Overdracht erfpacht en opstal fiscaal interessant

Er beweegt de laatste tijd heel wat in het goederenrecht. Zo is het Burgerlijk Wetboek - dat nog dateerde van de tijd van Napoleon - nog maar net grondig herschrijven. De wetgever stopt de begrippen 'erfpacht', 'opstal' en 'vruchtgebruik' daarbij in een volledig nieuw kleedje. Dit nieuwe goederenrecht treedt pas in werking op 1 september 2021.

Met de wet van 22 april 2019 is ook op fiscaal vlak een wijziging aangebracht in het goederenrecht. Voortaan bestaat er een belastingvrijstelling voor de overdracht van erfpacht en opstal in de personenbelasting.

Erfpacht en opstal in een nieuw kleedje

Het nieuwe goederenrecht definieert een recht van erfpacht voortaan als het recht om het volle genot te hebben van een onroerend goed (grond, woonhuis), dat aan iemand anders toebehoort. Dit zakelijk recht kan men vestigen gedurende een periode van minimaal 27 jaar tot maximaal 99 jaar. De erfpachter moet daarbij jaarlijks een vergoeding, pacht genoemd, betalen aan de eigenaar. De erfpachter kan deze vergeoding ook éénmalig betalen bij de aanvang van de erfpacht.

Het opstalrecht is dan weer een zakelijk gebruiksrecht dat het eigendomsrecht verleent op al dan niet gebouwde volumes, voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond om er bouwwerken of beplantingen te hebben.

Om meer te weten te komen over de burgerlijke aspecten van het nieuw goederenrecht verwijzen wij u door naar een eerdere blog op onze website.

In deze bijdrage willen we dieper ingaan op de nieuwe fiscale vrijstelling voor de overdracht van erfpacht en opstal.

Fiscale vrijstelling

Vroeger was de volledige verkoopprijs bij een overdracht van een recht van erfpacht of opstal belast als een onroerend inkomen, wel aan de progressieve tarieven in de personenbelasting. Dat terwijl de verkoop van de volle eigendom van een onroerend goed meestal wél belastingvrij kan gebeuren, tenzij er sprake is van speculatie of een snelle overdracht.

Deze discriminatie heeft de wetgever willen wegwerken met de wet van 22 april 2019.

Er bestaat thans een vrijstelling indien de overdracht onder bezwarende titel van een recht van erfpach of opstal betrekking heeft op:
-een grond waarop een gebouw is opgericht; of
-een bebouwd onroerend goed;
-een gebouw.

Buitenlandse onroerende goederen kunnen eveneens in aanmerking komen voor de vrijstelling.

De vrijstelling geldt evenwel enkel voor overdrachten van de zakelijke rechten, niet voor de vestiging ervan.

Voorwaarden

Om te genieten van de vrijstelling in de personenbelasting moet de overdracht van erfpacht of opstal aan enkele voorwaarden voldoen.

Zo mag men het recht pas overdragen ten vroegste 5 jaar na de datum van de authentieke akte van vestiging of verkrijging van het recht.

De woning is ten minste 12 maanden de eigen woning geweest. Tussen de periode van ten minste 12 maanden en de maand van vervreemding mag wel een periode van maximaal 6 maanden liggen, gedurende dewelke de woning niet in gebruik is genomen.

Ook indien het recht toebehoort aan al dan niet ontvoogde minderjarigen, ingeval een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven of aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter, kan men van de vrijstelling genieten.

Tot slot geldt de vrijstelling ook in geval van onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte. Deze overdrachten moeten aan de registratieformaliteit zijn onderworpen.

Inwerkingtreding

De vrijstelling is van toepassing sinds aanslagjaar 2020.

Contacteer aternio legal indien u advies wenst inzake het gebruik van erfpacht en opstal.


Kapitaalvermindering net vóór vastklikken reserves

Het tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni (dit zijn de uitgekeerde dividenden naar aanleiding van de ontbinding van een vennootschap) bedroeg vóór oktober 2014 slechts 10%. Met ingang vanaf 1 oktober 2014 besliste de regering om het tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni op te trekken naar 25%. Op vandaag is dit zelfs 30%.
Om te vermijden dat KMO's daarom massaal zouden gaan vereffenen, werd toen in een overgangsregime voorzien. Via de zogenaamde 'vastklikoperatie' van art. 537 WIB'92 konden KMO's hun reserves als dividenden uitkeren en dan vastklikken in het kapitaal tegen een onmiddellijke betaling van 10% roerende voorheffing. Pas na een wachttermijn van 4 jaar voor KMO's (en 8 jaar voor grote vennootschappen) kon de vennootschap een belastingvrije kapitaalvermindering doorvoeren van deze vastgeklikte reserves.

Wie echter vlak vóór het vastklikken van de reserves in het kapitaal nog een kapitaalvermindering doorvoerde, pleegde volgens de fiscus fiscaal misbruik in de zin van art. 344,§1 WIB'92. De rechtbank te Nijvel geeft de fiscus voorlopig gelijk. (Rb. Nijvel 24 februari 2020, 17/2340/A).

Feiten

De feiten van het vonnis voor de rechtbank te Nijvel deden zich voor als volgt. In juni 2014 beslist een vennootschap om 183.000,00 euro als dividend uit te keren vanuit haar belaste reserves waarop ze 10% roerende voorheffing betaalde, conform het regime van art. 537 WIB'92. Enkele weken nadien vermindert de vennootschap haar kapitaal met 60.000,00 euro. Daarna incorporeert ze 164.700,00 euro in het kapitaal (zijnde het dividend na aftrek van de 10% roerende voorheffing).

Kapitaalvermindering net vóór vastklikken reserves: niet de bedoeling van de wetgever

Volgens de fiscus was een dergelijke constructie niet de bedoeling van de wetgever. De facto had de vennootschap eigenlijk maar een kapitaalverhoging van 104.700,00 euro doorgevoerd, in plaats van 164.700,00 euro.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat het de bedoeling van de wetgever was om door deze nieuwe kapitaalvorming een eigen vermogen op te bouwen en zo de kredietwaardigheid van KMO's te verhogen.

De constructie waarbij nog een kapitaalvermindering plaatsvond net vóór het vastklikken van de reserves was dan ook niet naar de zin van de fiscus. De fiscus bestempelt de constructie genadeloos als "fiscaal misbruik".  De vennootschap kan immers geen enkel ander niet-fiscaal motief verzinnen.

Pijnlijk gevolg: slechts 116.333,00 euro (116.333,00 euro – 10 % = 104 700 euro, zijnde de de facto kapitaalverhoging) telde mee voor het lagere tarief van 10%. De overige 66.667,00 euro (183.000,00 euro - 116.333,00 euro) werd belast aan het tarief voor gewone dividenduitkeringen, zijnde 25% (intussen al 30%).

Geen duidelijke lijn in de rechtspraak

In het besproken vonnis gaf de rechter van Nijvel de fiscus gelijk.  In de eerste plaats moet naar de wetgeving zelf worden gekeken.  Maar de bedoeling van de wetgever mag niet uit het oog worden verloren. Indien de vennootschap haar kapitaal had willen verhogen met 104.700,00 euro - de fiscale overwegingen buiten beschouwing gelaten - dan zou ze nooit eerst nog een kapitaalvermindering doorvoeren.

In een gelijkaardig vonnis van de rechtbank te Brugge kreeg de fiscus eveneens gelijk (Rb. Brugge 4 februari 2019, 17/3719/A). De fiscus had volgens de lagere rechtbanken art. 344,§1 WIB'92 correct toegepast. Daarentegen is het Hof van beroep te Gent de mening toegedaan dat art. 344,§1 WIB'92 niet toegepast kan worden.

Een duidelijke lijn is er in de rechtspraak dus nog niet te vinden. We blijven voorlopig ons hart vasthouden...

Bron: "Interne vereffening in combinatie met kapitaalvermindering", Fisc. Act. 20/21-01


Interne meerwaarden en kapitaalvermindering: er is niks verloren.

Over 'interne meerwaarden' zijn inmiddels al halve bibliotheken vol geschreven. Het was dan ook een fiscaal zeer interessante techniek. Tot de fiscus en uiteindelijk ook de wetgever roet in het eten gooiden.

Een recent arrest van het hof van Beroep te Gent van 28 april 2020 - waarbij een holding zonder reserves toch belastingvrije kapitaalverminderingen mocht doorvoeren - geeft hoop. Het arrest is de bevestiging van een trend in de rechtspraak waarbij de fiscus terug naar start wordt verwezen.

Wat zijn interne meerwaarden?

Wanneer de aandelen van een werkvennootschap worden ingebracht in een eigen (holding)vennootschap, zal de individuele aandeelhouder mogelijk een interne meerwaarde realiseren. De waarde van de aandelen vormt het kapitaal van de holding. Indien er later een kapitaalvermindering wordt doorgevoerd op het niveau van de holding, kon dit tot 31 december 2016 op een belastingvrije wijze gebeuren.

In principe zijn de meerwaarden op aandelen niet belastbaar indien zij kaderen binnen het normaal beheer van privévermogen. Niettemin bekijkt de fiscus de interne meerwaarden met argusogen. Over dit onderwerp werden dan ook talloze rulings aangevraagd.

Feiten

In de zaak voor het hof van Beroep te Gent werd in 2009 een holding opgericht waarbij aandelen werden ingebracht. Hierbij werd een aanzienlijke interne meerwaarde gerealiseerd. Door deze inbreng van aandelen werd een ‘fiscaal kapitaal’ gevormd in de holding dat zij in de toekomst via een kapitaalvermindering belastingvrij zou kunnen uitkeren.

Ook in deze casus was een ruling verkregen over de realisatie van belastingvrije interne meerwaarden. De Rulingcommissie vroeg daarbij van de betrokken belastingplichtigen de 'standaard-engagementen', zoals onder andere de belofte om drie jaar lang geen kapitaalvermindering door te voeren.

De holding in kwestie had daarom pas in 2012 en 2014 een belastingvrije kapitaalvermindering doorgevoerd.

Aanvankelijk beschikte de holding eigenlijk ook niet over voldoende liquide middelen om deze kapitaalverminderingen door te voeren. Dit werd wel mogelijk doordat ze dividenden liet opstromen vanuit haar werkvennootschappen.

'Nieuwe' antimisbruikbepaling van art. 344,§1 WIB'92

De fiscus kon het blijkbaar moeilijk verkroppen dat zij zoveel roerende voorheffing misliep en ging op jacht. Op basis van de 'nieuwe' antimisbruikbepaling van art. 344 WIB'92 beschouwt ze de belastingvrije kapitaalvermindering als een gewoon belastbaar dividend aan de aandeelhouders/natuurlijke personen. Deze 'nieuwe' antimisbruikbepaling trad in werking vanaf aanslagjaar 2013.

In eerste aanleg gaf de rechter de fiscus nog gelijk. In hoger beroep moet de fiscus in het zand bijten.

Het opstromen van dividenden en de daaropvolgende kapitaalverminderingen vonden inderdaad plaats na de inwerkingtreding van de 'nieuwe' antimisbruikbepaling.

Maar deze transacties vormen één geheel met de realisatie van de interne meerwaarden volgens het hof. De inbreng van de aandelen in de holding dateert al van 2009, zijnde vóór de inwerkingtreding van de nieuwe antimisbruikbepaling.

De taxatie via een retroactieve toepassing art.344, §1 WIB'92 was volkomen onterecht.

Conclusie

Het Hof van Beroep te Gent zet haar positieve trend in de rechtspraak over belastingvrije kapitaalverminderingen voort. Het ziet er naar uit dat de fiscus haar strijd in Gent alvast verliest.  Haar belangrijkste wapen, zijnde de antimisbruikbepaling van art. 344, §1 WIB'92, kan vanzelfsprekend niet retroactief worden toegepast.

Het Hof voegt er nog aan toe dat een dergelijke belastingvrije kapitaalvermindering zelfs zeer duidelijk in de wet is geregeld. Dan is het toch logisch dat dit geen fiscaal misbruik kan uitmaken?

Toetst u graag uw huidige fiscale situatie af? Contacteer ons voor een analyse.


Vastgoedvennootschappen: aandelenverkoop en de fiscus

Verkoopt de vennootschap een onroerend goed of verkopen de aandeelhouders de aandelen van de vastgoedvennootschap? Voor sommigen klinkt dit wellicht ietwat vreemd in de oren, maar fiscaal is het onderscheid significant. Dit weet ook de fiscus. In deze blog gaan we dieper in op de belangrijkste fiscale verschillen tussen beide. We bekijken hierna waarom de fiscus de verkoop van aandelen van een vastgoedvennootschap soms probeert te herkwalificeren en of dit haar ook lukt.

Share deal of asset deal?

De activa van een vennootschap kunnen bestaan uit allerlei materiële en immateriële activa. Zo kan een vennootschap uiteraard ook onroerende goederen in haar bezit hebben. Wanneer men het onroerend goed wil overdragen aan een derde, dan is het eerste idee de verkoop van het onroerend goed. Dit noemen we dan een "asset deal". Het van de hand doen van onroerende goederen op deze wijze is niet noodzakelijk fiscaal optimaal. Een alternatief om zich van het onroerend goed te ontdoen is door de  vennootschap te verkopen. Dit wil zeggen dat we niet het onroerend goed gaan verkopen, maar de aandelen van de vastgoedvennootschap: een "share deal".

De share deal en asset deal hebben wel minstens één groot verschil. Met de verkoop van het onroerend goed door de vennootschap wordt enkel het onroerend goed overgedragen. De vennootschap krijgt hiervoor geld in de plaats en kan haar overige activiteiten of overige goederen verder blijven uitbaten. Verkoopt men de aandelen van de vennootschap, dan verliest men de controle over de gehele vennootschap. Zijn er andere goederen, activiteiten of schulden in de vennootschap, dan worden deze mee overgedragen. Laten we toch reeds stellen dat hoe minder andere (onroerende) goederen, schulden en activiteiten in de vennootschap aanwezig zijn, hoe verdachter de transactie mogelijk wordt voor de fiscus.

Fiscaal zal de verkoop van aandelen in een vastgoedvennootschap vaak interessanter zijn dan rechtstreeks het onroerend goed te verkopen. Dit weet de fiscus uiteraard ook. De fiscus neemt de verkoop van vennootschappen waarbij het actief hoofdzakelijk bestaat uit onroerend goed dan ook sterk onder de loep. Voornamelijk op het vlak van inkomstenbelastingen, registratiebelasting en btw kan de fiscus de transactie proberen herkwalificeren als een verkoop van onroerend goed.

Registratiebelasting

De voornaamste aanvalsroute van de fiscus bij een aandelenverkoop van vastgoedvennootschappen is via de registratiebelasting. Bij een verkoop van een onroerend goed moet men namelijk het verkooprecht betalen, het standaardtarief is hier 10% van de verkoopwaarde. Wanneer de aandeelhouders de aandelen van een vastgoedvennootschap overdragen moeten zij geen registratiebelasting betalen. Dat voor de verkoop van aandelen eveneens geen notaris moet tussenkomen betekent natuurlijk ook een vereenvoudiging en kostenbesparing.

De Dienst Voorafgaande beslissingen (DVB) heeft haar standpunt over deze problematiek uiteengezet in haar jaarverslag 2016. Wanneer de vastgoedvennootschap bestaat uit één enkel onroerend goed zal de DVB deze transactie vaak als verdacht bestempelen. De DVB kijkt voornamelijk na of de verkoop van de aandelen kadert binnen een opeenvolging van transacties, waarbij de vastgoedvennootschap als het ware herleid wordt tot het onroerend goed zelf. Dat de vastgoedvennootschap haar vorige activiteiten stopzet na de verkoop is voor de DVB een extra knipperlicht. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de vennootschap stopt met het verhuren van het onroerend goed. Dat de verkoop van de aandelen het sluitstuk vormt van een reeks voorgaande verrichtingen is voor de DVB ook verdacht. Zeker indien deze kort voor de aandelenoverdracht worden uitgevoerd.

Fiscaal misbruik

De fiscus kan trachten aan te tonen dat de aandelenverkoop kadert binnen een fiscaal misbruik van de belastingplichtige. Dit moet steeds één en dezelfde belastingplichtige zijn: handelingen van de verkoper zijn te onderscheiden van deze gesteld door de koper. Ook zal de fiscus kijken naar het tijdskader waarbinnen de verschillende handelingen in de vastgoedvennootschap gesteld worden. De fiscus moet deze elementen concreet aantonen en de verkoper en koper kunnen steeds andere (niet-fiscale) elementen aandragen.

De fiscus kan ook niet zomaar voorbijgaan aan het bestaan van de vennootschap. De overdracht betreft in se nog altijd één van roerende goederen, met name de aandelen. Deze overdracht is dus nog steeds juridisch verschillend van de overdracht van een onroerend goed. De fiscus kan niet zomaar voorbijgaan aan de rechtspersoonlijkheid van de vastgoedvennootschap. In België, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, is er alsnog geen sprake van een doorkijkbelasting. De verkoop van aandelen in vastgoedvennootschappen is dus niet belastbaar als een overdracht van onroerende goederen.

Bovendien zullen uiteindelijk toch registratiebelasting verschuldigd zijn, meer bepaald op het ogenblik dat men het onroerend goed daadwerkelijk uit de vennootschap daadwerkelijk haalt.

Simulatie

De fiscus kan de aandelentransactie ook aanvallen door aan te tonen dat er sprake is van simulatie. Dit gebeurt voornamelijk indien de share deal kort voordien voorafgegaan wordt door de inbreng van het onroerend goed in de vastgoedvennootschap. Het is dan aan de fiscus om aan te tonen dat de partijen de rechtsgevolgen van de gestelde handelingen niet willen aanvaarden. De eerdere inbreng en het bestaan van de vennootschap op zich worden dan door de fiscus in vraag gesteld. De fiscus verwijt de belastingplichtige eigenlijk dat hij niet wilde deelnemen aan het vennootschapsleven en dat het eigenlijk niet de bedoeling was om het onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico.

De chronologie van de handelingen van de verkoper en de koper zullen hierbij alweer een grote rol spelen. Ook het bestaan van voorafgaand contact tussen de verkoper en de koper kan er op wijzen dat er simulatie in het spel is.

Inkomstenbelastingen

Bij de verkoop van een onroerend goed wordt vaak een meerwaarde gerealiseerd. In de vennootschapsbelasting is dit namelijk een belastbare meerwaarde. Een natuurlijke persoon, aandeelhouder van deze vennootschap, zal nogmaals belast worden indien hij de gelden uit de vennootschap wil halen. Er moet namelijk roerende voorheffing worden ingehouden bij de uitbetaling van een dividend door de vennootschap.

Opteert men er anderzijds voor de aandelen van de vastgoedvennootschap te verkopen, dan is deze verkoop vaak vrijgesteld van inkomstenbelastingen. Is cumulatief aan de DBI-voorwaarden voldaan (zoals omschreven in een eerdere blog), dan is er ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd op de meerwaarden bij een aandelenverkoop door een vennootschap. Kadert de verkoop van de aandelen binnen een normaal beheer van het privé-vermogen, dan zijn deze ook in de personenbelasting vrijgesteld.

Rechtbank van Antwerpen

In twee vonnissen van de rechtbank van Antwerpen, uitgesproken op 23 maart 2018 en 19 november 2018, werd de vraag gesteld of een dergelijke verkoop van aandelen geen simulatie uitmaakt. In de vonnissen ging het om de verkoop van aandelen van projectvennootschappen. Projectvennootschappen worden opgericht voor werken aan en op onroerende goederen, om vergunningen aan te vragen, de bouwplannen en bouwwerkzaamheden te coördineren, etc. Tot bewijs van simulatie haalde de fiscus verschillende argumenten boven: schending van de boekhoudwetgeving, korte termijn van de verkoopovereenkomsten, etc. De rechtbank te Antwerpen vond zichzelf hierdoor niet overtuigd. De fiscus slaagt er bijgevolg niet in om de rechtbank te overtuigen dat de werkelijke wil van de partijen de verkoop van het onroerend goed is en niet de verkoop van aandelen van de projectvennootschap.

Voor het vonnis van 19 november 2018 stelde de fiscus de rechtspersoonlijkheid van de projectvennootschap in vraag. De rechtbank veegde dit argument echter snel van tafel. De zakelijke rechten op de onroerende goederen blijven namelijk nog steeds eigendom van de projectvennootschap na de verkoop van aandelen. Dat de aandeelhouders de aandelen van de projectvennootschap achteraf verkopen, vormt op zich geen feit dat de rechtspersoonlijkheid aantast. Dat de financiering van de projectvennootschap voornamelijk bestaat uit inbrengen van kapitaal en dat voornamelijk beroep werd gedaan op de dienstverlening en expertise van de aandeelhouders van de projectvennootschap, toont volgens de rechtbank niet aan dat het niet de projectvennootschap is, maar de aandeelhouders die het gebouw zouden hebben opgericht.

BTW

Bij de vraag of er sprake is van btw-misbruik probeert de fiscus niet zozeer de verkoop van aandelen te herkwalificeren in de verkoop van het onderliggend onroerend goed. Voor btw-doeleinden draait het voornamelijk om projectvennootschappen. Wanneer de aandelen van de projectvennootschap verkocht worden (dit zonder btw), dan vindt de fiscus dat de voorgenoemde diensten deel uitmaken van deze prijs. De fiscus vindt namelijk dat de meerwaarde op de aandelen een vergoeding voor de diensten van projectontwikkeling is. Die zijn namelijk wel onderworpen aan btw.

Hof van Beroep Antwerpen

Het Hof van Beroep te Antwerpen behandelde op 12 februari 2019 twee soortgelijke zaken, waarin zij besloot dat er geen sprake was van misbruik. Het Hof stelt dat de fiscus enkel voorbij kan gaan aan de contractuele bepalingen (aandelenverkoop) indien zij twee elementen aantoont, met name dat de aandelenverkoop

  • enkel het verkrijgen van een belastingvoordeel tot doel heeft; en
  • een zuivere fiscale constructie die geen verband houdt met de economische realiteit.

Het Hof besluit in beide zaken dat niet voldaan is aan deze voorwaarden. Daar beide zaken kaderden in een overheidsopdracht, waarbij de overheid het gebruik van een aparte entiteit als voorwaarde stelde. De latere verkoop van de aandelen moest  de opdrachtnemer hierbij ook reeds vastleggen. De prijs die men zou aanrekenen voor de aandelen van de projectvennootschappen was eveneens op voorhand bepaald. De prijs was reeds in een offerte vastgelegd en hield volgens het Hof geen rekening met de projectontwikkelingsdiensten maar met objectieve gegevens. Het Hof stelde ten slotte nog dat het gebruik van een projectvennootschap een gangbare praktijk is. De overdracht van de aandelen ervan is ook een gebruikelijke en economisch normale transactie.

Conclusie

De keuze tussen een share deal of een asset deal is in principe vrij. Er kunnen zeker andere motiveringen aanwezig zijn dan louter fiscale. Voornamelijk fiscaal geïnspireerde keuzes kunnen evenwel zuur opbreken. Hoewel op de fiscus een zware bewijslast rust om fiscaal misbruik of simulatie aan te tonen, is haar slaagkans niet ondenkbaar. Om te beoordelen of er sprake is van misbruik of simulatie, moet er altijd gekeken worden naar de concrete feiten. Het is dus belangrijk om steeds omzichtig om te springen bij de verkoop van aandelen in een vastgoedvennootschap. De fiscus ligt op de loer.


Update - Steunmaatregelen coronavirus COVID-19

Volg hier de laatste updates aangaande de financiële steunmaatregelen van de overheid inzake het coronavirus.

1) Werkloosheidsuitkering

a. Wegens overmacht

Door de uitbraak van het coronavirus worden heel wat ondernemingen geconfronteerd met een verplichte sluiting, vrijwillige sluiting of gedeeltelijke sluiting van hun onderneming. De federale overheid erkent dit ook. Ze geeft, vanaf 13 maart 2020 tot het einde van de door haar opgelegde maatregelen, een lakse interpretatie van het begrip overmacht toe. Hierdoor worden alle situaties van tijdelijke werkloosheid, die het gevolg zijn van het coronavirus beschouwd als tijdelijke werkloosheid omwille van overmacht. Dit dus ongeacht of de onderneming volledig sluit.

Enkel werknemers (zijnde arbeiders, bedienden, uitzendkrachten, enz.) kunnen van deze maatregel gebruik maken. Zelfstandigen in hoofd- en bijberoep kunnen hiervan geen gebruik maken, voor hen zijn er andere steunmaatregelen van toepassing.

Aanvraag

De werkgever dient zo snel mogelijk de RVA in te lichten aangaande de situatie van overmacht. Dit kan via de portaalsite van de Sociale zekerheid.  De aangifte gebeurt via een elektronische aangifte bij het RVA-werkloosheidsbureau van de exploitatiezetel. Afhankelijk van uw sociaal secretariaat, dienen zij deze aangifte automatisch voor u in, wanneer u hen informeert over de tijdelijke werkloosheid van uw werknemers.

Wat moet u zeker vermelden op uw aanvraag:

  • de datum waarop de werknemer(s) tijdelijk werkloos werden;
  • de reden van overmacht
    • hier CORONAVIRUS. (voeg ook LOCKDOWN toe, wanneer het om een door de overheid opgelegde sluiting gaat)
  • de voorziene werkloosheidsduur
    • tot maximum 30 juni 2020.
  • de identiteit van de betrokken werknemer(s)

Vervolgens neemt de RVA een beslissing binnen de 3 dagen, na ontvangst van het volledig dossier. Hoe sneller het dossier in orde is, hoe sneller de werknemers hun uitkeringen zullen ontvangen.

Werknemers moeten eveneens een formulier C3.2-Werknemer-Corona invullen en aan hun uitbetalingsinstelling bezorgen. Voor de maanden maart, april, mei en juni van 2020 moeten zij echter geen maandelijks controleformulier inleveren.

b. Wegens economische reden

De procedure voor tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen moet niet meer gevolgd worden. Zelf indien het gaat om een gedeeltelijke sluiting van de onderneming, waarbij een aantal werknemers in dienst blijft, moet de werkgever de procedure van tijdelijke werkloosheid omwille van overmacht volgen.

c. Hoeveel

De werkloosheidsuitkeringen omwille van overmacht zijn vanaf 13 maart 2020 en dit tot 30 juni 2020 van 65 procent naar 70 procent verhoogd. De uitkering wordt berekend op het gemiddeld maandloon dat maximaal 2.754,76 euro bedraagt.

Op het bedrag van de werkloosheidsuitkering wordt nog bedrijfsvoorheffing van 26,75% ingehouden.

Opgelet

Deze maatregel geldt niet voor werknemers die terugkeren uit vakantie of van een zakenreis in een risicogebied. Deze moeten wel uit voorzorg een bepaalde tijd thuisblijven, maar dit geldt niet als tijdelijke werkloosheid wegens overmacht. U kan met de betrokken werknemer(s) afspraken maken dat zij bijvoorbeeld telewerk zullen doen.

Bij werknemers die effectief besmet zijn met het coronavirus is er sprake van arbeidsongeschiktheid. In dit geval kan men in geen geval aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering.

2) a) Corona-ouderschapsverlof (voor werknemers)

Werknemers die minstens sinds één maand een arbeidsovereenkomst hebben bij een werkgever kunnen gebruik maken van een speciaal ouderschapsverlof. Het corona-ouderschapsverlof staat naast het normale ouderschapsverlof. De werknemer moet minstens 1 kind ten laste hebben, van maximaal 12 jaar (of 21 jaar indien het kind een beperking heeft). Ook adoptieouders en pleegouders komen voor het corona-ouderschapsverlof in aanmerking. Beide ouders uit hetzelfde gezin kunnen het corona-ouderschapsverlof aanvragen.

De regeling voorziet in twee mogelijke (gedeeltelijke) onderbrekingen.

  • Ofwel wordt geopteerd voor een onderbreking met één vijfde. De arbeidsprestaties worden dan verminderd tot 80%;
  • Ofwel wordt geopteerd voor een onderbreking die een halvering van de arbeidsprestaties inhoud. De prestaties worden dan beperkt tot 50% van een voltijds betrekking.

De werknemer heeft voor de beperking wel het akkoord van zijn werkgever nodig. Het is geen recht, de werkgever kan het weigeren.

Maakt de werknemer al gebruik van het gewone ouderschapsverlof, dan kan deze aangevuld worden met het corona-ouderschapsverlof of zelfs tijdelijk hierdoor vervangen worden.

Het corona-ouderschapsverlof kan opgenomen worden van 1 mei tot en met 31 augustus 2020.

Aanvraag

De werknemer dient zijn aanvraag minstens drie dagen voordat hij/zij het ouderschapsverlof wenst op te nemen zijn werkgever hiervan op de hoogte te brengen. Dit per mail met ontvangsbevestiging, op papier waarbij de werkgever een ontvangstbevestiging ondertekent of via een aangetekende brief. Maximaal drie dagen nadat hij de aanvraag heeft gekregen moet de werkgever hierop reageren.

Om de uitkering te verkrijgen moet de werknemer, nadat hij de toestemming heeft gekregen van de werkgever, een aanvraag indienen bij de RVA. Dit kan uiterlijk 2 maanden na de start van het corona-ouderschapsverlof.

2) b) Corona-ouderschapsverlof (voor zelfstandigen)

Voor zelfstandigen die gedurende de Covid-19 crisis geconfronteerd werden met de zorg van een kind gedurende de volledige maanden mei of juni voert de overheid een "tijdelijk ouderschapsverlof voor zelfstandigen" in. In feite houdt deze regeling in dat zelfstandige-ouders recht hebben op een uitkering indien hun activiteiten als zelfstandige beïnvloed werden door hun rol als ouder.

Wie?

Elke zelfstandige in hoofdberoep en meewerkende partners en zelfstandigen in bijberoep die de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen (volgens inkomen in 2017) betalen van een zelfstandige in hoofdberoep. 'Actieve' gepensioneerden kunnen eveneens van dit systeem gebruikmaken.

Ouders van kinderen jonger dan 12 jaar, ongeacht of het gaat om een geadopteerd of pleegkind, of kinderen jonger dan 21 indien het kind een beperking heeft kunnen van deze uitkering gebruik maken. Hierbij kijkt de overheid naar het de leeftijd die bereikt wordt in 2020.

Zelfstandigen die reeds andere sociale zekerheidsuitkeringen verkrijgen voor deze maanden, zoals het (half) overbruggingsrecht, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, etc hebben geen recht op deze uitkering. Het is wel mogelijk de uitkering te combineren met het wettelijk pensioen, de werkloosheidsuitkering en het ouderschapsverlof voor werknemers.

Hoeveel?

De uitkering bedraagt maandelijks 532,24 euro of 875 euro voor alleenstaanden.

Aanvraag

De aanvraag moet u indienen voor 30 september 2020 bij uw sociaal verzekeringsfonds. Bij uw aanvraag zal u een verklaring op eer moeten indienen voor de maanden dat de activiteit werd beïnvloed door de zorg van het kind.

Het is mogelijk voor beide zelfstandigen-ouders om de aanvraag in te dienen. Zij verkrijgen dan beide de uitkering van 532,24 euro.

3) Corona - hinderpremie 

Wat?

Alle ondernemingen met een fysieke locatie, zoals een winkel of een kantoor, in het Vlaamse Gewest die de deuren hebben moeten sluiten, kunnen een aanvraag indienen voor een corona-hinderpremie. De sluiting moet evenwel een rechtstreeks gevolg zijn van de verplicht opgelegde sluiting door de overheid. Bij een vrijwillige sluiting heeft u dus geen recht op de premie. De premie wordt toegekend per vestiging voor zover in de bijkomende vestigingen minstens één voltijds personeelslid tewerkgesteld is. Het aantal premies wordt beperkt tot maximaal vijf per onderneming.

Zelfstandigen die gemengde activiteiten hebben en slechts gedeeltelijk opnieuw zijn kunnen starten hebben nog steeds recht op de hinderpremie.

Wie?

  • In de horecasector kan men de premie combineren met take-away. Ook kledingwinkels e.d. kunnen van deze regeling genieten, zelfs indien ze (tijdelijk) volledig overschakelen op een webshop.
  • Zelfstandigen in bijberoep komen enkel in aanmerking voor de premie als zij een gelijkaardige sociale bijdrage verschuldigd zijn zoals een zelfstandige in hoofdberoep.
  • Vzw's en verenigingen (met een economische activiteit) moeten steeds minstens één werkende vennoot of één voltijdsequivalent RSZ-ingeschrevene in dienst hebben.
  • Ook markt- en foorkramers hebben recht op een premie wanneer hun goederen niet meer verkocht mogen worden op Vlaamse markten. Dit geldt zowel voor de afgeschermde als de niet-afgeschermde openbare markten die getroffen zijn door de corona-maatregelen.
  • De premie geldt niet voor ondernemingen die starten na 12 maart 2020.

Hoeveel?

Ondernemers die geconfronteerd worden met een volledige sluiting hebben recht op een premie van 4.000,00 euro voor de eerste 21 dagen. Vanaf 6 april 2020 ontvangt u per dag 160 euro voor elke extra dag sluiting opgelegd door de overheid. Deze bijkomende vergoeding, geldt eveneens per bijkomende vestiging waarvoor de initiële premie verkregen werd.

De premie voor ondernemers die enkel in het weekend moeten sluiten (2000,00 euro) valt weg. Dit aangezien de maatregelen van toepassing op deze categorie ondernemers kwamen te vervallen.

Aanvraag: nu mogelijk

Het coronavirus heeft ons in snelheid gepakt. Zo ook het Agentschap Innoveren & Ondernemen (VLAIO).

De aanvragen voor de Vlaamse Hinderpremie kunnen vanaf vrijdag 27 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 aangevraagd worden op de website van VLAIO.

Voor ondernemers die niet over een elektronische identiteitskaart of kaartlezer beschikken of die hun pincode vergeten zijn, reikt VLAIO nu een oplossing aan. Zij kunnen de hinderpremie aanvragen door een e-mail te zenden aan corona@vlaio.be .

Na de goedkeuring door VLAIO, zal de premie automatisch worden uitbetaald. Hou er echter wel rekening mee dat u voor de uitbetaling over een Belgisch bankrekeningnummer dient te beschikken.

4) Vlaamse Compensatiepremie

Wie?

De Vlaamse overheid komt met een nieuwe steunmaatregel op de proppen voor ondernemingen die openblijven, maar getroffen worden door een groot omzetverlies. Het gaat dus enkel om ondernemingen die geen recht hebben op de Vlaamse Hinderpremie. De premie is ook enkel van toepassing op ondernemingen die op 12 maart 2020 als actief ingeschreven zijn in de KBO. VZW's kunnen eveneens recht hebben op de premie, indien zij minstens één VTE personeelslid te werk stellen.

Voor ondernemingen die te kampen hebben met een omzetdaling van minstens 60%, in de periode van 15 maart 2020 en 30 april 2020 tegenover dezelfde periode van vorig jaar, voorziet de Vlaamse overheid nu een premie. Starters zullen de omzetdaling moeten vergelijken met het neergelegde financieel plan. De omzetdaling betreft niet de daling van de omzet door uitgestelde facturatie, maar deze omwille van de verminderde prestaties van de onderneming. Om de omzetdaling aan te tonen dient er gekeken te worden naar dagontvangsten, geleverde prestaties of tijdsregistratie.

De Vlaamse overheid beperkt het recht op de Compensatiepremie tot ondernemingen wiens hoofdactiviteit (zoals opgenomen in de KBO) behoort tot de lijst van NACE-codes die VLAIO publiceerde. De volgende ondernemingen kunnen een premie aanvragen:

  • bedrijven in de evenementensector en deze die indirect getroffen worden door de sluitingen en afgelastingen door de coronamaatregelen;
  • (para-)medische beroepers en technische controle zoals kinesitherapeuten, tandartsen, psychologen of logopedisten die enkel nog dringende interventies mogen doen;
  • dienstverleners zoals schilders of loodgieters die enkel nog dringende herstellingswerken mogen uitvoeren of waarbij bepaalde werklocaties worden afgesloten;
  • bedrijven die essentiële dienstverlening leveren zoals landbouwers, enz.;
  • alle andere ondernemingen als zij een substantiële exploitatiebeperking ondergaan door de coronamaatregelen.

Naast de ondernemingen die reeds genieten van de hinderpremie, zijn holding-, patrimoniumvennootschappen, activiteiten van hoofdkantoren en managementvennootschappen van ondernemingen die een compensatie- of hinderpremie genieten uitdrukkelijk uitgesloten.

Substantiële exploitatiebeperkingen

Ondernemingen die niet tot één van de 4 categorieën behoren die de overheid beoogd heeft, vallen onder een 5de restcategorie. Dit houdt in dat zij bijkomend moeten bewijzen dat zij getroffen zijn door substantiële exploitatiebeperkingen ingevolge de coronamaatregelen. Hierbij gaat het niet om de vrijwillig genomen maatregelen, maar om omzetdalingen die het gevolg zijn van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad. Bij het indienen van de aanvraag, vraagt VLAIO u concreet aan te tonen aan welke maatregel van de Nationale Veiligheidsraad uw omzetdaling te wijten is en om dit omstandig te motiveren.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een éénmalige vergoeding van 3000 euro. De premie wordt toegekend voor elke exploitatiezetel van de onderneming, met een maximum van 5 premies per onderneming. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een premie van 1500 euro. Deze regeling geldt ook voor actieve gepensioneerde zelfstandigen en student-zelfstandigen die voldoen aan de voorgenoemde voorwaarden.

Aanvraag

Net zoals bij de Hinderpremie het geval is, staat VLAIO in voor de aanvragen van de compensatiepremie.

VLAIO heeft intussen de aanvraagapplicatie online geplaatst. U kan de compensatiepremie aanvragen tot 30 juni 2020.

5) Aanvullende compensatiepremie

De overheid voorziet in een bijkomende compensatiepremie voor ondernemingen. De premie bestaat uit het ondersteunen van ondernemingen die nog steeds getroffen worden door omzetverlies naar aanleiding van Covid-19. Ondernemingen die in aanmerking kwamen voor de Corona-hinderpremie of voor de corona-compensatiepremie kunnen aanspraak maken op deze aanvullende premie. De premie heeft dus voornamelijk ondernemingen die gesloten waren en die hun activiteiten heropstarten.

De onderneming moet een omzetverlies lijden van 60% in de periode van 1 maand na de heropening. Deze periode moet vergeleken worden met een referentieperiode van vorig jaar. Bijvoorbeeld voor winkels loopt deze periode van 11 mei tot 11 juni en voor de horeca van 8 juni tot 8 juli. Net als bij de corona-compensatiepremie dient er gekeken te worden naar dagontvangsten, geleverde prestaties of tijdsregistratie.

Het betreft een eenmalige premie van 2000 euro. Indien de aanvrager een zelfstandige in bijberoep is, in de zin van de corona-compensatiepremie, is de premie 1000 euro.

Aanvraag

De aanvullende premie zal u moeten aangevragen via de website van VLAIO. De applicatie staat momenteel nog niet online, VLAIO voorziet de eerste aanvragen te verwerken vanaf de 2de helft van juli.

De deadline van de aanvraag is 15 augustus 2020.

6.a) Versoepeld overbruggingsrecht voor zelfstandigen

Het overbruggingsrecht was er tot nu enkel voor zelfstandigen die hun activiteit voor minstens één maand dienden te onderbreken of stopzetten. In volle corona-crisis publiceerde de overheid op 24 maart een nieuwe wet om het klassiek overbruggingsrecht uit te breiden en te versoepelen.

Wie?

Voor zelfstandigen die hun activiteiten volledig stopzetten/hun zaak moeten sluiten omwille van het coronavirus is op 23 maart een nieuwe wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad voor een overbruggingsrecht. Onder "zelfstandige" wordt hier verstaan hoofdberoepers, helpers, meewerkende echtgenoten, maar ook starters (die nog geen 4 kwartalen sociale bijdragen hebben betaald).

Arsten-specialisten, medisch beroepers, zorgverleners en dierenartsen die enkel dringen en absoluut noodzakelijke behandelingen voeren, hebben ook recht op het overbruggingsrecht. Ook zelfstandigen in hoofdberoep die de pensioenleeftijd niet bereikt hebben, maar die een overlevingspensioen genieten hebben recht op het overbruggingsrecht. Heeft de zelfstandige de pensioenleeftijd bereikt, dan komt hij/zij niet langer in aanmerking.

Zelfstandigen in bijberoep kunnen nu ook in aanmerking komen voor deze steunmaatregel. Dit zolang hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen minstens gelijk zijn aan de minimumbijdragen voor zelfstandigen in hoofdberoep. Dat men naast het overbruggingsrecht nog een uitkering voor tijdelijke werkloosheid (omwille van overmacht: zie hierboven) zou ontvangen, staat hieraan niet in de weg.

De zelfstandigen in bijberoep die niet aan deze voorwaarden voldoen vallen alsnog uit de boot. Ook starters vanaf 1 april 2020 komen niet in aanmerking.

Betaalt een onderneming nog bezoldigingen en voordelen alle aard aan haar bedrijfsleider, dan staat dit de bedrijfsleider niet in de weg om voor zijn zelfstandige activiteit het overbruggingsrecht aan te vragen.

Hoeveel?

In voornoemde wet van 23 maart versoepelt de overheid de voorwaarden voor het krijgen van het overbruggingsrecht versoepeld. Zo is het aantal opeenvolgende kalenderdagen van verplichte sluiting teruggeschroefd van minstens een maand naar minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen, om te kunnen genieten van het overbruggingsrecht. Bovendien, indien uw activiteit voorkomt in de lijst van activiteiten die verboden zijn, dan valt de vereiste van 7 opeenvolgende kalenderdagen zelfs weg.

De uitkering van het overbruggingsrecht zal afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 1.291,69 euro, dan wel 1.614,10 euro met gezinslast, bedragen. U hebt recht op de verhoogde uitkering indien u kunt aantonen dat u minstens 1 persoon ten laste hebt bij het ziekenfonds. Dit doet u door middel van een verklaring op eer. De verhoogde uitkering kan slechts door één persoon binnen het gezin aangevraagd worden.

Het overbruggingsrecht is een belastbaar inkomen. Er wordt evenwel geen bedrijfsvoorheffing ingehouden en er dienen geen sociale bijdragen op betaald te worden.

Het crisis-overbruggingsrecht zou in principe de periode dekken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, maar deze periode kan de federale regering nog verlengen indien de crisis langer duurt.

6.b) (Halve) overbruggingsrecht voor zelfstandigen in bijberoep en gepensioneerden

Zelfstandigen in bijberoep die geen aanspraak kunnen maken op het overbruggingsrecht zoals hierboven omschreven en actieve gepensioneerde zelfstandigen die eveneens uit de boot vielen krijgen nu toch een reddingsboei toegeworpen. Voor hen voorziet de overheid nu in een speciale regeling waarbij zij nu recht hebben op een half overbruggingsrecht voor de maanden maart, april, mei en/of juni. De voorwaarden van het 'volledige' overbruggingsrecht zijn ook hier van toepassing. Zelfstandigen die gestart zijn na 1 januari 2018 komen niet in aanmerking.

Wie?

Zelfstandigen in bijberoep waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen zich tussen 6.996,89 euro en 13.993,77 euro bevinden.

Actieve gepensioneerde zelfstandige waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen hoger zijn dan 6.996,89 euro.

Hoeveel?

Het overbruggingsrecht betreft een maximale uitkering van 645,85 euro, en 807,05 euro met gezinslast, per maand. Maximaal, want het bedrag van het halve overbruggingsrecht wordt vermindert afhankelijk van het vervangingsinkomen dat de zelfstandige verkrijgt. Denk bij het vervangingsinkomen aan de werkloosheidsuitkering, pensioen, arbeidsongeschiktheidsuitkering, etc.

De combinatie van het halve overbruggingsrecht met het vervangingsinkomen mag maandelijks de 1614,10 euro niet overschrijden. Komt de som van beide uitkeringen boven dit maximale bedrag, dan wordt het bedrag van het halve overbruggingsrecht ingekort tot deze 1615,10 euro per maand.

Krijgt u bijvoorbeeld een pensioen of werkloosheidsuitkering van 1200 euro/maand, dan kan u slechts aanspraak maken op een half overbruggingsrecht van 414,10 euro/maand.

Aanvraag

Het (half) overbruggingsrecht kunt u aanvragen via uw sociaal verzekeringsfonds, voor de maand maart voor 30 september 2020, voor april, mei en juni voor 31 december 2020 en voor juli en augustus voor 31 maart 2021. Zij voorzien voor het volledige overbruggingsrecht vaak reeds in een vereenvoudigde aanvraagprocedure. U dient de website van uw sociaal verzekeringsfonds hiervoor te raadplegen.

Voor de maand juni is het overbruggingsrecht eveneens van toepassing voor zelfstandigen die verplicht moeten sluiten of gedurende 7 opeenvolgende dagen hun activiteiten niet kunnen uitoefenen. Zij dienen voor de maand juni echter wel een nieuwe aanvraag in te dienen bij hun sociaal verzekeringsfonds. De sociaal verzekeringsfondsen verlengen namelijk niet automatisch de aanvraag die heeft plaatsgevonden in de voorgaande maanden.

6) c) Overbruggingsrecht ter ondersteuning van de heropstart

Voor zelfstandigen die verplicht volledig of gedeeltelijk diende te sluiten door de coronamaatregelen van de overheid hebben recht op een bijkomend overbruggingsrecht. De bijkomende premie is enkel van toepassing voor zelfstandigen in hoofdberoep of zelfstandigen in bijberoep die sociale bijdragen betalen als een zelfstandige in hoofdberoep. De premie bedraagt evenveel als het volledig overbruggingsrecht: 1.291,69 of 1.614,10 euro per maand.

Het nieuwe overbruggingsrecht kan aangevraagd worden voor de maanden juni, juli en augustus. Om hierop recht te hebben moet u kijken naar het kwartaal voorafgaand aan de maand waarvoor u de premie aanvraagt. Indien de omzet in die periode gedaald is met minstens 10%, in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar, heeft men recht op de premie.

Dit speciale overbruggingsrecht kan u niet combineren met het volledige of halve overbruggingsrecht, tijdelijk ouderschapsverlof en uitkeringen uitbetaald door een ziekenfonds.

De aanvraag zal net als het volledige en halve overbruggingsrecht verlopen via de sociaal verzekeringsfondsen. Zij aanvaarden aanvragen tot 31 december 2020.

7) Financiële steunmaatregelen

De overheid heeft met de banksector een akkoord kunnen treffen over het verlenen van betalingsuitstel aan bedrijf en gezinnen.

Betalingsuitstel hypothecair woonkrediet

Particulieren kunnen voor de hypothecaire lening van hun gezinswoning (die hun enige woning is) betalingsuitstel verkrijgen tot maximaal 31 oktober 2020. De maatregel is echter aan heel wat voorwaarden verbonden, waardoor vele gezinnen alsnog uit de boot zullen vallen. Zo geldt het betalingsuitstel normaal voor zowel de kapitaal- als interestaflossingen. Na de periode waarvoor u uitstel heeft verkregen, zal de bank echter wel de uitgestelde interesten mogen verrekenen indien het maandelijks netto gezinsinkomen hoger ligt dan 1700 euro. Het aanrekenen van administratie- en dossierkosten door de bank is steeds uit ten boze.

Particulieren die van het betalingsuitstel gebruik willen maken moeten aantonen dat de inkomsten gedaald zijn door het coronavirus. Dit doordat zij geconfronteerd zijn met een situatie van tijdelijke werkloosheid, ziekte of sluiting van hun onderneming. Op 1 februari 2020 mag op het betreffende woningkrediet nog geen betalingsachterstand bestaan en mag uw totaal roerend vermogen (dit wil zeggen de gelden op zicht-, spaarrekeningen en beleggingsportefeuilles) niet gelijk zijn aan of hoger zijn dan 25 000 euro.

Betalingsuitstel ondernemingskredieten

Alle levensvatbare zelfstandigen, KMO's en niet-financiële bedrijven hebben recht op betalingsuitstel zonder kosten tot 31 oktober 2020. Het betalingsuitstel geldt enkel voor de kapitaalaflossingen en niet voor de interestaflossingen.

Om van het betalingsuitstel gebruik te kunnen maken moet de onderneming aan volgende voorwaarden voldoen:

  • De onderneming wordt geconfronteerd met betalingsproblemen, doordat de inkomsten van de onderneming gedaald zijn/zullen dalen; er geheel of gedeeltelijk beroep wordt gedaan op de tijdelijke werkloosheid van de werknemers of omdat de overheid heeft bevolen tot de sluiting van de onderneming.
  • Op 1 februari 2020 mag de onderneming geen betalingsachterstand had opgelopen of op 29 februari 2020 een betalingsachterstand hebben gehad van 30 dagen of meer.
  • De onderneming is gevestigd in België.
  • De onderneming moet aan alle banken aan haar contractuele kredietverplichtingen voldaan hebben gedurende de laatste 12 maanden voorafgaand aan 31 januari 2020 en zij doorloopt momenteel geen actieve kredietherstructurering.
  • Het betalingsuitstel is enkel van toepassing op kredieten met een vast aflossingsplan, kaskredieten en vaste voorschotten.

Indien u gebruik wil maken van het betalingsuitstel en u denkt onder de voorgenoemde voorwaarden valt, zal u contact willen opnemen met uw bank.

Moet een onderneming omwille van het coronavirus een nieuw krediet aangaan tussen 22 maart 2020 en 30 september 2020 dan wordt dit krediet gewaarborgd door de overheid. Om onder dit stelsel te vallen moet het zoals hierboven eveneens gaan om levensvatbare zelfstandigen, KMO's en niet-financiële ondernemingen. Ook enkel ondernemingen die geen betalingsachterstand hadden op 1 februari 2020 of een betalingsachterstand hadden van minder dan 30 dagen op 29 februari 2020 komen in aanmerking. Op deze kredieten is een maximumrente van 1,25 procent (+ extra kosten) van toepassing.

8) Fiscale steunmaatregelen

Ook de FOD Financiën doet haar duit in het zakje tijdens deze crisis. Om ondernemers wat financiële ademruimte te geven heeft ze alvast navolgende fiscale steunmaatregelen aangekondigd.

a. Uitstel aangiftes vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners

Voor het indienen van de aangiftes vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners krijgt u uitstel tot 30 april middernacht. Dit uitstel geldt enkel voor de aangifte met uiterste datum lopende van 16 maart t.e.m. 30 april 2020.

b. Uitstel BTW- aangiften

Voor de periodieke btw-aangiftes worden de termijnen als volgt verlengd:

  • februari 2020: uitstel tot 6 april 2020
  • maart 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • april 2020: uitstel tot 5 juni 2020

Voor de intracommunautaire opgaves worden de termijnen als volgt verlengd:

  • februari 2020: uitstel tot 6 april 2020
  • maart 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • april 2020: uitstel tot 5 juni 2020

c. Uitstel jaarlijkse klantenlisting

De termijn voor het indienen van de jaarlijkse klantenlisting is verlengd tot 30 april 2020. Maar indien u uw activiteit reeds hebt stopgezet, krijgt u tijd tot het einde van de 4de maand na het stopzetten van de btw-activiteit.

d. Uitstel betaling BTW, bedrijfsvoorheffing

De overheid heeft beslist om een automatisch uitstel van betaling te verlenen van twee maanden voor navolgende betaling van belastingen, en dit zonder er boetes of intresten aan te rekenen.

Inzake btw-aangiften wordt de betalingstermijn als volgt verlengd:

  • februari 2020: uitstel tot 20 mei 2020
  • maart 2020: uitstel tot 20 juni 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 20 juni 2020
  • april 2020: uitstel tot 20 juli 2020

Voor wat betreft de aangiften bedrijfsvoorheffing kent de overheid betalingsuitstel als volgt toe:

  • februari 2020: uitstel tot 13 mei 2020
  • maart 2020: uitstel tot 15 juni 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 15 juni 2020
  • april 2020: uitstel tot 15 juli 2020

U kan ook nog beroep doen op de betalingsplannen die de overheid reeds vroeger aankondigde.

e. Uitstel betaling personenbelasting en de vennootschapsbelasting

Wat de betaling van personenbelasting, vennootschapsbelasting, belasting niet-inwoner en rechtspersonenbelasting betreft zal zonder nalatigheidsinteresten een extra termijn van 2 maanden worden toegekend. Dit geldt enkel voor afrekening van de belastingen, aanslagjaar 2019, ná 12 maart 2020.

Voor belastingen ingediend vóór 12 maart 2020 gelden enkel de eerder aangekondigde steunmaatregelen.

f. Voorafbetalingen inkomstenbelastingen

Om vennootschappen en zelfstandigen met liquiditeitsproblemen door het coronavirus wat ademruimte te geven heeft de regering de percentages van de voordelen van de voorafbetalingen van het derde en vierde kwartaal verhoogd. De overheid sluit hierbij wel de ondernemingen die een inkoop van eigen aandelen of een kapitaalvermindering doorvoeren of dividenden betalen of toekennen tussen 12 maart en 31 december 2020 uit. Zelfstandigen die door deze maatregelen meer bonificatie wegens voorafbetaling zouden verkrijgen zijn eveneens uitgesloten.

Personenbelasting:          VA1: 3% , VA2: 2,5% , VA3: 2,25%  , VA4: 1,75%

Vennootschapsbelasting: VA1: 9% , VA2: 7,5% , VA3: 6,75% (normaal 6%) , VA4: 5,25% (normaal 4,5%)

De percentages van de vermeerderingen en de data van de voorafbetalingen blijven echter dezelfde.

9) Afbetalingsplannen

Indien uw bedrijf betalingsmoeilijkheden zou ondervinden door het coronavirus heeft de overheid enkele afbetalingsplannen voorzien. Zowel voor de sociale werkgeversbijdragen, btw, bedrijfsvoorheffing, personen- en vennootschapsbelasting kan u een afbetalingsplan aanvragen. De voordelen hiervan zijn legio: de gespreide betaling van de schuld en de vrijstelling van eventuele boeten.

Afbetalingsplan RSZ

Voor de aanvraag van het afbetalingsplan van de RSZ kan u op de website van de sociale zekerheid terecht. Onderaan deze site vindt u het formulier "aanvraag minnelijk betalingsplan" . Werkgevers kunnen hierbij minnelijke betalingstermijnen aanvragen voor de socialezekerheidsbijdragen voor het eerste en tweede kwartaal 2020.

Afbetalingsplan fiscus

Net zoals bij de RSZ voorziet de fiscus ondersteunende maatregelen zodat bedrijven die economisch kwetsbaar zijn, bescherming vinden.

De bovengenoemde betalingsplannen inzake btw, bedrijfsvoorheffing, personen- en vennootschapsbelasting vallen onder dezelfde voorwaarden. De aflossingsplannen lopen tot en met 30 juni 2020.  Zo wil de overheid de aflossingen spreiden en is er vrijstelling van boetes. Hiervoor zal de onderneming wel moeten kunnen aantonen dat de betalingsmoeilijkheden verband houden met het coronavirus.

Via een specifiek formulier kan u de aanvraag indienen. Dit kan zowel via e-mail als via de post naar het Regionaal Invorderingscentrum (RIC) bevoegd voor de postcode van je woonplaats (natuurlijk persoon) of zetel (rechtspersoon). U krijgt in principe antwoord binnen de 30 dagen na de aanvraag.

10) Vermindering en uitstel sociale bijdragen

Vooreerst kan u aanvraag doen voor de uitstel van betaling voor de sociale bijdragen van 1 jaar aan het sociaal verzekeringsfonds. Dit heeft geen invloed op de uitkeringen of eventuele verhogingen. De aanvragen voor betalingsuitstel voor het eerste en tweede kwartaal dient u in te dienen voor 15 juni 2020, voor het derde kwartaal voor 15 september 2020 en voor het vierde kwartaal voor 15 december 2020.

Daarnaast kan u bij het sociaal verzekeringsfonds een aanvraag doen om vermindering van uw sociale bijdrage te verkrijgen. De omvang van de vermindering is te bepalen door het sociaal verzekeringsfonds op basis van de toelichting terzake (bijv. daling in verkoop/bestellingen, vermindering van het zakencijfer).

De aanvraag moet ten minste de naam, voornaam en woonplaats van de betrokken natuurlijke persoon, of de naam, zetel en het ondernemingsnummer van de onderneming bevatten.

10) Geen sancties bij vertraging federale overheidsopdrachten

De overheid voorziet enige flexibiliteit indien u kan aantonen dat u vertraging oploopt of uw opdracht niet kan uitvoeren door het coronavirus. Zo zullen er geen boetes of sancties volgen voor de dienstverleners, bedrijven of zelfstandigen.

Conclusie

We zijn in volle crisis, maar we moeten er samen door. De overheid doet er ook alles aan om de ondernemingen financieel te steunen. De verschillende steunmaatregelen evolueren ook iedere dag. Wij houden de vinger aan de pols en blijven u zo goed mogelijk informeren.

Lees zeker ook onze blog over wat u kan doen voor uw vennootschap in deze tijden van het coronavirus.

aternio wil u zo goed mogelijk op de hoogte brengen van de steunmaatregelen in deze coronacrisis. Hiervoor stellen wij een virtuele assistent op onze website ter beschikking. Stel er al uw vragen (over de corona steunmaatregelen) aan!


Sociaal passief: come-back van een fiscale vrijstelling

Nu de corona-storm stilaan wat is gaan liggen, beginnen de economische gevolgen van de crisis ook in België zichtbaar te worden. Bepaalde ondernemingen zijn helaas niet ongeschonden uit de crisis gekomen. Zij zulllen misschien genoodzaakt zijn herstructuringen door te voeren.

In dit kader willen we de fiscale vrijstelling voor "sociaal passief" nog even onder de aandacht brengen. Wat houdt dit precies in? Wat zijn de voorwaarden? We frissen het even voor u op.

Sociaal passief

Op 1 januari 2014 werd het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden in België van kracht. Door dit eenheidsstatuut zijn de opzegtermijnen voor arbeiders en bedienden gelijkgeschakeld.  In de praktijk betekent dit thans (meestal) langere opzegtermijnen en hogere ontslagkosten voor de werkgever. Om deze extra kost ietwat te kunnen opvangen werd met ingang vanaf 1 januari 2019 de fiscale vrijstelling voor "sociaal passief" ingevoerd.

Met herstructuringen van ondernemingen gaan vaak ontslagen of herplaatsingen van werknemers gepaard. Dit heeft uiteraard een kost, zoals bijvoorbeeld de ontslagvergoedingen. Deze geraamde kost voor de werkgever, noemt men het zogenaamde sociaal passief.

Fiscale vrijstelling

Voor wie?

Werkgevers kunnen ervoor kiezen om jaarlijks een bepaald bedrag af te trekken van hun belastbare winsten of baten.

De fiscale vrijstelling voor sociaal passief geldt voor alle werkgevers, zowel in de personenbelasting als in de vennootschapsbelasting, ook al ondervonden zijn geen meerkost door de invoering van het eenheidstatuut. Een vzw die bijvoorbeeld aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen valt evenwel uit de boot.

Het moet concreet gaan om werknemers die minstens 5 jaar anciënniteit hebben na 1 januari 2014. Zoals gezegd zal de eerste effectieve vrijstelling voor sociaal passief derhalve pas mogelijk zijn vanaf 1 januari 2019.

De werkgever kan de vrijstelling voor sociaal passief toepassen zolang de werknemer in dienst is. Bij ontslag (om gelijk welke reden) moet hij de eerder vrijgestelde winst/baat opnemen onder de winsten/baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt.

Hoeveel vrijstellen?

Het vrij te stellen bedrag is afhankelijk van het aantal dienstjaren van de betrokken werknemer:

  • 3 weken loon per begonnen dienstjaar vanaf het 6de dienstjaar (sinds invoering van het eenheidsstatuut)
  • 1 week loon per bijkomend, begonnen dienstjaar vanaf het 21ste dienstjaar (sinds invoering van het eenheidsstatuut)

Het maximale bruto maandloon (als berekeningsbasis  voor de vrijstelling) wordt beperkt als volgt:

  • 100% van het maandloon tot 1.500,00 euro;
  • 30% van het maandloon van 1.500,01 euro tot 2.600,00 euro of 330,00 euro vrijstelling;
  • Geen bijkomende vrijstelling voor het maandloon hoger dan 2.600,00 euro.
Vervolgens berekent u de wekelijkse bezoldiging door de factor x 3/13  toe te passen op de maandbezoldiging.

De vrijstelling moet bovendien gespreid te worden over vijf jaar,  in schijven van telkens 1/5e van het totale passief.

Voornoemde bedragen kunnen jaarlijks worden geïndexeerd, afhankelijk van de budgettaire ruimte.

Formaliteiten

Om te kunnen genieten van de vrijstelling dient de werkgever elk jaar een lijst van zijn werknemers te bezorgen aan de FOD Financiën. Voor elke werknemer moet hij de volledige identiteit; de datum van indiensttreding; de anciënniteit verworven binnen het eenheidsstatuut; en de bruto belastbare bezoldigingen vermelden.

Boekhouding

Volgens het CBN-advies van 2018/21 is voor de vrijstelling voor sociaal passief geen  boeking nodig. Volgens de Commissie voor Boekhoudkundige Normen kan de vennootschap de vrijstelling niet boeken onder de belastingvrije reserves, aangezien er fiscaal geen voorwaarde geldt dat het bedrag in het vermogen van de vennootschap behouden blijft (de zogenaamde “ontastbaarheidsvoorwaarde”).

De terugname van deze vrijstelling wanneer de werknemer de onderneming verlaat, zal een verhoging van de belastbare winst van de vennootschap tot gevolg hebben. Ook op dat ogenblik is geen boeking vereist. Deze verhoging zal verminderd worden met de kosten die met het ontslag gepaard gaan (verbrekingsvergoeding, loon tijdens de opzegtermijn).

De vrijstelling verwerkt men dus gewoon via de fiscale aangifte zodat de belastingen op het resultaat van het boekjaar dalen. Bij gebrek aan winst gaat de vrijstelling echter definitief verloren. De vrijstelling voor sociaal passief is immers niet overdraagbaar.

 


Groepsbijdrage: de fiscus verduidelijkt de nieuwe fiscale aftrek

Vorig jaar hebben we u reeds bericht over de eerste stapjes van "fiscale consolidatie" in België en dit vanaf aanslagjaar 2020.

Via een nieuwe aftrekregeling genaamd de "groepsbijdrage", probeert België fiscaal te concurreren met andere Europese lidstaten. De groepsbijdrage is vervat in artikel 205/5 WIB’92.

Groepsbijdrage: waarover gaat het?

Kort samengevat, komt het er op neer dat men het verlies van het jaar van een vennootschap, onder bepaalde voorwaarden, kan afzetten tegen de winst van een andere vennootschap van eenzelfde groep.

Concreet draagt een bepaalde vennootschap, de overdragende vennootschap, een deel van haar belastbaar resultaat over via een groepsbijdrage aan een andere verlieslatende vennootschap, de ontvangende vennootschap. Op die manier kan men belastbare materie verschuiven naar een andere entiteit binnen dezelfde groep.

Met de circulaire nr. 2020/C/29 van 13 februari 2020 over de aftrek van de groepsbijdrage in de vennootschapsbelasting geeft de fiscale Administratie meer toelichting. Deze circulaire verduidelijkt het fiscaal regime en illustreert dit ook met enkele voorbeelden. Wij pikken er hierna alvast de belangrijkste zaken uit.

Groepsbijdrage overeenkomst

Eén van de essentiële voorwaarden om van de aftrek te kunnen genieten is het afsluiten van een "groepsbijdrage overeenkomst" . Voor elk jaar dat men de groepsbijdrage wil toepassen, zullen de twee betrokken vennootschappen een nieuwe overeenkomst moeten sluiten.

Om de groepsbijdrage te kunnen toepassen, dienen beide vennootschappen deze overeenkomst af te sluiten vóór het indienen van de aangifte over het jaar waarop de groepsbijdrage van toepassing is. Voor boekjaren die afsluiten op 31 december 2020, heeft men in principe tijd tot september 2021.

In bijlage van de circulaire werd eveneens een model van dergelijke groepsbijdrage overeenkomst gevoegd.

In de overeenkomst moeten minstens volgende clausules worden opgenomen:

  • de verbintenis van de ontvangende vennootschap om het bedrag van de groepsbijdrage op te nemen in de aangifte als winst van het belastbaar tijdperk dat verbonden is met het aanslagjaar waarop die overeenkomst betrekking (art. 205/5 § 3 lid 3 WIB 92) ;
  • de verbintenis van de overdragende vennootschap om aan de ontvangende vennootschap een vergoeding te betalen gelijk aan de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest indien het bedrag van de groepsbijdrage niet in mindering was gebracht van haar winst van het belastbaar tijdperk (art. 205/5 § 3 lid 4 WIB 92).

Bedrag groepsbijdrage, de fiscale korf en aftrekbeperking

De circulaire bevestigt dat de wet geen beperking oplegt qua bedrag van de groepsbijdrage.  Het bedrag van de groepsbijdrage hoeft dus niet beperkt te blijven tot het bedrag van het verlies van de verlieslatende vennootschap.

De Administratie zal er wel over waken dat de doelstelling van de wetgever, namelijk het behandelen van verbonden vennootschappen als één fiscale entiteit, gewaarborgd blijft. De regeling mag er m.a.w. niet toe leiden dat winst van de belastingplichtige, die tegen het gewoon tarief  had moet worden belast, tegen een verminderd tarief wordt belast bij de ontvangende vennootschap.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan, kan de groepsbijdrage worden afgetrokken van de winst van het belastbaar tijdperk.

Die aftrek doet zich voor na de aftrek van de niet-belastbare bestanddelen, de DBI-aftrek, de aftrek voor octrooi-inkomsten, de aftrek voor innovatie-inkomsten en de investeringsaftrek. De aftrek is beperkt tot het fiscaal resultaat dat overblijft na die bewerkingen.

In de aangifte in de vennootschapsbelasting verlaagt men tevens de begintoestand van de reserves met het bedrag van de groepsbijdrage.

Vanaf de boekjaren die ten vroegste aanvangen op 1 januari 2019, is de basis voor de fiscale korf gelijk aan het saldo van de winst die overblijft na de aftrek van de groepsbijdrage.

Groepsbijdragevergoeding

In de groepsbijdrage overeenkomst verbindt de belastingplichtige zich ertoe een vergoeding te betalen die gelijk is aan de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn indien de groepsbijdrage niet in mindering was gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk.

Die zogenaamde "groepsbijdragevergoeding" moet de vermogensneutraliteit van de transactie garanderen.

Een daadwerkelijke storting van de vergoeding is vereist. Een loutere boeking als schuld zonder effectieve betaling is dus niet voldoende.

Ook wanneer de vennootschap geen vennootschapsbelasting zou moeten betalen zou de groepsbijdrage verschuldigd zijn. Dit kan zich voordoen omdat er bijvoorbeeld nog overgedragen verliezen zijn. Dit is evenwel het standpunt van de fiscale administratie, de vraag stelt zich of dit wel correct is.

Er kan evenwel voor de berekening van de groepsbijdragevergoeding rekening worden gehouden met het verlaagd tarief in de vennootschapbelasting. Dit verlaagd tarief is van toepassing op de eerste schijf van 100.000 euro belastbaar resultaat bij een kleine vennootschap. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met eventuele vermeerderingen wegens gebrek aan voorafbetaling.

De groepsbijdrage vormt een verworpen uitgave bij de overdragende vennootschap. Bij de ontvangende vennootschap wordt ze vrijgesteld via een verhoging van de begintoestand van de reserves. Verder is er geen bijzondere ficheplicht zoals bedoeld in art. 57 WIB'92.

Conclusie

De eerste stapjes richting volledige fiscale consolidatie zijn gezet, maar we zullen vandaag heus nog geen fiscale marathon lopen.

De circulaire 2020/C/29 licht het fiscaal regime van de groepsbijdrage toe en geeft verduidelijking bij de nieuwe regeling. Echt wereldschokkende of vernieuwende zaken zijn er niet in te vinden. In bijlage van de circulaire is wél een interessant model te vinden van de groepsbijdrage overeenkomst. Doe er uw voordeel mee!


Quick fixes inzake btw: identificatienummer en bewijs bij IC-levering

Sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde ‘quick fixes’ in werking getreden in België. Het gaat om een omzetting van de Europese richtlijnen (EU) 2019/475 en (EU) 2018/1910 die de regels aangaande grensoverschrijdende handelingen verder op punt zet.

De wet van 3 november 2019 vult het btw-wetboek in België aan met onder meer een regeling inzake ‘voorraad op afroep’, ‘kettingverkopen’ en ‘vrijstellingen op intracommunautaire leveringen’.

In huidige bijdrage gaan we dieper in op de regelingen inzake het bewijs en het btw-identificatienummer bij vrijgestelde intracommunautaire leveringen.

Btw-identificatienummer afnemer: formele voorwaarde

Intracommunautaire leveringen van goederen zijn vrijgesteld van btw op voorwaarde dat de goederen worden vervoerd naar een andere lidstaat. Bovendien moet de andere belastingplichtige in de andere lidstaat, dit is de afnemer, zijn intracommunautaire verwerving onderwerpen aan btw.

In praktijk ontstonden echter soms problemen door frauduleuze afnemers. De Europese wetgever besliste daarom om een bijkomende voorwaarde toe te voegen. De afnemer moet voortaan beschikken over een geldig btw-identificatienummer dat hij moet meedelen aan de verkoper.

Voorheen was dit slechts een materiële voorwaarde. Vanaf 1 januari 2020 is dit een formele voorwaarde geworden. De vrijstelling voor de intracommunautaire levering kan dus voortaan worden geweigerd indien de koper niet over een geldig btw-identificatienummer beschikt. De verkoper dient bovendien het nummer te vermelden in zijn intracommunautaire opgave.

Tip: u kan het geldig btw-nummer van uw afnemer steeds controleren op de website van VIES.

Vereenvoudigd bewijs

Aanpassing KB nr. 52

In de strijd tegen de fiscale fraude in de intracommunautaire handel werd tot slot een vierde quick fix ingevoerd: de aanpassing van het KB nr. 52 m.b.t. de bewijsvoering.

Om te genieten van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen moet de verkoper kunnen bewijzen dat grondvoorwaarden vervuld zijn. Het vervoer van de goederen naar een andere lidstaat kan men aantonen door een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. Het kan daarbij gaan om onder meer contracten, bestelbonnen, facturen en betalingsdocumenten.

Weerlegbare vermoedens

Als aanvulling op het voorgaande, bevat het vernieuwe KB nr.52 twee weerlegbare vermoedens inzake het bewijs, zoals opgenomen in artikel 45bis van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011.  Dit betekent dat wanneer de belastingplichtige de nodige documenten voorlegt, het dus aan de btw-administratie is om het tegendeel te bewijzen.

De vermoedens zijn nieuwe bewijsmiddelen op Europees niveau om de echtheid van het vervoer van de ene lidstaat naar de andere aan te tonen. De leverancier die de goederen vervoert moet daarbij over minstens twee bewijsstukken van onafhankelijke partijen beschikken.

Vervoer verricht door of voor rekening van de verkoper

Bij vervoer, verricht door de verkoper, volstaat de verklaring van de verkoper, aangevuld met twee niet-tegenstrijdige basisbewijsstukken zoals een ondertekend CMR-document of vrachtbrief, factuur van de vervoerder, cognossement, etc.

Indien er slechts één van deze basisbewijsstukken voorhanden is, kan men dit toch verder aanvullen met:

-een verzekeringsovereenkomst voor het vervoer of bankdocument inzake betaling van de transportfactuur;

-officiële documenten van de bevestiging van de aankomst van de goederen in de lidstaat ;of 

-een ontvangstbewijs van een entrepothouder ter bevestiging van de opslag.

Vervoer verricht door of voor rekening van de koper

Bij vervoer, verricht door de koper, moet de verkoper een voldoende gedetailleerde schriftelijke verklaring van de koper ontvangen waarin hij bevestigt dat hij deze goederen heeft verzonden. Deze verklaring dient men aan te vullen met twee basisbewijsstukken of één basisbewijs en één aanvullend bewijsstuk.

Bestemmingsdocument

Bovenstaande vermoedens verhinderen natuurlijk niet dat de lidstaten ook nog andere documenten als bewijs te aanvaarden van het vervoer.

Zo zal ook in België het bestemmingsdocument als bewijs van vervoer bij een intracommunautaire levering worden aanvaard. De werking van het bestemmingsdocument werd reeds uitvoerig besproken in de btw-beslissing nr. E.T.129.460 van 1 juli 2016. 

Het team van aternio kan u uiteraard bijstaan bij btw-vragen.


kettingverkopen

Quick fixes inzake btw: kettingverkopen of driehoeksverkeer

Sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde ‘quick fixes’ in werking getreden in België. Het gaat om een omzetting van de Europese richtlijnen (EU) 2019/475 en (EU) 2018/1910 die de regels aangaande grensoverschrijdende handelingen verder op punt zet.

De wet van 3 november 2019 vult het btw-wetboek in België aan met onder meer een regeling inzake ‘voorraad op afroep’, ‘kettingverkopen’ en ‘vrijstellingen op intracommunautaire leveringen’.

In huidige bijdrage gaan we dieper in op de regeling inzake kettingverkopen.

Wat is een kettingverkoop (driekhoeksverkeer) ? 

Tot voor kort gaven kettingverkopen vaak aanleiding tot discussies inzake btw, vooral inzake het vervoer. Dit heeft de wetgever willen aanpakken. Maar vooraleer we toelichten wat er allemaal gewijzigd is, willen we toch nog even het concept "kettingverkopen" opfrissen.

Kettingverkopen met drie partijen in verschillende EU-lidstaten, ook wel driehoeksverkeer genoemd, doen zich voor bij twee opeenvolgende leveringen van dezelfde goederen, maar waarbij de goederen rechtstreeks van de eerste verkoper naar de laatste koper worden vervoerd.

Slechts aan één levering kan de btw-vrijstelling voor intracommunautaire levering worden verleend. Dit is met name het geval bij de levering mét vervoer.

Bijvoorbeeld. A verkoopt goederen aan B en B verkoopt vervolgens die goederen door aan C. Het vervoer van de goederen gebeurt evenwel rechtstreeks van A naar C . Daarbij bevinden A, B en C zich in verschillende lidstaten van Europa en overschrijden de goederen de landsgrenzen. Er zijn dan twee leveringen (tussen relatie A-B en B-C), maar het vervoer kan men slechts aan één relatie toerekenen.

Uitsluitend de levering mét vervoer komt in aanmerking voor de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen. De andere leveringen in de keten ondergaan het gewoon btw-regime. Soms zal een btw-identificatie van de leverancier nodig zijn in de lidstaat van levering.

Wie staat in voor het vervoer?

In de praktijk stelde zich natuurlijk de vraag wie instaat in voor het vervoer. Het vervoer heeft immers ook belangrijke consequenties voor de plaatsbepaling.

Bijvoorbeeld, indien A instaat voor het vervoer, gaat het om een levering mét vervoer (in de relatie A-B). Die levering vindt in principe plaats waar het vervoer begint (art. 14, §2, eerste lid WBTW). Deze intracommunautaire levering zal vrijgesteld zijn.

De levering van B naar C is bijgevolg een belaste levering zónder vervoer. Een levering zonder vervoer vindt plaats waar de goederen ter beschikking gesteld worden aan de koper (art. 14, §1 WBTW). In dit geval dus in het land van C.

In praktijk bleek het echter niet steeds eenvoudig uit te maken aan welke levering (A-B of B-C) men het vervoer kan toeschrijven.

Nieuwe hoofregel

In het kader van de harmonisatie en vereenvoudiging van de intracommunautaire handel is er daarom ook een 'quick fix' ingevoerd inzake het vervoer bij kettingverkopen.

Vanaf 1 januari 2020 geldt als hoofdregel dat het vervoer plaatsvindt in de relatie waarin de levering gebeurt 'aan' diegene die het transport regelt of laat regelen. Wanneer het vervoer gebeurt door of voor rekening van tussenpersoon B, dan is het vervoer uitsluitend toegeschreven aan de levering ‘aan’ B (dus in de levering A-B).

Uitzonderingen

Op hoofdregels bestaan uiteraard ook altijd uitzonderingen.

Hier geldt als uitzondering dat het vervoer wordt toegeschreven aan de levering ‘door’ tussenpersoon B (dus B-C) wanneer B aan zijn leverancier zijn btw-nummer opgeeft van de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden (lidstaat A).

De quick fix is dus enkel van toepassing wanneer tussenpersoon B instaat voor het vervoer.

Wanneer echter het vervoer niet wordt verricht door of voor rekening van tussenpersoon B, dan is het vervoer toe te schrijven aan de levering (A-B) indien het vervoer wordt verricht door of voor rekening van A. En indien het vervoer wordt verricht door of voor rekening van C is het vervoer logischerwijze toe te schrijven aan de levering (B-C)


stock

Quick fixes inzake btw: call-off stock

Sinds 1 januari 2020 zijn de zogenaamde ‘quick fixes’ in werking getreden in België. Het gaat om een omzetting van de Europese richtlijnen (EU) 2019/475 en (EU) 2018/1910 die de regels aangaande grensoverschrijdende handelingen verder op punt zet.

De wet van 3 november 2019 vult het Btw-wetboek in België aan met onder meer een regeling inzake ‘voorraad op afroep’, ‘kettingverkopen’ en ‘vrijstellingen op intracommunautaire leveringen’.

In huidige bijdrage gaan we dieper in op de regeling inzake voorraad op afroep (oftewel ‘call-off stock’).

Harmonisatie inzake call-off stock

Opdat afnemers steeds over de nodige voorraad zouden beschikken, houden leveranciers soms voorraden aan bij hun afnemers. Wanneer een leverancier hierbij goederen overbrengt naar een andere lidstaat, moet de leverancier zorgen voor de nodige btw-registratie en btw-aangiftes in dat land. Die overbrenging werd dan in principe beschouwd als een intracommunautaire levering/verwerving.

Wanneer de afnemer vervolgens goederen uit de voorraad haalt, de zogenaamde ‘call-off stock’, verrichtte de leverancier een lokale levering van goederen in de lidstaat waar de goederen zich dan bevinden.

De wetgever heeft dit proces willen vereenvoudigen. Voortaan beschouwt men deze handelingen, onder welbepaalde voorwaarden, als één vrijgestelde levering in de lidstaat van vertrek en één intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst.

De meeste Europese lidstaten hebben hier al een eigen nationale vereenvoudigingsregeling voor. Door de implementatie van de Europese richtlijn zijn de vereenvoudigingsregelingen in de diverse lidstaten volledig geharmoniseerd.

Nieuwe regeling

In de nieuwe regeling beschouwt met de overbrenging van voorraden van de ene lidstaat naar de andere in principe niet als een intracommunautaire levering. Evenwel, op het moment dat de afnemer de goederen uit de voorraad haalt, verricht de leverancier een intracommunautaire levering van goederen in de lidstaat van waaruit de call-off stock initieel is overgebracht . De afnemer dient een intracommunautaire verwerving van de goederen aan te geven in de lidstaat waar de call-off stock naartoe is gebracht.

Voorwaarden

Voornoemde vereenvoudiging bij call-off stock kan énkel indien aan volgende grondvoorwaarden is voldaan:

  • de afnemer is een btw-plichtige;
  • de afnemer heeft op basis van een overeenkomst met de leverancier het eigendomsrecht betreffende de goederen verkregen;
  • de leverancier is niet gevestigd en heeft evenmin een vaste inrichting in de lidstaat van aankomst van de goederen;
  • de afnemer heeft een btw-nummer in de lidstaat van aankomst van de goederen;
  • de leverancier beschikt vóór het tijdstip van verzending over de identiteit en het btw-nummer van de afnemer in de lidstaat van aankomst;
  • de leverancier neemt het vervoer van de goederen op in een bijzonder register en vermeldt het btw-nummer van de afnemer op in zijn IC-listing; én
  • de goederen moeten binnen 12 maanden na aankomst aan de afnemer zijn verkocht.

Bijzondere gevallen

Wanneer een van voornoemde grondvoorwaarden niet langer is vervuld, zijn de normale regels (van overbrenging) opnieuw van toepassing.  In bepaalde bijzondere gevallen blijft de vereenvoudingsregel toch van toepassing:

  • Indien binnen de 12 maanden de goederen worden geleverd aan een andere afnemer kan de vereenvoudigingsregel toch van toepassing blijven. De goederen moeten hiervoor binnen dezelfde lidstaat blijven.  Bovendien dient de nieuwe afnemer een btw-nummer te hebben in deze lidstaat. De leverancier moet de nieuwe afnemer tot slot opnemen in het bijzonder register.
  • Ook wanneer de goederen binnen de termijn van 12 maanden worden teruggezonden naar de oorspronkelijk lidstaat, blijft de vereenvoudigingregel gelden. De leverancier dient hiertoe de terugzending op te nemen in het bijzondere register.

Bij vernietiging, verlies of diefstal van de goederen herneemt de normale btw-regeling zich wél. Dit is eveneens het geval wanneer de goederen naar een andere lidstaat worden verzonden.

Conclusie

Met de implementatie van de 'quick fixes' door de lidstaten zijn de intracommautaire handelingen op diverse punten geharmoniseerd en vereenvoudigd. Eén van die quick fixes is de regelgeving rond 'call-off stock' of 'voorraad op afroep'.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan kan dit voor bedrijven met call-off stock een grote administratieve vereenvouding zijn. De btw-registraties en -aangiftes in de verschillende lidstaten worden gereduceerd.

Roept dit vragen bij u op? Contacteer ons.