Geen natuurlijke persoon aan het roer creëert extra belasting

De hervorming van de vennootschapsbelasting in 2017 heeft de afzonderlijke aanslag bij het niet-uitkeren van een minimumbezoldiging, opgenomen in artikel 219 quinquies WIB'92,  in het leven geroepen. Over de toepassing ervan rezen onmiddellijk vragen.

Door de wet van 30 juli 2018 schept de wetgever duidelijkheid maar...

Wat is de afzonderlijke aanslag?

Reeds in het verleden vertelden wij u over de afzonderlijke aanslag. We frissen het kort even op:

De afzonderlijke aanslag is een belasting die opgelegd wordt aan vennootschappen die de minimumbezoldiging aan een bestuurder/natuurlijke persoon ten belope van 45.000 euro (of 75.000 euro bij verbonden vennootschappen) niet uitkeren. Deze aanslag betreft 5% op het bedrag dat de vennootschap te weinig uitkeerde.

Geen natuurlijke persoon aan het roer

In België bestaan er echter heel wat vennootschappen die bestuurd worden door andere vennootschappen. In dergelijke vennootschappen zijn geen bedrijfsleiders-natuurlijke personen aanwezig, waardoor de minimumbezoldiging dus ook niet uitgekeerd kan worden.  Deze vennootschappen kunnen dan ook nooit aan de regel voldoen.

De vraag rees of de wetgever dit wel bedoeld had.

De wijze waarop artikel 219 quinquies WIB'92 opgesteld was, was immers voor interpretatie vatbaar. Dit hebben wij reeds eerder uitvoerig toegelicht. Aangezien dit voor onduidelijkheid zorgde, heeft de wetgever opnieuw ingegrepen.

Wetswijziging van 30 juli 2018

De laatste wetswijziging bevestigt nu inderdaad expliciet dat de bezoldiging aan een natuurlijke persoon moet worden uitgekeerd door in de wet de woorden "een van haar in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders" te vervangen door "één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider".

Dit betekent dat vennootschappen die bestuurd worden door andere vennootschappen tot de afzonderlijke aanslag gedoemd zijn.

Doel van de wetgever

Met de afzonderlijke aanslag wil de wetgever vermijden dat vennootschappen geld oppotten in de vennootschap. Door een minimumbezoldiging op te leggen, zorgt de wetgever dat op zijn minst dit bedrag bij de natuurlijke persoon aan de personenbelasting wordt onderworpen. Wat de wetgever niet in de personenbelasting kan belasten door het niet-uitvoeren van de regel, wordt dus op een andere manier geïnd.

Schending gelijkheidsbeginsel?

Ongeacht het feit dat de wetgever nu duidelijk heeft geschept, kunnen we ons de vraag stellen of dit geen discriminatie inhoudt in de zin van art. 10 en 11 van de Grondwet.

Vennootschappen die enkel bestuurd worden door andere vennootschappen, worden immers anders behandeld op grond van een in de wet voorziene mogelijkheid, namelijk de samenstelling van het bestuur.

Het behoort tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof om dit beginsel te waarborgen. Indien in de toekomst een procedure aanhangig gemaakt wordt en het Grondwettelijk Hof oordeelt dat er wel degelijk sprake is van discriminatie, kan de afzonderlijke aanslag worden vernietigd.

Conclusie

De nieuwe wet heeft duidelijkheid geschept. Dit kunnen we uiteraard toejuichen. Maar in België worden echter heel wat vennootschappen enkel bestuurd door andere vennootschappen. Zij zijn nu, buiten hun wel om, gedoemd tot een afzonderlijke aanslag.


UBO-register: info meedelen uiterlijk vóór 30 november 2018

In een vorige bijdrage hebben we u al ingelicht over de invoering van het nieuwe ‘register van uiteindelijke begunstigden’ of kortweg ‘UBO-register’. Daarin werd al uiteengezet wie als uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt. De Antiwitwaswet dateert al van 18 september 2017, maar voor de praktische toepassing ervan was het nog wachten op de uitvoeringsbesluiten.

Met het KB van 30 juli 2018 is nu concreet vastgelegd welke informatie bestuurders moeten meedelen, wie toegang heeft, enzovoort.

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

Het UBO-register beoogt informatie te verzamelen over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen, vzw’s en stichtingen, trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten.

Het moet gaan om vennootschappen die in België opgericht zijn. Ook vzw’s en stichtingen moeten zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vzw-wet.

Maar wat betreft de trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten werd niet wettelijk bepaald waar zij opgericht of gelokaliseerd moeten zijn. We kunnen ervan uitgaan dat trusts vanuit België moeten worden beheerd. Maar volgens het KB moet ook een UBO-register worden bijgehouden indien de trustee of fiduciebeheerder buiten de EU gelokaliseerd is, maar bijvoorbeeld een onroerend goed in België aankoopt via de trust.

Bemerk dat het register geldt voor zowel kleine als grote entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dus ook voor maatschappen.

Welke informatie moet worden meegedeeld?

Voor de vennootschappen, vzw’s en stichtingen moet de informatie worden meegedeeld door de bestuurders. Bij trusts, fiducieën en gelijkaardige entiteiten moet dit gebeuren door de trustees of fiduciebeheerders.

In het register moeten de uiteindelijk begunstigden volledig worden geïdentificeerd, dit wil zeggen: naam, adres, nationaliteit, geboorteplaats, geboortedatum etc.

Daarnaast moet ook de omvang van het aanmerkelijk belang in een vennootschap worden meegedeeld.

Wie heeft toegang tot het register?

Voor wat betreft de vennootschappen, zou ‘in principe’ elke burger toegang hebben tot het register. Die toegang zal evenwel beperkt blijven tot bepaalde gegevens, dus bijvoorbeeld niet de voornaam, geboortedatum, adres enz.

Voor wat betreft vzw’s, stichtingen, trusts en dergelijke heeft een persoon of organisatie slechts toegang indien hij een legitiem belang aantoont.

Ook de fiscus heeft – met het oog op de belastingheffing – toegang tot het UBO-register.

Voor de toegang tot het register zal, behalve voor de autoriteiten, een administratieve bijdrage verschuldigd zijn.

In bepaalde gevallen (zoals bijvoorbeeld bij risico op fraude of chantage) kan de toegang tot het register ontzegd worden.

Hoe kan ik de info meedelen aan het register?

Via het online platform MyMinfin zal u toegang hebben tot het UBO-register. Vermits het register zelf nog niet operationeel is, kan u op dit ogenblik nog geen informatie meedelen.

Ook via een gevolmachtigde (bijvoorbeeld uw accountant) zal u info aan het register kunnen meedelen.

Wanneer dient de informatie te worden meegedeeld?

Het UBO-register wordt operationeel vanaf 31 oktober 2018. Vennootschappen dienen de gegevens vervolgens binnen de maand, dus uiterlijk op 30 november 2018, voor de eerste keer mee te delen.

Elke wijziging in het UBO-register (bijvoorbeeld adres, het belang…) moet binnen de maand nadat de wijziging gekend is, worden doorgegeven aan het UBO-register. Daarnaast moet de informatie ook jaarlijks worden bijgewerkt of bevestigd.

Sanctie

Zij die -ondanks de wettelijke verplichting- niet de vereiste informatie aan het UBO-register meedelen kunnen een administratieve boete krijgen ten belope van 250 tot maximum 250.000 euro.

Nog vragen?

Aarzel zeker niet om onze juristen te contacteren.


Gratis evenement en toch volledige btw-aftrek, het kan.

De minister van Financiën heeft gezorgd voor een ommezwaai inzake btw-aftrek bij evenementen. Hij stelt dat een gratis evenement voor het grote publiek recht kan geven op volledige aftrek van btw. Hiermee fluit hij vele fiscale controleurs terug die al jaren het tegenovergestelde beweerden.

Jarenlange discussie

Bij gratis evenementen, die wel betalende reclamediensten en/of cateringdiensten voorzien, is er sinds jaar en dag discussie of de organisator volledig recht op aftrek van btw heeft. In het verleden werd aangenomen dat een gratis evenement het algemeen belang dient. Hierdoor had de organisator geen volledig recht op aftrek van btw. Enkel de kosten gemaakt in het kader van de betalende reclame- en/of cateringdiensten mochten worden afgetrokken. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten uit deze diensten moesten worden afgesplitst.

Geen inkomgelden, maar toch economische activiteit

Naar analogie met het Hof van Justitie (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda) is de minister van Financiën van mening dat een gratis evenement waarbij ook reclamediensten en/of cateringdiensten worden verschaft, samen een economische activiteit uitmaken.(Vr. nr. 2055 Servais Verherstraeten, 30 januari 2018, Vr. en Antw. Kamer 2017-18, afl. 155, 441)

Vanwaar komt dit plots?Volgens hem is het onlogisch dat het gratis karakter zou impliceren dat het een afzonderlijke activiteit betreft. Als gevolg stelt de minister dat dergelijk evenement wel degelijk een volledig recht op aftrek van btw geeft.

Het basisprincipe om de aftrek te bepalen is het bestemmingsprincipe. Dit houdt in dat het recht van aftrek bepaald wordt door het koppelen van input aan output. Het antwoord van de Minister van Financiën is een logisch gevolg van de toepassing van dit basisprincipe.

Om het recht op aftrek te bepalen wordt vaak gekeken of de kost in de prijs van de output is opgenomen of in de algemene kosten. Dit klopt echter niet steeds. Een onderneming die winst nastreeft zal namelijk altijd rekening houden met haar kosten voor de bepaling van haar verkoopprijzen. Hierdoor zou er altijd recht van aftrek zijn. Wat niet strookt met de fiscale realiteit.

Het Hof van Justitie heeft in het verleden het recht van aftrek reeds bepaald op enkele andere criteria, namelijk de objectieve inhoud van de activiteiten en de noodzakelijkheid. Doordat dit subjectieve criteria betreffen, is er niet altijd duidelijkheid. Op grond van deze criteria heeft het Hof van Justitie al meermaals beslist dat er toch recht van btw-aftrek is.

Goed nieuws voor vzw’s

Door dit antwoord van de minister genieten ondernemingen die gratis evenementen organiseren waarbij reclame- en/of cateringdiensten worden verstrekt, volledig recht van aftrek inzake btw.

Maar ook vzw’s hebben hier voordeel bij. Indien zij dergelijk evenement organiseren zullen zij ook het volledige recht van aftrek hebben. Zij moeten dan wel alle formaliteiten voldoen om deze aftrek te kunnen gebruiken. Het evenement zelf zal zonder btw zijn, aangezien dit gratis is.

Een ander belangrijk punt is dat dit niet enkel voor de culturele evenementen geldt, maar voor alle evenementen. Hierdoor geldt dit ook voor de sportsector in de ruime zin van het woord, met name sportevenementen en sportinfrastructuur. Indien een sportvereniging of -club een nieuw stadion bouwt en hierin dergelijke gratis evenementen organiseert, zal ze toch de btw op de bouw van het stadion kunnen aftrekken.

Opgelet met subsidies

Indien een onderneming of vzw subsidies ontvangt voor de organisatie van een activiteit in het openbaar belang, heeft dit mogelijk een negatieve invloed op het recht van aftrek. Dit is in het verleden bevestigd in een parlementaire vraag, alsook door het Hof van Cassatie. (VR. nr. 314 Nyssens, 22 december 1999; Cass. 19 juni 201’, F.12.0082.N, Recreatie- en natuurpark Keiheuvel)

Deze visie is in latere rechtspraak niet altijd  gevolgd. Indien activiteiten deels ook met eigen middelen worden bekostigd, is reeds geoordeeld dat deze wel recht op aftrek kan hebben.

Indien er algemene werkingstoelagen worden ontvangen, dan heeft dit geen invloed op het recht van aftrek. Hoewel het onderscheid heel belangrijk is, is dit steeds duidelijk.  (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda)

Conclusie

De minister van Financiën heeft door zijn antwoord voor meer duidelijkheid gezorgd. Vanaf nu zullen fiscale controleurs moeten aanvaarden dat organisatoren van dergelijke evenementen volledig recht van btw-aftrek genieten. Voor ondernemingen en vzw’s is dit een goede zaak.


dbi-bevek: fiscaal interessant beleggingsinstrument

Met het zomerakkoord 2017 van de regering Michel zijn heel wat nieuwe fiscale maatregelen ingevoerd. Zo is onder andere gesleuteld aan de meerwaardebelasting op aandelen in de vennootschapsbelasting.

Vennootschappen die sinds 1 januari 2018 beleggen in aandelen moeten voortaan vennootschapsbelasting betalen op de meerwaarden, terwijl minwaarden nog steeds niet fiscaal aftrekbaar zijn.

Worden echt alle meerwaarden belast?

De belasting op gerealiseerde meerwaarden van aandelen is evenwel niet verschuldigd indien cumulatief aan volgende dbi-voorwaarden wordt voldaan:

  • de aandelen moeten minstens een jaar lang  worden aangehouden (= permanentievoorwaarde);
  • de uitkerende vennootschap moet onderworpen zijn aan een gelijkaardige belasting als de Belgische vennootschapsbelasting (= taxatievoorwaarde); én
  • de aandelen vertegenwoordigen ten minste 10% van het kapitaal van de onderliggende vennootschap of hebben een aanschaffingswaarde van 2,5 miljoen euro (= participatievoorwaarde).

In veel gevallen zullen aandelenparticipaties in dochtervennootschappen voldoen aan deze voorwaarden. U begrijpt echter dat de meeste kmo's die louter beleggen in (beursgenoteerde) aandelen niet aan de laatste voorwaarde zullen voldoen.

Maar geen nood, banken en vermogensbeheerders hebben een oplossing klaar om aan de meerwaardebelasting te ontsnappen: de 'dbi-bevek'.

dbi-bevek

Is een dbi-bevek nu écht zo interessant? Laten we duidelijk zijn, de dbi-bevek is zeker geen nieuwigheid. Het vehikel bestaat al decennia, maar wint nu aan belang door de invoering van de meerwaardebelasting op aandelen.

Een dbi-bevek is een beleggingsfonds onder de vorm van een vennootschap. Die vennootschap belegt volledig in aandelen en keert bij winst een jaarlijks dividend uit. Het is dus  een zogenaamde distributiebevek. De dividenden en meerwaarden die een dbi-bevek uitkeert komen in aanmerking voor de vrijstelling mits voldaan wordt aan een aantal strikte fiscale voorwaarden (art. 203, §2 WIB'92).

In concreto:

  • de bevek belegt exclusief in aandelen;
  • de statuten van de bevek voorzien dat jaarlijks tenminste 90% van de geïnde dividenden en gerealiseerde meerwaarden - na aftrek van bezoldigingen, commissies en andere kosten – aan de aandeelhouders worden doorgestort;
  • de inkomsten van de bevek voldoen aan de volgende voorwaarden :
    • dividenden: deze moeten in aanmerking komen voor de dbi-aftrek;
    • meerwaarden: deze moeten afkomstig zijn van aandelen die zelf voor de meerwaardevrijstelling in aanmerking komen.

De bevek zal aan de belegger dus een ventilatie moeten bezorgen van de inkomsten zodat duidelijk is welk deel van de inkomsten vrijgesteld is. Wat de 'goede inkomsten' betreft zullen de dividenden en de meerwaarden voor 100% vrijgesteld zijn van belasting.

Nadelen en risico's

Hoewel dbi-beveks jaarlijks een dividend uitkeren, dienen zij in aftrek te worden gebracht van de berekeningsbasis voor de aftrek van risicokapitaal ('notionele interestaftrek'). Door de ernstige afbouw van deze aftrek zal dit nadelig effect nauwelijks nog fiscale relevantie hebben.

Het is mogelijk  dat door de belegging in een dbi-bevek de vennootschap niet kan genieten van het verlaagd vennootschapstarief (20% op de  eerste schijf van 100.000 euro).

Meerwaarden op (goede) aandelen mogen dan wel niet belastbaar zijn in de dbi-bevek,  de minwaarden zijn daarentegen nog steeds niet aftrekbaar.

Beleggen via een dbi-bevek is tot slot ook niet kosteloos en is niet zonder financieel risico. De volatiliteit van de beurs is immers genoegzaam bekend.

Conclusie

Een dbi-bevek kan inderdaad een interessant vehikel zijn voor vennootschappen die beleggen in aandelen. De ervaring leert evenwel dat het zich louter laten leiden door fiscale motieven niet altijd verstandig is.  Samen met u en uw bank of vermogensbeheerder bekijkt aternio graag alternatieve oplossingen op langere termijn.


Boekhoudkundige verwerking van de innovatieaftrek: keep your sheets together!

De innovatieaftrek is een fiscaal voordeel voor Belgische vennootschappen die eigenaar zijn van een intellectueel eigendomsrecht. IP (intellectual property) kan bestaan uit octrooien, kwekersrechten, weesgeneesmiddelen, data- of marktexclusiviteiten, auteursrechten of beschermde software. De aftrek bedraagt 85% van de netto-inkomsten. Inkomsten en uitgaven moeten nauwkeurig worden opgevolgd per IP. In haar advies (2018/01) bepaalt de CBN welke accounting-spelregels men hier best voor toepast.

Meten is weten, bewaren is belastingen besparen

Om de innovatieaftrek te berekenen worden de netto-inkomsten per IP bepaald. Deze zijn gelijk aan de totale inkomsten die voortvloeien uit een intellectueel eigendomsrecht, verminderd met de eigen R&D kosten die ervoor gemaakt werden.

Doordat de innovatieaftrek fiscaal onbeperkt overdraagbaar is kan ze verschillende boekjaren later nog steeds worden aangewend. Op dat moment moet men de gemaakte kosten dus nog steeds kunnen onderscheiden en bewijzen. Een onderneming die door de jaren heen verschillende rechten verwerft moet dus nauwkeurig kosten kunnen toewijzen aan de verschillende bronnen van haar innovatie-inkomsten. Boekhoudkundig worden daarom best afzonderlijke kostenrekeningen per intellectueel eigendomsrecht gecreëerd. Dit kan door aan elke kostenrekening een vast identificatienummer van het desbetreffende octrooi toe te voegen.

CBN-advies: wanneer en hoe?

De innovatieaftrek is mogelijk vanaf het moment dat een intellectueel eigendomsrecht werd aangevraagd. De boekhoudkundige verwerking is dus ook afhankelijk van de fase waarin het recht zich bevindt. Wanneer een eigendomsrecht nog niet is ontstaan, moet het vrijgestelde deel van de innovatie-inkomsten voldoen aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde. Dit vereist een debitering  of overboeking naar de belastingvrije reserves (689) en een creditering van de afzonderlijke rekening binnen de belastingvrije reserves (132).

Wanneer de tijdelijke vrijstelling definitief verworven wordt, kan men dit rechtstreeks overboeken naar de beschikbare reserves (133). Een andere optie is om de belastingvrije reserves te debiteren en rekening 789 (onttrekkingen aan de belastingvrije reserves) te crediteren, alvorens definitief een bestemming te geven aan het resultaat. De fiscale innovatieaftrek verloopt volledig buiten de boekhouding.

De CBN raadt deze methode ook aan wanneer het intellectueel eigendomsrecht uiteindelijk toch niet verworven wordt. Men neemt de belastingvrije reserve terug op in het resultaat door een overboeking naar de beschikbare reserves, of door een onttrekking aan de belastingvrije reserves. Er is geen innovatieaftrek en de vrijgestelde reserve wordt weer belastbaar.

Vermelding in de toelichting

Vergeet ten slotte ook de verplichte vermeldingen in de toelichting van de jaarrekening niet (pagina VOL 6.20). Men beschrijft hier enerzijds de invloed van de innovatieaftrek op de verschuldigde belastingen en anderzijds de aanwezigheid van belastinglatenties. Wanneer het gaat om een micro- of verkort model (respectievelijk pagina’s MIC 6.6 en VKT 6.9) is deze vermelding slechts facultatief.

Conclusie

Samengevat schrijft de CBN als het ware een boekhoudkundige track-and-trace voor. Voor een duidelijke en correcte toepassing van de innovatieaftrek moet per intellectueel eigendomsrecht precies worden bepaald welke kosten voor de ontwikkeling van een beschermd product of dienst bestemd zijn. Door de onbeperkte fiscale overdraagbaarheid van een innovatieaftrek moet men de aparte rekeningen ook later eenvoudig kunnen consulteren. Ten slotte is ze ook afhankelijk van het tijdstip of stadium waarin het IP zich bevindt. Voor de attente lezer: deze analytische verwerking heeft dus heel wat voeten in de aarde.


Nieuwe interestaftrekbeperking: zijn interesten nog volledig aftrekbaar?

De nieuwe Belgische interestaftrekbeperking werd in het leven geroepen als omzetting van de Europese Anti-Tax Avoidance Directive (ATAD). Het doel van de ATAD is de verdere uitholling van de belastbare grondslag middels de aftrek van interesten te vermijden.

Vóór de nieuwe interestaftrekbeperking kende België een behoorlijk gunstig interestaftrekregime. Wat is de impact van ATAD?

Vanaf wanneer?

De nieuwe regeling inzake de interestaftrekbeperking is opgenomen in het nieuwe artikel 198/1 WIB'92 . Deze zal van toepassing zijn op boekjaren die lopen vanaf 1 januari 2020.

Hierdoor is België één jaar te laat. De omzetting van de richtlijn zou namelijk in werking moeten treden vanaf 1 januari 2019.  De lidstaten kunnen uitstel van deadline vragen indien zij reeds een regeling hebben die even doeltreffend is als de nieuwe maatregel. België heeft van deze optie gebruikt gemaakt. Zij meent dat het uitstel te verantwoorden is op grond van de onderkapitalisatieregel (thin cap), de aftrek in functie van de marktrente en de algemene antimisbruikbepaling. Vraag is of deze argumenten volstaan voor de Europese Commissie.

Toepassingsgebied interestaftrekbeperking

Zowel Belgische rechtspersonen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, alsook Belgische inrichtingen die onderworpen zijn aan de belasting van niet-inwoners vallen onder het toepassingsgebied van de nieuwe interestaftrekbeperking.

Artikel 198/1, §6 WIB'92 voorziet wel in enkele uitzonderingen. Zo vallen financiële instellingen en vennootschappen met als enige activiteit het uitvoeren van projecten van publieke-private samenwerking (PPS) buiten het toepassingsgebied. Onder financiële instellingen worden onder andere kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsondernemingen en pensioeninstellingen begrepen. In een nog niet aangenomen wetsontwerp worden ook leasingondernemingen als kredietinstellingen beschouwd.

Daarnaast geldt de nieuwe interestaftrekbeperking ook niet voor vennootschappen die geen deel uitmaken van een groep, geen buitenlandse inrichtingen bezitten, geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25% in een andere vennootschap aanhouden en waarvan de aandeelhouder geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25% in één of meerdere vennootschappen bezit.

Financieringskostensurplus

De nieuwe interestaftrekbeperking houdt in dat de netto-interestlasten niet langer aftrekbaar zijn in de mate dat ze of de minimis-drempel van 3 miljoen euro of 30% van de belastbare EBITDA overtreffen. De netto-interestlasten worden ook wel het financieringskostensurplus genoemd.

Het financieringskostensurplus wordt verkregen door financieringsopbrengsten te verminderen met de financieringskosten. De financieringsopbrengsten worden gevormd door het totaalbedrag aan interestopbrengsten, alsook de economisch gelijkwaardige opbrengsten die in de winst van het belastbaar tijdperk zijn begrepen en die niet zijn vrijgesteld door middel van een dubbelbelastingverdrag. De financieringskosten is het totaalbedrag aan interestlasten en economisch gelijkwaardige kosten die een aftrekbare beroepskost uitmaken en die niet verbonden zijn met een vaste inrichting waarvan de winst vrijgesteld is door middel van een dubbelbelastingverdrag.

Uitzondering wordt gemaakt voor PPS-projecten en voor leningsovereenkomsten afgesloten voor 17 juni 2016. Deze laatste uitzondering geldt enkel op voorwaarde dat er na deze datum geen fundamentele wijziging aan de leningsovereenkomst werd aangebracht. Voorbeelden van een fundamentele wijziging zijn wijziging van de partijen, rentevoet, duurtijd of herfinanciering.

Berekening belastbare EBITDA

Gezien voornoemde grensbedragen is het belangrijk te weten hoe de belastbare EBITDA wordt berekend. De berekening is als volgt:

Fiscaal resultaat van het belastbare tijdperk na de eerste bewerking

+ Fiscaal aftrekbare afschrijvingen en waardeverminderingen

+ Financieringskostensurplus, m.u.v. niet aftrekbaar gedeelte

- Inkomsten waarvoor de DBI-aftrek van toepassing is

- Inkomsten waarvoor innovatie-aftrek van toepassing is (85%)

- Inkomsten waarvoor de octrooi-aftrek van toepassing is (80%)

- Winst vrijgesteld door dubbelbelastingsverdrag

- Winst bekomen ter uitvoering van een kwalificerend project van publieke-private samenwerking

- Groepsbijdragen die worden afgetrokken van de belastbare grondslag i.k.v. fiscale consolidatie

Financieringskostensurplus overdragen?

Indien wegens overschrijden van de grensbedragen in een belastbaar tijdperk het financieringskostensurplus niet kan worden afgetrokken, is er de mogelijkheid van overdracht naar een later belastbaar tijdperk. Het overgedragen bedrag wordt bijgevoegd bij het financieringskostensurplus van dat latere belastbare tijdperk om zo de beperking in functie van de grensbedragen te berekenen.

Wat met een groep?

Indien een vennootschap behoort tot een groep wordt het financieringskostensurplus, de belastbare EBITDA en de minimis-drempel vastgesteld volgens een consolidatie die enkel wordt toegepast voor de berekening van deze maatregelen. Deze consolidatie vindt m.a.w. geen andere fiscale toepassing. Wat onder een groep begrepen dient te worden, is gelijk aan de definitie van een groep zoals deze nu bestaat volgens de huidige thin cap (art. 198, § 3 WIB'92).

Gezien men internationale winstverschuivingen viseert, worden interesten en economische gelijkwaardige kosten of opbrengsten aan of door een andere Belgische vennootschap of inrichting van de groep in principe uitgesloten van de vaststelling van het financieringskostensurplus. Enkel deze die onder de hiervoor vermelde uitzonderingen (o.a. financiële instellingen) vallen, mogen wel in de berekening worden meegenomen.

Bij de berekening van de belastbare EBITDA worden de kosten en opbrengsten aan of van een Belgische vennootschap of inrichting van een groep eveneens geëlimineerd. Kosten verschuldigd aan een andere Belgische groepsentiteit worden bij de belastbare EBITDA van de individuele belastingplichtige bijgeteld. Daarentegen worden de opbrengsten ontvangen van een andere Belgische groepsentiteit afgetrokken.

Om dit in de praktijk te kunnen realiseren, moeten alle groepstransacties via de resultatenrekening geïdentificeerd worden. Naderhand kunnen de hierboven uiteengezette regels worden toegepast voor de berekening van het financieringskostensurplus en de belastbare EBITDA.

Wat betreft de minimis-drempel van 3 miljoen in een groep, wordt deze verdeeld over de groep. Een KB zal moeten bepalen wat de verdeelsleutel zal zijn. Er is verder voorzien in de overdracht van niet-benutte aftrekcapaciteit, i.e. het positieve verschil tussen het  grensbedrag en het financieringskostensurplus, naar andere niet uitgesloten groepsleden.

Conclusie

De nieuwe interestaftrekbeperking is hoe dan ook strenger dan de huidige regeling. Het mag duidelijk zijn dat de interestaftrekbeperking voor groepsentiteiten een hele kluif is. Zolang de minimis-drempel op 3 miljoen blijft, zal dit vooral de grotere bedrijven treffen. Momenteel zijn er geen tekenen dat België haar drempel zou verlagen, hoewel de ATAD dit vrijlaat aan de lidstaten.


Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


Meldingsplicht voor fiscalisten van agressieve grensoverschrijdende constructies

Fiscalisten zullen vanaf 1 juli 2020 agressieve grensoverschrijdende constructies moeten melden aan de fiscus. Richtlijn 2018/822 inzake de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied kadert volledig in de ingezette strijd tegen internationale belastingontduiking. De meldingsplicht is grotendeels een weergave van actiepunt 12 van het internationaal plan van de OESO uit 2013 inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS).

Transparante fiscale constructies

Op vandaag worden nog steeds fiscale constructies opgezet waarbij belastbare winsten worden verschoven naar belastingparadzijen of waarbij de totale belastingdruk op een andere kunstmatige manier fors wordt verlaagd. Op zich zijn deze constructies niet altijd illegaal, maar sinds de Panama Papers is een agressieve fiscale planning maatschappelijk niet meer verdedigbaar.

Centrale database

Op 25 mei 2018 heeft de Europese Raad  Richtlijn 2018/822 aangenomen wat betreft de invoering van een meldingsplicht voor 'intermediairs' wanneer zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende fiscale constructies. Deze richtlijn maakt deel uit van een reeks maatregelen die ontwijking van vennootschapsbelasting moeten helpen vermijden en wijzigt Richtlijn 2011/16.

Intermediairs - zoals fiscale advocaten, belastingconsulenten, accountants - zullen daarom mogelijk schadelijke constructies moeten melden aan de nationale belastingsautoriteit. Via een centrale database zullen de lidstaten van de Europese Unie die informatie onderling uitwisselen. De lidstaten worden er verder toe verplicht sancties op te leggen aan intermediairs die de transparantiemaatregelen niet naleven.

Wat is 'agressief'?

De vraag stelt zich natuurlijk wat onder grensoverschrijdende 'agressieve planning' moet worden verstaan. Daarom zal door middel van "wezenskenmerken" worden bepaald welke types van  constructies aan de fiscus zullen moeten worden gerapporteerd. Dit betekent niet noodzakelijk dat een constructie schadelijk is. Wel dat ze mogelijk dient te worden onderzocht door de belastingautoriteiten. Veel constructies zijn immers volledig legitiem, het is dus een kwestie van uit te maken welke dat niet zijn.

Inwerkingtreding

De lidstraten krijgen tot 31 december 2019 de tijd om de richtlijn om te zetten in de nationale wetgeving. De nieuwe rapportageverplichtingen gelden vanaf 1 juli 2020. Op die datum zou de meldingsplicht ook in België  in werking moeten treden.

De lidstaten worden verplicht elke 3 maanden informatie uit te wisselen, dit binnen één maand na het einde van het kwartaal waarin de informatie is verstrekt. De eerste automatische informatie-uitwisseling zal dus uiterlijk op 31 oktober 2020 plaatsvinden.


Cateringkosten bij publicitair event nu ook 100% aftrekbaar in inkomstenbelasting

Wanneer een ondernemer cateringkosten maakt in het kader van een publicitaire activiteit, worden deze beschouwd als reclamekosten. Dergelijke cateringkosten zijn voortaan ook in de directe belastingen 100% aftrekbaar.

In een eerdere bijdrage gaven we al aan dat de cateringkosten op een event met een publicitair doel inzake btw al volledig aftrekbaar zijn. De minister van Financiën trekt deze visie dus nu ook door in de directe belastingen.

Receptiekosten vs kosten van onthaal

In de directe belasting geldt er een aftrekbeperking van 50% voor receptiekosten (art. 53, 8° WIB'92). Kosten van catering voor een bedrijfsevent kunnen in principe onder deze aftrekbeperking vallen.

Inzake btw bestaan gelijkaardige aftrekbeperkingen. Het gaat hierbij over kosten van onthaal waarop geen btw-aftrek kan worden toegepast (art. 45, §3, 4° van het WBTW), evenals op kosten van logies, spijzen en dranken (art. 45, §3, 3° WBTW, verwijzend naar artikel 18, §1). Bedoeld zijn het verschaffen van spijzen en dranken in restaurants en cafés, meer algemeen  wanneer beroep wordt gedaan op cateringdiensten.

Publiciteit

Maar indien u bijvoorbeeld een bedrijfsevent organiseert om een nieuw product te lanceren of media-aandacht te krijgen heeft dit een duidelijk publicitair doel. Het betreft dan in wezen reclame. En voor publiciteitskosten geldt de aftrekbeperking niét, reclamekosten zijn dus volledig aftrekbaar.

Onder druk van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, is de fiscus in 2015 uiteindelijk gezwicht op het vlak van btw. Cateringkosten in het kader van een event met een publicitair doel (reclame) zijn dus sindsdien wel aftrekbaar voor de btw (Beslissing E.T. 124.247, 13 maart 2015, Fisc. Act 2015, 12/1 en 13/1).

Harmonisatie btw en inkomstenbelasting

Maar op vlak van inkomstenbelasting bleef de fiscus voet bij stuk houden. De fiscus argumenteerde immers steeds dat kosten van onthaal inzake btw en receptiekosten inzake directe belasting een verschillende lading dekken.

Tot nu.

In een antwoord op een Parlementaire vraag bevestigt de minister van Financiën de aftrek van cateringkosten bij een event in de inkomstenbelasting (Mond. vr. nr. 23784, Johan Klaps, 14 maart 2018, Kamercomm. Fin., Criv 54, Com 844, 6).

Vanwaar de kentering?

Met het nieuwe standpunt komt de minister tegemoet aan de belofte uit het regeerakkoord om de regels inzake btw en inkomstenbelasting te harmoniseren.

Voortaan is er een 100% aftrek als beroepskost voor de cateringkosten die een ondernemer maakt voor een event waarbij hij bestaande of potentiële klanten uitnodigt én dat hoofdzakelijk de verkoop van producten of diensten tot doel heeft.

Men moet dus kijken naar het doel van de kosten (= reclame) en niet zozeer naar de aard (= spijzen en dranken). Zowel voor  inkomstenbelasting als btw moeten de kosten voor zo'n cateringevent dus beschouwd worden als aftrekbare reclamekosten en niet als receptiekosten.