Huwelijk en partnerschap door een internationale bril

Sinds 29 januari 2019 is er een ééngemaakte regeling voor 18 Europese landen inzake huwelijksvermogensstelsel en geregistreerd partnerschap. Twee EU-verordeningen (2016/1103 en 2016/1104) verwijzen de nationale regels of rechtspraak, IPR-wetboeken en de Conventie van Den Haag naar de geschiedenisboeken. Wat betekent dit nu op vlak van huwelijksvermogensrecht en wettelijk samenwonen?

EU-verordeningen

Tegenwoordig wonen veel mensen als partners in een ander land dan dit waarvan zij de nationaliteit hebben of hebben beide partners een verschillende nationaliteit. De nieuwe EU-verordeningen beogen de Europese burgers te beschermen bij ontmanteling van hun huwelijk of samenlevingsvorm. De ene vordering (2016/1103) heeft betrekking op echtgenoten, de andere (2016/1104) op samenwonenden. Qua redactie zijn beide verordeningen nagenoeg elkaars spiegelbeeld.

Niet alle landen van de Europese Unie doen echter mee. Slechts 18 landen voelen zich geroepen, met name de Benelux landen, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Malta, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden.

Enkel kwesties inzake vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap zijn gevat door de verordeningen. De verordeningen regelen bijvoorbeeld niet de geldigheid of het bestaan van het huwelijk of het partnerschap, evenmin de onderhoudsverplichtingen of de erfopvolging van de overleden partner.

Elke lidstaat bepaalt autonoom of er sprake is van een huwelijk dan wel van een geregistreerd partnerschap. Het is immers mogelijk dat men voor de ene lidstaat gehuwd is en voor de andere wettelijke samenwonend. In heel wat Europese landen kunnen mensen van hetzelfde geslacht namelijk niet trouwen maar wel wettelijk samenwonen.

Welk recht is van toepassing wanneer de relatie strandt?

Sinds 29 januari 2019 is er een duidelijke aanknopingsfactor. De eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats bepaalt de wet voor het volledige huwelijksstelsel of geregistreerd partnerschap. In concreto is dit de gezamenlijke verblijfplaats op de dag van het huwelijk of bij het aangaan van de wettelijke samenwoning. Bijvoorbeeld op een Italiaans-Belgisch echtpaar, met eerste verblijfplaats in België, is het Belgisch huwelijksvermogensrecht van toepassing.

Voor koppels die nog 'zoekend' zijn naar een gemeenschappelijke verblijfplaats zou een respijttermijn van drie tot zes  maanden worden aanvaard. In het zeer uitzonderlijke geval van nog niet samenwonen geldt het recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit. Bij gebrek aan gemeenschappelijke nationaliteit geldt het recht van de staat waarmee ze het nauwst zijn verbonden.

Dit toepasselijk recht wordt meegedragen tijdens de volledige duur van het huwelijk of de samenleving. Verhuizen van verblijfplaats of veranderen van nationaliteit heeft hier in principe geen invloed op. Er is slechts één huwelijksvermogensstelsel en eenzelfde regeling bij geregistreerde partnerschap. Het totale vermogen, ongeacht de samenstelling en waar ook ter wereld, wordt geregeld door één nationaal rechtssysteem. Geen versnipperde regelingen dus.

Het recht van de eerste gezamenlijke verblijfplaats is bepalend ook voor diegene afkomstig uit niet gebonden lidstaten of vreemde landen en die in een gebonden land huwen of wettelijk samenwonen. Bijvoorbeeld een Belgisch-Australisch koppel, dat in Australië woont op de dag van het huwelijk, is onderworpen aan het Australisch recht. Bij ontbinding van het huwelijk in België zal het Australisch recht van toepassing zijn.

Is er toch nog een afwijkende keuze mogelijk?

Het is mogelijk om van bij de start of later na een verhuis te kiezen voor een ander rechtssysteem. In de praktijk betekent dit dat men kiest in het huwelijkscontract, in een akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden of bij het sluiten van het huwelijk. Echtgenoten kunnen een keuze maken voor het recht van hun nieuwe gewone verblijfplaats (of van één van hen) of van hun gezamenlijke nationaliteit (of van één van hen). Kiezen voor het recht van een toekomstige verblijfplaats is uitgesloten. Samenwoners kunnen daarenboven opteren voor het land waar zij hun partnerschap hebben geregistreerd.

De vormvereisten van de keuze worden bepaald door elke lidstaat afzonderlijk. Hoewel de wijziging in principe slechts geldt voor de toekomst, is het mogelijk om terugwerkende kracht te geven aan de wijziging. In geen geval mag de wijziging van stelsel nadeel bezorgen aan derden. Kinderen of familieleden zijn te beschouwen als derden.

Toepassing

De EU-verordeningen inzake huwelijksvermogensstelsel en geregistreerd partnerschap gelden voor zij die na 29 januari 2019 huwen of wettelijk samenwonen of die na die datum kiezen voor een ander regime. Voor alle anderen is het regelstelsel complexer. Het is daarom raadzaam om toch een rechtskeuze te doen.

Bovendien zijn eigenaardige resultaten of moeilijkheden niet ondenkbaar in die situaties waarbij niet-gebonden lidstaten zijn betrokken. Zullen zij bijvoorbeeld de rechtelijke beslissing genomen in een gebonden lidstaat erkennen?

Conclusie

Middels deze twee nieuwe EU-verordeningen is een belangrijke stap gezet in de verdere ontwikkeling van het Europese recht. Gezien steeds meer mensen in een internationale relatie zitten of eigenaar zijn van onroerend goed in het buitenland is de vraag naar het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel of geregistreerd partnerschap niet zonder belang.

Met de principiële toepassing van het recht van de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats is de start alvast duidelijk. Toch hebben koppels de mogelijkheid om bij aanvang of bij latere verhuis te kiezen voor een ander rechtssysteem. Met name het nationale recht van beiden of één van hen of van hun nieuwe  gewone verblijfplaats.


Private equity vennootschap revisited: beleg op een andere wijze.

Een private privak is een niet-genoteerde beleggingsvennootschap via hetwelk  private beleggers risicodragend investeren in niet-genoteerde ondernemingen. Dit private equity vehikel biedt investeerders de mogelijkheid om te beleggen in ondernemingen zonder gebruik te maken van een eigen vennootschap. Het fiscaal vriendelijk karakter van een private privak is een absolute bonus.

Door een gemis aan flexibiliteit is het succes echter zeer beperkt gebleven. Daarom is in de zomer van 2018 de private privak, voor de derde keer sinds haar wettelijke invoering in 2003, aangepast. Is het ditmaal de goede keer?

Versoepeling juridisch kader

Voortaan kan de private privak werkelijk controle uitoefenen over de vennootschappen  in haar portfolio. Hiermee wordt één van de grote hindernissen weggenomen die succes in de weg stonden. Het is nu immers mogelijk dat de private privak actief betrokken is bij het beleid van de vennootschappen waarin zij investeert. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten door aanwezigheid in het bestuur of door het geven van adviezen.

Een tweede hindernis die is opgeruimd betreft de duurtijd van de private privak. De initiële maximale looptijd van 12 jaar is voortaan verlengbaar. Indien de statuten dit voorzien kunnen de aandeelhouders tot tweemaal verlengen, telkens met een periode van maximaal 3 jaar. Dit is mogelijk nuttig in moeilijke economische tijden. Een verlenging vereist een goedkeuring door 90% van de stemmen die minstens 50% van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.

De minimale investering van een belegger in de private privak bedraagt nu 25.000 euro. Door de oorspronkelijke  drempel van 100.000 euro te verlagen komt een bredere groep van beleggers in aanmerking. Om niet te vallen onder de regels van openbare aanbiedingen moet het aanbod evenwel worden voorgesteld aan minder dan 150 investeerders.

Het aantal investeerders of aandeelhouders blijft ongewijzigd, ten minste zes niet-verbonden aandeelhouders zijn vereist. Aandeelhouders met stemrecht mogen in principe niet met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen. Verbonden aandeelhouders kunnen ervoor kiezen om als één aandeelhouder te worden beschouwd. Aandeelhouders die door familiale of aanverwante band tot de vierde graad met elkaar verbonden zijn, worden als één aandeelhouder gerekend.
Binnen de private privak is de creatie van verschillende compartimenten mogelijk. Dit zijn van elkaar onderscheiden delen zodat winst of verlies van het ene compartiment geen impact heeft op mogelijke dividenduitkeringen van een ander compartiment. Een compartiment vereist minimaal 6 niet verbonden aandeelhouders.

Belastinghervorming

Aan een private privak zijn een aantal fiscale gunstregelingen verbonden. Hierdoor is de private privak zelf nagenoeg vrijgesteld van belastingen. Voor de investeerder heeft de private privak het grote voordeel dat zij fiscaal neutraal is. Een minder gunstige fiscale behandeling dan een rechtstreekse investering is aldus uitgesloten. Indien de private privak haar wettelijke verplichtingen niet nakomt zal zij aan het normale stelsel van vennootschapsbelasting onderworpen worden.

Een voorafgaandelijk en blijvend inschrijving op de lijst van de private privaks bij de FOD Financiën is  vereist. Deze inschrijving houdt geen enkele beoordeling in van de opportuniteit en de kwaliteit van de verrichtingen of van de positie van de private privak.

Nieuw is de invoering van een belastingvermindering voor de minderwaarden die worden gerealiseerd op aandelen van een private privak opgericht vanaf 1 januari 2018. Deze vermindering is wel niet combineerbaar met ‘Tax Shelter for start-ups”. Naar aanleiding van de totale verdeling van de activa van de private privak geldt een belastingvermindering gelijk aan 25% van deze minderwaarde, met een plafond van 25.000 €. De minderwaarde is gelijk aan het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal verminderd met  (a) de ontvangen som bij verdeling en (b) de dividenden die de aandeelhouder heeft ontvangen.

Er is ook een indirect VVPRbis regime gecreëerd. Hierdoor kunnen investeerders toch genieten van de verlaagde roerende voorheffing van 15% of 20%. Vanzelfsprekend moet de private privak dan geïnvesteerd hebben in VVPRbis-aandelen.

Om dubbele belasting van dividenden te voorkomen, is een vrijstelling van roerende voorheffing ingevoerd bij  doorstorting van Belgische dividenden door de privak. Dit kan louter indien er roerende voorheffing verschuldigd was en deze niet is gecrediteerd door de private privak.

Conclusie

Dankzij de herwerkte juridische en fiscale regels is de private privak absoluut interessant. Het is een flexibel, fiscaal transparant en tijdelijk vehikel waarin meerdere personen kunnen beleggen in interessante investeringsdossiers. Voor niet-genoteerde ondernemingen kan het een mogelijk alternatief zijn voor bankkredieten en beursnoteringen ter financiering van hun investeringsprojecten.

Contacteer onze juristen bij specifieke vragen met betrekking tot de private privak.


Conventioneel gecreëerde huwgemeenschap

Echtgenoten kunnen middels een huwelijkscontract kiezen voor een conventionele huwgemeenschap. Dit betekent dat zij zelf de regels vastleggen voor de samenstelling, de vereffening en de verdeling van deze gemeenschap. Dergelijk gemeenschapsstelsel is duidelijk te onderscheiden van de wettelijke gemeenschap. De rechten inzake bestuur en de rechten va de schuldeisers zijn echter "untouchable".

Wettelijk stelsel: mag het een ietsje meer zijn?

Gehuwden onder het wettelijk gemeenschapsstelsel hebben de vrijheid om eigen goederen alsnog in gemeenschap te brengen. Dit kunnen zowel specifieke actuele goederen betreffen als nog toekomstig te verwerven goederen uit schenkingen of erfenissen. Het kan zowel om roerende als onroerende goederen gaan.

Indien echtgenoten beslissen om al hun huidige en toekomstige goederen in gemeenschap te brengen, dan kiezen zijn voor het stelsel van algehele gemeenschap. Er zijn in dit geval geen eigen vermogens.

Anticipatieve inbreng van een onroerend goed door ongehuwden

De anticipatieve inbreng van een onroerend goed is een nieuwigheid voor een ongehuwd koppel dat samen een onroerend goed aankoopt in onverdeeldheid. Het is echter niet uitgesloten dat ze later trouwen, mogelijk hebben zij  de wens om dit voorhuwelijks goed alsnog in gemeenschap te brengen. De mogelijke redenen hiervoor zijn divers. Zo kan het voordelen bieden inzake financiering of bestuur.

Zonder de nieuwe wettelijke bepaling leidt de uitvoering van deze wens tot het opstellen van een huwelijkscontract waarin zij bepalen dat het voorhuwelijks aangekochte onroerende goed in gemeenschap wordt gebracht. Dit brengt natuurlijk kosten met zich mee.

Om geen extra moeite of kosten te moeten doen voorziet de wet nu in een clausule van anticipatieve inbreng in de aankoopakte. Middels dergelijke clausule zal het onroerend goed bij een later huwelijk automatisch tot de huwgemeenschap behoren.

Niets belet de echtgenoten echter om terug te komen op deze anticipatieve clausule en er via een huwelijkscontract alsnog van af te wijken.

Schulden ingevolge inbreng in gemeenschap

Een nieuwe wettelijke regeling is er ook voor schulden ingevolge een inbreng in gemeenschap. Het speelt hierbij geen enkele rol of het een standaardinbreng of anticipatieve inbreng betreft.

Voortaan zijn de nog openstaande schulden op het ogenblik van de inbreng en die door de inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, ten laste van het gemeenschappelijk vermogen. Deze regel is evenwel niet dwingend en het staat de echtgenoten vrij om hieromtrent een andersluidende overeenkomst te maken.

Toepassing in de tijd

De bepalingen met betrekking tot de gevolgen van de inbreng zijn van toepassing vanaf 1 september 2018. Behoudens indien het huwelijkscontract voorziet in een afwijkende regeling  zijn de regels ook van toepassing op eerdere inbrengen. Voor wie nog niet gehuwd is een verklaring van anticipatieve inbreng mogelijk vanaf 1 september 2018.


Levensverzekering en gehuwden in een stelsel van gemeenschap

Individuele levensverzekeringen en gehuwden in een stelsel van gemeenschap, het is al vele jaren voer voor verwarring en discussie. Bijvoorbeeld: is er een vergoeding verschuldigd, is de verzekeringsprestatie eigen of gemeenschappelijk, wat bij en na een echtscheiding? De nieuwe huwelijksvermogensregels kaderen en verduidelijken het vermogensrechtelijk statuut van uitkeringen van individuele levensverzekeringen.

Individuele levensverzekering

De nieuwe regeling is uitsluitend van toepassing voor uitkeringen van individuele levensverzekeringen en niet voor groepsverzekeringen. Individuele levensverzekeringen vertrekken namelijk vanuit een persoonlijk initiatief van de verzekeringsnemer en vallen, in tegenstelling tot groepsverzekeringen, niet onder  de sociale zekerheidswetgeving. Daarenboven verschillen beide verzekeringen wezenlijk qua financiering en uitbetaling.

Vertrekpunt is  dat het contract van levensverzekering is afgesloten door een verzekeringsnemer die gehuwd is in een gemeenschapsstelsel. De levensverzekeringsuitkeringen kunnen bijvoorbeeld in kapitaal of in afkoopwaarde zijn.

Uitkering tijdens het huwelijk

Klassiek voorbeelden zijn de pensioenspaarverzekering uitgekeerd tijdens het huwelijk of  de beleggingsverzekering afgekocht tijdens het huwelijk.

Indien de premies merendeel betaald zijn met gemeenschappelijke gelden dan zijn de latere uitkeringen tijdens het stelsel gemeenschappelijk. Het is dus onbelangrijk dat een deel van de premies met eigen gelden is betaald, wel zal het eigen vermogen een vergoeding krijgen voor de met eigen middelen betaalde premies.

Zijn de premies daarentegen hoofdzakelijk betaald met eigen gelden dan komt de uitkering  terecht in het eigen vermogen van de begunstigde. In dergelijk scenario ontvangt de huwgemeenschap een vergoeding voor de met gemeenschapsgelden betaalde premies.

Uitkering wegens overlijden

Als de uitkering plaats vindt wegens overlijden zijn twee mogelijkheden te onderscheiden.

1. Levensverzekering afgesloten door een echtgenoot (A) ten gunste van zijn mede-echtgenoot (B)

Dit is wat men noemt een AAB-configuratie, de verzekering is afgesloten door echtgenoot A op zijn eigen hoofd, ten voordele van echtgenoot B. In dit geval zegt de wet dat de uitkering een eigen goed is van de langstlevende (B), ook al zijn de premies uitsluitend met gemeenschapsgelden betaald.

Echtgenoot B is hiervoor geen vergoeding verschuldigd aan de gemeenschap. Het is echter niet uitgesloten dat er sprake is van een schenking indien zou blijken dat er intentie was om te begiftigen. Schenkingen die onrechtstreeks via aan levensverzekering tot stand komen zijn onderworpen aan inkorting.  Voor zover dit uitdrukkelijk bedongen is in de verzekeringsovereenkomst, ook aan inbreng.

2. Levensverzekering afgesloten door een echtgenoot (A) die het overlijdensrisico van zijn mede-echtgenoot (B) wil dekken ten gunste van zichzelf (A)

Dit is wat men noemt een ABA-contract. Ook in dit geval is de uitkering een eigen goed van de langstlevende (A), zelfs al zijn de premies met gemeenschapsgelden betaald. In tegenstelling tot vorig scenario is wel degelijk een vergoeding verschuldigd aan de huwgemeenschap.

Geen opeisbare uitkering bij ontbinding van het stelsel

Twee scenario's zijn mogelijk. Primo het stelsel wordt ontbonden door echtscheiding of door conventionele omzetting naar een ander huwelijksstelsel. Secundo het is de begunstigde van het levensverzekeringscontract die overlijdt en niet de verzekerde. In beide gevallen is de verzekeringsprestatie niet opeisbaar bij de ontbinding van het huwelijk.

De kwalificatieregels bepalen dat de vorderbare netto-afkoopwaarde van het verzekeringscontract, op datum van ontbinding van het stelsel, een eigen goed is van de verzekeringnemer. Wanneer meer dan de helft van de premies zijn betaald door de gemeenschap, dan heeft de huwgemeenschap recht op een vergoeding. Deze vergoeding kan nooit kleiner zijn dan  de betaalde premies.

Toepassing in de tijd

De besproken regels gelden voor verzekeringsprestaties verschuldigd vanaf 1 september 2018.  Ze zijn ook van toepassing voor de berekening van afkoopwaarden vanaf 1 september 2018.

Voormelde regels inzake het vermogensrechtelijk statuut van uitkeringen van individuele levensverzekeringen zijn echter niet van dwingende aard. Middels huwelijkscontract kunnen andere schikkingen worden getroffen met betrekking tot hun individuele levensverzekeringen.


Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, juryleden, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.

Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.


Huwen met (zuivere) scheiding van goederen

Het huwelijksvermogensrecht heeft sinds 1 september 2018 een heuse make-over beleefd. Eerder hebben we het al gehad over het gemeenschappelijk stelsel. Er is ook nog het stelsel van scheiding van goederen.

De wetgever heeft met het idee is gespeeld om de zuivere scheiding van goederen niet langer toe te staan. Uiteindelijk is het ook na 1 september 2018 nog mogelijk om de keuze te maken voor een stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Scheiding van goederen: zuiver of niet?

Wat is dat scheiding van goederen? Het stelsel van scheiding van goederen kent twee substelsels: de zuivere scheiding en de scheiding met corrigerende clausules.

De zuivere scheiding van goederen is het meest drastisch. Er is namelijk géén gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot heeft enkel zijn of haar eigen vermogen. Vanzelfsprekend kunnen de echtgenoten wel samen goederen bezitten in onverdeeldheid. Tegenstanders van het behoud van de zuivere scheiding vonden dat liefde en vermogensrechtelijke solidariteit moeten primeren. Uiteindelijk hebben de voorstanders het gehaald en geldt contractuele vrijheid ook bij een huwelijk. Maar ...

Voortaan geldt een dubbele set van bepalingen vooraleer men kan huwen onder zuivere scheiding van goederen. Ten eerste bepaalt de wet zelf welke corrigerende bepalingen mogelijk zijn. Het beding van verrekening van aanwinsten is hierbij de grote promotiekampioen, hierover dadelijk meer. Ten tweede krijgt de notaris een duidelijke informatieplicht. In het huwelijkscontract moet namelijk expliciet verwezen worden naar de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.

Bewijs van schuldvordering en andere aanpassingen

Zowel het bewijs van eigendom als het bewijs van schuldvordering kan voortaan geleverd worden door getuigen, vermoedens en 'algemene bekendheid'. Het wettelijk bewijssysteem en de eis voor een geschrift vanaf 375 euro gelden niet tussen echtgenoten.

De echtgenoot die goederen heeft beheerd van de andere moet zich verantwoorden over het beheer en in het bijzonder de inkomsten die tijdens dit beheer zijn geïnd. Hiermee volgt de wetgever het Grondwettelijk Hof dat eerder had geoordeeld dat de verplichting tot rekening en verantwoording essentieel zijn voor elke lastgeving. De echtgenoot-beheerder is dus niet vrijgesteld van deze verantwoording.

Het verkoopverbod tussen echtgenoten is afgeschaft en er is geen rechterlijke machtiging meer nodig bij aankoop van het aandeel van de andere echtgenoot in een onverdeeld goed.

Corrigerende clausules

Zoals al aangeven is het mogelijk om het stelsel van de scheiding van goederen te modaliseren. In dit geval is er geen sprake meer van zuivere scheiding van goederen. Uiteraard moeten de toegevoegde bedingen verenigbaar zijn met het stelsel van scheiding van goederen.

Voorbeelden van toegelaten corrigerende clausules zijn bedingen met betrekking tot bewijsvoering inzake eigendom en schuldvordering, verrekenbedingen tussen vermogens, bedingen inzake regeling van onverdeeldheden die tussen echtgenoten zouden bestaan.

Het gevaar schuilt vooral in de externe werking (ten aanzien van schuldeisers) bij de creatie van een gemeenschap , een doel- of bestemmingsvermogen of onverdeeldheid. Zolang geen regels van het gemeenschappelijk stelsel van toepassing worden verklaard is er geen punt. De toevoeging van een verrekenbeding zorgt niet voor problemen op dit vlak.

Verrekenbedingen

Al wie een beding van verrekening van aanwinsten toevoegt, is onderworpen aan wettelijke bepalingen terzake (art. 1469/1 tot /13 BW). De wet bepaalt hoe men de vergelijking maakt tussen het eindvermogen en het aanvangsvermogen.  Dit verschil is de vermogensaanwas. De echtgenoot die meer vermogensaanwas heeft verwezenlijkt dan de andere echtgenoot is een bedrag verschuldigd gelijk aan de helft van het verschil.

De precieze vaststelling van het aanvangs- en eindvermogen is eveneens wettelijk geregeld. Zo moet men rekening houden met schulden, erfenissen en schenkingen of het verkwistend of bedrieglijk omgaan met het vermogen. De wet laat toe dat echtgenoten afwijken van de wettelijke regels. Het is dus perfect mogelijk om de verrekening te beperken tot enkele goederen of andere verrekensleutels te voorzien bij overlijden of echtscheiding.

Huwelijksvoordelen

Huwelijksvoordelen zijn de voordelen die ontstaan uit de werking, de samenstelling en de vereffening of verdeling van het stelsel. In principe is een toegekend huwelijksvoordeel nooit een gift en dus niet onderworpen aan de schenkingsregels. Dit is absoluut het geval bij een gelijke verdeling van aanwinsten. Hetgeen impliceert dat kinderen niet kunnen inroepen dat hun erfrechtelijke reserve is aangetast. Dit is ook zo in een stiefouderrelatie.

Bij een stelsel van scheiding van goederen, bijvoorbeeld aangevuld met een verrekenbeding, of een intern gemeenschappelijk vermogen, zal het toegekende voordeel aan de langstlevende niet als een gift worden aanzien. Geen risico op inkorting mits rekening te houden met de wettelijke bepalingen inzake samenloop met gemeenschappelijke (en eventueel niet gemeenschappelijke) kinderen.

Billijkheidscorrectie bij echtscheiding

Echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen kunnen bij echtscheiding aan de rechter vragen om een billijkheidscorrectie. Dergelijke correctie is een compensatie onder de vorm van een beperkte verrekening van aanwinsten. Voorwaarden zijn wel dat de verzoekende echtgenoot kan aantonen dat (a) de omstandigheden sinds het sluiten van het huwelijkscontract onvoorzien en ongunstig zijn gewijzigd en (b) dat er niet voldoende eigen vermogen is.

Door de rechterlijke correctie is het mogelijk om de manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot te remediëren. De compensatie is beperkt tot één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk, verminderd met de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoeker.

Een eenvoudig voorbeeld ter illustratie. De vrouw heeft aanwinsten voor 800 en de man heeft aanwinsten van 100. Samengevoegd is dit 900. Mits te voldoen aan de voorwaarden kan de man daarvan één derde eisen (300) verminderd met de eigen aanwinsten (100). De rechter kan maximaal 200 toekennen.

Echtgenoten kunnen ervoor opteren deze billijkheidscorrectie contractueel uit te sluiten. Ze is immers niet dwingend van aard. Een uitsluiting vereist wel dat de keuze expliciet wordt gemaakt in het huwelijkscontract. Bovendien  is de notaris op straffe van aansprakelijkheid verplicht de echtgenoten op de keuze te wijzen en de notaris maakt hiervan ook uitdrukkelijk melding.

De billijkheidscorrectie geldt niet voor echtgenoten die voor 1 september 2018 zijn gehuwd, ongeacht de datum waarop ze uit de echt scheiden.

Conclusie

Huwen onder zuivere scheiding van goederen is nog altijd toegestaan. De mogelijkheden om een stelsel van scheiding van goederen te moduleren met corrigerende clausules maakt het het stelsel interessant. De keuze voor een rechterlijke billijkheidsclausule kan bij echtscheiding helpen om de manifest onbillijke gevolgen na onvoorziene en ongunstige wijzigingen te beperken.

Samen met uw notaris kunnen de juristen van aternio u helpen bij het maken van de meest aangewezen keuze.


Wettelijk stelsel: beroepsinkomsten en professionele autonomie in het nieuw

Zoals reeds in een introductiebijdrage is geschreven is het Belgisch huwelijksvermogensrecht sinds 1 september 2018 vernieuwd. Zo zijn een aantal nieuwe regels geïntroduceerd inzake het wettelijk stelsel met  betrekking tot beroepsinkomsten en professionele autonomie.

Wettelijk stelsel - gemeenschap van aanwinsten

De basis van het wettelijk stelsel is door de nieuwe wetgeving niet veranderd. Het is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Wat impliceert dat vooral de beroepsinkomsten vallen binnen het gemeenschappelijk vermogen, net zoals de spaaropbrengsten die deze inkomsten genereren. Alle bezittingen (activa) en alle schulden (passiva) waarvan men niet kan bewijzen dat ze eigen zijn, zijn gemeenschappelijk.

Elke bijzaak (accessorium) van een eigen goed is voortaan ook een eigen goed. Hierbij bestaat geen onderscheid tussen roerende en onroerende goederen. Daarenboven is een roerend goed eigen zodra het voor meer dan vijftig percent betaald is met eigen gelden.

Beroepsinkomsten

Enkel de beroepsinkomsten waarvan het recht op die inkomsten is ontstaan door arbeid of prestaties tijdens het bestaan van de huwgemeenschap vallen in de gemeenschap. Wat ervoor of erna is verdiend valt er buiten. Dit is nu in het bijzonder geregeld voor de opzeggingsvergoeding en de vergoeding van persoonlijke schade.

De opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst komen aan de gemeenschap toe voor dat deel dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het wettelijk stelsel loopt.

Bij uitkeringen ter vergoeding van persoonlijke schade, bijvoorbeeld naar aanleiding van een arbeids- of verkeersongeval, onderscheiden de schadecomponenten zich ook voor het huwelijksvermogensstelsel. Wat betekent dit concreet?

Schadevergoeding tot herstel van persoonlijke ongeschiktheid die geen betrekking hebben op economische waardeerbare gevolgen van aangetaste fysieke of psychische integriteit, is eigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vergoedingen die pijnen of beperkingen, als gevolg van het letsel, compenseren in het dagelijkse leven.

Schadevergoedingen die daarentegen huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel compenseren behoren toe aan de gemeenschap. Hiervan is sprake bij vergoedingen voor de aantasting van het potentieel om huishoudelijke, professionele of lucratieve taken te verrichten. Ook de vergoeding voor de aantasting van de concurrentiekracht op de arbeidsmarkt is hiervan een voorbeeld.

Professionele autonomie

Hoewel de beroepsinkomsten tot de gemeenschap behoren moet elke echtgenoot voldoende autonomie hebben om een eigen professionele loopbaan te ontwikkelen. Inmenging van de andere echtgenoot in deze keuze is in principe niet geoorloofd.

Dit blijkt voldoende uit het basisprincipe waarbij elke echtgenoot, zolang de belangen van het gezin niet in gevaar komen, het recht heeft een beroep naar keuze uit te oefenen. Daarenboven int elke echtgenoot zijn eigen beroepsinkomen. Weliswaar met inachtneming van de juiste bestedingsvolgorde: beroepsinkomsten dienen bij voorrang voor de gezinslasten en het overschot mag vervolgens professioneel besteed worden.

In het verlengde van de professionele autonomie geldt dat elke echtgenoot eigenaar kan zijn van zijn professionele uitrusting. Dit laatste ook bij ontbinding van het stelsel.

Professionele uitrusting

De opsplitsing tussen het titularis zijn van het recht ('titre') en de vermogenswaarde ('finance') van het goed geldt voortaan ook voor de professionele uitrusting. Het recht om te handelen als eigenaar van de professionele uitrusting is eigen, de vermogenswaarde op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel is daarentegen gemeenschappelijk.

Goederen, zowel onroerend als roerend, die een echtgenoot exclusief professioneel gebruikt zijn zonder meer eigen. Bijgevolg kan deze echtgenoot zich ook als eigenaar ('titre') gedragen. Dit is niet zo wanneer de echtgenoten samen het beroep of het bedrijf uitbaten. Voor goederen die door één van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn gekocht, komt de vermogenswaarde ('finance') toe aan de gemeenschap.

Als alleen de vermogenswaarde gemeenschappelijk is komt de 'finance' alleen toe aan de gemeenschap op het moment van verkoop of bij ontbinding van het stelsel. Opgelet: dit is dus niet de waarde op het ogenblik van verdeling.

Cliënteel

Het cliënteel komt exclusief en persoonlijk toe aan de beroepsactieve echtgenoot. Dit is volledig naar analogie met autonome beoefening van het beroep of de uitbating van het bedrijf.

De waarde van het cliënteel is gemeenschappelijk voor zover ze tijdens het stelsel is opgebouwd. In tegenstelling tot de vermogenswaarde van de professionele uitrusting of de aandelen in een professionele vennootschap geldt hier de economische waarde. Met andere woorden het cliënteel moet (a) ten gelde kunnen worden gemaakt en (b) verhandelbaar zijn. Is dit niet het geval dan is er geen sprake van waarde.

Oefenen de echtgenoten samen hetzelfde beroep uit dan is er vanzelfsprekend geen 'titre" en 'finance'. Het cliënteel, opgebouwd tijdens het stelsel, is dan zonder meer gemeenschappelijk. Van preferentiële toewijzing is geen sprake.

Aandelen in een professionele vennootschap

Vennootschapsaandelen op naam van één echtgenoot, verworven met gemeenschappelijke gelden, kunnen toch eigen zijn. Dit kan echter slechts voor aandelen van twee soorten vennootschappen.

Vooreerst gaat het om aandelen van een vennootschap waar slechts één echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent. Tweede type is de vennootschap waarbij het intuitu personae karakter in hoofde van de echtgenoot-aandeelhouder essentieel is. Deze persoonsgebondenheid kan objectief vastgesteld worden aan de hand van bijvoorbeeld overdraagbaarheidsbeperkingen of voorkoopclausules in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst.

In alle andere vennootschappen zijn de aandelen ofwel eigen ofwel gemeenschappelijk. Bij gemeenschappelijke aandelen is preferentiële toewijzing uitgesloten.

Neutraliteit van beroepsuitoefening via vennootschap

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht wil vermijden dat de gemeenschap nadeel ondervindt van het feit dat één echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent via een vennootschap. Vanzelfsprekend is dit niet zo wanneer de aandelen toebehoren aan de gemeenschap. De vermogenswaarde is dan gemeenschappelijk, net als het loon en de dividenden die worden uitgekeerd.

Anders is het wanneer de aandelen volledig eigen zijn aan de echtgenoot. Dit is zo met aandelen die de echtgenoot bezat voor het huwelijk of die verkregen zijn uit een schenking of een erfenis. Het hoeft weinig toelichting dat de echtgenoot de inkomstenstromen kan 'sturen' waardoor de gemeenschap is benadeeld. Een beperkte loontoekenning of  winstuitkering zijn hiervan voorbeelden.

De nieuwe wetgeving heeft daarom een vergoedingsregeling uitgewerkt. Met name voorziet zij in een compensatie voor niet geïnde nettoberoepsinkomsten die de gemeenschap redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet via een eigen vennootschap was uitgeoefend. De waardevermeerdering van de aandelen  blijft buiten schot. De beweegredenen voor de minder ontvangsten zijn irrelevant. Het doet er dus niet toe of het bijvoorbeeld kwaadwillig was of om fiscale redenen.

De 'benadeelde' mede-echtgenoot kan op basis van een vergelijkende analyse proberen aantonen dat dezelfde beroepsactiviteit in een ander kader, zelfstandig of in vennootschap met niet eigen aandelen, meer had gegenereerd. Het is dat meerdere dat bij de ontbinding van het stelsel voor de gemeenschap kan worden opgeëist.

De 'onderbetaalde' echtgenoot kan zich verdedigen tegen deze eis tot vergoeding. Op basis van voor te leggen vennootschapsdocumenten kunnen argumenten voor de mindere inkomstenstroom naar voor worden geschoven. Indien partijen het hierover niet eens worden zal de rechter, na tussenkomst van een expert, oordelen.

Toepassing in de tijd

Inzake opzeggingsvergoeding en vergoeding van persoonlijke schade gelden de regels ook voor uitkeringen verkregen voor 1 september 2018. De nieuwe regels inzake professionele autonomie (uitrusting, cliënteel, aandelen) en neutraliteit gelden voor al wie gehuwd is voor 1 september 2018  enkel voor verkregen goederen respectievelijk gederfde inkomsten vanaf die datum.

Conclusie

Huwen onder het wettelijk stelsel is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. De wijzigingen die aangebracht zijn op vlak van hebben vooral de werking van het stelsel verduidelijkt en logischer gemaakt. De professionele autonomie wordt extra in de verf gezet. Bijzonder zijn dan weer de regels rond de neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap waarbij vrijwaring van de gemeenschap voorop staat.


Huwen is sinds 1 september 2018 (een beetje) anders

Niet alleen het erfrecht zit sinds 1 september 2018 in een nieuw jasje, ook het huwelijksvermogensrecht is sinds die datum aangepast. Deze bijdrage is de aanzet van een korte reeks rond huwen en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan.

Starten doen we alvast met de algemene bepalingen van het primair en secundair huwelijksstelsel. Primair zijn de dwingende regels die voor iedereen gelden en secundair zijn de algemene of specifieke regels verbonden met het gekozen huwelijksstelsel.

Primair huwelijksstelsel

Het primair huwelijksstelsel betreft de wettelijke regels die van openbare orde zijn en die aldus voor iedereen gelden,  ongeacht het huwelijksvermogensstelsel waaronder zij gehuwd zijn. Het zijn de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten ontstaan door het loutere feit van het huwelijk. In geen geval kan afgeweken worden van de regels opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (art. 212-224 BW).

Het Burgerlijk Wetboek bevat onder meer bepalingen inzake:

  • de gezinslasten (kosten van het huishouden en het huwelijk) waarin beide echtgenoten in verhouding tot hun mogelijkheden moeten bijdragen en waarvoor ze tegen derden in principe hoofdelijk gehouden zijn;
  • de keuze en de bescherming van de gezinswoning;
  • de uitoefening van een beroep;
  • de mogelijkheden om bij echtelijke moeilijkheden beschermende of bestraffende maatregelen te vragen aan de familierechtbank.

De principes en de bepalingen van het primair huwelijksstelsel zijn niet gewijzigd door de nieuwe huwelijksvermogenswet.

Secundair huwelijksstelsel - algemeen

Een aantal van de algemene bepalingen die gelden ongeacht de verdere de keuze voor een gemeenschap of een scheiding van goederen zijn behouden, andere zijn dan weer gewijzigd (art. 1387 tot 1397/1 BW).

Ongewijzigd zijn:

  • de keuzevrijheid voor de echtgenoten om het huwelijksstelsel uit te werken naar hun goeddunken;
  • de neerslag van deze expliciete keuze gebeurt bij notariële akte;
  • het principe dat het stelsel in werking treedt vanaf het aangaan van het huwelijk;
  • de mogelijkheid en de formaliteiten om het gekozen huwelijksstelsel later te wijzigen.

Gewijzigd daarentegen zijn:

  • de modaliteiten om in het huwelijkscontract bindende erfafspraken te maken wanneer er kinderen zijn uit een vorige relatie  (zogenaamde 'Valkeniersbeding');
  • de preferentiële toewijzing van goederen na ontbinding van een gemeenschapsstelsel;
  • de huwelijksvermogensrechtelijke heling.

Valkeniersbeding

Het Valkeniersbeding, genoemd naar de oud-politicus Jef Valkeniers, maakt het mogelijk om in het huwelijkscontract afspraken te maken over de rechten die de langstlevende zal hebben in de nalatenschap van de eerst stervende. Hierdoor kunnen de rechten van kinderen uit een eerdere relatie worden beschermd. Voortaan moeten daartoe volgende voorwaarden zijn vervuld.

  1. Minstens één van de echtgenoten heeft op het ogenblik van het huwelijkscontract één of meer kinderen uit een vorige relatie. Er moet met andere woorden sprake zijn van een stiefouderrelatie.
  2. De regeling die de echtgenoten uitwerken moet niet wederkerig zijn. Hierbij kunnen erfrechten worden toegekend die afwijken van het minimaal voorbehouden vruchtgebruik voor de langstlevende.
  3. De langstlevende kan niet verzaken aan het recht van bewoning (en het recht van gebruik van de inboedel) van de gezinswoning voor een periode van zes maanden vanaf het overlijden van de eerst stervende. Bijgevolg kan de langstlevende nooit gedwongen worden om de gezinswoning sneller te verlaten. Een langere termijn of zelfs een tijdelijk vruchtgebruik kunnen wel in het Valkeniersbeding worden opgenomen.
  4. Vermits het Valkeniersbeding de facto een verzaking inhoudt van de erfrechten gelden de wettelijke termijnen van informatie en beraad zoals bij andere erfovereenkomsten. Nog snel vlak voor het huwelijk een huwelijkscontract opstellen met een Valkeniersbeding is hierdoor onmogelijk.

Preferentiële toewijzing

Bij ontbinding van het huwelijksstelsel, als gevolg van overlijden of echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, kan men vragen om bepaalde goederen bij voorkeur toe te wijzen.

Dergelijke preferentiële toewijzing is mogelijk voor de gezinswoning, de inboedel en de professionele goederen. Het is totaal onbelangrijk of het echtpaar gehuwd was onder gemeenschap of  onder scheiding van goederen.

Voor de gezinswoning is het irrelevant of de woning een gemeenschapsgoed is dan wel in onverdeeldheid toebehoort aan beide echtgenoten. Latere afzonderlijke toewijzing voor de inboedel is perfect mogelijk. De echtgenoot die slachtoffer is van gezinsgeweld door de andere echtgenoot heeft in principe voorrang op de gezinswoning.

Inzake de professionele goederen is het basisprincipe dat alle professionele goederen, die niet eigen zijn,  in aanmerking komen. Daarom kan niet enkel het professioneel onroerend goed maar ook de (on)roerende uitrusting het voorwerp zijn van een preferentiële toewijzing.

Huwelijksvermogensrechtelijke heling

Een echtgenoot die gemeenschappelijke of onverdeelde goederen aan de verdeling wil onttrekken door het bestaan ervan opzettelijk te verzwijgen maakt zich schuldig aan heling. Dit geldt ook bij het bewust achterhouden van gegevens waardoor een verrekenbeding geen correcte uitwerking heeft.

Informatie verzwijgen of valse verklaringen afleggen, leidt tot sanctionering. In concreto betekent dit dat de echtgenoot, die zich schuldig maakt aan heling, zijn aandeel verlies in de geheelde goederen of waarden of ten belope van deze goederen of waarden in de berekening van de verrekenvordering. De sanctie kan vermeden worden door spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie te verstrekken of de valse verklaringen recht te zetten.

Toepassing in de tijd

De nieuwe regels gelden voor iedereen die vanaf 1 september 2018 in het huwelijk treedt. Voor zij die gehuwd zijn voor deze datum en het ook nog zijn op 1 september 2018 blijft het toepasselijk huwelijksstelsel onverminderd gelden.

De regels inzake preferentiële toewijzing en heling gelden niet alleen voor de huwelijken afgesloten vanaf 1 september 2018.  maar ook voor huwelijken afgesloten voor deze datum waarbij de ontbinding plaatsvindt na 1 september 2018.  Bij echtscheidingen gelden de nieuwe regels niet wanneer het verzoek tot echtscheiding dateert van voor 1 september 2018.

Conclusie

De make-over van het huwelijksvermogensrecht zorgt alvast voor een meer hedendaagse wetgeving. Het is alvast duidelijk dat de modaliteiten van het Valkeniersbeding zijn gewijzigd, evenals de bepalingen inzake de preferentiële toewijzing. Een echtgenoot die zich schuldig maakt aan huwelijksvermogensrechtelijke heling kan enkel ontsnappen aan een sanctie door tijdig berouw te tonen. De impact en de toepassing in de tijd op het wettelijk stelsel en het stelsel van scheiding van goederen komen aan bod in volgende bijdragen.


Voorzieningen voor risico's en kosten: ter herinnering!

Vanaf aanslagjaar 2019  zijn de fiscale optimalisatiemogelijkheden middels het aanleggen van voorzieningen voor risico’s en kosten sterk beperkt. Dit is te danken aan de hervormingswet van 25 december 2017.  Wat zijn de voorwaarden waarbij dergelijke voorzieningen met Belgische belastingvrijstelling kunnen worden aangelegd?

Voorwaarden belastingvrijstelling

Voor de boekjaren die aanvangen op 1 januari 2018 zijn voorzieningen voor risico's en kosten enkel nog fiscaal aftrekbaar onder volgende voorwaarden. De voorzieningen vloeien voort uit:

(1) verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbare tijdperk; of

(2) wettelijke of reglementaire verplichtingen maar het mag dan niet gaan om verplichtingen die louter voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering.

Deze nieuwe fiscale regels gelden zowel voor nieuwe voorzieningen als voor toevoegingen aan reeds bestaande voorzieningen die vanaf aanslagjaar 2019 gebeuren.

Geen limitatieve lijst

In antwoord op een parlementaire vraag verduidelijkt de minister van Financiën dat er geen limitatieve lijst komt van niet-vrijgestelde voorzieningen. Het komt er dus op neer dat de onderneming zelf geval per geval zal moeten oordelen of een voorziening kan worden aangelegd met  belastingvrijstelling.

Verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van het matching principe op boekhoudrechtelijk vlak zijn zonder meer uitgesloten. Dit principe houdt in dat de kosten (en opbrengsten) zoveel als mogelijk toegerekend worden aan de periode waar ze betrekking op hebben.

Het is alvast ook duidelijk dat een voorziening voor grote herstellingen- en onderhoudswerken niet voldoet aan de nieuwe voorwaarden. Dergelijke voorziening vloeit immers voort uit de éénzijdige wil van de vennootschap. De minister herneemt hiermee het voorbeeld  dat reeds is aangehaald in de voorbereidende werkzaamheden bij de hervormingswet.

Wel aftrekbaar

Voorzieningen die voortvloeien uit een overeenkomst die de onderneming heeft afgesloten met derden  komen wel in aanmerking voor fiscale aftrekbaarheid. In dit geval is namelijk voldaan aan de voorwaarden zoals door de minister aangehaald. Er is dan (a) geen sprake van éénzijdige wil van de onderneming én (b) er is een contractuele verplichting.

Natuurlijk moet dergelijke overeenkomst beantwoorden aan een economische realiteit. Het kunstmatig creëren van een overeenkomst louter met het oog op het bekomen van een belastingvrijstelling zal een fiscale toetsing niet doorstaan.

Volgende voorzieningen voor risico’s en kosten doorstaan in principe de toetsing van de fiscale aftrekbaarheid:

  • voorzieningen voor contractuele garantieverplichtingen;
  • voorzieningen voor wettelijke milieuverplichtingen; of
  • voorzieningen voor ontslagkosten.

Conclusie

Ondernemingen zullen de nodige fiscale aandacht moeten schenken bij het aanleggen van nieuwe of aanvullen van bestaande voorzieningen voor risico's en kosten. De fiscus zal alvast met meer dan een gezonde interesse kijken naar de voorzieningen opgenomen in de jaarrekening.

Daarom zal een onderneming nog meer dan vroeger haar documentatie moeten verzorgen van boekhoudkundig aangelegde voorzieningen. Een fiscaal aftrekbare voorziening moet het gevolg zijn van contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen. Verplichtingen die voortvloeien uit het boekhoudrecht beantwoorden hier alvast niet aan.

Vr. en Antw. Kamer 2017-2018, nr. 54-157, 350.


Inbreng en inkorting sinds 1 september 2018. Planning never stops.

Over het nieuwe erfrecht is veel te zeggen. Dat hebben we ondertussen ook al meermaals gedaan. De waarderingsregels rond inbreng en inkorting naar aanleiding van een schenking ontsnappen evenmin aan de hervormingen. Schenkingen gedaan voor 1 september 2018 kunnen evenwel nog onder de oude erfrechtelijke regels vallen. Hoe zit het juist ?

Inbreng en inkorting

Een schenking kan gebeuren hetzij als voorschot op erfdeel hetzij buiten erfdeel. Het is aan de schenker om de keuze te maken. Hoewel de schenker bepaalt wie, wat en hoeveel krijgt, is er toch een beperking aan de beschikkingsvrijheid. Kinderen  zijn namelijk reservataire erfgenamen en dus beschermd. Het beschikbaar deel waarover de schenker vrij kan beschikken bedraagt sinds 1 september 2018 vijftig percent van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen.

Is het de intentie om de erfgenamen gelijk te behandelen dan is een voorschot op erfdeel de way to go. Een rechtzetting volgt indien bij het overlijden van de schenker zou blijken dat een erfgenaam meer heeft gekregen dan waar hij recht op had. Dergelijke rechtzetting door de begiftigde is een inbreng. Sinds 1 september 2018 is er enkel nog onderlinge inbrengverplichting voor de afstammelingen van de schenker. Door en ten aanzien van de langstlevende echtgenoot is er onder het nieuwe erfrecht geen inbrengverplichting meer.

Met een schenking buiten erfdeel kan men aan een begiftigde meer geven dan zijn erfdeel. Zodra echter de schenking het beschikbaar deel overschrijdt kan een (gedeeltelijke) inkorting van de schenking gebeuren.

Wijze en waardering van inbreng en inkorting

Onder het oude erfrecht waren de inbreng- en inkortingsregels uiteenlopend:

  • inbreng van een roerende schenking in waarde,  gewaardeerd op het ogenblik van de schenking;
  • inbreng van een onroerende schenking in natura , gewaardeerd op datum van verdeling;
  • inkorting van roerende en onroerende schenkingen in natura, gewaardeerd op datum van verdeling.

Deze regels zorgden niet zelden voor ongelijke en ongewenste situaties. Daarom is er in het nieuwe erfrecht geen onderscheid meer tussen inbreng en inkorting en is ook het voorwerp (roerend of onroerend) van de schenking niet langer relevant. Inbreng en inkorting van roerende en onroerende schenkingen gebeuren uitsluitend nog in waarde. De waardering gebeurt in principe op het ogenblik van de schenking.

Genoemde waarde wordt wel geïndexeerd. Vanaf de schenkingsdatum tot de dag van het overlijden van de schenker vindt indexering plaats volgens de index van de consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker met als basisindex de index van de maand van de schenking.

Toch is de schenkingsdatum niet altijd het peilpunt voor de waardering. Dit is zo indien de begiftigde op het ogenblik van de schenking niet de volledige beschikking heeft over de geschonken goederen. In dergelijke situatie zal het geschonken goed pas gewaardeerd worden op het ogenblik dat de begiftigde de volledige zeggenschap verkrijgt over de schenking. Klassiek voorbeeld hiervan is de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. De waardering zal dan plaatsvinden op het moment dat de begiftigde daadwerkelijk de volle eigendom verwerft.

Nieuwe regels of toch nog het oude erfrecht?

De nieuwe regels zijn van toepassing op alle nalatenschappen die zijn opengevallen sinds 1 september 2018. Schenkingen door de erflater gedaan voor deze datum zijn eveneens gevat door het nieuwe erfrecht. Planningen en schenkingen van vele jaren voor het overlijden kunnen zo ernstig verstoord worden door de nieuwe wetgeving.

De wetgever voelde zelf aan dat dit tot ongewenste en vervelende gevolgen zou kunnen leiden. Daarom is voorzien in de mogelijkheid om  te opteren voor de oude regels. Dit kan door voor 1 september 2019 een verklaring van behoud af te leggen voor notaris. Het is een wel een verhaal van all or nothing. De verklaring heeft namelijk gevolgen voor alle schenkingen gedaan voor 1 september 2018. Cherry picking is dus uitgesloten.

De noodzaak tot het afleggen van een verklaring van behoud vraagt een individuele benadering. Elke successieplanning is immers anders en heeft haar eigen specifieke omstandigheden.

Conclusie

Het is aangewezen om na te gaan of de nieuwe erfregels impact hebben op uw planning. Tot 31 augustus 2019 is het mogelijk om een verklaring van behoud af te leggen. Let wel: het onnodig uitstellen van de verklaring is niet zonder risico. Indien u overlijdt zonder een verklaring van behoud zijn de nieuwe waarderingsregels inzake inbreng en inkorting automatisch van toepassing.

Maak een afspraak met een van onze juristen indien u vragen hebt. aternio zoekt samen met u naar de juiste oplossing.