Vrijgestelde wederopbouwreserve moet solvabiliteit opkrikken

Heel wat vennootschappen kregen het hard te verduren door de meedogenloze COVID-19 crisis. Net daarom riep de wet van 19 november 2020 de ‚Äėvrijgestelde wederopbouwreserve‚Äô in het leven. Deze vrijgestelde wederopbouwreserve moet de solvabiliteit opkrikken van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. Maar wat zijn nu de voorwaarden en hoe gaat het concreet in zijn werk? U leest het hieronder.

Wie komt in aanmerking voor de vrijgestelde wederopbouwreserve?

Vennootschappen die een boekhoudkundig verlies geleden hebben in boekjaar 2020 komen in aanmerking voor de vrijgestelde wederopbouwreserve. Om de solvabiliteit opnieuw op te krikken kan u een reserve aanleggen die betrekking heeft op de aanslagjaren 2022, 2023 en 2024. Hier is één uitzondering op: vennootschappen waarvan het boekjaar afsloot van 1 januari 2020 tot 30 juli 2020 mogen zelf de referentieperiode kiezen. Zij hebben de keuze uit het boekjaar afgesloten in 2020 of in 2021. De keuze van het boekjaar wordt gemaakt op basis van wanneer de reserve voor het eerst wordt aangelegd én is onherroepelijk.

Er zijn echter wel een aantal restricties verbonden aan deze reserve, namelijk:

  • De wederopbouwreserve is beperkt tot het geleden boekhoudkundige verlies in boekjaar 2020. De aanleg van de reserve kan bijgevolg in geen enkel geval hoger zijn dan het geleden verlies. Let op: we hebben het hier over het boekhoudkundige verlies niet het fiscaal verlies. Dit impliceert het negatieve verschil tussen de bedrijfsopbrengsten en bedrijfskosten.
  • De aanleg van de reserve wordt elk aanslagjaar opnieuw beperkt tot de belastbare gereserveerde winst. Dit voor het belastbare tijdperk zoals berekend voor de aanleg van de vrijgestelde reserve en na aanpassingen van de beginstand van de reserves.
  • Ongeacht bovenstaande beperkingen mag de aanleg van de vrijgestelde wederopbouwreserve nooit meer bedragen dan 20 miljoen euro.

Onaantastbaarheidsvoorwaarde

De meest prominente regel om van dit voorrecht gebruik te kunnen maken is die van de onaantastbaarheidsvoorwaarde. Deze heeft als doel om erover te waken dat de wederopbouwreserve louter en alleen het opkrikken van de solvabiliteit als resultaat heeft. De gereserveerde winst is dus onaantastbaar, waardoor u deze op geen enkele manier kan uitkeren.

Terugname vrijstelling

Schending van de onaantastbaarheidsvoorwaarde resulteert immers in een terugname van de vrijstelling. Dit impliceert dat de wederopbouwreserve effectief belastbaar wordt. Om de voorwaarde te respecteren mag de vennootschap onder andere sinds 12 maart 2020 geen:

  • kapitaalvermindering gedaan hebben
  • eigen aandelen ingekocht hebben
  • dividenden uitgekeerd hebben
  • andere verminderingen van het eigen vermogen hebben plaatsgevonden (bv. tanti√®mes)
  • daling van de tewerkstelling hebben. Concreet wordt dit gemeten door post 620 (bezoldigingen en rechtstreekse sociale oordelen) in boekjaar 2019 als referentie te nemen. Wanneer in de opvolgende jaren blijkt dat het bedrag op post 620 met meer dan 15% daalt, wordt de vrijstelling teruggenomen ten belope het verschil tussen 15% en de overschrijding. Ziet u door de bomen het bos niet meer? Dan kan onderstaand voorbeeld verheldering scheppen.

Praktisch voorbeeld

In bijlage kan u een uitgebreid voorbeeld terugvinden met de daar bijhorende boekhoudkundige verwerking. We zoomen hier specifiek in op een situatie waarbij de belastbare gereserveerde winst groter is dan het geleden bedrijfsverlies.


zonne en warmte installaties

Tijdelijke btw-verlaging voor zonne en warmte installaties

Sinds 1 april 2022 geldt een tijdelijke btw-verlaging naar 6% voor zon en warmte installaties. Dit is een verlaging van 21% naar 6% voor de installatie van zonnepanelen, zonneboilers en warmtepompen. Dit voor alle woningen die jonger zijn dan 10 jaar, zoals nieuwbouwwoningen en woningen die na afbraak heropgebouwd zijn. (KB van 27 maart 2022)

Voor woningen ouder dan 10 jaar bestaat al langer het verlaagde 6% btw-tarief. Niettemin onderging deze regeling sinds 1 januari 2022 ook een kleine wijziging. Dit betreft een verschuiving van verantwoordelijkheid van leverancier naar klant. Meer informatie vindt u in een andere blog.

Tijdelijke periode voor btw-verlaging

De btw-verlaging naar het 6%-tarief is slechts een tijdelijke gunstmaatregel. Zo zal de verlaging alleen toepasbaar zijn voor de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers in de periode tussen 1 april 2022 tot en met 31 december 2023.

Merk op dat het hier specifiek gaat over de levering en installatie van deze goederen. Het aankopen van een nieuwe woning mits inbegrip van zonnepanelen en/of warmtepomp en/of zonneboiler is immers wel onderworpen aan de volle 21% btw.

‚ÄėLevering en installatie‚Äô worden hier dan ook bestempeld als werken in onroerende staat zoals in artikel 19 ¬ß2, lid twee, van het btw-wetboek is omschreven.

Hieronder de voorwaarden waaraan u moet voldoen om van deze gunstmaatregel te genieten.

Eindverbruiker

Een eerste voorwaarde is dat de leverancier alle handelingen, met betrekking tot levering en installatie, rechtsreeks moet verstrekken en factureren aan de eindverbruiker. Dit omvat voornamelijk privéwoningen van particulieren waarbij de eindverbruiker bijvoorbeeld als eigenaar, huurder of vruchtgebruiker fungeert.

Privéwoning

Een tweede voorwaarde omhelst het private kenmerk. De woning moet namelijk uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning dienst doen. Indien dit niet het geval is, geldt de gunstmaatregel niet. Merk wel op dat ook vennootschappen aanspraak kunnen maken op deze maatregel: Zij die immers in het bezit zijn van onroerende goederen, bestemd voor private bewoning (zoals verhuur), kunnen ook genieten van de verlaging.

Leeftijd woning

De derde voorwaarde kwam eerder al aan bod, met name de leeftijd van de woning. Deze dient jonger dan 10 jaar te zijn met inbegrip van nieuwbouwwoningen en woningen heropgebouwd na afbraak.

Uitstoot

Een vierde voorwaarde betreft het technische karakter van de installatie, namelijk: de referentienormen inzake uitstoot. Het streefdoel is immers om emissiearme verwarmingssystemen met een hoog rendement te installeren. De overgrote meerderheid van de bestaande zonneboilers en warmtepompen op de markt hebben nauwelijks of geen uitstoot. Bijgevolg voldoen de meeste installaties op de markt dan ook aan deze voorwaarde. Echter blijkt de slechtste leerling in de klas de ‚Äėhybride warmtepomp‚Äô te zijn. Deze is daarom sinds 1 juli 2022 uitgesloten van de tariefverlaging.

De concrete normering naar uitstoot zijn, voor de liefhebbers, terug te vinden in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie. Meer specifiek moet aan de installatie een EU-energielabel zijn toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad.

Vermelding op factuur

Tot slot is er de vijfde en laatste voorwaarde inzake de correcte factuurvermelding. Deze dient sinds 1 april 2022 als volgt te luiden:

“Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat
(1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken,
(2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en
(3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."

Conclusie

Samengevat geldt sinds 1 april 2022 tot en met 31 december 2023 een tijdelijke btw-verlaging naar 6% voor zonne en warmte installaties, meer specifiek voor de levering en installatie van zonnepanelen, warmtepompen en zonneboilers. Om van dit verlaagd tarief te kunnen genieten, gelden verscheidene voorwaarden. Met name rechtstreekse facturatie aan de eindverbruiker, het private karakter van de woning, ouderdom van de woonst, de emmissienorm van het toestel en tot slot de correcte vermelding op de factuur.

U kan steeds bij aternio terecht indien u vragen hebt of bijkomende informatie wenst over deze of andere btw-regels.


Nieuw verbintenissenrecht: wilsgebreken

Het goedgekeurde wetsvoorstel houdende hervorming van het verbintenissenrecht bevestigt de bestaande wilsgebreken in artikel 5.33 e.v. Burgerlijk Wetboek. Daarnaast doet ook een 'nieuw' wilsgebrek zijn intrede, m.n. "misbruik van omstandigheden". In navolging van onze eerdere blogartikels zetten wij nu ook even de algemene wilsgebreken voor u op een rijtje.

Algemeen

Een wilsgebrek is erop gericht om de toestemming van een contractspartij te beschermen. Een contractspartij kan slechts op geldige wijze akkoord gaan voor zover zij haar wil vrij en bewust kan uiten.

Uitgangspunt is dat een wilsgebrek betrekking moet hebben op een element dat doorslaggevend is voor de contractsluiting. Zo de overeenkomst op doorslaggevende wijze is aangetast door een wilsgebrek speelt de sanctie van relatieve nietigheid. Het is dus enkel de beschermde partij (van wie de vrije en bewuste wil verstoord is) die de nietigheid van de overeenkomst kan inroepen. Let wel, dit is geen verplichting. De beschermde partij kan er perfect voor opteren om de nietigheid niet in te roepen en de overeenkomst aldus te bevestigen.

Zo het wilsgebrek geen betrekking heeft op een doorslaggevend element, speelt de nietigheidssanctie niet. In dat geval kan er echter wel sprake zijn van precontractuele aansprakelijkheid of van een contractsaanpassing (zie infra). Bovendien wordt ook bevestigd dat een vernietigend wilsgebrek evenzeer een buitencontractuele fout kan uitmaken. De combinatie van de contractuele vordering tot vernieitiging van een overeenkomst met buitencontractuele vordering tot schadevergoeding is mogelijk. Tenslotte kan voortaan - weliswaar onder strikte voorwaarden - ook bedrog of misbruik van omstandigheden door een derde een wilsgebrek uitmaken.

Dwaling

Artikel 5.34 e.v. Burgerlijk Wetboek bevat de bevestiging van de reeds eerder via rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde voorwaarden. Niet elke dwaling kwalificeert namelijk als een wilsgebrek. Daarvoor moet er gedwaald zijn over een element doorslaggevend voor de contractsluiting (supra). Het doorslaggevend karakter moet kenbaar zijn voor de medecontractant en de dwaling moet verschoonbaar zijn.

Verschoonbaarheid vereist dat een voorzichtiging en redelijk persoon in gelijkaardige omstandigheden ook zou hebben gedwaald. De beoordeling hiervan rust op een afweging tussen de informatieplicht van de ene partij en de onderzoeksplicht van de andere partij. Zo zal het verstrekken van foute informatie aan een leek, deze leek doorgaans ontslaan van zijn onderzoeksplicht.

Niet alleen dwaling over een contractueel element maar ook rechtsdwaling en dwaling over de persoon zijn mogelijk. Dwaling over de waarde of de prijs van een voorwerp is echter uitgesloten als wilsgebrek.

Bedrog

Een meer specifieke vorm van dwaling is het wilsgebrek bedrog. Voorwaarde voor bedrog is nog steeds het opzettelijk gebruik van kunstgrepen door de medecontractant. Het bedrog moet evenzeer doorslaggevend zijn geweest voor de contractssluiting. Enkel zogenaamd hoofdbedrog leidt tot nietigheid. Indien het bedrog tot gevolg heeft dat men tegen andere voorwaarden had gecontracteerd, dan is er sprake van een louter incidenteel bedrog. Incidenteel bedrog leidt niet tot nietigheid maar kan wel aanleiding geven tot schadevergoeding.

Ook Cassatierechtspraak inzake de aard van de kunstgreep werd bevestigd. Zowel het opzettelijk verstrekken van verkeerde informatie als het opzettelijk achterhouden of onvolledig verstrekken van informatie kan bedrog uitmaken mits de medecontractant tot het verstrekken van informatie  gehouden is én hij de informatie kent.

Tenslotte bevestigt artikel 5.35 Burgerlijk Wetboek dat het bedrog als specifieke dwaling niet aan de verschoonbaarheidsvereiste is onderworpen. 'Fraus omnia corrumpit' blijft overeind en kwade trouw wordt niet vermoed.

Geweld

Artikel 5.36 Burgerlijk Wetboek groepeert het wilsgebrek 'geweld' in al haar vormen. Geweld kan bestaan uit een fysieke of morele dwang en kan worden uitgeoefend tegen de contractspartij maar ook tegen haar naasten.

De voorwaarden voor toepassing van dit wilsgebrek blijven behouden:

  • er ontstaat een vrees voor een aanzienlijke aantasting die van die aard is dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden ook zou kunnen worden be√Įnvloed;
  • het geweld is doorslaggevend voor de contractssluiting, ook hier kan een geval van 'incidenteel geweld' niet tot nietigheid maar enkel tot schadevergoeding leiden;
  • het geweld is onrechtmatig, het uitoefenen van dwang door het aanwenden van rechtsmiddelen of het uitoefenen van een normaal gezag als ouder is niet onrechtmatig.

Zoals vermeld kan ook het vernieitigend gebrek 'geweld' uitgaan van een derde.

Misbruik van omstandigheden

Onder de benaming ‚Äúgekwalificeerde benadeling‚ÄĚ vond dit wilsgebrek reeds in de rechtspraak en de rechtsleer ingang. Volledig nieuw is het dus niet. Het gaat hier om situaties waarbij een contract manifest onevenwichtig is door het misbruik van de superieure positie van de ene contractspartij tegenover de andere. Dikwijls bleken dergelijke vorderingen onsuccesvol omwille van een gebrek aan bewijs van deze elementen. Onder invloed van Cassatierechtspraak zijn de toepassingsvoorwaarden nu wettelijk verankerd:

  • een kennelijk onevenwicht tussen de bedongen prestaties;
  • concrete omstandigheden van inferioriteit waardoor de andere contractspartij zich een voordeel heeft kunnen toe-eigenen;
  • een oorzakelijk verband tussen het misbruik en het kennelijk onevenwicht.

Wat betreft de sanctie speelt ook de relatieve nietigheid. Weliswaar met dien verstande dat indien het misbruik niet doorslaggevend was voor de contractssluiting de rechter ook tot aanpassing van de onevenwichtige prestatie kan besluiten als vorm van herstel. Eenzelfde mogelijkheid komt overigens terug onder de in het Burgerlijk Wetboek ingeschreven imprevisieleer. Ook hier kan een evenwicht worden hersteld door aanpassing van de prestatie met als verschil dat het onevenwicht slechts na contractsluiting is ontstaan.

Benadeling en veinzing

Tenslotte bevestigt de wetgever dan een eenvoudige benadeling in principe geen nietigheidsgrond vormt. Het bestaan van een onevenwicht tussen de prestaties van partijen is namelijk geen algemeen wilsgebrek.

Ook veinzing is geen wilsgebrek as such. In het geval van veinzing sluiten partijen een contract samen met een verborgen contract dat het eerste contract wijzigt of teniet doet. Het verborgen contract is wel degelijk geldig tussen partijen. Derden te goeder trouwe kunnen daarentegen kiezen tussen het veruitwendigde dan wel het verborgen contract.

 

Twijfelt u aan de rechtsgeldigheid van een overeenkomst? Heeft u iets ondertekend waarop u gezien de omstandigheden wenst terug te komen? Contacteer ons.


Nieuw verbintenissenrecht: overdracht van schuld en van contract wettelijk verankerd

In ons eerder blogartikel berichtten wij u reeds over het goedgekeurde wetsvoorstel houdende het nieuwe verbintenissenrecht. Zoals aangekondigd, zullen wij de komende tijd de voornaamste nieuwigheden voor u belichten. We gaan hierbij van start met de wettelijke regeling inzake overdracht van verbintenissen. Naast de overdracht van schuldvordering vinden nu ook de overdracht van schuld en van contract hun plaats in het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

1. Overdracht van schuldvordering

De wettelijke grondslag van de overdracht van schuldvordering is terug te vinden in artikel 5:174 e.v. Burgerlijk Wetboek. Algemeen uitgangspunt is dat schuldvorderingen steeds vatbaar zijn voor overdracht. Zij zijn deel van het vermogen van de schuldeiser. Niet-overdraagbaarheid vloeit voort uit de wet, de aard of uit contractuele afspraken.

Belangrijk te noteren is dat een contractuele onoverdraagbaarheid niet zondermeer tegenwerpelijk is aan derden. Enkel wanneer de derde-overnemer kennis had van de clausule kan hij op basis van derde-medeplichtigheid aan contractsbreuk worden aangesproken.

De overdracht blijft in se vormvrij. Voor de tegenwerpelijkheid aan de schuldenaar moet laatstvermelde op de hoogte zijn van het feit van de overdracht zelf (en dus niet van de overdrachtsakte). De overdracht heeft geen invloed op de excepties die de schuldenaar kan inroepen. Betaling voor kennisgeving werkt nog steeds bevrijdend.

Tevens wordt benadrukt dat de regels inzake overdracht niet enkel voor schuldvorderingen maar ook voor overdrachten van andere onlichamelijke goederen gelden. Een aparte bepaling regelt ook de gedeeltelijke overdrachten en de overdrachten van toekomstige schuldvorderingen.

2. Overdracht van schuld

Een nieuwigheid is de invoering van artikel 5:187 e.v. Burgerlijk Wetboek dat voortaan ook de overdracht van een schuld regelt. Deze figuur werd steeds met enige argwaan bekeken aangezien:

  1. de schuldoverdracht de schuldeiser opzadelt met een potentieel minder solvabele schuldenaar; en
  2. de schuldvordering die uit de schuld voortvloeit aan de schuldenaar toebehoort en in principe enkel hij erover kan beschikken.

Logisch gevolg: de schuld kan enkel met toestemming van de schuldeiser aan een derde worden overgedragen. Hierdoor ontstaat als het ware een driepartijenovereenkomst die de oorspronkelijke schuldenaar bevrijdt. Deze bedrijving werkt in principe enkel voor de toekomst . Het is echter perfect mogelijk om andersluidende contractuele afspraken te maken en dus alsnog in een hoofdelijkheid of een terugwerkende overname te voorzien.

Een gebrek aan toestemming van de schuldeiser maakt de schuldoverdracht echter niet onmogelijk. In dat geval is er namelijk sprake van een onvolkomen schuldoverdracht. Deze resulteert sowieso in een hoofdelijke gehoudenheid van overdrager en overnemer.

Ook een interne schuldovername is mogelijk. Deze onderscheidt zich van de onvolkomen schuldoverdracht omdat de overnemer niet de bedoeling heeft zich tegenover de schuldeiser te verbinden. Dergelijke overname heeft bijgevolg uitsluitend interne werking.

3. Overdracht van contract

Volgens de parlementaire voorbereiding is het uitgangspunt van een contractsoverdracht de volgende:

"Een contractsoverdracht is meer dan een optelsom van schulden en schuldvorderingen, maar de onveranderde overgang van de
gehele contractuele verhouding. De overnemer treedt dus niet enkel in de rechten en verplichtingen, maar in alle contractuele bevoegdheden e.d.m."

Voordien kenden we dergelijke figuur uitsluitend uit bijzondere wetgeving inzake bv. de overdracht van huur of van arbeidsovereenkomsten. De algemene grondslag hiervoor vinden we vanaf nu in artikel 5:193 e.v. Burgerlijk Wetboek.

Ook hier bestaat een onderscheid tussen een onvolkomen en volkomen overdracht. In beginsel is de toestemming van de medecontractant niet vereist voor de contractsoverdracht. Deze toestemming is namelijk slechts noodzakelijk om de overdrager te bevrijden. Zonder toestemming blijft de overdracht onvolkomen. Een volkomen contractsoverdracht heeft daarentegen het verdwijnen van de overdrager uit de contractuele relatie tot gevolg. De voorafgaand aan de overdracht opeisbare schulden blijven in principe voor rekening van de overdrager. Ook hier is echter contractuele afwijking mogelijk.

Slot

De regels inzake overdracht van schuldvordering zijn in belangrijke mate bestendigd. De eerder toegepaste figuren van schuld- en contactsoverdracht hebben echter een wettelijke basis gekregen, hetgeen enkel maar kan bijdragen aan de rechtszekerheid. Deze overdrachten zijn in principe altijd mogelijk. Bij de overdracht van schuldvordering blijft kennisgeving vereist met het oog op tegenwerpelijkheid. Bij de schuld-en contractsoverdracht wordt de toestemming van alle betrokken partijen vereist met het oog op de bevrijding van de overdrager.

Contacteer ons gerust voor meer informatie over dit onderwerp.


Cassatie over de bestuurder als onderneming in faillissementszaken

Het Hof van Cassatie heeft op 18 maart 2022 een arrest geveld waarbij het een voorwaarde lijkt toe te voegen aan het ondernemingsbegrip. Op basis daarvan besluit zij dat de bestuurder van een gefailleerde vennootschap niet in faling kan worden verklaard. Hiermee gaat het Hof verder dan wat wettelijk voorzien is.

Het ondernemingsbegrip in het faillissementsrecht

Overeenkomstig artikel XX.22, 7¬į¬†juncto¬†artikel I.1, 1¬į Wetboek Economisch Recht kwalificeert als onderneming:

  1. iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  2. iedere rechtspersoon;
  3. en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.

De wetgever voorziet ook in een aantal uitzonderingen m.n. publiekrechtelijke rechtspersonen, de overheid zelf, en verenigingen zonder uitkeringsoogmerk.

Toepassing in faillissementsrecht

Een bezoldigde natuurlijke persoon-bestuurder van een vennootschap kwalificeert in principe dus als uitoefener van een zelfstandige beroepsactiviteit. Om die reden zal deze bestuurder als onderneming worden beschouwd en dus ook in faling kunnen worden verklaard.

Het is namelijk zo dat een schuldenaar die bij voortduur heeft opgehouden te betalen en wiens krediet ondermijnd is, in staat van faillissement verkeert. Voormelde schuldenaar dient steeds een onderneming te zijn. Hierin schuilt dus meteen het belang van de invulling van het ondernemingsbegrip.

Toepassing ingevolge Cassatierechtspraak

In haar arrest lijkt het Hof echter een extra voorwaarde aan het ondernemingsgebrip toe te voegen. Het Hof overweegt namelijk dat een natuurlijke persoon slechts een onderneming is:¬†"Wanneer hij een organisatie vormt die bestaat uit een geheel van materi√ęle, financi√ęle of menselijke middelen met het oog op de zelfstandige uitoefening van de beroepsactiviteit."

Hiermee stelt het Hof dat een bestuurder die geen eigen organisatie vormt in se geen onderneming is en dus niet vatbaar voor faillietverklaring.¬†Hoe dit geheel van materi√ęle, financi√ęle of menselijke middelen moet worden beoordeeld, blijft echter een raadsel.

Vergelijking met andere domeinen

Middels dit arrest wordt als het ware een extra invulling aan de wettekst toegevoegd, die echter geen weerslag lijkt te vinden in andere domeinen.

Op het vlak van de inschrijvingsplicht in de KBO en de boekhoudkundige verplichtingen van ondernemingen, heeft de wetgever bestuurders expliciet uitgesloten. Andere ondernemingen zijn wel aan deze verplichtingen onderworpen. Ipse facto zijn bestuurders dus ook ondernemingen die echter van een uitzondering kunnen genieten.

Ook de Raad van State heeft steeds geoordeeld dat een bestuurder een onderneming is. Dit gezien hij zijn mandaat beroepsmatig uitoefent en niet in ondergeschikt verband.

Een bestuurder zal tenslotte ook in het sociale zekerheidsrecht steeds aan een vermoeden van toepassing van het sociaal statuut van zelfstandige onderworpen zijn.

Conclusie

Het hoeft geen betoog dat een bestuurder geconfronteerd met een faillissementsvordering zich op dit arrest zal beroepen. Het louter aanhalen geen onderneming te zijn, kan verder ook gevolgen hebben voor wat betreft de materi√ęle bevoegdheid van de rechtbanken. Dat deze cassatierechtspraak ook wetswijzigingen op andere domeinen teweeg zal brengen, is momenteel niet aan de orde.

Bij aternio volgen wij dit in ieder geval verder op de voet.


Fiscaal regime voor expats in wetgevend jasje

Al sinds 1983 kent Belgi√ę een fiscaal aantrekkelijk regime voor expats. Dit regime was echter louter gebaseerd op een administratieve circulaire. Voortaan is er nu ook een wettelijke basis in de Programmawet van 27 december 2021.

Het nieuwe regime voor expats bestaat uit 2 delen: namelijk het 'Bijzonder Belastingstel voor Ingekomen Belastingplichtigen (BBIB) en het 'Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Onderzoekers' (BBIO). De nieuwe fiscale regeling treedt in werking met ingang vanaf 1 januari 2022.

De bedoeling is nog steeds om Belgi√ę fiscaal aantrekkelijk te maken voor buitenlandse high potentials. Het wettelijk kader moet daarom extra rechtszekerheid bieden. De wettelijke verankering biedt alvast heel wat voordelen en verbeteringen. Echter, omwille van budgettaire redenen, zijn er ook beperkingen.

Expat voorwaarden

Zoals gezegd zal de nieuwe regeling van toepassing zijn voor 'ingekomen belastingplichtigen' en 'ingekomen onderzoekers'. Ingekomen belastingplichtigen kunnen zowel werknemers als bedrijfsleiders zijn. Ingekomen onderzoekers kunnen enkel werknemers zijn.

Een ingekomen belastingplichtige moet bovendien rechtstreeks aangeworven zijn in het buitenland en tewerkgesteld zijn binnen een multinationale groep of vzw. Ook een onderzoeker dient rechtstreeks aangeworven te zijn in het buitenland. Maar voor een onderzoeker hoeft de Belgische werkgever geen deel uit te maken van een multinationale groep.

Verder mag de expat 5 jaar voorafgaand aan de indiensttreding in Belgi√ę:
-geen rijksinwoner zijn geweest van Belgi√ę;
-niet gewoond hebben binnen een afstand van 150km van de Belgische grens (grensarbeiders vallen dus voortaan uit de boot);
-niet onderworpen zijn geweest aan de Belgische belasting niet-inwoners voor wat betreft zijn beroepsinkomsten.

Tot slot dienen ingekomen belastingplichtigen per jaar een minimum brutobezoldiging (dus voor aftrek sociale zekerheidsbijdragen) van 75.000,00 euro te hebben. Deze vereiste geldt niet voor onderzoekers. Onderzoekers dienen wel een specifiek wetenschappelijk masterdiploma te kunnen voorleggen, oftewel het equivalent van 10 jaar beroepservaring.

30%-regel

Het interessante aan het expat-egime is het feit dat heel wat kosten aangaande de tewerkstelling in Belgi√ę beschouwd worden als 'kosten eigen aan de werkgever'. Deze kosten kunnen dus belastingvrij worden terugbetaald.

Een percentage van 30% van de brutobezoldiging wordt beschouwd als kosten eigen aan de werkgever. Deze forfaitaire onkostenvergoeding bedraagt maximaal 90.000 euro per jaar. De onkostenvergoeding moet bovendien contractueel vastgelegd worden.

Daarnaast worden nog enkele uitzonderlijke kosten aanvaard, namelijk:
- verhuiskosten naar Belgi√ę (=eenmalig);
- kosten voor de inrichting van de woning in Belgi√ę, binnen de eerste 6 maanden na aankomst, met een maximum van 1.500 euro;
- schoolkosten voor de leerplichtige kinderen¬† in Belgi√ę.

Duurtijd statuut

De nieuwe regeling heeft voortaan een beperkte duurtijd. Men kan van het nieuwe regime genieten gedurende een periode van 5 jaar. Deze periode kan men verlengen met 3 jaar na de indiening van een nieuwe aanvraag, mits alle voorwaarden zijn voldaan.

Procedure

Om van het fiscaal regime voor expats te kunnen genieten dient de werkgever een elektronische aanvraag in te dienen bij de fiscale administratie binnen de 3 maanden na aanvang van terwerkstelling in Belgi√ę. Bij deze aanvraag voegt de werkgever een attest waarbij de betreffende werknemer of bedrijfsleider zijn akkoord geeft.

De fiscale administratie dient vervolgens binnen de 3 maanden een beslissing te nemen.

Inwerkingtreding

Het nieuwe expat-regime is zoals gezegd van toepassing sinds 1 januari 2022. Expats kunnen opteren voor dit nieuwe regime indien zij aan alle voorwaarden voldoen.

Zij die nog geen geldige aanvraag hebben ingediend, of niet voldoen aan alle voorwaarden, kunnen nog 2 jaar genieten van een overgangsregeling overeenkomstig de oude administratieve circulaire van 8 augustus 1983.

Nog vragen? Neem gerust contact met ons op.


renovatie

Renovatie aan 6% btw: verklaring op factuur vervangt attest

Sinds 1 januari 2022 is een uitgebreide vermelding op de factuur verplicht bij renovatie- en herstellingswerken aan het btw-tarief van 6%. Hierdoor komt een einde aan het enigszins folkloristische niet-gestandaardiseerde btw-attest van de klant. Bij wijze van overgangsmaatregel mogen aannemers nog tot 30 juni 2022 gebruik maken van dergelijk attest. Een administratieve vereenvoudiging maar wel één die aandacht vraagt van zowel aannemer als klant.

Renovatie- en herstellingswerken: voorwaarden

Renovatie- en herstellingswerken aan oude woningen kunnen onder voorwaarden genieten van het verlaagde btw-tarief van 6%.

De handelingen moeten:

  1. de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben ('werken in onroerende staat');
  2. betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;
  3. worden verricht aan een woning die ten minste vijftien jaar dan wel tien jaar oud is;
  4. worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker.

Om het verlaagde tarief te rechtvaardigen moet de uitgereikte factuur en het dubbel van de aannemer verplicht een uitgebreide vermelding bevatten.

Het verplichte attest van de klant is dus verdwenen als voorwaarde. Dit is duidelijk een vermindering van de administratieve rompslomp: geen stress meer voor het verkrijgen én het bewaren van deze attesten.

Vermelding op de factuur

Bij renovatie- en herstellingswerken aan 6% btw moet volgende vermelding voortaan letterlijk te vinden zijn op de factuur.

"Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat ten minste tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."

Wanneer aan minstens een van die voorwaarden niet is voldaan, geldt het normale btw-tarief van 21%. Voortaan is de klant m.a.w. verantwoordelijk voor de juiste toepassing van het verlaagde btw-tarief. Betwisting door de klant gebeurt bij voorkeur met een aangetekende brief zodat de datum van betwisting met zekerheid aantoonbaar is.

De aannemer zal bij tijdige schriftelijke betwisting dus een corrigerende factuur moeten uitreiken. Let wel: als dit niet gebeurt zal de fiscus de financi√ęle rechtzetting uitvoeren bij de aannemer.

Onder de aandacht

Herstelling, omvorming of renovatie sluit nieuwbouw uit

Een uitbreiding van een bestaande woning kwalificeert als renovatie- en herstellingswerk voor zover de uitbreiding niet leidt tot een verdubbeling in oppervlakte en voor zover het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan bestaan. De fiscus aanvaardt ook dat werken die op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (in het bijzonder de buitenmuren) en op de wezenlijke structurele elementen, als renovatie gelden.

Plaatsing, herstelling en onderhoud, met uitsluiting van het reinigen, van volgende roerende goederen zijn gelijkgesteld met werk in onroerende staat:

  • centrale verwarming of airconditioning;
  • sanitaire installatie;
  • elektrische installatie van een gebouw (met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen);
  • installatie van brand- en diefstalalarm;
  • opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;
  • luiken, rolluiken en rolgordijnen aan de buitenkant van het gebouw;
  • wandbekleding of vloerbekleding volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.

Privé-woning

De werken moeten finaal betrekking hebben op een gebouw dat na uitvoering, uitsluitend of hoofdzakelijk, dienst doet als woning. Bij gemengd privé en professioneel gebruik is het essentieel dat het privé-deel meer dan 50% bedraagt. Opgelet: voor werken toewijsbaar aan het louter professioneel deel geldt het normale btw-tarief van 21%. Dit laatste is eveneens het geval voor werken die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning: oa. sauna, zwembad, tuinaanleg of tuinafsluiting.

Leeftijd woning

Er spelen twee leeftijdsgrenzen, nl. een woning van meer dan 15 jaar oud en een woning tussen 10 en 15 jaar oud.

Bij een woning tussen de 10 en de 15 jaar oud geldt het verlaagde tarief van 6% niet voor 'materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst’. De fiscus aanvaardt dat deze uitsluiting enkel geldt voor gemeenschappelijke verwarmingsketels in appartementsgebouwen en de bestanddelen of gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties (ongeacht of het een appartementsgebouw of eengezinswoning betreft).

De eerste ingebruikneming van de woning is het vertrekpunt voor het bepalen van de ouderdom. In het bijzonder zal de eerste ingebruikneming moeten hebben plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar dat ten minste 15 resp. 10 jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot de handelingen.

Klant

De klant moet ‚Äėeindgebruiker‚Äô zijn om recht te hebben op het verlaagd btw-tarief van 6%. Daarom moet de klant een zakelijk recht (bv. eigendom, vruchtgebruik ...) of een recht van genot (inzonderheid als huurder) hebben op de priv√©-woning. Ook een vennootschap kan, mits te voldoen aan de voorwaarden, genieten van het verlaagd tarief.

Opgelet: indien de klant een btw-plichtige is die periodieke btw-aangiften indient, wordt de betaling van de btw verlegd (art. 20, §1 KB nr. 1). De aannemer rekent dan geen btw op de factuur maar vermeldt "btw verlegd". Dit alles sluit de toepassing van het verlaagd tarief niet uit. Vanzelfsprekend moet steeds aan alle voorwaarden voldaan zijn. Het staat buiten kijf dat het professioneel gebruik altijd bijkomstig moet zijn. Het is uiteindelijk de klant die de btw voldoet via de btw-aangifte.

Conclusie

De afschaffing van het attest voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% is een echte administratieve vereenvoudiging. In de plaats is er nu een verplichte en uitvoerige verklaring op de facturen. De nieuwe regeling is sinds 1 januari 2022 van toepassing, maar aannemers krijgen nog een uitlooptijd tot 30 juni 2022. Daarna is het definitief gedaan met het ronselen van attesten bij klanten.

Bij afwezigheid van schriftelijke betwisting binnen de 30 dagen na de factuur is de klant voortaan verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de btw.

U kan steeds bij aternio terecht indien u vragen hebt of bijkomende informatie wenst over deze of andere btw-regels.


Gesleutel aan verlaagde roerende voorheffing op dividenden

Op 12 januari 2022 heeft de Kamer in plenaire zitting een wetsontwerp goedgekeurd waarbij men ondermeer sleutelt aan de verlaagde roerende voorheffing op dividenden. Dit regime is in het vakjargon gekend als het VVPRbis-regime, afkorting voor verminderde voorheffing/précompte réduit. Bis omdat het de opvolger is van een eerder gelijkaardig bestaand stelsel. Wat wijzigt er vanaf 1 januari 2022?

VVPRbis-regime

Onder bepaalde voorwaarden zorgt het VVPRbis-regime ervoor dat de roerende voorheffing en de personenbelasting verminderen. In het bijzonder in geval van dividenduitkeringen door kleine vennootschappen. Meer bepaald bij uitkering van dividenden uit nieuwe aandelen op naam die zijn uitgegeven vanaf 1 juli 2013 n.a.v. nieuwe inbrengen in geld.

Het goedkoper karakter zit hem natuurlijk in de belastingverlaging. Tot 20% voor dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng. Het is nog voordeliger in een tweede fase vermits de roerende voorheffing daalt tot 15% voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van de inbreng (art. 269, §2 WIB'92).

Om dus te kunnen genieten van het VVPRbis-stelsel is het noodzakelijk dat de vennootschap als klein wordt aangemerkt. Dit gebeurt op basis van artikel 1:24, §1 tot 6 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV). Deze kwalificatie gebeurt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de geldinbreng is gedaan. Dit principe is ongewijzigd.

Nieuwe aandelen en nieuwe inbrengen

De dividenden moeten voortkomen uit nieuwe aandelen op naam uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting van de vennootschap of een kapitaalverhoging. De volstorting van het kapitaal, dat deze aandelen vertegenwoordigt, gebeurt volledig door middel van nieuwe inbrengen in geld. De combinatie verlaagde roerende voorheffing en de techniek van de vrijstelling van de volstortingsverplichting is bijgevolg niet langer mogelijk.

Er is gelukkig een regularisatiemogelijkheid voorzien voor vennootschappen die toch de vrijstelling van de volstortingsverplichting hebben toegepast in de periode tussen 1 mei 2019 (inwerkingtreding WVV) en 15 december 2021. Deze vennootschappen¬†komen toch nog in aanmerking voor het VVPRbis-regime¬†indien zij een kapitaalverhoging in geld zonder uitgifte van nieuwe aandelen doorvoeren waardoor de inbreng opnieuw het initi√ęle niveau van v√≥√≥r de vrijstelling van volstorting bereikt. Deze kapitaalverhoging moet plaatsvinden v√≥√≥r 31 december 2022.

Voorbeeld. Een bvba (nu bv) werd opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019 met inbreng in geld van 18.550 EUR. Hiervan is slechts 6.200 EUR effectief gestort. Na 1 mei 2019 verricht deze bv een vrijstelling van volstortingsverplichting voor 12.350 EUR én verminderd tegelijkertijd haar kapitaal/inbreng tot 1 euro. Deze vennootschap moet tegen 31 december 2022 haar inbreng in geld verhogen met 12.350 EUR, wil ze het VVPRbis-statuut verliezen.

Hou er rekening me dat overboeking van een lopende rekening geen inbreng in geld is (Mond. Parl. Vr.nr. 3682 van de heer Van Biesen dd. 29.04.2015).

Geen voorkeursbehandeling

De onderschreven sommen bij de uitgifte van de VVPRbis-aandelen moeten niet alleen volledig volstort zijn maar aan deze aandelen mag ook geen voorkeursrecht verbonden zijn. In concreto betekent dit dat er voor deze aandelen geen voorkeursrecht mag zijn ten aanzien van de deelname in het kapitaal of in de winst of ten aanzien van de verdeling van het maatschappelijk vermogen. Alle VVPRbis-aandelen moeten dus een gelijk recht op uitkering hebben. Er mag m.a.w. op geen enkel ogenblik een dergelijk voorkeursrecht zijn. Noch op het ogenblik van de uitgifte ervan, noch op enig ander moment.

Dat er eventueel andere aandelen (zonder fiscaal voordeel) zijn waaraan voorkeursrechten verbonden zijn, sluit blijkbaar de toepassing van het het VVPRbis-regime niet uit. Hetgeen aansluit bij een antwoord van de minister van Financi√ęn op een parlementaire vraag (V&A. Kamer 2020-21, nr. 55-058, 217). De wetswijziging belet bovendien niet dat¬†VVPRbis-aandelen geen ander voorkeursrecht mogen hebben. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan¬†meervoudig stemrecht of benoemingsrecht.

Antimisbruikbepaling

Een antimisbruikbepaling mag evenmin ontbreken. In casu kunnen uitgekeerde liquidatiereserves (onderworpen aan een anticipatieve heffing van 10% gevolg door een tarief van 5 % roerende voorheffing) van VVPRbis-vennootschappen, niet aangewend worden om te zorgen voor VVPRbis-kapitaal in een andere vennootschap. Het gebruik van geld van uitgekeerde liquidatiereserves die onderworpen werden aan hogere tarieven is blijkbaar geen probleem.

Dit is een verstrenging van én aanvulling op de oude regeling die een inbreng uitsluit van het VVPRbis-regime wanneer een natuurlijke persoon een geldinbreng doet afkomstig van een kapitaalvermindering in een vennootschap die verbonden of geassocieerd is met die persoon (in de zin van art. 1:20 en 1:21 WVV).

Relevante vraag is natuurlijk hoe de fiscus dit controleert.

Inwerkingtreding

De nieuwe regels zijn van toepassing op dividenden toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1 januari 2022.

Conclusie

De wijzigingen maken een einde aan de combinatie verlaagde roerende voorheffing en de techniek van de vrijstelling van de volstortingsverplichting. Er is gelukkig een regularisatiemogelijkheid die loopt tot 31 december 2022 voor die vennootschappen die dergelijke hebben toegepast in de periode tussen 1 mei 2019 en 15 december 2021. Het verboden 'preferent karakter' van de VVPRbis-aandelen is verduidelijkt en er is verder nog gesleuteld aan de anti-misbruikbepaling.

Hebt u specifieke vragen over het VVPRbis-regime of wil u andere mogelijkheden inzake dividenduitkeringen bekijken dan helpen onze juristen en accountants u graag verder.


Webinar organiseren: hoe zit dat met de btw?

Een cursus of opleiding organiseren en deze met fysieke aanwezigheden laten volgen? Het zit er in deze covid-tijden helaas niet vaak meer in. Daarom gaan ondernemingen op zoek naar allerlei creatieve oplossingen om hun cursus of opleiding online te laten plaatsvinden. Tijdens deze 'webinars' is het soms zelf mogelijk om het publiek interactief te laten deelnemen.

Het is daarom interessant om toch eens stil te staan bij de btw-kwalificatie van dergelijke opleidingen.

In deze bijdrage gaan we enkel in op webinars, georganiseerd door in Belgi√ę gevestigde ondernemingen. De btw-vrijstellingen voor universiteiten of scholen laten we hier even buiten beschouwing.

Intellectueel werk of dienst verricht langs elektronische weg

Voor de btw-kwalificatie maakt het dus wel degelijk een verschil of de deelnemers van de cursus actief kunnen deelnemen of niet.

Indien het een interactief webinar betreft, waarbij het publiek vragen kan stellen tijdens het webinar, beschouwt men dit als een "intellectueel werk" in de zin van art.18, ¬ß1, lid 2, 1¬į van het Wetboek btw (hierna: wbtw):

Daarentegen, indien de opleiding op voorhand werd opgenomen en het publiek op eender welk moment de sessie kan bekijken, spreekt men van een "langs elektronische weg verrichte dienst" in de zin van art. 18, ¬ß1, lid 2, 16¬į wbtw. Het menselijk contact tussen de cursist en de deelnemer is bij een elektronische dienst uiteraard erg beperkt.

Plaats van de dienst

Vervolgens is het belangrijk om de plaats van de dienst te bepalen.

Bij een intellectueel werk - hier het webinar - is de plaats van de dienst, de plaats waar de activiteit effectief verricht wordt. Dit is zowel het geval wanneer de deelnemers belastingplichtigen (b2b) of particulieren (b2c) zijn.

Voorbeelden

In het geval van een interactieve opleiding zal de plaats van de dienst het land zijn van de organisator van het webinar. Daar wordt immers het materi√ęle werk verricht. Wanneer een Belgische onderneming een interactief webinar organiseert zal de plaats van de dienst dus Belgi√ę zijn. Hij rekent 21% btw aan.

Gaat het daarentegen om een elektronische dienst - dus zonder actieve tussenkomst van de cursist - is de plaats van de dienst daar waar de ontvanger gevestigd is. Dit is zowel het geval wanneer de ontvanger een particulier (b2c) of een belastingplichtige (b2b) is. Wanneer bijvoorbeeld een Belgische onderneming een elektronische dienst aan een Spaanse particulier verricht zal hierop Spaanse btw van toepassing zijn.

Indien de ontvanger een belastingsplichtige is (B2B) uit Spanje, zal de dienst in Spanje plaatsvinden. De organisator van de elektronische dienst zal bijgevolg kunnen factureren met "btw verlegd". Dit betekent dat de deelnemer van het webinar de Spaanse btw zal moeten voldoen via zijn btw-aangifte.

Is de ontvanger van de elektronische dienst afkomst uit een derdeland (denk aan Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, ...), dan zal dit derdeland de plaats van de dienst zijn. De organisator rekent op zijn factuur geen btw aan maar hij vermeld: "plaats van de dienst buiten de EU".

Samengevat

Organiseert u een interactief webinar, dan is de plaats van deze dienst deze waar de activiteit effectief verricht wordt. Is het echter een webinar zonder enige tussenkomt van docent en deelnemer, dan zal er eerder sprake zijn van een langs elektronische weg verrichtte dienst. Voor de plaatsbepaling van de elektronische dienst is de plaats waar de ontvanger gevestigd is bepalend.


Burgerrechtelijke aansprakelijkheid werkgever voor verkeersboeten werknemer

Bij indiensttreding vraagt de werkgever doorgaans naar het bezit van het vereiste rijbewijs. Hij is hiervoor echter aangewezen op de goede trouw van de kandidaat-werknemer. Zo het tot een arbeidsovereenkomst leidt, krijgt de werknemer vaak een voertuig van de werkgever ter beschikking. Wanneer de werknemer vervolgens verkeersinbreuken begaat, is de werkgever hiervoor burgerrechtelijk aansprakelijk. Uiteraard voor zover de inbreuken werden begaan in het kader van de professionele activiteit. Dit onafgezien de aard van de door de werknemer begane fout.

Vooreerst zetten we het wettelijk kader uiteen om vervolgens de impact ervan op de verschillende onderlinge verhoudingen na te gaan.

Wettelijk kader

Basis

De basis van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van werkgevers voor de fouten begaan door hun werknemers, zit vervat in artikel 1384, derde lid (oud) Burgerlijk Wetboek:

"Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.
De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.
De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.
De onderwijzers en de ambachtslieden, voor de schade door hun leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan.
De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten."

"Het niet hebben kunnen beletten van de daad" leidt niet tot bevrijding van aansprakelijkheid van de werkgever.

Wegverkeerwet

Artikel 67 van de Wegverkeerswet preciseert daarover het volgende:

‚ÄúZij die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding en kosten, zijn insgelijks aansprakelijk voor de geldboete. Met die personen wordt gelijkgesteld de voogd, wat betreft de misdrijven begaan door zijn ongehuwde, bij hem inwonende pupillen.‚ÄĚ

De werkgever die overeenkomstig artikel 1384 (oud) BW aansprakelijk is, is dus eveneens burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboete opgelegd voor een overtreding van de Wegverkeerswet.

Wet op de Arbeidsovereenkomsten

In de werkgever-werknemerrelatie wordt de werknemer beschermd door artikel 18 Wet Arbeidsovereenkomsten:

"Ingeval de werknemer bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

[...]"

Onderlinge verhoudingen

Als eerste nemen we de verhouding tussen de overheid en de werkgever onder de loep. Ten tweede bekijken we de verhouding tussen de werknemer en de overheid. Ten slotte gaan we in op de verhouding tussen de werkgever en werknemer.

Overheid - werkgever

De op de werkgever rustende aansprakelijkheid tegenover de overheid is louter van burgerrechtelijke aard. Het is niet omdat de werknemer een strafrechtelijke inbreuk heeft begaan, dat hierdoor de werkgever mede-dader van dit misdrijf wordt.

Dit heeft tot gevolg dat zodra de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de werknemer vaststaat, het ook vaststaat dat de werknemer burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de geldboeten. Het volstaat hiervoor dat de strafrechtelijke fout begaan werd in het kader van de arbeidsovereenkomst én dat de werkgever daadwerkelijk de hoedanigheid van aansteller heeft.

In de praktijk zal de boete voor het bijvoorbeeld rijden spijts verval door een werknemer dus quasi-automatisch ook op de werkgever verhaald kunnen worden.

Dat de werkgever niet op de hoogte was van het feit dat zijn werknemer bijvoorbeeld met een ongeldig rijbewijs reed, is irrelevant. Evenmin doet het terzake dat de werknemer bedrog of een zware fout tegenover zijn werkgever beging. Dit omdat de bepalingen van artikel 18 Wet op de Arbeidsovereenkomsten niet spelen in deze verhouding. Tegenover de overheid blijft de werkgever tot betaling gehouden.

Overheid - werknemer

De werknemer zelf zal tegenover de overheid in persoonlijke naam de strafrechtelijke aansprakelijkheid dragen. Hij zal dus eveneens gehouden zijn tot betaling van de boetes voor de verkeersinbreuken die hij heeft begaan.

Bovendien kan hij zich niet verschuilen achter het feit dat hij handelde in uitvoering van een arbeidsovereenkomst om aan deze strafrechtelijke aansprakelijkheid te ontsnappen.

Artikel 18 WAO heeft namelijk enkel betrekking op de burgerlijke en niet op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de werknemer. (1)

Werkgever - werknemer

In deze verhouding speelt artikel 18 Wet op de Arbeidsovereenkomsten evenmin. Bijgevolg is de werkgever hierdoor niet beperkt in de uitoefening van zijn verhaal. Dit uit zich in termen van een regresvordering.

Hierbij treedt de in betaling veroordeelde werkgever in de rechten van de oorspronkelijke schuldeiser. Dit is de overheid. De werkgever heeft de persoonlijke geldboete namens de werknemer aan de overheid betaald.

Daarom kan hij de boete terugvorderen, zonder rekening te houden met de bepaling die enkel binnen de arbeidsovereenkomst speelt.

In conclusie

De werkgever heeft niet alle middelen om de geschiktheid van de werknemer om met een bedrijfsvoertuig te rijden te controleren. Desalniettemin is de werkgever quasi-automatisch burgerrechtelijk aansprakelijk voor de boetes die de werknemer in dat verband oploopt. Bovendien kan deze aansprakelijkheid niet worden omzeild door het aantonen van bv. een zware fout in hoofde van de werknemer. Het is wel mogelijk voor de werkgever om de betaalde geldboete terug te vorderen van de werknemer.

Neem gerust contact op met aternio legal voor meer informatie.

(1) vergelijk Cass. 18 november 1981, RW 1982-83, 859