Opeisbaarheid btw op een voucher: bij uitgifte of gebruik?

Een voucher, in de volksmond ook bekend als "de cadeaubon", is een alom vertegenwoordigd "betaalmiddel". Tof om te krijgen, leuk om te geven. Veel ondernemingen voorzien dan ook in deze vouchers, maar moet u hierop btw aanrekenen? En wanneer moet u deze overdragen?

Wat is een voucher?

Een voucher is een “betaalmiddel” dat gebruikt wordt voor leveringen van goederen of diensten. Vouchers kunnen zowel op een fysieke (de echte bon) als op een elektronische drager staan. Die elektronische drager is niet gelijk aan een betaalkaart. Er is slechts sprake van een voucher wanneer op het ogenblik dat de voucher verhandeld wordt, de goederen, diensten of de verrichters ervan bekend zijn. Een voorbeeld is een cadeaubon van een bepaalde winkel of restaurant, een bongobon, … Op het ogenblik dat de koper de voucher koopt, zal reeds bekend zijn voor wat of waar de voucher gebruikt kan worden, ongeacht wie deze zal gebruiken.

Soorten vouchers

Er bestaan twee soorten vouchers. De eerste soort zijn de vouchers voor enkelvoudig gebruik. Bij deze soort staat de handeling en dus ook de btw van de onderliggende handeling (tarief en plaats) reeds vast. Een voorbeeld hiervan is een voucher voor een hoofdgerecht ter waarde van 34,99 euro. Het is duidelijk dat het btw-tarief van toepassing zijnde op de handeling 12% zal bedragen.

De tweede soort zijn de vouchers voor meervoudig gebruik. Hierbij staat de btw-behandeling nog niet vast, aangezien de handeling ook nog niet vast staat. Een voorbeeld is een voucher ter waarde van 34,99 euro te besteden in restaurant X. in dit voorbeeld staat nog niet vast wat er aangekocht zal worden. De gebruiker van de voucher kan een maaltijd ter waarde van 34,99 euro bestellen, maar evengoed ook nog een fles wijn. Beide handelingen hebben een ander btw-tarief.

Opeisbaarheid btw

Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw opeisbaar op het moment van het verhandelen van de voucher. Dit betekent dat bij de uitgifte van dergelijke voucher, de btw zal moeten worden afgedragen. Bovendien dient deze bij horeca ingegeven worden in het geregistreerd kassasysteem.

Bij vouchers voor meervoudig gebruik is de btw-behandeling nog niet gekend, waardoor de btw ook nog niet opeisbaar is bij het uitgeven van deze vouchers. Zij dienen in de horeca dan ook nog niet geregistreerd te worden in het geregistreerd kassasysteem.

Teruggave btw

Het gebeurt meer dan eens dat een voucher niet wordt ingeruild. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw wel reeds opeisbaar geworden op het ogenblik van verhandelen van de voucher. De vraag rijst dan of men de btw kan terugvragen van niet ingeruilde vouchers. Aangezien vouchers vroeger aanzien werden als een vooruitbetaling, was dit mogelijk. (Vr. nr. 72 Dirk Van der Maelen, 8 november 2007, vr. en Ant. Kamer 2007-08, afl. 5, 240).

Vanaf 1 januari 2019 kan dit niet meer op grond van de richtlijn (EU) 2016/1065 van 27 juni 2016. De nieuwe wetgeving voorziet namelijk in het vermoeden dat de handeling is verricht op het ogenblik van de verhandeling van de voucher voor enkelvoudig gebruik. Omwille hiervan kan de btw dan ook niet meer gerecupereerd worden bij het niet inruilen van de voucher.

Dit heeft als gevolg dat vouchers voor meervoudig gebruik op dit vlak een groot voordeel hebben. Aangezien bij deze vouchers de btw slechts opeisbaar wordt bij het inruilen van de voucher, houdt dit in er geen btw opeisbaar is bij niet ingeruilde vouchers. Daarnaast kent het verschil in tijdstip van opeisbaarheid ook een cashflow-voordeel toe aan het gebruik van vouchers voor meervoudig gebruik.

Uitzondering

Een vreemd fenomeen doet zich voor met betrekking tot vervoersbewijzen en toegangskaarten. De FAQ hieromtrent voorziet dat vervoersbewijzen en toegangskaarten uitgesloten zijn. Vreemd, aangezien noch de Belgische wetgeving noch de richtlijn in een dergelijke uitsluiting voorziet. Hoe dan ook heeft dit tot gevolg dat zij wel degelijk als voorafbetaling worden aanzien. Bij het niet komen opdagen bij dergelijke vouchers zal aldus de btw wel nog teruggevraagd kunnen worden. Het lijkt dan ook niet geheel duidelijk of de FAQ doelt op de vervoersbewijzen en toegangskaarten zelf of vouchers die recht geven op vervoersbewijzen of toegangskaarten.

Vanaf wanneer?

Zoals hiervoor bepaald gelden deze regels vanaf 1 januari 2019. Dit moet begrepen worden als vouchers die uitgegeven zijn vanaf 1 januari 2019. “Oude” vouchers volgen nog het oude regime. Dit wil zeggen dat de geldigheidsdatum van de voucher geen belang heeft bij het al dan niet toepassen van de nieuwe regels.

Conclusie

De regeling voor vouchers kent twee soorten, elk met een eigen btw-regels en bijhorende gevolgen. Door de nieuwe regel zal het niet inruilen van vouchers met enkelvoudig gebruik geen recht geven op teruggave van de afgedragen btw. Dit is een belangrijke verschil met de vroegere regeling. Tevens heeft deze soort voucher een nadelig gevolg op de cashflow van uw onderneming.


Terbeschikkingstelling van bergruimte: 10% wordt 50%

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is in sommige gevallen onderworpen aan btw. Interessant voor de aftrek van de betaalde btw inzake de gemaakte kosten van dergelijke bergruimte. Door de wet van 14 oktober 2018 zijn vanaf 1 januari 2019 meer bergruimtes aan btw onderworpen . Laten we hier even dieper op ingaan.

Wel of geen btw?

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is op grond van artikel 18 WBTW een dienst. Normaliter is het verrichten van diensten onderworpen aan btw. Dit betekent in veel gevallen dat de dienstverrichter btw aanrekent op zijn factuur, die hij vervolgens doorstort naar de fiscus. Daartegenover staat dat de dienstverrichter btw die hij betaald heeft, mag aftrekken. Dit noemen ze de neutraliteit van de btw. Btw heeft namelijk als principe dat de eindverbruiker betaalt. Met andere woorden de tussenstappen in de ketting mogen hiervan geen extra kost ondervinden.

Zoals op vele zaken, voorziet ook hier de wet vrijstellingen. Zo is de verhuur van de uit hun aard onroerende goederen vrijgesteld van btw. Dit betekent dat er geen btw wordt aangerekend, maar ook niet kan worden afgetrokken. Dit is in sommige gevallen nadelig. Echter sluit de wet de terbeschikkingstelling van bergruimtes expliciet uit, zodat deze niet onder de vrijstellingen valt. Een uitzondering op een uitzondering laten we maar zeggen.

Illustratie

Laten we dit even illustreren aan de hand van een voorbeeld.

Een btw-plichtige koopt een woning, met btw. Na de koop verhuurt hij de woning aan een andere btw-plichtige. Deze huur zal niet onderworpen zijn aan btw. De huurder betaalt aldus de huurprijs zonder btw. De btw-plichtige mag ook de oorspronkelijk betaalde btw niet aftrekken. Hij zal deze dus “kwijt” zijn.

Stel nu dat hetzelfde voorbeeld met een loods. Hierbij gaat het dan om een bergruimte. In dat geval zal de terbeschikkingstelling van de loods wel onderworpen zijn aan btw en kan de btw-plichtige de btw wel aftrekken.

10% regel

Tot hiertoe waren er nog niet echt problemen of onduidelijkheden. Maar in de praktijk zijn bergruimtes vaak ook voorzien van kantoren, of andere ruimtes dan louter bergruimte. In dat geval was de fiscale administratie altijd van mening dat men onderworpen werd aan btw zolang de andere ruimte niet meer dan 10% van de totale oppervlakte bedroeg. Was dit meer, dan was de terbeschikkingstelling van de ruimte(s) vrijgesteld van btw, met het gevolg dat er geen aftrek van btw was.

Versoepeling

U voelt dat vele btw-plichtigen liever diensten stellen die onderworpen zijn aan btw, zodat zij van btw-aftrek kunnen genieten. Echter was de grens van 10% krap, zodat vele hierdoor toch onder de vrijstelling vielen. Door de wet van 14 oktober 2018 (BS 25 oktober 2018) heeft de wetgever de invulling van het begrip “bergruimte” soepeler ingevuld. Vanaf 1 januari 2019  geldt het volgende: “ de terbeschikkingstelling van ruimten die voor meer dan 50 pct. gebruikt worden voor het opslaan van goederen, op voorwaarde dat de ruimten niet voor meer dan 10 pct. worden aangewend als verkoopsruimte”.

Dit betekent dat vanaf 1 januari 2019 alle ruimtes die hoofdzakelijk als bergruimte worden gebruikt onderworpen worden aan btw. Dit is een hele versoepeling, die vele btw-plichtigen ten goede zal komen.

Conclusie

Door deze versoepeling kan het zijn dat de door u terbeschikkinggestelde ruimte(s) aan btw onderworpen worden vanaf 1 januari 2019. Dit wil zeggen dat u btw zal moeten aanrekenen op uw facturen, maar daarentegen ook de btw zal kunnen aftrekken met betrekking deze ruimte(s).

Stelt u reeds een “bergruimte” ter beschikking of heeft u deze toekomstplannen? Contacteer ons en wij helpen u graag bij het optimaliseren.


Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.


Weglopen van uw rekening courant naar een lening met vaste looptijd?

Geld 'lenen' van de vennootschap via rekening courant of lopende rekening is voor een bedrijfsleider een pak duurder dan via een lening met vaste looptijd. Soms zijn er gewoonweg niet genoeg privémiddelen om de schuld op korte termijn af te lossen. Een aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening is ook geen evidentie.

De fiscus zal te weinig betaalde interesten bovendien belasten als voordeel van alle aard. Velen overwegen dan ook om de lopende rekening om te zetten naar een 'niet-hypothecaire lening met vaste looptijd'. Wat zijn de voordelen en aandachtspunten?

Kost van uw lopende rekening loopt op

Wanneer de bedrijfsleider en debetstand heeft op zijn rekening-courant en dus geld verschuldigd is aan de vennootschap, moet hij volgens de fiscus hiervoor interesten aan zijn vennootschap. De wetgever legt hiervoor jaarlijks een referentierentevoet vast. Voor aanslagjaar 2018 bedraagt deze 8,78%. Dit percentage wordt maandelijks toegepast op de stand van de lopende rekening. Betaalt de bedrijfsleider minder of zelfs niets, dan beschouwt de fiscus dit als een verkregen voordeel van alle aard en zal ze het verschil toevoegen aan zijn belastbare basis in de personenbelasting.

Bijvoorbeeld: de bedrijfsleider laat door de vennootschap een privé-uitgave betalen t.w.v. 10.000,00 euro. Hij heeft vanaf dat moment een schuld aan de vennootschap waarop hij 870,80 euro interest zou moeten betalen. Als hij niets aan zijn vennootschap betaalt, zal de fiscus de volledige 870,80 euro in de personenbelasting belasten als loon, aan het marginaal tarief. De vennootschap moet dit bedrag dan ook vermelden op de fiche 281.20 als bezoldiging van de bedrijfsleider.

Fiscaal: waarom omzetten?

De bedrijfsleider tracht vaak het belastbaar voordeel vaak te vermijden of verkleinen door een een lening met vaste looptijd af te sluiten met zijn of haar vennootschap. De wettelijk vastgelegde percentages voor een niet-hypothecaire lening met vaste termijn liggen namelijk aanzienlijk lager. Het maandelijks lastenpercentage bedraagt hiervoor slechts 0,20% (of bijvoorbeeld 4,72% op jaarbasis voor een vijfjarige lening).

Wanneer men de debet lopende rekening laat omzetten in een lening met een vaste looptijd, moet de bedrijfsleider eveneens de interest effectief betalen aan de vennootschap. Dit opnieuw om niet privé belast te worden op een voordeel van alle aard. Ten slotte vormt de betaalde interest een financiële opbrengst in de vennootschap en moet deze laatste hierop vennootschapsbelasting betalen.

Knipperlichten

De omzetting van een lopende rekening in een lening met vaste looptijd vergt oog voor een aantal aandachtspunten. Zoniet kan de fiscus de omzetting beoordelen als fiscaal misbruik en u alsnog belasten aan het hogere voordeel van alle aard.

  • Boekhoudkundig moet de rekening-courant worden overgeboekt naar een rekening  'overige vorderingen op lange termijn' respectievelijk 'overige vorderingen op korte termijn'.
  • Houd steeds rekening met het vennootschapsrecht, meer bepaald bepalingen omtrent belangenconflicten. De bedrijfsleider moet bijvoorbeeld eventuele (mede)vennoten inlichten wanneer zijn belangen tegenstrijdig zijn met die van de vennootschap. Er moet ook een verslag worden opgemaakt met de vennootschapsrechtelijke gevolgen van de actie, dat samen met de jaarrekening wordt neergelegd.
  • Laat een leningscontract opstellen tussen u en uw vennootschap en laat dit registreren bij een registratiekantoor van de overheid. Dit zorgt ervoor dat u de datum van de omzetting vastlegt.

Laat u bij dit laatste aspect zeker adviseren door ons legal team: zij stellen voor u een geschikte overeenkomst op.


De fiets: een win-win voor het milieu én de portemonnee.

De fiets is een ecologisch en efficiënt alternatief voor de wagen in het steeds drukkere verkeer. Dit is ook de overheid niet ontgaan. Daarom besloot de wetgever om de reeds bestaande fiscale gunstmaatregelen voor fietsen verder uit te breiden en het gebruik ervan aan te moedigen.

Fiets, e-bike of speed pedelec?

Omwille van vele discussies over welke fiets al dan niet onder bepaalde fiscale gunstmaatregelen viel, heeft de wetgever het begrip “fiets” gedefinieerd alsook uitgebreid.  In de wet van 22 oktober 2017 voorziet de wetgever 3 types “fietsen”, namelijk het rijwiel, het gemotoriseerde rijwiel en de speed pedelec.

De wetgever definieert het rijwiel als “elk voertuig met 2 of meer wielen dat via pedalen of handgrepen met spierkracht wordt aangedreven of uitgerust is met een elektrische hulpmotor tot 250  W die geen ondersteuning meer biedt vanaf 25 km/h, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen.” De memorie van toelichting van de wet stelt uitdrukkelijk dat o.a. hoverboards, rolschaatsen, skateboards of monowheels  hier niet onder vallen.

Het gemotoriseerd rijwiel is als volgt beschreven: “elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de rijwielen die opgenomen zijn onder het eerste type.”

Het laatste type is de "speed pedelec”. In de wet als volgt uitgelegd: “elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur.”

Alle types beantwoorden aan de kwalificatie “fiets” waarop de fiscale gunstmaatregelen van toepassing zijn.

In de volksmond spreken ze weleens van de e-bike. De fiscale administratie benadrukt in haar circulaire (circ. 2018/C/5 van 16 januari 2018) dat er geen welomschreven definitie van e-bike bestaat. Dit betekent dat met betrekking tot dergelijke e-bikes de fiscale gunstmaatregelen enkel gelden indien deze voldoet aan één van voorgaande types.

120% aftrekbaarheid

Wanneer een vennootschap een fiets koopt, is deze 120 % aftrekbaar. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat een personeelslid (hieronder ook begrepen een bedrijfsleider) hem gebruikt voor de woon-werkverplaatsingen. Daarenboven dient de fiets over minstens 3 jaar te worden afgeschreven. De verhoogde aftrekbaarheid geldt ook met betrekking tot de kosten van de toebehoren en onderhoud.

De wetgever gaat zelfs nog een stapje verder. Elke investering die het gebruik van de fiets door personeelsleden aanmoedigt, is 120% aftrekbaar als beroepskost. Dit betekent dat ook investeringen in onroerende goederen, bestemd als fietsenstalling, oplaadpunten, kleedruimtes of sanitaire ruimtes hiervoor in aanmerking komen.

Merk wel op dat de wetgever vanaf boekjaar 2020 de aftrekbaarheid bij vennootschappen naar 100% terugdringt.

Voordeel van alle aard

De fiscale administratie belast het kosteloos  ter beschikking stellen van een bedrijfswagen door middel van het aanrekenen van een voordeel van alle aard.

In tegenstelling tot de bedrijfswagen, belast België de terbeschikkingstelling  van een fiets aan een personeelslid niet. Zelfs niet als het personeelslid deze fiets gebruikt voor privéverplaatsingen tijdens weekends of vakanties. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het personeelslid met deze fiets op regelmatige basis woon-werkverplaatsingen.

Fietsvergoeding

De fiets is het enige transportmiddel waarbij u de vrijstelling van het woon-werkverkeer (fietsvergoeding) en de werkelijke beroepskosten mag combineren. Met andere woorden moet de belastingplichtige de ontvangen vergoeding niet van zijn beroepskosten aftrekken.

Per effectieve afgelegde kilometer woon-werkverplaatsing heeft een personeelslid tevens recht op een vergoeding van 23 eurocent (geïndexeerd aanslagjaar 2018), met een maximum van 100 kilometers per enkele rit. Ook bij dienstverplaatsingen kan de onderneming dit bedrag als kostenvergoeding hanteren.

Enkel beroepsmatige verplaatsingen?

Indien een personeelslid de fiets enkel voor beroepsmatige verplaatsingen gebruikt en géén woon-werkverplaatsingen maakt, gaan voornoemde fiscale voordelen verloren. In dat geval heeft de vennootschap slechts recht op 100% aftrek van de kosten. De toekenning van een belastingvrije kilometervergoeding is dan ook niet mogelijk. Daarenboven belast de fiscale administratie het privégebruik van de fiets mogelijk door middel van een voordeel van alle aard bij het personeelslid.

Opgepast, bij speed pedelecs horen ook enkele verplichtingen

U dient uw speed pedelec verplicht in te schrijven bij de Dienst Inschrijvingen Voertuigen (DIV). Na inschrijving ontvangt u een (kleine) nummerplaat. Alvorens de weg op te gaan, moet de speed pedelec van de nummerplaat voorzien te zijn. Vanaf 11 december 2018 riskeert u een boete van 116 euro wanneer u niet aan deze verplichting voldoet.

Om uw speed pedelec in te schrijven, dient u in het bezit te zijn van een gelijkvormigheidsattest. Dit is een document van de fabrikant waarin het voertuigidentificatienummer en de precieze technische kenmerken van de speed pedelec zijn opgenomen.

Op de website van de Vlaamse Overheid vindt u alle informatie over de aanvraagprocedure inzake het gelijkvormigheidsattest en de nummerplaat.

Daarnaast behoren ook het dragen van een goedgekeurde fietshelm met CE-markering en het bezit van rijbewijs AM of B tot de verplichtingen. Als laatste verplichting dient u een BA-verzekering af te sluiten.

Conclusie

De fiets is onder bepaalde voorwaarden nog t.e.m. boekjaar 2019 voor 120% aftrekbaar, nadien 100%. Mits regelmatig woon-werkverkeer is het personeelslid niet belast met een voordeel van alle aard. Bovendien mag de vennootschap aan het personeelslid een belastingvrije vergoeding toekennen! Drie keer langs de kassa dus! Een reden te meer om ook op de fiets(kar) te springen.


Op zoek naar een locatie voor uw bedrijf? Al gedacht aan een steunzone?

Door de locatie van uw bedrijf kan u fiscaal besparen. Klinkt dit te mooi om waar te zijn? Toch niet. Vestig uw onderneming in een Belgische steunzone, investeer met het oog op jobcreatie en krijg vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Vlaanderen heeft momenteel twee afgebakende steunzones (één rond Genk en één rond Turnhout) en weldra komt er een derde bij. Op de steunzone Vilvoorde-Zaventem is het evenwel nog even wachten. Wallonië heeft voorlopig reeds vier steunzones.

Wat is een steunzone?

Een steunzone, soms wel ontwrichte zone genoemd, is een zone waar in het verleden minstens één bedrijf door een zwaar collectief ontslag of faillissement getroffen werd. De Minister van Financiën zorgt voor de wettelijke verankering van dergelijke zone op voorstel van de Gewesten.

Een steunzone mag zich maximaal uitstrekken binnen een straal van 40 km rond een getroffen bedrijf. In principe komen per gewest maximaal 4 collectieve ontslagen in aanmerking. Vervolgens zijn ook de maximale oppervlakte van 2.000 km² en het maximaal aantal inwoners van 200.000 personen wettelijk vastgelegd. Sinds 1 september 2018 kan een steunzone met een straal van 40 km opgesplitst worden in twee steunzones met een straal van 20 km, waardoor de Gewesten meer steunzones kunnen hebben.

De actuele afgebakende steunzones in Vlaanderen bevatten niet alleen alle bedrijventerreinen maar ook de incubatoren en businesscenters en enkele gebieden met een brownfieldconvenant. Op  www.geopunt.be kan u nagaan of uw bedrijf gelegen is in een steunzone. Selecteer rechts 'bouwen en wonen', vervolgens 'bedrijven' en tot slot  'steunzones'.

Wat is het voordeel?

Ondernemingen die investeren in een steunzone en hier nieuwe personeelsleden tewerkstellen kunnen genieten van de gedeeltelijke en tijdelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. In concreto betekent dit dat zij 25 % van de bedrijfsvoorheffing, ingehouden op de lonen van de nieuwe werknemers, voor zichzelf mag houden.

De vrijstelling geldt vanaf de datum van indiening van de aanvraag tot de laatste dag van de 35e maand na de maand van voltooiing van de investering. Het voordeel is een besparing van ongeveer 4 à 5% op de loonkost. De vrijstelling is per investering beperkt tot maximum 7,5 miljoen euro. Voor grote ondernemingen dient wel rekening te worden gehouden met Europese steunplafonds

Voor welke investeringen?

Om van deze subsidieregeling te genieten, moet een onderneming aan bepaalde voorwaarden voldoen.

De allereerste voorwaarde is de verplichting tot investeren in een steunzone. Onmiddellijk roept dit ook de vraag op welke investeringen hiermee bedoeld zijn en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.

De investering moet betrekking hebben op materiële of immateriële vaste activa. Daarenboven moeten deze investeringen verband houden met de oprichting, diversificatie, uitbreiding of fundamentele wijziging van het productieproces van de onderneming. De uitbreiding of wijziging van het productieproces geldt enkel indien de onderneming een kmo is.

Daarnaast moet de steunaanvraag worden ingediend binnen de 3 maanden nà voltooiing van de investering. De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing is verloren bij overschrijding van de verwachte voltooiingsdatum van de investering met 6 maanden. De voltooiingsdatum staat voor de datum van effectieve ingebruikname van de investering door de werkgever.

Nieuwe tewerkstelling creëren is verplicht?

Tegelijk dient de investering nieuwe tewerkstelling te creëren na indiening van de steunaanvraag én voor het verstrijken van de 36ste maand volgend op de voltooiing van de investering. Deze nieuwe tewerkstelling houdt in dat het totaal aantal werknemers (incl. uitzendkrachten) toeneemt ten opzichte van het gemiddeld aantal tewerkgestelden, berekend 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag betreffende de toepassing van deze regeling. De wet vereist betaling van de bezoldiging van de nieuwe werknemer binnen de twee jaar vanaf de oorspronkelijke tewerkstelling.

Hoelang moet de tewerkstellingsplaats blijven bestaan?

De nieuw gecreëerde arbeidsplaats moet gedurende minstens 3 jaar voor kmo's en 5 jaar voor grote ondernemingen behouden blijven. Gedurende deze termijn dient zij haar karakter van "nieuw" te behouden. De bewijslast weegt op de onderneming zelf. Niet respectering van deze termijn leidt tot verlies van de vrijstelling. De onderneming zal dan alsnog de vrijgestelde bedrijfsvoorheffing moeten doorstorten.

kmo of grote onderneming?

Sommige voorwaarden zijn afhankelijk of de onderneming al dan niet een kmo is. Ondernemingen waarvan 25% of meer van het kapitaal of stemrechten in handen is van een overheid, kunnen in geen geval kmo zijn.

De wetgever hanteert hier een specifieke definitie van kmo. Enerzijds gebaseerd op de criteria gehanteerd in de Europese staatssteunregeling en anderzijds de Belgische fiscale kmo-definitie wanneer er samenhang is met andere vennootschappen. In geen geval mogen volgende criteria in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken worden overschreden: 250 werknemers (voltijdse eenheden) tewerkstellen en een jaaromzet van 50 miljoen euro of een balanstotaal van 43 miljoen euro.

Voor grote ondernemingen is het noodzakelijk dat de steunzone samenvalt met de door Europa goedgekeurde 'regionale steunkaart' én dat de investering betrekking heeft op nieuwe vestigingen of nieuwe activiteiten van bestaande vestigingen.

Kan u vrijstellingen inzake bedrijfsvoorheffing combineren?

Het is mogelijk de vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing te combineren met de algemene vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing, de vrijstelling voor nacht- en ploegarbeid of de vrijstelling voor startende ondernemingen.

Daarentegen is de vrijstelling niet combineerbaar met de andere vrijstellingen van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing zoals vrijstelling voor koopvaardij-, bagger- en sleepvaart, voor wetenschappelijk onderzoek, voor visserij en voor sportbeoefenaars. Daarnaast bestaat er ook een cumulverbod met de vrijstelling voor overwerk. Toch geldt deze beperking slechts voor het deel van de bezoldiging dat betrekking heeft op het overwerk zelf. Dit betekent dat het verbod zich niet uitspreidt over de volledige dag of maand.

Conclusie

Kortom, de steunmaatregel biedt ondernemingen die willen investeren in steunzones de kans om 4 à 5 % te besparen op de loonkost van nieuwe werknemers. Hieruit volgt ook jobcreatie in de betrokken gebieden.

Zoals steeds bij steunmaatregelen is het noodzakelijk om aan alle voorwaarden te voldoen en de nodige formaliteiten na te leven. De juiste keuze i.v.m. de indieningsdatum van de aanvraag is heel belangrijk.

Indien u interesse heeft in de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij investeringen in steunzones, aarzel dan niet om aternio te contacteren.


Ti-ta-tantième: de truc voor een lagere belastingdruk?

Naar aanleiding van het afsluiten van het boekjaar kan de algemene vergadering van een vennootschap beslissen om tantièmes uit te keren. Dit zijn vergoedingen aan één of meer bestuurders van een vennootschap die fiscaal doorwerken op het afgesloten boekjaar. Wat maakt van een tantième, in vergelijking met een dividend, een interessant alternatief om winst uit te keren?

Uitkering en verloning

Tantièmes zijn, net zoals dividenden, winstuitkeringen die een algemene vergadering toekent. Zowel een dividend als een tantième vormen een optie om winst uit de vennootschap te halen. Hier houdt de vergelijking tussen beiden ook op. Wat maakt dan net het verschil?

De toekenning van een tantième vereist dat de begunstigde een bestuurdersfunctie heeft in de vennootschap, terwijl men voor een dividenduitkering aandeelhouder moet zijn. Een tantième is niet alleen een winstuitkeringstechniek, maar het is ook een manier om één of meer bestuurders van een vennootschap te belonen. Inderdaad, niet elke bestuurder hoeft een tantième te krijgen en de tantième is niet noodzakelijk evenredig.

De begunstigde van een tantième kan zowel een natuurlijk persoon als een andere vennootschap zijn. Bij een kmo is het bovendien niet uitzonderlijk dat men niet alleen bestuurder maar ook aandeelhouder is. In dergelijke situatie heeft men dus een dubbele pet op. Diverse mogelijke winstuitkeringen zijn dan mogelijk.

Tantième en belastingen

Ook fiscaalrechtelijk onderscheidt een tantième zich van een dividend. Een tantième wordt als een bezoldiging aanzien en wordt aldus afgetrokken van het fiscaal resultaat van de vennootschap. Dit is niet het geval bij een dividenduitkering. Kortom, bij een tantième wordt de belasting betaald door de genieter, bij een dividend betaalt de uitkerende vennootschap de belasting. Opmerkelijk is ook dat de tantième fiscaal van de winst wordt afgetrokken in het jaar waarop ze betrekking heeft, dus niet in het jaar waarin de tantième is toegekend. Door haar winst op deze manier te bestemmen, kan een vennootschap haar fiscaal resultaat optimaliseren. Let wel: bij toekenning van een tantième aan een natuurlijke persoon mag de vennootschap niet vergeten om bedrijfsvoorheffing in te houden.

Bij een natuurlijke persoon worden tantièmes belast als een bedrijfsleidersbezoldiging. De genieter draagt er dus ook zelf sociale bijdragen voor af, betaalt personenbelasting en gemeentelijke opcentiemen. Wanneer men tantièmes uitkeert aan een rechtspersoon is er btw verschuldigd.

Tantième - timing

Wat een tantième nog meer fiscaal optimaal maakt ten opzichte van een bezoldiging, is de timing. Een tantième is, zoals gezegd, aftrekbaar in het jaar waarin de winst is gemaakt, niet in het jaar waarin de beloning is toegekend. De fiscus belast de genieter in in het jaar van de effectieve toekenning of betaalbaarstelling. Door een gebrek aan het 'matching principe' is de belasting de facto uitgesteld.

Bijvoorbeeld: een vennootschap maakt winst in het jaar 2018. De algemene vergadering van aandeelhouders, uiterlijk 6 maanden na het afsluiten van het boekjaar, in 2019 beslist om een tantième toe te kennen. Op die manier verlaagt het belastbaar resultaat van 2018. De bestuurder ontvangt de beloning pas in 2019 en betaalt dan belasting.

Daarnaast behoort een tantième tot de bezoldigingen die meetellen voor de berekening van de minimumbezoldiging als voorwaarde voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. Een vennootschap kan bovendien middels een tantième ook na het afsluiten van het boekjaar nog ontsnappen aan de afzonderlijke aanslag bij gebrek aan minimumbezoldiging.

Bestuurdersprestaties

De verkrijger van een tantième moet een bestuursfunctie hebben in de vennootschap, ongeacht of hij ook aandeelhouder is. Deze éénmalige vergoeding is, net zoals een bonus, niet zozeer gelinkt aan de specifieke prestaties van de bestuurder, maar eerder aan het feit dat een vennootschap winst heeft gerealiseerd mede dankzij de inspanningen van de bestuurder.

Opgelet: wanneer aan de hand van tantièmes sprake is van ongeoorloofde winstverschuiving naar een  vennootschap. De fiscus kan de uitkering ervan mogelijk beschouwen als fiscaal misbruik. "Fictieve constructies" zijn absoluut te mijden.

Conclusie

Tantièmes zijn omwille van hun gunstige timing en winstverlagend effect een mooie fiscale plannings- en uitkeringstechniek. Voorzichtigheid blijft de moeder van de porseleinkast en dus is ongeoorloofd gebruik te mijden.


Het prijskaartje van onttrekking van een onroerend goed uit een vennootschap

Uw vennootschap bezit reeds geruime tijd een onroerend goed, maar u wenst dit onroerend goed te verkrijgen. Dit kan, maar welk prijskaartje inzake registratierechten hangt aan deze onttrekking vast? Geldt het verkooprecht, het verdeelrecht of het algemeen vast recht?

Basisregel: verkooprecht

Indien een vennoot een onroerend goed verkrijgt, is hierop in principe het verkooprecht van toepassing. Het verkooprecht in het Vlaams Gewest is recentelijk hervormd. Het verkooprecht bedraagt op vandaag 7%. In onze eerdere blog vindt u uitgebreid de nieuwe regeling.

Uitzonderingen

Op de hierboven uiteengezette basisregel gelden enkele uitzonderingen.  Om tot de uitzonderingen te behoren dienen twee voorwaarden te worden vervuld.

  1. Allereerst dient de vennootschap,waarvan de enige vennoot het onroerend goed verkrijgt, de vorm van een bvba, v.o.f., comm. V of landbouwvennootschap te hebben.
  2. Daarnaast moet deze enige vennoot het onroerend goed zelf in het verleden hebben ingebracht in de vennootschap. Een andere mogelijkheid is dat deze enige vennoot reeds op het ogenblik van de verkrijging van het onroerend goed door de vennootschap met toepassing van het verkooprecht vennoot was.

Indien dit het geval is, dan wordt de verkrijging van het onroerend goed volgens haar “werkelijke aard” belast. Dit betekent dat het verdeelrecht of het algemeen vast recht van toepassing zal zijn.

Algemeen vast recht?

Het algemeen vast recht bedraagt 50 euro en wordt aanzien als een vergoeding voor de administratieve verwerking.

Het algemeen vast recht is van toepassing op de registratie van alle akten, waarbij het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten geen evenredig of specifiek vast recht bepaald. Ook indien het Wetboek in een vrijstelling voorziet, waarbij niet expliciet is opgenomen dat de registratie kosteloos kan geschieden, zal het algemeen vast recht gelden.

Verdeelrecht?

Soms behoort een onroerend goed aan verschillende mede-eigenaars toe. Wanneer een onroerend goed met verschillende mede-eigenaars wordt verdeeld, is het verdeelrecht verschuldigd. Het verdeelrecht bedraagt 2,5%.

Dit is onder andere het geval wanneer een vennoot een onroerend goed verkrijgt van zijn vennootschap en waarbij eerst de vennootschap en de vennoot van deze vennootschap in eigen persoon eigenaar waren van het onroerend goed.

Voorbeeld: éénpersoonsbvba

Bij een éénpersoonsbvba is er slechts één enkele vennoot. Laat ons even uitgaan dat de vennootschap vereffend wordt, welke situaties zijn dan mogelijk?

De eerste vraag die gesteld moet worden is of de algemene regel, met name het verkooprecht geldt. Volgende vragen dienen hiervoor te worden gesteld.

  1. Welke vennootschapsvorm heeft de vennootschap? Is dit geen bvba, vof, Comm. V. of landbouwvennootschap? Nee, het verkooprecht zal gelden
  2. Indien het wel één van deze vennootschapsvormen betreft, heeft de vennoot het onroerende goed in het verleden zelf ingebracht? Nee, het verkooprecht zal gelden.
  3. Was hij reeds vennoot op het ogenblik dat de vennootschap het onroerende goed verwierf met betaling van verkooprecht? Nee, het verkooprecht zal gelden.

Indien het wel om één van de desbetreffende vennootschapsvormen gaat en de vennoot heeft het onroerend goed zelf ingebracht of was vroeger reeds vennoot, dan is er sprake van een uitzondering op de algemene regel.  Of het algemeen vast recht dan wel het verdeelrecht geldt, hangt af van het bezit van de eigendomsrechten van de vennoot voor de verkrijging van het onroerende goed.

Waren de vennootschap en de vennoot reeds allebei eigenaar van het onroerende goed voor het ogenblik van de verkrijging in kwestie?

  • Nee, het algemeen vast recht geldt.
  • Ja, het verdeelrecht geldt.

Conclusie

Het prijskaartje van het verkrijgen van een onroerend goed uit uw vennootschap hangt af van de situatie waarin u zich als vennoot bevindt. Wenst u een onroerend goed uit uw vennootschap te onttrekken, dan kan aternio u bijstaan.


'Pay it forward'? Het einde van fiscale optimalisatie met vooruitbetaalde kosten.

‘Pay it forward’. In de bekende film van Mimi Leder is het een waterval aan goede daden die de wereld net iets mooier maken. In fiscalibus is de wereld binnenkort echter iets minder mooi, want de hervorming van de vennootschapsbelasting maakt een einde aan de integrale aftrekbaarheid van vooruitbetaalde kosten.

Het ‘matching principe’: boekhoudkundig versus fiscaal

Het boekhoudkundig ‘matching principe’ houdt in dat kosten en opbrengsten geboekt moeten worden in het jaar waarop ze betrekking hebben. Fiscaal volgt men voor opbrengsten hetzelfde principe, maar voor kosten niet. Zo zijn kosten aftrekbaar in het jaar waarin ze zijn gedaan of gedragen en dat loopt niet noodzakelijk gelijk met het belastbare tijdperk. Bijvoorbeeld: een vennootschap betaalt in september 2018 volledig de huur voor de komende twaalf maanden. Deze kost is dan ‘gedragen’ (lees: betaald) in 2018 (aanslagjaar 2019), maar hebben betrekking op 2019 (aanslagjaar 2020).

De fiscale wetgeving wijkt hier dus af van de boekhoudkundige wetgeving. Een vaak gebruikte fiscale optimalisatietechniek bestond er daarom in om kosten, die eigenlijk betrekking hadden op het volgende boekjaar, toch af te trekken als beroepskost in het lopende boekjaar.  Deze techniek kende trouwens geen nadelen voor de andere partij: ondanks de eenmalige aftrek van de kosten door de koper, was de opbrengst bij de leverancier wél pas later belast, namelijk in het jaar waarop deze betrekking had. De vooruitbetaling werd dus niet op hetzelfde moment bij beide partijen verwerkt. De hervorming van de vennootschapsbelasting maakt nu aan dit alles een einde.

Fiscale regels ‘matchen’ opnieuw met boekhoudkundige regels

De wetgever stemt met de hervorming van de vennootschapsbelasting de fiscale regels af op de boekhoudkundige wetgeving. Ze bepaalt dat voortaan beroepskosten slechts aftrekbaar zijn in verhouding tot het gedeelte dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk. Het deel van de kosten in verband met een volgend jaar is m.a.w. niet meer aftrekbaar in het jaar van de voorafbetaling. Vanaf 2018 (aanslagjaar 2019) moeten kosten dus a rato van het matching principe in aftrek genomen worden, ook als ze in één keer zijn betaald.

De nieuwe regels gelden enkel in de vennootschapsbelasting. In de personenbelasting blijft alles dus wel nog bij het oude en kan men (voorlopig) nog optimaliseren door kosten vooruit te betalen.

Het einde van vooruitbetaalde kosten: concrete toepassing

In de praktijk zal deze omwenteling een effect hebben op kosten die betrekking hebben op een periode die niet samenvalt met het boekjaar van de vennootschap. Dit zijn bijvoorbeeld interesten, verzekeringen, verkeersbelasting, huur of abonnementen.

Bijvoorbeeld: een vennootschap betaalt op 1 januari 2018 12.000 euro huur voor de periode april 2018 t.e.m. februari 2019. Ze zal dan slechts 9.000 euro in kost mogen nemen in boekjaar 2018 (aanslagjaar 2019). De resterende 3.000 euro zijn pas aftrekbaar in het jaar erop. Men mag de volledige kost dus niet langer in één keer aftrekken.

Een opmerkelijk toepassingsgeval van deze nieuwe regelgeving is de financiële leasing. Hierbij is de eerste betaling (zgn. ‘down payment’) vaak hoger. In het licht van voornoemde hervorming zou men ook deze gespreid in kost moeten nemen. In haar advies 2015/4 nuanceerde de CBN deze toepassing wel voor de gevallen waarin de eerste aanbetaling ook een werkelijke waardedaling weerspiegelt. Wanneer je met een nieuwe wagen de weg oprijdt is die immers al onmiddellijk heel wat minder waard. Eenzelfde logica toepassen op een onroerend goed is echter minder verantwoordbaar. Hoe dan ook blijft het in de praktijk een feitenkwestie, die ruimte laat voor discussie.

Conclusie

Voorheen kon een vennootschap naar het eind van het boekjaar toe haar resultaat drukken door bepaalde kosten vooruit te betalen. Zo kon men hogere belastingen op de winst vermijden. Dit tijdperk is door de hervorming van de vennootschapsbelasting helaas voorbij.


Uw rechten op grond van GDPR bij fiscaal onderzoek: wat kan en wat niet?

De General Data Protection Regulation, afgekort GDPR, kent aan betrokkenen rechten toe. Kunnen deze rechten u een voordeel opleveren bij fiscaal onderzoek? Mag de fiscale administratie uw rechten weigeren?

GDPR en haar rechten

Door de inwerkingtreding van de GDPR op 25 mei 2018 hebben betrokkenen meer rechten gekregen. Alle verwerkingsverantwoordelijken hebben de plicht om deze rechten van betrokkenen te waarborgen.

Deze rechten betreffen het recht van informatie, inzage, overdraagbaarheid, rectificatie, wissing, bezwaar en beperking van de verwerking.

Beperkingen op rechten en plichten

Ondanks de verplichting van verwerkingsverantwoordelijke om de rechten van betrokkenen te waarborgen, wil dit niet zeggen dat er geen beperkingen kunnen zijn. Indien een verwerkingsverantwoordelijke een beperking inroept, moet dit wel rechtmatig zijn. Zo is een verwerkingsverantwoordelijke niet verplicht om inzage in alle documenten te geven. Bijvoorbeeld de inzage in bepaalde informatie die de rechten van anderen zou schaden. De verwerkingsverantwoordelijke is wel verplicht om hierover transparant te communiceren met de betrokkenen. Het louter negeren van een vraag tot inzage kan niet.

Daarnaast voorziet de Algemene Verordening Gegevensbescherming ook in een aantal beperkingen op de uitoefening van deze rechten en de eraan verbonden verplichtingen. Deze beperkingen zijn opgenomen in de GDPR.

Vóór de inwerkingtreding van GDPR

Reeds voor de inwerkingtreding van de GDPR, hadden betrokkenen rechten op grond van de privacywet van 8 december 1992. De wetgever voorzag in een schorsingsregeling van de rechten bij fiscaal onderzoek.

Het Grondwettelijk Hof meende in zijn arrest van 27 maart 2014 dat deze schorsingsregeling niet evenredig was. Zij argumenteerde dat de schorsing van rechten niet beperkt bleef tot persoonsgegevens die in verband stonden met het fiscale onderzoek en de schorsing niet beperkt werd in tijd.

De wetgever nam actie en paste de schorsingsregel aan naar een minder verregaande variant. De schorsingsregel werkte vanaf dan slechts door op het recht op toegang en met betrekking tot persoonsgegevens die een nadelig effect op het onderzoek of de voorbereidende werken daarvan, zouden kunnen teweeg brengen.

Nationale implementatie van de GDPR

Door de komst van de GDPR, moest de wetgever ook de beperkingen in het kader van fiscaal onderzoek opnieuw vastleggen. De privacywet van 8 december 2018 was immers niet langer van toepassing. Op 29 juli 2018 keurde De Kamer het wetsontwerp inzake de implementatie van de GDPR goed. Deze bepaalt dat de fiscale administratie het recht op informatie, het recht op inzage, het recht op rectificatie en het recht op beperking van de verwerking kan beperken.

Daarnaast bepaalt de wet dat de beperking kan voor verwerkingen met betrekking tot de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de bevoegde diensten van de FOD Financiën gevoerde onderzoeken.

De wetgever meent namelijk dat het uitoefenen van deze rechten een nadelig effect kan teweegbrengen in het kader van fraudebestrijding en controle inzake belastingen. Daarnaast kadert dit in de rechtsgronden om beperkingen te voorzien, zoals opgenomen in artikel 23 GDPR, namelijk:

  • “Op grond van andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met in begrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden volksgezondheid en sociale zekerheid”;
  • “Op grond van een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), b, c), d), e) en g) bedoelde gevallen”

Wat is er nieuw?

De nieuwe wettelijke verankering van de beperkingen op de rechten verschilt op verscheidene vlakken toch van de oude schorsingsregeling. De beperkingen zoals deze vandaag bestaan, werken op meerdere rechten door. Zo is er niet enkel het recht op toegang, maar ook het recht op inzage, informatie, rectificatie en beperking van verwerking. De fiscale administratie kan de rechten beperken, maar is hiertoe evenwel niet verplicht. Bij de schorsingsregeling onder de privacywet van 8 december 1992 hing de schorsing onlosmakelijk vast met het fiscaal onderzoek.

Vanaf nu is de beperkingen van de rechten ook slechts mogelijk tot het einde van de fiscale controle. Indien een fiscale controle resulteert in een strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie of wordt doorgegeven aan een andere dienst van FOD Financiën wordt dit niet aanzien als einde. Daarnaast kunnen de rechten slechts gedurende 1 jaar beperkt worden naar aanleiding van voorbereidende werken bij een fiscale controle. Deze termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de betrokkene zijn rechten wenst uit oefenen en deze aldus worden beperkt door de fiscale administratie.

Met betrekking tot de persoonsgegevens die onderworpen waren aan dergelijke beperking van rechten wordt een bewaartermijn van 1 jaar gehanteerd. Deze termijn vangt aan vanaf de beëindiging van alle rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures, alsook beroepen die voortspruiten uit de beperking van de rechten.

Conclusie

Bij fiscaal onderzoek kunnen de rechten op grond van de GDPR beperkt worden. Dit is echter niet zomaar vrij of willekeurig. Ook de fiscale administratie moet binnen bepaalde lijnen blijven.

aternio kan u steeds bijstaan bij de voorbereiding en afhandeling van fiscale controles.