Bingo! Vlaamse Belasting op Spelen en Weddenschappen

Sinds 1 januari 2019 int de Vlaamse Belastingdienst de Belasting op Spelen en Weddenschappen. Wat houdt deze belasting zoal in? Wij maken u wegwijs.

Spelen en weddenschappen

De belasting op spelen en weddenschappen is van toepassing op alle soorten spelen en weddenschappen. Het zijn alle verrichtingen waarbij deelnemers een som inzetten met risico van verlies, in de hoop hieruit voordeel (in geld of natura) te behalen.

Spelen en weddenschappen omvatten niet alleen kansspelen. Zijn ook bedoeld wedstrijden, proeven, kampen, matches, behendigheidsspelen, vermakelijkheden, pronostieken, tombola’s, etc.

Gewestelijke belasting

De belasting op spelen of weddenschappen is een Vlaamse belasting. Zij is dus verschuldigd als de spelen of weddenschappen worden ingericht op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Voor online spelen en weddenschappen moet men kijken naar de locatie van de server om te bepalen aan welk gewest de belasting moet worden betaald.

Vrijstellingen

Gelukkig zijn er ook vrijstellingen. Zo zijn toegelaten loterijen steeds vrijgesteld, zelfs als ze online georganiseerd worden.

Ook volgende spelen en weddenschappen zijn vrijgesteld, behalve als er online op kan ingezet worden:

  • bepaalde duivenprijskampen, als de inzetten alleen maar door de eigenaars van de duiven gebeuren;
  • bepaalde wedstrijden uitsluitend ingericht voor musea of bepaalde instellingen;
  • sportbeoefening (deze vrijstelling geldt niet voor weddenschappen op sportwedstrijden);
  • bepaalde volksvermakelijkheden als de inzet beperkt is tot 50 euro per persoon per dag; en
  • vogelzangwedstrijden.

Tarief

In principe geldt een uniform belastingtarief van 15% op de opbrengst. De opbrengst is dan de som van de inzetten min de uitgekeerde winsten. Hierop bestaan wel heel wat uitzonderingen.  In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de soorten spelen en hoe ze belast worden.

Soort spel of weddenschap Belastbare grondslag &

schijven (euro)

Tarief
(%)

casinospelen

(het vroegere afwijkende tarief voor baccara chemin de fer en roulette zonder zero verdwijnt)

 

dagopbrengst
(incasso bij opening – incasso bij sluiting + inzetten – uitgekeerde winst):

van

0,01

tot

865.000

 

33 %

>865.000

44 %

slottoestellen (casino)

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):

van

0,01

tot

1.200.000

 

20 %

1.200.000,01

2.450.000

25 %

2.450.000,01

3.700.000

30 %

3.700.000,01

6.150.000

35 %

6.150.000,01

8.650.000

40 %

8.650.000,01

12.350.000

45 %

> 12.350.000

50 %

online spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

11 %

mediaspelen (bv. quiz via TV, SMS, …)

bedrag van de sommen of inleggelden:
uniform tarief

15 %

paardenwedrennen
hondenwedstrijden
sportevenementen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

overige spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

 

Aangifte

Vanaf 2019 gebeurt de online aangifte via het digitaal loket.

De aangifte moet gebeuren door de inrichter van spelen of weddenschappen die georganiseerd worden in het Vlaamse Gewest of de aanbieder van online spelen of weddenschappen die uitgebaat worden via een server in het Vlaamse Gewest.

Hiermee laat de inrichter de Vlaamse Belastingdienst weten dat er gedurende een bepaalde periode of op een specifieke dag een spel of weddenschap wordt ingericht.

De aangifte voor de berekening van de belasting wordt maandelijks ingediend. Na het indienen van de online aangifte ontvangt de inrichter een aanslagbiljet. De betaaltermijn bedraagt 2 maanden.

 


Afzonderlijke aanslag op minimum inkomen sterft een snelle dood

De  afzonderlijke aanslag voor het niet voldoen aan de minimumbezoldiging heeft al heel wat stof doen opwaaien. Deze aanslag is initieel door het zomerakkoord van 2017 ingevoerd met inwerkingtreding vanaf het aanslagjaar 2019. Evenwel voor één aangifte in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2019 is ingediend, sterft de nieuwe afzonderlijke aanslag al een snelle dood.

Vereiste minimumbezoldiging

Zoals eerder uiteengezet, is de minimumbezoldiging door het zomerakkoord van 2017 opgetrokken naar 45.000 euro.  Een vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider deze minimumbezoldiging toekennen. Al snel reeds de discussie of een bedrijfsleider ook een natuurlijke persoon moest zijn. Deze vraag was van belang voor vennootschappen die geen natuurlijke personen als bedrijfsleiders aan boord hadden. De wetgever heeft dit punt inmiddels uitgeklaard. Enkel de minimumbezoldiging voor een bedrijfsleider natuurlijke persoon voldoet.

Elke vennootschap dient vanaf het boekjaar dat start vanaf 1 januari 2018 een minimumbezoldiging van 45.000 euro toe te kennen aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon. Indien het belastbaar resultaat lager is dan 45.000 euro, is de minimale bezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat na bezoldiging.

Afzonderlijke aanslag

De afzonderlijke aanslag is de facto een “sanctie” indien niet aan de vereiste van de minimumbezoldiging was voldaan. Deze sanctie bedraagt 5% van het tekort. Aanvankelijk zou vanaf aanslagjaar 2021 de sanctie zelfs 10% bedragen. Deze verdubbeling werd reeds door een eerdere wetswijziging afgeschaft. De wetgever heeft aldus de afzonderlijke aanslag op 5% behouden.

Snelle dood

Ondertussen is een wetsvoorstel ingediend tot opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider.  Op 19 maart 2019 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Commissie Financiën en Begroting. Naar alle verwachtingen volgt de bevestiging in het federale parlement.

Dit heeft als gevolg dat het niet voldoen aan het uitkeren van de minimumbezoldiging niet langer een extra sanctie oplevert. Het uitkeren van een minimumbezoldiging van 45.000 euro blijft wel een voorwaarde om recht te hebben op het verlaagd vennootschapstarief van 20%.

Conclusie

Een vennootschap die niet de minimumbezoldiging aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon uitkeert wordt niet langer bestraft. Weet wel dat vennootschappen die geen zo'n minimumbezoldiging uitkeren geen recht hebben op het verlaagd vennootschapstarief.


Bedrijfswagen inruilen voor een groener self-made pakket

Door de goedkeuring van de wet betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, bestaat het mobiliteitsbudget sinds 1 maart 2019. Na de mobiliteitsvergoeding is dit een nieuw initiatief om het klimaat te sparen en de mobiliteit te ontlasten.

Wat is het mobiliteitsbudget?

In een eerder artikel spraken we over de "cash for car"-regeling, waarbij de bedrijfswagen wordt ingeruild voor extra cash. Sindsdien was het wachten op de meer vrije regeling, namelijk het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is een budget dat de werknemer krijgt voor het inruilen van zijn bedrijfswagen. Dit budget wordt berekend op jaarbasis. De werknemer kan dit budget besteden in drie pijlers, namelijk een milieuvriendelijkere wagen; duurzame vervoersmiddelen,  vervoersdiensten en georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en extra loon.

Een milieuvriendelijkere wagen

De eerste pijler waarin een werknemer zijn mobiliteitsbudget kan besteden, is een milieuvriendelijkere wagen. Enerzijds betreft dit een elektrische wagen. Anderzijds kan dit ook een wagen zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • een CO²- uitstoot gelijk of minder dan 105gr per kilometer;
  • de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen mag maximaal evenveel zijn als de geldende norm voor nieuwe voertuigen. Hierop bestaat een uitzondering voor einde reeks modellen;
  • in het geval van een hybride mag de elektrische batterij geen energiecapaciteit van minder dan 0,5 kWh per 100 kg van het wagengewicht;  en
  • de waarde van het voertuig is ten minste gelijk aan de waarde van het voertuig waarover de werknemer vroeger beschikte

Deze wagen zal fiscaal op dezelfde wijze behandeld worden als een “gewone” bedrijfswagen.

Duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen

De tweede pijler bestaat uit duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen. De wet splitst de duurzame vervoermiddelen en-diensten op in twee delen, namelijk de zachte mobiliteit en het openbaar vervoer. De zachte mobiliteit betreft de motorfietsen die enkel elektrisch worden aangedreven en de (elektrische) fietsen, bromfietsen en andere gemotoriseerde rijwielen en voortbewegingstoestellen zoals deze gedefinieerd zijn in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Onder deeloplossingen wordt verstaan carpooling en autodelen, taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur, de huur van maximaal 30 kalenderdagen per jaar van voertuigen zonder chauffeur.

Daarnaast kan de werknemer ook een combinatie van de hiervoor opgesomde duurzame vervoersmiddelen combineren.

Fiscaal is deze pijler zeer voordelig voor een werknemer, want deze is volledig vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.

Extra loon

Zoals reeds gezegd , verkrijgt de werknemer een mobiliteitsbudget op jaarbasis. Indien de werknemer op het einde van het jaar zijn budget niet volledig heeft opgebruikt, verkrijgt hij  het restsaldo als extra loon. Op dit gedeelte loon moet de werknemer geen belastingen betalen. Dit is wel onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Als tegenprestatie geldt dit extra loon wel bij de opbouw van sociale rechten, zoals het pensioen.

Het mag, maar moet niet

Net zoals de mobiliteitsvergoeding, is ook het mobiliteitsbudget een keuze. Eerst en vooral moet de werkgever bereid zijn om het mobiliteitsbudget binnen de onderneming in te voeren. Indien de werkgever hiertoe bereid is, beslist elke werknemer zelf of hij van zijn mobiliteitsbudget gebruik wenst te maken. Niemand kan de werknemer verplichten.

Voorwaarden voor de werkgever

Om in aanmerking te komen voor het mobiliteitsbudget moeten zowel de werkgever als de werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Alvorens de invoering van het mobiliteitsbudget, moet de werkgever onmiddellijk voorafgaand gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden bedrijfswagens aanbieden in zijn ondernemingen. Indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat, geldt deze termijn niet. In dergelijk geval volstaat het dat de werkgever op het ogenblik van de invoering van het mobiliteitsbudget bedrijfswagens aanbiedt.

Voorwaarden voor de werknemer

Net zoals de werkgever dient ook de de werknemer aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Van zodra de werknemer aan deze voorwaarden voldoet kan hij een aanvraag bij zijn werkgever indienen.

Op het ogenblik van de aanvraag moet de werknemer gedurende een ononderbroken termijn van 3 maanden over een bedrijfswagen beschikken. Daarenboven dient de werknemer gedurende 12 maanden in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een bedrijfswagen ter beschikking gesteld gekregen hebben. Ook deze termijnen zijn niet van toepassing indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat.

Indien een werknemer in dienst treedt bij een nieuwe werkgever gelden de hierboven vermelde voorwaarden niet. In dergelijk geval voorziet de wet een specifieke regeling. De werknemer zal in twee gevallen het mobiliteitsbudget bij de nieuwe werkgever kunnen aanvragen. Dit kan wanneer hij bij zijn vorige werkgever reeds een mobiliteitsbudget had gekregen of  bij de vorige werkgever in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 12 maanden over een bedrijfswagen beschikte, waarvan minstens 3 maanden ononderbroken voorafgaand aan de uitdiensttreding.

De derde mogelijkheid bestaat uit de verdere opbouw van de termijn bij de nieuwe werkgever. Dit is mogelijk wanneer de werknemer in een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitdiensttreding beschikte over een bedrijfswagen bij de oude werkgever.

Wat betreft de nieuwe werknemers dienen zij uiterlijk 1 maand na de indiensttreding bij de nieuwe werkgever een aanvraag tot het mobiliteitsbudget of respectievelijk verdere opbouw van termijnen, in te dienen.

Formaliteiten

De werkgever zal aan zijn werknemers moeten meedelen dat de mobiliteitsvergoeding wordt ingevoerd. Indien hij voorwaarden koppels aan de mobiliteitsvergoeding moeten deze ook duidelijk kenbaar gemaakt worden aan de werknemers. Werknemers moeten de aanvraag schriftelijk indienen. De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk aan de betrokken werknemer verstrekt. Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, geldt de aanvraag en de positieve beslissing van de werkgever als overeenkomst. Deze maakt dan inhoudelijk dan deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

Het mobiliteitsbudget laat de werknemer toe een keuze te maken hoe hij zijn "bedrijfswagen" zelf invult. Op deze manier probeert de overheid te keuze voor milieuvriendelijkere wagens en alternatieven te stimuleren en de mobiliteitsproblematiek aan te pakken.

Wenst u het mobiliteitsbudget in te voeren in uw onderneming? Contacteer ons voor meer informatie.


Big Brother is watching you - observatie door de fiscus

Fiscale inspecteurs mogen herhaaldelijk vanop de openbare weg de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige in de gaten houden. Ook de beroepsmatige handelingen die hij met andere belastingplichtige verricht mag de fiscus “observeren”. Dergelijke soort van observatie bevestigt het Hof van Cassatie (14 december 2018).

Zwart circuit in horeca

De zaak in kwestie betrof een grootschalige fraude in de horecasector. Dankzij een tip van een cafébaas bij de fiscus werd een opgezet zwart circuit tussen een drankhandelaar en horeca-uitbaters volledig ontrafeld.

De fiscus zette immers na deze tip haar inspectiediensten in. Na vaststellingen bij diverse klanten van de drankenhandelaar, bevestigden deze het bestaan van een zwart circuit.

Procedureslag

Op basis van de processen verbaal van de fiscale inspecteurs legde de fiscus officieel klacht neer bij het parket. Dit leidde niet alleen tot een strafrechtelijke vervolging van de drankenhandelaar. Maar het leidde ook tot een fiscale procedure bij de afnemers.

De verschillende horeca-uitbaters kregen een bijkomende aanslag in de bus. Eén van die horeca-uitbaters liet het daar niet bij en startte een ware procedureslag.

Strikte voorwaarden observatie uit Wetboek Strafvordering

Artikel 47 sexies WSV voorziet specifieke voorwaarden voor een "observatie". Zo is een observatie - in het strafrecht - meer dan vijf opeenvolgende dagen, of van meer dan vijf niet-opeenvolgende dagen gespreid over een periode van een maand, of een observatie waarbij technische hulpmiddelen worden aangewend. Hiervoor is een machtiging van de Procureur des Konings nodig.

Een van de argumenten van de horeca-uitbater was dat de fiscale ambtenaren niet beschikten over dergelijke machtiging.

Recht op privacy

Daarnaast riep de café-uitbater ook een schending van zijn privacy (art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in. Volgens dit artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de privésfeer verboden, tenzij daarin bij wet is voorzien en het in een democratische samenleving noodzakelijk is, onder meer in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land.

Beslissing Hof: geen schending

De café-uitbater moet echter tot voor het Hof van Cassatie telkens in het zand bijten. Een observatie in strafzaken is immers géén observatie door de fiscus.

Ook het feit dat de fiscus door eigen observaties gegevens inzamelt in de openbare ruimte om zo de correcte belasting te kunnen heffen, vormt voor Cassatie in beginsel geen schending van de privacy van de belastingplichtige. De waarnemingen van de fiscale inspecteurs (in casu het in- en uitladen van drank en leeggoed) was zichtbaar van op de openbare weg en behoort volgens het Hof dus niet tot de privésfeer van de belastingplichtige.

Bron: Cass. 14 december 2018,  F.18.0093.N, Fisc.Act. 2019/02, 5-6.


Le nouveau accountant est arrivé

Het Belgisch federaal parlement heeft op haar plenaire vergadering van 28 februari 2019 het wetsvoorstel betreffende de beroepen van accountant en belastingconsulent goedgekeurd. Bijgevolg is de fusie tussen het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) en het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (IAB) een feit.

Het nieuwe Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (IBA) zal ongeveer 12.000 leden en 3.000 stagiairs vertegenwoordigen. Het IBA zal niet alleen het aanspreekpunt zijn voor de beroepsbeoefenaars maar ook voor ondernemers, studenten, socio-economische partners, het onderwijs en de overheid.

Nieuwe beroepstitels

De huidige erkende boekhouders(-fiscalisten) BIBF krijgen de beroepstitel van (fiscaal) accountant, de huidige accountants(-belastingconsulenten) IAB worden gecertificeerd (fiscaal) accountant en de huidige belastingconsulenten IAB dragen de beroepstitel van gecertificeerd belastingadviseur.

Elke beroepsbeoefenaar behoudt zijn eigen wettelijke bevoegdheden. Ondernemingen zullen de onderscheiden kwalificaties in een openbaar register kunnen nagaan.

Met de nieuwe wet beoogt men ervoor te zorgen dat de beroepsbeoefenaars klaar zijn voor de toekomst. Gezien de vragen en noden van de Belgische ondernemingen en de toenemende digitalisering is dit niks te vroeg.

Opmerkelijk is dat het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) actueel niet betrokken is in de fusie. Het is evenwel niet uitgesloten, allicht is het zelfs aangewezen, dat het IBR in de toekomst mee aansluit.

IBA: Instituut van Belastingadviseurs en Accountants

Het nieuwe instituut  krijgt een aantal specifieke taken toegewezen. Het betreft ondermeer het verdedigen van de rechten en belangen van de beroepsbeoefenaars, het organiseren van de toegang tot het beroep, het beheer van het publieke register en het garanderen van de kwaliteit van de diensten voor de ondernemingen (oa. onafhankelijkheid, integriteit, permanente vorming ...).

Volgens het IBA zijn meer dan 30.000 mensen tewerkgesteld in de sector. Deze 30.000 personen zijn ten dienste van de ondernemingen en ondernemers.  België is en blijft een kmo-land bij uitstek, 99 % van alle ondernemingen in België zijn kmo. De accountants en de belastingadviseurs zijn dé compagnon de route voor ondernemingen en ondernemers.

Inwerkingtreding

De Koning moet de inwerkingtreding van de wet nog bekendmaken.


Opeisbaarheid btw op een voucher: bij uitgifte of gebruik?

Een voucher, in de volksmond ook bekend als "de cadeaubon", is een alom vertegenwoordigd "betaalmiddel". Tof om te krijgen, leuk om te geven. Veel ondernemingen voorzien dan ook in deze vouchers, maar moet u hierop btw aanrekenen? En wanneer moet u deze overdragen?

Wat is een voucher?

Een voucher is een “betaalmiddel” dat gebruikt wordt voor leveringen van goederen of diensten. Vouchers kunnen zowel op een fysieke (de echte bon) als op een elektronische drager staan. Die elektronische drager is niet gelijk aan een betaalkaart. Er is slechts sprake van een voucher wanneer op het ogenblik dat de voucher verhandeld wordt, de goederen, diensten of de verrichters ervan bekend zijn. Een voorbeeld is een cadeaubon van een bepaalde winkel of restaurant, een bongobon, … Op het ogenblik dat de koper de voucher koopt, zal reeds bekend zijn voor wat of waar de voucher gebruikt kan worden, ongeacht wie deze zal gebruiken.

Soorten vouchers

Er bestaan twee soorten vouchers. De eerste soort zijn de vouchers voor enkelvoudig gebruik. Bij deze soort staat de handeling en dus ook de btw van de onderliggende handeling (tarief en plaats) reeds vast. Een voorbeeld hiervan is een voucher voor een hoofdgerecht ter waarde van 34,99 euro. Het is duidelijk dat het btw-tarief van toepassing zijnde op de handeling 12% zal bedragen.

De tweede soort zijn de vouchers voor meervoudig gebruik. Hierbij staat de btw-behandeling nog niet vast, aangezien de handeling ook nog niet vast staat. Een voorbeeld is een voucher ter waarde van 34,99 euro te besteden in restaurant X. in dit voorbeeld staat nog niet vast wat er aangekocht zal worden. De gebruiker van de voucher kan een maaltijd ter waarde van 34,99 euro bestellen, maar evengoed ook nog een fles wijn. Beide handelingen hebben een ander btw-tarief.

Opeisbaarheid btw

Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw opeisbaar op het moment van het verhandelen van de voucher. Dit betekent dat bij de uitgifte van dergelijke voucher, de btw zal moeten worden afgedragen. Bovendien dient deze bij horeca ingegeven worden in het geregistreerd kassasysteem.

Bij vouchers voor meervoudig gebruik is de btw-behandeling nog niet gekend, waardoor de btw ook nog niet opeisbaar is bij het uitgeven van deze vouchers. Zij dienen in de horeca dan ook nog niet geregistreerd te worden in het geregistreerd kassasysteem.

Teruggave btw

Het gebeurt meer dan eens dat een voucher niet wordt ingeruild. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw wel reeds opeisbaar geworden op het ogenblik van verhandelen van de voucher. De vraag rijst dan of men de btw kan terugvragen van niet ingeruilde vouchers. Aangezien vouchers vroeger aanzien werden als een vooruitbetaling, was dit mogelijk. (Vr. nr. 72 Dirk Van der Maelen, 8 november 2007, vr. en Ant. Kamer 2007-08, afl. 5, 240).

Vanaf 1 januari 2019 kan dit niet meer op grond van de richtlijn (EU) 2016/1065 van 27 juni 2016. De nieuwe wetgeving voorziet namelijk in het vermoeden dat de handeling is verricht op het ogenblik van de verhandeling van de voucher voor enkelvoudig gebruik. Omwille hiervan kan de btw dan ook niet meer gerecupereerd worden bij het niet inruilen van de voucher.

Dit heeft als gevolg dat vouchers voor meervoudig gebruik op dit vlak een groot voordeel hebben. Aangezien bij deze vouchers de btw slechts opeisbaar wordt bij het inruilen van de voucher, houdt dit in er geen btw opeisbaar is bij niet ingeruilde vouchers. Daarnaast kent het verschil in tijdstip van opeisbaarheid ook een cashflow-voordeel toe aan het gebruik van vouchers voor meervoudig gebruik.

Uitzondering

Een vreemd fenomeen doet zich voor met betrekking tot vervoersbewijzen en toegangskaarten. De FAQ hieromtrent voorziet dat vervoersbewijzen en toegangskaarten uitgesloten zijn. Vreemd, aangezien noch de Belgische wetgeving noch de richtlijn in een dergelijke uitsluiting voorziet. Hoe dan ook heeft dit tot gevolg dat zij wel degelijk als voorafbetaling worden aanzien. Bij het niet komen opdagen bij dergelijke vouchers zal aldus de btw wel nog teruggevraagd kunnen worden. Het lijkt dan ook niet geheel duidelijk of de FAQ doelt op de vervoersbewijzen en toegangskaarten zelf of vouchers die recht geven op vervoersbewijzen of toegangskaarten.

Vanaf wanneer?

Zoals hiervoor bepaald gelden deze regels vanaf 1 januari 2019. Dit moet begrepen worden als vouchers die uitgegeven zijn vanaf 1 januari 2019. “Oude” vouchers volgen nog het oude regime. Dit wil zeggen dat de geldigheidsdatum van de voucher geen belang heeft bij het al dan niet toepassen van de nieuwe regels.

Conclusie

De regeling voor vouchers kent twee soorten, elk met een eigen btw-regels en bijhorende gevolgen. Door de nieuwe regel zal het niet inruilen van vouchers met enkelvoudig gebruik geen recht geven op teruggave van de afgedragen btw. Dit is een belangrijke verschil met de vroegere regeling. Tevens heeft deze soort voucher een nadelig gevolg op de cashflow van uw onderneming.


Terbeschikkingstelling van bergruimte: 10% wordt 50%

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is in sommige gevallen onderworpen aan btw. Interessant voor de aftrek van de betaalde btw inzake de gemaakte kosten van dergelijke bergruimte. Door de wet van 14 oktober 2018 zijn vanaf 1 januari 2019 meer bergruimtes aan btw onderworpen . Laten we hier even dieper op ingaan.

Wel of geen btw?

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is op grond van artikel 18 WBTW een dienst. Normaliter is het verrichten van diensten onderworpen aan btw. Dit betekent in veel gevallen dat de dienstverrichter btw aanrekent op zijn factuur, die hij vervolgens doorstort naar de fiscus. Daartegenover staat dat de dienstverrichter btw die hij betaald heeft, mag aftrekken. Dit noemen ze de neutraliteit van de btw. Btw heeft namelijk als principe dat de eindverbruiker betaalt. Met andere woorden de tussenstappen in de ketting mogen hiervan geen extra kost ondervinden.

Zoals op vele zaken, voorziet ook hier de wet vrijstellingen. Zo is de verhuur van de uit hun aard onroerende goederen vrijgesteld van btw. Dit betekent dat er geen btw wordt aangerekend, maar ook niet kan worden afgetrokken. Dit is in sommige gevallen nadelig. Echter sluit de wet de terbeschikkingstelling van bergruimtes expliciet uit, zodat deze niet onder de vrijstellingen valt. Een uitzondering op een uitzondering laten we maar zeggen.

Illustratie

Laten we dit even illustreren aan de hand van een voorbeeld.

Een btw-plichtige koopt een woning, met btw. Na de koop verhuurt hij de woning aan een andere btw-plichtige. Deze huur zal niet onderworpen zijn aan btw. De huurder betaalt aldus de huurprijs zonder btw. De btw-plichtige mag ook de oorspronkelijk betaalde btw niet aftrekken. Hij zal deze dus “kwijt” zijn.

Stel nu dat hetzelfde voorbeeld met een loods. Hierbij gaat het dan om een bergruimte. In dat geval zal de terbeschikkingstelling van de loods wel onderworpen zijn aan btw en kan de btw-plichtige de btw wel aftrekken.

10% regel

Tot hiertoe waren er nog niet echt problemen of onduidelijkheden. Maar in de praktijk zijn bergruimtes vaak ook voorzien van kantoren, of andere ruimtes dan louter bergruimte. In dat geval was de fiscale administratie altijd van mening dat men onderworpen werd aan btw zolang de andere ruimte niet meer dan 10% van de totale oppervlakte bedroeg. Was dit meer, dan was de terbeschikkingstelling van de ruimte(s) vrijgesteld van btw, met het gevolg dat er geen aftrek van btw was.

Versoepeling

U voelt dat vele btw-plichtigen liever diensten stellen die onderworpen zijn aan btw, zodat zij van btw-aftrek kunnen genieten. Echter was de grens van 10% krap, zodat vele hierdoor toch onder de vrijstelling vielen. Door de wet van 14 oktober 2018 (BS 25 oktober 2018) heeft de wetgever de invulling van het begrip “bergruimte” soepeler ingevuld. Vanaf 1 januari 2019  geldt het volgende: “ de terbeschikkingstelling van ruimten die voor meer dan 50 pct. gebruikt worden voor het opslaan van goederen, op voorwaarde dat de ruimten niet voor meer dan 10 pct. worden aangewend als verkoopsruimte”.

Dit betekent dat vanaf 1 januari 2019 alle ruimtes die hoofdzakelijk als bergruimte worden gebruikt onderworpen worden aan btw. Dit is een hele versoepeling, die vele btw-plichtigen ten goede zal komen.

Conclusie

Door deze versoepeling kan het zijn dat de door u terbeschikkinggestelde ruimte(s) aan btw onderworpen worden vanaf 1 januari 2019. Dit wil zeggen dat u btw zal moeten aanrekenen op uw facturen, maar daarentegen ook de btw zal kunnen aftrekken met betrekking deze ruimte(s).

Stelt u reeds een “bergruimte” ter beschikking of heeft u deze toekomstplannen? Contacteer ons en wij helpen u graag bij het optimaliseren.


Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.


Weglopen van uw rekening courant naar een lening met vaste looptijd?

Geld 'lenen' van de vennootschap via rekening courant of lopende rekening is voor een bedrijfsleider een pak duurder dan via een lening met vaste looptijd. Soms zijn er gewoonweg niet genoeg privémiddelen om de schuld op korte termijn af te lossen. Een aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening is ook geen evidentie.

De fiscus zal te weinig betaalde interesten bovendien belasten als voordeel van alle aard. Velen overwegen dan ook om de lopende rekening om te zetten naar een 'niet-hypothecaire lening met vaste looptijd'. Wat zijn de voordelen en aandachtspunten?

Kost van uw lopende rekening loopt op

Wanneer de bedrijfsleider en debetstand heeft op zijn rekening-courant en dus geld verschuldigd is aan de vennootschap, moet hij volgens de fiscus hiervoor interesten aan zijn vennootschap. De wetgever legt hiervoor jaarlijks een referentierentevoet vast. Voor aanslagjaar 2018 bedraagt deze 8,78%. Dit percentage wordt maandelijks toegepast op de stand van de lopende rekening. Betaalt de bedrijfsleider minder of zelfs niets, dan beschouwt de fiscus dit als een verkregen voordeel van alle aard en zal ze het verschil toevoegen aan zijn belastbare basis in de personenbelasting.

Bijvoorbeeld: de bedrijfsleider laat door de vennootschap een privé-uitgave betalen t.w.v. 10.000,00 euro. Hij heeft vanaf dat moment een schuld aan de vennootschap waarop hij 870,80 euro interest zou moeten betalen. Als hij niets aan zijn vennootschap betaalt, zal de fiscus de volledige 870,80 euro in de personenbelasting belasten als loon, aan het marginaal tarief. De vennootschap moet dit bedrag dan ook vermelden op de fiche 281.20 als bezoldiging van de bedrijfsleider.

Fiscaal: waarom omzetten?

De bedrijfsleider tracht vaak het belastbaar voordeel vaak te vermijden of verkleinen door een een lening met vaste looptijd af te sluiten met zijn of haar vennootschap. De wettelijk vastgelegde percentages voor een niet-hypothecaire lening met vaste termijn liggen namelijk aanzienlijk lager. Het maandelijks lastenpercentage bedraagt hiervoor slechts 0,20% (of bijvoorbeeld 4,72% op jaarbasis voor een vijfjarige lening).

Wanneer men de debet lopende rekening laat omzetten in een lening met een vaste looptijd, moet de bedrijfsleider eveneens de interest effectief betalen aan de vennootschap. Dit opnieuw om niet privé belast te worden op een voordeel van alle aard. Ten slotte vormt de betaalde interest een financiële opbrengst in de vennootschap en moet deze laatste hierop vennootschapsbelasting betalen.

Knipperlichten

De omzetting van een lopende rekening in een lening met vaste looptijd vergt oog voor een aantal aandachtspunten. Zoniet kan de fiscus de omzetting beoordelen als fiscaal misbruik en u alsnog belasten aan het hogere voordeel van alle aard.

  • Boekhoudkundig moet de rekening-courant worden overgeboekt naar een rekening  'overige vorderingen op lange termijn' respectievelijk 'overige vorderingen op korte termijn'.
  • Houd steeds rekening met het vennootschapsrecht, meer bepaald bepalingen omtrent belangenconflicten. De bedrijfsleider moet bijvoorbeeld eventuele (mede)vennoten inlichten wanneer zijn belangen tegenstrijdig zijn met die van de vennootschap. Er moet ook een verslag worden opgemaakt met de vennootschapsrechtelijke gevolgen van de actie, dat samen met de jaarrekening wordt neergelegd.
  • Laat een leningscontract opstellen tussen u en uw vennootschap en laat dit registreren bij een registratiekantoor van de overheid. Dit zorgt ervoor dat u de datum van de omzetting vastlegt.

Laat u bij dit laatste aspect zeker adviseren door ons legal team: zij stellen voor u een geschikte overeenkomst op.


De fiets: een win-win voor het milieu én de portemonnee.

De fiets is een ecologisch en efficiënt alternatief voor de wagen in het steeds drukkere verkeer. Dit is ook de overheid niet ontgaan. Daarom besloot de wetgever om de reeds bestaande fiscale gunstmaatregelen voor fietsen verder uit te breiden en het gebruik ervan aan te moedigen.

Fiets, e-bike of speed pedelec?

Omwille van vele discussies over welke fiets al dan niet onder bepaalde fiscale gunstmaatregelen viel, heeft de wetgever het begrip “fiets” gedefinieerd alsook uitgebreid.  In de wet van 22 oktober 2017 voorziet de wetgever 3 types “fietsen”, namelijk het rijwiel, het gemotoriseerde rijwiel en de speed pedelec.

De wetgever definieert het rijwiel als “elk voertuig met 2 of meer wielen dat via pedalen of handgrepen met spierkracht wordt aangedreven of uitgerust is met een elektrische hulpmotor tot 250  W die geen ondersteuning meer biedt vanaf 25 km/h, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.” De memorie van toelichting van de wet stelt uitdrukkelijk dat o.a. hoverboards, rolschaatsen, skateboards of monowheels  hier niet onder vallen.

Het gemotoriseerd rijwiel is als volgt beschreven: “elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de rijwielen die opgenomen zijn onder het eerste type.”

Het laatste type is de "speed pedelec”. In de wet als volgt uitgelegd: “elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur.”

Alle types beantwoorden aan de kwalificatie “fiets” waarop de fiscale gunstmaatregelen van toepassing zijn.

In de volksmond spreken ze weleens van de e-bike. De fiscale administratie benadrukt in haar circulaire (circ. 2018/C/5 van 16 januari 2018) dat er geen welomschreven definitie van e-bike bestaat. Dit betekent dat met betrekking tot dergelijke e-bikes de fiscale gunstmaatregelen enkel gelden indien deze voldoet aan één van voorgaande types.

120% aftrekbaarheid

Wanneer een vennootschap een fiets koopt, is deze 120 % aftrekbaar. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat een personeelslid (hieronder ook begrepen een bedrijfsleider) hem gebruikt voor de woon-werkverplaatsingen. Daarenboven dient de fiets over minstens 3 jaar te worden afgeschreven. De verhoogde aftrekbaarheid geldt ook met betrekking tot de kosten van de toebehoren en onderhoud.

De wetgever gaat zelfs nog een stapje verder. Elke investering die het gebruik van de fiets door personeelsleden aanmoedigt, is 120% aftrekbaar als beroepskost. Dit betekent dat ook investeringen in onroerende goederen, bestemd als fietsenstalling, oplaadpunten, kleedruimtes of sanitaire ruimtes hiervoor in aanmerking komen.

Merk wel op dat de wetgever vanaf boekjaar 2020 de aftrekbaarheid bij vennootschappen naar 100% terugdringt.

Voordeel van alle aard

De fiscale administratie belast het kosteloos  ter beschikking stellen van een bedrijfswagen door middel van het aanrekenen van een voordeel van alle aard.

In tegenstelling tot de bedrijfswagen, belast België de terbeschikkingstelling  van een fiets aan een personeelslid niet. Zelfs niet als het personeelslid deze fiets gebruikt voor privéverplaatsingen tijdens weekends of vakanties. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het personeelslid met deze fiets op regelmatige basis woon-werkverplaatsingen.

Fietsvergoeding

De fiets is het enige transportmiddel waarbij u de vrijstelling van het woon-werkverkeer (fietsvergoeding) en de werkelijke beroepskosten mag combineren. Met andere woorden moet de belastingplichtige de ontvangen vergoeding niet van zijn beroepskosten aftrekken.

Per effectieve afgelegde kilometer woon-werkverplaatsing heeft een personeelslid tevens recht op een vergoeding van 23 eurocent (geïndexeerd aanslagjaar 2018), met een maximum van 100 kilometers per enkele rit. Ook bij dienstverplaatsingen kan de onderneming dit bedrag als kostenvergoeding hanteren.

Enkel beroepsmatige verplaatsingen?

Indien een personeelslid de fiets enkel voor beroepsmatige verplaatsingen gebruikt en géén woon-werkverplaatsingen maakt, gaan voornoemde fiscale voordelen verloren. In dat geval heeft de vennootschap slechts recht op 100% aftrek van de kosten. De toekenning van een belastingvrije kilometervergoeding is dan ook niet mogelijk. Daarenboven belast de fiscale administratie het privégebruik van de fiets mogelijk door middel van een voordeel van alle aard bij het personeelslid.

Opgepast, bij speed pedelecs horen ook enkele verplichtingen

U dient uw speed pedelec verplicht in te schrijven bij de Dienst Inschrijvingen Voertuigen (DIV). Na inschrijving ontvangt u een (kleine) nummerplaat. Alvorens de weg op te gaan, moet de speed pedelec van de nummerplaat voorzien te zijn. Vanaf 11 december 2018 riskeert u een boete van 116 euro wanneer u niet aan deze verplichting voldoet.

Om uw speed pedelec in te schrijven, dient u in het bezit te zijn van een gelijkvormigheidsattest. Dit is een document van de fabrikant waarin het voertuigidentificatienummer en de precieze technische kenmerken van de speed pedelec zijn opgenomen.

Op de website van de Vlaamse Overheid vindt u alle informatie over de aanvraagprocedure inzake het gelijkvormigheidsattest en de nummerplaat.

Daarnaast behoren ook het dragen van een goedgekeurde fietshelm met CE-markering en het bezit van rijbewijs AM of B tot de verplichtingen. Als laatste verplichting dient u een BA-verzekering af te sluiten.

Conclusie

De fiets is onder bepaalde voorwaarden nog t.e.m. boekjaar 2019 voor 120% aftrekbaar, nadien 100%. Mits regelmatig woon-werkverkeer is het personeelslid niet belast met een voordeel van alle aard. Bovendien mag de vennootschap aan het personeelslid een belastingvrije vergoeding toekennen! Drie keer langs de kassa dus! Een reden te meer om ook op de fiets(kar) te springen.