrechtelijke bepalingen. Hij is namelijk ook een openbaar ambtenaar die onderworpen is aan bijzondere wetgeving inclusief bijkomende verplichtingen.

Zo volgt uit de Wet op het notarisambt voort dat een notaris niet alleen moet waken over de correcte toepassing van de wet maar ook dat hij zijn cliënten moet bijstaan en advies moet verstrekken.

Doorgaans zal de oprichter in de akte om die reden een standaardclausule terugvinden waarin hij verklaart dergelijk advies en bijstand te hebben ontvangen alvorens tot het ondertekenen van de akte over te gaan.

In de praktijk zal de notaris doorgaans wel wijzen op het belang van een zorgvuldig opgesteld financieel plan en uitleggen wat de oprichtersaansprakelijkheid inhoudt. Een diepgaand gesprek om te peilen naar de kennis van de oprichters en een cijfermatige analyse ter beoordeling van de haalbaarheid van het plan, is echter minder voorkomend. Temeer nu een zorgvuldige oprichter voor de opmaak van het financieel plan doorgaans een beroep doet op een cijferberoeper. Dit gegeven zou de adviesplicht van de notaris al wat moeten vergemakkelijken.

Een controle van de formele vereisten en enige duiding bij het belang van het financieel plan, zal de notaris doorgaans wel vrijwaren voor enige aansprakelijkheid bij navolgend faillissement.

Toename van het risico op aansprakelijkheid?

Recente rechtspraak van het Hof van Beroep Luik lijkt deze principes echter op de helling te zetten. In het voorliggende geval was er namelijk geen probleem met het financieel plan op het vlak van formele vereisten. Evenmin kon de notaris worden verweten het belang van het financieel plan niet te hebben onderstreept.

Het Hof besloot echter tot aansprakelijkheid van de notaris op basis van de gebrekkige cijfermatige inhoud van het plan. Dit overigens terwijl de oprichters hiervoor beroep hadden gedaan op een cijferberoeper. Volgens het Hof had de notaris op basis van gesprek met de oprichters eenvoudig kunnen afleiden dat zij geen voeling hadden met het vennootschapswezen. Aan de cijfers had hij moeten vaststellen dat de eerste drie jaren na oprichting geen winst voorzagen zodat het ingebracht eigen vermogen niet voldoende was.

Achterliggende gedachte lijkt dat wanneer een plan inhoudelijk zo flagrant ontoereikend is, het de naam 'financieel plan' niet meer waardig is. Aldus is niet aan de formele vereiste van het voorleggen ervan voldaan.

In de noot bij het arrest halen Diederick Bruloot en Gauthier Vandebossche (1) terecht aan dat op die manier in se alles op een hoopje wordt gegooid en één en ander een brug te ver gaat. Vooreerst blijft een onderscheid tussen de formele en raadgevingsverplichting van de notaris aangewezen. Daarnaast gaat het niet op om de aansprakelijkheid van de notaris te onderwerpen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm op basis van inhoudelijke aspecten terwijl hij op basis van de formele verplichtingen zich in se met deze inhoudelijke aspecten niet mag inlaten.

Toekomstige rechtspraak zal uitwijzen of men op basis van de adviesplicht van de notaris daadwerkelijk ook een financiële analyse van zijn kant mag verwachten én in welke mate dit het oprichtingsproces al dan niet zal bemoeilijken.

Conclusie

Het was reeds duidelijk dat het financieel plan een belangrijke plaats inneemt bij de oprichting van een vennootschap. Er zondermeer vanuit gaan dat de notaris het financieel plan cijfermatig wel zal bestuderen als garantie op succes, lijkt ons eerder wishful thinking. Spijts voormelde rechtspraak blijft het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de oprichter zelf om een realistisch plan voor te leggen. Het hoeft geen betoog dat de bijstand van een cijferberoeper hierbij geen overbodige luxe is.

Anderzijds toont het voorgaande ook aan dat van de notaris meer mag worden verwacht dan het louter aan sneltempo afhaspelen van de voorliggende akte. Soms lijkt het misschien geen evidentie: u mag de notaris nog alles vragen alvorens uw krabbel te zetten.

Voor een volledige gemoedsrust is het niet alleen aan te raden om het plan door een professional te laten opstellen, juridische begeleiding kan zeker ook geen kwaad. Niet alleen als extra controlevehikel tegenover de notaris maar ook al bij het bepalen van de geschikte rechtsvorm.

Gelukkig hebben we bij aternio alles in huis: finance én legal solutions. Neem dus gerust contact op.

(1) Luik (7e k.) nr. 2018/RG/779, 14 januari 2020 in JLMB 2020, afl. 30, 1419 en http://jlmbi.larcier.be/ (27 september 2020); JDSC 2020, afl. 1, 63, noot DELVAUX, M.; TRVRPS 2021, afl. 2, 214 en http://www.trv.be/trv/default.aspx?l=NL (10 april 2021), noot BRULOOT, D., VANDENBOSSCHE, G.


Voorlopig bewind en conventionele terugkeer in een schenkingsakte

Schenkingen zijn en blijven een populaire planningstechniek. Maar aangezien we niet weten wat de toekomst brengt, zijn we maar beter zo goed mogelijk op alles voorbereid. In deze bijdrage gaan we specifiek in op de situatie waarin een persoon een schenking met modaliteiten heeft uitgevoerd en daarna onder voorlopig bewind werd geplaatst. Wat als die persoon later op één of meerdere van die modaliteiten wenst terug te komen? Hoe verhoudt dit zich tot het voorlopig bewind? Het is een puzzel die we stukje voor stukje gaan leggen, met behulp van uitspraken van het vredegerecht van Antwerpen op respectievelijk 21 augustus 2019 en 20 december 2019.

Puzzelstukje 1: schenking = rechtshandeling

Een schenking is, uiteraard, een rechtshandeling. Voor de rechtsgeldige totstandkoming van dergelijke rechtshandelingen, legt ons Burgerlijk Wetboek (BW) een aantal voorwaarden op. Zo zal de schenker in kwestie hiertoe in eerste instantie bekwaam moeten zijn. Bovendien is ook de toestemming belangrijk. Tenslotte moet de schenking een geoorloofd voorwerp en oorzaak hebben.

Laat ons in het summiere bestek van dit artikel, even focussen op die bekwaamheid. Want, bekwaamheid op het moment van het verrichten van de schenking is één zaak, maar speelt die bekwaamheid ook nog op andere momenten een belangrijke rol? U kan het antwoord ongetwijfeld al raden. Maar daarover later meer.

Puzzelstukje 2: voorlopig bewind

Het voorlopig bewind is een beschermingsmechanisme voor iemand die, zij het tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, niet in staat is om diens eigen goederen te beheren. Het toevoegen van een voorlopig bewindvoerder aan de te beschermen persoon, gebeurt door de bevoegde vrederechter. Het is ook de vrederechter die bepaalt wat de inhoud van het bewind is en wat de taken van de voorlopig bewindvoerder zijn. In bepaalde gevallen zal ook de bewindvoerder moeten verzoeken om een bijzondere machtiging van de vrederechter. Al deze zaken worden uitvoerig geregeld in het BW.

Puzzelstukje 3: modaliteiten bij een schenking

De schenker kan aan diens schenking eveneens modaliteiten koppelen. Enkele bekende modaliteiten zijn het zich voorbehouden van het vruchtgebruik, het beding dat de geschonken goederen eigen moeten blijven, het verbod tot inbreng in een gemeenschap, de restschenking, ... maar ook het conventioneel beding van terugkeer.

Het conventioneel beding van terugkeer is wettelijk verankerd in het BW. Als er zich bepaalde voorwaarden voltrekken, treedt het beding in werking. Daardoor keren de geschonken goederen terug naar het vermogen van de schenker. De schenking wordt, met andere woorden, ontbonden en de rechten van de begiftigde vervallen met terugwerkende kracht. Het is dus alsof de schenking nooit heeft plaatsgevonden.

Het is over deze modaliteit, in het kader van een voorlopig bewind, dat het vredegerecht van Antwerpen zich op de hoger genoemde data heeft uitgesproken.

We leggen de puzzel

In het voorliggende geval had er een schenking van een onroerend goed plaatsgevonden. Bij de schenking had de schenker zich het genot en gebruik voorbehouden tot op het moment van diens overlijden of tot het moment dat de schenker zich elders zou domiciliëren. Bovendien was in de akte een conventioneel beding van terugkeer opgenomen. Het onroerend goed zou terugkeren naar de schenker indien de begiftigde en al diens afstammelingen (if any) zouden overlijden voor de schenker.

De schenker heeft ondertussen domicilie genomen in een woonzorgcentrum en het onroerend goed staat leeg. De begiftigde werd aangesteld als voorlopig bewindvoerder, over de schenker.

Op een gegeven moment wenst de begiftigde over te gaan tot verkoop van het onroerend goed. Echter, iemand kan niet meer rechten overdragen dan die deze zelf heeft, dus de verkoop moet inclusief het beding van terugkeer gebeuren. Dit maakt het onroerend goed in feite quasi onverkoopbaar: want wie wil een woning kopen, met het risico om het ooit "zomaar" te moeten teruggeven? De vraag wordt dus gesteld om afstand te doen van het conventionele beding van terugkeer.

Hoe kwalificeert dergelijke verzaking of afstand?

Dergelijke afstand komt in feite neer op een schenking van degene in wiens voordeel het beding was opgenomen. Dit is dus, opnieuw, de oorspronkelijke schenker. Namelijk: door de afstand van het beding verliest het vermogen van de schenker de kans om ooit het betreffende goed in volle eigendom terug te krijgen. De beweegreden om afstand te doen van het beding, gebeurt uit vrijgevigheid (de zogenaamde animus donandi). Vandaar dus de conclusie: het is een schenking.

Hoe valt die verzaking of afstand te rijmen met het voorlopig bewind?

Hierdoor rijst de vraag of iemand die onder voorlopig bewind is geplaatst dergelijke afstand nog kan doen? Als het antwoord daarbij negatief is, is de volgende vraag of de voorlopig bewindvoerder dat in de plaats van de schenker kan doen (rekening houdend met het gegeven dat de bewindvoerder tevens de begiftigde is).

Actueel voorzien de regels inzake bewind dat de schenking moet gebeuren door de schenker, persoonlijk. Die zou daartoe een verzoekschrift moeten ondertekenen en neerleggen bij de bevoegde vrederechter. Die laatste zal dan onderzoeken of de schenker bekwaam genoeg is om de schenking te kunnen uitvoeren. Het is dus niet mogelijk dat de voorlopig bewindvoerder de schenker daarin vertegenwoordigt.

Conclusie

Het al dan niet wilsbekwaam zijn blijft dus een belangrijk element, niet enkel bij het verrichten van de oorspronkelijke schenking, maar ook als er later nog wijzigingen aan die oorspronkelijke planning zouden moeten gebeuren.

Aan deze problematiek had men kunnen ontsnappen door een bijkomende modaliteit inzake zaakvervanging in de schenking op te nemen. Daardoor zou men het onroerend goed wel kunnen vervreemden! Het conventioneel beding van terugkeer zal dan namelijk betrekking hebben op de in de plaats gekomen koopsom. Naderhand een notariële overeenkomst tot zaakvervanging afsluiten kan ook, maar daarvoor is de tussenkomst van de vrederechter én een bewindvoerder ad hoc vereist.

Een goed doordachte planning kan soelaas en gemoedsrust brengen. Wenst u tot planning over te gaan? Contacteer dan tijdig de juristen van aternio.


(R)evolutie van de boekhouding en factuur als bewijsmiddel.

De wetgever heeft de laatste jaren - spijts politieke strubbelingen en aanhoudende pandemie - niet stil gezeten. Het ondernemerslandschap werd niet alleen getrakteerd op een geheel nieuw Wetboek. Het ondernemingsrecht op zich werd eveneens grondig hervormd met als voorlopig sluitstuk ook 'nieuwe' regels inzake bewijs. Sommige verschillen of nieuwigheden zijn eerder subtiel, andere een consolidatie van een jarenlange evolutie in de rechtspraak. Deze bijdrage focust op de twee meest frequent gehanteerde bewijsmiddelen in het ondernemingsrecht: de boekhouding en de factuur.

Het bewijs in het pre-hervormingstijdperk - een terugblik

Algemeen principe van vrij bewijsrecht

Al sinds Napoleontische tijden verdient de relatie tussen kooplieden een bijzondere plaats binnen ons rechtsstelsel. Zij worden namelijk geacht op hetzelfde niveau te opereren op het specifieke toneel van de markt van vraag en aanbod. Eén van de voornaamste kenmerken van het ondernemingsrecht is dan ook dat het een vrij bewijsrecht kent.

Het Wetboek van Koophandel vertrekt vanuit het principe dat handelsverbintenissen op dezelfde wijze kunnen worden bewezen als burgerlijke verbintenissen. Daarenboven kunnen kooplieden sedert jaar en dag gebruik maken van het bewijs met alle middelen van recht. In een hectische of ons-kent-ons context was het namelijk geen vast gebruik om voor elke daad van koophandel netjes geschriften uit te wisselen.

Deze historische context heeft er ook steeds voor gezorgd dat het bewijs van handelsverbintenissen aan minder strenge regels onderworpen was. Een onderhandse overeenkomst kent geen enkel vormvoorschrift, ongeacht het financiële belang is in se geen geschrift vereist en een eventueel geschrift is weerlegbaar door getuigen of vermoedens.

Vrijheid blijheid? Het hoeft geen betoog dat het ondernemerslandschap inmiddels veel complexer is geworden. Deze historische vrijheid zit echter zodanig diep ingeworteld in het handelswezen dat het haast té essentieel is dit principe in twijfel te trekken.

Regelmatig gevoerde boekhouding

De boekhouding van handelaars heeft steeds een bijzondere plaats gehad in het tussen hen geldende bewijsrecht. Voor zover regelmatig gevoerd, kan de rechter de boekhouding als bewijs aannemen tussen handelaars wegens handelsdaden.

De waarde van dergelijke boekhouding is gelijk aan die van een buitengerechtelijke bekentenis. De rechter is aldus niet verplicht de boekhouding als bewijs in aanmerking te nemen of om er een zekere waarde aan toe te kennen.

Al helemaal complex is het vraagstuk wat er dan moet gebeuren met een niet regelmatig gevoerde boekhouding. Een onregelmatigheid heeft namelijk niet per se betrekking op het deel van de boekhouding dat tot bewijs van de voorliggende aanspraak moest dienen.

Factuur als bewijs van koop-verkoop

Wettelijk en feitelijk vermoeden

Een mogelijks nóg meer bijzondere plaats komt toe aan de aanvaarde factuur als bewijs van de koop-verkoop.

Tegen de leverancier / opsteller van de factuur levert de aanvaarde factuur het bewijs op van de koop-verkoopovereenkomst zoals die uit de factuur blijkt. Dit betreft een wettelijk vermoeden.

Tegen de klant / ontvanger van de factuur bewijst de factuur het bestaan van de koop voor zover de factuur uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard. Hier gaat het om een louter feitelijk vermoeden dat kan worden weerlegd (met alle middelen van recht).

Aanvaarding van de factuur

De essentie zit hem in de aanvaarding door de ontvanger. De opsteller van de factuur kan zichzelf louter door het uitsturen van de factuur geen bewijs verschaffen. Dergelijke aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. Stilzwijgende aanvaarding kan bestaan uit hetzij de betaling van de factuur hetzij de inschrijving ervan in de boekhouding hetzij het gebrek aan een concreet protest binnen een redelijke termijn.

Er is al heel wat inkt gevloeid over het gebrek aan protest van de factuur. Concreet protest veronderstelt geen algemeen bezwaar, hetgeen niet wegneemt dat het bezwaar wel op de integrale factuur betrekking kan hebben. Een redelijke termijn wordt beoordeeld rekening houdend met de aard van de overeenkomst en de complexiteit van de factuur zelf. Of ook het protest zelf impliciet kan zijn, is eerder twijfelachtig. Het louter niet betalen of een algemene verantwoording vragen volstaat in principe niet.

Daarenboven moet het stilzwijgen ook omstandig zijn, hetzij begeleid door omstandigheden waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de stilzwijger zijn wil geuit heeft.

Beperkte toepassing

Voormelde vermoedens beperken zich in beginsel tot de essentie van de factuur zelf (aard en prijs van goederen of diensten) en niet tot de secundaire verbintenissen (een bijkomende vergoeding).

Tenslotte dient benadrukt dat voor bv. aannemingszaken er geen wettelijk doch enkel feitelijk vermoeden bestaat. De rechter is aldus niet verplicht om uit de aanvaarding van een aannemingsfactuur het akkoord met betaling ervan af te leiden.

Grote hervorming van 2018 - invloed op het bewijs

Uitbereiding van het vrij bewijsrecht

De Wet tot hervorming van het ondernemingsrecht gooit een aantal historische begrippen en concepten overboord. De Rechtbank van Koophandel omgedoopt tot Ondernemingsrechtbank, geen handelaar of daden van koophandel meer en ook het onderscheid tussen ondernemingen van burgerlijke en handelsaard kwam tot een einde.

Al deze wijzigingen hebben één duidelijke oorzaak: de invoering van een nieuw en ruimer ondernemingsbegrip. Het  vrije bewijsrecht wordt daardoor van toepassing op:

  • elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  • iedere rechtspersoon; of
  • andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid voor zover zij een uitkeringsoogmerk heeft

Klassiek publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen/diensten aanbieden op de markt en de overheden zelf uitgezonderd.

Het vrije bewijsrecht geldt zowel tussen ondernemingen onderling als voor partijen die tegen een onderneming willen bewijzen. Het tegenbewijs dat de onderneming tegen een niet-ondernemer wil leveren blijft aldus onderworpen aan het burgerlijk bewijsrecht. Hetzelfde geldt voor bewijzen tegen natuurlijke personen-zelfstandigen van zaken die kennelijk vreemd zijn aan hun onderneming.

Boekhouding als bewijs tout court

De boekhouding wordt als bijzonder bewijsmiddel behouden met als voornaamste vernieuwing dat zij niet langer regelmatig hoeft te zijn om als bewijs in aanmerking te komen. Het feit dat een bepaald aspect van de boekhouding twijfelachtig is, verhindert het bewijs van verzending door bv. inschrijving van de factuur in kwestie niet.

Bovendien mag de boekhouding niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst. Wie zijn boekhouding voorlegt zal aldus het geheel moeten voorleggen en niet enkel de zaken die hem tot voordeel kunnen strekken.

Het principe van de vrije waardering van de bewijswaarde door de rechter blijft behouden. De rechter zal aldus beoordelen welke waarde aan het boekhoudkundig element toekomt rekening houdend met de gevoerde boekhouding als geheel.

Factuur als bewijs van rechtshandelingen

De factuur levert ingevolge de hervorming niet enkel bewijs op van het bestaan van een koop-verkoop, maar van alle rechtshandelingen waarvoor een factuur is opgesteld.

Zodra het bewijs kan worden geleverd dat de factuur werd aanvaard, verkijgt zij een wettelijke bewijswaarde.

Eén en ander geldt echter enkel in de mate waarin voor die bepaalde rechtshandeling een factuur opgesteld moet worden. Men kan evident geen facturen uitschrijven om zich een wettelijk bewijs te verschaffen van zaken die helemaal geen factuur behoeven.

Bewijsrecht in het nieuwe Burgerlijk Wetboek

Break-even voor het vrij bewijsrecht

Het nieuw boek 8 van het Burgerlijk Wetboek raakt niet aan de principes van het vrij bewijsrecht tussen ondernemingen onderling of tegen een onderneming. Dezelfde uitzonderingen blijven van toepassing: geen vrij bewijsrecht tegen een niet-onderneming of tegen een natuurlijke persoon-zelfstandige voor zaken die kennelijk vreemd aan zijn onderneming.

Overeenstemmende boekhouding als bewijs

Daar waar de hervorming een feitelijk vermoeden van bewijs uit de boekhouding tout court installeerde, schroeft het Burgerlijk Wetboek de teugels terug aan. Weliswaar wel met een wettelijke i.p.v. feitelijke bewijswaarde tot gevolg.

Een boekhouding verkrijgt namelijk wettelijke bewijswaarde tegen een andere onderneming indien de vermeldingen in de boekhouding van de onderscheiden partijen overeenstemmend zijn. Denk hierbij aan de inschrijving van de factuur in de boekhouding van beide partijen wanneer één van beide aanvoert de factuur nooit ontvangen te hebben.

Is er echter geen overeenstemming tussen beide boekhoudingen, dan kan de boekhouding hoogstens een feitelijk vermoeden scheppen. Hierdoor zal het bevel tot overlegging van de boekhouding door de rechtbank of één van partijen wellicht meer doorgang vinden.

Een laatste nuancering onder het nieuwe B.W.: de boekhouding mag opnieuw slechts gedeeltelijk worden voorgelegd als bewijs tegen de onderneming zelf wanneer ze niet regelmatig gevoerd is. Het creëren van een schijn van betrouwbaarheid wordt dus opnieuw mogelijk door de nadelige stukken weg te laten.

Aanvaarde of niet betwiste factuur

Voortaan bepaalt de wet uitdrukkelijk dat niet alleen de aanvaarding maar ook een niet binnen een redelijke termijn betwiste factuur het bewijs van de rechtshandeling oplevert. Het gebrek aan tijdig protest wordt aldus van vorm van stilzwijgende aanvaarding naar expliciete rechtsgrond geheven.

Bovendien kan voortaan ook het gebrek aan betwisting van een factuur door een niet-onderneming een weerlegbaar vermoeden van aanvaarding uitmaken. Dit kan wanneer het gebrek aan betwisting een omstandig stilzwijgen uitmaakt. Ook voor niet-ondernemers is voortaan een meer actief handelen aangewezen. Ook hier gaat het echter nog steeds om een feitelijk en dus weerlegbaar vermoeden.

aternio staat u in het licht hiervan graag bij in het opzetten van een goede invorderings- en facturatiepolitiek.


Nieuw: 'centraal register van economische knipperlichten'

Met ingang van 5 juli 2021 (KB 13 juni 2021) werd in België een nieuw 'centraal register van economische knipperlichten' in het leven geroepen. Dit register heeft tot doel ondernemingen in moeilijkheden sneller op te sporen, om zo de gepaste maatregelen te kunnen treffen.

Kamers voor Ondernemingen In Moeilijkheden (KOIM)

Binnen de ondernemingsrechtbanken zijn de specifieke 'Kamers voor Ondernemingen In Moeilijkheden' (KOIM) bevoegd voor het opsporen en opvolgen van de toestand van ondernemingen in moeilijkheden. Zij doen al het nodige om de continuïteit van de activiteiten te behouden, maar ook om de rechten van de schuldeisers te vrijwaren.

De KOIM volgt de financiële toestand van de onderneming op de voet en neemt - zo nodig - de gepaste maatregelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het aansturen van de onderneming tot herstelmaatregelen om een faillissement te vermijden.

Wanneer de situatie echter onherstelbaar is aangetast, moet zij het dossier doorsturen naar het parket voor een dagvaarding tot faillissement.

Welke 'knipperlichten'?

Daar waar voorheen de gegevens her en der verspreid lagen en men de puzzelstukjes zelf diende te leggen, verzamelt en centraliseert het register nu alle relevante indicatoren of knipperlichten om ondernemingen in moeilijkheden op te sporen.

Hoe meer 'knipperlichten' er gaan branden, hoe groter de noodzaak voor de KOIM om de toestand van de onderneming in kwestie te onderzoeken.

Vooreerst hebben de knipperlichten betrekking op gegevens die administraties nu al wettelijk dienen mee te delen aan de ondernemingsrechtbank.

Het gaat om schuldenaren die:

- reeds een kwartaal de socialezekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan de RSZ;
- reeds een kwartaal de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan het RSVZ, wat de zelfstandigen betreft;
- de BTW of bedrijfsvoorheffing niet meer betaald hebben aan de administratie van financiën;
- gewichtige en overeenstemmende feiten hebben gepleegd die de continuïteit van de economische activiteit in het gedrang kunnen brengen, en die zijn vastgesteld door een gecertificeerd accountant, accountant, fiscaal accountant of bedrijfsrevisor;
- onderworpen zijn aan een kennisgeving van inbeslagname;
- onderworpen zijn aan een vonnis tot beëindiging van de handelshuur;
- bij verstek of op tegenspraak zijn veroordeeld, terwijl zij de gevorderde hoofdsom niet hebben betwist.

Andere knipperlichten zijn bijvoorbeeld:

-de financiële gezondheidsindicator berekend door de Nationale Bank van België;
-het aantal werknemers van de onderneming; en
-het regelmatig verplaatsen van de zetel van de onderneming.

Deze indicatoren zullen worden bewaard gedurende vijf jaar vanaf hun registratie in het register.

Toegang tot het register?

Gelet op de precaire situatie waarin de betreffende onderneming zich bevindt, is het register niet voor iedereen toegankelijk.

Enkel de griffie, de rechters van de KOIM, de rechter-verslaggevers en de bevoegde procureurs des Konings hebben rechtstreeks toegang tot het register.

Het KB van 13 juni 2021 vermeldt de maatregelen tot bescherming van de vertrouwelijkheid en veiligheid van verwerkte persoonsgegevens.

Conclusie

De KOIM zal ondernemingen in moeilijkheden voortaan kunnen opsporen via gegevens uit het 'centraal register van economische knipperlichten'. Het is dus daarom belangrijk om uw betalingen en administratie nauwgezet op te volgen. Het opzetten van een goede corporate en financial housekeeping kan daarbij al wonderen verrichten!