Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.


Beroepsgeheim geen absolute bescherming tegen fiscus

De vraag of de fiscus een aanslag kan vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs is en blijft een punt van discussie. Het Hof van Cassatie spreekt zich terug opmerkelijk uit over deze vraag.

Antigoon-toets

Het Hof van Cassatie oordeelde reeds op 22 mei 2015 dat de feitenrechter niet steeds onrechtmatig verkregen bewijs moet weren. Dergelijk bewijs moet slechts geweerd worden indien de manier van verkrijging op een zodanige wijze indruist tegen wat de burger van een behoorlijk handelende overheid mag verwachten.

Dit is het geval zodra het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is of het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Hiermee heeft het Hof van Cassatie de fiscale Antigoon-toets gecreëerd. De Antigoonleer stelt dat onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken toch gebruikt mag worden. Een mijlpaalarrest dus op fiscaal vlak.

Sindsdien kan de fiscale administratie een aanslag vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs. Het komt de feitenrechter toe om op grond van de Antigoon-toets te beoordelen of het onrechtmatig bewijs geweerd wordt. Het Hof van Cassatie reikt in zijn arrest enkele criteria aan waarop de feitenrechter zich kan baseren.

Hof van Justitie gaat niet akkoord

Niet veel later oordeelde het Europese Hof van Justitie echter tegenovergesteld. Het Hof van Justitie meende dat de schendig van een door het Unierecht gewaarborgd recht de aanwending van het bewijs in de weg stond. (HvJ 17 december 2015, C-419/14)

In de rechtsleer bestaan er verschillende interpretaties over de verhouding van het arrest van het Hof van Justitie ten opzichte van het Hof van Cassatie. Sommige menen dat het Hof van Justitie de Antigoon-toets van het Hof van Cassatie aan de kant schuift. Anderen zijn milder en menen dat het arrest van het Hof van Justitie enkel betrekking heeft op btw-zaken.

Ondanks de onzekere interpretatie is het duidelijk dat het Hof van Cassatie zich niet aan de kant laat zetten door het Hof van Justitie.

Bewijs verkregen door miskenning van beroepsgeheim mag ook

Onlangs bevestigde het Hof van Cassatie opnieuw haar eerdere Antigoon-rechtspraak. Zij gaat zelf nog een stap verder door te oordelen dat de fiscus of feitenrechter bewijs verkregen door miskenning van het beroepsgeheim ook kan aanwenden. (Cass. 18 januari 2018, F.16.0031.N)

De fiscus voerde een onderzoek waarbij zij inlichtingen verkreeg van de advocaat van de belastingplichtige. Op basis van deze inlichtingen vestigde zij een aanslag wegens het niet aangeven van beroepsinkomsten. De belastingplichtige ging hier niet mee akkoord vanwege schending van het beroepsgeheim door de advocaat. De belastingplichtige stapte naar de rechtbank te Brussel en vervolgens het Hof van Beroep. Bij beide ving de belastingplichtige bot. Als laatste redmiddel wendde hij zich tot het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie bevestigt evenwel de fiscale Antigoon-rechtspraak. Daarbij meent het Hof dat bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim ook aan de Antigoon-toets moet worden onderworpen.

Het Hof van Cassatie concludeert dat het weren van bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim niet per definitie moet. Daarentegen zegt zij evenmin dat dergelijk bewijs steeds toegelaten is. Met andere woorden het Hof blijft haar eerdere visie trouw.

Relatie met recht op een eerlijk proces

Aangezien het recht op beroepsgeheim deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, is dit arrest opmerkelijk. Daarnaast lijkt het erop dat het Hof van Cassatie zich niet concreet heeft willen uitspreken. Naast het vasthouden aan haar eerder gecreëerde Antigoon-toets, heeft het Hof weinig opgelost van de discussiepunten.

Het arrest bepaalt dat de feitenrechter bevoegd is om te oordelen of het onrechtmatig verkregen bewijs geweerd moet worden.  Hierbij dient de rechter na te gaan of het onrechtmatig verkrijgen bewijs indruist tegen wat van een behoorlijk handelde overheid verwacht mag worden en of het recht op een eerlijk proces is belemmerd.

In casu had de advocaat zich niet beroepen op zijn beroepsgeheim en deze inlichtingen verstrekt op loutere vraag van de fiscus. Als gevolg, argumenteerde de rechter dat de handeling van de fiscus niet als onbehoorlijk kan aanzien worden.

Tip: gebruik het beroepsgeheim

Een vertrouwenspersoon, zoals een advocaat of een accountant,  kan hieruit lessen trekken en zich bij vragen van de fiscus beter beroepen op zijn beroepsgeheim. Indien de fiscus dan alsnog het bewijs verkrijgt op grond van miskenning van het beroepsgeheim, lijkt de kans groter dat het geweerd zal moeten worden. Uiteraard blijft de finale beoordeling tot de bevoegdheid van de feitenrechter behoren.


Hype van auteursrechten ontgaat ook fiscus niet!

Steeds meer ondernemingen betalen aan hun werknemers of bedrijfsleiders vergoedingen voor de cessie of concessie van auteursrechten, vanwege het fiscaal gunstig karakter. De tsunami aan vragen bij de rulingcommissie hieromtrent is enorm. De rulingcommissie wordt in ieder geval strenger bij het beoordelen van de voorwaarden en de modaliteiten van de vergoeding.

Is alles zomaar een werk dat auteursrechten verleend?

Werken die aan de hierna genoemde voorwaarden voldoen, vallen onder de auteurswet. Het auteursrecht beschermd precies deze werken.

Vooreerst dient het werk door creativiteit tot stand te zijn gekomen. Dit betekent concreet dat het werk het veruitwendigen van de creatieve geest moet zijn. Dit mag zowel literair als artistiek zijn. Voorbeelden zijn schilderijen, beeldhouwwerken, computerprogramma’s, geschreven artikels, …

Als tweede voorwaarde geldt dat het werk zintuiglijk waarneembaar moet zijn. Dit is te verklaren doordat het auteursrecht de vorm beschermd. Het loutere idee of concept achterliggend wordt niet door het auteursrecht beschermd.

Daarnaast stelt de wetgever dat het werk origineel dient te zijn. De wetgever meent dat er sprake is van originaliteit wanneer het werk de persoonlijkheid van de auteur vertoont. Dit houdt in dat het werk reeds eerder mag vertoont of gemaakt zijn. Het is daarentegen wel van essentieel belang dat de auteur zijn eigen persoonlijkheid in het werk legt. Hij dient er aldus een persoonlijke toets aan te geven.

Werknemer is auteur, maar wat met werkgever?

Het komt heel vaak voor dat een werknemer een auteurswerk maakt in opdracht van een werkgever. De werkgever-onderneming gebruikt dit werk voor de exploitatie van zijn onderneming. Indien een cessie of concessie van auteursrechten vergoed wordt, is dit een roerend inkomen in hoofde van de werknemer. Hoewel de werknemer dit meestal ervaart als loon, heeft deze vergoeding een andere fiscaal regime.

Fiscaal regime

Eerst en vooral is de belastingdruk op dergelijke vergoedingen lager. Op de vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt namelijk slechts 15% roerende voorheffing ingehouden.

Wat de kosten betreft, kent dit regime ook een aantrekkelijk kostenforfait.

Het staat iedereen vrij om te kiezen voor het forfait dan wel de werkelijke kosten. Deze werkelijke kosten dienen dan wel bewezen te worden. 

Belang van een ruling

Aangezien het niets steeds evident is om te beoordelen of een werk al dan niet als auteurswerk wordt gekwalificeerd, is het handig om een ruling aan te vragen. In een eerdere bijdrage gaven we reeds aan wat een ruling inhoudt en hoe de procedure verloopt. Kort samengevat, een ruling geeft fiscale rechtszekerheid.

Indien een ruling bevestigt dat een werk als auteurswerk gekwalificeerd kan worden, dan zullen de vergoedingen voor de cessie of concessie van het werk  ook al roerend inkomen beschouwd worden.

Daarnaast zal bij de ruling ook de omvang van de vergoeding beoordeeld worden, waardoor ook hierover rechtszekerheid bestaat.

Rulingcommissie verstrengt haar beoordeling

Het toekennen van vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt steeds meer toegepast. Om het specifieke karakter van de vergoeding te bewaren, heeft de rulingcommissie  doorheen de jaren haar beoordeling verstrengd. Vooral omtrent de grootte van de vergoedingen zien we in de recente rulings een strengere aanpak.

Volgens de rulingcommissie moet er een onderscheid gemaakt worden tussen vergoedingen uit de cessie of concessie van de auteursrechten en het loon dat de werknemer en/of bedrijfsleider krijgt om zijn functie uit te oefenen. Natuurlijk kunnen beide in elkaar vloeien wanneer een werknemer en/of bedrijfsleider binnen de uitvoering van hun functie een auteurswerk tot stand brengt. Hoe dan ook mag het niet de bedoeling zijn om loon te vervangen door dergelijk roerend inkomen.

Zeker wat betreft bedrijfsleiders is de rulingcommissie heel streng. Zij zal de grootte van de vergoeding steeds beoordelen in functie van de omzet, gerealiseerd door middel van het auteurswerk. Dit houdt in dat de vergoeding steeds marktconform dient te zijn.

Daarnaast kijkt de rulingcommissie in haar beoordeling ook naar de invloed op de boekhoudkundige winst en de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders

Conclusie

Vergoedingen uit de cessie of concessie van een auteurswerk toekennen aan werknemers en/of bedrijfsleiders is fiscaal voordelig. Maar let goed op de voorwaarden. Indien u graag rechtszekerheid wenst, is een ruling aanvragen steeds een goed idee.

Denkt uw onderneming eraan dergelijke vergoedingen toe te kennen? Contacteer aternio om u te adviseren en bij te staan.


Op zoek naar een locatie voor uw bedrijf? Al gedacht aan een steunzone?

Door de locatie van uw bedrijf kan u fiscaal besparen. Klinkt dit te mooi om waar te zijn? Toch niet. Vestig uw onderneming in een Belgische steunzone, investeer met het oog op jobcreatie en krijg vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Vlaanderen heeft momenteel twee afgebakende steunzones (één rond Genk en één rond Turnhout) en weldra komt er een derde bij. Op de steunzone Vilvoorde-Zaventem is het evenwel nog even wachten. Wallonië heeft voorlopig reeds vier steunzones.

Wat is een steunzone?

Een steunzone, soms wel ontwrichte zone genoemd, is een zone waar in het verleden minstens één bedrijf door een zwaar collectief ontslag of faillissement getroffen werd. De Minister van Financiën zorgt voor de wettelijke verankering van dergelijke zone op voorstel van de Gewesten.

Een steunzone mag zich maximaal uitstrekken binnen een straal van 40 km rond een getroffen bedrijf. In principe komen per gewest maximaal 4 collectieve ontslagen in aanmerking. Vervolgens zijn ook de maximale oppervlakte van 2.000 km² en het maximaal aantal inwoners van 200.000 personen wettelijk vastgelegd. Sinds 1 september 2018 kan een steunzone met een straal van 40 km opgesplitst worden in twee steunzones met een straal van 20 km, waardoor de Gewesten meer steunzones kunnen hebben.

De actuele afgebakende steunzones in Vlaanderen bevatten niet alleen alle bedrijventerreinen maar ook de incubatoren en businesscenters en enkele gebieden met een brownfieldconvenant. Op  www.geopunt.be kan u nagaan of uw bedrijf gelegen is in een steunzone. Selecteer rechts 'bouwen en wonen', vervolgens 'bedrijven' en tot slot  'steunzones'.

Wat is het voordeel?

Ondernemingen die investeren in een steunzone en hier nieuwe personeelsleden tewerkstellen kunnen genieten van de gedeeltelijke en tijdelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. In concreto betekent dit dat zij 25 % van de bedrijfsvoorheffing, ingehouden op de lonen van de nieuwe werknemers, voor zichzelf mag houden.

De vrijstelling geldt vanaf de datum van indiening van de aanvraag tot de laatste dag van de 35e maand na de maand van voltooiing van de investering. Het voordeel is een besparing van ongeveer 4 à 5% op de loonkost. De vrijstelling is per investering beperkt tot maximum 7,5 miljoen euro. Voor grote ondernemingen dient wel rekening te worden gehouden met Europese steunplafonds

Voor welke investeringen?

Om van deze subsidieregeling te genieten, moet een onderneming aan bepaalde voorwaarden voldoen.

De allereerste voorwaarde is de verplichting tot investeren in een steunzone. Onmiddellijk roept dit ook de vraag op welke investeringen hiermee bedoeld zijn en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.

De investering moet betrekking hebben op materiële of immateriële vaste activa. Daarenboven moeten deze investeringen verband houden met de oprichting, diversificatie, uitbreiding of fundamentele wijziging van het productieproces van de onderneming. De uitbreiding of wijziging van het productieproces geldt enkel indien de onderneming een kmo is.

Daarnaast moet de steunaanvraag worden ingediend binnen de 3 maanden nà voltooiing van de investering. De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing is verloren bij overschrijding van de verwachte voltooiingsdatum van de investering met 6 maanden. De voltooiingsdatum staat voor de datum van effectieve ingebruikname van de investering door de werkgever.

Nieuwe tewerkstelling creëren is verplicht?

Tegelijk dient de investering nieuwe tewerkstelling te creëren na indiening van de steunaanvraag én voor het verstrijken van de 36ste maand volgend op de voltooiing van de investering. Deze nieuwe tewerkstelling houdt in dat het totaal aantal werknemers (incl. uitzendkrachten) toeneemt ten opzichte van het gemiddeld aantal tewerkgestelden, berekend 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag betreffende de toepassing van deze regeling. De wet vereist betaling van de bezoldiging van de nieuwe werknemer binnen de twee jaar vanaf de oorspronkelijke tewerkstelling.

Hoelang moet de tewerkstellingsplaats blijven bestaan?

De nieuw gecreëerde arbeidsplaats moet gedurende minstens 3 jaar voor kmo's en 5 jaar voor grote ondernemingen behouden blijven. Gedurende deze termijn dient zij haar karakter van "nieuw" te behouden. De bewijslast weegt op de onderneming zelf. Niet respectering van deze termijn leidt tot verlies van de vrijstelling. De onderneming zal dan alsnog de vrijgestelde bedrijfsvoorheffing moeten doorstorten.

kmo of grote onderneming?

Sommige voorwaarden zijn afhankelijk of de onderneming al dan niet een kmo is. Ondernemingen waarvan 25% of meer van het kapitaal of stemrechten in handen is van een overheid, kunnen in geen geval kmo zijn.

De wetgever hanteert hier een specifieke definitie van kmo. Enerzijds gebaseerd op de criteria gehanteerd in de Europese staatssteunregeling en anderzijds de Belgische fiscale kmo-definitie wanneer er samenhang is met andere vennootschappen. In geen geval mogen volgende criteria in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken worden overschreden: 250 werknemers (voltijdse eenheden) tewerkstellen en een jaaromzet van 50 miljoen euro of een balanstotaal van 43 miljoen euro.

Voor grote ondernemingen is het noodzakelijk dat de steunzone samenvalt met de door Europa goedgekeurde 'regionale steunkaart' én dat de investering betrekking heeft op nieuwe vestigingen of nieuwe activiteiten van bestaande vestigingen.

Kan u vrijstellingen inzake bedrijfsvoorheffing combineren?

Het is mogelijk de vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing te combineren met de algemene vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing, de vrijstelling voor nacht- en ploegarbeid of de vrijstelling voor startende ondernemingen.

Daarentegen is de vrijstelling niet combineerbaar met de andere vrijstellingen van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing zoals vrijstelling voor koopvaardij-, bagger- en sleepvaart, voor wetenschappelijk onderzoek, voor visserij en voor sportbeoefenaars. Daarnaast bestaat er ook een cumulverbod met de vrijstelling voor overwerk. Toch geldt deze beperking slechts voor het deel van de bezoldiging dat betrekking heeft op het overwerk zelf. Dit betekent dat het verbod zich niet uitspreidt over de volledige dag of maand.

Conclusie

Kortom, de steunmaatregel biedt ondernemingen die willen investeren in steunzones de kans om 4 à 5 % te besparen op de loonkost van nieuwe werknemers. Hieruit volgt ook jobcreatie in de betrokken gebieden.

Zoals steeds bij steunmaatregelen is het noodzakelijk om aan alle voorwaarden te voldoen en de nodige formaliteiten na te leven. De juiste keuze i.v.m. de indieningsdatum van de aanvraag is heel belangrijk.

Indien u interesse heeft in de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij investeringen in steunzones, aarzel dan niet om aternio te contacteren.


Het prijskaartje van onttrekking van een onroerend goed uit een vennootschap

Uw vennootschap bezit reeds geruime tijd een onroerend goed, maar u wenst dit onroerend goed te verkrijgen. Dit kan, maar welk prijskaartje inzake registratierechten hangt aan deze onttrekking vast? Geldt het verkooprecht, het verdeelrecht of het algemeen vast recht?

Basisregel: verkooprecht

Indien een vennoot een onroerend goed verkrijgt, is hierop in principe het verkooprecht van toepassing. Het verkooprecht in het Vlaams Gewest is recentelijk hervormd. Het verkooprecht bedraagt op vandaag 7%. In onze eerdere blog vindt u uitgebreid de nieuwe regeling.

Uitzonderingen

Op de hierboven uiteengezette basisregel gelden enkele uitzonderingen.  Om tot de uitzonderingen te behoren dienen twee voorwaarden te worden vervuld.

  1. Allereerst dient de vennootschap,waarvan de enige vennoot het onroerend goed verkrijgt, de vorm van een bvba, v.o.f., comm. V of landbouwvennootschap te hebben.
  2. Daarnaast moet deze enige vennoot het onroerend goed zelf in het verleden hebben ingebracht in de vennootschap. Een andere mogelijkheid is dat deze enige vennoot reeds op het ogenblik van de verkrijging van het onroerend goed door de vennootschap met toepassing van het verkooprecht vennoot was.

Indien dit het geval is, dan wordt de verkrijging van het onroerend goed volgens haar “werkelijke aard” belast. Dit betekent dat het verdeelrecht of het algemeen vast recht van toepassing zal zijn.

Algemeen vast recht?

Het algemeen vast recht bedraagt 50 euro en wordt aanzien als een vergoeding voor de administratieve verwerking.

Het algemeen vast recht is van toepassing op de registratie van alle akten, waarbij het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten geen evenredig of specifiek vast recht bepaald. Ook indien het Wetboek in een vrijstelling voorziet, waarbij niet expliciet is opgenomen dat de registratie kosteloos kan geschieden, zal het algemeen vast recht gelden.

Verdeelrecht?

Soms behoort een onroerend goed aan verschillende mede-eigenaars toe. Wanneer een onroerend goed met verschillende mede-eigenaars wordt verdeeld, is het verdeelrecht verschuldigd. Het verdeelrecht bedraagt 2,5%.

Dit is onder andere het geval wanneer een vennoot een onroerend goed verkrijgt van zijn vennootschap en waarbij eerst de vennootschap en de vennoot van deze vennootschap in eigen persoon eigenaar waren van het onroerend goed.

Voorbeeld: éénpersoonsbvba

Bij een éénpersoonsbvba is er slechts één enkele vennoot. Laat ons even uitgaan dat de vennootschap vereffend wordt, welke situaties zijn dan mogelijk?

De eerste vraag die gesteld moet worden is of de algemene regel, met name het verkooprecht geldt. Volgende vragen dienen hiervoor te worden gesteld.

  1. Welke vennootschapsvorm heeft de vennootschap? Is dit geen bvba, vof, Comm. V. of landbouwvennootschap? Nee, het verkooprecht zal gelden
  2. Indien het wel één van deze vennootschapsvormen betreft, heeft de vennoot het onroerende goed in het verleden zelf ingebracht? Nee, het verkooprecht zal gelden.
  3. Was hij reeds vennoot op het ogenblik dat de vennootschap het onroerende goed verwierf met betaling van verkooprecht? Nee, het verkooprecht zal gelden.

Indien het wel om één van de desbetreffende vennootschapsvormen gaat en de vennoot heeft het onroerend goed zelf ingebracht of was vroeger reeds vennoot, dan is er sprake van een uitzondering op de algemene regel.  Of het algemeen vast recht dan wel het verdeelrecht geldt, hangt af van het bezit van de eigendomsrechten van de vennoot voor de verkrijging van het onroerende goed.

Waren de vennootschap en de vennoot reeds allebei eigenaar van het onroerende goed voor het ogenblik van de verkrijging in kwestie?

  • Nee, het algemeen vast recht geldt.
  • Ja, het verdeelrecht geldt.

Conclusie

Het prijskaartje van het verkrijgen van een onroerend goed uit uw vennootschap hangt af van de situatie waarin u zich als vennoot bevindt. Wenst u een onroerend goed uit uw vennootschap te onttrekken, dan kan aternio u bijstaan.


Uw rechten op grond van GDPR bij fiscaal onderzoek: wat kan en wat niet?

De General Data Protection Regulation, afgekort GDPR, kent aan betrokkenen rechten toe. Kunnen deze rechten u een voordeel opleveren bij fiscaal onderzoek? Mag de fiscale administratie uw rechten weigeren?

GDPR en haar rechten

Door de inwerkingtreding van de GDPR op 25 mei 2018 hebben betrokkenen meer rechten gekregen. Alle verwerkingsverantwoordelijken hebben de plicht om deze rechten van betrokkenen te waarborgen.

Deze rechten betreffen het recht van informatie, inzage, overdraagbaarheid, rectificatie, wissing, bezwaar en beperking van de verwerking.

Beperkingen op rechten en plichten

Ondanks de verplichting van verwerkingsverantwoordelijke om de rechten van betrokkenen te waarborgen, wil dit niet zeggen dat er geen beperkingen kunnen zijn. Indien een verwerkingsverantwoordelijke een beperking inroept, moet dit wel rechtmatig zijn. Zo is een verwerkingsverantwoordelijke niet verplicht om inzage in alle documenten te geven. Bijvoorbeeld de inzage in bepaalde informatie die de rechten van anderen zou schaden. De verwerkingsverantwoordelijke is wel verplicht om hierover transparant te communiceren met de betrokkenen. Het louter negeren van een vraag tot inzage kan niet.

Daarnaast voorziet de Algemene Verordening Gegevensbescherming ook in een aantal beperkingen op de uitoefening van deze rechten en de eraan verbonden verplichtingen. Deze beperkingen zijn opgenomen in de GDPR.

Vóór de inwerkingtreding van GDPR

Reeds voor de inwerkingtreding van de GDPR, hadden betrokkenen rechten op grond van de privacywet van 8 december 1992. De wetgever voorzag in een schorsingsregeling van de rechten bij fiscaal onderzoek.

Het Grondwettelijk Hof meende in zijn arrest van 27 maart 2014 dat deze schorsingsregeling niet evenredig was. Zij argumenteerde dat de schorsing van rechten niet beperkt bleef tot persoonsgegevens die in verband stonden met het fiscale onderzoek en de schorsing niet beperkt werd in tijd.

De wetgever nam actie en paste de schorsingsregel aan naar een minder verregaande variant. De schorsingsregel werkte vanaf dan slechts door op het recht op toegang en met betrekking tot persoonsgegevens die een nadelig effect op het onderzoek of de voorbereidende werken daarvan, zouden kunnen teweeg brengen.

Nationale implementatie van de GDPR

Door de komst van de GDPR, moest de wetgever ook de beperkingen in het kader van fiscaal onderzoek opnieuw vastleggen. De privacywet van 8 december 2018 was immers niet langer van toepassing. Op 29 juli 2018 keurde De Kamer het wetsontwerp inzake de implementatie van de GDPR goed. Deze bepaalt dat de fiscale administratie het recht op informatie, het recht op inzage, het recht op rectificatie en het recht op beperking van de verwerking kan beperken.

Daarnaast bepaalt de wet dat de beperking kan voor verwerkingen met betrekking tot de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de bevoegde diensten van de FOD Financiën gevoerde onderzoeken.

De wetgever meent namelijk dat het uitoefenen van deze rechten een nadelig effect kan teweegbrengen in het kader van fraudebestrijding en controle inzake belastingen. Daarnaast kadert dit in de rechtsgronden om beperkingen te voorzien, zoals opgenomen in artikel 23 GDPR, namelijk:

  • “Op grond van andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met in begrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden volksgezondheid en sociale zekerheid”;
  • “Op grond van een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), b, c), d), e) en g) bedoelde gevallen”

Wat is er nieuw?

De nieuwe wettelijke verankering van de beperkingen op de rechten verschilt op verscheidene vlakken toch van de oude schorsingsregeling. De beperkingen zoals deze vandaag bestaan, werken op meerdere rechten door. Zo is er niet enkel het recht op toegang, maar ook het recht op inzage, informatie, rectificatie en beperking van verwerking. De fiscale administratie kan de rechten beperken, maar is hiertoe evenwel niet verplicht. Bij de schorsingsregeling onder de privacywet van 8 december 1992 hing de schorsing onlosmakelijk vast met het fiscaal onderzoek.

Vanaf nu is de beperkingen van de rechten ook slechts mogelijk tot het einde van de fiscale controle. Indien een fiscale controle resulteert in een strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie of wordt doorgegeven aan een andere dienst van FOD Financiën wordt dit niet aanzien als einde. Daarnaast kunnen de rechten slechts gedurende 1 jaar beperkt worden naar aanleiding van voorbereidende werken bij een fiscale controle. Deze termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de betrokkene zijn rechten wenst uit oefenen en deze aldus worden beperkt door de fiscale administratie.

Met betrekking tot de persoonsgegevens die onderworpen waren aan dergelijke beperking van rechten wordt een bewaartermijn van 1 jaar gehanteerd. Deze termijn vangt aan vanaf de beëindiging van alle rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures, alsook beroepen die voortspruiten uit de beperking van de rechten.

Conclusie

Bij fiscaal onderzoek kunnen de rechten op grond van de GDPR beperkt worden. Dit is echter niet zomaar vrij of willekeurig. Ook de fiscale administratie moet binnen bepaalde lijnen blijven.

aternio kan u steeds bijstaan bij de voorbereiding en afhandeling van fiscale controles.


Geen natuurlijke persoon aan het roer creëert extra belasting

De hervorming van de vennootschapsbelasting in 2017 heeft de afzonderlijke aanslag bij het niet-uitkeren van een minimumbezoldiging, opgenomen in artikel 219 quinquies WIB'92,  in het leven geroepen. Over de toepassing ervan rezen onmiddellijk vragen.

Door de wet van 30 juli 2018 schept de wetgever duidelijkheid maar...

Wat is de afzonderlijke aanslag?

Reeds in het verleden vertelden wij u over de afzonderlijke aanslag. We frissen het kort even op:

De afzonderlijke aanslag is een belasting die opgelegd wordt aan vennootschappen die de minimumbezoldiging aan een bestuurder/natuurlijke persoon ten belope van 45.000 euro (of 75.000 euro bij verbonden vennootschappen) niet uitkeren. Deze aanslag betreft 5% op het bedrag dat de vennootschap te weinig uitkeerde.

Geen natuurlijke persoon aan het roer

In België bestaan er echter heel wat vennootschappen die bestuurd worden door andere vennootschappen. In dergelijke vennootschappen zijn geen bedrijfsleiders-natuurlijke personen aanwezig, waardoor de minimumbezoldiging dus ook niet uitgekeerd kan worden.  Deze vennootschappen kunnen dan ook nooit aan de regel voldoen.

De vraag rees of de wetgever dit wel bedoeld had.

De wijze waarop artikel 219 quinquies WIB'92 opgesteld was, was immers voor interpretatie vatbaar. Dit hebben wij reeds eerder uitvoerig toegelicht. Aangezien dit voor onduidelijkheid zorgde, heeft de wetgever opnieuw ingegrepen.

Wetswijziging van 30 juli 2018

De laatste wetswijziging bevestigt nu inderdaad expliciet dat de bezoldiging aan een natuurlijke persoon moet worden uitgekeerd door in de wet de woorden "een van haar in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders" te vervangen door "één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider".

Dit betekent dat vennootschappen die bestuurd worden door andere vennootschappen tot de afzonderlijke aanslag gedoemd zijn.

Doel van de wetgever

Met de afzonderlijke aanslag wil de wetgever vermijden dat vennootschappen geld oppotten in de vennootschap. Door een minimumbezoldiging op te leggen, zorgt de wetgever dat op zijn minst dit bedrag bij de natuurlijke persoon aan de personenbelasting wordt onderworpen. Wat de wetgever niet in de personenbelasting kan belasten door het niet-uitvoeren van de regel, wordt dus op een andere manier geïnd.

Schending gelijkheidsbeginsel?

Ongeacht het feit dat de wetgever nu duidelijk heeft geschept, kunnen we ons de vraag stellen of dit geen discriminatie inhoudt in de zin van art. 10 en 11 van de Grondwet.

Vennootschappen die enkel bestuurd worden door andere vennootschappen, worden immers anders behandeld op grond van een in de wet voorziene mogelijkheid, namelijk de samenstelling van het bestuur.

Het behoort tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof om dit beginsel te waarborgen. Indien in de toekomst een procedure aanhangig gemaakt wordt en het Grondwettelijk Hof oordeelt dat er wel degelijk sprake is van discriminatie, kan de afzonderlijke aanslag worden vernietigd.

Conclusie

De nieuwe wet heeft duidelijkheid geschept. Dit kunnen we uiteraard toejuichen. Maar in België worden echter heel wat vennootschappen enkel bestuurd door andere vennootschappen. Zij zijn nu, buiten hun wel om, gedoemd tot een afzonderlijke aanslag.


Hervorming schenk- en erfbelasting kon niet achterblijven

Eerder hebben wij u attent gemaakt op de voornaamste hervormingen van het erfrecht.  Hervormingen die in werking treden op 1 september 2018. Samen met deze hervormingen is ook de schenk- en erfbelasting gewijzigd. Ook deze wijzigingen treden vanaf 1 september 2018 in werking.

Hierna vindt u de belangrijkste wijzigingen.

Tarief van erfbelasting voor erfgenamen in de zijlaan en “anderen”

De tarieven met betrekking tot de erfbelasting voor broers en zussen, alsook "anderen" verminderen.

Vanaf 0,01 tot 35.000 euro  geldt voor beide categorieën een tarief van 25%. Vanaf 35.000 tot 75.000 euro geldt voor broers en zussen een tarief van 30%, terwijl voor anderen een tarief van 45% geldt. Alles boven de 75.000 euro wordt voor beide belast met een erfbelasting van 55%.

Vrijstelling van erfbelasting voor langstlevende partner

Als de langstlevende partner roerende goederen erft, dan is de eerste 50.000 euro vrijgesteld. Het begrip partner omvat zowel gehuwde, wettelijk samenwonende alsook feitelijk samenwonende die minstens 1 jaar samenwoont.

Voor de hervorming bestond reeds een vrijstelling op de gezinswoning. Door deze nieuwe vrijstelling krijgen ook de partners die geen onroerend goed bezitten een fiscale tegemoetkoming.

Wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik onderworpen aan erfbelasting

Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik is het vruchtgebruik, dat de langstlevende partner krijgt op goederen die door de erflater tijdens zijn leven zijn weggeschonken met behoud van vruchtgebruik. Bij overlijden van de schenker heeft de langstlevende het recht op dit vruchtgebruik, voorwaarde is wel dat de langstlevende reeds ten tijde van de schenking de hoedanigheid had van echtgenoot, dan wel wettelijk samenwonende partner.

Dit wettelijk toegekend vruchtgebruik wordt door de wijzigingen aan erfbelasting onderworpen. De belasting hierop zijn conform de gewone tarieven, met inbegrip van de vrijstellingen en verminderingen.

Terugval van vruchtgebruik aan langstlevende

Door de hervormingen zal op een beding van terugval in het voordeel van de langstlevende partner geen erfbelasting meer verschuldigd zijn. Voor de hervormingen werden deze via een fictiebepaling gelijkgesteld met legaten, waardoor dit wel werd belast.

Het niet onderwerpen aan de erfbelasting geldt enkel op voorwaarde dat de schenker ook voor zichzelf het vruchtgebruik had voorbehouden.  Het is ook niet nodig dat de langstlevende echtgenoot de begunstigde van dergelijk beding van terugval is. Ook een derde kan van deze gunstigere maatregelen meepikken. Echter zal vanaf 1 september 2018 door de hervorming van de schenkbelasting een beding van terugval van vruchtgebruik wel belast worden met schenkingsbelasting.

Geen schenkbelasting bij erfenissprong

Indien een erfgenaam de erfenis of een deel ervan wenst te schenken aan zijn afstammelingen of aan een partner, dan werd deze schenking vroeger belast met schenkbelasting. Het feit dat kort daarvoor de erfgenaam reeds erfbelasting had betaald, had hier geen invloed op.

Met deze hervorming heeft de wetgever de zogenaamde generatiesprong willen aanmoedigen, of in ieder geval niet ontmoedigen. Vanaf 1 september 2018 zal dergelijke schenking niet langer aan schenkbelasting onderworpen zijn. Hiervoor dienen wel een aantal voorwaarden vervuld te zijn.

Vooreerst geldt dit enkel bij schenkingen aan afstammelingen of personen die met afstammelingen worden gelijkgesteld in het kader van de schenkbelasting of tussen partners. De schenking dient te gebeuren bij notariële akte.  De laatste voorwaarde stelt dat de schenker, de goederen binnen het jaar moet schenken na het overlijden van de erflater, van wie hij/zij de goederen of een deel van de goederen erfde. Daarnaast moet de waarde van de goederen of een deel ervan met erfbelasting belast zijn geweest.

Dit betekent dat dergelijke schenking enkel vrij van schenkbelasting is, in de mate dat de waarde van de geschonken goederen niet meer is dan de waarde van de goederen met erfbelasting belast.

Conclusie

Enerzijds is de hervorming van de erf- en schenkbelasting een ondersteuning van het nieuwe erfrecht. Anderzijds voert zij ook enkele matigingen en nieuwe vrijstellingen in. Ondanks de nieuwe maatregelen, zullen sommigen nog steeds menen dat de erfenis die ze ontvangen teveel wordt belast.


1 september 2018: de dag van het nieuwe erfrecht

Dit jaar is 1 september niet enkel de start van een nieuw schooljaar, maar ook de start van een hervormd en gemoderniseerd erfrecht. De Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake zorgt voor heel wat aanpassingen aan het bestaande erfrecht.

Hierna bespreken we de belangrijkste wijzigingen.

Kleiner reserve, grotere vrijheid voor erflater

De reserve voor de afstammelingen wordt teruggebracht op de helft van de nalatenschap. Onder het oude erfrecht varieerde het reservataire deel in functie van het aantal afstammelingen. In het nieuwe erfrecht wordt hier een einde aan gemaakt. Vanaf 1 september is het aantal afstammelingen irrelevant voor de grootte van de nalatenschap waarover de erflater vrij kan beschikken.

Enerzijds is dit goed nieuws voor de erflater, aangezien hij nu een groter deel heeft om zelf te kiezen aan wie dit toekomt. Voor sommige afstammelingen zal het misschien minder goed nieuws zijn. Indien de erflater wel degelijk slechts de helft van zijn nalatenschap aan de afstammelingen nalaat en er zijn meer dan 2 afstammelingen, dan gaan deze er met het nieuwe erfrecht op achteruit.

Langstlevende echtgenoot gaat boven bloedverwanten 4de orde

Indien een langstlevende echtgenoot of echtgenote in samenloop komt met bloedverwanten van de 4de orde, dan verliezen deze laatste hun wettelijk erfrecht. In concreto gaat het over de niet bevoorrechte bloedverwanten in zijlijn, met name ooms en tantes, neven en nichten, grootooms en groottantes. De bevoorrechte bloedverwanten in zijlijn, met name broers en zussen en hun afstammelingen, verliezen dit wettelijk erfrecht niet. Zij vormen aldus een uitzondering onder deze regel van het nieuwe erfrecht

Afschaffing van de doorwerking van gekozen huwelijksstelsel in erfrecht

Indien een langstlevende in samenloop met afstammeling(en) tot de nalatenschap komt dan erft deze de gehele nalatenschap in vruchtgebruik. Stel dat de langstlevende in samenloop komt met andere erfgerechtigden dan afstammelingen, dan erft deze de volle eigendom van het deel van de overledene in het gemeenschappelijk vermogen en het vruchtgebruik van het eigen vermogen van de overledene.

Het gekozen huwelijksstelsel was voor 1 september 2018 bepalend voor de erfenis van de langstlevende.  Het nieuwe erfrecht maakt een einde aan de ongelijke behandeling die voortkomt uit het gekozen huwelijksstelsel. Het onderscheid tussen de onderscheiden vermogens, i.e. gemeenschappelijk en eigen vermogen, is bijgevolg niet langer relevant.

Erfovereenkomsten

In het oude erfrecht was het enkel in uitzonderlijke gevallen mogelijk om voor uw overlijden reeds een overeenkomst over uw nalatenschap te sluiten, een zogenaamde erfovereenkomst. Het nieuwe erfrecht versoepelt dit verbod en voert de globale erfovereenkomst en de punctuele erfovereenkomst in.

Eerder schreven we reeds uitgebreid wat deze inhouden en wanneer zij nuttig kunnen zijn.

Inbreng en inkorting niet langer in natura

Het nieuwe erfrecht voorziet dat een inbreng of inkorting steeds in waarde moet gebeuren. In de praktijk is dit een belangrijke modernisering. In het verleden diende de inkorting of inbreng namelijk in natura te gebeuren. Hierdoor ontstond veel onzekerheid.

Voorbeeld: je had reeds 10 jaar voor het openvallen van de nalatenschap een onroerend goed via schenking gekregen. Dan kon toch gebeuren dat dit onroerend goed moest worden teruggegeven. Het hoeft geen betoog dat dit in dergelijke situaties onrechtvaardig aanvoelde. Om dit te voorkomen zal vanaf 1 september 2018 het teveel gekregen deel in waarde worden ingebracht of ingekort. Met andere worden, in dit voorbeeld zal u het onroerende goed niet effectief moeten terug geven.

Waarderingsregels

Om te kunnen berekenen of iemand voor het openvallen van de nalatenschap te veel kreeg, waardoor dus de reserve wordt aangetast, zijn duidelijke waarderingsregels nodig. Ook op dit punt voorziet het nieuwe erfrecht in een hervorming. Schenkingen, ongeacht roerende of onroerende goederen, zullen worden gewaardeerd op het moment van de schenking. Hierop wordt dan een indexatie op basis van het indexcijfer der consumptieprijzen tot op de dag van overlijden van de schenker op toegepast.  Indien een onroerend goed bijvoorbeeld een sterke waardestijging onderging tussen het moment van de schenking en het overlijden van de schenker, dan zal deze meerwaarde niet in de berekening van de verdeling worden opgenomen.

Op deze waarderingsregel is een belangrijke uitzondering, namelijk een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. In dat geval zal de waardebepaling op het moment van het overlijden van de schenker plaatsvinden.

Liever het oude erfrecht?

Indien u toch geen fan blijkt te zijn van de hervormingen, dan kan u opteren om onder het toepassingsgebied van de regels van het oude erfrecht te blijven. Hiervoor dient u een verklaring van behoud, bij notariële akte af te leggen. Dit kan nog tot 1 september 2019. Het is enkel de schenker die deze keuze maakt. De goedkeuring van de begiftigden is niet nodig.

Denk wel goed na alvorens de verklaring van behoud af te leggen. Eenmaal u deze verklaring heeft afgelegd dan geldt het ouder erfrecht op alle schenkingen. Het is niet mogelijk om de ene schenking te onderwerpen aan het oude erfrecht en een andere schenking aan het nieuwe erfrecht. Informeer u dus goed wat het beste is voor al uw schenkingen.

Conclusie

Sinds 1804 was het erfrecht niet wezenlijk meer gewijzigd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er dringend nood was aan een gemoderniseerd erfrecht. Of deze wijzigingen zullen volstaan om te voldoen aan de complexe behoeften van de huidige maatschappij zal de tijd uitwijzen.

Raadpleeg de juristen bij aternio indien u meer informatie wenst over het nieuwe erfrecht.


Gratis evenement en toch volledige btw-aftrek, het kan.

De minister van Financiën heeft gezorgd voor een ommezwaai inzake btw-aftrek bij evenementen. Hij stelt dat een gratis evenement voor het grote publiek recht kan geven op volledige aftrek van btw. Hiermee fluit hij vele fiscale controleurs terug die al jaren het tegenovergestelde beweerden.

Jarenlange discussie

Bij gratis evenementen, die wel betalende reclamediensten en/of cateringdiensten voorzien, is er sinds jaar en dag discussie of de organisator volledig recht op aftrek van btw heeft. In het verleden werd aangenomen dat een gratis evenement het algemeen belang dient. Hierdoor had de organisator geen volledig recht op aftrek van btw. Enkel de kosten gemaakt in het kader van de betalende reclame- en/of cateringdiensten mochten worden afgetrokken. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten uit deze diensten moesten worden afgesplitst.

Geen inkomgelden, maar toch economische activiteit

Naar analogie met het Hof van Justitie (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda) is de minister van Financiën van mening dat een gratis evenement waarbij ook reclamediensten en/of cateringdiensten worden verschaft, samen een economische activiteit uitmaken.(Vr. nr. 2055 Servais Verherstraeten, 30 januari 2018, Vr. en Antw. Kamer 2017-18, afl. 155, 441)

Vanwaar komt dit plots?Volgens hem is het onlogisch dat het gratis karakter zou impliceren dat het een afzonderlijke activiteit betreft. Als gevolg stelt de minister dat dergelijk evenement wel degelijk een volledig recht op aftrek van btw geeft.

Het basisprincipe om de aftrek te bepalen is het bestemmingsprincipe. Dit houdt in dat het recht van aftrek bepaald wordt door het koppelen van input aan output. Het antwoord van de Minister van Financiën is een logisch gevolg van de toepassing van dit basisprincipe.

Om het recht op aftrek te bepalen wordt vaak gekeken of de kost in de prijs van de output is opgenomen of in de algemene kosten. Dit klopt echter niet steeds. Een onderneming die winst nastreeft zal namelijk altijd rekening houden met haar kosten voor de bepaling van haar verkoopprijzen. Hierdoor zou er altijd recht van aftrek zijn. Wat niet strookt met de fiscale realiteit.

Het Hof van Justitie heeft in het verleden het recht van aftrek reeds bepaald op enkele andere criteria, namelijk de objectieve inhoud van de activiteiten en de noodzakelijkheid. Doordat dit subjectieve criteria betreffen, is er niet altijd duidelijkheid. Op grond van deze criteria heeft het Hof van Justitie al meermaals beslist dat er toch recht van btw-aftrek is.

Goed nieuws voor vzw’s

Door dit antwoord van de minister genieten ondernemingen die gratis evenementen organiseren waarbij reclame- en/of cateringdiensten worden verstrekt, volledig recht van aftrek inzake btw.

Maar ook vzw’s hebben hier voordeel bij. Indien zij dergelijk evenement organiseren zullen zij ook het volledige recht van aftrek hebben. Zij moeten dan wel alle formaliteiten voldoen om deze aftrek te kunnen gebruiken. Het evenement zelf zal zonder btw zijn, aangezien dit gratis is.

Een ander belangrijk punt is dat dit niet enkel voor de culturele evenementen geldt, maar voor alle evenementen. Hierdoor geldt dit ook voor de sportsector in de ruime zin van het woord, met name sportevenementen en sportinfrastructuur. Indien een sportvereniging of -club een nieuw stadion bouwt en hierin dergelijke gratis evenementen organiseert, zal ze toch de btw op de bouw van het stadion kunnen aftrekken.

Opgelet met subsidies

Indien een onderneming of vzw subsidies ontvangt voor de organisatie van een activiteit in het openbaar belang, heeft dit mogelijk een negatieve invloed op het recht van aftrek. Dit is in het verleden bevestigd in een parlementaire vraag, alsook door het Hof van Cassatie. (VR. nr. 314 Nyssens, 22 december 1999; Cass. 19 juni 201’, F.12.0082.N, Recreatie- en natuurpark Keiheuvel)

Deze visie is in latere rechtspraak niet altijd  gevolgd. Indien activiteiten deels ook met eigen middelen worden bekostigd, is reeds geoordeeld dat deze wel recht op aftrek kan hebben.

Indien er algemene werkingstoelagen worden ontvangen, dan heeft dit geen invloed op het recht van aftrek. Hoewel het onderscheid heel belangrijk is, is dit steeds duidelijk.  (HvJ 22 oktober 2015, C-126/14, Sveda)

Conclusie

De minister van Financiën heeft door zijn antwoord voor meer duidelijkheid gezorgd. Vanaf nu zullen fiscale controleurs moeten aanvaarden dat organisatoren van dergelijke evenementen volledig recht van btw-aftrek genieten. Voor ondernemingen en vzw’s is dit een goede zaak.