Afzonderlijke aanslag op minimum inkomen sterft een snelle dood

De  afzonderlijke aanslag voor het niet voldoen aan de minimumbezoldiging heeft al heel wat stof doen opwaaien. Deze aanslag is initieel door het zomerakkoord van 2017 ingevoerd met inwerkingtreding vanaf het aanslagjaar 2019. Evenwel voor één aangifte in de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2019 is ingediend, sterft de nieuwe afzonderlijke aanslag al een snelle dood.

Vereiste minimumbezoldiging

Zoals eerder uiteengezet, is de minimumbezoldiging door het zomerakkoord van 2017 opgetrokken naar 45.000 euro.  Een vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider deze minimumbezoldiging toekennen. Al snel reeds de discussie of een bedrijfsleider ook een natuurlijke persoon moest zijn. Deze vraag was van belang voor vennootschappen die geen natuurlijke personen als bedrijfsleiders aan boord hadden. De wetgever heeft dit punt inmiddels uitgeklaard. Enkel de minimumbezoldiging voor een bedrijfsleider natuurlijke persoon voldoet.

Elke vennootschap dient vanaf het boekjaar dat start vanaf 1 januari 2018 een minimumbezoldiging van 45.000 euro toe te kennen aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon. Indien het belastbaar resultaat lager is dan 45.000 euro, is de minimale bezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat na bezoldiging.

Afzonderlijke aanslag

De afzonderlijke aanslag is de facto een “sanctie” indien niet aan de vereiste van de minimumbezoldiging was voldaan. Deze sanctie bedraagt 5% van het tekort. Aanvankelijk zou vanaf aanslagjaar 2021 de sanctie zelfs 10% bedragen. Deze verdubbeling werd reeds door een eerdere wetswijziging afgeschaft. De wetgever heeft aldus de afzonderlijke aanslag op 5% behouden.

Snelle dood

Ondertussen is een wetsvoorstel ingediend tot opheffing van de sanctie wegens het niet-voldoen aan de voorwaarde betreffende het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsleider.  Op 19 maart 2019 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Commissie Financiën en Begroting. Naar alle verwachtingen volgt de bevestiging in het federale parlement.

Dit heeft als gevolg dat het niet voldoen aan het uitkeren van de minimumbezoldiging niet langer een extra sanctie oplevert. Het uitkeren van een minimumbezoldiging van 45.000 euro blijft wel een voorwaarde om recht te hebben op het verlaagd vennootschapstarief van 20%.

Conclusie

Een vennootschap die niet de minimumbezoldiging aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon uitkeert wordt niet langer bestraft. Weet wel dat vennootschappen die geen zo'n minimumbezoldiging uitkeren geen recht hebben op het verlaagd vennootschapstarief.


Bedrijfswagen inruilen voor een groener self-made pakket

Door de goedkeuring van de wet betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, bestaat het mobiliteitsbudget sinds 1 maart 2019. Na de mobiliteitsvergoeding is dit een nieuw initiatief om het klimaat te sparen en de mobiliteit te ontlasten.

Wat is het mobiliteitsbudget?

In een eerder artikel spraken we over de "cash for car"-regeling, waarbij de bedrijfswagen wordt ingeruild voor extra cash. Sindsdien was het wachten op de meer vrije regeling, namelijk het mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is een budget dat de werknemer krijgt voor het inruilen van zijn bedrijfswagen. Dit budget wordt berekend op jaarbasis. De werknemer kan dit budget besteden in drie pijlers, namelijk een milieuvriendelijkere wagen; duurzame vervoersmiddelen,  vervoersdiensten en georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en extra loon.

Een milieuvriendelijkere wagen

De eerste pijler waarin een werknemer zijn mobiliteitsbudget kan besteden, is een milieuvriendelijkere wagen. Enerzijds betreft dit een elektrische wagen. Anderzijds kan dit ook een wagen zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • een CO²- uitstoot gelijk of minder dan 105gr per kilometer;
  • de emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen mag maximaal evenveel zijn als de geldende norm voor nieuwe voertuigen. Hierop bestaat een uitzondering voor einde reeks modellen;
  • in het geval van een hybride mag de elektrische batterij geen energiecapaciteit van minder dan 0,5 kWh per 100 kg van het wagengewicht;  en
  • de waarde van het voertuig is ten minste gelijk aan de waarde van het voertuig waarover de werknemer vroeger beschikte

Deze wagen zal fiscaal op dezelfde wijze behandeld worden als een “gewone” bedrijfswagen.

Duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen

De tweede pijler bestaat uit duurzame vervoermiddelen, -diensten en deeloplossingen. De wet splitst de duurzame vervoermiddelen en-diensten op in twee delen, namelijk de zachte mobiliteit en het openbaar vervoer. De zachte mobiliteit betreft de motorfietsen die enkel elektrisch worden aangedreven en de (elektrische) fietsen, bromfietsen en andere gemotoriseerde rijwielen en voortbewegingstoestellen zoals deze gedefinieerd zijn in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Onder deeloplossingen wordt verstaan carpooling en autodelen, taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur, de huur van maximaal 30 kalenderdagen per jaar van voertuigen zonder chauffeur.

Daarnaast kan de werknemer ook een combinatie van de hiervoor opgesomde duurzame vervoersmiddelen combineren.

Fiscaal is deze pijler zeer voordelig voor een werknemer, want deze is volledig vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.

Extra loon

Zoals reeds gezegd , verkrijgt de werknemer een mobiliteitsbudget op jaarbasis. Indien de werknemer op het einde van het jaar zijn budget niet volledig heeft opgebruikt, verkrijgt hij  het restsaldo als extra loon. Op dit gedeelte loon moet de werknemer geen belastingen betalen. Dit is wel onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Als tegenprestatie geldt dit extra loon wel bij de opbouw van sociale rechten, zoals het pensioen.

Het mag, maar moet niet

Net zoals de mobiliteitsvergoeding, is ook het mobiliteitsbudget een keuze. Eerst en vooral moet de werkgever bereid zijn om het mobiliteitsbudget binnen de onderneming in te voeren. Indien de werkgever hiertoe bereid is, beslist elke werknemer zelf of hij van zijn mobiliteitsbudget gebruik wenst te maken. Niemand kan de werknemer verplichten.

Voorwaarden voor de werkgever

Om in aanmerking te komen voor het mobiliteitsbudget moeten zowel de werkgever als de werknemer aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Alvorens de invoering van het mobiliteitsbudget, moet de werkgever onmiddellijk voorafgaand gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden bedrijfswagens aanbieden in zijn ondernemingen. Indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat, geldt deze termijn niet. In dergelijk geval volstaat het dat de werkgever op het ogenblik van de invoering van het mobiliteitsbudget bedrijfswagens aanbiedt.

Voorwaarden voor de werknemer

Net zoals de werkgever dient ook de de werknemer aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Van zodra de werknemer aan deze voorwaarden voldoet kan hij een aanvraag bij zijn werkgever indienen.

Op het ogenblik van de aanvraag moet de werknemer gedurende een ononderbroken termijn van 3 maanden over een bedrijfswagen beschikken. Daarenboven dient de werknemer gedurende 12 maanden in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag een bedrijfswagen ter beschikking gesteld gekregen hebben. Ook deze termijnen zijn niet van toepassing indien de onderneming nog geen 36 maanden bestaat.

Indien een werknemer in dienst treedt bij een nieuwe werkgever gelden de hierboven vermelde voorwaarden niet. In dergelijk geval voorziet de wet een specifieke regeling. De werknemer zal in twee gevallen het mobiliteitsbudget bij de nieuwe werkgever kunnen aanvragen. Dit kan wanneer hij bij zijn vorige werkgever reeds een mobiliteitsbudget had gekregen of  bij de vorige werkgever in een periode van 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds 12 maanden over een bedrijfswagen beschikte, waarvan minstens 3 maanden ononderbroken voorafgaand aan de uitdiensttreding.

De derde mogelijkheid bestaat uit de verdere opbouw van de termijn bij de nieuwe werkgever. Dit is mogelijk wanneer de werknemer in een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitdiensttreding beschikte over een bedrijfswagen bij de oude werkgever.

Wat betreft de nieuwe werknemers dienen zij uiterlijk 1 maand na de indiensttreding bij de nieuwe werkgever een aanvraag tot het mobiliteitsbudget of respectievelijk verdere opbouw van termijnen, in te dienen.

Formaliteiten

De werkgever zal aan zijn werknemers moeten meedelen dat de mobiliteitsvergoeding wordt ingevoerd. Indien hij voorwaarden koppels aan de mobiliteitsvergoeding moeten deze ook duidelijk kenbaar gemaakt worden aan de werknemers. Werknemers moeten de aanvraag schriftelijk indienen. De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk aan de betrokken werknemer verstrekt. Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, geldt de aanvraag en de positieve beslissing van de werkgever als overeenkomst. Deze maakt dan inhoudelijk dan deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

Het mobiliteitsbudget laat de werknemer toe een keuze te maken hoe hij zijn "bedrijfswagen" zelf invult. Op deze manier probeert de overheid te keuze voor milieuvriendelijkere wagens en alternatieven te stimuleren en de mobiliteitsproblematiek aan te pakken.

Wenst u het mobiliteitsbudget in te voeren in uw onderneming? Contacteer ons voor meer informatie.


Wetboek Vennootschappen en Verenigingen is geboren

Na een lang voorbereidend parcours heeft het federaal parlement op 28 februari 2019 het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen (WVV) aangenomen. Dit nieuwe Wetboek omvat grondige veranderingen in het bijzonder inzake het vennootschapsrecht. De komende maanden zullen wij u de belangrijkste veranderingen grondig toelichten. Maar laten we beginnen bij het begin.

Inwerkingtreding

Het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen treedt in werking vanaf 1 mei 2019. Vennootschappen opgericht vanaf deze datum vallen onder de nieuwe regels.

Bij bestaande vennootschappen zullen de nieuwe regels automatisch van toepassing zijn vanaf 1 januari 2020. Bestaande vennootschappen kunnen wel reeds vanaf 1 mei 2019 opteren voor de toepassing van de nieuwe regels.

Wat met de statuten?

Elke vennootschap die haar statuten wijzigt na 1 januari 2020, zal haar statuten tegelijkertijd in overeenstemming met het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen moeten brengen. Ten laatste op 1 januari 2024 moeten de statuten van alle vennootschappen aangepast zijn.

Belangrijkste wijzigingen

Het nieuwe wetboek brengt heel wat belangrijke wijzigingen met zich mee. Hieronder vindt u de meest ingrijpende.

  • Inperking van het aantal vennootschapsvormen. Ten gevolge van het nieuwe Wetboek blijven er slechts vier vennootschapsvormen overeind, namelijk de besloten vennootschap (bv), naamloze vennootschap (nv), coöperatieve vennootschap (cv) en de maatschap.
  • Geen kapitaalsvereiste. Hierdoor zal de besloten vennootschap mogelijk met nul euro kunnen worden opgericht.
  • Het financieel plan wordt belangrijker.  Deze zal moeten kunnen aantonen dat het eigen vermogen bij oprichting toereikend was.
  • Dubbele test bij uitkering van dividenden. Een balanstest, alsook een liquiditeitstest moet het uitkeren van dividenden “goedkeuren”.
  • Statutaire zetel primeert. Vennootschappen zijn onderworpen aan het Belgische vennootschapsrecht wanneer hun statutaire zetel zich in België bevindt. De werkelijke zetelleer speelt geen rol meer.

Meer flexibiliteit

Het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen voorziet in standaard regels, maar laat heel veel ruimte om de “spelregels” van de besloten vennootschap flexibel in te vullen. Met als gevolg dat de statuten een nog belangrijkere rol zullen spelen dan de dag van vandaag.

Enerzijds zal er meer ruimte zijn voor de invulling naar wens. Anderzijds zal het belangrijk zijn om het ruime wetgevende kader zelf te dichten in functie van problemen te voorkomen.

Conclusie

Na lang, zelf heel lang wachten is het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen eindelijk een feit. Dit brengt heel wat wijzigingen, maar ook opportuniteiten met zich mee. Mis de kans niet om uw statuten te stroomlijnen naar uw specifieke behoeften.

In de komende maanden zullen wij u gestructureerd informeren omtrent dit nieuwe wetboek. Aarzel niet om aternio te contacteren. Samen met u bekijken wij graag welke voordelen het nieuwe wetboek voor u in petto heeft.


Upgrade uw eenmanszaak naar een vennootschap?

U hebt een eenmanszaak, maar misschien is een vennootschap wel voordeliger. Hebt u zichzelf deze vraag ook al eens gesteld? Hierna proberen wij u wat duidelijkheid te geven in het waarom en hoe.

Eenmanszaak?

Een eenmanszaak is eigenlijk het geheel van de economische activiteit van een particulier die niet in loondienst of als ambtenaar tewerkgesteld is. In de volksmond ook wel de "zelfstandige" genoemd. In deze eenmanszaak zit enerzijds goodwill (kennis, handelsnaam,..) en anderzijds materiële vaste activa (gebouw, wagen, ...). Echter vergeet niet het grote verschil met de vennootschap: de eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat de eenmanszaak en privé persoon juridisch een geheel vormen, ook al zal dit boekhoudkundig opgesplitst worden.

Personen- of  vennootschapsbelasting

Het tarief van de vennootschapsbelasting ligt een pak lager dan deze van de personenbelasting. Sinds 2018 is de vennootschapsbelasting verlaagd naar 29%. Vanaf 2020 zal deze nog verder dalen tot 25%. Bovendien geldt onder bepaalde voorwaarden een verlaagd tarief van 20% op de eerste belastbare schijf van 100.000 euro. Dit in tegenstelling tot de personenbelasting waarbij de inkomsten in schijven wordt belast. Hierbij wordt de hoogste schijf (> 38.830,00 euro) aan 50 % belast.

Ondanks dat iemand bedrijfsleider van een vennootschap is, zal deze veelal ook een loon uit deze vennootschap ontvangen. Dit loon wordt uiteraard belast in de personenbelasting van de bedrijfsleider. Volledig ontsnappen aan de personenbelasting gaat niet, maar als bedrijfsleider van een vennootschap kan u wel uw loon fiscaal optimaliseren. Dit zal zowel op uw personenbelasting als op de sociale zekerheidsbijdragen een impact hebben. Een simpel voorbeeld: maaltijdcheques zijn fiscaal gunstiger dan brutoloon.

Welke vennootschap kiest u?

Vele starten als eenmanszaak om kosten en formaliteiten op dat moment te besparen. Echter komt er een moment waarop u toch beter even nadenkt of u niet beter overstapt naar een vennootschap.

Indien u voor een vennootschap kiest, is het belangrijk na te denken welke vennootschapsvorm u wenst. Hierbij zijn twee grote groepen te onderscheiden, namelijk zonder beperkte aansprakelijkheid en met beperkte aansprakelijkheid. Onder meer qua oprichtings- en beschermingsmodaliteiten verschillen de vennootschapsvormen van elkaar.

Eenmaal u beslist hebt om uw activiteiten onder te brengen in de vennootschap, stelt zich de vraag hoe de eenmanszaak te transformeren naar een vennootschap. Hier zijn twee mogelijkheden. Enerzijds kan u de eenmanszaak verkopen aan de vennootschap, anderzijds brengt u de eenmanszaak in de vennootschap in. Beide wijzen hebben hetzelfde resultaat maar toch verschillende gevolgen.

Ik verkoop mijn eenmanszaak

U kan een vennootschap oprichten, waarna u vervolgens de goodwill en/of materiële vaste activa van de eenmanszaak verkoopt aan de vennootschap. Voor deze verkoop zal de vennootschap u een prijs betalen. Dit houdt in dat de vennootschap een schuld heeft. Op moment van oprichting zal veelal de vennootschap niet genoeg liquide middelen hebben om u de prijs te betalen. De vennootschap kan een lening bij een financiële instelling aangaan en u de prijs betalen. In dit geval zal de vennootschap een schuld ten opzichte van de bank hebben. De andere mogelijkheid is dat de vennootschap een schuld aan uzelf heeft. Hierbij ontvangt u op dat moment niet de koopprijs maar heeft u een rekening-courant op de vennootschap. U kan dan gespreid het geld ontvangen.

Beide bovenstaande mogelijkheden genereren een schuld, waarvoor interesten betaald moeten worden. Deze interesten zijn fiscaal aftrekbaar voor de vennootschap..

Ik breng mijn eenmanszaak in

Indien u een vennootschap wenst op te richten, bent u verplicht een inbreng te doen. Dit kan een inbreng in geld zijn, maar u kan ook een inbreng in natura, namelijk uw eenmanszaak doen. Met andere woorden gebruikt u uw eigen eenmanszaak als “betalingsmiddel”. In dit geval zal de aandeelhouder weliswaar geen geld privé ontvangen. Er ontstaat dan ook geen schuld in hoofde van de vennootschap.

Wat kiest u het best?

Wat het voordeligst is, hangt af van de feiten. Met de verkoop van de eenmanszaak heeft u als voordeel dat, voor de jaren waarin het niet mogelijk is om fiscaal gunstig een dividend uit te keren, u alsnog gelden uit de vennootschap kan onttrekken.

De inbreng in de vennootschap kent dan weer het voordeel dat de aandeelhouder zelf geen liquide middelen zal moeten storten naar aanleiding van de oprichting van de vennootschap.

Conclusie

Door de dalende vennootschapsbelasting is het interessant om een vennootschap op te richten. Zowel voor het berekenen van het financieel voordeel van een vennootschap alsook over hoe de omzetting juridisch best verloopt, kan u bij aternio terecht.


Opeisbaarheid btw op een voucher: bij uitgifte of gebruik?

Een voucher, in de volksmond ook bekend als "de cadeaubon", is een alom vertegenwoordigd "betaalmiddel". Tof om te krijgen, leuk om te geven. Veel ondernemingen voorzien dan ook in deze vouchers, maar moet u hierop btw aanrekenen? En wanneer moet u deze overdragen?

Wat is een voucher?

Een voucher is een “betaalmiddel” dat gebruikt wordt voor leveringen van goederen of diensten. Vouchers kunnen zowel op een fysieke (de echte bon) als op een elektronische drager staan. Die elektronische drager is niet gelijk aan een betaalkaart. Er is slechts sprake van een voucher wanneer op het ogenblik dat de voucher verhandeld wordt, de goederen, diensten of de verrichters ervan bekend zijn. Een voorbeeld is een cadeaubon van een bepaalde winkel of restaurant, een bongobon, … Op het ogenblik dat de koper de voucher koopt, zal reeds bekend zijn voor wat of waar de voucher gebruikt kan worden, ongeacht wie deze zal gebruiken.

Soorten vouchers

Er bestaan twee soorten vouchers. De eerste soort zijn de vouchers voor enkelvoudig gebruik. Bij deze soort staat de handeling en dus ook de btw van de onderliggende handeling (tarief en plaats) reeds vast. Een voorbeeld hiervan is een voucher voor een hoofdgerecht ter waarde van 34,99 euro. Het is duidelijk dat het btw-tarief van toepassing zijnde op de handeling 12% zal bedragen.

De tweede soort zijn de vouchers voor meervoudig gebruik. Hierbij staat de btw-behandeling nog niet vast, aangezien de handeling ook nog niet vast staat. Een voorbeeld is een voucher ter waarde van 34,99 euro te besteden in restaurant X. in dit voorbeeld staat nog niet vast wat er aangekocht zal worden. De gebruiker van de voucher kan een maaltijd ter waarde van 34,99 euro bestellen, maar evengoed ook nog een fles wijn. Beide handelingen hebben een ander btw-tarief.

Opeisbaarheid btw

Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw opeisbaar op het moment van het verhandelen van de voucher. Dit betekent dat bij de uitgifte van dergelijke voucher, de btw zal moeten worden afgedragen. Bovendien dient deze bij horeca ingegeven worden in het geregistreerd kassasysteem.

Bij vouchers voor meervoudig gebruik is de btw-behandeling nog niet gekend, waardoor de btw ook nog niet opeisbaar is bij het uitgeven van deze vouchers. Zij dienen in de horeca dan ook nog niet geregistreerd te worden in het geregistreerd kassasysteem.

Teruggave btw

Het gebeurt meer dan eens dat een voucher niet wordt ingeruild. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik is de btw wel reeds opeisbaar geworden op het ogenblik van verhandelen van de voucher. De vraag rijst dan of men de btw kan terugvragen van niet ingeruilde vouchers. Aangezien vouchers vroeger aanzien werden als een vooruitbetaling, was dit mogelijk. (Vr. nr. 72 Dirk Van der Maelen, 8 november 2007, vr. en Ant. Kamer 2007-08, afl. 5, 240).

Vanaf 1 januari 2019 kan dit niet meer op grond van de richtlijn (EU) 2016/1065 van 27 juni 2016. De nieuwe wetgeving voorziet namelijk in het vermoeden dat de handeling is verricht op het ogenblik van de verhandeling van de voucher voor enkelvoudig gebruik. Omwille hiervan kan de btw dan ook niet meer gerecupereerd worden bij het niet inruilen van de voucher.

Dit heeft als gevolg dat vouchers voor meervoudig gebruik op dit vlak een groot voordeel hebben. Aangezien bij deze vouchers de btw slechts opeisbaar wordt bij het inruilen van de voucher, houdt dit in er geen btw opeisbaar is bij niet ingeruilde vouchers. Daarnaast kent het verschil in tijdstip van opeisbaarheid ook een cashflow-voordeel toe aan het gebruik van vouchers voor meervoudig gebruik.

Uitzondering

Een vreemd fenomeen doet zich voor met betrekking tot vervoersbewijzen en toegangskaarten. De FAQ hieromtrent voorziet dat vervoersbewijzen en toegangskaarten uitgesloten zijn. Vreemd, aangezien noch de Belgische wetgeving noch de richtlijn in een dergelijke uitsluiting voorziet. Hoe dan ook heeft dit tot gevolg dat zij wel degelijk als voorafbetaling worden aanzien. Bij het niet komen opdagen bij dergelijke vouchers zal aldus de btw wel nog teruggevraagd kunnen worden. Het lijkt dan ook niet geheel duidelijk of de FAQ doelt op de vervoersbewijzen en toegangskaarten zelf of vouchers die recht geven op vervoersbewijzen of toegangskaarten.

Vanaf wanneer?

Zoals hiervoor bepaald gelden deze regels vanaf 1 januari 2019. Dit moet begrepen worden als vouchers die uitgegeven zijn vanaf 1 januari 2019. “Oude” vouchers volgen nog het oude regime. Dit wil zeggen dat de geldigheidsdatum van de voucher geen belang heeft bij het al dan niet toepassen van de nieuwe regels.

Conclusie

De regeling voor vouchers kent twee soorten, elk met een eigen btw-regels en bijhorende gevolgen. Door de nieuwe regel zal het niet inruilen van vouchers met enkelvoudig gebruik geen recht geven op teruggave van de afgedragen btw. Dit is een belangrijke verschil met de vroegere regeling. Tevens heeft deze soort voucher een nadelig gevolg op de cashflow van uw onderneming.


Geoblocking op uw webshop: boetes zijn geen koopje

Sinds 4 december 2018 is de Geoblockingverordening in werking. We horen u al denken Geo..wat? We leggen het even voor u uit.

Geoblockingverordening

De Geoblockingverordening is een EU-verordening. Deze verordening heeft rechtstreekse werking in alle lidstaten van de EU. In wezen is het een maatregel om discriminatie op grond van geografie (nationaliteit of verblijfplaats) bij online shoppen tegen te gaan.

Het gebeurde in het verleden maar al te vaak dat kopers op een buitenlandse webshop meer betaalden of het gewoonweg niet mogelijk was om op die webshop te kopen. Sinds 4 december 2018 is dit niet meer mogelijk binnen de EU.

Wat is geoblocking?

De Commissie van de Europese Unie merkte dat EU-burgers bij hun online aankopen vaak gediscrimineerd werden op grond van hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging. Enerzijds kon dit resulteren in de onmogelijkheid of belemmeringen voor een koper om op een bepaalde webshop een bestelling te plaatsen. Anderzijds hanteerden handelaars soms andere prijzen naargelang de geografie van de koper.

Voorbeelden van dergelijke praktijken zijn:

  • De technische onmogelijkheid om toegang te krijgen tot een bepaalde website
  • Geen bestelling kunnen plaatsen wegens de onmogelijkheid om de juiste adresgegevens in te vullen
  • prijsverschillen afhankelijk vanuit welk land de bestelling werd geplaatst
  • automatisch omleiden naar de lokale website

Dit zijn maar enkele voorbeelden van praktijken die voor 4 december 2018 perfect wettelijk toegelaten waren.

Wat nu?

De Geoblockingverordening verandert dit verhaal drastisch. Al de voorgaande voorbeelden zijn sinds de inwerkingtreding van de verordening verboden. Dit betekent niet dat bijvoorbeeld het omleiden naar de lokale webshop niet meer mag. Dit mag nog steeds, op voorwaarde dat de burger zijn toestemming hiervoor geeft.

Indien u een webshop heeft zal u ervoor moeten zorgen dat deze voor alle burgers binnen de EU toegankelijk is. Ook neutrale invulvelden inzake adres en betaalmogelijkheden zijn verplicht.

Verplicht tot leveren in EU?

Betekent deze verordening ook dat u vanaf nu in de gehele EU producten moet leveren. Nee. U mag nog steeds beperken inzake de gebieden waartoe u levert. Maar indien een EU-burger in een land waar u niet levert, akkoord gaat met deze beperking en zijn goederen in een wel “leverbaar land” wenst te leveren, dan mag hij niet beperkt zijn om te bestellen.

Uitzonderingen?

Deze verordening voorziet ook enkele uitzonderingen waarop deze niet van toepassing is. Het betreft financiële diensten, audiovisuele diensten, vervoersdiensten, gezondheidszorg, maatschappelijke diensten en diensten die toegang verkopen tot auteursrechtelijk beschermde werken.

Daarnaast is een verschillende behandeling tussen EU-burgers wel nog toegelaten indien deze gebaseerd is op objectieve gronden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de verkoop van een goed die in een bepaald land niet toegelaten is.

Conclusie

Heeft u een webshop, dan dringt een review zich op. Ga na of u de geoblockingverordening schendt en stel u in regel. De boetes zijn immers niet mals. Daarenboven is het de Europese Commissie menens, de eerste boetes zijn reeds uitgedeeld.

Nog niet in orde? Contacteer ons en wij helpen u verder.


Terbeschikkingstelling van bergruimte: 10% wordt 50%

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is in sommige gevallen onderworpen aan btw. Interessant voor de aftrek van de betaalde btw inzake de gemaakte kosten van dergelijke bergruimte. Door de wet van 14 oktober 2018 zijn vanaf 1 januari 2019 meer bergruimtes aan btw onderworpen . Laten we hier even dieper op ingaan.

Wel of geen btw?

De terbeschikkingstelling van een bergruimte is op grond van artikel 18 WBTW een dienst. Normaliter is het verrichten van diensten onderworpen aan btw. Dit betekent in veel gevallen dat de dienstverrichter btw aanrekent op zijn factuur, die hij vervolgens doorstort naar de fiscus. Daartegenover staat dat de dienstverrichter btw die hij betaald heeft, mag aftrekken. Dit noemen ze de neutraliteit van de btw. Btw heeft namelijk als principe dat de eindverbruiker betaalt. Met andere woorden de tussenstappen in de ketting mogen hiervan geen extra kost ondervinden.

Zoals op vele zaken, voorziet ook hier de wet vrijstellingen. Zo is de verhuur van de uit hun aard onroerende goederen vrijgesteld van btw. Dit betekent dat er geen btw wordt aangerekend, maar ook niet kan worden afgetrokken. Dit is in sommige gevallen nadelig. Echter sluit de wet de terbeschikkingstelling van bergruimtes expliciet uit, zodat deze niet onder de vrijstellingen valt. Een uitzondering op een uitzondering laten we maar zeggen.

Illustratie

Laten we dit even illustreren aan de hand van een voorbeeld.

Een btw-plichtige koopt een woning, met btw. Na de koop verhuurt hij de woning aan een andere btw-plichtige. Deze huur zal niet onderworpen zijn aan btw. De huurder betaalt aldus de huurprijs zonder btw. De btw-plichtige mag ook de oorspronkelijk betaalde btw niet aftrekken. Hij zal deze dus “kwijt” zijn.

Stel nu dat hetzelfde voorbeeld met een loods. Hierbij gaat het dan om een bergruimte. In dat geval zal de terbeschikkingstelling van de loods wel onderworpen zijn aan btw en kan de btw-plichtige de btw wel aftrekken.

10% regel

Tot hiertoe waren er nog niet echt problemen of onduidelijkheden. Maar in de praktijk zijn bergruimtes vaak ook voorzien van kantoren, of andere ruimtes dan louter bergruimte. In dat geval was de fiscale administratie altijd van mening dat men onderworpen werd aan btw zolang de andere ruimte niet meer dan 10% van de totale oppervlakte bedroeg. Was dit meer, dan was de terbeschikkingstelling van de ruimte(s) vrijgesteld van btw, met het gevolg dat er geen aftrek van btw was.

Versoepeling

U voelt dat vele btw-plichtigen liever diensten stellen die onderworpen zijn aan btw, zodat zij van btw-aftrek kunnen genieten. Echter was de grens van 10% krap, zodat vele hierdoor toch onder de vrijstelling vielen. Door de wet van 14 oktober 2018 (BS 25 oktober 2018) heeft de wetgever de invulling van het begrip “bergruimte” soepeler ingevuld. Vanaf 1 januari 2019  geldt het volgende: “ de terbeschikkingstelling van ruimten die voor meer dan 50 pct. gebruikt worden voor het opslaan van goederen, op voorwaarde dat de ruimten niet voor meer dan 10 pct. worden aangewend als verkoopsruimte”.

Dit betekent dat vanaf 1 januari 2019 alle ruimtes die hoofdzakelijk als bergruimte worden gebruikt onderworpen worden aan btw. Dit is een hele versoepeling, die vele btw-plichtigen ten goede zal komen.

Conclusie

Door deze versoepeling kan het zijn dat de door u terbeschikkinggestelde ruimte(s) aan btw onderworpen worden vanaf 1 januari 2019. Dit wil zeggen dat u btw zal moeten aanrekenen op uw facturen, maar daarentegen ook de btw zal kunnen aftrekken met betrekking deze ruimte(s).

Stelt u reeds een “bergruimte” ter beschikking of heeft u deze toekomstplannen? Contacteer ons en wij helpen u graag bij het optimaliseren.


Voordeel alle aard bewoning in een nieuw berekeningsjasje

In een eerder artikel gaven we reeds aan dat de rechtspraak de berekeningswijze van het voordeel alle aard van bewoning vernietigd heeft wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg kon even geprofiteerd worden van een extra gunstige berekeningswijze. Echter, aan alle mooie liedjes komt een einde.

Wat voorafging…

In de circulaire van 15 mei 2018 legde de fiscale administratie zich officieel neer bij de rechtspraak. Als gevolg bestond het onderscheid in de berekening bij terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een rechtspersoon dan wel een particulier niet langer. Dit betekende dat het voordeel alle aard van het aan u door een rechtspersoon ter beschikking gestelde onroerend goed plots ernstig daalde. Het voordeel was vanaf dan gelijk aan de formule bij terbeschikkingstelling door een particulier:  geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) x 100/60.

In diezelfde circulaire bepaalde de fiscus dat zij voor nog niet ingediende aangiftes of waarvan de bezwaartermijn nog niet was verstreken deze berekeningswijze zou tolereren in afwachting van nieuwe wetgeving.

Zoals verwacht…

Zoals verwacht heeft de wetgever een nieuwe berekeningswijze voorzien. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 (BS 27 december 2018) maakt een definitief einde aan het onderscheid wie een onroerend goed ter beschikking stelt. Hierdoor kan de berekening dat tijdelijk gold, ook niet verder worden toegepast.

Daarnaast schaft zij ook het onderscheid inzake kadastraal inkomen af. Vóór deze nieuwe wetgeving was de berekeningswijze afhankelijk of het kadastraal inkomen lager of hoger dan 745 euro bedroeg.

De berekeningswijze is enkel nog verschillend naargelang het onroerende goed al dan niet bebouwd is.

Formule

De nieuwe berekeningswijze geldt vanaf 1 januari 2019 en luidt als volgt:

  • ongebouwde onroerende goederen: geïndexeerd KI  x 100/90; of
  • gebouwde onroerende goederen: (geïndexeerd KI x 100/60) x 2.

Conclusie

De nieuwe berekeningswijze geeft een vermindering van het voordeel alle aard bij terbeschikkingstelling van een  onroerend goed door een rechtspersoon. Wat betreft de terbeschikkingstelling door een particulier zal het voordeel alle aard hoger zijn dan vroeger. Hoe dan ook stelt de huidige wetgeving een einde aan de discussie omtrent de ongelijkheid in wie het onroerende goed ter beschikking stelt.


Beroepsgeheim geen absolute bescherming tegen fiscus

De vraag of de fiscus een aanslag kan vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs is en blijft een punt van discussie. Het Hof van Cassatie spreekt zich terug opmerkelijk uit over deze vraag.

Antigoon-toets

Het Hof van Cassatie oordeelde reeds op 22 mei 2015 dat de feitenrechter niet steeds onrechtmatig verkregen bewijs moet weren. Dergelijk bewijs moet slechts geweerd worden indien de manier van verkrijging op een zodanige wijze indruist tegen wat de burger van een behoorlijk handelende overheid mag verwachten.

Dit is het geval zodra het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is of het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Hiermee heeft het Hof van Cassatie de fiscale Antigoon-toets gecreëerd. De Antigoonleer stelt dat onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken toch gebruikt mag worden. Een mijlpaalarrest dus op fiscaal vlak.

Sindsdien kan de fiscale administratie een aanslag vestigen op grond van onrechtmatig verkregen bewijs. Het komt de feitenrechter toe om op grond van de Antigoon-toets te beoordelen of het onrechtmatig bewijs geweerd wordt. Het Hof van Cassatie reikt in zijn arrest enkele criteria aan waarop de feitenrechter zich kan baseren.

Hof van Justitie gaat niet akkoord

Niet veel later oordeelde het Europese Hof van Justitie echter tegenovergesteld. Het Hof van Justitie meende dat de schendig van een door het Unierecht gewaarborgd recht de aanwending van het bewijs in de weg stond. (HvJ 17 december 2015, C-419/14)

In de rechtsleer bestaan er verschillende interpretaties over de verhouding van het arrest van het Hof van Justitie ten opzichte van het Hof van Cassatie. Sommige menen dat het Hof van Justitie de Antigoon-toets van het Hof van Cassatie aan de kant schuift. Anderen zijn milder en menen dat het arrest van het Hof van Justitie enkel betrekking heeft op btw-zaken.

Ondanks de onzekere interpretatie is het duidelijk dat het Hof van Cassatie zich niet aan de kant laat zetten door het Hof van Justitie.

Bewijs verkregen door miskenning van beroepsgeheim mag ook

Onlangs bevestigde het Hof van Cassatie opnieuw haar eerdere Antigoon-rechtspraak. Zij gaat zelf nog een stap verder door te oordelen dat de fiscus of feitenrechter bewijs verkregen door miskenning van het beroepsgeheim ook kan aanwenden. (Cass. 18 januari 2018, F.16.0031.N)

De fiscus voerde een onderzoek waarbij zij inlichtingen verkreeg van de advocaat van de belastingplichtige. Op basis van deze inlichtingen vestigde zij een aanslag wegens het niet aangeven van beroepsinkomsten. De belastingplichtige ging hier niet mee akkoord vanwege schending van het beroepsgeheim door de advocaat. De belastingplichtige stapte naar de rechtbank te Brussel en vervolgens het Hof van Beroep. Bij beide ving de belastingplichtige bot. Als laatste redmiddel wendde hij zich tot het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie bevestigt evenwel de fiscale Antigoon-rechtspraak. Daarbij meent het Hof dat bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim ook aan de Antigoon-toets moet worden onderworpen.

Het Hof van Cassatie concludeert dat het weren van bewijs verkregen met miskenning van het beroepsgeheim niet per definitie moet. Daarentegen zegt zij evenmin dat dergelijk bewijs steeds toegelaten is. Met andere woorden het Hof blijft haar eerdere visie trouw.

Relatie met recht op een eerlijk proces

Aangezien het recht op beroepsgeheim deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, is dit arrest opmerkelijk. Daarnaast lijkt het erop dat het Hof van Cassatie zich niet concreet heeft willen uitspreken. Naast het vasthouden aan haar eerder gecreëerde Antigoon-toets, heeft het Hof weinig opgelost van de discussiepunten.

Het arrest bepaalt dat de feitenrechter bevoegd is om te oordelen of het onrechtmatig verkregen bewijs geweerd moet worden.  Hierbij dient de rechter na te gaan of het onrechtmatig verkrijgen bewijs indruist tegen wat van een behoorlijk handelde overheid verwacht mag worden en of het recht op een eerlijk proces is belemmerd.

In casu had de advocaat zich niet beroepen op zijn beroepsgeheim en deze inlichtingen verstrekt op loutere vraag van de fiscus. Als gevolg, argumenteerde de rechter dat de handeling van de fiscus niet als onbehoorlijk kan aanzien worden.

Tip: gebruik het beroepsgeheim

Een vertrouwenspersoon, zoals een advocaat of een accountant,  kan hieruit lessen trekken en zich bij vragen van de fiscus beter beroepen op zijn beroepsgeheim. Indien de fiscus dan alsnog het bewijs verkrijgt op grond van miskenning van het beroepsgeheim, lijkt de kans groter dat het geweerd zal moeten worden. Uiteraard blijft de finale beoordeling tot de bevoegdheid van de feitenrechter behoren.


Hype van auteursrechten ontgaat ook fiscus niet!

Steeds meer ondernemingen betalen aan hun werknemers of bedrijfsleiders vergoedingen voor de cessie of concessie van auteursrechten, vanwege het fiscaal gunstig karakter. De tsunami aan vragen bij de rulingcommissie hieromtrent is enorm. De rulingcommissie wordt in ieder geval strenger bij het beoordelen van de voorwaarden en de modaliteiten van de vergoeding.

Is alles zomaar een werk dat auteursrechten verleend?

Werken die aan de hierna genoemde voorwaarden voldoen, vallen onder de auteurswet. Het auteursrecht beschermd precies deze werken.

Vooreerst dient het werk door creativiteit tot stand te zijn gekomen. Dit betekent concreet dat het werk het veruitwendigen van de creatieve geest moet zijn. Dit mag zowel literair als artistiek zijn. Voorbeelden zijn schilderijen, beeldhouwwerken, computerprogramma’s, geschreven artikels, …

Als tweede voorwaarde geldt dat het werk zintuiglijk waarneembaar moet zijn. Dit is te verklaren doordat het auteursrecht de vorm beschermd. Het loutere idee of concept achterliggend wordt niet door het auteursrecht beschermd.

Daarnaast stelt de wetgever dat het werk origineel dient te zijn. De wetgever meent dat er sprake is van originaliteit wanneer het werk de persoonlijkheid van de auteur vertoont. Dit houdt in dat het werk reeds eerder mag vertoont of gemaakt zijn. Het is daarentegen wel van essentieel belang dat de auteur zijn eigen persoonlijkheid in het werk legt. Hij dient er aldus een persoonlijke toets aan te geven.

Werknemer is auteur, maar wat met werkgever?

Het komt heel vaak voor dat een werknemer een auteurswerk maakt in opdracht van een werkgever. De werkgever-onderneming gebruikt dit werk voor de exploitatie van zijn onderneming. Indien een cessie of concessie van auteursrechten vergoed wordt, is dit een roerend inkomen in hoofde van de werknemer. Hoewel de werknemer dit meestal ervaart als loon, heeft deze vergoeding een andere fiscaal regime.

Fiscaal regime

Eerst en vooral is de belastingdruk op dergelijke vergoedingen lager. Op de vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt namelijk slechts 15% roerende voorheffing ingehouden.

Wat de kosten betreft, kent dit regime ook een aantrekkelijk kostenforfait.

Het staat iedereen vrij om te kiezen voor het forfait dan wel de werkelijke kosten. Deze werkelijke kosten dienen dan wel bewezen te worden. 

Belang van een ruling

Aangezien het niets steeds evident is om te beoordelen of een werk al dan niet als auteurswerk wordt gekwalificeerd, is het handig om een ruling aan te vragen. In een eerdere bijdrage gaven we reeds aan wat een ruling inhoudt en hoe de procedure verloopt. Kort samengevat, een ruling geeft fiscale rechtszekerheid.

Indien een ruling bevestigt dat een werk als auteurswerk gekwalificeerd kan worden, dan zullen de vergoedingen voor de cessie of concessie van het werk  ook al roerend inkomen beschouwd worden.

Daarnaast zal bij de ruling ook de omvang van de vergoeding beoordeeld worden, waardoor ook hierover rechtszekerheid bestaat.

Rulingcommissie verstrengt haar beoordeling

Het toekennen van vergoedingen uit de cessie of concessie van auteursrechten wordt steeds meer toegepast. Om het specifieke karakter van de vergoeding te bewaren, heeft de rulingcommissie  doorheen de jaren haar beoordeling verstrengd. Vooral omtrent de grootte van de vergoedingen zien we in de recente rulings een strengere aanpak.

Volgens de rulingcommissie moet er een onderscheid gemaakt worden tussen vergoedingen uit de cessie of concessie van de auteursrechten en het loon dat de werknemer en/of bedrijfsleider krijgt om zijn functie uit te oefenen. Natuurlijk kunnen beide in elkaar vloeien wanneer een werknemer en/of bedrijfsleider binnen de uitvoering van hun functie een auteurswerk tot stand brengt. Hoe dan ook mag het niet de bedoeling zijn om loon te vervangen door dergelijk roerend inkomen.

Zeker wat betreft bedrijfsleiders is de rulingcommissie heel streng. Zij zal de grootte van de vergoeding steeds beoordelen in functie van de omzet, gerealiseerd door middel van het auteurswerk. Dit houdt in dat de vergoeding steeds marktconform dient te zijn.

Daarnaast kijkt de rulingcommissie in haar beoordeling ook naar de invloed op de boekhoudkundige winst en de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders

Conclusie

Vergoedingen uit de cessie of concessie van een auteurswerk toekennen aan werknemers en/of bedrijfsleiders is fiscaal voordelig. Maar let goed op de voorwaarden. Indien u graag rechtszekerheid wenst, is een ruling aanvragen steeds een goed idee.

Denkt uw onderneming eraan dergelijke vergoedingen toe te kennen? Contacteer aternio om u te adviseren en bij te staan.