Weglopen van uw rekening courant naar een lening met vaste looptijd?

Geld 'lenen' van de vennootschap via rekening courant of lopende rekening is voor een bedrijfsleider een pak duurder dan via een lening met vaste looptijd. Soms zijn er gewoonweg niet genoeg privémiddelen om de schuld op korte termijn af te lossen. Een aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening is ook geen evidentie.

De fiscus zal te weinig betaalde interesten bovendien belasten als voordeel van alle aard. Velen overwegen dan ook om de lopende rekening om te zetten naar een 'niet-hypothecaire lening met vaste looptijd'. Wat zijn de voordelen en aandachtspunten?

Kost van uw lopende rekening loopt op

Wanneer de bedrijfsleider en debetstand heeft op zijn rekening-courant en dus geld verschuldigd is aan de vennootschap, moet hij volgens de fiscus hiervoor interesten aan zijn vennootschap. De wetgever legt hiervoor jaarlijks een referentierentevoet vast. Voor aanslagjaar 2018 bedraagt deze 8,78%. Dit percentage wordt maandelijks toegepast op de stand van de lopende rekening. Betaalt de bedrijfsleider minder of zelfs niets, dan beschouwt de fiscus dit als een verkregen voordeel van alle aard en zal ze het verschil toevoegen aan zijn belastbare basis in de personenbelasting.

Bijvoorbeeld: de bedrijfsleider laat door de vennootschap een privé-uitgave betalen t.w.v. 10.000,00 euro. Hij heeft vanaf dat moment een schuld aan de vennootschap waarop hij 870,80 euro interest zou moeten betalen. Als hij niets aan zijn vennootschap betaalt, zal de fiscus de volledige 870,80 euro in de personenbelasting belasten als loon, aan het marginaal tarief. De vennootschap moet dit bedrag dan ook vermelden op de fiche 281.20 als bezoldiging van de bedrijfsleider.

Fiscaal: waarom omzetten?

De bedrijfsleider tracht vaak het belastbaar voordeel vaak te vermijden of verkleinen door een een lening met vaste looptijd af te sluiten met zijn of haar vennootschap. De wettelijk vastgelegde percentages voor een niet-hypothecaire lening met vaste termijn liggen namelijk aanzienlijk lager. Het maandelijks lastenpercentage bedraagt hiervoor slechts 0,20% (of bijvoorbeeld 4,72% op jaarbasis voor een vijfjarige lening).

Wanneer men de debet lopende rekening laat omzetten in een lening met een vaste looptijd, moet de bedrijfsleider eveneens de interest effectief betalen aan de vennootschap. Dit opnieuw om niet privé belast te worden op een voordeel van alle aard. Ten slotte vormt de betaalde interest een financiële opbrengst in de vennootschap en moet deze laatste hierop vennootschapsbelasting betalen.

Knipperlichten

De omzetting van een lopende rekening in een lening met vaste looptijd vergt oog voor een aantal aandachtspunten. Zoniet kan de fiscus de omzetting beoordelen als fiscaal misbruik en u alsnog belasten aan het hogere voordeel van alle aard.

  • Boekhoudkundig moet de rekening-courant worden overgeboekt naar een rekening  'overige vorderingen op lange termijn' respectievelijk 'overige vorderingen op korte termijn'.
  • Houd steeds rekening met het vennootschapsrecht, meer bepaald bepalingen omtrent belangenconflicten. De bedrijfsleider moet bijvoorbeeld eventuele (mede)vennoten inlichten wanneer zijn belangen tegenstrijdig zijn met die van de vennootschap. Er moet ook een verslag worden opgemaakt met de vennootschapsrechtelijke gevolgen van de actie, dat samen met de jaarrekening wordt neergelegd.
  • Laat een leningscontract opstellen tussen u en uw vennootschap en laat dit registreren bij een registratiekantoor van de overheid. Dit zorgt ervoor dat u de datum van de omzetting vastlegt.

Laat u bij dit laatste aspect zeker adviseren door ons legal team: zij stellen voor u een geschikte overeenkomst op.


Ti-ta-tantième: de truc voor een lagere belastingdruk?

Naar aanleiding van het afsluiten van het boekjaar kan de algemene vergadering van een vennootschap beslissen om tantièmes uit te keren. Dit zijn vergoedingen aan één of meer bestuurders van een vennootschap die fiscaal doorwerken op het afgesloten boekjaar. Wat maakt van een tantième, in vergelijking met een dividend, een interessant alternatief om winst uit te keren?

Uitkering en verloning

Tantièmes zijn, net zoals dividenden, winstuitkeringen die een algemene vergadering toekent. Zowel een dividend als een tantième vormen een optie om winst uit de vennootschap te halen. Hier houdt de vergelijking tussen beiden ook op. Wat maakt dan net het verschil?

De toekenning van een tantième vereist dat de begunstigde een bestuurdersfunctie heeft in de vennootschap, terwijl men voor een dividenduitkering aandeelhouder moet zijn. Een tantième is niet alleen een winstuitkeringstechniek, maar het is ook een manier om één of meer bestuurders van een vennootschap te belonen. Inderdaad, niet elke bestuurder hoeft een tantième te krijgen en de tantième is niet noodzakelijk evenredig.

De begunstigde van een tantième kan zowel een natuurlijk persoon als een andere vennootschap zijn. Bij een kmo is het bovendien niet uitzonderlijk dat men niet alleen bestuurder maar ook aandeelhouder is. In dergelijke situatie heeft men dus een dubbele pet op. Diverse mogelijke winstuitkeringen zijn dan mogelijk.

Tantième en belastingen

Ook fiscaalrechtelijk onderscheidt een tantième zich van een dividend. Een tantième wordt als een bezoldiging aanzien en wordt aldus afgetrokken van het fiscaal resultaat van de vennootschap. Dit is niet het geval bij een dividenduitkering. Kortom, bij een tantième wordt de belasting betaald door de genieter, bij een dividend betaalt de uitkerende vennootschap de belasting. Opmerkelijk is ook dat de tantième fiscaal van de winst wordt afgetrokken in het jaar waarop ze betrekking heeft, dus niet in het jaar waarin de tantième is toegekend. Door haar winst op deze manier te bestemmen, kan een vennootschap haar fiscaal resultaat optimaliseren. Let wel: bij toekenning van een tantième aan een natuurlijke persoon mag de vennootschap niet vergeten om bedrijfsvoorheffing in te houden.

Bij een natuurlijke persoon worden tantièmes belast als een bedrijfsleidersbezoldiging. De genieter draagt er dus ook zelf sociale bijdragen voor af, betaalt personenbelasting en gemeentelijke opcentiemen. Wanneer men tantièmes uitkeert aan een rechtspersoon is er btw verschuldigd.

Tantième - timing

Wat een tantième nog meer fiscaal optimaal maakt ten opzichte van een bezoldiging, is de timing. Een tantième is, zoals gezegd, aftrekbaar in het jaar waarin de winst is gemaakt, niet in het jaar waarin de beloning is toegekend. De fiscus belast de genieter in in het jaar van de effectieve toekenning of betaalbaarstelling. Door een gebrek aan het 'matching principe' is de belasting de facto uitgesteld.

Bijvoorbeeld: een vennootschap maakt winst in het jaar 2018. De algemene vergadering van aandeelhouders, uiterlijk 6 maanden na het afsluiten van het boekjaar, in 2019 beslist om een tantième toe te kennen. Op die manier verlaagt het belastbaar resultaat van 2018. De bestuurder ontvangt de beloning pas in 2019 en betaalt dan belasting.

Daarnaast behoort een tantième tot de bezoldigingen die meetellen voor de berekening van de minimumbezoldiging als voorwaarde voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. Een vennootschap kan bovendien middels een tantième ook na het afsluiten van het boekjaar nog ontsnappen aan de afzonderlijke aanslag bij gebrek aan minimumbezoldiging.

Bestuurdersprestaties

De verkrijger van een tantième moet een bestuursfunctie hebben in de vennootschap, ongeacht of hij ook aandeelhouder is. Deze éénmalige vergoeding is, net zoals een bonus, niet zozeer gelinkt aan de specifieke prestaties van de bestuurder, maar eerder aan het feit dat een vennootschap winst heeft gerealiseerd mede dankzij de inspanningen van de bestuurder.

Opgelet: wanneer aan de hand van tantièmes sprake is van ongeoorloofde winstverschuiving naar een  vennootschap. De fiscus kan de uitkering ervan mogelijk beschouwen als fiscaal misbruik. "Fictieve constructies" zijn absoluut te mijden.

Conclusie

Tantièmes zijn omwille van hun gunstige timing en winstverlagend effect een mooie fiscale plannings- en uitkeringstechniek. Voorzichtigheid blijft de moeder van de porseleinkast en dus is ongeoorloofd gebruik te mijden.


'Pay it forward'? Het einde van fiscale optimalisatie met vooruitbetaalde kosten.

‘Pay it forward’. In de bekende film van Mimi Leder is het een waterval aan goede daden die de wereld net iets mooier maken. In fiscalibus is de wereld binnenkort echter iets minder mooi, want de hervorming van de vennootschapsbelasting maakt een einde aan de integrale aftrekbaarheid van vooruitbetaalde kosten.

Het ‘matching principe’: boekhoudkundig versus fiscaal

Het boekhoudkundig ‘matching principe’ houdt in dat kosten en opbrengsten geboekt moeten worden in het jaar waarop ze betrekking hebben. Fiscaal volgt men voor opbrengsten hetzelfde principe, maar voor kosten niet. Zo zijn kosten aftrekbaar in het jaar waarin ze zijn gedaan of gedragen en dat loopt niet noodzakelijk gelijk met het belastbare tijdperk. Bijvoorbeeld: een vennootschap betaalt in september 2018 volledig de huur voor de komende twaalf maanden. Deze kost is dan ‘gedragen’ (lees: betaald) in 2018 (aanslagjaar 2019), maar hebben betrekking op 2019 (aanslagjaar 2020).

De fiscale wetgeving wijkt hier dus af van de boekhoudkundige wetgeving. Een vaak gebruikte fiscale optimalisatietechniek bestond er daarom in om kosten, die eigenlijk betrekking hadden op het volgende boekjaar, toch af te trekken als beroepskost in het lopende boekjaar.  Deze techniek kende trouwens geen nadelen voor de andere partij: ondanks de eenmalige aftrek van de kosten door de koper, was de opbrengst bij de leverancier wél pas later belast, namelijk in het jaar waarop deze betrekking had. De vooruitbetaling werd dus niet op hetzelfde moment bij beide partijen verwerkt. De hervorming van de vennootschapsbelasting maakt nu aan dit alles een einde.

Fiscale regels ‘matchen’ opnieuw met boekhoudkundige regels

De wetgever stemt met de hervorming van de vennootschapsbelasting de fiscale regels af op de boekhoudkundige wetgeving. Ze bepaalt dat voortaan beroepskosten slechts aftrekbaar zijn in verhouding tot het gedeelte dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk. Het deel van de kosten in verband met een volgend jaar is m.a.w. niet meer aftrekbaar in het jaar van de voorafbetaling. Vanaf 2018 (aanslagjaar 2019) moeten kosten dus a rato van het matching principe in aftrek genomen worden, ook als ze in één keer zijn betaald.

De nieuwe regels gelden enkel in de vennootschapsbelasting. In de personenbelasting blijft alles dus wel nog bij het oude en kan men (voorlopig) nog optimaliseren door kosten vooruit te betalen.

Het einde van vooruitbetaalde kosten: concrete toepassing

In de praktijk zal deze omwenteling een effect hebben op kosten die betrekking hebben op een periode die niet samenvalt met het boekjaar van de vennootschap. Dit zijn bijvoorbeeld interesten, verzekeringen, verkeersbelasting, huur of abonnementen.

Bijvoorbeeld: een vennootschap betaalt op 1 januari 2018 12.000 euro huur voor de periode april 2018 t.e.m. februari 2019. Ze zal dan slechts 9.000 euro in kost mogen nemen in boekjaar 2018 (aanslagjaar 2019). De resterende 3.000 euro zijn pas aftrekbaar in het jaar erop. Men mag de volledige kost dus niet langer in één keer aftrekken.

Een opmerkelijk toepassingsgeval van deze nieuwe regelgeving is de financiële leasing. Hierbij is de eerste betaling (zgn. ‘down payment’) vaak hoger. In het licht van voornoemde hervorming zou men ook deze gespreid in kost moeten nemen. In haar advies 2015/4 nuanceerde de CBN deze toepassing wel voor de gevallen waarin de eerste aanbetaling ook een werkelijke waardedaling weerspiegelt. Wanneer je met een nieuwe wagen de weg oprijdt is die immers al onmiddellijk heel wat minder waard. Eenzelfde logica toepassen op een onroerend goed is echter minder verantwoordbaar. Hoe dan ook blijft het in de praktijk een feitenkwestie, die ruimte laat voor discussie.

Conclusie

Voorheen kon een vennootschap naar het eind van het boekjaar toe haar resultaat drukken door bepaalde kosten vooruit te betalen. Zo kon men hogere belastingen op de winst vermijden. Dit tijdperk is door de hervorming van de vennootschapsbelasting helaas voorbij.


Boekhoudkundige verwerking van de innovatieaftrek: keep your sheets together!

De innovatieaftrek is een fiscaal voordeel voor Belgische vennootschappen die eigenaar zijn van een intellectueel eigendomsrecht. IP (intellectual property) kan bestaan uit octrooien, kwekersrechten, weesgeneesmiddelen, data- of marktexclusiviteiten, auteursrechten of beschermde software. De aftrek bedraagt 85% van de netto-inkomsten. Inkomsten en uitgaven moeten nauwkeurig worden opgevolgd per IP. In haar advies (2018/01) bepaalt de CBN welke accounting-spelregels men hier best voor toepast.

Meten is weten, bewaren is belastingen besparen

Om de innovatieaftrek te berekenen worden de netto-inkomsten per IP bepaald. Deze zijn gelijk aan de totale inkomsten die voortvloeien uit een intellectueel eigendomsrecht, verminderd met de eigen R&D kosten die ervoor gemaakt werden.

Doordat de innovatieaftrek fiscaal onbeperkt overdraagbaar is kan ze verschillende boekjaren later nog steeds worden aangewend. Op dat moment moet men de gemaakte kosten dus nog steeds kunnen onderscheiden en bewijzen. Een onderneming die door de jaren heen verschillende rechten verwerft moet dus nauwkeurig kosten kunnen toewijzen aan de verschillende bronnen van haar innovatie-inkomsten. Boekhoudkundig worden daarom best afzonderlijke kostenrekeningen per intellectueel eigendomsrecht gecreëerd. Dit kan door aan elke kostenrekening een vast identificatienummer van het desbetreffende octrooi toe te voegen.

CBN-advies: wanneer en hoe?

De innovatieaftrek is mogelijk vanaf het moment dat een intellectueel eigendomsrecht werd aangevraagd. De boekhoudkundige verwerking is dus ook afhankelijk van de fase waarin het recht zich bevindt. Wanneer een eigendomsrecht nog niet is ontstaan, moet het vrijgestelde deel van de innovatie-inkomsten voldoen aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde. Dit vereist een debitering  of overboeking naar de belastingvrije reserves (689) en een creditering van de afzonderlijke rekening binnen de belastingvrije reserves (132).

Wanneer de tijdelijke vrijstelling definitief verworven wordt, kan men dit rechtstreeks overboeken naar de beschikbare reserves (133). Een andere optie is om de belastingvrije reserves te debiteren en rekening 789 (onttrekkingen aan de belastingvrije reserves) te crediteren, alvorens definitief een bestemming te geven aan het resultaat. De fiscale innovatieaftrek verloopt volledig buiten de boekhouding.

De CBN raadt deze methode ook aan wanneer het intellectueel eigendomsrecht uiteindelijk toch niet verworven wordt. Men neemt de belastingvrije reserve terug op in het resultaat door een overboeking naar de beschikbare reserves, of door een onttrekking aan de belastingvrije reserves. Er is geen innovatieaftrek en de vrijgestelde reserve wordt weer belastbaar.

Vermelding in de toelichting

Vergeet ten slotte ook de verplichte vermeldingen in de toelichting van de jaarrekening niet (pagina VOL 6.20). Men beschrijft hier enerzijds de invloed van de innovatieaftrek op de verschuldigde belastingen en anderzijds de aanwezigheid van belastinglatenties. Wanneer het gaat om een micro- of verkort model (respectievelijk pagina’s MIC 6.6 en VKT 6.9) is deze vermelding slechts facultatief.

Conclusie

Samengevat schrijft de CBN als het ware een boekhoudkundige track-and-trace voor. Voor een duidelijke en correcte toepassing van de innovatieaftrek moet per intellectueel eigendomsrecht precies worden bepaald welke kosten voor de ontwikkeling van een beschermd product of dienst bestemd zijn. Door de onbeperkte fiscale overdraagbaarheid van een innovatieaftrek moet men de aparte rekeningen ook later eenvoudig kunnen consulteren. Ten slotte is ze ook afhankelijk van het tijdstip of stadium waarin het IP zich bevindt. Voor de attente lezer: deze analytische verwerking heeft dus heel wat voeten in de aarde.