Verlegging van btw-heffing en douanerechten bij invoer: boekhoudkundige verwerking

De Commissie voor boekhoudkundige normen bespreekt in haar advies 2017/05 de boekhoudkundige verwerking van de btw bij invoer wanneer het stelsel van de verlegging van de heffing van btw kan worden toegepast en de boekhoudkundige verwerking van douanerechten.

Er is sprake van invoer wanneer goederen worden aangekocht in een niet-EU-land en naar binnen de Europese Unie worden vervoerd.

Verlegging van btw-heffing

De invoer met verlegging van de heffing mag enkel toegepast worden door ondernemingen die over een ad-hoc invoervergunning beschikken die is verleend door de Minister van Financiën.

De houder van voormelde invoervergunning zal de btw bij invoer van goederen dan niet onmiddellijk moeten voldoen op het tijdstip van de aangifte ten verbruik. Zij is evenwel verplicht om de btw als verschuldigde (en desgevallend als aftrekbare) belasting op te nemen in haar eerstvolgende periodieke btw-aangifte (van het tijdvak waarin de aangifte ten verbruik van de ingevoerde goederen door de douane werd aanvaard).

De invoer met verlegging van heffing betekent bijgevolg dat er geen btw-uitgave is in hoofde van de onderneming.

Een vergunning voor invoer met verlegging van heffing kan aangevraagd worden via het aanvraagformulier ET14000A. Dit formulier kan worden gedownload via MyMinfin (‘Interactieve diensten’ >  ‘formulieren’ > ‘Identificatienummer’: ET14000A).

Het ingevulde formulier dient opgestuurd te worden naar:

Federale Overheidsdienst Financiën
Algemene Administratie van de Fiscaliteit
Centrale diensten
Dienst Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst btw
Koning Albert II-laan 33, bus 281
1030 Brussel

Boekhoudkundige verwerking invoer met verlegging btw

Afhankelijk of de ingevoerde goederen een investering, de aankoop van handelsgoederen of diensten en diverse goederen betreft, wordt de boeking:

4111 Btw op aankopen
2..  Materiële vaste activa/ of 604 Aankoop van handelsgoederen /of 61 Diensten en diverse goederen
aan        440 Leveranciers
aan        451X BTW op invoer met verlegging van de heffing

Indien de onderneming niet over een vergunning voor verlegging van btw bij invoer beschikt, zal de verschuldigde btw onmiddellijk moeten betaald worden in de EU-lidstaat waar de goederen worden ingevoerd, ofwel aan de douane bij inklaring van de goederen, ofwel aan uw douane-expediteur op het moment van invoer van de goederen in België.

In dit geval staat het btw-bedrag en de overeenstemmende maatstaf van heffing dat moet opgenomen worden in de periodieke btw-aangifte op het invoerdocument (B00 van vak 47) vermeld.

Boekhoudkundige verwerking van douanerechten

Uit hoofde van de geldende douanewetgeving (art. 201 tot 206 van het Communautair douanewetboek) dient op de invoer van bepaalde (handels)goederen een bedrag aan invoervoerrechten betaald te worden.

De Commissie adviseert om deze bijkomende kosten op dezelfde wijze te behandelen als de hoofdsom die voor de aanschaffing van de betrokken activa werd betaald.

“De aanschaffingsprijs omvat, naast de aankoopprijs, de bijkomende kosten zoals niet terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten” (art. 36, 1ste lid KB W.Venn.).

De betaling van douanerechten dient als volgt in de boekhouding verwerkt te worden:

4110 Btw op aankopen
604 Aankoop van handelsgoederen
aan        440 Leveranciers
aan        451X Btw op invoer met verlegging van de heffing
aan        452X Andere Belgische belastingen


Gewijzigde voorstelling van bestellingen in uitvoering

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen bespreekt de gewijzigde presentatie in de balans van de bestellingen in uitvoering (CBN-Advies 2016/14).

Onder bestellingen in uitvoering wordt begrepen (art. 95, §1, VI. B. KB W.Venn.):
“- het onderhanden werk dat voor rekening van een derde op bestelling wordt uitgevoerd en waarvoor nog geen oplevering is geschied;
- de goederen in bewerking die voor rekening van een derde op bestelling worden gemaakt en die nog niet werden geleverd, ten zij het gaat om seriewerk;
- dienstprestaties die voor rekening van een derde op bestelling worden uitgevoerd en die nog niet werden geleverd, tenzij het gaat om een standaardtype van dienstprestaties.”

Onder bepaalde voorwaarden is het nu toegestaan dat de bestellingen in uitvoering rechtstreeks gecompenseerd worden met de ontvangen vooruitbetalingen per overeenkomst (artikel 71, 2de lid KB W.Venn). Een debetsaldo zal hierbij resulteren in de opname als bestelling in uitvoering; een creditsaldo als ontvangen vooruitbetaling.

Een globale compensatie tussen de twee rubrieken is evenwel niet toegelaten. De saldering moet per project, zijnde een specifiek onderhandelde overeenkomst, gebeuren.

Verder dient de compensatie ofwel voor alle projecten ofwel voor geen enkel project te worden toegepast. Bij het begin van het nieuwe boekjaar wordt de compensatie opnieuw tegengeboekt.

De toepassing van de compensatiemethode moet uitdrukkelijk opgenomen worden in de toelichting bij de jaarrekening. Daarenboven moeten de bedragen vóór saldering nog steeds in de toelichting worden vermeld (rubrieken 37 en 46).

De compensatie wordt aan alle vennootschappen, ongeacht hun activiteitssector, toegestaan vanaf de boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2016. Vóór deze datum geldt de verrekening enkel als collectieve afwijking voor de ondernemingen die lid zijn van de Bouwunie en de Confederatie bouw.

De Commissie benadrukt tot slot dat deze wijziging aldus geen betrekking heeft op de inresultaatname van bestellingen in uitvoering en vooruitbetalingen op bestellingen, maar enkel op de voorstelling van deze rubrieken op de balans en in de jaarrekening.

Door deze compensatie toe te laten, komt men tegemoet aan het mogelijke concurrentienadeel ten opzichte van buitenlandse ondernemingen. De afzonderlijke opname in de balans van beide posten zou immers een negatieve invloed kunnen hebben op de liquiditeits,- solvabiliteits- en rentabiliteitscijfers van de betrokken binnenlandse ondernemingen.


Consortium: groottecriteria en consolidatieplicht

Een vennootschap die tot een consortium behoort, zal bij het opmaken van de jaarrekening in eerste instantie steeds tot consolidatie moeten overgaan en op basis hiervan de criteria voor de bepaling van de grootte van de vennootschap (art. 15 W.Venn) en de criteria inzake consolidatieplicht (art. 16 W.Venn). dienen te beoordelen.

Consortium

Twee of meer vennootschappen vormen een consortium wanneer zij onder centrale leiding staan, zonder dochtervennootschappen te zijn van elkaar of dochters te zijn van één en dezelfde vennootschap (art. 10, §1 W.Venn.).

Er bestaat enerzijds een onweerlegbaar vermoeden van centrale leiding (meerderheid van het bestuursorgaan betreffen dezelfde personen; of wanneer de centrale leiding blijkt uit statutaire bepalingen of gesloten overeenkomsten tussen de vennootschappen) en anderzijds een weerlegbaar vermoeden van centrale leiding (de meerderheid van de aandeelhouders/vennoten zijn dezelfde personen).

Enkelvoudige jaarrekening

Het beoordelen van de criteria inzake kleine vennootschappen (art. 15 W.Venn – zie vorige bijdrage) en bijgevolg het bepalen of er een verkort schema van de jaarrekening mag neergelegd worden, dient voor elke vennootschap van het consortium op geconsolideerde basis te gebeuren. Indien de groep op geconsolideerde basis de vastgelegde criteria overschrijdt, zal elke vennootschap van het consortium een volledig schema van de jaarrekening en een jaarverslag moeten opstellen en neerleggen.

Geconsolideerde jaarrekening

De consolidatiekring bestaat uit alle vennootschappen die het consortium vormen, samen met hun dochtervennootschappen. Vennootschappen van het consortium staan gezamenlijk in voor het opstellen en publiceren van de geconsolideerde jaarrekening en het geconsolideerd jaarverslag.

Vrijstelling van consolidatie

Vennootschappen die een consortium uitmaken kunnen vrijgesteld worden van de opmaak van een geconsolideerde jaarrekening als zij op geconsolideerde basis een groep van beperkte omvang vormen en niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden (art. 16 W.Venn.):

  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand = 250
  • Jaaromzet = 34.000.000,00 euro (exclusief BTW)
  • Balanstotaal = 17.000.000,00 euro

De vrijstelling geldt niet voor beursgenoteerde vennootschappen of wanneer de consolidatie vereist wordt door de ondernemingsraad, overheid of rechter.

Benoeming commissaris

Iedere vennootschap zal afzonderlijk beoordeeld worden of zij de criteria van art. 15 W.Venn. overschrijden om uit te maken of zij al dan niet verplicht zijn een commissaris aan te duiden.

Uitzondering op bovenstaande regel vormen de vennootschappen die deel uitmaken van een consortium die gehouden is een geconsolideerde jaarrekening op te maken: elke vennootschap van de groep zal in dit geval een commissaris moeten benoemen.


De ‘uitgestelde werking’ bij kleine-en microvennootschappen

In een vorig artikel werden de (gewijzigde en nieuwe) criteria toegelicht waaraan moet voldaan zijn om als kleine- of microvennootschap gekwalificeerd te worden (artikel 15 en 15/1 van het Wetboek van vennootschappen).

We gaan nu verder in op hoe de criteria beoordeeld moeten worden en bespreken wat men bedoelt met een ‘uitgestelde werking’ van (niet-)overschrijding van deze criteria.

Tijdstip beoordeling van de criteria

De microvennootschap is een subcategorie van de kleine vennootschap en dient bijgevolg ook tegelijk aan de voorwaarden van een kleine vennootschap te voldoen.

Een probleem dat zich hierbij stelt, is het tijdstip waarop de criteria moeten beoordeeld worden. De criteria voor een kleine vennootschap worden immers getoetst op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, terwijl voor microvennootschappen op datum van jaarafsluiting aan de bijzondere criteria moet voldaan zijn.

Voorbeeld: een vennootschap die haar boekhouding per kalenderjaar voert, zal voor het boekjaar 2016 dus pas als microvennootschap gekwalificeerd kunnen worden wanneer zij:

  • op balansdatum 31 december 2015 niet meer dan één van de criteria overschrijdt die gelden voor een kleine vennootschap; én.
  • op balansdatum 31 december 2016 niet meer dan één van de criteria overschrijdt die gelden voor een microvennootschap.

De ‘uitgestelde werking’ van (niet-)overschrijding van de criteria

Het invoeren van de ‘uitgestelde werking’ betekent dat de (niet-)overschrijding van meer dan één criterium inzake kleine- of microvennootschappen pas gevolgen heeft als die zich gedurende twee opeenvolgende boekjaar voordoet.

Zo zal een vennootschap pas haar statuut als kleine vennootschap verliezen wanneer zij gedurende twee opeenvolgende boekjaren meer dan één van de gestelde criteria overschrijdt.

Voorbeeld: een kleine vennootschap die in jaar N-2 niet meer dan één van de criteria overschrijdt, maar wel in jaar N-1, blijft klein voor de jaren N-1 en N. De vennootschap wordt pas groot in jaar N+1 wanneer zij ook in jaar N meer dan één criterium zou overschrijden.

Voor grote vennootschappen daarentegen wijzigt er eigenlijk niets en kunnen zij nog steeds pas klein worden wanneer zij voor het laatste én het voorlaatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de criteria overschrijden.

Voorbeeld: een vennootschap die groot is in jaar N-2 kan pas in jaar N klein worden wanneer in jaar N-2 en jaar N-1 niet meer dan één van de criteria wordt overschreden.

Deze uitgestelde werking geldt zowel voor kleine- als voor microvennootschappen, maar zij heeft enkel betrekking op de criteria inzake omzet, balanstotaal en personeelsbestand. De uitgestelde werking geldt met andere woorden niet voor de voorwaarde dat een microvennootschap op datum van haar jaarafsluiting geen moeder- of dochtervennootschap mag zijn.

In bepaalde situaties moeten de criteria bijgevolg dus over een periode van 4 jaren bekeken worden:

Voorbeeld:
Beoordeling van de criteria met betrekking tot een kleine vennootschap:

Stel voor jaar N-2 geen overschrijding van meer dan één criterium, voor jaar N-1 wel overschrijding van meer dan één criterium:

  • de vennootschap is klein voor jaar N wanneer zij ook in jaar N-3 klein was.
  • de vennootschap is groot voor jaar N wanneer zij in ook voor jaar N-3 groot was.

Beoordeling van de criteria met betrekking tot een microvennootschap:

  • aangezien de uitgestelde werking niet speelt voor de voorwaarde dat een microvennootschap geen moeder-of dochtervennootschap mag zijn, moet deze voorwaarde in ieder geval op balansdatum van jaar N bekeken worden.

Startende vennootschappen

Startende vennootschappen moeten bij het begin van het eerste boekjaar hun cijfers te goeder trouw inschatten en hier reeds onmiddellijk rekening mee houden voor de toepassing van de criteria.

Overgangsregeling

De nieuwe en gewijzigde criteria zijn van toepassing vanaf het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31 december 2015. Enkel de ‘uitgestelde werking’ vormt hierop voor één keer een uitzondering.

Voorbeeld: een vennootschap is voor boekjaar 2016 sowieso klein wanneer zij op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar (31 december 2015) niet meer dan één van de verhoogde criteria van artikel 15 W.Venn. overschrijdt.

De uitgestelde werking telt echter nog niet voor het eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015: wanneer de vennootschap op 31 december 2015 bijgevolg wel meer dan één van de criteria inzake kleine vennootschappen overschrijdt, wordt zij voor boekjaar 2016 onmiddellijk als groot aangemerkt.


Aankoop van een onroerend goed bestemd voor verkoop

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen bespreekt de situatie waarbij een vennootschap een onroerend goed aankoopt met het doel dit opnieuw te verkopen (CBN-Advies 2015/8) .

Onroerend goed: ‘Vaste activa’ versus ‘Voorraad’

De boekhoudkundige verwerking van een aangekocht onroerend goed wordt bepaald door de bestemming die het bestuursorgaan er bij de verwerving aan geeft:

    • is het onroerend goed bestemd om duurzaam gebruikt te worden voor de bedrijfsuitoefening, dan wordt het onroerend goed opgenomen onder de vaste activa;
    • is het onroerend goed bestemd voor verkoop, dan wordt het onroerend goed opgenomen onder de voorraden.

Onroerende goederen bestemd voor verkoop

Binnen de klasse 3 van de voorraden worden de onroerende goederen bestemd voor verkoop (met inbegrip van de terreinen, gebouwen en zakelijke rechten op onroerende goederen) opgenomen op een afzonderlijke 35-rekening: ‘Onroerende goederen bestemd voor verkoop’.

Deze rekening kan zowel de onroerende goederen bevatten die zonder verdere wijzigingen verkocht zullen worden, als deze die voor de verkoop nog een aantal bewerkingen zullen ondergaan (vb. bouwrijp maken bouwgrond, slopen gebouw op bebouwd terrein,…). Het omvat de bouwprojecten die door de vennootschap in eigen beheer zullen worden gerealiseerd en die niet in opdracht van een derde worden uitgevoerd.

De post onroerende goederen bestemd voor verkoop onderscheidt zich hiermee van de rubriek bestellingen in uitvoering. Op de 37-rekening ’bestellingen in uitvoering’ komt namelijk het onderhanden werk dat voor rekening van derden op bestelling wordt uitgevoerd en de goederen in bewerking die voor rekening van een derde op bestelling worden gemaakt.

Waardering

De voor verkoop bestemde onroerende goederen worden steeds gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde of tegen de eventuele lagere marktwaarde op balansdatum. Het is niet toegestaan om een deel van de winst toe te rekenen aan de onroerende goederen bestemd voor verkoop, zoals bij bestellingen in uitvoering wel het geval is.

De kosten voor het bouwrijp of verkoopbaar maken van het betreffende onroerend goed maken deel uit van de aanschaffingswaarde, zoals daar onder andere zijn: de studie-en ontwerpkosten vanaf de aankoop; erelonen notaris, architect en landmeter; registratierechten; sloping- en bodemsaneringskosten; bouw- en verbouwkosten en kosten van verzekeringen.

De commissie benadrukt verder dat voor de voorraadwaardering van de voor verkoop bestemde onroerende goederen enkel de methode van de individualisering kan toegepast worden: twee onroerende goederen hebben immers nooit identieke technische of juridische kenmerken. Deze methode verhindert echter niet dat er een verdeelsleutel kan gebruikt worden voor kosten die op meerdere individuele bestanddelen betrekking hebben (vb. kosten architect voor een bouwproject van vijf woningen in een verkaveling).

Hoe doen we het in de boekhouding ?

De aankoop van een onroerend goed (en bijkomende kosten) dat bestemd is voor verkoop:

605                Aankopen van onroerend goederen bestemd voor verkoop

aan                        440         Leveranciers

De boeking van de eventuele kosten van architecten, landmeters en andere ontwikkelingskosten:

602                Aankopen van diensten, werk en studies

aan                        440         Leveranciers

De boeking op inventarisdatum (of bij iedere transactie bij een permanent voorraadsysteem):

Toename van de voorraad:

350                Onroerende goederen bestemd voor verkoop: aanschaffingswaarde

aan                        6095      Voorraadwijzigingen van gekochte gebouwen bestemd voor verkoop

Afname van de voorraad:

6095      Voorraadwijzigingen van gekochte gebouwen bestemd voor verkoop

aan                        350         Onroerende goederen bestemd voor verkoop: aanschaffingswaarde

Intercalaire interesten

Het bestuursorgaan mag, onder de voorwaarden gesteld in artikel 38 KB/W.Venn., beslissen om in de aanschaffingswaarde van de onroerende goederen bestemd voor verkoop ook de intercalaire interesten op te nemen.

Deze rente op vreemd vermogen, gebruikt voor de financiering van de voorraden, mag slechts opgenomen worden voor zover deze rente voorraden betreft waarvan de productie meer dan één jaar bestrijkt en zij op een normale productieperiode betrekking heeft.

De activering van de intercalaire interesten moet in voorkomend geval vermeld worden in de toelichting bij de jaarrekening.

De boeking is dan als volgt:

350         Onroerende goederen bestemd voor verkoop: aanschaffingswaarde

aan                        6503      Geactiveerde intercalaire interesten


Financieel plan en het belang ervan

Als een nieuwe vennootschap wordt opgericht, dan rust op de oprichters van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid de wettelijke verplichting om een financieel plan op te stellen. De vraag welke inhoud dit plan moet hebben en wat de sancties bij het niet opmaken of niet voldoende uitwerken van dit plan zijn, houdt menig oprichter bezig. Bovendien stellen velen zich de vraag wanneer dit plan aan de oppervlakte komt en of de fiscus dit op elk moment kan inkijken.

Verplichting

De oprichters van vennootschappen (NV, BV.B.A., Comm. VA en CVBA) zijn gehouden om aan de instrumenterende notaris een financieel plan te overhandigen, waarin zij het bedrag van het maatschappelijk kapitaal van de op te richten vennootschap verantwoorden. Het financieel plan moet samen met de oprichtingsakte worden neergelegd. Dit is in principe de taak van de oprichters. Het plan wordt niet openbaar gemaakt maar in bewaring gegeven bij de notaris. Het is een belangrijk bewijsstuk indien de onderneming binnen de 3 jaar failliet gaat. Aan de hand van dit financieel plan wordt nagegaan of het maatschappelijk kapitaal kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over tenminste twee jaar. Indien het faillissement binnen de drie jaar wordt uitgesproken en het kapitaal kennelijk ontoereikend was, zijn de oprichters hiervoor aansprakelijk.

Inhoud

In de praktijk wordt aan het financieel plan vaak te weinig aandacht besteed en wordt dit snel door de oprichters op een bladje papier geschreven. Idealiter kijkt de boekhouder/accountant het financieel plan met een kritisch oog na. Hij kan het financieel plan toetsen aan de realiteit en aan concurrerende ondernemingen. Alhoewel een financieel plan slechts voor twee jaar verplicht dient opgemaakt te worden, is het beter om een financieel plan op langere termijn op te stellen. Zo krijgt de onderneming een beter beeld op de toekomst. In het Wetboek van Vennootschappen is echter slechts één bepaling terug te vinden over de inhoud van het financieel plan. Het plan moet een verantwoording inhouden van de toereikendheid van het kapitaal voor een periode van tenminste twee jaar vanaf de oprichting. Het gevolg van deze grote vrijheid qua inhoud is het feit dat financiële plannen gaan van simplistisch en nietszeg­gend, naar zeer gedetailleerd, afhankelijk van de oprichters en hun raadgever(s).

De volgende zaken kunnen zeker helpen bij het opstellen van het financieel plan:

  • het schema van het investeringsbudget over de drie (of meer) geplande boekjaren;
  • het schema van het investeringsbudget over de drie (of meer) geplande boekjaren;
  • het schema van het bedrijfskapitaal over de drie (of meer) geplande boekjaren;
  • het schema van het resultaat na belastingen en van de kasstroom;
  • het schema van de besteding en herkomst van de middelen;
  • de mate waarin men op verschillende kredietmogelijk­heden een beroep zal kunnen doen;
  • de duurtijd van de toegestane en ontvangen kredieten;
  • de terbeschikkingstellingen, huur- of leasingcontracten voor het gebruik, de huur of leasing van onroerende of roerende goederen; of
  • de persoonlijke borgstellingen.

Sancties

De aansprakelijkheid die hieruit voortvloeit bestaat van rechtswege en is hoofdelijk. De rechter moet aldus niet onderzoeken of de oprichters persoonlijke inbreuken op de wet hebben gepleegd, aangezien het volstaat vast te stellen dat het kapitaal ontoereikend was op het ogenblik van de stichting van de vennootschap. Wanneer een financieel plan te beperkt is opgesteld, kan de rechter zich steunen op andere informatie in het vennootschapsdossier, zoals de statuten. Wanneer het doel in de statuten bijvoorbeeld zeer ruim werd genomen en het financieel plan onvoldoende de voornaamste en werkelijke doelstellingen weergeeft, kan de rechter tot het besluit komen dat op basis van het statutaire doel voor de vennootschap grote investeringen nodig waren en dat daartegenover het kapitaal ontoereikend is.

De vordering kan uitsluitend worden ingesteld wegens faillissement van de vennootschap. De curator vertegenwoordigt dan de massa en kan een vordering instellen namens alle gezamenlijke schuldeisers.

Voor het ontbreken of het onvolledig zijn van het financieel plan op zich, voorziet de wetgever geen onmiddellijke sanctie. Voor de notaris daarentegen bestaat er wel een belangrijke aansprakelijkheid, aangezien hij dient in te staan voor de wetmatige oprichting (zie infra).

Rol van de notaris

Op de notaris rust geenszins een inhoudelijke verant­woordelijkheid met betrekking tot het financieel plan. De notaris is enkel aansprakelijk voor het bewaren van het plan. De notaris wordt niet geacht een financieel expert te zijn, maar hij kan wel oordelen over de toereikendheid van het plan.

De notaris beoordeelt de vorm en de minimumvereisten, niet de gedetailleerde inhoud. Het komt hem evenwel toe om krachtens zijn algemene plicht tot raadgeving de oprichters te wijzen op de belangrijkheid van het financieel plan en op haar onvolkomenheden. Geconfronteerd met een duidelijke ontoereikendheid van het overhandigde plan, moet de notaris zijn cliënten inlichten over de effectieve gevaren waaraan ze zich blootstellen. Bij gebreke aan dergelijke informatie kan de contractuele aansprakelijkheid in het gedrang komen die volgt uit zijn informatieplicht.

Bovendien bestaat er een omzendbrief die uitgaat van de Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel waardoor de notaris verplicht is het financieel plan te weigeren indien de inhoud ervan onvoldoende waarborgen bevat, of indien het plan op een onbekwame of ongeloofwaardige wijze is samen­gesteld.

 


Waarderingsregels wijzigen, mag dat zomaar ?

Waarderingsregels zijn de regels of afspraken die elke vennootschap maakt omtrent het bepalen en het aanpassen van de waarde van haar inventaris. Elk bestanddeel van het vermogen wordt afzonderlijk gewaardeerd waarbij rekening dient gehouden te worden met de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw. De waarderingsregels worden bepaald door het bestuursorgaan van de vennootschap en dienen op een nauwkeurige wijze samengevat te worden in de toelichting bij de jaarrekening. Op deze wijze kan inzicht verkregen worden in de toegepaste waarderingsmethoden, die onder meer zullen gelden voor de vorming en de aanpassing van afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten evenals voor de herwaarderingen (artikel 28 KB/W.Venn).

Een vennootschap dient in principe haar waarderingsregels na te komen, rekening houdend met haar eigen kenmerken. De waarderingsregels moeten bovendien van het ene boekjaar op het andere identiek blijven en stelselmatig worden toegepast (artikel 30 KB.W.Venn).

Wanneer de waarderingsregels, in uitzonderlijke gevallen, worden gewijzigd, bepaalt artikel 29 KB/W.Venn. dat de aanpassing moet vermeld en verantwoord worden in de toelichting bij de jaarrekening. Het geraamde effect van deze wijziging op het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap wordt opgenomen in de toelichting over het boekjaar waarin de gewijzigde waarderingsregels voor het eerst worden toegepast.

Een aanpassing van de waarderingsregels kan verantwoord zijn wanneer zij niet langer een getrouw beeld geven door bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe activiteiten van de vennootschap, door wijzigingen in de structuur van haar vermogen, of door economische of technologische omstandigheden.

Het gebrek aan motivering voor de wijziging van de waarderingsregels, kan echter nadelige fiscale gevolgen hebben. Een niet-gemotiveerde wijziging van bijvoorbeeld de voorraadwaardering kan mogelijk leiden tot een bijkomende belasting op een onderschatting van de voorraad.