Geen voordeel bij marktconforme vergoeding?

In een recent arrest van 28 mei 2019 spreekt het Hof van Beroep van Antwerpen zich uit in het voordeel van een belastingplichtige inzake voordelen alle aard bij betaling van een marktconforme vergoeding. Met dit arrest gaat het Hof  regelrecht in tegen de strenge visie van de Minister van Financiën. Zo past de fiscus steeds de forfaits bij voordelen alle aard toe. Met een marktconforme bijdrage van de belastingplichtige houdt de fiscus absoluut geen rekening. Het Hof van Beroep fluit de fiscus hierin nu terug.

Voordelen alle aard

Een werknemer of bedrijfsleider kan, naast een bezoldiging in geld, ook allerhande voordelen van alle aard verkrijgen in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfswagens, leningen, bewoning, verwarming en elektriciteit enz.

Deze voordelen zijn belastbaar voor de werkelijke waarde bij de verkrijger (art. 36 WIB'92).

De wetgever heeft aan de Koning de bevoegdheid verleend om de waarde van die voordelen op een vast bedrag - dus forfaitair - te ramen. De meeste forfaits vinden we terug in artikel 18 van het KB/WIB'92.

Indien het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt voornoemd forfait verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider.

Forfait versus werkelijke waarde

Al decennialang woedt de discussie of deze forfaits in alle omstandigheden moeten worden toegepast.  Niet in het minste indien een werknemer of bedrijfsleider een marktconforme vergoeding betaalt, is er dan nog sprake van een belastbaar voordeel?

In dat geval is er immers geen sprake meer van een verrijking. Men bespaart immers niet op privéuitgaven die men anders wel had moeten doen. Ook indien de betaalde marktconforme vergoeding láger is dan de wettelijke forfaits, zou er geen sprake meer mogen zijn van een belastbaar voordeel.

Fiscus is streng

Maar de fiscus is streng. De fiscus past altijd het forfait toe.  Zo bevestigde  de Minister van Financiën in het verleden duidelijk gemaakt dat de eigen bijdrage enkel kon worden afgetrokken van het forfaitair gewaardeerde voordeel, niet van de werkelijke waarde.

Met het marktconforme karakter van de bijdrage houdt de fiscus dus geen rekening. Indien de bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider dus lager is dan het forfait, wordt hij nog steeds belast op het saldo, ook al is de bijdrage marktconform.

Rechtspraak is meegaander

Het recente arrest voor het Hof van Beroep te Antwerpen betreft een zaak waarbij de zaakvoerder met zijn vennootschap een overeenkomst rekening-courant sluit. De partijen komen een interest van 4,5% overeen. De forfaitaire rentevoet uit art. 18 KB/WIB'92 bedraagt op dat ogenblik echter 9%.

De fiscus belast de zaakvoerder op het saldo, met name 4,5% (9% minus 4,5%).

Maar volgens het Hof kan er slechts sprake zijn van een voordeel indie er geen evenwaardige tegenprestatie is overeengekomen voor de lening. De belastingplichtige kan dus nog steeds het tegenbewijs leveren dat het werkelijke voordeel lager ligt. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet kan leveren, is het forfait zonder meer van toepassing.

In deze zaak toont de zaakvoerder aan dat de aangerekende interestvoet van 4,5% marktconform (zoals tussen onafhankelijke contractspartijen) is. De aangerekende interestvoet is dus een evenwaardige tegenprestatie.

Het Hof besluit dus dat de werkelijke waarde van het voordeel lager ligt dan de forfaire rentevoet zodat er in casu geen sprake meer is van een belastbaar voordeel alle aard.

Besluit

Eén zwaluw maakt de lente natuurlijk nog niet. Maar deze rechtspraak geeft wel moed en is hopelijk de voorbode voor meer. Deze uitspraak is bovendien niet enkel relevant voor leningen, maar  voor alle andere forfaitaire ramingen van voordelen alle aard.


Uitkeringen in de besloten vennootschap: dubbele test

De introductie van het nieuwe wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) begint stilaan in de praktijk merkbaar te worden. In deze bijdrage gaan we daarom dieper in op de nieuwe regels voor uitkeringen in de besloten vennootschap (bv). De afschaffing van het kapitaal heeft namelijk zijn prijs.De belangrijkste nieuwigheid is de zogenaamde dubbele test: de nettoactief- en liquiditeitstest.

Zo mag een uitkering niet leiden tot een negatief eigen vermogen én de onmogelijkheid tot het niet kunnen betalen door de vennootschap van haar opeisbare schulden. Deze dubbele test zal van toepassing zijn bij allerlei vormen van uitkeringen in de besloten vennootschap. Het gaat dus niet enkel over dividenden aan de aandeelhouders, maar ook over tantièmes aan bestuurders.

Test één: nettoactief

Nettoactief betreft alle activa, verminderd met de voorzieningen, schulden en  nog niet-afgeschreven bedragen van oprichtings- en uitbreidingskosten en kosten van onderzoek en ontwikkeling.

Indien het nettoactief van de vennootschap negatief is of ten gevolge de uitkering negatief zou worden, mag de algemene vergadering niet beslissen tot uitkering.

Indien de vennootschap beschikt over een eigen vermogen dat krachtens de wet of de statuten onbeschikbaar is, mag evenmin een uitkering gebeuren indien het nettoactief is gedaald of door een uitkering zou dalen tot beneden het bedrag van het onbeschikbare eigen vermogen. Het niet afgeschreven gedeelte van de herwaarderingsmeerwaarden is als onbeschikbaar te beschouwen.

Het nettoactief moet worden berekend op basis van de laatst goedgekeurde jaarrekening of een recentere boekhoudkundige staat.

Test twee: liquiditeit

Indien de algemene vergadering beslist tot een uitkering is er een belangrijke rol weggelegd voor het bestuur. Het bestuursorgaan moet nagaan of de vennootschap in staat zal zijn om haar opeisbare schulden te voldoen. In concreto betekent dit dat de vennootschap in staat moet zijn om de opeisbaar schulden te voldoen over een periode van ten minste 12 maanden. Dit alles in een context van wat redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen zijn.

Het besluit van de algemene vergadering tot uitkering heeft slechts uitwerking na groen licht van het bestuursorgaan. Bestuurders mogen in geen geval lichtzinnig omspringen met deze verantwoordelijkheid. Hun aansprakelijkheid komt op de voorgrond indien zij behoorden te weten dat de vennootschap ten gevolge van de uitkering kennelijk niet meer in staat zou zijn voormelde schulden te voldoen. Zij zijn immers tegenover de vennootschap en derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende schade.

Weet ook dat de vennootschap elke uitkering, die in strijd met deze regels is verricht, van de aandeelhouders kan terugvorderen, ongeacht hun goede of kwade trouw.

Verslagplicht

Het WVV voorziet ook in een nieuwe verslagplicht voor het bestuursorgaan en de eventuele commissaris aangaande de uitkeringen.

Indien de algemene vergadering beslist tot een uitkering op basis van een tussentijdse staat én er is een commissaris benoemd, dan maakt de commissaris een beoordelingsverslag op over deze staat. Dit verslag wordt gevoegd bij het jaarlijkse controleverslag.

Het bestuur verantwoordt haar beslissing in een intern verslag. Er is geen neerlegging vereist van dit verslag. Indien er een commissaris is, controleert deze vervolgens het bestuursverslag. De commissaris beoordeelt de historische en prospectieve boekhoudkundige en financiële gegevens van dit verslag. Het jaarlijks controleverslag vermeldt dat hij deze opdracht heeft uitgevoerd.

Conclusie

Het afschaffen van het kapitaalbegrip in de besloten vennootschap heeft zo zijn prijs: toegenomen verantwoordelijkheid voor bestuurders bij uitkeringen. Zij zullen groen licht moeten geven vooraleer over te gaan tot de daadwerkelijke uitvoering van de uitkering. Het negeren van de nettoactief- en liquiditeitstest of er nonchalant mee omspringen leidt tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders. Voorzichtigheid is het ordewoord!


Hamsterhuren: voor en nadelen uitgeplozen

Euh… say what? Pluizig… hamster… huren? Wees gerust, dit is geen handleiding voor het houden van een knaagdier. Hamsterhuren is de nieuwste trend in de vastgoedwereld.

Hoe ontstaan?

Voor veel jonge gezinnen of alleenstaanden is een eigen woning kopen vandaag niet meer zo vanzelfsprekend. Vastgoedprijzen schieten de hoogte in en de toekenningsvoorwaarden voor een hypothecaire lening verstrengen keer op keer.

Daarom hebben projectontwikkelaars het concept van hamsterhuren ingeroepen. In plaats van je huurgelden zogezegd weg te smijten, hamster je ze om deze dan later in mindering te brengen bij de eventuele aankoop van de woning.

“Eventuele” aankoop

Inderdaad, er is geen aankoopverplichting. Bij hamsterhuren is er een huurcontract voor een nieuwe, eventueel energiezuinige woning, gecombineerd met een koopoptie. De praktijk leert dat de beslissing om tot de aankoop over te gaan, binnen de tien jaar moet worden genomen. De huurgelden kan je vervolgens voor maximum vijf jaar inbrengen.

Je hoeft geen rekenwonder te zijn, om te merken dat je dus best na maximum vijf jaar tot de aankoop overgaat.

Ook nadelen? 

Huren wordt sparen. Dat is meteen het grootste voordeel. Echter zijn er toch enkele zaken om even bij stil te staan.

Omdat huurgelden niet meetellen voor de belastingen, verlies je gedurende de huurperiode het fiscale voordeel.

Bij het sluiten van de huurovereenkomst bepaalt men de aankoopprijs. Aangezien het om een nieuwbouwwoning gaat, is er daarbovenop 21% btw verschuldigd. Dit wordt vaak doorgerekend in de huurprijs. Indien men na vijf jaar de woning aankoopt, moet de koper in principe ook nog eens registratierechten betalen, daar het niet meer om een nieuwe woning, maar wel om een bestaande woning gaat. Men zou dit evenwel kunnen omzeilen door binnen de drie jaar tot de aankoop over te gaan. De aankoopprijs kan trouwens elk jaar geïndexeerd worden op basis van de gezondheidsindex.

De huurder staat in een ondergeschikt positie tegenover de verhuurder. Deze laatste kan mogelijk een hogere huurprijs vragen dan gemiddeld op de huurmarkt.

De rentevoeten kunnen bovendien na een aantal jaar fel gestegen zijn. Het is ook geen garantie dat je na de hamsterperiode de hypothecaire lening wel kan krijgen. In dat geval moet je verder blijven huren.

Verschil met huurkoop en koop op lijfrente

Bij huurkoop koop je de woning onmiddellijk aan. Je krijgt hierbij de mogelijkheid om een deel van de aankoopsom later of in schijven te betalen. Het grote verschil met hamsterhuren betreft de eigendomsoverdracht. Die is bij huurkoop niet optioneel.

Bij verkoop op lijfrente verkoopt men meestal de blote eigendom van een woning. Bijgevolg blijft het vruchtgebruik bij de verkoper tot deze overlijdt. Bij ondertekening van de akte ontvangt de verkoper een "bouquet" van 10 tot 30 procent van de verkoopprijs. De rest van het bedrag krijgt hij in de vorm van een maandelijkse rente, tot aan zijn dood. De praktijk toont ons echter dat men de betalingen vaak contractueel beperkt tot maximum twintig jaar. Al met al is de koop op lijfrente eerder een soort kanscontract en dus vooral interessant voor diegenen die op zoek zijn naar een belegging.

Conclusie

Hamsterhuren vergemakkelijkt de overstap van huren naar kopen. Het is een interessant concept voor mensen die hun toekomst willen verzekeren met een eigendom, maar deze niet onmiddellijk kunnen financieren. Echter is het steeds aan te raden om goed de rekening te maken van alle bijkomende kosten en de diverse scenario’s na een aantal jaar. Meer info over het nieuwe concept vind je bijvoorbeeld hier.

Heeft u toekomstplannen? Uiteraard staan de juristen van aternio u bij met raad en daad!


Nieuwe verhoogde eisen voor het financieel plan nopen tot nauwkeurigheid.

De wetgever heeft nieuwe eisen gesteld voor het fiancieel plan. Na de vele uiteenzettingen van het ‘ABC van het WVV’ (Wetboek van vennootschappen en verenigingen) stappen we even over naar de cijfers.

ÉÉN euro volstorten? In principe niet nodig. De wetgever heeft de mogelijkheid gecreëerd om een kapitaalloze besloten vennootschap op te richten. Maar kan de oprichter dit verantwoorden in het financieel plan gelet op de voorgenomen activiteiten?

TWEE jaar vooruit moet de oprichter kunnen kijken bij de opmaak van het financieel plan.

DRIE jaar na oprichting al failliet? De oprichters lopen een verhoogde aansprakelijkheid op en het financieel plan zal alsdan worden opgevraagd door de curator.

De nieuwe eisen van de wetgever duiden er op dat er met argusogen zal gekeken worden naar de ernst waarmee van het financieel plan is opgesteld.

Openbaar?

Het financieel plan is én blijft een vertrouwelijk document dat door de notaris in bewaring wordt genomen.

De notaris dient het financieel plan in handen te hebben vóórdat hij de oprichtingsakte verlijdt. Het plan wordt opgevraagd in geval van faillissement.

Voorgenomen bedrijvigheid

De wet schrijft voor dat het financieel plan een nauwkeurige beschrijving omvat van de voorgenomen bedrijvigheid. De nadruk ligt hier weldegelijk op ‘nauwkeurig’. De algemene omschrijving zoals in oprichtingsakte van de vennootschap is in principe niet nauwkeurig genoeg.

Een degelijke en duidelijke omschrijving van hoe de onderneming haar activiteiten zal organiseren  dringt zich hier op. Hoe geraakt het product bij de klant? Zijn er externe tussenschakels? Passen we de winkelformule toe?

De antwoorden op voorgaande vragen dragen in de kiem immers belangrijke kostenconsequenties. Dit heeft bijgevolg een belangrijke impact op de inschatting of er sprake is van een toereikend aanvangsvermogen.

Indien de oprichter er met de pet  naar gooit en failliet wordt verklaard binnen de DRIE jaar na oprichting zal hij of zij aansprakelijk worden gesteld. Wederom, de nieuwe eisen voor het financieel plan nopen tot nauwkeurigheid.

Toereikend aanvangsvermogen?

De ABC’s van het WVV hebben reeds geleerd dat het begrip kapitaal is afgeschaft voor de besloten vennootschap (bv). De oprichters hoeven an sich geen kapitaal meer te volstorten.

Wél dienen zij een uiteenzetting te geven van alle elementen die tot het aanvangsvermogen van de bv behoren. Dit kan gaan om geld, inbreng van arbeid, een achtergestelde lening,  …

De oprichters gaan hier maar best opnieuw nauwkeurig tewerk.

De oprichters dienen te voorzien in een eigen vermogen van de bv. Dit eigen vermogen dient, mede gelet op de andere financieringsbronnen, toereikend te zijn in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid.

Kleine randbemerking: om fiscale redenen kan het aangewezen zijn om toch een inbreng in geld te doen. De verlaagde roerende voorheffing (VVPRbis) heeft immers zijn voorwaarden. ÉÉN euro volstorten is alleszins fiscaal slim.

De oprichter zal zijn financiële structuur duidelijk moeten uiteenzetten.

Financiële structuur over TWEE jaar!

De financiële structuur van de nieuwe onderneming vraagt toelichting. De oprichters dienen rekening te houden met heel wat factoren. Wat zijn nu werkelijk de behoeftes van de onderneming? Welke kosten worden voorzien voor de terreinen en de gebouwen, wat zijn de materiële vaste activa, welke personeelskosten zal de onderneming dragen,...

De oprichters denken ook maar beter na over wat binnen 6 maanden, 1 jaar of 24 maanden…

Wat indien de voorraden bijvoorbeeld meer financiering zouden vereisten dan voorzien in huidige prognose? De reactie zal afhankelijk zijn van de oorzaak (wijziging activiteit, kortingen op voorraden vs de kost van de financieringsbehoefte, verhandelbaarheid voorraden, …). Wordt er ingegrepen in het betalingsgedrag van klanten? Wat met de betalingstermijnen bij leveranciers? Bijsturen van de effectieve voorraadrotatie om zo de behoefte aan werkkapitaal te optimaliseren….?

Cashflow-statements?

TWEE jaar vooruit moet de oprichter kunnen kijken bij de opmaak van het financieel plan. Er moet een begroting opgemaakt worden van de inkomsten en uitgaven voor minstens 2 jaar.

De accountants onder u zullen denken aan een eenvoudige projectie van de kosten- en opbrengstenrekeningen. Cijfers zijn belangrijk, maar vergeet niet dat de oprichter de cijfers dient te verantwoorden.

Welke factoren hebben allemaal een invloed op uw inkomsten en uitgaven? Ecologisch, politiek, juridisch, technologisch, sociaal-cultureel, demografische factoren. Invloed van overheden, vakbonden, concurrenten, leveranciers, afnemers,…

Wat gebeurt er met uw cashflow in die gevallen?

Conclusie

Het financieel plan evolueert op deze wijze steeds meer naar een heus businessplan. De nieuwe eisen voor het financieel plan nopen dan ook tot nauwkeurigheid! De tijd dat het financieel plan vaak een vluchtig en goedkoop opgesteld vodje papier was ligt definitief achter ons.

aternio helpt u graag met raad en daad bij zowel de economische als juridische aspecten van uw oprichting.


Doe uw investering nog in 2019!

U bent van plan om binnenkort een investering te doen in uw vennootschap? Doe het dan zeker nog vóór 2020! De fiscale voordelen voor kleine vennootschappen worden vanaf 2020 immers minder interessant.

Zomerakkoord 

Met het zomerakkoord 2017 werden enkele wijzigingen in de vennootschapbelasting aangekondigd. Deze zullen weldra in werking treden. Specifiek op het vlak van investeringen zal de fiscaliteit grondig wijzigen vanaf 2020.

We frissen het nog even voor u op:

  • vennootschappen kunnen niet meer degressief afschrijven;
  • een kleine vennootschap zal in het jaar van investering verplicht pro rata temporis moeten afschrijven.
  • een kleine vennootschap zal bijkomende kosten in één keer ofwel samen met betreffende actief moeten afschrijven;
  • het tarief voor de gewone investeringsaftrek voor een kleine vennootschap zakt naar 8%.

Bovenstaande regels zijn van toepassing op investeringen vanaf 1 januari 2020. Dit ongeacht het aanslagjaar en ongeacht of uw vennootschap een gebroken boekjaar heeft of niet.

Voordelen in 2019

Als u de investering nog in 2019 doet geniet u nog van volgende fiscale voordelen:

  • de vennootschap mag nog degressief afschrijven.
  • de kleine vennootschap mag in het boekjaar van de investering een volledige afschrijvingsannuïteit toepassen, ook als de investering gebeurd op de laatste dag van het boekjaar
  • bijkomende kosten mogen naar wens worden afgeschreven.
  • de investering kan nog genieten van een investeringsaftrek van 20%.

Conclusie

Indien u al van plan was om investeringen te doen - zeker als kleine vennootschap- doe het dan nog in 2019. Zo geniet u nog van de fiscale voordelen.


Uw vereniging onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

In een eerdere bijdrage werd toegelicht dat de fiscus het gemunt heeft op verenigingen die kosteloze voordelen krijgen van sponsors. Dergelijke vorm van sponsoring is niet ongewoon bij sportclubs.
Verenigingen bevinden zich bovendien vaak in een fiscale schemerzone. Het is niet altijd even duidelijk. Verrichten zij (te) veel activiteiten die winst opleveren lopen zij het risico om onder de vennootschapsbelasting te vallen. Soms vallen zij onder de rechtspersonenbelasting. Een andere vereniging valt dan weer onder een btw-vrijstellingsregeling.

Optiestelsel

Het nieuw Koninklijk Besluit tot invoering van een optiestelsel voor verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid van 6 juni 2019 is in werking getreden op 14 juni 2019. Dit KB geeft aan een vereniging een duidelijk keuze.

De rechtspersonenbelasting is in principe enkel van toepassing op de in België gevestigde rechtspersonen.

Politieke organisaties, vakverenigingen, parochiale werken, jeugdbewegingen, verenigingen met vermaakdoeleinden of culturele verenigingen hebben in de meeste gevallen geen rechtspersoonlijkheid. Zij vallen dus niet onder de rechtspersonenbelasting.

De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan echter zelf de optie lichten om wél onder de rechtspersonenbelasting te vallen. Uw vereniging onderworpen aan de rechtspersonenbelasting? U kiest!

Ratio legis

Roerende inkomsten op een rekening van een vereniging worden belast in hoofde van de rijksinwoner die beschikt over de handtekeningsbevoegdheid van deze rekening.

De vereniging moet dus op zoek gaan naar iemand die nog mandaat wil nemen in de vereniging. De mandaathouder wordt dan belast in de personenbelasting. De belastingadministratie behandelt dit als een eigen inkomen van de beheerder van de bankrekening.

De wetgever laat nu de ruimte. De vereniging kiest zelf om zich vrijwillig te onderwerpen aan de rechtspersonenbelasting. De mandaathouder loopt aldus geen fiscaal risico meer. De vereniging moet haar leden wel inlichten over die keuze.

Hoe kiezen?

Een vereniging zal een brief aan de bevoegde directeur van de directe belastingen moeten richten. De vereniging verstuurt deze brief uiterlijk voor de 60ste dag voor de laatste dag van het belastbaar tijdperk, dus tot en met 31 oktober.

Aangezien dit voor het belastbare tijdperk dat samenvalt met het jaar 2018 niet meer mogelijk is, voorziet het KB in een overgangsmaatregel. Verenigingen die wensen te opteren voor de rechtspersonenbelasting voor de inkomsten die in 2018 werden verkregen, moeten hun brief verzenden voor 11 juli 2019.

Kiest de vereniging in een belastbaar tijdperk voor de rechtspersonenbelasting, dan geldt haar keuze ook voor de vijf volgende belastbare tijdperken.

Wat moet u meesturen?

De vereniging zal bij deze brief een lijst van haar leden en statuten van de vereniging dienen toe te voegen.

In de brief vermeldt u ook het adres van de zetel van de vereniging en de naam en het adres van het lid dat de aangifte  zal indienen.

Tot slot vraagt de fiscus ook om een overzicht van alle roerende en onroerende goederen en alle kapitalen en rekeningen van de vereniging mee te sturen.

Volledigheidshalve…

en omdat een gewaarschuwd man er twee waard is (een vrouw – drie) geven we graag het volgende mee:

“Een vereniging mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel.”

Voor de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen was het niet wettelijk verboden om een onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen aan de leden van de vereniging. De grijze zone vervaagt.

 


WLTP of NEDC? Bent u nog mee?

Wie nu een nieuwe wagen koopt, zal het zich zeker al hebben afgevraagd. Hoeveel CO2 stoot mijn wagen uit? In onze huidige maatschappij denken we immers allemaal wel na over het klimaat.

Nieuwe norm = WLTP

Wel, de CO2-uitstoot van nieuwe  wagens wordt voortaan gemeten volgens een nieuwe testprocedure, de zogenaamde WLTP (Worldwide Harmonised Light vehicle Test Procedure).

Deze WLTP-norm vervangt de oude NEDC-norm. De auto-industrie evolueert namelijk zodanig snel dat de NEDC-test niet meer aangepast is aan het huidige drukke verkeer. De Europese Unie heeft daarom beslist om gaandeweg de nieuwe WLTP-norm in te voeren.

Let wel, de nieuwe WLTP-norm is strenger en leidt tot hogere waardes van CO2-uitstoot.

Fiscaliteit

De CO2-uitstoot is niet enkel van belang voor het milieu. Deze normen zijn ook van belang in de fiscaliteit.

Denk maar aan de aftrek autokosten, het voordeel alle aard, de verkeersbelasting, de BIV enzovoort, die worden berekend aan de hand van de CO2-uitstoot.

Maar welke norm past de fiscus toe?

De fiscus bevestigt in haar FAQ dat u de oude NEDC-norm mag gebruiken tot eind 2020 voor de berekening van het voordeel alle aard. We nemen aan dat dit ook geldt voor de kostenaftrek.

Bij Vlabel bevestigen ze dan weer dat men enkel rekening houdt met de NEDC-norm voor de verkeersbelasting en BIV.

Tot eind 2020 mag nog de gunstigere NEDC-waarde (gemeten of omgerekend) gebruikt worden als basis voor de autofiscaliteit.

Gelijkvormigheidsattest

Waar kan ik de CO2-uitstoot van mijn wagen terugvinden?

Op het gelijkvormigheidsattest van uw nieuwe wagen (vanaf eind 2018) zou u - in principe - onder code 49 beide normen moeten terugvinden. Op het inschrijvingsbewijs zal u enkel de WLTP-norm vinden.

Oudere wagens zullen in principe enkel de oude NEDC-norm op hun documenten vermelden.

Conclusie

Indien u slechts één uitstoot terugvindt, verifieer dan eerst goed of dit weldegelijk de gunstigere NEDC-norm is en niet de strengere WLTP-norm.


Statutaire zetelleer en de Belgische fiscaliteit

De werkelijke zetelleer is voor Belgische vennootschappen verleden tijd. Met de invoering van het Wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) is, naar het voorbeeld van heel wat andere Europese landen, gekozen voor de toepassing van de statutaire zetelleer.

Gelet op de grondige hervorming van het vennootschapsrecht was het evenwel ook noodzaak om het fiscaal recht aan te passen. De wetgever achtte het immers onbillijk dat de fiscale situatie teveel zou wijzigen.

Situatie voor het WVV - werkelijke zetelleer

Het oude Wetboek Vennootschappen bepaalt het toepasselijk recht van een vennootschap op grond van waar een vennootschap haar voornaamste activiteiten uitvoert of haar bestuur voert.

Dit zorgt er historisch voor dat België geen aandacht heeft voor waar een vennootschap is opgericht. Bepalend is of een vennootschap haar voornaamste activiteiten of haar bestuur in België heeft. Als dit het geval is dient de vennootschap zich aan het Belgische vennootschapsrecht te onderwerpen.

Dit maakt België maar weinig aantrekkelijk voor buitenlandse vennootschappen.

Situatie ingevolge het WVV - statutaire zetelleer

België kon niet achterop hinken en keek gretig over haar landgrenzen heen om inspiratie op te doen. Nederland bijvoorbeeld heeft van haar vennootschapsrecht een belangrijk exportproduct gemaakt en veel buitenlandse vennootschappen hebben hun weg naar daar gevonden.

Nederland maakt gebruikt van de statutaire zetelleer. Hierbij is het vennootschapsrecht van het land waar de statutaire zetel gevestigd is het toepasselijk recht op de vennootschap.

Middels het WVV heeft België nu ook resoluut gekozen voor de statutaire zetelleer. Vrijheid en flexibiliteit voor iedereen.

De blijheid hinkt evenwel nog steeds achterop aangezien de geplande onlineregistratie voor vennootschappen nog niet mogelijk is. Dit is een administratief hiaat, waardoor ondernemingen wederom België alsnog links zouden kunnen laten liggen.

Fiscaliteit en de werkelijke zetelleer

Een vennootschap is een fiscale inwoner van België en zij wordt in België op haar wereldwijde winst belast indien haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur in België is gevestigd. Dit spoort met de werkelijke zetelleer. Hier wijzigt niks aan.

De werkelijke zetelleer  is én blijft dus primeren op fiscaal gebied.

Door de invoering van het WVV is een vennootschap onderworpen aan het vennootschapsrecht van het land waar haar maatschappelijk zetel is gevestigd. Als gevolg daarvan kan men niet langer meer veronderstellen dat de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, noodzakelijkerwijze ook aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen. Er moet immers steeds werkelijke leiding vanuit België zijn.

In principe moet een onderneming ook rechtspersoonlijkheid bezitten om onder de vennootschapsbelasting te kunnen vallen. Maar een bijzondere bepaling belast reeds buitenlandse lichamen zonder rechspersoonlijkheid die in België winsten behalen, zo zij een gelijkaardige vorm aannemen als een vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht (artikel 227, 2° WIB ’92).

Nieuw wettelijk vermoeden met dubbel tegenbewijs

Zoals gezegd, kan men niet langer veronderstellen dat een vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, ook aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen. Met gevolg dat de fiscus voortaan geval per geval zou moeten beoordelen. Dit is onbegonnen werk.

Daarom heeft men het wettelijk vermoeden met dubbel tegenbewijs ingevoerd. Dit stelt: behoudens tegenbewijs, wordt de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, geacht haar werkelijke leiding in België te hebben én dus fiscaal inwoner te zijn.

Dit vermoeden kan worden weerlegd door aan te tonen dat de vennootschap 1) haar werkelijke zetel in een andere staat heeft én 2) fiscaal inwoner is van deze andere staat.

Ook de boekhouding moet mee

De wetgever diende evenwel in te grijpen om ook éffectief een vennootschap met een statutaire zetel in het buitenland, en dus beheerst door buitenlands recht, te kunnen belasten in België (nieuw artikel 320/1 WIB ’92). Elke Belgische vaste inrichting van dergelijke vennootschappen zal nu een boekhouding en een jaarrekening moeten opmaken volgens Belgisch recht, tenzij zij een vrijstelling hebben gekregen. De jaarrekening wordt tevens aan de aangifte in de vennootschapsbelasting gehecht, tenzij zij reeds gepubliceerd werd.

Conclusie

Als het gevolg van deze hervorming hinkt België niet langer achterop. Ons vennootschapsrecht is alvast gewapend om meer ondernemingen naar België te halen. Of we voldoende concurrentieel zijn op bijvoorbeeld  fiscaal vlak blijft nog maar de vraag.

Meer weten? Contacteer ons vrijblijvend.


Hoe vergoeding bepalen bij einde opstalrecht?

Een bestuurder koopt een stuk bouwgrond en verleent een opstalrecht aan zijn vennootschap voor 15 jaar. De vennootschap heeft het recht om op de grond te bouwen. Na 15 jaar wordt de bestuurder (gratis) eigenaar van het gebouw.

Op burgerrechtelijk vlak is deze klassieke opstalconstructie perféct legaal. Toch viseert de fiscus deze constructies, veelal bij het einde van het opstalrecht. Hoe komt dit? Waarop moet u letten om dit te vermijden?

Recht van opstal

Bij een opstalrecht verleent een opstalgever (grondeigenaar) een tijdelijk recht aan de opstalhouder om te mogen bouwen op diens grond. In praktijk zal de grondeigenaar meestal de bestuurder zijn die een opstalrecht geeft aan zijn vennootschap. Gedurende de looptijd van het opstalrecht is de vennootschap eigenaar van de gebouwen, de zogenaamde opstallen.

Op het einde van het opstalrecht wordt de opstalgever automatisch eigenaar van de gebouwen door natrekking. In de al wat oudere opstalovereenkomsten is vaak geen vergoeding afgesproken op het einde van het opstalrecht. De opstalgever wordt zo dus 'gratis' eigenaar van de gebouwen.

Dergelijke kosteloze overdracht is uiteraard een doorn in het oog van de fiscus ...

Geen vergoeding is mogelijk voordeel alle aard

De fiscus belast de opstalgever maar al te graag in de personenbelasting. Door de gratis verwerving krijgt de bestuurder immers een voordeel in natura van zijn vennootschap.

De fiscus moet wel kunnen aantonen dat de belastingsbelastingplichtige dit voordeel kreeg in de hoedanigheid van bedrijfsleider. Zoniet, kan de fiscus de belastingplichtige niet belasten op een voordeel alle aard.

Om dit voordeel te vermijden zou men een vergoeding kunnen afspreken die de opstalgever moet betalen aan de opstalhouder bij het einde van het opstalrecht.

Artikel 6 van de opstalwet bepaalt overigens dat de opstalhouder in principe recht heeft op de waarde van zijn gebouwen, werken en beplantingen. Hoe die waarde moet worden bepaald, daarover zwijgt de wet in alle talen.

Welke vergoeding dan?

Dé belangrijkste vraag blijft dus: hoe groot moet die vergoeding zijn?  Daarover is intussen al heel wat geschreven, maar het blijft nog steeds een moeilijk vraagstuk. Veel hangt uiteraard ook af van het concrete feitenrelaas.

Zo heeft de fiscus al geoordeeld dat voor het bepalen van het voordeel van alle aard de "actuele waarde" van de opstallen moet worden vergoed. De fiscus meent dat dit de venale waarde van de constructie is op het ogenblik van het einde van het opstalrecht.

Maar de meeste rechtsleer en sommige rechtspraak gaan hier niet mee akkoord. Zij menen dat men een waarderingsmethode moet hanteren waarbij rekening wordt gehouden met alle concrete omstandigheden zoals de bouwkosten, de duurtijd van het opstal, de vergoeding tijdens het opstalrecht, eventuele verbouwingen enzovoort. Er moet dus meer gekeken worden naar de "economische waarde" van de opstallen.

Zo gaat bepaalde rechtsspraak de vergoeding bepalen in functie van de normale gebruiksduur van de opstallen. (Bergen 1 juni 2018, 2015/RG, Fisc. Act. 2019, 8/1).

Een alternatieve methode bestaat er bijvoorbeeld in om het opstalrecht te vergelijken met huur. De meerkost voor het zelf bouwen, t.o.v. de totale huur over de duurtijd van het opstalrecht, is de vergoeding. Hierbij moet een actualisatievoet worden toegepast gelijk aan het rendement dat de opstalhouder zou hebben gehad indien hij zijn geld op een andere manier had belegd. (Ph. Salens, "De waardering van onroerende zakelijke rechten (her)bekeken door een fiscale bril", Not.Fisc.M. 2016, 4, 102).

Ook de rulingcommissie besluit dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een "economische waarde" van de opstallen bij het einde van het opstalrecht (dus niet enkel de verkoopswaarde), minus de gederfde inkomsten.


Bingo! Vlaamse Belasting op Spelen en Weddenschappen

Sinds 1 januari 2019 int de Vlaamse Belastingdienst de Belasting op Spelen en Weddenschappen. Wat houdt deze belasting zoal in? Wij maken u wegwijs.

Spelen en weddenschappen

De belasting op spelen en weddenschappen is van toepassing op alle soorten spelen en weddenschappen. Het zijn alle verrichtingen waarbij deelnemers een som inzetten met risico van verlies, in de hoop hieruit voordeel (in geld of natura) te behalen.

Spelen en weddenschappen omvatten niet alleen kansspelen. Zijn ook bedoeld wedstrijden, proeven, kampen, matches, behendigheidsspelen, vermakelijkheden, pronostieken, tombola’s, etc.

Gewestelijke belasting

De belasting op spelen of weddenschappen is een Vlaamse belasting. Zij is dus verschuldigd als de spelen of weddenschappen worden ingericht op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Voor online spelen en weddenschappen moet men kijken naar de locatie van de server om te bepalen aan welk gewest de belasting moet worden betaald.

Vrijstellingen

Gelukkig zijn er ook vrijstellingen. Zo zijn toegelaten loterijen steeds vrijgesteld, zelfs als ze online georganiseerd worden.

Ook volgende spelen en weddenschappen zijn vrijgesteld, behalve als er online op kan ingezet worden:

  • bepaalde duivenprijskampen, als de inzetten alleen maar door de eigenaars van de duiven gebeuren;
  • bepaalde wedstrijden uitsluitend ingericht voor musea of bepaalde instellingen;
  • sportbeoefening (deze vrijstelling geldt niet voor weddenschappen op sportwedstrijden);
  • bepaalde volksvermakelijkheden als de inzet beperkt is tot 50 euro per persoon per dag; en
  • vogelzangwedstrijden.

Tarief

In principe geldt een uniform belastingtarief van 15% op de opbrengst. De opbrengst is dan de som van de inzetten min de uitgekeerde winsten. Hierop bestaan wel heel wat uitzonderingen.  In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de soorten spelen en hoe ze belast worden.

Soort spel of weddenschap Belastbare grondslag &

schijven (euro)

Tarief
(%)

casinospelen

(het vroegere afwijkende tarief voor baccara chemin de fer en roulette zonder zero verdwijnt)

 

dagopbrengst
(incasso bij opening – incasso bij sluiting + inzetten – uitgekeerde winst):

van

0,01

tot

865.000

 

33 %

>865.000

44 %

slottoestellen (casino)

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):

van

0,01

tot

1.200.000

 

20 %

1.200.000,01

2.450.000

25 %

2.450.000,01

3.700.000

30 %

3.700.000,01

6.150.000

35 %

6.150.000,01

8.650.000

40 %

8.650.000,01

12.350.000

45 %

> 12.350.000

50 %

online spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

11 %

mediaspelen (bv. quiz via TV, SMS, …)

bedrag van de sommen of inleggelden:
uniform tarief

15 %

paardenwedrennen
hondenwedstrijden
sportevenementen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

overige spelen en weddenschappen

opbrengst
(inzetten min uitgekeerde winsten):
uniform tarief

15 %

 

Aangifte

Vanaf 2019 gebeurt de online aangifte via het digitaal loket.

De aangifte moet gebeuren door de inrichter van spelen of weddenschappen die georganiseerd worden in het Vlaamse Gewest of de aanbieder van online spelen of weddenschappen die uitgebaat worden via een server in het Vlaamse Gewest.

Hiermee laat de inrichter de Vlaamse Belastingdienst weten dat er gedurende een bepaalde periode of op een specifieke dag een spel of weddenschap wordt ingericht.

De aangifte voor de berekening van de belasting wordt maandelijks ingediend. Na het indienen van de online aangifte ontvangt de inrichter een aanslagbiljet. De betaaltermijn bedraagt 2 maanden.