Huwelijk en vennootschap: zo zijn we niet getrouwd! Of wel?

U staat er misschien niet bij stil maar uw huwelijkscontract speelt een grotere rol in uw vennootschap dan u op het eerste gezicht zou denken. Denkt u nu spontaan: "niet voor mij, want ik heb geen huwelijkscontract"? Lees misschien toch verder. Want wie huwt zonder huwelijkscontract valt automatisch onder het wettelijk stelsel.

Wettelijk stelsel

Kenmerkend voor het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten zijn de drie vermogens: het eigen vermogen van elk van de echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen. Behoren tot het eigen vermogen van elke echtgenoot: alle goederen van vóór het huwelijk en alle goederen verkregen door schenking of erfenis (of een wederbelegging hiervan). Behoren tot het gemeenschappelijk vermogen: alle goederen die tijdens het huwelijk verkregen worden, zowel beroepsinkomsten als eigen inkomsten (bijvoorbeeld huurinkomsten van een eigen onroerend goed). Bovendien zijn alle goederen waarvan een echtgenoot niet kan aantonen dat ze tot zijn eigen vermogen behoren, gemeenschappelijk.

Eigen of gemeenschappelijk vermogen?

U voelt het al. Het is van belang om een en ander in het achterhoofd te houden bij beslissingen binnen uw vennootschap.

Denk bijvoorbeeld aan een bestuurder die geld leent aan zijn vennootschap. Laten we ervan uitgaan dat de bestuurder, zoals velen onder ons, gehuwd is onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten.

De gelden die de bestuurder aan zijn vennootschap leent, behoren tot zijn eigen vermogen. Verworven door schenking of erfenis bijvoorbeeld.

De vennootschap betaalt een intrest van pakweg 4 % op de ontleende gelden. De ontvangen intrest wordt netjes op de lopende rekening van de bestuurder geboekt. Maar daar komt het huwelijksvermogensrecht op de proppen. Dat zal bepalen aan wie de tegoeden effectief toebehoren.

Het is niet omdat de lopende rekening op uw naam staat, dat de tegoeden dat ook zijn. Opbrengsten van eigen goederen zijn immers niet eigen, maar vallen in de gemeenschap. De ontvangen intrest op de lening behoort dus tot het gemeenschappelijk vermogen. Geen probleem, zou u denken. Toch kan een dergelijke actie nare gevolgen hebben.

Vermenging van vermogens

Op het ogenblik dat de intresten geboekt worden op de lopende rekening van de bestuurder, wordt het eigen vermogen van de bestuurder en het gemeenschappelijk vermogen immers vermengd. En dan is daar opnieuw het vermoeden van gemeenschap van het wettelijk stelsel. Kan u niet meer aantonen welke gelden tot uw eigen vermogen behoren? (Wat niet ondenkbaar is na jarenlange boekingen en verrichtingen op een lopende rekening.) Jammer maar helaas, deze worden vermoed tot het gemeenschappelijk vermogen te behoren. En zo zijn eigen goederen plots gemeenschappelijk. Ook al was dat niet meteen uw intentie.

Beter voorkomen dan genezen

Wilt u graag dergelijke problemen vermijden? Een aparte lopende rekening voor de intresten zou in dit voorbeeld al soelaas kunnen bieden.

Daarnaast kan het handig zijn om uw huwelijkscontract even tegen het licht te houden. Daarin kan u bijvoorbeeld ook stipuleren dat opbrengsten van eigen goederen (bijvoorbeeld intresten op de lening aan uw vennootschap) eigen moeten blijven. Zo vermijdt u dat deze in het gemeenschappelijk vermogen vallen en dat er vermenging van vermogens zou kunnen ontstaan.

Wilt u uw huwelijkscontract eens laten screenen? aternio legal staat u graag bij met raad en daad.


Telewerk: nieuwe spelregels voor onkostenvergoeding

COVID-19 zorgde ervoor dat telewerk in menig bedrijf in ijltempo ingeburgerd geraakte. En dat het naar alle waarschijnlijkheid een blijvertje is, ook in post-COVID-19-tijden, beseft ook de fiscus. Voor de kosten en vergoedingen die dat met zich meebrengt, heeft de fiscus de fiscale spelregels nu vastgelegd in een nieuwe circulaire. De nieuwe fiscale regels overstijgen dus de coronaproblematiek.

Thuiswerk

Vooreerst: wat verstaat de fiscus onder telewerk? Als een werknemer of ambtenaar regelmatig thuis werk verricht dat hij ook op de werkvloer kan uitvoeren, dan is er sprake van telewerk. Het gaat wel degelijk om private lokalen van de werknemer. Werken in een satellietkantoor van de werkgever valt niet onder de toepassing van de circulaire. Bovendien moet het gaan om thuiswerk tijdens de normale werkdagen.

Wie kan een vergoeding krijgen?

Werknemers die structureel en regelmatig thuiswerken kunnen een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangen. Concreet moet het gaan om het equivalent van één werkdag per week. Twee halve dagen per week? Elke ochtend twee uur van thuis uit werken alvorens naar kantoor te gaan? Drie weken op kantoor werken en één week thuiswerk? Alles kan, zolang op maandbasis het equivalent van één werkdag per week wordt behaald. Een werknemer die sporadisch 's avonds thuis zijn laptop nog eens even openklapt, komt dus niet in aanmerking.

Bedrijfsleiders vallen eveneens niet onder het toepassingsgebied van de circulaire.

Forfaitaire kantoorvergoeding

Een werkgever kan met een forfaitaire kantoorvergoeding de algemene kantoorkosten van telewerkers belastingvrij vergoeden. Die vergoeding kan maximum 129,48 euro per maand bedragen. De regering besliste om dit bedrag tijdelijk te verhogen tot 144,31 euro voor de maanden april, mei en juni 2021.

Tijdens normale vakantieperiodes mag de vergoeding worden doorbetaald. Voor deeltijdse werknemers moet u de vergoeding niet prorateren.

Keert een werkgever een hogere vergoeding uit, zonder daarvoor bewijsstukken voor te leggen, dan wordt het deel van de vergoeding dat het maximumbedrag overstijgt wel belast.

Cumul met andere vergoedingen

De forfaitaire onkostenvergoeding dekt alle kantoorkosten. Het gaat om alle kosten die een werknemer maakt om zijn beroepsactiviteit van thuis uit te kunnen uitoefenen. Denk bijvoorbeeld aan papier, pennen, nutsvoorzieningen zoals water, verwarming en elektriciteit, onderhoud, verzekering, onroerende voorheffing, koffie, versnaperingen... Daarnaast kunnen werkgevers eveneens tussenkomen in aankopen van kantoormeubilair en/of informaticamateriaal door de werknemer. Wat in aanmerking kan komen, wordt door de fiscus beperkend opgelijst. Het gaat bijvoorbeeld om een bureaustoel, een printer/scanner, een hoofdtelefoon... voor zover de werkgever deze zaken ook in normale omstandigheden op de werkvloer ter beschikking zou stellen.

De fiscus beschouwt deze terugbetalingen als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever en dus belastingvrij. Maar redelijkheid is hier geboden. Dergelijke uitgaven kunnen niet elk jaar opnieuw vergoed worden. Daarom legde de fiscus de normale levensduur van een aantal zaken vast, bijvoorbeeld 10 jaar voor een bureaustoel en 3 jaar voor een printer/scanner.

De werkgever kan er ook voor opteren om de terugbetaling van een eenmalige aankoop te spreiden over een aantal jaren. Bewijsstukken moet de werkgever ter beschikking houden. U zal dus de factuur bij uw werknemer moeten opvragen.

Stopt de werknemer met telewerken en mag hij het materiaal houden, dan ontstaat er wel een voordeel van alle aard voor de werknemer.

Andere forfaitaire vergoedingen

Bovenop de forfaitaire kantoorvergoeding kan een werkgever nog andere forfaitaire vergoedingen toekennen aan telewerkende werknemers.

Het gaat dan om volgende forfaitaire vergoedingen:

  • maximum 20 euro per maand voor het professioneel gebruik van een priv√©-internetaansluiting en -abonnement;
  • maximum 20 euro per maand voor het professioneel gebruik van een priv√©-computer OF maximum 5 euro per maand voor het professioneel gebruik van een eigen tweede computerscherm en/of printer/scanner zonder priv√©-computer. De vergoeding van 5 euro per maand geldt per item, met een absoluut maximum van 10 euro per maand, en dat gedurende maximum drie jaar.

De werkgever mag dan wel niet op een andere manier in de kosten ervan zijn tussengekomen.

Terbeschikkingstelling kantoormeubilair/informaticamateriaal

In plaats van de kosten te vergoeden kan een werkgever er voor opteren om het materiaal zelf aan te kopen en ter beschikking te stellen van zijn werknemer. De fiscus aanvaardt dat hier geen voordeel van alle aard ontstaat. De werknemer is hier immers geen eigenaar van het materiaal.

Ook hier is redelijkheid de leidraad. Het moet gaan om goederen die noodzakelijk zijn om de beroepsactiviteit op een normale wijze thuis te kunnen uitoefenen. Alles wat daar boven uitstijgt, zal aanleiding geven tot het belasten van een voordeel van alle aard.

Niet-structureel thuiswerk

Werknemers die minder dan (het equivalent van) één dag per week thuiswerken kunnen in principe geen forfaitaire kantoorvergoeding krijgen. Betaalt u in dat geval toch een vergoeding voor de gemaakte kosten? Zorg er dan voor dat de vergoeding overeenstemt met de gemaakte kosten en dat die daarvoor ook effectief werd gebruikt. Is dat niet het geval, dan zal de vergoeding niet belastingvrij zijn.

Samengevat

Onkostenvergoedingen voor structureel en niet-structureel thuiswerk zijn en blijven onderworpen aan fiscale (en sociale) spelregels. De fiscale circulaire van 26 februari 2021 zorgt alvast voor een kader.

Om rechtszekerheid te bekomen over de door u toegepaste onkostenvergoedingen, kan u nog altijd, zoals voorheen vaak gebeurde, een ruling aanvragen bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (DVB).

De nieuwe circulaire trad in werking op 1 maart 2021, maar de regels zijn wel degelijk van toepassing vanaf 1 januari 2020. Aan bestaande rulings doet de circulaire geen afbreuk.

U wil graag een onkostenvergoeding uitbetalen aan uw werknemers die telewerken? aternio bekijkt graag samen met u de mogelijkheden.


Voortdurend verlies maken: hold your horses!

Voortdurend verlies maken, economisch is het niet gezond. Fiscaal is het verleidelijk. Getuige hiervan is  een interessant arrest van 15 september 2020 over een paardenfokkerij die al 20 jaar lang geen winst maakte, maar toch btw bleef aftrekken. Het gebrek aan winst deed de fiscus er toe besluiten dat de belastingplichtige geen professional was, maar een loutere amateur. De kosten van zijn zogenaamde 'hobby' zouden dan ook niet aftrekbaar zijn.

Het hof van beroep te Antwerpen (rolnr: 2019/AR/518) ziet het tóch anders...

Rechtspraak inkomstenbelasting paardenfokkerij

Op het vlak van inkomstenbelastingen vinden we heel wat rechtspraak over paardenfokkerijen die er in werkelijkheid niet op gericht zouden zijn om winst te behalen. De fiscus en rechtbanken oordelen daarbij doorgaans dat uit het geheel van omstandigheden blijkt dat de belastingplichtigen enkel het stelselmatig verrekenen van de verliezen beogen. Op die manier kunnen ze hun belastingen verlagen. De fiscus herkwalificeert de paardenfokkerij dan als "hobby" en verwerpt de kostenaftrek, zodat het resultaat op nul komt te staan.

Btw: economische activiteit

Op het vlak van btw wordt deze redenering echter niet doorgetrokken. Daar is het winstoogmerk immers van geen tel.

Artikel 4 van btw-wetboek definieert een belastingplichtige als: "eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht [...]".

Op het vlak van btw moet er dus sprake zijn van een "economische activiteit".

Bij de beoordeling ervan kijkt men naar alle feitelijke elementen. Denk aan de wijze van financiering, de exploitatievoorwaarden, de hoedigheid van de exploitant, de commercialisering, de aard van het cli√ęnteel enz.

In eerste aanleg had de rechtbank de fiscus nog gelijk gegeven. De verrichtingen van de vennootschap zouden geen economische waarde hebben, omdat er geen werkelijk duurzame opbrengsten uit voortkwamen. Het hof van beroep verbreekt - geheel terecht -dit vonnis.

Oordeel hof

Zoals gezegd, is het al dan niet winst maken, niet relevant voor de btw-plicht. De aanwezigheid van een 'economische activiteit' is dat wel. Het hof oordeelt in onderhavige zaak dat dit weldegelijk het geval is. Er worden paarden gefokt en trainingen gegeven. Ook is er de verkoop van sperma en inschrijvingen voor professionele wedstrijden. Verder beschikt de vennootschap over de nodige vergunningen en professionele infrastructuur en personeel. Het ontbreken van winst doet hier geen afbreuk aan.

Besluit

Via intelligente software gaat de fiscus op zoek naar alle ondernemingen die de laatste 5 jaar geen winst konden optekenen, om vervolgens de kostenaftrek te verwerpen en het resultaat op nul te zetten. Weet dat op het vlak van btw, de fiscus dit niet zomaar mag doen, hoewel de rechtspraak hierover wel nog wat verdeeld is.

Wij adviseren u graag en met kennis van zaken. Contacteer ons gerust.


Update - Steunmaatregelen coronavirus COVID-19

Volg hier de laatste updates aangaande de financi√ęle steunmaatregelen van de overheid inzake het coronavirus.

1. A) Vlaams beschermingsmechanisme 7

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 7 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 6. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 6 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 7, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 7 betrekking op de periode van 1 april 2021 tot en met 30 april 2021.

Ook hier moet de onderneming aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in de volgende periode, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen.

  • Periode van 1 april 2021 tot en met 30 april 2021.

De niet-essenti√ęle handelszaken waren niet verplicht gesloten en kunnen niet gebruikmaken van bovenstaande regeling. Zij moeten steeds de omzetdaling van 60% aantonen. Hierbij mogen zij wel de referentieomzet uit de gehele maand april 2019 gebruiken ten opzichte van de periode van 1 april 2021 t.e.m. 25 april 2021. Hierbij is wel de voorwaarde gesteld dat zij voor de maand april 2021 minstens deeltijds open waren op afspraak. De niet-essenti√ęle handelszaken dienen geen rekening te houden met de omzet behaald uit de verkoop van vooraf bestelde goederen (afhaal en thuislevering)

Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 april 2019 tot en met 30 april 2019 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 15 % van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 april t.e.m. 30 april 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

VLAIO staat in voor de verwerkingen van de aanvragen.

De premie kan u aanvragen vanaf 3 mei 2021 tot en met 15 juni 2021.

1. B) Vlaams beschermingsmechanisme 6

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 6 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 5. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 5 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 6, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 6 betrekking op de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 maart 2021.

De onderneming moet aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in één van volgende periodes, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen.

  • Periode van 27 maart 2021 tot en met 31 maart 2021 (voor niet-medische contactberoepen); of
  • Periode van 1 maart 2021 tot en met 31 maart 2021.

Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 maart 2019 tot en met 31 maart 2019 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 maart 2019 t.e.m. 31 maart 2019, ofwel van 27 maart 2019 t.e.m. 31 maart 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.
Als voorbeeld kunnen we hierbij wel vernoemen dat voor een niet-medische contactberoepen met minder dan 10 werknemers die verplicht diende te sluiten in de periode van 27 maart 2021 t.e.m. 31 maart 2021, de volgende premies zouden gelden:

  • Periode van 27 maart 2021 t.e.m. 31 maart 2021: minimaal 97,00 en maximaal 1.210,00 euro;

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

VLAIO staat in voor de verwerkingen van de aanvragen.

De premie kan u aanvragen tot en met 15 mei 2021.

1. C) Vlaams beschermingsmechanisme 5

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 5 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 4. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 4 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 5, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 5 betrekking op de periode van 1 februari 2021 tot en met 28 februari 2021.

Ook hier moet de onderneming aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2020. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in één van volgende periodes, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen.

  • Periode van 1 februari 2021 tot en met 7 februari 2021 (voor vakantiehuizen in vakantieparken, bungalowparken en campings); of
  • Periode van 1 februari 2021 tot en met 12 februari 2021 (voor kappers); of
  • Periode van 1 februari 2021 tot en met 28 februari 2021.

Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 februari 2020 tot en met 28 februari 2020 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 februari t.e.m. 28 februari 2020, ofwel van 1 februari 2020 t.e.m. de laatste verplichte sluitingsdag zijnde 7 of 12 februari 2021. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.
Als voorbeeld kunnen we hierbij wel vernoemen dat voor een niet-medische contactberoepen met minder dan 10 werknemers die verplicht diende te sluiten in de periode van 1 februari t.e.m. 28 februari 2021, de volgende premies zouden gelden:

  • Periode van 1 februari 2021 t.e.m. 28 februari 2021: minimaal 600,00 en maximaal 7.500,00 euro;

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme 5 kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 6.

1. D) Vlaams beschermingsmechanisme 4

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 4 is de opvolger van het Vlaams Beschermingsmechanisme 3. Indien de onderneming reeds de premie voor het Vlaams Beschermingsmechanisme 3 heeft verkregen en voldoet aan de voorwaarden van het Vlaams Beschermingsmechanisme 4, kan zij de premies dan ook cumuleren.

Echter heeft het Vlaams Beschermingsmechanisme 4 betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 januari 2021.

Ook hier moet de onderneming aantonen dat zij getroffen is door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2020. Hierop is echter wel 1 uitzondering: voor de ondernemingen die verplicht gesloten zijn in de periode van 1 januari tot en met 31 januari 2021, zij dienen geen omzetdaling aan te tonen. Echter was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 1 januari 2020 tot en met 31 januari 2020 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten dan moet de omzetdaling toch bewezen worden. Dezelfde voorwaarden gelden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing zijn.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestaat uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode van 1 januari t.e.m. 31 januari 2020, ofwel van 1 januari 2020 t.e.m. de laatste verplichte sluitingsdag (uiterlijk 14 januari) ofwel van 15 januari 2020 tot en met 31 januari 2020. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hebben eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.
Als voorbeeld kunnen we hierbij wel vernoemen dat voor een niet-medische contactberoepen met minder dan 10 werknemers die verplicht diende te sluiten in de periode van 1 januari t.e.m. 31 januari 2021, de volgende premies zouden gelden:

  • Periode van 1 januari 2021 t.e.m. 31 januari 2021: minimaal 600,00 en maximaal 7.500,00 euro;

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hebben enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hebben recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant zijn van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht hebben en die niet beschikken over een "witte kassa", hebben slechts recht op de premie tot maximaal 1.500,00 euro.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme 4 kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 5.

1. E) Vlaams Beschermingsmechanisme 3

Wat?

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 3 was de opvolger van het Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme. Ook hier diende de onderneming aan te tonen dat zij getroffen werd door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop was echter wel 1 uitzondering: voor de periode van de verplichte sluiting tot 30 november of tot 31 december, diende zij geen omzetdaling aan te tonen. Dezelfde voorwaarden golden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme.

De maatregel gold voor één van volgende periodes:

  • van 16 november 2020 tot en met 30 november 2020; of
  • van 16 november 2020 tot en met 31 december 2020.

Een cumulatie van de premie voor de beide periodes samen was niet mogelijk. Ondernemingen dienden te kiezen voor welke periode zij de premie aanvragen. Indien de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 16 november 2019 t.e.m. 31 december 2019 voor meer dan de helft afhankelijk was van afhaal-activiteiten dan diende de omzetdaling toch bewezen worden.

Hoeveel?

Het Vlaams Beschermingsmechanisme 3 bestond uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode vanaf 16 november t.e.m. 30 november 2019 of vanaf 16 november 2019 t.e.m. 31 december 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hadden eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie is afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming niet langer verplicht gesloten was en het aantal werknemers. Vlaio voorziet hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hadden enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineerden met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hadden recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant waren van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verrichten en die niet beschikken over een "witte kassa", hadden slechts recht op de premie tot maximaal 2.250 euro.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme 3 kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 4.

1. F) Nieuw Vlaams beschermingsmechanisme

Wat?

Het nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme is de opvolger van het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme. Ook hier diende de onderneming aan te tonen dat zij getroffen werd door een omzetdaling van 60% in vergelijking met dezelfde periode in 2019. Hierop was echter wel 1 uitzondering: voor de periode vanaf de verplichte sluiting tot 15 november, diende zij geen omzetdaling aan te tonen. Dezelfde voorwaarden golden zoals bij het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme van toepassing waren.

De maatregel gold voor één van volgende periodes:

  • van 1 oktober 2020 tot en met 15 november 2020; of
  • van 19 oktober 2020 tot en met 15 november 2020; of
  • vanaf de verplichte sluiting van de onderneming tot en met 15 november 2020.

Een cumulatie van de premie met het (oude) Vlaams Beschermingsmechanisme of voor de beide periodes samen was niet mogelijk. Ondernemingen dienden te kiezen voor welke periode zij de premie aanvragen.

De keuze van de periode was voornamelijk van belang voor ondernemingen die verplicht gesloten werden: indien ondernemingen in de horecasector kozen voor de periode van 19 oktober t.e.m. 15 november moeten zij geen omzetdaling aantonen. Koos een andere onderneming die diende te sluiten vanaf 2 november 2020, voor de periode startende vanaf die datum t.e.m. 15 november, dan diende zij ook geen omzetdaling aan te tonen. Koos een onderneming echter voor een andere periode, dan diende zij wel een omzetdaling van 60% te bewijzen. Bovendien: was de omzet voor een onderneming uit de horecasector in 19 oktober 2019 t.e.m. 15 november 2019 voor meer dan de helft afhankelijk van afhaal-activiteiten, dan diende de omzetdaling toch bewezen te worden.

Hoeveel?

De compensatiepremie bestond uit een premie van 10% van de omzet, exclusief btw, in de periode vanaf 1 oktober t.e.m. 15 november 2019, vanaf 19 oktober t.e.m. 18 november 2019 of de periode vanaf de verplichte sluiting t.e.m. 15 november 2019. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hebben van minstens 13.993,78 euro, hadden eveneens recht op deze premie. Er werd ook voorzien in een minimale subsidie.

Het minimale en maximale bedrag van de premie was afhankelijk van het ogenblik waarop de onderneming verplicht diende te sluiten en het aantal werknemers. Vlaio voorzag hiervoor echter een duidelijk overzicht voor de verschillende sectoren.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hadden enkel recht op de premie, indien zij hun bijberoep combineerden met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hadden recht op een gehalveerde premie van 5% van de omzet, exclusief btw, voor één van beide periodes.

Ondernemingen die exploitant waren van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht en die niet beschikken over een "witte kassa", hadden slechts recht op de premie tot maximaal 2.250 euro.

Aanvraag

Het Nieuw Vlaams beschermingsmechanisme kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Vlaams Beschermingsmechanisme 3.

1. G) Vlaams beschermingsmechanisme

Wie?

De Vlaamse overheid kwam met een nieuwe steunmaatregel voor ondernemingen die zwaar getroffen werden door een omzetverlies van minstens 60% in de maanden augustus en september 2020. Het gaat dus enkel om ondernemingen die geen recht hadden op de Vlaamse Hinderpremie voor de maanden augustus en september 2020. De premie was ook enkel van toepassing op ondernemingen die op 1 augustus 2020 als actief ingeschreven waren in de KBO.

Voor ondernemingen die te kampen hadden met een omzetdaling van minstens 60%, in de periode van 1 augustus 2020 en 30 september 2020 tegenover dezelfde periode van 2019 voorzag de Vlaamse overheid nu een premie. Starters dienden de omzetdaling te vergelijken met het neergelegde financieel plan. De omzetdaling betrof niet de daling van de omzet door uitgestelde facturatie, maar deze omwille van de verminderde prestaties van de onderneming. Om de omzetdaling aan te tonen diende er gekeken te worden naar dagontvangsten, geleverde prestaties of tijdsregistratie.

De Vlaamse overheid beperkte het recht op het Vlaams beschermingsmechanisme tot ondernemingen wiens hoofdactiviteit (zoals opgenomen in de KBO) behoort tot de lijst van NACE-codes die VLAIO publiceerde. Ook ondernemingen die verplicht gesloten waren omwille van de maatregelen van de Nationale Veiligheidsraad konden gebruik maken van deze premie.

Naast de ondernemingen die reeds genoten van de hinderpremie, zijn holding-, patrimoniumvennootschappen, activiteiten van hoofdkantoren en managementvennootschappen van ondernemingen die een compensatie- of hinderpremie genieten uitdrukkelijk uitgesloten.

Substanti√ęle exploitatiebeperkingen

Ondernemingen dienden te bewijzen dat zij getroffen werden door substanti√ęle exploitatiebeperkingen ingevolge de coronamaatregelen. Hierbij gaat het niet om de vrijwillig genomen maatregelen, maar om omzetdalingen die het gevolg waren van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad. Bij het indienen van de aanvraag, diende u dit omstandig te motiveren.

Hoeveel?

Het Vlaams Beschermingsmechanisme bestond uit een premie van 7,5% van de omzet, exclusief btw, van augustus en september 2019. De premie kon echter maximaal 15.000 euro bedragen. Zelfstandigen in bijberoep, die in 2019 een beroepsinkomen hadden van minstens 13.993,78 euro, hadden eveneens recht op deze premie. Ondernemingen die exploitant waren van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt of van een traiteurszaak die regelmatig cateringdiensten verricht en die niet beschikken over een "witte kassa", hadden slechts recht op de premie tot maximaal 3000 euro.

Voor zelfstandigen in bijberoep waarvan het inkomen tussen de 6.996,98 euro en 13.993,78 euro ligt, werd een aparte regeling voorzien. Zelfstandigen van deze categorie hadden enkel recht op premie, indien zij hun bijberoep combineren met een job als werknemer van minder dan 80%. Zij hadden recht op een gehalveerde premie van 3,75% van de omzet, exclusief btw, van augustus en september 2019.

Om recht te hebben op het volledige bedrag van de premie diende de onderneming vanaf 24 augustus 2020 minder openingsdagen te hebben dan in dezelfde periode in 2019.

Aanvraag

Het Vlaams beschermingsmechanisme kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door het Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme.

2) Corona ondersteuningspremie

De overheid voorzag in een bijkomende compensatiepremie voor ondernemingen. De premie bestaat uit het ondersteunen van ondernemingen die nog steeds getroffen werden door omzetverlies naar aanleiding van Covid-19. Ondernemingen die in aanmerking kwamen voor de Corona-hinderpremie of voor de corona-compensatiepremie konden dan aanspraak maken op deze aanvullende premie. De premie had dus voornamelijk ondernemingen op het oog die gesloten waren en die hun activiteiten heropstarten.

De onderneming diende een omzetverlies te lijden van 60% in de periode van 1 maand na de heropening. Deze periode diende vergeleken te worden met een referentieperiode van 2019. Bijvoorbeeld voor winkels loopt deze periode van 11 mei tot 11 juni 2020 en voor de horeca van 8 juni tot 8 juli 2020. Net als bij de corona-compensatiepremie diende er gekeken te worden naar dagontvangsten, geleverde prestaties of tijdsregistratie.

Het betrof een eenmalige premie van 2000 euro. Indien de aanvrager een zelfstandige in bijberoep is, in de zin van de corona-compensatiepremie, is de premie 1000 euro.

Aanvraag

De Corona ondersteuningspremie kan u niet langer aanvragen.

3) Vlaamse Compensatiepremie

Wat?

De Vlaamse overheid kwam tijdens de eerste Covid-Lockdown met een nieuwe steunmaatregel op de proppen. Dit voor ondernemingen die openbleven, maar getroffen werden door een groot omzetverlies. Het ging enkel om ondernemingen die geen recht hadden op de Vlaamse Hinderpremie. De premie was ook enkel van toepassing op ondernemingen die op 12 maart 2020 als actief ingeschreven zijn in de KBO. VZW's konden eveneens recht hebben op de premie, indien zij minstens één VTE personeelslid te werk stellen.

Het betrof een eenmalige premie van 3000 euro. Indien de aanvrager een zelfstandige in bijberoep is, is de premie 1500 euro.

Aanvraag

De Vlaamse Compensatiepremie kan u niet langer aanvragen. Deze werd vervangen door de corona-ondersteuningspremie.

4) Corona - hinderpremie 

Wat?

Alle ondernemingen met een fysieke locatie, zoals een winkel of een kantoor, in het Vlaamse Gewest die de deuren hebben moeten sluiten bij de eerste Covid-lockdown, konden een aanvraag indienen voor decorona-hinderpremie. De sluiting diende evenwel een rechtstreeks gevolg te zijn van de verplicht opgelegde sluiting door de overheid. Bij een vrijwillige sluiting had u dus geen recht op de premie. De premie werd toegekend per vestiging voor zover in de bijkomende vestigingen minstens één voltijds personeelslid tewerkgesteld was. Het aantal premies werd beperkt tot maximaal vijf per onderneming.

Zelfstandigen die gemengde activiteiten hadden en slechts gedeeltelijk opnieuw zijn kunnen starten hadden nog steeds recht op de hinderpremie.

Aanvragen

De corona-hinderpremie kan niet meer aangevraagd worden. Bij de tweede Covid-lockdown werd corona-hinderpremie vervangen door het Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme.

5. a) Overbruggingsrecht: quarantaine en sluiting school en kinderopvang

Wie?

Zelfstandigen in hoofdberoep die in quarantaine moeten of die moeten instaan voor de opvang en zorg van een kind door sluiting van scholen of kinderopvang hebben, kunnen gebruik maken van een speciaal daarvoor in het leven geroepen overbruggingsrecht. Deze regeling geldt voor zelfstandige die gedurende minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen zijn/haar activiteiten volledig moet onderbreken. Deze opeenvolgende dagen moeten echter niet in dezelfde kalendermaand vallen. Echter geldt de premie voorlopig enkel voor de maanden januari, februari en maart 2021.

Dient men in quarantaine of in isolatie te gaan, dan heeft men enkel recht indien een quarantaine-attest beschikbaar is op naam van de zelfstandige of van een persoon die ingeschreven is op hetzelfde adres. Is men bewust naar een rode zone gereisd of is men ziek (hier heeft men recht op een ziekteuitkering), dan heeft men geen recht op het overbruggingsrecht.

Indien het gaat om de opvang van een kind jonger dan 18 jaar, dan dient het kind op hetzelfde adres als de zelfstandige te wonen. Er is enkel recht op de premie indien het kind in quarantaine of isolatie moet, scholen, klassen of het kinderdagverblijf gesloten is omwille van Covid-19 of er voorzien werd in afstandsonderwijs. Voor de dagen dat een kind andere jaren ook thuis zou verblijven, bijvoorbeeld tijdens schoolvakanties is er geen recht op de premie. De zelfstandige zal deze toestand moeten aantonen met een attest van het kinderdagverblijf of school.

Deze maatregel is niet van toepassing op zelfstandigen die hun activiteiten van thuis uit kunnen verderzetten. De activiteiten moeten namelijk geheel stopgezet zijn gedurende deze periode. Zelfstandigen die recht heeft op andere vervangingsinkomen (zoals een ziekte-uitkering), heeft eveneens geen recht op het klassiek overbruggingsrecht.

Bedrag

Het overbruggingsrecht bedraagt voor een onderbreking vanaf 7 dagen 322,92 euro of 403,52 euro (met gezinslast). Duurt de onderbreking 14 dagen en meer dan is het bedrag 645,84 euro of 807,05 euro (met gezinslast). Bij een onderbreking van 21 dagen en meer 968,77 euro of 1.210,58 euro (met gezinslast) en vanaf 28 dagen heeft de zelfstandige recht op de gehele premie van 1.291,69 euro of 1.614,10 euro (met gezinslast).

Zelfstandigen in bijberoep, 65-plussers zonder pensioen (die een bijdrage betalen tussen 370,85 en 741,63 euro) en student-zelfstandige (met een bijdrage van minder dan 741,63 euro) hebben recht op een halve uitkering.

Aanvraag

Het overbruggingsrecht quarantaine, isolatie en kinderopvang dient men aan te vragen via het sociaal verzekeringsfonds. De aanvraag kan men aanvragen voor 30 november 2021 voor de maanden januari, februari en maart 2021.

5. b) (Dubbel) overbruggingsrecht voor zelfstandigen (Crisis-overbruggingsrecht)

5.b)1. Enkel overbruggingsrecht

Het overbruggingsrecht was er tot nu enkel voor zelfstandigen die hun activiteit voor minstens één maand dienden te onderbreken of stopzetten. In volle corona-crisis publiceerde de overheid op 24 maart 2020 een nieuwe wet om het klassiek overbruggingsrecht uit te breiden en te versoepelen.

Wie?

Voor zelfstandigen die hun activiteiten volledig stopzetten of moeten sluiten omwille van het coronavirus is op 23 maart een nieuwe wet gepubliceerd. Onder "zelfstandige" wordt hier verstaan hoofdberoepers, helpers, meewerkende echtgenoten, maar ook starters (die nog geen 4 kwartalen sociale bijdragen hebben betaald).

Artsen-specialisten, medisch beroepers, zorgverleners en dierenartsen die enkel dringen en absoluut noodzakelijke behandelingen voeren, hebben ook recht op het overbruggingsrecht. Ook zelfstandigen in hoofdberoep die de pensioenleeftijd niet bereikt hebben, maar die een overlevingspensioen genieten hebben recht op het overbruggingsrecht. Heeft de zelfstandige de pensioenleeftijd bereikt, dan komt hij/zij niet langer in aanmerking.

Zelfstandigen in bijberoep kunnen nu ook in aanmerking komen voor deze steunmaatregel. Dit zolang hun wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen minstens gelijk zijn aan de minimumbijdragen voor zelfstandigen in hoofdberoep. Dat men naast het overbruggingsrecht nog een uitkering voor tijdelijke werkloosheid (omwille van overmacht: zie hierboven) zou ontvangen, staat hieraan niet in de weg.

De zelfstandigen in bijberoep kunnen gebruikmaken van het half overbruggingsrecht. Ook starters vanaf 1 april 2020 komen niet in aanmerking.

Betaalt een onderneming nog bezoldigingen en voordelen alle aard aan haar bedrijfsleider, dan staat dit de bedrijfsleider niet in de weg om voor zijn zelfstandige activiteit het overbruggingsrecht aan te vragen.

Hoeveel?

In voornoemde wet van 23 maart versoepelt de overheid de voorwaarden voor het krijgen van het overbruggingsrecht versoepeld. Zo is het aantal opeenvolgende kalenderdagen van verplichte sluiting teruggeschroefd van minstens een maand naar minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen, om te kunnen genieten van het overbruggingsrecht. Bovendien, indien uw activiteit voorkomt in de lijst van activiteiten die verboden zijn, dan valt de vereiste van 7 opeenvolgende kalenderdagen zelfs weg.

Het overbruggingsrecht is opnieuw van belang voor alle ondernemingen die verplicht moeten sluiten door de ministeri√ęle besluiten van 18 en 28 oktober 2020 en 1 november 2020. Voor een overzicht van de verplicht gesloten ondernemingen en afhankelijke ondernemingen.

De uitkering van het overbruggingsrecht zal afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 1.291,69 euro, dan wel 1.614,10 euro met gezinslast, bedragen. U hebt recht op de verhoogde uitkering indien u kunt aantonen dat u minstens 1 persoon ten laste hebt bij het ziekenfonds. Dit doet u door middel van een verklaring op eer. De verhoogde uitkering kan slechts door één persoon binnen het gezin aangevraagd worden.

Het overbruggingsrecht is een belastbaar inkomen. Er wordt evenwel geen bedrijfsvoorheffing ingehouden en er dienen geen sociale bijdragen op betaald te worden.

Het crisis-overbruggingsrecht dekt de periode tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2021, maar deze periode kan de federale regering nog verlengen indien de crisis langer duurt.

5.b) 2. Dubbel overbruggingsrecht

Voor de maanden oktober, november en december heeft de overheid voorzien in een verdubbeling van het overbruggingsrecht.

Het kan aangevraagd worden voor zelfstandigen die verplicht moeten sluiten in oktober en/of november en december. Ook zelfstandigen die minstens voor 60% afhankelijk zijn van een sector die wel moeten sluiten hebben recht op het dubbel overbruggingsrecht als ze hun activiteiten volledig stopzetten. Zelfstandigen die voor 60% afhankelijk zijn, maar die hun andere activiteiten wel voortzetten, hebben slechts recht op het enkel overbruggingsrecht.

Zelfstandigen in de horeca kunnen bijgevolg het dubbele overbruggingsrecht verkrijgen voor oktober 2020 t.e.m. januari 2021. Niet-essenti√ęle handelszaken kunnen het dubbele overbruggingsrecht pas aanvragen voor de maand november t.e.m. december. Sectoren die nog steeds gesloten waren sinds de eerste lockdown hebben uiteraard ook recht op het dubbele overbruggingsrecht. Dit voor de maand oktober en de volgende maanden.

Vanaf januari 2021 kunnen zelfstandigen die minstens voor 60% afhankelijk zijn van een sector die moet sluiten, maar die nog een beperkte activiteit kunnen uitoefenen niet langer gebruik maken van het dubbel overbruggingsrecht. Zij moeten hun aanvraag indienen voor het overbruggingsrecht omzetdaling.

Voor februari en maart 2021 kunnen enkel zelfstandigen die verplicht gesloten zijn en die hun activiteiten volledig onderbreken nog gebruik maken van het dubbel overbruggingsrecht. Alle andere zelfstandigen, waaronder dus diegene die nog wel verplicht gesloten zijn, maar take away, click and collect organiseren, moeten hun aanvraag indienen voor het overbruggingsrecht omzetdaling.

Hoeveel?

De premie bedraagt het dubbele van het normale overbruggingsrecht: de uitkering van het overbruggingsrecht zal afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 2.583,38 euro, dan wel 3.228,20 euro met gezinslast, per maand bedragen.

Voor de periode februari en maart 2021 bedraagt de premie afhankelijk van het bestaan van een gezinslast 1.614,10 euro , dan wel 1.291,69 euro met gezinslast, per maand. Is de zelfstandige minder dan 15 dagen in die maand gesloten, dan bedraagt de premie respectievelijk: 807,05 euro en 645,85 euro per maand.

Ondernemingen die opnieuw hun activiteiten mogen uitoefenen in februari 2021, zoals kappers, Immo-kantoren en campings, hebben voor de maand februari 2021 nog steeds recht op het dubbel overbruggingsrecht.

Op het dubbel overbruggingsrecht moet u geen sociale bijdragen betalen.

Aanvragen

Het overbruggingsrecht vraagt u aan via het sociaal verzekeringsfonds voor 31 december 2020 voor de maanden april, mei en juni 2020, voor 31 maart 2021 voor de maanden juli, augustus en september, voor 30 juni 2021 voor de maanden oktober, november en december en voor 31 september 2021 voor de maanden januari, februari en maart. De overheid heeft beslist het dubbel overbruggingsrecht te verlengen tot 30 juni 2021.

Ondernemingen die verplicht gesloten zijn sinds 2 november 2020 moeten een nieuwe aanvraag voor het dubbele overbruggingsrecht indienen.

5.c) Halve overbruggingsrecht voor zelfstandigen in bijberoep en gepensioneerden

Zelfstandigen in bijberoep die geen aanspraak kunnen maken op het overbruggingsrecht zoals hierboven omschreven en actieve gepensioneerde zelfstandigen die eveneens uit de boot vielen krijgen nu toch een reddingsboei toegeworpen. Voor hen voorziet de overheid nu in een speciale regeling waarbij zij nu recht hebben op een half overbruggingsrecht voor de maanden maart, april, mei en/of juni. De voorwaarden van het 'volledige' overbruggingsrecht zijn ook hier van toepassing. Zelfstandigen die gestart zijn na 1 januari 2018 komen niet in aanmerking.

Wie?

Zelfstandigen in bijberoep waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen zich tussen 6.996,89 euro en 13.993,77 euro bevinden.

Actieve gepensioneerde zelfstandige waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen hoger zijn dan 6.996,89 euro.

Hoeveel?

Het overbruggingsrecht betreft een maximale uitkering van 645,85 euro, en 807,05 euro met gezinslast, per maand. Maximaal, want het bedrag van het halve overbruggingsrecht wordt vermindert afhankelijk van het vervangingsinkomen dat de zelfstandige verkrijgt. Denk bij het vervangingsinkomen aan de werkloosheidsuitkering, pensioen, arbeidsongeschiktheidsuitkering, etc.

Ook dit overbruggingsrecht verdubbelde de overheid (net als het dubbel overbruggingsrecht): de maximale uitkering betreft voor de maanden oktober en/of november: 1.291,69 euro, dan wel 1.614,10 euro met gezinslast.

De combinatie van het halve overbruggingsrecht met het vervangingsinkomen mag maandelijks de 1614,10 euro niet overschrijden. Komt de som van beide uitkeringen boven dit maximale bedrag, dan wordt het bedrag van het halve overbruggingsrecht ingekort tot deze 1615,10 euro per maand.

Krijgt u bijvoorbeeld een pensioen of werkloosheidsuitkering van 1200 euro/maand, dan kan u slechts aanspraak maken op een half overbruggingsrecht van 414,10 euro/maand.

Op het dubbel overbruggingsrecht moet u geen sociale bijdragen betalen.

Aanvraag

Het (half) overbruggingsrecht kunt u aanvragen via uw sociaal verzekeringsfonds. Voor de maand maart voor 30 september 2020, voor april, mei en juni voor 31 december 2020 en voor juli en augustus voor 31 maart 2021 en voor 30 juni 2021 voor de maanden oktober, november en december. U dient de website van uw sociaal verzekeringsfonds hiervoor te raadplegen. De overheid heeft beslist deze steunmaatregel te verlengen tot 30 juni 2021.

Voor de maand juni is het overbruggingsrecht eveneens van toepassing voor zelfstandigen die verplicht moeten sluiten of gedurende 7 opeenvolgende dagen hun activiteiten niet kunnen uitoefenen. Zij dienen voor de maand juni echter wel een nieuwe aanvraag in te dienen bij hun sociaal verzekeringsfonds. De sociaal verzekeringsfondsen verlengen namelijk niet automatisch de aanvraag die heeft plaatsgevonden in de voorgaande maanden.

5. d) Overbruggingsrecht ter ondersteuning van de heropstart (Relance)

Het relance-overbruggingsrecht is niet meer van toepassing vanaf 2021. Het kan wel nog aangevraagd worden voor de maanden april t.e.m. december 2020.

Voor zelfstandigen die verplicht volledig of gedeeltelijk diende te sluiten door de coronamaatregelen van de overheid hebben recht op een bijkomend overbruggingsrecht. De bijkomende premie is enkel van toepassing voor zelfstandigen in hoofdberoep of zelfstandigen in bijberoep die sociale bijdragen betalen als een zelfstandige in hoofdberoep. De premie bedraagt evenveel als het volledig overbruggingsrecht: 1.291,69 of 1.614,10 euro per maand.

Het nieuwe overbruggingsrecht kan u aanvragen voor de maanden juni tot en met oktober. Om hierop recht te hebben moet u kijken naar het kwartaal voorafgaand aan de maand waarvoor u de premie aanvraagt. Indien de omzet in die periode gedaald is met minstens 10%, in vergelijking met 2019, heeft men recht op de premie. Voor de maand juni gaat het om het kwartaal waarop de aanvraag van toepassing is in vergelijking met datzelfde kwartaal van het vorige jaar (2de kwartaal 2020 vergelijken met 2de kwartaal 2019)

Dit speciale overbruggingsrecht kan u niet combineren met het volledige of halve overbruggingsrecht, tijdelijk ouderschapsverlof en uitkeringen uitbetaald door een ziekenfonds.

De aanvraag zal net als het volledige en halve overbruggingsrecht verlopen via de sociaal verzekeringsfondsen. U moet uw aanvraag indienen voor 30 september 2020 voor de maand maart, voor 31 december 2020 voor de maanden april, mei en juni, voor 31 maart 2021 voor de maanden juli, augustus en september en voor 30 juni 2021 voor de maanden oktober, november en december.

Op het relance overbruggingsrecht moet u geen sociale bijdragen betalen.

5. E) Overbruggingsrecht omzetdaling

De overheid heeft ter vervanging van het dubbel overbruggingsrecht vanaf 2021 voorzien in een nieuw soort overbruggingsrecht voor zelfstandigen. Zelfstandigen, ongeacht de sector, die in de maanden januari, februari en maart 2021 een omzetdaling van minstens 40% hebben in voorgaande maand, hebben recht op deze premie. De zelfstandige kan dit overbruggingsrecht enkel aanvragen indien hij/zij geen andere financi√ęle uitkering geniet in het kader van de andere overbruggingsrechten. Bovendien moet de zelfstandige minstens 4 kwartalen van de laatste 16 kwartalen zijn/haar sociale bijdrage betaald hebben.

De premie zal beschikbaar zijn voor die zelfstandigen die niet langer verplicht gesloten zijn of die bij de verplichte sluiting toch nog activiteiten uitoefenen, bijvoorbeeld door take away of click & collect.

Om het omzetverlies van 40% aan te tonen moet men vergelijken met dezelfde periode in 2019. Bijvoorbeeld: wil men de premie aanvragen voor februari 2021, dan kijkt men voor het omzetverlies naar januari 2021 in vergelijking met januari 2019. De omzetdaling moet te wijten zijn aan de Covid-19 crisis en is te beoordelen per maand.

De premie bedraagt evenveel als de andere overbruggingsrechten: 1.291,69 of 1.614,10 (met gezinslast) euro per maand. Ook voor meewerkende echtgenote(n)(s) onder het maxistatuut; zelfstandigen in bijberoep, student-zelfstandigen, 65-plussers die de bijdragen betalen als een zelfstandige in hoofdberoep. Zelfstandigen in bijberoep, 65-plussers zonder pensioen (die een bijdrage betalen tussen 370,85 en 741,63 euro) en student-zelfstandige (met een bijdrage van minder dan 741,63 euro) hebben recht op een halve uitkering van 645,85 euro of 807,05 (met gezinslast) euro per maand.

Deze uitkering is wel te combineren met andere vervangingsuitkeringen (andere dan overbruggingsrechten), zoals werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, etc. Hetgeen u krijgt uit deze andere vervangingsuitkeringen houdt het sociaal verzekeringsfonds af van de premie van het overbruggingsrecht, geplafonneerd tot het bedrag van het overbruggingsrecht.

Op het overbruggingsrecht omzetdaling moet u geen sociale bijdragen betalen.

Aanvraag.

De aanvraag zal net als het volledige en halve overbruggingsrecht verlopen via de sociaal verzekeringsfondsen. Zij vragen om de omzetdaling aan te tonen een attest van de boekhouder, het bewijs uit het dagboek of rekeninguittreksels, etc en de gemotiveerde verklaring om het verband hiervan aan te tonen met Covid-19. U moet uw aanvraag indienen voor 30 september 2021 voor de maanden januari, februari en maart 2021. De overheid heeft beslist het  overbruggingsrecht omzetdaling te verlengen tot 30 juni 2021.

Per maand zal u een nieuwe aanvraag moeten indienen, waarbij het sociaal verzekeringsfonds bij elke aanvraag nieuwe omzetcijfers verlangd.

6) Financi√ęle steunmaatregelen

De overheid heeft met de banksector een akkoord kunnen treffen over het verlenen van betalingsuitstel aan bedrijf en gezinnen.

Betalingsuitstel hypothecair woonkrediet

Particulieren kunnen voor de hypothecaire lening van hun gezinswoning (die hun enige woning is) betalingsuitstel verkrijgen tot maximaal 31 oktober 2020. De maatregel is echter aan heel wat voorwaarden verbonden, waardoor vele gezinnen alsnog uit de boot zullen vallen. Zo geldt het betalingsuitstel normaal voor zowel de kapitaal- als interestaflossingen. Na de periode waarvoor u uitstel heeft verkregen, zal de bank echter wel de uitgestelde interesten mogen verrekenen indien het maandelijks netto gezinsinkomen hoger ligt dan 1700 euro. Het aanrekenen van administratie- en dossierkosten door de bank is steeds uit ten boze.

Particulieren die van het betalingsuitstel gebruik willen maken moeten aantonen dat de inkomsten gedaald zijn door het coronavirus. Dit doordat zij geconfronteerd zijn met een situatie van tijdelijke werkloosheid, ziekte of sluiting van hun onderneming. Op 1 februari 2020 mag op het betreffende woningkrediet nog geen betalingsachterstand bestaan en mag uw totaal roerend vermogen (dit wil zeggen de gelden op zicht-, spaarrekeningen en beleggingsportefeuilles) niet gelijk zijn aan of hoger zijn dan 25 000 euro.

Betalingsuitstel ondernemingskredieten

Alle levensvatbare zelfstandigen, KMO's en niet-financi√ęle bedrijven hebben recht op betalingsuitstel zonder kosten tot 31 oktober 2020. Het betalingsuitstel geldt enkel voor de kapitaalaflossingen en niet voor de interestaflossingen.

Om van het betalingsuitstel gebruik te kunnen maken moet de onderneming aan volgende voorwaarden voldoen:

  • De onderneming wordt geconfronteerd met betalingsproblemen, doordat de inkomsten van de onderneming gedaald zijn/zullen dalen; er geheel of gedeeltelijk beroep wordt gedaan op de tijdelijke werkloosheid van de werknemers of omdat de overheid heeft bevolen tot de sluiting van de onderneming.
  • Op 1 februari 2020 mag de onderneming geen betalingsachterstand had opgelopen of op 29 februari 2020 een betalingsachterstand hebben gehad van 30 dagen of meer.
  • De onderneming is gevestigd in Belgi√ę.
  • De onderneming moet aan alle banken aan haar contractuele kredietverplichtingen voldaan hebben gedurende de laatste 12 maanden voorafgaand aan 31 januari 2020 en zij doorloopt momenteel geen actieve kredietherstructurering.
  • Het betalingsuitstel is enkel van toepassing op¬†kredieten met een vast aflossingsplan, kaskredieten en vaste voorschotten.

Indien u gebruik wil maken van het betalingsuitstel en u denkt onder de voorgenoemde voorwaarden valt, zal u contact willen opnemen met uw bank.

Moet een onderneming omwille van het coronavirus een nieuw krediet aangaan tussen 22 maart 2020 en 30 september 2020 dan is dit krediet gewaarborgd door de overheid. Om onder dit stelsel te vallen moet het zoals hierboven eveneens gaan om levensvatbare zelfstandigen, KMO's en niet-financi√ęle ondernemingen. Ook enkel ondernemingen die geen betalingsachterstand hadden op 1 februari 2020 of een betalingsachterstand hadden van minder dan 30 dagen op 29 februari 2020 komen in aanmerking. Op deze kredieten is een maximumrente van 1,25 procent (+ extra kosten) van toepassing.

7) Fiscale steunmaatregelen

Ook de FOD Financi√ęn doet haar duit in het zakje tijdens deze crisis. Om ondernemers wat financi√ęle ademruimte te geven heeft ze alvast navolgende fiscale steunmaatregelen aangekondigd.

a. Uitstel aangiftes vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners

Voor het indienen van de aangiftes vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners krijgt u uitstel tot 30 april middernacht. Dit uitstel geldt enkel voor de aangifte met uiterste datum lopende van 16 maart t.e.m. 30 april 2020.

b. Uitstel BTW- aangiften

Voor de periodieke btw-aangiftes worden de termijnen als volgt verlengd:

  • juni 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • kwartaal 2 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • juli 2020: uitstel tot 10 september 2020

Voor de intracommunautaire opgaves worden de termijnen als volgt verlengd:

  • februari 2020: uitstel tot 6 april 2020
  • maart 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 7 mei 2020
  • april 2020: uitstel tot 5 juni 2020

c. Uitstel jaarlijkse klantenlisting

De termijn voor het indienen van de jaarlijkse klantenlisting is verlengd tot 30 april 2020. Maar indien u uw activiteit reeds hebt stopgezet, krijgt u tijd tot het einde van de 4de maand na het stopzetten van de btw-activiteit.

d. Uitstel betaling BTW, bedrijfsvoorheffing

De overheid heeft beslist om een automatisch uitstel van betaling te verlenen van twee maanden voor navolgende betaling van belastingen, en dit zonder er boetes of intresten aan te rekenen.

Inzake btw-aangiften wordt de betalingstermijn als volgt verlengd:

  • juni 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • kwartaal 2 2020: uitstel tot 10 augustus 2020
  • juli 2020: uitstel tot 10 september 2020

Voor wat betreft de aangiften bedrijfsvoorheffing kent de overheid betalingsuitstel als volgt toe:

  • februari 2020: uitstel tot 13 mei 2020
  • maart 2020: uitstel tot 15 juni 2020
  • kwartaal 1 2020: uitstel tot 15 juni 2020
  • april 2020: uitstel tot 15 juli 2020

Dit jaar moet u geen decembervoorschot betalen op de btw voor de verrichtingen van het vierde kwartaal 2020 (bij kwartaalaangiften) of de maand december 2020 (bij maandaangiften).

e. Uitstel betaling personenbelasting en de vennootschapsbelasting

Wat de betaling van personenbelasting, vennootschapsbelasting, belasting niet-inwoner en rechtspersonenbelasting betreft kent de fiscus zonder nalatigheidsinteresten een extra termijn van 2 maanden toe. Dit geldt enkel voor afrekening van de belastingen, aanslagjaar 2019, n√° 12 maart 2020.

Voor belastingen ingediend vóór 12 maart 2020 gelden enkel de eerder aangekondigde steunmaatregelen.

f. Voorafbetalingen inkomstenbelastingen

Om vennootschappen en zelfstandigen met liquiditeitsproblemen door het coronavirus wat ademruimte te geven heeft de regering de percentages van de voordelen van de voorafbetalingen van het derde en vierde kwartaal verhoogd. De overheid sluit hierbij wel de ondernemingen die een inkoop van eigen aandelen of een kapitaalvermindering doorvoeren of dividenden betalen of toekennen tussen 12 maart en 31 december 2020 uit. Zelfstandigen die door deze maatregelen meer bonificatie wegens voorafbetaling zouden verkrijgen zijn eveneens uitgesloten.

Personenbelasting:          VA1: 3% , VA2: 2,5% , VA3: 2,25%  , VA4: 1,75%

Vennootschapsbelasting: VA1: 9% , VA2: 7,5% , VA3: 6,75% (normaal 6%) , VA4: 5,25% (normaal 4,5%)

De percentages van de vermeerderingen en de data van de voorafbetalingen blijven echter dezelfde.

8) Afbetalingsplannen

Indien uw bedrijf betalingsmoeilijkheden zou ondervinden door het coronavirus heeft de overheid enkele afbetalingsplannen voorzien. Zowel voor de sociale werkgeversbijdragen, btw, bedrijfsvoorheffing, personen- en vennootschapsbelasting kan u een afbetalingsplan aanvragen. De voordelen hiervan zijn legio: de gespreide betaling van de schuld en de vrijstelling van eventuele boeten.

Afbetalingsplan RSZ

Voor de aanvraag van het afbetalingsplan van de RSZ kan u op de website van de sociale zekerheid terecht. Onderaan deze site vindt u het formulier "aanvraag minnelijk betalingsplan" . Werkgevers kunnen hierbij minnelijke betalingstermijnen aanvragen voor de socialezekerheidsbijdragen voor het eerste en tweede kwartaal 2020.

Afbetalingsplan fiscus

Net zoals bij de RSZ voorziet de fiscus ondersteunende maatregelen zodat bedrijven die economisch kwetsbaar zijn, bescherming vinden.

De bovengenoemde betalingsplannen inzake btw, bedrijfsvoorheffing, personen- en vennootschapsbelasting vallen onder dezelfde voorwaarden. De aflossingsplannen lopen tot en met 30 juni 2020.  Zo wil de overheid de aflossingen spreiden en is er vrijstelling van boetes. Hiervoor zal de onderneming wel moeten kunnen aantonen dat de betalingsmoeilijkheden verband houden met het coronavirus.

Via een specifiek formulier kan u de aanvraag indienen. Dit kan zowel via e-mail als via de post naar het Regionaal Invorderingscentrum (RIC) bevoegd voor de postcode van je woonplaats (natuurlijk persoon) of zetel (rechtspersoon). U krijgt in principe antwoord binnen de 30 dagen na de aanvraag.

9) Vermindering en uitstel sociale bijdragen

Vooreerst kan u aanvraag doen voor uitstel van betaling voor sociale bijdragen van 1 jaar aan het sociaal verzekeringsfonds. Dit heeft geen invloed op de uitkeringen of eventuele verhogingen. De aanvragen voor betalingsuitstel voor alle kwartalen van 2020 dient u in te dienen voor 15 december 2020.

Daarnaast kan u bij het sociaal verzekeringsfonds een aanvraag doen om vermindering van uw sociale bijdrage te verkrijgen. De omvang van de vermindering is te bepalen door het sociaal verzekeringsfonds. Zij doen dit op basis van de toelichting terzake (bijv. daling in verkoop/bestellingen, vermindering van het zakencijfer).

De aanvraag moet ten minste de naam, voornaam en woonplaats van de betrokken natuurlijke persoon, of de naam, zetel en het ondernemingsnummer van de onderneming bevatten.

10) Geen sancties bij vertraging federale overheidsopdrachten

De overheid voorziet enige flexibiliteit indien u kan aantonen dat u vertraging oploopt of uw opdracht niet kan uitvoeren door het coronavirus. Zo zullen er geen boetes of sancties volgen voor de dienstverleners, bedrijven of zelfstandigen.

Conclusie

We zijn in volle crisis, maar we moeten er samen door. De overheid doet er ook alles aan om de ondernemingen financieel te steunen. De verschillende steunmaatregelen evolueren ook iedere dag. Wij houden de vinger aan de pols en blijven u zo goed mogelijk informeren.

Lees zeker ook onze blog over wat u kan doen voor uw vennootschap in deze tijden van het coronavirus.

aternio wil u zo goed mogelijk op de hoogte brengen van de steunmaatregelen in deze coronacrisis. Hiervoor stellen wij een virtuele assistent op onze website ter beschikking. Stel er al uw vragen (over de corona steunmaatregelen) aan!


E-commerce en btw: shop/ship till you drop

Dat de btw-regels voor e-commerce grondig wijzigen op 1 juli 2021 schreven we al. Wie gebruik wenst te maken van het éénloketsysteem kan zich hiervoor sinds 1 april 2021 registreren via Intervat. Vooraleer u zich halsoverkop registreert, loont het de moeite om even na te gaan of uw webshop wel voldoet aan de voorwaarden en of u wel degelijk beter af bent onder de nieuwe regeling.

Eenvoudig in theorie

Online verkopen wordt in principe veel gemakkelijker. Wie vanuit Belgi√ę in verschillende EU-landen goederen of diensten verkoopt aan niet-btw-plichtigen, moet daarvoor btw van het land van de klant aanrekenen. Webshops kunnen die verschillende buitenlandse btw aangeven in √©√©n OSS-aangifte en in √©√©n betaling vereffenen. Eenvoudig. Tenminste, op het eerste gezicht.

Maar wat in de praktijk?

Stel: een Belgische webshop verkoopt en verzendt vanuit Belgi√ę goederen aan Italiaanse, Spaanse en Franse particulieren. Ervan uitgaande dat de Belgische webshop meer dan 10.000 euro omzet heeft, is op deze verrichtingen Italiaanse, Spaanse en Franse btw verschuldigd. De webshop registreert zich voor de OSS-regeling en kan hierin alle buitenlandse btw aangeven. Er is sprake van intracommunautaire afstandsverkopen. Voor eventuele verkopen binnen Belgi√ę zijn er uiteraard periodieke btw-aangiften nodig.

En wat als diezelfde Belgische webshop een magazijn heeft in Duitsland en van daaruit goederen verzendt naar Itali√ę, Spanje en Frankrijk? Ook dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen die in de OSS-aangifte kunnen worden opgenomen.

Maar wat als de Belgische webshop vanuit het magazijn in Duitsland goederen verzendt aan een Duitse particulier? Hier is geen sprake van een intracommunautaire afstandsverkoop, maar van een nationale verkoop in Duitsland. Deze verrichting kan dus niet worden opgenomen in de OSS-aangifte. En dus is de Belgische webshop alsnog verplicht om zich in Duitsland te registreren voor de btw en daar de nodige aangiften en betalingen te verrichten.

En vanuit hetzelfde magazijn in Duitsland goederen verzenden aan een Belgische particulier? Intracommunautaire afstandsverkoop, jawel, en dus buitenlandse (Belgische) btw te voldoen via de OSS-aangifte en niet via een periodieke Belgische btw-aangifte.

Dat brengt het totaal aantal verschillende btw-formaliteiten in dit voorbeeld op drie: een periodieke Belgische btw-aangifte voor nationale verrichtingen, een OSS-aangifte voor de intracommunautaire afstandsverkopen en een Duitse btw-registratie en -aangifte. En dan heeft u als Belgische webshop nog niet al te veel goederen verkocht. Toch niet zo eenvoudig dan?

E-commerce via dropshipping

Heel wat (kleinere) webshops beschikken zelf niet over een eigen voorraad. Zij doen aan 'dropshipping'. Komt er een bestelling binnen, dan duwt de webshop de bestelling door naar de leverancier die rechtstreeks aan de klant levert. Er is sprake van een driepartijenrelatie.

De nieuwe regeling voor afstandsverkopen vereist dat de verkoper goederen (met een intrinsieke waarde van maximaal 150 euro) invoert vanuit een andere lidstaat en vervolgens verkoopt aan een niet-btw-plichtige. Het vervoer ervan moet direct of indirect zijn verricht door of voor rekening van de verkoper. En daar wringt het schoentje bij dropshipping.

Stel: de Belgische webshop B krijgt een bestelling van een Nederlandse particulier C en duwt de bestelling door naar zijn Franse leverancier A. De Franse leverancier A zorgt voor de levering aan de Nederlandse particulier C. Het vervoer wordt verricht door of voor rekening van de leverancier A. Aangezien leverancier A enkel contracteert met de Belgische webshop B, kan het vervoer enkel worden toegerekend aan de levering door leverancier A aan webshop B. De verkoop door webshop B aan particulier C is dan een levering 'zonder vervoer'. En dus kan er nooit sprake zijn van een intracommunautaire afstandsverkoop. Geen OSS-regeling dus. Wel btw-registratie in Nederland en daar periodieke btw-aangiften indienen.

Voor wie dus uitsluitend via dropshipping aan e-commerce doet, wat niet uitzonderlijk is, is er dus geen vereenvoudiging op komst. Dropshippers zullen nog steeds in elke lidstaat apart de nodige btw-formaliteiten moeten vervullen.

Bezint eer ge begint

Het is duidelijk dat de vereenvoudiging die Europa heeft willen realiseren toch complexe situaties cre√ęert. Bovendien lijken de kleinere webshops uit de boot te vallen bij de nieuwe regeling.

Wie in de sector van de e-commerce zit, kan dus best nu al de buitenlandse verrichtingen in kaart proberen brengen. Zo kunnen ook de gevolgen van de nieuwe btw-regels beter ingeschat worden.

Ziet u door de bomen het bos niet meer? aternio helpt u graag verder!


E-commerce en btw: of hoe vereenvoudiging toch complex kan zijn

E-commerce boomt, over de landsgrenzen heen. Veel meer webshops komen daardoor met buitenlandse btw in aanraking. Om die online verkopen makkelijker te maken, vereenvoudigde Europa de btw-regels. Vanaf 1 juli 2021 zijn de nieuwe btw-regels van toepassing voor onder meer verkopen op afstand en wordt de bestaande MOSS-regeling verder uitgebreid en vervangen door een OSS-regeling ('One Stop Shop'). Er komt eveneens een nieuwe IOSS-regeling ('Import One Stop Shop') voor de e-commerce met invoer van goederen van buiten de EU.

Een onderneming kan al die buitenlandse btw voortaan centraliseren via √©√©n OSS- of IOSS-aangifte en met √©√©n betaling vereffenen (√©√©nloketsysteem).¬†Voor de nationale e-commerce binnen Belgi√ę verandert er uiteraard niets. Daarvoor dient u nog steeds periodieke btw-aangiften in.

Huidige regeling e-commerce

Tot eind juni 2021 geldt voor verkopen op afstand een verschillende omzetdrempel per EU-land (tussen 35.000 en 100.000 euro). Overschrijdt een Belgische onderneming deze drempel niet, dan blijft de levering van goederen in principe aan Belgische btw onderworpen. Wordt de drempel wel overschreden, dan moet de Belgische onderneming in het land van levering btw aangeven en betalen. En dat betekent administratieve rompslomp: per EU-land een btw-nummer, lokale btw-aangiften, verschillende btw-tarieven...

Nieuwe regeling e-commerce

Vanaf 1 juli 2021 veranderen dus de btw-regels inzake e-commerce. De regels zijn van toepassing op btw-plichtigen, binnen of buiten de EU, die verrichtingen uitvoeren voor niet-btw-plichtige particulieren in de EU. In principe zal er (bijna altijd) btw in het land van de klant moeten worden aangerekend.

Intracommunautaire verkoop op afstand (OSS)

Een Belgische webshop die goederen √©n diensten levert en vanuit Belgi√ę verzendt naar particulieren in andere EU-landen, moet vanaf 1 juli 2021 btw aanrekenen en betalen in de EU-lidstaat van levering, ongeacht de omzet die het daar realiseert. De verschillende omzetdrempels per EU-land verdwijnen. Er is slechts √©√©n drempel van 10.000 euro. Ondernemingen die deze jaarlijkse omzetdrempel niet overschrijden, zogenoemde 'micro-ondernemingen', blijven onderworpen aan Belgische btw.

Niet onbelangrijk: het gaat om een optionele regeling. Een Belgische webshop heeft de mogelijkheid om de btw van al die verschillende EU-lidstaten te verzamelen in één aangifte via de OSS-Unieregeling en via één betaling aan de Belgische fiscus te voldoen. Evengoed kan de Belgische webshop ervoor opteren om, zoals voorheen, in alle lidstaten waar ze btw verschuldigd is, individuele aangiften en betalingen te verrichten.

Invoer van goederen bij verkoop op afstand (IOSS)

De bestaande regels rond de invoer van goederen wijzigen grondig. De huidige btw-vrijstelling voor invoer van goederen tot een waarde van 22 euro vervalt.

Er komt een nieuwe regeling voor afstandsverkopen met een intrinsieke waarde van maximaal 150 euro waarbij de verkoper goederen invoert vanuit een derde land en vervolgens verkoopt aan een niet-btw-plichtige. Het vervoer ervan moet direct of indirect zijn verricht door of voor rekening van de verkoper. De invoer zal vrijgesteld zijn van btw, terwijl de btw op de verkoop van ingevoerde goederen via een gecentraliseerde IOSS-aangifte kan worden vereffend.

Wie niet via een eigen webshop maar via een online platform of marktplaats (bijvoorbeeld bol.com) goederen verkoopt aan klanten, moet zich niet inschrijven voor het éénloketsysteem. In dat geval moet het platform of de marktplaats de formaliteiten inzake btw vervullen. Ook hier geldt dat de regeling alleen toepassing kan vinden indien de intrinsieke waarde van de levering niet meer bedraagt dan 150 euro.

Wie gebruik wil maken van het éénloketsysteem vanaf 1 juli 2021, moet zich hiervoor vooraf registreren via Intervat.

Vereenvoudiging? Ja, maar.

Vereenvoudiging brengen voor btw-plichtigen die actief bezig zijn met e-commerce in verschillende landen was hoognodig. Eén (I)OSS-aangifte in plaats van bijvoorbeeld 12 verschillende lijkt op het eerste gezicht veel eenvoudiger. Maar de vraag rijst of de toepassing ervan in de praktijk ook zo eenvoudig zal zijn.

Btw-plichtigen denken best op voorhand al eens na over de gevolgen van de nieuwe regelgeving voor hun e-commerce. (I)OSS-aangifte of niet? Voorwaarden voldaan? Komt een platform tussen? Toch Belgische btw aangeven? En wat met dropshipping?

U voelt de bui wellicht al hangen. Hou zeker onze blog in de gaten voor een meer praktijkgerichte insteek.

Hebt u ondertussen al vragen? aternio loodst u doorheen mogelijke knelpunten.


Nieuwe effectentaks: geen ontkomen aan?

Over de nieuwe jaarlijkse taks op effectenrekeningen is al veel gezegd en geschreven. Nadat de vorige versie van deze effectentaks werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof, kwam de wetgever met een nieuwe versie op de proppen.

Wie voortaan een effectenrekening van (gemiddeld) meer dan 1.000.000 euro bezit, betaalt jaarlijkse 0,15 procent op de totale waarde ervan. De taks heeft een louter budgettair doel. Wie dus dacht creatief te kunnen omspringen met de nieuwe effectentaks is eraan voor de moeite! Ontwijkingsgedrag is niet aan de orde. De wetgever voorziet een tweedelig mechanisme: enerzijds twee onweerlegbare vermoedens van fiscaal misbruik, anderzijds een algemene antimisbruikbepaling.

Onweerlegbaar vermoeden

De wet van 17 februari 2021 voorziet vooreerst een onweerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik in twee specifieke gevallen (art. 201/4 laatste lid 1¬į en 2¬į WDRT).

Het betreft enerzijds het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen bij eenzelfde tussenpersoon (indien de splitsing heeft plaatsgevonden na 30 oktober 2020). Anderzijds gaat het om het omzetten van financi√ęle instrumenten, aangehouden op een effectenrekening, naar financi√ęle instrumenten op naam, die niet op een effectenrekening worden gehouden.

In beide gevallen is er altijd sprake van fiscaal misbruik, zonder dat de fiscus dit moet aantonen. De belastingplichtige is aan handen en voeten gebonden. Had hij toch andere motieven dan belastingontwijking? Jammer, maar helaas! De fiscus zal geen rekening moeten houden met de gedane verrichtingen. De bank of de belastingplichtige zal de taks moeten blijven aangeven en betalen alsof de verrichtingen niet hebben plaatsgevonden voor de lopende én de toekomstige referentieperiodes.

Algemene antimisbruikbepaling

Bovenop het tweeledig onweerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik voorziet de wetgever in een algemene antimisbruikbepaling. Welke verrichtingen viseert deze algemene antimisbruikbepaling nu? Om dat uit te maken, moet opnieuw naar de bedoeling van de wetgever gekeken worden. Frustreert de betreffende verrichting het budgettair doel van de effectentaks? Bingo! De fiscus kan bijgevolg alle verrichtingen die gedaan worden om de taks te ontwijken, negeren.

Wie de belastbare waarde van een effectenrekening vermindert om met die waarde via een ander middel eenzelfde doel na te streven, valt onder de toepassing van de antimisbruikbepaling. Het gaat dan bijvoorbeeld om een omzetting in aandelen, obligaties of andere financi√ęle instrumenten op naam. Dergelijke producten hebben immers eenzelfde beleggingsobjectief, alleen de vorm verschilt. Wat kan er dan wel? Het verminderen van de belastbare waarden van een effectenrekening om met die waarde te investeren in vastgoed. In dat geval heeft men duidelijk een ander beleggingsobjectief voor ogen.

In de memorie van toelichting heeft de wetgever overigens zelf al een aantal situaties gekwalificeerd als misbruik. Het gaat dan bijvoorbeeld om het splitsen of openen van effectenrekeningen bij verschillende financi√ęle tussenpersonen om te vermijden dat de totale waarde van de effecten op √©√©n rekening meer dan 1.000.000 euro bedraagt. Of nog: het onderbrengen van een effectenrekening in een buitenlandse vennootschap die de effecten op haar beurt overplaatst naar een buitenlandse effectenrekening.

In dergelijke situaties gaat de fiscus ervan uit dat men de bedoeling had om de effectentaks te verminderen of om eraan te ontsnappen. De overigens niet-exhaustieve lijst in de memorie van toelichting maakt duidelijk dat de fiscus alles wat mogelijk fiscaal misbruik zou kunnen zijn, onder de algemene antimisbruikbepaling wil laten vallen. Geen ontkomen aan dus!

Weerlegbaar vermoeden

Niet onbelangrijk: de algemene antimisbruikbepaling is een weerlegbaar vermoeden. De belastingplichtige heeft dus steeds het recht om te bewijzen dat hij andere motieven had dan het ontwijken van de taks bij het uitvoeren van een bepaalde verrichting. Die niet-fiscale motieven zijn overigens zeker niet onrealistisch. Het spreiden van risico bijvoorbeeld door bij meerdere banken een effectenrekening te openen, is niet onlogisch. Nochtans zal de fiscus dit kwalificeren als fiscaal misbruik. Het is dan aan de belastingplichtige om aan de hand van concrete en objectief verifieerbare elementen aan te tonen dat hij andere motieven had dan het ontwijken van de taks.

Het hoeft geen betoog dat dit zal leiden tot oeverloze discussies tussen fiscus, banken en belastingplichtigen. Onduidelijkheid en onzekerheid troef dus.

Lang leven beschoren?

De concrete toepassing van de wet doet bovendien de wenkbrauwen fronsen. Wie bijvoorbeeld op 30 oktober 2020 een effectenrekening van 1,8 miljoen euro in zijn bezit had en die nadien wil splitsen in twee effectenrekeningen van elk 900.000 euro, valt onder de toepassing van de wet, inclusief antimisbruikbepaling. Wie evenwel op 30 oktober 2020 twee aparte effectenrekeningen had van elk 900.000 euro valt dan weer niet onder de wet. Nochtans zijn beiden even vermogend.

Dat er meer duidelijkheid en zekerheid nodig is over de toepassing van de wet staat buiten kijf.¬†De bedoeling van de wetgever was nochtans nobel. Een duidelijke, effici√ęnt te innen en onontkoombare effectentaks invoeren.¬†De vraag rijst evenwel of deze effectentaks een langer leven beschoren zal zijn dan zijn gelijknamige voorganger. Doorstaat de wet nu wel de toets van het Grondwettelijk Hof?


Let's get digital! FOD Financi√ęn ziet e-Box zitten.

Vanaf 1 januari 2025 gebeurt de uitwisseling van informatie tussen de FOD Financi√ęn en belastingplichtigen elektronisch via het beveiligd elektronisch platform (e-Box) . Dit is zonder meer een verplichting voor professionelen en rechtspersonen, behalve indien om technische redenen geen identificeren op het platform kan gebeuren. Particulieren blijven op papier communiceren tenzij ze uitdrukkelijk gekozen hebben voor de elektronische uitwisseling. Let's get digital: ook voor uw belastingzaken!

Sinds 1 april 2021 wordt alvast alle papieren correspondentie met de FOD Financi√ęn gereproduceerd, geregistreerd en bewaard op e-Box. Tal van andere overheden gingen de fiscale administratie reeds voor.

Welke informatie?

De elektronische beveiligde uitwisseling van informatie via e-Box heeft betrekking op alle correspondentie met juridische waarde tussen de fiscale administratie en belastingplichtigen. Dit zijn zowel de reguliere brieven als de aangetekende zendingen.

De elektronische uitwisseling van berichten langs een beveiligde elektronische weg wordt de regel en de uitwisseling van fiscale informatie op papier de uitzondering.

Welke belastingplichtigen?

Professionelen en rechtspersonen zullen al hun rechten en verplichtingen vervullen via eBox. Zij zijn verplicht om langs elektronische weg te communiceren met de FOD Financi√ęn tenzij ze zich niet kunnen identificeren op e-Box. Een Koninklijk Besluit bepaalt nog de uitzonderlijke gevallen van overmacht waarin deze identificatie niet mogelijk is.

Particulieren¬†werken op papier tenzij zij expliciet gekozen hebben om langs elektronische weg te communiceren met de FOD Financi√ęn. Het is voor hen een toetredingsoptie (opt-in) en dus geen verplichting. Meer zelfs, particulieren die geopteerd hebben voor elektronische communicatie kunnen altijd op hun stappen terugkomen en terug kiezen voor de papieren weg. Voor particulieren is deactivering van e-Box altijd mogelijk.

Professionele derden die handelen in de uitoefening van hun beroep, zoals accountants en belastingadviseurs, zijn altijd verplicht het beveiligd elektronisch platform te gebruiken, zelfs wanneer zij een belastingplichtige vertegenwoordigen die geniet van de opt-in.

Welke belastingen?

De elektronische communicatie geldt voor diverse belastingen en taksen, zoals opgenomen in de Wetboeken:

  • Inkomstenbelasting (vennootschaps-, rechtspersonen- en personenbelasting, evenals de belasting niet-inwoners);
  • BTW;
  • Registratie-, hypotheek- en griffierechten ;
  • Successierechten;
  • Diverse rechten en taksen;
  • Minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Verder worden ook elektronische communicatie mogelijk gemaakt in het licht van enkele wetten, zoals:

  • Domaniale wet van 22 december 1949;
  • Wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen;
  • Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen;
  • Wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financi√ęle contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

Welk platform?

De basis voor alle digitale communicatie met de FOD Financi√ęn is het beveiligd elektronisch platform e-Box. Middels aangepaste beveiligings- en authenticatietechnieken wil de overheid de oorsprong, de integriteit, de inhoud, de tijdsaanduiding en de bewaring van de berichten verzekeren.

e-Box functioneert als portaal. In geval van communicatie met de fiscale administratie zal bijvoorbeeld worden doorverwezen naar MyMinfin. MyMinfin blijft dus gewoon verder bestaan. Het is via e-Box dat de belastingplichtigen bij de documenten op MyMinfin terechtkomen.

Weet dat e-Box vandaag al¬†berichten en documenten ter beschikking stelt die afkomstig zijn van verschillende overheidsdiensten, niet alleen van de FOD Financi√ęn. Heel wat andere federale overheidsdiensten, openbare instellingen van sociale zekerheid, ministeries van de regionale overheid, provincies, steden en gemeenten gebruiken reeds e-Box.¬†Tal van andere instellingen zijn bezig met de voorbereiding van het gebruik van e-Box.

Wie kennis wil maken met de moderne manier van communiceren door lokale, regionale en federale overheden registreert zich als particulier op Mijn Burgerprofiel of als ondernemer op e-Box Enterprise. U krijgt meteen een beveiligd overzicht van uw overheidszaken. Laat u alvast verbazen.

Conclusie

De digitalisering is een lange reis waarbij nog tal van praktische zaken verder moeten worden uitgewerkt. Beveiligde elektronische uitwisseling van berichten, ook met de diverse overheden, wordt de regel. Professionelen hebben gewoonweg geen keuze. Particulieren kunnen de digitale boot alsnog afhouden, het is slechts een kwestie van tijd vooraleer ook zij aan boord zullen zijn. Laat u alvast verbazen en kijk eens op Mijn Burgerprofiel of op e-Box Enterprise.

Voor aternio is digitaal communiceren geen afscheid van persoonlijke communicatie. Hebt u vragen? Shoot!


Vermindering onroerende voorheffing wegens improductiviteit

We zijn helaas nog niet onmiddellijk van het coronavirus verlost. Caf√©s en restaurants moeten voorlopig nog even hun deuren dichthouden. Maar ook andere bedrijven zien (een deel van) hun panden al enige tijd leegstaan. De overheid nam reeds verscheidene steunmaatregelen om de financi√ęle schade ietwat te beperken.¬†Maar een reeds bestaande maatregel zit vaak in de vergeethoek: de proportionele vermindering wegens improductiviteit.

Onroerende voorheffing

Wie op 1 januari de eigenaar (of vruchtgebruiker of opstalhouder) is van een onroerend goed in Vlaanderen, is in principe onroerende voorheffing verschuldigd. Deze onroerende voorheffing is berekend op basis van het kadastraal inkomen (KI), zijnde een fictief inkomen, van het onroerend goed.

Wanneer het onroerend goed echter enige tijd leegstaat én geen inkomsten opbrengt - en dus improductief is - kan men een proportionele vermindering van de onroerende voorheffing aanvragen, mits bepaalde voorwaarden.

De vermindering van de onroerende voorheffing hangt af van de duur van de improductiviteit en de omvang ervan.

Voorwaarden proportionele vermindering

a. Niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed

In de eerste plaats moet het gaan om een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed. Dit betekent dat gemeubelde gebouwen of ongebouwde onroerende goederen (zoals gronden) dus niet in aanmerking komen voor een proportionele vermindering.

Valt een gemeubeld caf√© dan uit de boot? Nee, indien er zich in gebouwen voor industri√ęle, ambachtelijke of handelsdoeleinden machines, werktuigen of andere roerende voorwerpen bevinden die rechtstreeks verband houden met de stilgelegde exploitatie, vormt dit geen beletsel, voor zover aan de andere voorwaarden voldaan is.

b. Minstens 90 dagen

Verder moet de improductiviteit van het onroerend goed gedurende het aanslagjaar van 1 januari tot 31 december minstens 90 dagen geduurd hebben. De periode van 90 dagen hoeft niet aaneensluitend te zijn. Gelet op de 2 lockdowns tijdens het inkomstenjaar 2020, zou deze voorwaarde ook geen probleem mogen zijn.

Wanneer de improductiviteit maximum 12 opeenvolgende maanden bedraagt, is het voldoende dat u aantoont dat het onroerend goed heeft leeggestaan en improductief was. Dit kan bijvoorbeeld ook als volgt bewezen worden:

  • overzicht van verbruik van water, gas en elektriciteit dat de volledige periode van improductiviteit aantoont (historisch overzicht, afrekeningen)
  • een attest van de gemeente (dienst bevolking), politie of andere offici√ęle instantie waaruit blijkt dat het onroerend goed leegstaand was gedurende de volledige periode waarvoor de proportionele vermindering gevraagd wordt.

Wanneer de improductiviteit de termijn van 12 maanden echter overschrijdt, kan enkel proportionele vermindering worden toegekend wanneer de improductiviteit onvrijwillig is.

c. Onvrijwillig

De onproductiviteit moet onvrijwillig zijn. De onproductiviteit moet met andere woorden te wijten zijn aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Het vrijwillig buiten gebruik laten van een onroerend goed kan geen aanleiding geven tot vermindering van onroerende voorheffing

De beslissing van de overheid om bijvoorbeeld horeca en niet-essenti√ęle winkels te sluiten is ook vanzelfsprekend een 'onvrijwillige' onproductiviteit.

Procedure

De aanvraag tot proportionele vermindering wegens improductiviteit kan u aanvragen per brief of online bij de Vlaamse Belastingsdienst (Vlabel). In uw aanvraag motiveert u dat u aan voornoemde voorwaarden voldoet en voegt u de nodige bewijsstukken toe.

U hebt tijd tot 31 maart van het jaar dat volgt op het aanslagjaar waarvoor u een proportionele vermindering aanvraagt. Als u het aanslagbiljet echter ontvangt in een ander jaar dan het jaar waarvoor de aanslag geldt, dan geldt de gewone bezwaartermijn van 3 maanden.

aternio staat u graag bij in uw contacten met de regionale en de federale belastingdiensten.


Effectentaks: tweede keer goeie keer?

De effectentaks; dit doet precies ergens een belletje bij u rinkelen? Klopt! In 2018 heeft de Belgische regering de effectentaks al eens ingevoerd. Maar deze taks was toen geen lang leven beschoren. De effectentaks werd toen vrijwel onmiddellijk vernietigd door het Grondwettelijk Hof wegens discriminatoir.

De regering De Croo doet nu opnieuw een poging. Tweede keer goeie keer?

Oude effectentaks

Met veel bravoure werd destijds de effectentaks - of soms ook wel de "rijkentaks" genoemd - ge√Įntroduceerd, ondanks de kritiek van de Raad van State. De taks bedroeg 0,15 procent op effectenrekeningen vanaf 500.000 euro.

De wetgever viseerde echter enkel effectenrekeningen van natuurlijke personen en liet onder andere effectenrekeningen van vennootschappen buiten beschouwing. Ook levensverzekeringen, aandelen, goud, kunst en vastgoed vielen er niet onder. Door allerlei achterpoortjes miste de effectentaks bovendien zijn effect.

Een arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 oktober 2019 bleek het einde te zijn voor de effectentaks.

Nieuwe effectentaks

Wie?

De regering De Croo heeft alvast goed geluisterd naar het Grondwettelijk Hof. Ook rechtspersonen (zowel vennootschappen als provincies, gemeenten, intercommunales en universiteiten) vallen nu binnen het toepassingsgebied.

Ook buitenlanders die effectenrekeningen hebben in Belgi√ę zullen er niet aan ontsnappen. Of omgekeerd, ook Belgen met een effectenrekening in het buitenland, zullen worden belast.

Het aantal titularissen van de rekening doet er niet toe. Zowel volle eigenaar, vruchtgebruiker als blote eigenaar worden belast.

Wat?

Alle financi√ęle instrumenten op de effectenrekening¬† zijn het voorwerp van de nieuwe taks. Denk aan aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, warrants en kasbons, maar ook¬† vastgoedcertificaten en zelfs cash op een effectenrekening.

Aandelen op naam zijn evenwel vrijgesteld.

Ook verzekeringen worden niet geviseerd. Let wel op, wanneer een verzekeraar bijvoorbeeld het vermogen van zijn klant belegt, valt hij wel onder de nieuwe effectentaks.

Hoeveel?

De grens voor de nieuwe taks is alvast opgetrokken. De nieuwe taks viseert voortaan effectenrekeningen van meer dan één miljoen euro.

Het tarief van de belasting bedraagt opnieuw 0,15% per jaar. De taks is verschuldigd op de gemiddelde waarde van de effectenrekening per kwartaal, namelijk op 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september.

Hoe?

Indien de betrokken effectenrekening is aangehouden bij een Belgische bank, dan zal zij instaan voor de (automatische) inhouding van de taks.

Ook voor effectenrekeningen in het buitenland zou dit in principe moeten worden ingehouden door de bank. Gebeurt dit niet, dan zal u zelf aangifte moeten doen en de belasting zelf betalen.

Conclusie

Afhankelijk van het geluid van de politieke oppositie komt de nieuwe effectentaks neer op een ordinaire verhoging van de belastingdruk, dan wel een gemiste kans om een echte belasting op vermogen in te voeren. Wat er ook van zij, zelfs in het nieuwe jasje is er nog steeds een risico op vernietiging door het Grondwettelijk Hof. Of de effectentaks dit keer dan wel overeind blijft zal de toekomst uitwijzen ...