Appartement aan zee en de fiscus, het blijft moeilijk.

We weten het al langer dan vandaag: de fiscus is geen fan van een appartement aan zee in een vennootschap. In een arrest van 21 september 2018 bevestigt het Hof van Cassatie nu ook dat de kosten voor een appartement aan de zee niet aftrekbaar zijn indien duidelijk is dat die investering nooit kan renderen. Het feit dat een zaakvoerder een vergoeding betaalt ten belope van het voordeel alle aard, doet er blijkbaar niet toe.

Voorwaarden artikel 49 WIB'92

Krachtens artikel 49 WIB'92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken.

Uit artikel 49 WIB'92 volgt echter niet dat de aftrek van beroepskosten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap, zoals die blijkt uit haar doelsomschrijving.

Het Hof van Cassatie velde in 2015 hierover reeds enkele positieve arresten, en bevestigt dit standpunt hier gelukkig opnieuw.

Schamele inkomsten

De rechters vallen echter wél over de andere feitelijke elementen in het dossier.

De appelrechters stellen vast dat het onroerend goed bijna voor het volledige bedrag is gefinancierd met geleend geld.

Volgens de rechters is het  niet bewezen dat de vennootschap de intentie heeft om het onroerend te rentabiliseren. Het appartement is immers ter beschikking gesteld van de zaakvoerder tegen een zeer bescheiden vergoeding. Een symbolische huur vanwege de zaakvoerder volstaat dus niet als bewijs dat de intentie bestaat om belastbare inkomsten te verkrijgen. Er is ook geen verhuring van het appartement aan derden.

Evenmin is het bewezen dat het onroerend goed op korte termijn kan verkocht worden met een grote meerwaarde.

Die "schamele" inkomsten staan tegenover de zware kosten van het appartement. De belastingplichtige toont bovendien niet aan dat het de bedoeling is om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten overstijgen.

Besluit

Het Hof besloot daaruit dat de enige bedoeling van de verrichting is om privékosten van de zaakvoerder ten laste te nemen.  Bijgevolg gaat het niet om beroepskosten van de vennootschap in de zin van artikel 49 WIB'92. De aftrek is dus verworpen in hoofde van de vennootschap.

Kortom: een appartement aan zee en de fiscus, het blijft nog steeds een moeilijke combinatie. Bezint eer ge begint stelt een oude zegswijze.


Schenken of toch niet. Al gedacht aan een volmachtschenking?

De schenking wordt courant gebruikt en vormt een interessante manier om bij leven goederen van het ene vermogen naar het andere te laten gaan. Vaak gaat dit gepaard met enkele persoonlijke ongemakken voor de schenker, deze ontdoet zich namelijk dadelijk en onherroepelijk van deze goederen. De geschonken goederen verdwijnen immers definitief uit het vermogen. Dit zal vaak een hinderpaal vormen om effectief tot schenking over te gaan.

Daarvoor heeft de praktijk een oplossing bedacht: het voorbereiden van de schenking via volmachten. Het gaat hier met andere woorden om een schenking in extremis. Men gaat proberen om de ongemakken die de schenker ervaart, zo lang mogelijk uit te stellen.

De vraag is echter waarom men dat zou doen? Wat zijn de positieve en negatieve punten van deze constructie?

Fiscaal aantrekkelijke schenking

Fiscaal gezien zijn schenkingen veel aantrekkelijker dan erfenissen. Wanneer dezelfde goederen vererft worden, via de normale devolutie of via testament, wordt de dubbel progressieve erfbelasting toegepast. De tarieven zijn afhankelijk van de netto-waarde van de vererfde goederen (roerend of onroerend) en van de verwantschapsgraad tussen begiftigde erfgenaam en de erflater.

Schenkingen daarentegen vallen onder de schenkbelasting. Voor roerende goederen geldt in Vlaanderen een toegankelijk tarief: 3% voor schenkingen in de rechte lijn of 7% voor alle andere schenkingen. De tarieven gelden voor schenkingen, zelfs al zijn ze amper enkele minuten geleden voor een notaris verleden. Het is zo dat deze schenkingsrechten van toepassing blijven, ongeacht het moment van overlijden.

Naaktheidssyndroom

Door deze techniek wil de schenker zijn schenking zo lang mogelijk uitstellen, effectief tot op het allerlaatste moment. Schenkers lijden niet zelden aan een ‘naaktheidssyndroom’. Zij voelen zich in hun blootje gezet door de goederen weg te schenken. Het is dus zo dat hoe langer men wacht om te schenken, hoe minder nadelige gevolgen de schenker ondervindt met betrekking tot het onmiddellijke en de onherroepelijke ‘verlies’ van de goederen uit zijn vermogen.

Echter, dat wachten tot op het laatste moment houdt ook een risico in, want het kan op een bepaald moment plots heel snel gaan. Zo snel dat de schenker fysiek niet meer in de mogelijkheid is  om te schenken. Vandaar de oplossing: de schenking in extremis.  Middels de voorbereiding van de schenking via volmachten kan de schenker, zolang niet overleden, alsnog schenken.

Volmachtschenking

Bij de schenking via volmacht wordt de schenking van a tot z voorbereid. Daarbij is de eerste stap het schenkingsaanbod. Dit is de intentie van de schenker om effectief bepaalde goederen te schenken. Vervolgens geeft de schenker volmacht om, als het cruciale moment daar is, dit schenkingsaanbod voor notaris aan te bieden aan de begiftigden. Deze gaan vervolgens persoonlijk over tot aanvaarding van de schenking. Maar om snel te kunnen schakelen kunnen ook de begiftigden reeds een volmacht opmaken om de schenking te aanvaarden.

Belangrijk hierbij is dat de schenking effectief aanvaard is voor het overlijden. Vanaf dat moment is de schenking definitief.

Volgorde van bewerkingen

Eerst wordt een schenkingsaanbod opgemaakt; vervolgens stelt men de nodige volmachten op en daarna steekt men dit alles in de spreekwoordelijke koelkast van de notaris. Op het moment dat het ‘nodig’ is, verwittigt men de notaris en start de volmachtencarrousel.

Let wel zolang de volmachten niet worden uitgevoerd is er nog geen sprake van een effectieve schenking.  Er zijn enkel volmachten. Deze constructie heeft als doel om zo lang mogelijk te wachten om de schenking effectief uitwerking te laten krijgen.

Conclusie

Middels de volmachtschenking schakelt men de nadelen die aan een schenking verbonden zijn, grotendeels uit.

Deze techniek van voorbereiding van een schenking is echter niet zaligmakend, want men loopt steeds het risico dat men te laat is. Wanneer de toekomstige schenker plots overlijdt, zijn de getroffen voorbereidingen een maat voor niets geweest. Daardoor gaat het concreet om een schenking die verleden is binnen de 3 jaar voor het overlijden waarop nog geen schenkbelasting is betaald! In dat geval valt men onder één van de fictiebepalingen uit het Vlaamse Codex Fiscaliteit (art. 2.7.1.0.5, §1), waardoor er wél erfbelasting verschuldigd is.

De juristen van aternio adviseren u graag bij het voorbereiden en uitwerken van uw schenking. Tempus fugit 


Feitelijk samenwonen - opgelet voor booby traps

Mensen die samen onder één dak wonen kunnen in diverse juridische vormen samenleven. De  keuze is drieledig: het huwelijk, wettelijk of feitelijk samenwonen. Het belang van de keuze mag niet onderschat worden.

Heel wat koppels wonen vaak jarenlang samen zonder dat zij een wettelijke samenlevingsovereenkomst afsluiten, laat staan overgaan tot een huwelijk. In dat geval leven zij samen als feitelijk samenwonenden. Er zijn echter twee noodlottige momenten denkbaar in het leven van zij die feitelijk samenwonen. De samenleving kan immers eindigen hetzij door overlijden hetzij door de keuze van één of beide partners.

In deze bijdrage gaan we specifiek in op de situatie van feitelijke samenwoonst.

De wegen scheiden ...

Er bestaat geen wettelijk statuut met rechten en plichten voor feitelijke samenwonenden. Bijgevolg zijn er bij de beëindiging van de relatie geen formele verplichtingen voorzien. De partners kunnen, al dan niet in overleg, op eenvoudige wijze en zonder naleving van enige formaliteit de samenwoning beëindigen.

De materiële afwikkeling van de beëindiging van de samenwoning gebeurt dus op basis van onderlinge afspraken. Deze afspraken zijn eventueel opgenomen in een (notariële) samenlevingsovereenkomst. Dit is echter meer uitzondering dan regel. In het geval er toch een overeenkomst is opgesteld, bevat deze meestal afspraken over wie welke goederen bezit, wie de huurovereenkomst verderzet of hoe gelden op een gemeenschappelijke bankrekeningen zullen worden verdeeld.

Voor gehuwden en wettelijk samenwonenden voorziet de wet in dringende en voorlopige maatregelen. Dit is niet zo bij het stopzetten van een feitelijke samenwoonst. In geval van een spoedeisend karakter kan men, via een gemeenrechtelijke kortgedingprocedure, eventueel maatregelen bij voorraad vorderen. Het is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die bevoegd is en niet de familierechtbank. In de praktijk gaat dit vaak om vergoedingen met betrekking tot de woonst of het gebruik van roerende goederen.

Evenmin bestaat er een wettelijke onderhoudsplicht. Ex-partners hebben op dit vlak in principe geen rechten of plichten ten opzichte van elkaar. Eventueel kunnen hieromtrent ook afspraken gemaakt worden in een overeenkomst. Dit is echter vrij ongebruikelijk.

Indien er gemeenschappelijke kinderen zijn zal men zich wenden tot de familie- en jeugdrechtbank voor de (financiële) regelingen.

Wat bij intestaat overlijden?

Bij overlijden erven feitelijk samenwonenden in principe niets van elkaar. Immers, wanneer er geen testament is opgemaakt, is er ook geen erfrecht. Juridisch gezien zijn feitelijk samenwonenden vreemden voor elkaar. Dit kan leiden tot ongewilde en onaangename situaties.

Denk hierbij aan de 'gezinswoning' die slechts eigendom is van één van de samenwoners. Voor de langstlevende niet-eigenaar is er überhaupt geen bescherming. Het zijn de erfgenamen die eigenaar worden van de woning, wat in vele gevallen betekent dat deze langstlevende de woning moet verlaten. Een feitelijk samenwonende partner heeft immers niet het vruchtgebruik van de gezinswoning bij overlijden van zijn partner. Ook indien de woning in onverdeeldheid is gekocht door beide samenwoners is er geen enkele garantie. Behoudens indien er sprake is van een beding van tontine of aanwas, zal de langstlevende de erfgenamen namelijk moeten uitkopen om alsnog in de woning te kunnen blijven wonen.

Een testament biedt (deels) soelaas

Het probleem van gemis aan erfrecht kan worden opgevangen door het opmaken van een testament. Er zijn mogelijk reservataire beperkingen voor de testator. De ouderlijke reserve mag dan wel zijn afgeschaft, maar voor alle kinderen samen is er nog steeds een reservataire deel van 50%. Het risico bestaat dus dat het testament geen volledige uitwerking zal hebben door deze wettelijke reserve.

Bij testamentaire toekenning van vruchtgebruik aan de langstlevende samenwonende is ook behoedzaamheid geboden. Het is namelijk niet uitgesloten dat dit erfrechtelijk vruchtgebruik op verzoek van één of alle blote eigenaars geheel of gedeeltelijk wordt omgezet in een geldsom. Dit kan enkel wanneer de erfgenamen afstammelingen zijn van de overleden partner. Daar waar bij echtgenoten het niet mogelijk is om de omzetting te vragen voor de gezinswoning en de huisraad, is dit wel mogelijk bij feitelijke samenwoonst. Andere blote eigenaars kunnen in beginsel geen omzetting van vruchtgebruik verkrijgen.

Wat doet de fiscus ...

Wanneer één van de feitelijk samenwonenden diens partner bij leven begiftigt of via testament begunstigt, dan komt mogelijk ook de fiscus langs. Het is in deze van uitzonderlijk belang om te beseffen dat de drie gewesten in België er, ten aanzien van feitelijk samenwonenden, andere regels op nahouden. De fiscale woonplaats op het ogenblik van schenking of overlijden kan namelijk een bijzondere financiële impact hebben. Woonde de schenker of de overledene tijdens de laatste vijf jaren op meer dan één plaats in België dan telt het gewest waar de schenker of de overledene het langst woonde in die vijf jaar.

Bij schenking?

Feitelijke samenwoners die minstens 1 jaar feitelijk samenwonen kunnen in het Vlaamse Gewest roerende goederen schenken aan het tarief van 3%. In het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden feitelijke samenwoners niet gelijkgesteld met echtgenoten en gelden voor roerende goederen tarieven van respectievelijk 5,5% en 7%. Voor schenking van onroerende goederen gelden in alle gewesten progressieve tarieven. Het maximale tarief bedraagt in het Vlaamse Gewest 27%, in het Waalse Gewest 50% en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 40%.

Bij overlijden?

In het Vlaamse Gewest is de gezinswoning vrijgesteld van erfbelasting ook voor de feitelijk samenwonende. Voorwaarde voor deze vrijstelling is wel dat de feitelijk samenwonenden op de dag van het overlijden minstens drie jaar samenwonen. Voor de bepaling van het tarief van de erfbelasting daarentegen worden in het Vlaamse Gewest feitelijke samenwoners gelijkgesteld met gehuwden wanneer ze op de dag van het overlijden minstens één jaar samenwonen. Er is bovendien een splitsing tussen het roerend en onroerend erfdeel. De fiscus berekent de erfbelasting voor elke soort van goederen door telkens opnieuw te vertrekken vanaf het tarief op de laagste schijven. Vanaf 1 september 2018 is de eerste schijf van 50.000 euro in de nettoverkrijging van de roerende goederen vrijgesteld van erfbelasting.

In het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden voor feitelijke samenwonenden bij overlijden geen fiscale gunstmaatregelen, noch inzake gezinswoning noch inzake tarieven. Dit impliceert dat we hier te maken hebben met tarieven die gelden tussen derden. Alles boven de 175.000 euro is belast aan 80%!

Conclusie

Het is niet uitgesloten dat er voor feitelijke samenwonenden bij het einde van de relatie mogelijk een aantal onaangename booby traps liggen te wachten. Een degelijke samenlevingsovereenkomst kan helpen om bij scheiding het leed te verzachten. Het is daarnaast een must om een doordacht testament op te stellen. In het kader van successieplanning is een strategische woonstkeuze essentieel. Voor zij die nog steeds hun twijfels hebben kan het huwelijk een optie zijn .


Big Brother is watching you - observatie door de fiscus

Fiscale inspecteurs mogen herhaaldelijk vanop de openbare weg de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige in de gaten houden. Ook de beroepsmatige handelingen die hij met andere belastingplichtige verricht mag de fiscus “observeren”. Dergelijke soort van observatie bevestigt het Hof van Cassatie (14 december 2018).

Zwart circuit in horeca

De zaak in kwestie betrof een grootschalige fraude in de horecasector. Dankzij een tip van een cafébaas bij de fiscus werd een opgezet zwart circuit tussen een drankhandelaar en horeca-uitbaters volledig ontrafeld.

De fiscus zette immers na deze tip haar inspectiediensten in. Na vaststellingen bij diverse klanten van de drankenhandelaar, bevestigden deze het bestaan van een zwart circuit.

Procedureslag

Op basis van de processen verbaal van de fiscale inspecteurs legde de fiscus officieel klacht neer bij het parket. Dit leidde niet alleen tot een strafrechtelijke vervolging van de drankenhandelaar. Maar het leidde ook tot een fiscale procedure bij de afnemers.

De verschillende horeca-uitbaters kregen een bijkomende aanslag in de bus. Eén van die horeca-uitbaters liet het daar niet bij en startte een ware procedureslag.

Strikte voorwaarden observatie uit Wetboek Strafvordering

Artikel 47 sexies WSV voorziet specifieke voorwaarden voor een "observatie". Zo is een observatie - in het strafrecht - meer dan vijf opeenvolgende dagen, of van meer dan vijf niet-opeenvolgende dagen gespreid over een periode van een maand, of een observatie waarbij technische hulpmiddelen worden aangewend. Hiervoor is een machtiging van de Procureur des Konings nodig.

Een van de argumenten van de horeca-uitbater was dat de fiscale ambtenaren niet beschikten over dergelijke machtiging.

Recht op privacy

Daarnaast riep de café-uitbater ook een schending van zijn privacy (art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in. Volgens dit artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de privésfeer verboden, tenzij daarin bij wet is voorzien en het in een democratische samenleving noodzakelijk is, onder meer in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land.

Beslissing Hof: geen schending

De café-uitbater moet echter tot voor het Hof van Cassatie telkens in het zand bijten. Een observatie in strafzaken is immers géén observatie door de fiscus.

Ook het feit dat de fiscus door eigen observaties gegevens inzamelt in de openbare ruimte om zo de correcte belasting te kunnen heffen, vormt voor Cassatie in beginsel geen schending van de privacy van de belastingplichtige. De waarnemingen van de fiscale inspecteurs (in casu het in- en uitladen van drank en leeggoed) was zichtbaar van op de openbare weg en behoort volgens het Hof dus niet tot de privésfeer van de belastingplichtige.

Bron: Cass. 14 december 2018,  F.18.0093.N, Fisc.Act. 2019/02, 5-6.


Wetboek Vennootschappen en Verenigingen is geboren

Na een lang voorbereidend parcours heeft het federaal parlement op 28 februari 2019 het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen (WVV) aangenomen. Dit nieuwe Wetboek omvat grondige veranderingen in het bijzonder inzake het vennootschapsrecht. De komende maanden zullen wij u de belangrijkste veranderingen grondig toelichten. Maar laten we beginnen bij het begin.

Inwerkingtreding

Het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen treedt in werking vanaf 1 mei 2019. Vennootschappen opgericht vanaf deze datum vallen onder de nieuwe regels.

Bij bestaande vennootschappen zullen de nieuwe regels automatisch van toepassing zijn vanaf 1 januari 2020. Bestaande vennootschappen kunnen wel reeds vanaf 1 mei 2019 opteren voor de toepassing van de nieuwe regels.

Wat met de statuten?

Elke vennootschap die haar statuten wijzigt na 1 januari 2020, zal haar statuten tegelijkertijd in overeenstemming met het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen moeten brengen. Ten laatste op 1 januari 2024 moeten de statuten van alle vennootschappen aangepast zijn.

Belangrijkste wijzigingen

Het nieuwe wetboek brengt heel wat belangrijke wijzigingen met zich mee. Hieronder vindt u de meest ingrijpende.

  • Inperking van het aantal vennootschapsvormen. Ten gevolge van het nieuwe Wetboek blijven er slechts vier vennootschapsvormen overeind, namelijk de besloten vennootschap (bv), naamloze vennootschap (nv), coöperatieve vennootschap (cv) en de maatschap.
  • Geen kapitaalsvereiste. Hierdoor zal de besloten vennootschap mogelijk met nul euro kunnen worden opgericht.
  • Het financieel plan wordt belangrijker.  Deze zal moeten kunnen aantonen dat het eigen vermogen bij oprichting toereikend was.
  • Dubbele test bij uitkering van dividenden. Een balanstest, alsook een liquiditeitstest moet het uitkeren van dividenden “goedkeuren”.
  • Statutaire zetel primeert. Vennootschappen zijn onderworpen aan het Belgische vennootschapsrecht wanneer hun statutaire zetel zich in België bevindt. De werkelijke zetelleer speelt geen rol meer.

Meer flexibiliteit

Het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen voorziet in standaard regels, maar laat heel veel ruimte om de “spelregels” van de besloten vennootschap flexibel in te vullen. Met als gevolg dat de statuten een nog belangrijkere rol zullen spelen dan de dag van vandaag.

Enerzijds zal er meer ruimte zijn voor de invulling naar wens. Anderzijds zal het belangrijk zijn om het ruime wetgevende kader zelf te dichten in functie van problemen te voorkomen.

Conclusie

Na lang, zelf heel lang wachten is het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen eindelijk een feit. Dit brengt heel wat wijzigingen, maar ook opportuniteiten met zich mee. Mis de kans niet om uw statuten te stroomlijnen naar uw specifieke behoeften.

In de komende maanden zullen wij u gestructureerd informeren omtrent dit nieuwe wetboek. Aarzel niet om aternio te contacteren. Samen met u bekijken wij graag welke voordelen het nieuwe wetboek voor u in petto heeft.


Het belastbaar moment bij een wederzijdse aan- en verkoopbelofte

Voor het Hof van Beroep te Gent (arrest dd. 13 november 2018) is een discussie tussen de fiscus en een belastingplichtige beslecht aangaande het belastbaar moment van een meerwaarde bij een wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

Feiten

In mei 2010 zet een uitbater van een krantenwinkel zijn beroepsactiviteit stop. Een echtpaar heeft interesse om de handelszaak over te nemen, met inbegrip van het onroerend goed.

Voor de overdracht van het handelspand is een wederzijdse aan-en verkoopbelofte getekend. Deze belofte blijft 5 jaar geldig. Partijen komen daarbij overeen om de authentieke akte voor de verkoop van het onroerend goed uiterlijk op 1 mei 2015 te verlijden.

Naar aanleiding van een fiscale controle wil de fiscus de meerwaarden op het handelspand belasten op het moment van het sluiten van de wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

De belastingplichtige is hier niet mee akkoord en trekt naar de rechtbank. De belastingplichtige stelt dat – als er al sprake zou zijn van een meerwaarde – deze slechts belastbaar is op het moment van de authentieke akte.  Dus niet op het moment van de wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

De kernvraag is dus: volstaat het tekenen van een wederzijdse aan- en verkoopbelofte voor de belastbaarheid van een meerwaarde?

Wat zegt de wet?

Volgens artikel 1583 Burgerlijk Wetboek is de verkoop van een onroerend goed in principe gesloten zodra partijen het eens zijn over de zaak en de prijs. Hiertoe is geen authentieke akte vereist. De authentieke akte is immers enkel nodig voor de tegenstelbaarheid aan derden.

Artikel 1589 BW stelt dan weer dat een “verkoopbelofte” als koop geldt, wanneer er wederzijdse toestemming van de partijen is omtrent de zaak en de prijs.

Specifieke modaliteiten van de belofte

In deze concrete zaak hebben de partijen in de wederzijdse aan- en verkoopbelofte een specifieke afspraak gemaakt. Met name dat de verkoop pas tot stand zou komen op het moment van de authentieke akte.

Er stond letterlijk te lezen: “Partijen zijn in afwijking van het gemeen recht, uitdrukkelijk overeengekomen dat de verkoop zelf pas stond komt door, en op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte vaststellende die verkoop, zodat zij van deze verkoop een plechtig contract hebben gemaakt.

Zolang de authentieke akte niet werd verleden, bestaat er dus volgens de beloften geen verkoop. Bijgevolg betrof het enkel een verbintenis tot verkopen en/of een verbintenis tot kopen.

Conclusie

In casu besliste het Hof dat het moment van de ondertekening van de aan- en verkoopbelofte nog niet zorgde voor de belastbaarheid van een meerwaarde. Volgens vaste rechtspraak is een stopzettingsmeerwaarde ook pas belastbaar op het ogenblik dat de schuldvordering zeker en vaststaand is.

Uit de bewoordingen van de aan-en verkoopbelofte kon het Hof besluiten dat de belastingplichtige het bij het rechte eind had. Op het moment van de belofte was er nog geen sprake van een zeker en vaststaande schuldvordering. Het Hof besliste dat de schuldvordering pas zeker en vaststaand was bij het definitief verlijden van de authentieke akte.


Buitenlandse voordelen voor werknemers in België

Vanaf 1 maart 2019 is het in België voorbij om vanuit een buitenlandse vennootschap 'onbelast' voordelen toe te kennen aan werknemers in België. Voortaan gelden nieuwe regels inzake de verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing en de verplichte melding op fiches.

Vaak gaat het voordelen in de vorm van aandelenopties ('stock options') of gratis aandelen ('restricted stock units'). Het zijn dergelijke voordelen die niet zelden een behoorlijk financiële gewicht hebben.

Hoe het was

Wanneer in het kader van gepresteerde werkzaamheden een buitenlandse vennootschap voordelen toekent   aan een werknemer in België dan is er in principe sprake van een belastbaar voordeel van alle aard. Onder de oude regels was inhouding van bedrijfsvoorheffing enkel verplicht voor de Belgische werkgever die actief tussenkomt in de toekenning van de buitenlandse voordelen.

In de praktijk kwam de Belgische werkgever echter zelden of nooit tussen en was inhouding van bedrijfsvoorheffing niet aan de orde. Het was vervolgens aan de werknemer om het voordeel aan te geven in de aangifte personenbelasting en zo te laten belasten. Welnu, sommige Belgische werknemers bleken op dat vlak soms 'vergeetachtig'.

Nieuwe fictie: altijd bedrijfsvoorheffing

Om misbruiken uit te schakelen is een nieuwe fiscale fictie in het leven geroepen (art. 270 WIB'92). Alle buitenlandse voordelen of bezoldigingen die een Belgische werknemer ontvangt, n.a.v. zijn beroepsactiviteit, worden geacht toegekend te zijn door de Belgische werkgever wanneer deze verbonden is met de buitenlandse toekennende vennootschap. Opgelet bij werknemers die ook werken buiten België, bijvoorbeeld via een salary split. In dergelijke situatie kan een opsplitsing van het voordeel aan de orde zijn.

De nieuwe regel geldt voor toegekende voordelen of lonen vanaf 1 maart 2019. Het is nu al duidelijk dat problemen kunnen opduiken. Het is perfect mogelijk dat de Belgische werkgever, bijvoorbeeld dochteronderneming van een buitenlandse moeder, niet op de hoogte is van de toegekende voordelen. Vragenrondes bij alle verbonden vennootschappen zijn voortaan standaard procedure. Daarenboven is inhouding van bedrijfsvoorheffing verplicht op het ogenblik van toekenning van het voordeel. In het bijzonder bij gratis aandelen of aandelenopties kan dit voor de werknemer zorgen voor financiële druk. Het is immers niet ondenkbaar dat de ingehouden bedrijfsvoorheffing hoger is dan het maandloon.

Verplichte fiche is het gevolg

De verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing leidt tot de verplichting om fiches op te stellen voor de  voordelen. Voor de Belgische vennootschappen zorgt dit voor meer opvolging en administratieve formaliteiten. In ieder geval geldt de verplichting nog niet voor inkomsten 2018. Voor de voordelen die zijn betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019 is er geen ontsnappen aan. De fiches dienen voor het eerst te worden ingediend voor 1 maart 2020.

Socialezekerheidsbijdragen: welcome in troubled paradise

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft in september 2018 haar instructies aangepast. Volgens het administratief  standpunt zijn socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zodra de toekenning van de voordelen het gevolg is van prestaties die zijn geleverd in het kader van de arbeidsovereenkomst die met de werkgever werd afgesloten of die verband houdt met de functie die de werknemer bij de werkgever uitoefent.

Indien dit standpunt wordt bevestigd door de rechtspraak of er geen nieuwe wetgeving volgt, zullen buitenlandse voordelen in veel gevallen niet ontsnappen aan socialezekerheidsbijdragen. Een bittere pil voor gratis aandelen of aandelenopties toegekend buiten de wet van 26 maart 1999.

Conclusie

De nieuwe regels zijn opnieuw een voorbeeld van reactieve wetgeving. Al dan niet bewuste vergeetachtigheid van sommige belastingplichtigen zorgt nu voor meer administratieve rompslomp voor Belgische vennootschappen. Belgische werkgevers die deel uitmaken van een internationale groep zullen het geweten hebben. Opvolging van buitenlandse voordelen verkregen door hun werknemers in België is voortaan een nieuwe verantwoordelijkheid.


Vrijwilligerswerk: hogere vergoeding voor bepaalde categorieën vrijwilligers

Vrijwilligerswerk betekent voor velen een goede daad verrichten. Voor organisaties zijn deze mensen van waardevol belang. Ondanks het principe dat vrijwilligerswerk onbezoldigd is, mag de organisatie wel een kostenvergoeding toekennen. Laten we hier even dieper op ingaan.

Wat is vrijwilligerswerk?

De Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, oftewel Vrijwilligerswet, omschrijft een vrijwilliger als iemand die zich vrijwillig en onbezoldigd inzet ten behoeve van één of meer personen, van een groep of organisatie die geen winst nastreeft.

Vrijwillig is ongedwongen. Een gemeenschapsdienst, stage of een alternatieve sanctie,… is daarom volgens de wet geen vrijwilligerswerk.

Onbezoldigd is zonder loon. Echter, het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de vrijwilliger een forfaitaire kostenvergoeding kan ontvangen. De Vrijwilligerswet bepaalt de plafonds.

Let op! Activiteiten in eigen privé- of familieverband worden niet aanzien als vrijwilligerswerk.

Kostenvergoedingen 2019

 Voor inkomstenjaar 2019 bedraagt de geïndexeerde forfaitaire kostenvergoeding:

  • maximum 34,71 euro per dag,
  • met een maximum van 1388,40 euro per jaar.

Uitzonderingsregeling

Artikel 12 van de Vrijwilligerswet machtigt de Koning om voor specifieke categorieën van vrijwilligers de plafonds van de forfaitaire kostenvergoeding te verhogen. Hiervan werd nu gebruikt gemaakt.

Op 28 december 2018 is een Koninklijk Besluit gepubliceerd dat de jaargrens van de kostenvergoeding voor bepaalde groepen vrijwilligers optrekt naar maximum 2549,90 euro, in plaats van de gebruikelijke 1388,40 euro. De regeling is van kracht sinds 1 januari 2019.

Wie komt in aanmerking?

De uitzonderingsregel geldt enkel voor volgende categorieën vrijwilligers:

  • de sportsector, zijnde een sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester en seingever bij sportwedstrijden;
  • de nachtoppas, namelijk voor het inslapen bij, alsook de dag-oppas bij hulpbehoevende personen volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt;
  • in het niet-dringend liggend ziekenvervoer, namelijk voor het liggend ziekenvervoer naar, vanuit en tussen ziekenhuizen of vestigingsplaatsen van ziekenhuizen, dat niet onder het toepassingsgebied van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening valt en volgens de voorwaarden en kwaliteitscriteria die iedere Gemeenschap bepaalt.

Voorwaarden

Aan voornoemde uitzonderingsregeling zijn bepaalde voorwaarden verbonden:

  • maximum dagbedrag van 34,71 euro;
  • de onkostenvergoeding is niet combineerbaar met een activiteit die valt onder het verenigingswerk in dezelfde organisatie of voor dezelfde activiteit. Je kan dus niet van twee walletjes eten. Ofwel doe je de activiteit als vrijwilliger, ofwel als verenigingswerker;
  • de regeling voor een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding geldt niet voor vrijwilligers die in de periode waarin ze vrijwilligerswerk verrichten een sociale bijstands- of sociale zekerheidsuitkering ontvangen. Deze uitkeringsgerechtigde vrijwilliger moet zich houden aan een maximum van 34,71 euro per dag met een maximum van 1388,40 euro per jaar, ongeacht welke activiteit hij doet.

Wat met stewards?

In een circulaire van begin 2018 heeft de fiscale Administratie aanvaard dat ten aanzien van stewards bij voetbalclubs, er onder bepaalde voorwaarden, in het geheel geen jaargrens speelt.

Er geldt enkel de grens van 34,71 euro per dag die nu eens “per wedstrijd” en dan weer “per dag” mag worden toegepast.

Nu een steward in de sportsector ook onder de categorie vrijwilligers met een verhoogde forfaitaire kostenvergoeding valt, stelt zich de vraag of deze administratieve fiscale regeling nog gehandhaafd wordt.

Tot slot enkele fiscale tips

  • Stel als organisatie voor de vrijwilligers geen fiscale fiches op. De fiscus beschouwt de ontvangen bedragen dan als een inkomen, waarop belasting betaald moet worden.
  • Betaal de kostenvergoeding tijdig uit. De fiscus kijkt naar het jaar waarin de vergoeding is gegeven.
  • Overschrijdt de maxima bedragen nooit.
  • Geef geen onkostenvergoedingen per uur. De fiscus zal dit zelden aanvaarden en de maximumbedragen riskeren snel overschreden te worden.

Upgrade uw eenmanszaak naar een vennootschap?

U hebt een eenmanszaak, maar misschien is een vennootschap wel voordeliger. Hebt u zichzelf deze vraag ook al eens gesteld? Hierna proberen wij u wat duidelijkheid te geven in het waarom en hoe.

Eenmanszaak?

Een eenmanszaak is eigenlijk het geheel van de economische activiteit van een particulier die niet in loondienst of als ambtenaar tewerkgesteld is. In de volksmond ook wel de "zelfstandige" genoemd. In deze eenmanszaak zit enerzijds goodwill (kennis, handelsnaam,..) en anderzijds materiële vaste activa (gebouw, wagen, ...). Echter vergeet niet het grote verschil met de vennootschap: de eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat de eenmanszaak en privé persoon juridisch een geheel vormen, ook al zal dit boekhoudkundig opgesplitst worden.

Personen- of  vennootschapsbelasting

Het tarief van de vennootschapsbelasting ligt een pak lager dan deze van de personenbelasting. Sinds 2018 is de vennootschapsbelasting verlaagd naar 29%. Vanaf 2020 zal deze nog verder dalen tot 25%. Bovendien geldt onder bepaalde voorwaarden een verlaagd tarief van 20% op de eerste belastbare schijf van 100.000 euro. Dit in tegenstelling tot de personenbelasting waarbij de inkomsten in schijven wordt belast. Hierbij wordt de hoogste schijf (> 38.830,00 euro) aan 50 % belast.

Ondanks dat iemand bedrijfsleider van een vennootschap is, zal deze veelal ook een loon uit deze vennootschap ontvangen. Dit loon wordt uiteraard belast in de personenbelasting van de bedrijfsleider. Volledig ontsnappen aan de personenbelasting gaat niet, maar als bedrijfsleider van een vennootschap kan u wel uw loon fiscaal optimaliseren. Dit zal zowel op uw personenbelasting als op de sociale zekerheidsbijdragen een impact hebben. Een simpel voorbeeld: maaltijdcheques zijn fiscaal gunstiger dan brutoloon.

Welke vennootschap kiest u?

Vele starten als eenmanszaak om kosten en formaliteiten op dat moment te besparen. Echter komt er een moment waarop u toch beter even nadenkt of u niet beter overstapt naar een vennootschap.

Indien u voor een vennootschap kiest, is het belangrijk na te denken welke vennootschapsvorm u wenst. Hierbij zijn twee grote groepen te onderscheiden, namelijk zonder beperkte aansprakelijkheid en met beperkte aansprakelijkheid. Onder meer qua oprichtings- en beschermingsmodaliteiten verschillen de vennootschapsvormen van elkaar.

Eenmaal u beslist hebt om uw activiteiten onder te brengen in de vennootschap, stelt zich de vraag hoe de eenmanszaak te transformeren naar een vennootschap. Hier zijn twee mogelijkheden. Enerzijds kan u de eenmanszaak verkopen aan de vennootschap, anderzijds brengt u de eenmanszaak in de vennootschap in. Beide wijzen hebben hetzelfde resultaat maar toch verschillende gevolgen.

Ik verkoop mijn eenmanszaak

U kan een vennootschap oprichten, waarna u vervolgens de goodwill en/of materiële vaste activa van de eenmanszaak verkoopt aan de vennootschap. Voor deze verkoop zal de vennootschap u een prijs betalen. Dit houdt in dat de vennootschap een schuld heeft. Op moment van oprichting zal veelal de vennootschap niet genoeg liquide middelen hebben om u de prijs te betalen. De vennootschap kan een lening bij een financiële instelling aangaan en u de prijs betalen. In dit geval zal de vennootschap een schuld ten opzichte van de bank hebben. De andere mogelijkheid is dat de vennootschap een schuld aan uzelf heeft. Hierbij ontvangt u op dat moment niet de koopprijs maar heeft u een rekening-courant op de vennootschap. U kan dan gespreid het geld ontvangen.

Beide bovenstaande mogelijkheden genereren een schuld, waarvoor interesten betaald moeten worden. Deze interesten zijn fiscaal aftrekbaar voor de vennootschap..

Ik breng mijn eenmanszaak in

Indien u een vennootschap wenst op te richten, bent u verplicht een inbreng te doen. Dit kan een inbreng in geld zijn, maar u kan ook een inbreng in natura, namelijk uw eenmanszaak doen. Met andere woorden gebruikt u uw eigen eenmanszaak als “betalingsmiddel”. In dit geval zal de aandeelhouder weliswaar geen geld privé ontvangen. Er ontstaat dan ook geen schuld in hoofde van de vennootschap.

Wat kiest u het best?

Wat het voordeligst is, hangt af van de feiten. Met de verkoop van de eenmanszaak heeft u als voordeel dat, voor de jaren waarin het niet mogelijk is om fiscaal gunstig een dividend uit te keren, u alsnog gelden uit de vennootschap kan onttrekken.

De inbreng in de vennootschap kent dan weer het voordeel dat de aandeelhouder zelf geen liquide middelen zal moeten storten naar aanleiding van de oprichting van de vennootschap.

Conclusie

Door de dalende vennootschapsbelasting is het interessant om een vennootschap op te richten. Zowel voor het berekenen van het financieel voordeel van een vennootschap alsook over hoe de omzetting juridisch best verloopt, kan u bij aternio terecht.


Huwelijk en partnerschap door een internationale bril

Sinds 29 januari 2019 is er een ééngemaakte regeling voor 18 Europese landen inzake huwelijksvermogensstelsel en geregistreerd partnerschap. Twee EU-verordeningen (2016/1103 en 2016/1104) verwijzen de nationale regels of rechtspraak, IPR-wetboeken en de Conventie van Den Haag naar de geschiedenisboeken. Wat betekent dit nu op vlak van huwelijksvermogensrecht en wettelijk samenwonen?

EU-verordeningen

Tegenwoordig wonen veel mensen als partners in een ander land dan dit waarvan zij de nationaliteit hebben of hebben beide partners een verschillende nationaliteit. De nieuwe EU-verordeningen beogen de Europese burgers te beschermen bij ontmanteling van hun huwelijk of samenlevingsvorm. De ene vordering (2016/1103) heeft betrekking op echtgenoten, de andere (2016/1104) op samenwonenden. Qua redactie zijn beide verordeningen nagenoeg elkaars spiegelbeeld.

Niet alle landen van de Europese Unie doen echter mee. Slechts 18 landen voelen zich geroepen, met name de Benelux landen, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Malta, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden.

Enkel kwesties inzake vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap zijn gevat door de verordeningen. De verordeningen regelen bijvoorbeeld niet de geldigheid of het bestaan van het huwelijk of het partnerschap, evenmin de onderhoudsverplichtingen of de erfopvolging van de overleden partner.

Elke lidstaat bepaalt autonoom of er sprake is van een huwelijk dan wel van een geregistreerd partnerschap. Het is immers mogelijk dat men voor de ene lidstaat gehuwd is en voor de andere wettelijke samenwonend. In heel wat Europese landen kunnen mensen van hetzelfde geslacht namelijk niet trouwen maar wel wettelijk samenwonen.

Welk recht is van toepassing wanneer de relatie strandt?

Sinds 29 januari 2019 is er een duidelijke aanknopingsfactor. De eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats bepaalt de wet voor het volledige huwelijksstelsel of geregistreerd partnerschap. In concreto is dit de gezamenlijke verblijfplaats op de dag van het huwelijk of bij het aangaan van de wettelijke samenwoning. Bijvoorbeeld op een Italiaans-Belgisch echtpaar, met eerste verblijfplaats in België, is het Belgisch huwelijksvermogensrecht van toepassing.

Voor koppels die nog 'zoekend' zijn naar een gemeenschappelijke verblijfplaats zou een respijttermijn van drie tot zes  maanden worden aanvaard. In het zeer uitzonderlijke geval van nog niet samenwonen geldt het recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit. Bij gebrek aan gemeenschappelijke nationaliteit geldt het recht van de staat waarmee ze het nauwst zijn verbonden.

Dit toepasselijk recht wordt meegedragen tijdens de volledige duur van het huwelijk of de samenleving. Verhuizen van verblijfplaats of veranderen van nationaliteit heeft hier in principe geen invloed op. Er is slechts één huwelijksvermogensstelsel en eenzelfde regeling bij geregistreerde partnerschap. Het totale vermogen, ongeacht de samenstelling en waar ook ter wereld, wordt geregeld door één nationaal rechtssysteem. Geen versnipperde regelingen dus.

Het recht van de eerste gezamenlijke verblijfplaats is bepalend ook voor diegene afkomstig uit niet gebonden lidstaten of vreemde landen en die in een gebonden land huwen of wettelijk samenwonen. Bijvoorbeeld een Belgisch-Australisch koppel, dat in Australië woont op de dag van het huwelijk, is onderworpen aan het Australisch recht. Bij ontbinding van het huwelijk in België zal het Australisch recht van toepassing zijn.

Is er toch nog een afwijkende keuze mogelijk?

Het is mogelijk om van bij de start of later na een verhuis te kiezen voor een ander rechtssysteem. In de praktijk betekent dit dat men kiest in het huwelijkscontract, in een akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden of bij het sluiten van het huwelijk. Echtgenoten kunnen een keuze maken voor het recht van hun nieuwe gewone verblijfplaats (of van één van hen) of van hun gezamenlijke nationaliteit (of van één van hen). Kiezen voor het recht van een toekomstige verblijfplaats is uitgesloten. Samenwoners kunnen daarenboven opteren voor het land waar zij hun partnerschap hebben geregistreerd.

De vormvereisten van de keuze worden bepaald door elke lidstaat afzonderlijk. Hoewel de wijziging in principe slechts geldt voor de toekomst, is het mogelijk om terugwerkende kracht te geven aan de wijziging. In geen geval mag de wijziging van stelsel nadeel bezorgen aan derden. Kinderen of familieleden zijn te beschouwen als derden.

Toepassing

De EU-verordeningen inzake huwelijksvermogensstelsel en geregistreerd partnerschap gelden voor zij die na 29 januari 2019 huwen of wettelijk samenwonen of die na die datum kiezen voor een ander regime. Voor alle anderen is het regelstelsel complexer. Het is daarom raadzaam om toch een rechtskeuze te doen.

Bovendien zijn eigenaardige resultaten of moeilijkheden niet ondenkbaar in die situaties waarbij niet-gebonden lidstaten zijn betrokken. Zullen zij bijvoorbeeld de rechtelijke beslissing genomen in een gebonden lidstaat erkennen?

Conclusie

Middels deze twee nieuwe EU-verordeningen is een belangrijke stap gezet in de verdere ontwikkeling van het Europese recht. Gezien steeds meer mensen in een internationale relatie zitten of eigenaar zijn van onroerend goed in het buitenland is de vraag naar het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel of geregistreerd partnerschap niet zonder belang.

Met de principiële toepassing van het recht van de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats is de start alvast duidelijk. Toch hebben koppels de mogelijkheid om bij aanvang of bij latere verhuis te kiezen voor een ander rechtssysteem. Met name het nationale recht van beiden of één van hen of van hun nieuwe  gewone verblijfplaats.