Appartement aan zee en de fiscus, het blijft moeilijk.

We weten het al langer dan vandaag: de fiscus is geen fan van een appartement aan zee in een vennootschap. In een arrest van 21 september 2018 bevestigt het Hof van Cassatie nu ook dat de kosten voor een appartement aan de zee niet aftrekbaar zijn indien duidelijk is dat die investering nooit kan renderen. Het feit dat een zaakvoerder een vergoeding betaalt ten belope van het voordeel alle aard, doet er blijkbaar niet toe.

Voorwaarden artikel 49 WIB'92

Krachtens artikel 49 WIB'92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken.

Uit artikel 49 WIB'92 volgt echter niet dat de aftrek van beroepskosten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap, zoals die blijkt uit haar doelsomschrijving.

Het Hof van Cassatie velde in 2015 hierover reeds enkele positieve arresten, en bevestigt dit standpunt hier gelukkig opnieuw.

Schamele inkomsten

De rechters vallen echter wél over de andere feitelijke elementen in het dossier.

De appelrechters stellen vast dat het onroerend goed bijna voor het volledige bedrag is gefinancierd met geleend geld.

Volgens de rechters is het  niet bewezen dat de vennootschap de intentie heeft om het onroerend te rentabiliseren. Het appartement is immers ter beschikking gesteld van de zaakvoerder tegen een zeer bescheiden vergoeding. Een symbolische huur vanwege de zaakvoerder volstaat dus niet als bewijs dat de intentie bestaat om belastbare inkomsten te verkrijgen. Er is ook geen verhuring van het appartement aan derden.

Evenmin is het bewezen dat het onroerend goed op korte termijn kan verkocht worden met een grote meerwaarde.

Die "schamele" inkomsten staan tegenover de zware kosten van het appartement. De belastingplichtige toont bovendien niet aan dat het de bedoeling is om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten overstijgen.

Besluit

Het Hof besloot daaruit dat de enige bedoeling van de verrichting is om privékosten van de zaakvoerder ten laste te nemen.  Bijgevolg gaat het niet om beroepskosten van de vennootschap in de zin van artikel 49 WIB'92. De aftrek is dus verworpen in hoofde van de vennootschap.

Kortom: een appartement aan zee en de fiscus, het blijft nog steeds een moeilijke combinatie. Bezint eer ge begint stelt een oude zegswijze.


Big Brother is watching you - observatie door de fiscus

Fiscale inspecteurs mogen herhaaldelijk vanop de openbare weg de beroepsactiviteiten van een belastingplichtige in de gaten houden. Ook de beroepsmatige handelingen die hij met andere belastingplichtige verricht mag de fiscus “observeren”. Dergelijke soort van observatie bevestigt het Hof van Cassatie (14 december 2018).

Zwart circuit in horeca

De zaak in kwestie betrof een grootschalige fraude in de horecasector. Dankzij een tip van een cafébaas bij de fiscus werd een opgezet zwart circuit tussen een drankhandelaar en horeca-uitbaters volledig ontrafeld.

De fiscus zette immers na deze tip haar inspectiediensten in. Na vaststellingen bij diverse klanten van de drankenhandelaar, bevestigden deze het bestaan van een zwart circuit.

Procedureslag

Op basis van de processen verbaal van de fiscale inspecteurs legde de fiscus officieel klacht neer bij het parket. Dit leidde niet alleen tot een strafrechtelijke vervolging van de drankenhandelaar. Maar het leidde ook tot een fiscale procedure bij de afnemers.

De verschillende horeca-uitbaters kregen een bijkomende aanslag in de bus. Eén van die horeca-uitbaters liet het daar niet bij en startte een ware procedureslag.

Strikte voorwaarden observatie uit Wetboek Strafvordering

Artikel 47 sexies WSV voorziet specifieke voorwaarden voor een "observatie". Zo is een observatie - in het strafrecht - meer dan vijf opeenvolgende dagen, of van meer dan vijf niet-opeenvolgende dagen gespreid over een periode van een maand, of een observatie waarbij technische hulpmiddelen worden aangewend. Hiervoor is een machtiging van de Procureur des Konings nodig.

Een van de argumenten van de horeca-uitbater was dat de fiscale ambtenaren niet beschikten over dergelijke machtiging.

Recht op privacy

Daarnaast riep de café-uitbater ook een schending van zijn privacy (art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in. Volgens dit artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de privésfeer verboden, tenzij daarin bij wet is voorzien en het in een democratische samenleving noodzakelijk is, onder meer in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land.

Beslissing Hof: geen schending

De café-uitbater moet echter tot voor het Hof van Cassatie telkens in het zand bijten. Een observatie in strafzaken is immers géén observatie door de fiscus.

Ook het feit dat de fiscus door eigen observaties gegevens inzamelt in de openbare ruimte om zo de correcte belasting te kunnen heffen, vormt voor Cassatie in beginsel geen schending van de privacy van de belastingplichtige. De waarnemingen van de fiscale inspecteurs (in casu het in- en uitladen van drank en leeggoed) was zichtbaar van op de openbare weg en behoort volgens het Hof dus niet tot de privésfeer van de belastingplichtige.

Bron: Cass. 14 december 2018,  F.18.0093.N, Fisc.Act. 2019/02, 5-6.


Het belastbaar moment bij een wederzijdse aan- en verkoopbelofte

Voor het Hof van Beroep te Gent (arrest dd. 13 november 2018) is een discussie tussen de fiscus en een belastingplichtige beslecht aangaande het belastbaar moment van een meerwaarde bij een wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

Feiten

In mei 2010 zet een uitbater van een krantenwinkel zijn beroepsactiviteit stop. Een echtpaar heeft interesse om de handelszaak over te nemen, met inbegrip van het onroerend goed.

Voor de overdracht van het handelspand is een wederzijdse aan-en verkoopbelofte getekend. Deze belofte blijft 5 jaar geldig. Partijen komen daarbij overeen om de authentieke akte voor de verkoop van het onroerend goed uiterlijk op 1 mei 2015 te verlijden.

Naar aanleiding van een fiscale controle wil de fiscus de meerwaarden op het handelspand belasten op het moment van het sluiten van de wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

De belastingplichtige is hier niet mee akkoord en trekt naar de rechtbank. De belastingplichtige stelt dat – als er al sprake zou zijn van een meerwaarde – deze slechts belastbaar is op het moment van de authentieke akte.  Dus niet op het moment van de wederzijdse aan- en verkoopbelofte.

De kernvraag is dus: volstaat het tekenen van een wederzijdse aan- en verkoopbelofte voor de belastbaarheid van een meerwaarde?

Wat zegt de wet?

Volgens artikel 1583 Burgerlijk Wetboek is de verkoop van een onroerend goed in principe gesloten zodra partijen het eens zijn over de zaak en de prijs. Hiertoe is geen authentieke akte vereist. De authentieke akte is immers enkel nodig voor de tegenstelbaarheid aan derden.

Artikel 1589 BW stelt dan weer dat een “verkoopbelofte” als koop geldt, wanneer er wederzijdse toestemming van de partijen is omtrent de zaak en de prijs.

Specifieke modaliteiten van de belofte

In deze concrete zaak hebben de partijen in de wederzijdse aan- en verkoopbelofte een specifieke afspraak gemaakt. Met name dat de verkoop pas tot stand zou komen op het moment van de authentieke akte.

Er stond letterlijk te lezen: “Partijen zijn in afwijking van het gemeen recht, uitdrukkelijk overeengekomen dat de verkoop zelf pas stond komt door, en op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte vaststellende die verkoop, zodat zij van deze verkoop een plechtig contract hebben gemaakt.

Zolang de authentieke akte niet werd verleden, bestaat er dus volgens de beloften geen verkoop. Bijgevolg betrof het enkel een verbintenis tot verkopen en/of een verbintenis tot kopen.

Conclusie

In casu besliste het Hof dat het moment van de ondertekening van de aan- en verkoopbelofte nog niet zorgde voor de belastbaarheid van een meerwaarde. Volgens vaste rechtspraak is een stopzettingsmeerwaarde ook pas belastbaar op het ogenblik dat de schuldvordering zeker en vaststaand is.

Uit de bewoordingen van de aan-en verkoopbelofte kon het Hof besluiten dat de belastingplichtige het bij het rechte eind had. Op het moment van de belofte was er nog geen sprake van een zeker en vaststaande schuldvordering. Het Hof besliste dat de schuldvordering pas zeker en vaststaand was bij het definitief verlijden van de authentieke akte.


Erfenis belastingvrij naar kleinkinderen via doorgeefschenking

Stel u erft van uw ouders een mooie som geld. Maar u bent inmiddels 60 jaar en heeft het geld eigenlijk niet meer nodig. Uw kinderen daarentegen, prille dertigers, zouden het geld goed kunnen gebruiken voor de verbouwing van hun huis of de start van hun eigen zaak.

De oplossing bestaat erin om uw erfenis onmiddellijk door te schenken aan uw kinderen, dus de kleinkinderen van de erflater. Dit is de zogenaamde “doorgeefschenking”.

Belastingvrij vanaf 1 september 2018

Vanaf 1 september 2018 kan u in Vlaanderen een deel van uw erfenis meteen aan uw kinderen of kleinkinderen doorschenken zonder schenkbelastingen te betalen, mits u aan een aantal voorwaarden voldoet.

Het vermogen van de grootouders komt bij zo’n generatiesprong rechtstreeks in het vermogen van de kleinkinderen terecht.

Voorwaarden m.b.t. erfenis

De erfenis belastingvrij doorschenken kan op voorwaarde dat de erflater na 31 augustus 2018 is overleden. Op de erfenis moet ook reeds erfbelasting zijn geheven door het Vlaams Gewest.  De erflater zal dus de laatste vijf jaar vóór zijn overlijden in Vlaanderen (niet Brussel of Wallonië) moeten hebben gewoond.

Voorwaarden m.b.t. doorgeefschenking

Aan de schenking zelf zijn ook enkele voorwaarden verbonden.

-Ten eerste moet de erfenis binnen het jaar na het overlijden van de erflater worden doorgeschonken.

-Verder geldt de schenking enkel aan ‘afstammelingen’, dit zijn dus de kinderen, kleinkinderen enz. Ook stiefkinderen zouden hieronder vallen.

-De doorgeefschenking kan ook pas gebeuren indien de erfbelasting werkelijk is betaald, en dit om misbruik tegen te gaan.

-De schenking moet gebeuren bij notariële akte en mag geen opschortende voorwaarden of termijnen bevatten.

-Tot slot kan voor de fiscale vrijstelling de waarde van de schenking niet hoger zijn dan de waarde van de geërfde goederen.

Enkel waarde schenken volstaat.

We geven ook nog even mee dat het volstaat om enkel de waarde van de erfenis te schenken, en niet per se de goederen zelf. Een voorbeeld ter verduidelijking: indien u een effectenportefeuille ter waarde van € 300.000 erft van uw ouders, kan u de som van € 300.000 doorschenken aan uw kinderen, zonder dat u de portefeuille zelf uit handen moet geven.

 


UBO-register: info meedelen uiterlijk vóór 31 maart 2019

In een vorige bijdrage hebben we u al ingelicht over de invoering van het nieuwe ‘register van uiteindelijke begunstigden’ of kortweg ‘UBO-register’. Daarin werd al uiteengezet wie als uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt. De Antiwitwaswet dateert al van 18 september 2017, maar voor de praktische toepassing ervan was het nog wachten op de uitvoeringsbesluiten.

Met het KB van 30 juli 2018 is nu concreet vastgelegd welke informatie bestuurders moeten meedelen, wie toegang heeft, enzovoort.

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

Het UBO-register beoogt informatie te verzamelen over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen, vzw’s en stichtingen, trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten.

Het moet gaan om vennootschappen die in België opgericht zijn. Ook vzw’s en stichtingen moeten zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vzw-wet.

Maar wat betreft de trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten werd niet wettelijk bepaald waar zij opgericht of gelokaliseerd moeten zijn. We kunnen ervan uitgaan dat trusts vanuit België moeten worden beheerd. Maar volgens het KB moet ook een UBO-register worden bijgehouden indien de trustee of fiduciebeheerder buiten de EU gelokaliseerd is, maar bijvoorbeeld een onroerend goed in België aankoopt via de trust.

Bemerk dat het register geldt voor zowel kleine als grote entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dus ook voor maatschappen.

Welke informatie moet worden meegedeeld?

Voor de vennootschappen, vzw’s en stichtingen moet de informatie worden meegedeeld door de bestuurders. Bij trusts, fiducieën en gelijkaardige entiteiten moet dit gebeuren door de trustees of fiduciebeheerders.

In het register moeten de uiteindelijk begunstigden volledig worden geïdentificeerd, dit wil zeggen: naam, adres, nationaliteit, geboorteplaats, geboortedatum etc.

Daarnaast moet ook de omvang van het aanmerkelijk belang in een vennootschap worden meegedeeld.

Wie heeft toegang tot het register?

Voor wat betreft de vennootschappen, zou ‘in principe’ elke burger toegang hebben tot het register. Die toegang zal evenwel beperkt blijven tot bepaalde gegevens, dus bijvoorbeeld niet de voornaam, geboortedatum, adres enz.

Voor wat betreft vzw’s, stichtingen, trusts en dergelijke heeft een persoon of organisatie slechts toegang indien hij een legitiem belang aantoont.

Ook de fiscus heeft – met het oog op de belastingheffing – toegang tot het UBO-register.

Voor de toegang tot het register zal, behalve voor de autoriteiten, een administratieve bijdrage verschuldigd zijn.

In bepaalde gevallen (zoals bijvoorbeeld bij risico op fraude of chantage) kan de toegang tot het register ontzegd worden.

Hoe kan ik de info meedelen aan het register?

Via het online platform MyMinfin zal u toegang hebben tot het UBO-register. Vermits het register zelf nog niet operationeel is, kan u op dit ogenblik nog geen informatie meedelen.

Ook via een gevolmachtigde (bijvoorbeeld uw accountant) zal u info aan het register kunnen meedelen.

Wanneer dient de informatie te worden meegedeeld?

Elke wijziging in het UBO-register (bijvoorbeeld adres, het belang…) moet binnen de maand nadat de wijziging gekend is, worden doorgegeven aan het UBO-register. Daarnaast moet de informatie ook jaarlijks worden bijgewerkt of bevestigd.

De eerste registratie in het UBO-register moet gebeuren vóór 31 maart 2019.

Sanctie

Zij die -ondanks de wettelijke verplichting- niet de vereiste informatie aan het UBO-register meedelen kunnen een administratieve boete krijgen.

Nog vragen?

Aarzel zeker niet om onze juristen te contacteren.


dbi-bevek: fiscaal interessant beleggingsinstrument

Met het zomerakkoord 2017 van de regering Michel zijn heel wat nieuwe fiscale maatregelen ingevoerd. Zo is onder andere gesleuteld aan de meerwaardebelasting op aandelen in de vennootschapsbelasting.

Vennootschappen die sinds 1 januari 2018 beleggen in aandelen moeten voortaan vennootschapsbelasting betalen op de meerwaarden, terwijl minwaarden nog steeds niet fiscaal aftrekbaar zijn.

Worden echt alle meerwaarden belast?

De belasting op gerealiseerde meerwaarden van aandelen is evenwel niet verschuldigd indien cumulatief aan volgende dbi-voorwaarden wordt voldaan:

  • de aandelen moeten minstens een jaar lang  worden aangehouden (= permanentievoorwaarde);
  • de uitkerende vennootschap moet onderworpen zijn aan een gelijkaardige belasting als de Belgische vennootschapsbelasting (= taxatievoorwaarde); én
  • de aandelen vertegenwoordigen ten minste 10% van het kapitaal van de onderliggende vennootschap of hebben een aanschaffingswaarde van 2,5 miljoen euro (= participatievoorwaarde).

In veel gevallen zullen aandelenparticipaties in dochtervennootschappen voldoen aan deze voorwaarden. U begrijpt echter dat de meeste kmo's die louter beleggen in (beursgenoteerde) aandelen niet aan de laatste voorwaarde zullen voldoen.

Maar geen nood, banken en vermogensbeheerders hebben een oplossing klaar om aan de meerwaardebelasting te ontsnappen: de 'dbi-bevek'.

dbi-bevek

Is een dbi-bevek nu écht zo interessant? Laten we duidelijk zijn, de dbi-bevek is zeker geen nieuwigheid. Het vehikel bestaat al decennia, maar wint nu aan belang door de invoering van de meerwaardebelasting op aandelen.

Een dbi-bevek is een beleggingsfonds onder de vorm van een vennootschap. Die vennootschap belegt volledig in aandelen en keert bij winst een jaarlijks dividend uit. Het is dus  een zogenaamde distributiebevek. De dividenden en meerwaarden die een dbi-bevek uitkeert komen in aanmerking voor de vrijstelling mits voldaan wordt aan een aantal strikte fiscale voorwaarden (art. 203, §2 WIB'92).

In concreto:

  • de bevek belegt exclusief in aandelen;
  • de statuten van de bevek voorzien dat jaarlijks tenminste 90% van de geïnde dividenden en gerealiseerde meerwaarden - na aftrek van bezoldigingen, commissies en andere kosten – aan de aandeelhouders worden doorgestort;
  • de inkomsten van de bevek voldoen aan de volgende voorwaarden :
    • dividenden: deze moeten in aanmerking komen voor de dbi-aftrek;
    • meerwaarden: deze moeten afkomstig zijn van aandelen die zelf voor de meerwaardevrijstelling in aanmerking komen.

De bevek zal aan de belegger dus een ventilatie moeten bezorgen van de inkomsten zodat duidelijk is welk deel van de inkomsten vrijgesteld is. Wat de 'goede inkomsten' betreft zullen de dividenden en de meerwaarden voor 100% vrijgesteld zijn van belasting.

Nadelen en risico's

Hoewel dbi-beveks jaarlijks een dividend uitkeren, dienen zij in aftrek te worden gebracht van de berekeningsbasis voor de aftrek van risicokapitaal ('notionele interestaftrek'). Door de ernstige afbouw van deze aftrek zal dit nadelig effect nauwelijks nog fiscale relevantie hebben.

Het is mogelijk  dat door de belegging in een dbi-bevek de vennootschap niet kan genieten van het verlaagd vennootschapstarief (20% op de  eerste schijf van 100.000 euro).

Meerwaarden op (goede) aandelen mogen dan wel niet belastbaar zijn in de dbi-bevek,  de minwaarden zijn daarentegen nog steeds niet aftrekbaar.

Beleggen via een dbi-bevek is tot slot ook niet kosteloos en is niet zonder financieel risico. De volatiliteit van de beurs is immers genoegzaam bekend.

Conclusie

Een dbi-bevek kan inderdaad een interessant vehikel zijn voor vennootschappen die beleggen in aandelen. De ervaring leert evenwel dat het zich louter laten leiden door fiscale motieven niet altijd verstandig is.  Samen met u en uw bank of vermogensbeheerder bekijkt aternio graag alternatieve oplossingen op langere termijn.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


Meldingsplicht voor fiscalisten van agressieve grensoverschrijdende constructies

Fiscalisten zullen vanaf 1 juli 2020 agressieve grensoverschrijdende constructies moeten melden aan de fiscus. Richtlijn 2018/822 inzake de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied kadert volledig in de ingezette strijd tegen internationale belastingontduiking. De meldingsplicht is grotendeels een weergave van actiepunt 12 van het internationaal plan van de OESO uit 2013 inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS).

Transparante fiscale constructies

Op vandaag worden nog steeds fiscale constructies opgezet waarbij belastbare winsten worden verschoven naar belastingparadzijen of waarbij de totale belastingdruk op een andere kunstmatige manier fors wordt verlaagd. Op zich zijn deze constructies niet altijd illegaal, maar sinds de Panama Papers is een agressieve fiscale planning maatschappelijk niet meer verdedigbaar.

Centrale database

Op 25 mei 2018 heeft de Europese Raad  Richtlijn 2018/822 aangenomen wat betreft de invoering van een meldingsplicht voor 'intermediairs' wanneer zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende fiscale constructies. Deze richtlijn maakt deel uit van een reeks maatregelen die ontwijking van vennootschapsbelasting moeten helpen vermijden en wijzigt Richtlijn 2011/16.

Intermediairs - zoals fiscale advocaten, belastingconsulenten, accountants - zullen daarom mogelijk schadelijke constructies moeten melden aan de nationale belastingsautoriteit. Via een centrale database zullen de lidstaten van de Europese Unie die informatie onderling uitwisselen. De lidstaten worden er verder toe verplicht sancties op te leggen aan intermediairs die de transparantiemaatregelen niet naleven.

Wat is 'agressief'?

De vraag stelt zich natuurlijk wat onder grensoverschrijdende 'agressieve planning' moet worden verstaan. Daarom zal door middel van "wezenskenmerken" worden bepaald welke types van  constructies aan de fiscus zullen moeten worden gerapporteerd. Dit betekent niet noodzakelijk dat een constructie schadelijk is. Wel dat ze mogelijk dient te worden onderzocht door de belastingautoriteiten. Veel constructies zijn immers volledig legitiem, het is dus een kwestie van uit te maken welke dat niet zijn.

Inwerkingtreding

De lidstraten krijgen tot 31 december 2019 de tijd om de richtlijn om te zetten in de nationale wetgeving. De nieuwe rapportageverplichtingen gelden vanaf 1 juli 2020. Op die datum zou de meldingsplicht ook in België  in werking moeten treden.

De lidstaten worden verplicht elke 3 maanden informatie uit te wisselen, dit binnen één maand na het einde van het kwartaal waarin de informatie is verstrekt. De eerste automatische informatie-uitwisseling zal dus uiterlijk op 31 oktober 2020 plaatsvinden.


Cateringkosten bij publicitair event nu ook 100% aftrekbaar in inkomstenbelasting

Wanneer een ondernemer cateringkosten maakt in het kader van een publicitaire activiteit, worden deze beschouwd als reclamekosten. Dergelijke cateringkosten zijn voortaan ook in de directe belastingen 100% aftrekbaar.

In een eerdere bijdrage gaven we al aan dat de cateringkosten op een event met een publicitair doel inzake btw al volledig aftrekbaar zijn. De minister van Financiën trekt deze visie dus nu ook door in de directe belastingen.

Receptiekosten vs kosten van onthaal

In de directe belasting geldt er een aftrekbeperking van 50% voor receptiekosten (art. 53, 8° WIB'92). Kosten van catering voor een bedrijfsevent kunnen in principe onder deze aftrekbeperking vallen.

Inzake btw bestaan gelijkaardige aftrekbeperkingen. Het gaat hierbij over kosten van onthaal waarop geen btw-aftrek kan worden toegepast (art. 45, §3, 4° van het WBTW), evenals op kosten van logies, spijzen en dranken (art. 45, §3, 3° WBTW, verwijzend naar artikel 18, §1). Bedoeld zijn het verschaffen van spijzen en dranken in restaurants en cafés, meer algemeen  wanneer beroep wordt gedaan op cateringdiensten.

Publiciteit

Maar indien u bijvoorbeeld een bedrijfsevent organiseert om een nieuw product te lanceren of media-aandacht te krijgen heeft dit een duidelijk publicitair doel. Het betreft dan in wezen reclame. En voor publiciteitskosten geldt de aftrekbeperking niét, reclamekosten zijn dus volledig aftrekbaar.

Onder druk van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, is de fiscus in 2015 uiteindelijk gezwicht op het vlak van btw. Cateringkosten in het kader van een event met een publicitair doel (reclame) zijn dus sindsdien wel aftrekbaar voor de btw (Beslissing E.T. 124.247, 13 maart 2015, Fisc. Act 2015, 12/1 en 13/1).

Harmonisatie btw en inkomstenbelasting

Maar op vlak van inkomstenbelasting bleef de fiscus voet bij stuk houden. De fiscus argumenteerde immers steeds dat kosten van onthaal inzake btw en receptiekosten inzake directe belasting een verschillende lading dekken.

Tot nu.

In een antwoord op een Parlementaire vraag bevestigt de minister van Financiën de aftrek van cateringkosten bij een event in de inkomstenbelasting (Mond. vr. nr. 23784, Johan Klaps, 14 maart 2018, Kamercomm. Fin., Criv 54, Com 844, 6).

Vanwaar de kentering?

Met het nieuwe standpunt komt de minister tegemoet aan de belofte uit het regeerakkoord om de regels inzake btw en inkomstenbelasting te harmoniseren.

Voortaan is er een 100% aftrek als beroepskost voor de cateringkosten die een ondernemer maakt voor een event waarbij hij bestaande of potentiële klanten uitnodigt én dat hoofdzakelijk de verkoop van producten of diensten tot doel heeft.

Men moet dus kijken naar het doel van de kosten (= reclame) en niet zozeer naar de aard (= spijzen en dranken). Zowel voor  inkomstenbelasting als btw moeten de kosten voor zo'n cateringevent dus beschouwd worden als aftrekbare reclamekosten en niet als receptiekosten.

 


Verkoop vruchtgebruik en over hoe een meerwaarde geen vrucht is

Deze bijdrage handelt over een klassiek fiscaal verhaal. Meer bepaald een traditionele vruchtgebruikconstructie waarbij een zaakvoerder (blote eigendom) en zijn vennootschap (vruchtgebruik) samen een onroerend goed aankopen.

Het vruchtgebruik wordt aangegaan voor een periode van 20 jaar. De vennootschap betaalt 75% van de aankoopprijs en de zaakvoerder 25%. Het onroerend goed wordt gebruikt voor de beroepsactiviteit van de vennootschap. So far so good.

5 jaar na de aankoop blijkt het onroerend goed niet langer geschikt en het wordt verkocht met een meerwaarde. Hoe zit het nu fiscaal?

Is de verdeling verkoopprijs correct?

Bij de verdeling van de uiteindelijke verkoopprijs krijgt de zaakvoerder 56% en de vennootschap  44%. Het bedrag dat de vennootschap ontvangt is gelijk aan de restwaarde van het vruchtgebruik zoals de vennootschap dat in haar boekhouding heeft.

De fiscus was echter niet akkoord met die zienswijze van de belastingplichtige. De fiscus vond immers dat de vennootschap bij de verdeling van de verkoopprijs niet gekregen had waar zij recht op had. In het bijzonder vond de fiscus dat de meerwaarde op het onroerend goed ook in de verhouding 75%-25% moest worden verdeeld.

Het geschil wordt uiteindelijk voorgelegd aan de rechtbank.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt dat het vruchtgebruik oorspronkelijk voor 20 jaar is aangegaan. Gedurende 5 jaar heeft de vennootschap het genot gehad van het onroerend goed. Op het moment van verkoop is er dus sprake van een resterend vruchtgebruik van 15 jaar.

De rechtbank oordeelt dat de vennootschap slecht een meerwaarde kon realiseren op de rechten die zijn had (lees: het vruchtgebruik) en dus niet op de blote eigendom.

Een vruchtgebruiker realiseert slecht een meerwaarde ‘indien en op voorwaarde dat de waarde van het vruchtgebruik, op het moment van de verkoop, hoger is dan de boekwaarde’.

Dit betekent dat het vruchtgebruik op moment van verkoop opnieuw moet worden gewaardeerd, rekening houdende met de huurwaarde van het onroerend goed op dat moment en de resterende looptijd van het vruchtgebruik. De vennootschap heeft dit huiswerk gedaan. Zij stelt aldus vast dat de waardering van het vruchtgebruik gelijk is aan de boekwaarde.

Geen sprake dus van meerwaarde bij de vennootschap.

Conclusie

De vennootschap is – geheel terecht – in het gelijk gesteld. De fiscus ging er verkeerdelijk van uit dat een vruchtgebruiker altijd recht heeft op een deel van de meerwaarde van het onroerend goed.

Een vruchtgebruiker heeft slechts recht op de ‘vruchten’ van het appartement. Er is geen meerwaarde in hoofde van de vennootschap als de waarde van het vruchtgebruik gelijk is aan de resterende boekwaarde. De globale meerwaarde verdelen pro rata de oorspronkelijke verhouding blote eigenaar/vruchtgebruiker, beantwoordt niet aan de burgerrechtelijke definitie van een ‘vrucht’.

Bron: Rb. Hasselt dd. 26.02.2018, Fisc.Koer 2018/04, pag.859-862