Onbelast bijklussen in verenigingen: vergeet de overeenkomst niet

Sinds 15 juli 2018 is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden tot 6.130 euro (geïndexeerd bedrag 2018) per jaar bij te verdienen zonder dat men hierop belastingen of sociale bijdragen betaalt.

Het moet gaan om occasionele betaalde diensten van burger tot burger, activiteiten in de deeleconomie of verenigingswerk. Daar waar de eerste twee categorieën informeel zijn is dit niet het geval voor het onbelast bijklussen bij een vereniging of openbaar bestuur. Daarom moet een 'verenigingswerker' een aantal voorwaarden en formaliteiten in acht nemen.

Wie kan bijklussen?

Het is noodzakelijk dat men behoort tot één van de volgende drie categorieën:

  • werknemer met minstens 4/5 tewerkstelling;
  • zelfstandige in hoofdberoep; of
  • gepensioneerde.

Voor een zelfstandige moeten de bijklusactiviteiten duidelijk verschillen van de activiteiten in hoofdberoep. Een zelfstandige sportcoach mag dus niet onbelast bijklussen als sportcoach.

Zij die hun loopbaan onderbreken via tijdskrediet of thematisch verlof, kunnen alleen onbelast bijklussen als zij in het 3de kwartaal vóór dat waarin zij bijklussen, een gemiddelde tewerkstelling van minstens 80% hadden. Voor wie 1/5 Vlaams zorgkrediet neemt, gelden specifieke voorwaarden om een nevenactiviteit te mogen uitoefenen.

Verenigingswerk

Het onbelaste betaalde verenigingswerk moet men onderscheiden van het vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk is informeel en onbetaald. Hoogstens kan een vrijwilliger een onkostenvergoeding krijgen die cumulatief nooit hoger mag zijn dan respectievelijk  34,03 euro per dag en 1.361,23 euro per jaar (aanslagjaar 2019).

Daarentegen is verenigingswerk formeel en betaald. Het betreft in elk geval werk dat buiten het professionele circuit valt. Er is voorzien in een formele lijst van toegelaten activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om monitors, sporttrainers, gidsen, jurylid, terreinverzorgers-materiaalmeesters, speelpleinwerkers of begeleiders van schooluitstappen. De onbelaste inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 510,83 euro per maand en 6.130 euro per jaar (aanslagjaar 2019). Deze bedragen worden gecumuleerd bekeken met de inkomsten uit occasionele diensten van burger tot burger. Voor de inkomsten uit deeleconomie geldt enkel het grensbedrag op jaarbasis.
Behoudens wanneer de vereniging ook geen onkostenvergoeding betaalt kan men niet voor dezelfde vereniging zowel vrijwilligers- als verenigingswerk doen.

Schriftelijke overeenkomst

De wetgever voorziet inzake verenigingswerk in de expliciete verplichting tot het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Ten laatste op het ogenblik van de effectieve aanvang van het verenigingswerk moet de overeenkomst zijn gesloten. Indien er bij aanvang geen overeenkomst is gesloten kunnen de diensten niet worden beschouwd als verenigingswerk.

Het model van standaardovereenkomst, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bevat de (minimaal) verplichte items:

  • voorwerp van de overeenkomst;
  • duurtijd;
  • plaats en omvang van het verenigingswerk;
  • vergoeding van het verenigingswerk;
  • verzekeringen;
  • beëindiging en schorsing van de overeenkomst;
  • deontologie;
  • eerbieding van de maximumvergoeding;
  • inlichtingen en voorschriften inzake risico's en welzijn verbonden aan het verenigingswerk;  en
  • de voorafgaandelijke aangifte in de webtoepassing.

Indien de overeenkomst wordt geschorst heeft de verenigingswerker, tijdens de schorsing, geen recht op een vergoeding.

e-Procedure

De vereniging die beroep doet op een verenigingswerker moet zich verder via de elektronische applicatie bijklussen.be aanmelden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De verenigingswerker heeft geen verplichting op dit vlak. Evenwel kan hij zich aanmelden om na te gaan of enerzijds nog mag worden bijgeklust of anderzijds de vereniging aangifte heeft gedaan.


Huwen met (zuivere) scheiding van goederen

Het huwelijksvermogensrecht heeft sinds 1 september 2018 een heuse make-over beleefd. Eerder hebben we het al gehad over het gemeenschappelijk stelsel. Er is ook nog het stelsel van scheiding van goederen.

De wetgever heeft met het idee is gespeeld om de zuivere scheiding van goederen niet langer toe te staan. Uiteindelijk is het ook na 1 september 2018 nog mogelijk om de keuze te maken voor een stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Scheiding van goederen: zuiver of niet?

Wat is dat scheiding van goederen? Het stelsel van scheiding van goederen kent twee substelsels: de zuivere scheiding en de scheiding met corrigerende clausules.

De zuivere scheiding van goederen is het meest drastisch. Er is namelijk géén gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot heeft enkel zijn of haar eigen vermogen. Vanzelfsprekend kunnen de echtgenoten wel samen goederen bezitten in onverdeeldheid. Tegenstanders van het behoud van de zuivere scheiding vonden dat liefde en vermogensrechtelijke solidariteit moeten primeren. Uiteindelijk hebben de voorstanders het gehaald en geldt contractuele vrijheid ook bij een huwelijk. Maar ...

Voortaan geldt een dubbele set van bepalingen vooraleer men kan huwen onder zuivere scheiding van goederen. Ten eerste bepaalt de wet zelf welke corrigerende bepalingen mogelijk zijn. Het beding van verrekening van aanwinsten is hierbij de grote promotiekampioen, hierover dadelijk meer. Ten tweede krijgt de notaris een duidelijke informatieplicht. In het huwelijkscontract moet namelijk expliciet verwezen worden naar de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.

Bewijs van schuldvordering en andere aanpassingen

Zowel het bewijs van eigendom als het bewijs van schuldvordering kan voortaan geleverd worden door getuigen, vermoedens en 'algemene bekendheid'. Het wettelijk bewijssysteem en de eis voor een geschrift vanaf 375 euro gelden niet tussen echtgenoten.

De echtgenoot die goederen heeft beheerd van de andere moet zich verantwoorden over het beheer en in het bijzonder de inkomsten die tijdens dit beheer zijn geïnd. Hiermee volgt de wetgever het Grondwettelijk Hof dat eerder had geoordeeld dat de verplichting tot rekening en verantwoording essentieel zijn voor elke lastgeving. De echtgenoot-beheerder is dus niet vrijgesteld van deze verantwoording.

Het verkoopverbod tussen echtgenoten is afgeschaft en er is geen rechterlijke machtiging meer nodig bij aankoop van het aandeel van de andere echtgenoot in een onverdeeld goed.

Corrigerende clausules

Zoals al aangeven is het mogelijk om het stelsel van de scheiding van goederen te modaliseren. In dit geval is er geen sprake meer van zuivere scheiding van goederen. Uiteraard moeten de toegevoegde bedingen verenigbaar zijn met het stelsel van scheiding van goederen.

Voorbeelden van toegelaten corrigerende clausules zijn bedingen met betrekking tot bewijsvoering inzake eigendom en schuldvordering, verrekenbedingen tussen vermogens, bedingen inzake regeling van onverdeeldheden die tussen echtgenoten zouden bestaan.

Het gevaar schuilt vooral in de externe werking (ten aanzien van schuldeisers) bij de creatie van een gemeenschap , een doel- of bestemmingsvermogen of onverdeeldheid. Zolang geen regels van het gemeenschappelijk stelsel van toepassing worden verklaard is er geen punt. De toevoeging van een verrekenbeding zorgt niet voor problemen op dit vlak.

Verrekenbedingen

Al wie een beding van verrekening van aanwinsten toevoegt, is onderworpen aan wettelijke bepalingen terzake (art. 1469/1 tot /13 BW). De wet bepaalt hoe men de vergelijking maakt tussen het eindvermogen en het aanvangsvermogen.  Dit verschil is de vermogensaanwas. De echtgenoot die meer vermogensaanwas heeft verwezenlijkt dan de andere echtgenoot is een bedrag verschuldigd gelijk aan de helft van het verschil.

De precieze vaststelling van het aanvangs- en eindvermogen is eveneens wettelijk geregeld. Zo moet men rekening houden met schulden, erfenissen en schenkingen of het verkwistend of bedrieglijk omgaan met het vermogen. De wet laat toe dat echtgenoten afwijken van de wettelijke regels. Het is dus perfect mogelijk om de verrekening te beperken tot enkele goederen of andere verrekensleutels te voorzien bij overlijden of echtscheiding.

Huwelijksvoordelen

Huwelijksvoordelen zijn de voordelen die ontstaan uit de werking, de samenstelling en de vereffening of verdeling van het stelsel. In principe is een toegekend huwelijksvoordeel nooit een gift en dus niet onderworpen aan de schenkingsregels. Dit is absoluut het geval bij een gelijke verdeling van aanwinsten. Hetgeen impliceert dat kinderen niet kunnen inroepen dat hun erfrechtelijke reserve is aangetast. Dit is ook zo in een stiefouderrelatie.

Bij een stelsel van scheiding van goederen, bijvoorbeeld aangevuld met een verrekenbeding, of een intern gemeenschappelijk vermogen, zal het toegekende voordeel aan de langstlevende niet als een gift worden aanzien. Geen risico op inkorting mits rekening te houden met de wettelijke bepalingen inzake samenloop met gemeenschappelijke (en eventueel niet gemeenschappelijke) kinderen.

Billijkheidscorrectie bij echtscheiding

Echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen kunnen bij echtscheiding aan de rechter vragen om een billijkheidscorrectie. Dergelijke correctie is een compensatie onder de vorm van een beperkte verrekening van aanwinsten. Voorwaarden zijn wel dat de verzoekende echtgenoot kan aantonen dat (a) de omstandigheden sinds het sluiten van het huwelijkscontract onvoorzien en ongunstig zijn gewijzigd en (b) dat er niet voldoende eigen vermogen is.

Door de rechterlijke correctie is het mogelijk om de manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot te remediëren. De compensatie is beperkt tot één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk, verminderd met de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoeker.

Een eenvoudig voorbeeld ter illustratie. De vrouw heeft aanwinsten voor 800 en de man heeft aanwinsten van 100. Samengevoegd is dit 900. Mits te voldoen aan de voorwaarden kan de man daarvan één derde eisen (300) verminderd met de eigen aanwinsten (100). De rechter kan maximaal 200 toekennen.

Echtgenoten kunnen ervoor opteren deze billijkheidscorrectie contractueel uit te sluiten. Ze is immers niet dwingend van aard. Een uitsluiting vereist wel dat de keuze expliciet wordt gemaakt in het huwelijkscontract. Bovendien  is de notaris op straffe van aansprakelijkheid verplicht de echtgenoten op de keuze te wijzen en de notaris maakt hiervan ook uitdrukkelijk melding.

De billijkheidscorrectie geldt niet voor echtgenoten die voor 1 september 2018 zijn gehuwd, ongeacht de datum waarop ze uit de echt scheiden.

Conclusie

Huwen onder zuivere scheiding van goederen is nog altijd toegestaan. De mogelijkheden om een stelsel van scheiding van goederen te moduleren met corrigerende clausules maakt het het stelsel interessant. De keuze voor een rechterlijke billijkheidsclausule kan bij echtscheiding helpen om de manifest onbillijke gevolgen na onvoorziene en ongunstige wijzigingen te beperken.

Samen met uw notaris kunnen de juristen van aternio u helpen bij het maken van de meest aangewezen keuze.


Wettelijk stelsel: beroepsinkomsten en professionele autonomie in het nieuw

Zoals reeds in een introductiebijdrage is geschreven is het Belgisch huwelijksvermogensrecht sinds 1 september 2018 vernieuwd. Zo zijn een aantal nieuwe regels geïntroduceerd inzake het wettelijk stelsel met  betrekking tot beroepsinkomsten en professionele autonomie.

Wettelijk stelsel - gemeenschap van aanwinsten

De basis van het wettelijk stelsel is door de nieuwe wetgeving niet veranderd. Het is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Wat impliceert dat vooral de beroepsinkomsten vallen binnen het gemeenschappelijk vermogen, net zoals de spaaropbrengsten die deze inkomsten genereren. Alle bezittingen (activa) en alle schulden (passiva) waarvan men niet kan bewijzen dat ze eigen zijn, zijn gemeenschappelijk.

Elke bijzaak (accessorium) van een eigen goed is voortaan ook een eigen goed. Hierbij bestaat geen onderscheid tussen roerende en onroerende goederen. Daarenboven is een roerend goed eigen zodra het voor meer dan vijftig percent betaald is met eigen gelden.

Beroepsinkomsten

Enkel de beroepsinkomsten waarvan het recht op die inkomsten is ontstaan door arbeid of prestaties tijdens het bestaan van de huwgemeenschap vallen in de gemeenschap. Wat ervoor of erna is verdiend valt er buiten. Dit is nu in het bijzonder geregeld voor de opzeggingsvergoeding en de vergoeding van persoonlijke schade.

De opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst komen aan de gemeenschap toe voor dat deel dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het wettelijk stelsel loopt.

Bij uitkeringen ter vergoeding van persoonlijke schade, bijvoorbeeld naar aanleiding van een arbeids- of verkeersongeval, onderscheiden de schadecomponenten zich ook voor het huwelijksvermogensstelsel. Wat betekent dit concreet?

Schadevergoeding tot herstel van persoonlijke ongeschiktheid die geen betrekking hebben op economische waardeerbare gevolgen van aangetaste fysieke of psychische integriteit, is eigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vergoedingen die pijnen of beperkingen, als gevolg van het letsel, compenseren in het dagelijkse leven.

Schadevergoedingen die daarentegen huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel compenseren behoren toe aan de gemeenschap. Hiervan is sprake bij vergoedingen voor de aantasting van het potentieel om huishoudelijke, professionele of lucratieve taken te verrichten. Ook de vergoeding voor de aantasting van de concurrentiekracht op de arbeidsmarkt is hiervan een voorbeeld.

Professionele autonomie

Hoewel de beroepsinkomsten tot de gemeenschap behoren moet elke echtgenoot voldoende autonomie hebben om een eigen professionele loopbaan te ontwikkelen. Inmenging van de andere echtgenoot in deze keuze is in principe niet geoorloofd.

Dit blijkt voldoende uit het basisprincipe waarbij elke echtgenoot, zolang de belangen van het gezin niet in gevaar komen, het recht heeft een beroep naar keuze uit te oefenen. Daarenboven int elke echtgenoot zijn eigen beroepsinkomen. Weliswaar met inachtneming van de juiste bestedingsvolgorde: beroepsinkomsten dienen bij voorrang voor de gezinslasten en het overschot mag vervolgens professioneel besteed worden.

In het verlengde van de professionele autonomie geldt dat elke echtgenoot eigenaar kan zijn van zijn professionele uitrusting. Dit laatste ook bij ontbinding van het stelsel.

Professionele uitrusting

De opsplitsing tussen het titularis zijn van het recht ('titre') en de vermogenswaarde ('finance') van het goed geldt voortaan ook voor de professionele uitrusting. Het recht om te handelen als eigenaar van de professionele uitrusting is eigen, de vermogenswaarde op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel is daarentegen gemeenschappelijk.

Goederen, zowel onroerend als roerend, die een echtgenoot exclusief professioneel gebruikt zijn zonder meer eigen. Bijgevolg kan deze echtgenoot zich ook als eigenaar ('titre') gedragen. Dit is niet zo wanneer de echtgenoten samen het beroep of het bedrijf uitbaten. Voor goederen die door één van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn gekocht, komt de vermogenswaarde ('finance') toe aan de gemeenschap.

Als alleen de vermogenswaarde gemeenschappelijk is komt de 'finance' alleen toe aan de gemeenschap op het moment van verkoop of bij ontbinding van het stelsel. Opgelet: dit is dus niet de waarde op het ogenblik van verdeling.

Cliënteel

Het cliënteel komt exclusief en persoonlijk toe aan de beroepsactieve echtgenoot. Dit is volledig naar analogie met autonome beoefening van het beroep of de uitbating van het bedrijf.

De waarde van het cliënteel is gemeenschappelijk voor zover ze tijdens het stelsel is opgebouwd. In tegenstelling tot de vermogenswaarde van de professionele uitrusting of de aandelen in een professionele vennootschap geldt hier de economische waarde. Met andere woorden het cliënteel moet (a) ten gelde kunnen worden gemaakt en (b) verhandelbaar zijn. Is dit niet het geval dan is er geen sprake van waarde.

Oefenen de echtgenoten samen hetzelfde beroep uit dan is er vanzelfsprekend geen 'titre" en 'finance'. Het cliënteel, opgebouwd tijdens het stelsel, is dan zonder meer gemeenschappelijk. Van preferentiële toewijzing is geen sprake.

Aandelen in een professionele vennootschap

Vennootschapsaandelen op naam van één echtgenoot, verworven met gemeenschappelijke gelden, kunnen toch eigen zijn. Dit kan echter slechts voor aandelen van twee soorten vennootschappen.

Vooreerst gaat het om aandelen van een vennootschap waar slechts één echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent. Tweede type is de vennootschap waarbij het intuitu personae karakter in hoofde van de echtgenoot-aandeelhouder essentieel is. Deze persoonsgebondenheid kan objectief vastgesteld worden aan de hand van bijvoorbeeld overdraagbaarheidsbeperkingen of voorkoopclausules in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst.

In alle andere vennootschappen zijn de aandelen ofwel eigen ofwel gemeenschappelijk. Bij gemeenschappelijke aandelen is preferentiële toewijzing uitgesloten.

Neutraliteit van beroepsuitoefening via vennootschap

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht wil vermijden dat de gemeenschap nadeel ondervindt van het feit dat één echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent via een vennootschap. Vanzelfsprekend is dit niet zo wanneer de aandelen toebehoren aan de gemeenschap. De vermogenswaarde is dan gemeenschappelijk, net als het loon en de dividenden die worden uitgekeerd.

Anders is het wanneer de aandelen volledig eigen zijn aan de echtgenoot. Dit is zo met aandelen die de echtgenoot bezat voor het huwelijk of die verkregen zijn uit een schenking of een erfenis. Het hoeft weinig toelichting dat de echtgenoot de inkomstenstromen kan 'sturen' waardoor de gemeenschap is benadeeld. Een beperkte loontoekenning of  winstuitkering zijn hiervan voorbeelden.

De nieuwe wetgeving heeft daarom een vergoedingsregeling uitgewerkt. Met name voorziet zij in een compensatie voor niet geïnde nettoberoepsinkomsten die de gemeenschap redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet via een eigen vennootschap was uitgeoefend. De waardevermeerdering van de aandelen  blijft buiten schot. De beweegredenen voor de minder ontvangsten zijn irrelevant. Het doet er dus niet toe of het bijvoorbeeld kwaadwillig was of om fiscale redenen.

De 'benadeelde' mede-echtgenoot kan op basis van een vergelijkende analyse proberen aantonen dat dezelfde beroepsactiviteit in een ander kader, zelfstandig of in vennootschap met niet eigen aandelen, meer had gegenereerd. Het is dat meerdere dat bij de ontbinding van het stelsel voor de gemeenschap kan worden opgeëist.

De 'onderbetaalde' echtgenoot kan zich verdedigen tegen deze eis tot vergoeding. Op basis van voor te leggen vennootschapsdocumenten kunnen argumenten voor de mindere inkomstenstroom naar voor worden geschoven. Indien partijen het hierover niet eens worden zal de rechter, na tussenkomst van een expert, oordelen.

Toepassing in de tijd

Inzake opzeggingsvergoeding en vergoeding van persoonlijke schade gelden de regels ook voor uitkeringen verkregen voor 1 september 2018. De nieuwe regels inzake professionele autonomie (uitrusting, cliënteel, aandelen) en neutraliteit gelden voor al wie gehuwd is voor 1 september 2018  enkel voor verkregen goederen respectievelijk gederfde inkomsten vanaf die datum.

Conclusie

Huwen onder het wettelijk stelsel is nog steeds een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. De wijzigingen die aangebracht zijn op vlak van hebben vooral de werking van het stelsel verduidelijkt en logischer gemaakt. De professionele autonomie wordt extra in de verf gezet. Bijzonder zijn dan weer de regels rond de neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap waarbij vrijwaring van de gemeenschap voorop staat.


Huwen is sinds 1 september 2018 (een beetje) anders

Niet alleen het erfrecht zit sinds 1 september 2018 in een nieuw jasje, ook het huwelijksvermogensrecht is sinds die datum aangepast. Deze bijdrage is de aanzet van een korte reeks rond huwen en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan.

Starten doen we alvast met de algemene bepalingen van het primair en secundair huwelijksstelsel. Primair zijn de dwingende regels die voor iedereen gelden en secundair zijn de algemene of specifieke regels verbonden met het gekozen huwelijksstelsel.

Primair huwelijksstelsel

Het primair huwelijksstelsel betreft de wettelijke regels die van openbare orde zijn en die aldus voor iedereen gelden,  ongeacht het huwelijksvermogensstelsel waaronder zij gehuwd zijn. Het zijn de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten ontstaan door het loutere feit van het huwelijk. In geen geval kan afgeweken worden van de regels opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (art. 212-224 BW).

Het Burgerlijk Wetboek bevat onder meer bepalingen inzake:

  • de gezinslasten (kosten van het huishouden en het huwelijk) waarin beide echtgenoten in verhouding tot hun mogelijkheden moeten bijdragen en waarvoor ze tegen derden in principe hoofdelijk gehouden zijn;
  • de keuze en de bescherming van de gezinswoning;
  • de uitoefening van een beroep;
  • de mogelijkheden om bij echtelijke moeilijkheden beschermende of bestraffende maatregelen te vragen aan de familierechtbank.

De principes en de bepalingen van het primair huwelijksstelsel zijn niet gewijzigd door de nieuwe huwelijksvermogenswet.

Secundair huwelijksstelsel - algemeen

Een aantal van de algemene bepalingen die gelden ongeacht de verdere de keuze voor een gemeenschap of een scheiding van goederen zijn behouden, andere zijn dan weer gewijzigd (art. 1387 tot 1397/1 BW).

Ongewijzigd zijn:

  • de keuzevrijheid voor de echtgenoten om het huwelijksstelsel uit te werk naar hun goeddunken;
  • de neerslag van deze expliciete keuze gebeurt bij notariële akte;
  • het principe dat het stelsel in werking treedt vanaf het aangaan van het huwelijk;
  • de mogelijkheid en de formaliteiten om het gekozen huwelijksstelsel later te wijzigen.

Gewijzigd daarentegen zijn:

  • de modaliteiten om in het huwelijkscontract bindende erfafspraken te maken wanneer er kinderen zijn uit een vorige relatie  (zogenaamde 'Valkeniersbeding');
  • de preferentiële toewijzing van goederen na ontbinding van een gemeenschapsstelsel;
  • de huwelijksvermogensrechtelijke heling.

Valkeniersbeding

Het Valkeniersbeding, genoemd naar de oud-politicus Jef Valkeniers, maakt het mogelijk om in het huwelijkscontract afspraken te maken over de rechten die de langstlevende zal hebben in de nalatenschap van de eerst stervende. Hierdoor kunnen de rechten van kinderen uit een eerdere relatie worden beschermd. Voortaan moeten daartoe volgende voorwaarden zijn vervuld.

  1. Minstens één van de echtgenoten heeft op het ogenblik van het huwelijkscontract één of meer kinderen uit een vorige relatie. Er moet met andere woorden sprake zijn van een stiefouderrelatie.
  2. De regeling die de echtgenoten uitwerken moet niet wederkerig zijn. Hierbij kunnen erfrechten worden toegekend die afwijken van het minimaal voorbehouden vruchtgebruik voor de langstlevende.
  3. De langstlevende kan niet verzaken aan het recht van bewoning (en het recht van gebruik van de inboedel) van de gezinswoning voor een periode van zes maanden vanaf het overlijden van de eerst stervende. Bijgevolg kan de langstlevende nooit gedwongen worden om de gezinswoning sneller te verlaten. Een langere termijn of zelfs een tijdelijk vruchtgebruik kunnen wel in het Valkeniersbeding worden opgenomen.
  4. Vermits het Valkeniersbeding de facto een verzaking inhoudt van de erfrechten gelden de wettelijke termijnen van informatie en beraad zoals bij andere erovereenkomsten. Nog snel vlak voor het huwelijk een huwelijkscontract opstellen met een Valkeniersbeding is hierdoor onmogelijk.

Preferentiële toewijzing

Bij ontbinding van het huwelijksstelsel, als gevolg van overlijden of echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, kan men vragen om bepaalde goederen bij voorkeur toe te wijzen.

Dergelijke preferentiële toewijzing is mogelijk voor de gezinswoning, de inboedel en de professionele goederen. Het is totaal onbelangrijk of het echtpaar gehuwd was onder gemeenschap of  onder scheiding van goederen.

Voor de gezinswoning is het irrelevant of de woning een gemeenschapsgoed is dan wel in onverdeeldheid toebehoort aan beide echtgenoten. Latere afzonderlijke toewijzing voor de inboedel is perfect mogelijk. De echtgenoot die slachtoffer is van gezinsgeweld door de andere echtgenoot heeft in principe voorrang op de gezinswoning.

Inzake de professionele goederen is het basisprincipe dat alle professionele goederen, die niet eigen zijn,  in aanmerking komen. Daarom kan niet enkel het professioneel onroerend goed maar ook de (on)roerende uitrusting het voorwerp zijn van een preferentiële toewijzing.

Huwelijksvermogensrechtelijke heling

Een echtgenoot die gemeenschappelijke of onverdeelde goederen aan de verdeling wil onttrekken door het bestaan ervan opzettelijk te verzwijgen maakt zich schuldig aan heling. Dit geldt ook bij het bewust achterhouden van gegevens waardoor een verrekenbeding geen correcte uitwerking heeft.

Informatie verzwijgen of valse verklaringen afleggen, leidt tot sanctionering. In concreto betekent dit dat de echtgenoot, die zich schuldig maakt aan heling, zijn aandeel verlies in de geheelde goederen of waarden of ten belope van deze goederen of waarden in de berekening van de verrekenvordering. De sanctie kan vermeden worden door spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie te verstrekken of de valse verklaringen recht te zetten.

Toepassing in de tijd

De nieuwe regels gelden voor iedereen die vanaf 1 september 2018 in het huwelijk treedt. Voor zij die gehuwd zijn voor deze datum en het ook nog zijn op 1 september 2018 blijft het toepasselijk huwelijksstelsel onverminderd gelden.

De regels inzake preferentiële toewijzing en heling gelden niet alleen voor de huwelijken afgesloten vanaf 1 september 2018.  maar ook voor huwelijken afgesloten voor deze datum waarbij de ontbinding plaatsvindt na 1 september 2018.  Bij echtscheidingen gelden de nieuwe regels niet wanneer het verzoek tot echtscheiding dateert van voor 1 september 2018.

Conclusie

De make-over van het huwelijksvermogensrecht zorgt alvast voor een meer hedendaagse wetgeving. Het is alvast duidelijk dat de modaliteiten van het Valkeniersbeding zijn gewijzigd, evenals de bepalingen inzake de preferentiële toewijzing. Een echtgenoot die zich schuldig maakt aan huwelijksvermogensrechtelijke heling kan enkel ontsnappen aan een sanctie door tijdig berouw te tonen. De impact en de toepassing in de tijd op het wettelijk stelsel en het stelsel van scheiding van goederen komen aan bod in volgende bijdragen.


Voorzieningen voor risico's en kosten: ter herinnering!

Vanaf aanslagjaar 2019  zijn de fiscale optimalisatiemogelijkheden middels het aanleggen van voorzieningen voor risico’s en kosten sterk beperkt. Dit is te danken aan de hervormingswet van 25 december 2017.  Wat zijn de voorwaarden waarbij dergelijke voorzieningen met Belgische belastingvrijstelling kunnen worden aangelegd?

Voorwaarden belastingvrijstelling

Voor de boekjaren die aanvangen op 1 januari 2018 zijn voorzieningen voor risico's en kosten enkel nog fiscaal aftrekbaar onder volgende voorwaarden. De voorzieningen vloeien voort uit:

(1) verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbare tijdperk; of

(2) wettelijke of reglementaire verplichtingen maar het mag dan niet gaan om verplichtingen die louter voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering.

Deze nieuwe fiscale regels gelden zowel voor nieuwe voorzieningen als voor toevoegingen aan reeds bestaande voorzieningen die vanaf aanslagjaar 2019 gebeuren.

Geen limitatieve lijst

In antwoord op een parlementaire vraag verduidelijkt de minister van Financiën dat er geen limitatieve lijst komt van niet-vrijgestelde voorzieningen. Het komt er dus op neer dat de onderneming zelf geval per geval zal moeten oordelen of een voorziening kan worden aangelegd met  belastingvrijstelling.

Verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van het matching principe op boekhoudrechtelijk vlak zijn zonder meer uitgesloten. Dit principe houdt in dat de kosten (en opbrengsten) zoveel als mogelijk toegerekend worden aan de periode waar ze betrekking op hebben.

Het is alvast ook duidelijk dat een voorziening voor grote herstellingen- en onderhoudswerken niet voldoet aan de nieuwe voorwaarden. Dergelijke voorziening vloeit immers voort uit de éénzijdige wil van de vennootschap. De minister herneemt hiermee het voorbeeld  dat reeds is aangehaald in de voorbereidende werkzaamheden bij de hervormingswet.

Wel aftrekbaar

Voorzieningen die voortvloeien uit een overeenkomst die de onderneming heeft afgesloten met derden  komen wel in aanmerking voor fiscale aftrekbaarheid. In dit geval is namelijk voldaan aan de voorwaarden zoals door de minister aangehaald. Er is dan (a) geen sprake van éénzijdige wil van de onderneming én (b) er is een contractuele verplichting.

Natuurlijk moet dergelijke overeenkomst beantwoorden aan een economische realiteit. Het kunstmatig creëren van een overeenkomst louter met het oog op het bekomen van een belastingvrijstelling zal een fiscale toetsing niet doorstaan.

Volgende voorzieningen voor risico’s en kosten doorstaan in principe de toetsing van de fiscale aftrekbaarheid:

  • voorzieningen voor contractuele garantieverplichtingen;
  • voorzieningen voor wettelijke milieuverplichtingen; of
  • voorzieningen voor ontslagkosten.

Conclusie

Ondernemingen zullen de nodige fiscale aandacht moeten schenken bij het aanleggen van nieuwe of aanvullen van bestaande voorzieningen voor risico's en kosten. De fiscus zal alvast met meer dan een gezonde interesse kijken naar de voorzieningen opgenomen in de jaarrekening.

Daarom zal een onderneming nog meer dan vroeger haar documentatie moeten verzorgen van boekhoudkundig aangelegde voorzieningen. Een fiscaal aftrekbare voorziening moet het gevolg zijn van contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen. Verplichtingen die voortvloeien uit het boekhoudrecht beantwoorden hier alvast niet aan.

Vr. en Antw. Kamer 2017-2018, nr. 54-157, 350.


Inbreng en inkorting sinds 1 september 2018. Planning never stops.

Over het nieuwe erfrecht is veel te zeggen. Dat hebben we ondertussen ook al meermaals gedaan. De waarderingsregels rond inbreng en inkorting naar aanleiding van een schenking ontsnappen evenmin aan de hervormingen. Schenkingen gedaan voor 1 september 2018 kunnen evenwel nog onder de oude erfrechtelijke regels vallen. Hoe zit het juist ?

Inbreng en inkorting

Een schenking kan gebeuren hetzij als voorschot op erfdeel hetzij buiten erfdeel. Het is aan de schenker om de keuze te maken. Hoewel de schenker bepaalt wie, wat en hoeveel krijgt, is er toch een beperking aan de beschikkingsvrijheid. Kinderen  zijn namelijk reservataire erfgenamen en dus beschermd. Het beschikbaar deel waarover de schenker vrij kan beschikken bedraagt sinds 1 september 2018 vijftig percent van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen.

Is het de intentie om de erfgenamen gelijk te behandelen dan is een voorschot op erfdeel de way to go. Een rechtzetting volgt indien bij het overlijden van de schenker zou blijken dat een erfgenaam meer heeft gekregen dan waar hij recht op had. Dergelijke rechtzetting door de begiftigde is een inbreng. Sinds 1 september 2018 is er enkel nog onderlinge inbrengverplichting voor de afstammelingen van de schenker. Door en ten aanzien van de langstlevende echtgenoot is er onder het nieuwe erfrecht geen inbrengverplichting meer.

Met een schenking buiten erfdeel kan men aan een begiftigde meer geven dan zijn erfdeel. Zodra echter de schenking het beschikbaar deel overschrijdt kan een (gedeeltelijke) inkorting van de schenking gebeuren.

Wijze en waardering van inbreng en inkorting

Onder het oude erfrecht waren de inbreng- en inkortingsregels uiteenlopend:

  • inbreng van een roerende schenking in waarde,  gewaardeerd op het ogenblik van de schenking;
  • inbreng van een onroerende schenking in natura , gewaardeerd op datum van verdeling;
  • inkorting van roerende en onroerende schenkingen in natura, gewaardeerd op datum van verdeling.

Deze regels zorgden niet zelden voor ongelijke en ongewenste situaties. Daarom is er in het nieuwe erfrecht geen onderscheid meer tussen inbreng en inkorting en is ook het voorwerp (roerend of onroerend) van de schenking niet langer relevant. Inbreng en inkorting van roerende en onroerende schenkingen gebeuren uitsluitend nog in waarde. De waardering gebeurt in principe op het ogenblik van de schenking.

Genoemde waarde wordt wel geïndexeerd. Vanaf de schenkingsdatum tot de dag van het overlijden van de schenker vindt indexering plaats volgens de index van de consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker met als basisindex de index van de maand van de schenking.

Toch is de schenkingsdatum niet altijd het peilpunt voor de waardering. Dit is zo indien de begiftigde op het ogenblik van de schenking niet de volledige beschikking heeft over de geschonken goederen. In dergelijke situatie zal het geschonken goed pas gewaardeerd worden op het ogenblik dat de begiftigde de volledige zeggenschap verkrijgt over de schenking. Klassiek voorbeeld hiervan is de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. De waardering zal dan plaatsvinden op het moment dat de begiftigde daadwerkelijk de volle eigendom verwerft.

Nieuwe regels of toch nog het oude erfrecht?

De nieuwe regels zijn van toepassing op alle nalatenschappen die zijn opengevallen sinds 1 september 2018. Schenkingen door de erflater gedaan voor deze datum zijn eveneens gevat door het nieuwe erfrecht. Planningen en schenkingen van vele jaren voor het overlijden kunnen zo ernstig verstoord worden door de nieuwe wetgeving.

De wetgever voelde zelf aan dat dit tot ongewenste en vervelende gevolgen zou kunnen leiden. Daarom is voorzien in de mogelijkheid om  te opteren voor de oude regels. Dit kan door voor 1 september 2019 een verklaring van behoud af te leggen voor notaris. Het is een wel een verhaal van all or nothing. De verklaring heeft namelijk gevolgen voor alle schenkingen gedaan voor 1 september 2018. Cherry picking is dus uitgesloten.

De noodzaak tot het afleggen van een verklaring van behoud vraagt een individuele benadering. Elke successieplanning is immers anders en heeft haar eigen specifieke omstandigheden.

Conclusie

Het is aangewezen om na te gaan of de nieuwe erfregels impact hebben op uw planning. Tot 31 augustus 2019 is het mogelijk om een verklaring van behoud af te leggen. Let wel: het onnodig uitstellen van de verklaring is niet zonder risico. Indien u overlijdt zonder een verklaring van behoud zijn de nieuwe waarderingsregels inzake inbreng en inkorting automatisch van toepassing.

Maak een afspraak met een van onze juristen indien u vragen hebt. aternio zoekt samen met u naar de juiste oplossing.


Vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot. Eén twéé achterwaarts.

Ons Belgisch erfrecht is sinds 1 september 2018 grondig gewijzigd. Het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot is hiervan een sprekend voorbeeld. Deze bijdrage staat stil bij twee fundamentele aspecten inzake vruchtgebruik van de langstlevende.  Het  verdwijnen van de inbrengverplichting ten aanzien van de afstammelingen én de creatie van het wettelijk toegekend opvolgende vruchtgebruik. Klinkt ingewikkeld? Hier gaan we.

Schenkingen aan afstammelingen: weg is de inbrengverplichting

Wanneer een echtgenoot een schenking doet aan de kinderen, als voorschot op erfdeel, was het vroeger zo dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik genoot op de in volle eigendom geschonken goederen. De afstammelingen hadden immers een inbrengverplichting van het vruchtgebruik van deze goederen. De langstlevende partner had zelfs recht op dit vruchtgebruik voor goederen die zijn geschonken voor het huwelijk was afgesloten.

Deze inbrengverplichting door de afstammelingen was uitgesloten wanneer dergelijke schenking gebeurde met toestemming van de echtgenoot. In dit geval werd de schenking geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng. Ten aanzien van de langstlevende echtgenoot werd de schenking beschouwd als buiten erfdeel en had deze in principe geen vruchtgebruik meer. Tenzij de wettelijke reserve van de langstlevende geschonden is én de inkorting werd gevraagd. Onder het oude erfrecht gebeurde de inkorting in natura.

Met het nieuwe erfrecht is de inbrengverplichting ten aanzien van de langstlevende echtgenoot afgeschaft. Een schenking in volle eigendom, als voorschot of erfdeel, aan de afstammelingen wordt voor het vruchtgebruik behandeld als een schenking buiten erfdeel. De langstlevende echtgenoot kan aldus een vordering tot inkorting instellen bij aantasting van zijn of haar reserve. Sinds 1 september 2018 gebeurt dergelijke inkorting in waarde.

De langstlevende echtgenoot heeft ook geen erfrechtelijke aanspraken meer op schenkingen die zijn gebeurd voor het huwelijk. Het is niet mogelijk om inkorting te vragen van schenkingen die hebben plaatsgevonden op een ogenblik dat er nog geen huwelijk was. De kinderen moeten bij het aanvaarden van de schenking m.a.w. geen rekening houden met de mogelijkheid dat de schenkende ouder (her)trouwt.

Wettelijk toegekend vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot

Nu de inbrengverplichting bij een schenking als voorschot op erfdeel ten aanzien van de langstlevende echtgenoot is afgeschaft, heeft de langstlevende echtgenoot in principe ook geen erfrechtelijk vruchtgebruik meer op de geschonken goederen. Toch is er een nieuwe mogelijkheid om alsnog het vruchtgebruik te laten toekomen aan de langstlevende echtgenoot.

De langstlevende echtgenoot kan immers het vruchtgebruik van de overleden partner 'verderzetten', doch enkel mits naleving van drie toepassingsvoorwaarden. Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik geldt enkel op schenkingen die gebeurd zijn tijdens het huwelijk én de schenker zich zelf in de schenkingsakte het vruchtgebruik heeft voorbehouden. Bovendien moet de schenker de titularis van dit vruchtgebruik zijn gebleven tot de dag van zijn of haar overlijden. Verder mag de langstlevende echtgenoot natuurlijk niet zelf hebben verzaakt aan het vruchtgebruik tijdens het huwelijk.

De hervorming van het erfrecht heeft geen invloed op de schenkingen die dateren van voor 1 september 2018 en waarbij de overleden echtgenoot heeft geschonken aan de kinderen met voorbehoud van vruchtgebruik maar met vrijstelling van inbreng ten aanzien van de langstlevende echtgenoot. In dit geval is er geen aanspraak op vruchtgebruik meer voor de langstlevende partner.

Het wettelijk toegekend vruchtgebruik is eveneens van toepassing op de langstlevende wettelijk samenwonende maar het is beperkt tot de met voorbehoud van vruchtgebruik geschonken gezinswoning (en de hierin aanwezige huisraad). Ook hier is het cruciaal dat men wettelijke samenwonende is op het ogenblik van de schenking. Dit wettelijk toegekend vruchtgebruik blijft behouden indien men na de schenking alsnog zou trouwen.

Hoe zit het fiscaal in Vlaanderen?

Met betrekking tot de gezinswoning (en de hierin aanwezige huisraad) blijft de vrijstelling van erfbelasting gelden ten aanzien van de langstlevende echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner). Maar daar stopt het goede nieuws. Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik is voor de rest niet belastingvrij voor de langstlevende. De Vlaamse erfbelasting is namelijk ook verschuldigd op elke andere verkrijging van vruchtgebruik via het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik.

Conclusie

In vergelijking met het oude systeem leidt de hervorming van het erfrecht duidelijk tot minder rechten voor de langstlevende echtgenoot. Met dank aan de drievoudige toepassingsvoorwaarden voor het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik. Bovendien moet de langstlevende een fiscale prijs betalen in de erfbelasting indien men toch het voordeel wil van het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik.

Raadpleeg de juristen bij aternio indien u meer informatie wenst over dit of aanverwant onderwerp.

 

 


Wrongful trading: hard stick or slapstick

Het Wetboek Economisch Recht (WER) bevat een artikel waar voorzien wordt in een  aansprakelijkheids-en boedelvordering ingeval men een reddeloos verloren onderneming op een onredelijke wijze verderzet (art. XX.227 WER).

Met deze bepaling wil men bekomen dat ondernemingen in moeilijkheden ertoe worden aangezet om onverwijld herstelmaatregelen te nemen. Het artikel is een trade-off voor de  grotere flexibiliteit die het toekomstige Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) zal bieden.

Wrongful trading: op wie van toepassing?

De bepaling inzake wrongful trading is van toepassing op alle huidige of gewezen bestuurders, zaakvoerders, dagelijkse bestuurders, leden directieraad, leden raad van toezicht en feitelijke bestuurders. Deze laatst genoemden zijn alle andere personen die ten aanzien van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben (gehad). We kunnen al deze personen makkelijkheidshalve benoemen als ‘bestuurder’.

Wrongful trading geldt niet voor natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen én niet voor bestuurders van kleine vzw’s, ivzw’s en stichtingen. Bestuurders van alle andere ondernemingen, met of zonder rechtspersoonlijkheid, zullen rekening moeten houden met een mogelijke aansprakelijkheid wegens wrongful trading.

Aansprakelijkheidsvoorwaarden

Om een bestuurder aansprakelijk te stellen overeenkomstig art. XX.227 WER moeten een aantal voorwaarden zijn voldaan.

Primo moet er sprake zijn van een gefailleerde onderneming.

Secundo overtreffen de schulden de baten, i.e. een deficitair faillissement.

Tertio moeten in hoofde van de bestuurder drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan.

  • Op een bepaald ogenblik voorafgaand aan het faillissement (i.e. ijkpunt) wist de bestuurder, of behoorde te weten, dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en om een faillissement te vermijden. Dit zal in concreto worden beoordeeld. Relevante indicatoren kunnen zijn de liquiditeitspositie, de aard en de duur van de moeilijkheden, de afwezigheid van herstelmaatregelen. Boekhoudkundige opvolging en financiële analyse zijn zonder meer aandachtspunten voor elke bestuurder.
  • Op het ijkpunt bestuurder zijn.
  • Op het ijkpunt niet gehandeld hebben zoals een normaal, voorzichtig en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden. Een lichte fout, bijvoorbeeld een loutere onachtzaamheid, volstaat om de aansprakelijkheid te triggeren. Selectieve leveranciersbetalingen of abnormale verkopen van bedrijfsactiva zijn in ieder geval voorbeelden van onzorgvuldig gedrag.

Bestuurders kunnen persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort. De wet vereist in geen geval een causaal verband tussen het netto-passief en de fout van de bestuurder. Hierdoor is de regel strenger dan bij een kennelijk grove fout waar toch een (beperkt) causaal verband moet worden aangetoond.

Wie kan de aansprakelijkheidsvordering instellen?

Om geen onnodig aanmoedigingseffect te creëren voorziet de wet dat deze specifieke aansprakelijkheids- en boedelvordering uitsluitend kan worden ingesteld door de curator. De achterliggende reden is dat een individuele schuldeiser in tegenstelling tot de curator geen zicht heeft op het volledige plaatje van de onderneming.

Uiteraard blijven de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen openstaan voor de schuldeisers. Het artikel inzake wrongful trading sluit evenmin uit dat schuldeisers nog steeds individuele vorderingsrechten kunnen uitoefenen voor hun persoonlijke schade.

Wrongful trading: rightful legislation?

Het succes van de aansprakelijkheidsvordering voor wrongful trading gaat natuurlijk hand in hand met het onzekere antwoord op de vragen waar het ijkpunt zich situeert of hoe een normaal voorzichtig en zorgvuldige bestuurder in dezelfde omstandigheden zou handelen. Het zal in de praktijk niet makkelijk zijn om het ijkpunt te bepalen. Hoe ver zal men teruggaan in de tijd?

De verdeling van de opbrengst van de aansprakelijkheidsvordering zoals de wet die in art. XX.225, §5 WER voorziet is behoorlijk complex en de vraag is of dit zal bijdragen tot het succes van deze aansprakelijkheidsvordering.

Omwille hiervan kan men zich in hoofde van de curator de vraag stellen of er voldoende bereidheid zal zijn om, gezien de reeds deficitaire boedel, (dure) gerechtelijke procedures wegens wrongful trading te voeren?

Er is tot slot een link tussen wrongful trading en het toekomstige WVV. Het ontwerp van het nieuwe WVV voorziet in een algemene bestuursaansprakelijkheidsbepaling van toepassing op alle rechtspersonen én een algemene aansprakelijkheidsbeperking (“cap”) die ook geldt in geval van wrongful trading. Het is afwachten hoe het definitief WVV er zal uitzien.

Conclusie

Art. XX.227 WER is bijna een preventieve gedragsnorm voor bestuurders van ondernemingen die zich in financiële moeilijkheden bevinden. In het bijzonder is het van nabij en voortdurend opvolgen van de financiële positie van de onderneming uiterst belangrijk. Bestuurders zullen ook passende herstelmaatregelen moeten nemen zodat de onderneming niet daadwerkelijk in een reddeloos verloren toestand beland. Het louter voeren van een deficitaire onderneming is op zich geen wrongful trading. Voorwaarde is dan dat er voldoende redelijke vooruitzichten zijn op het behoud van de onderneming of haar activiteiten.

Het succes van de Belgische wrongful trading wetgeving zal evenwel afhangen van de vorderingsijver van de curatoren én van de manier waarop de rechters zullen interpreteren.


Grensoverschrijdende fiscale constructies: be aware!

Eerder hebben we reeds gesproken over richtlijn (EU) 2018/822  wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies. Hoewel de diverse Europese lidstaten, waaronder België, de richtlijn nog moeten omzetten in nationale wetgeving, is de richtlijn toch al in werking getreden op 26 juni 2018. De effectieve eerste melding zal pas moeten plaatsvinden vanaf 2020.

Zowel meldingsplichtige tussenpersonen als belastingplichtigen moeten zich bewust zijn van dit nieuwe en aanvullende wapen in de strijd tegen belastingontwijking. Het is een aanvulling op de reeds bestaande diverse nationale fiscale antimisbruikbepalingen van de lidstaten.

Welke constructies?

De richtlijn wil dat mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningsconstructies worden gemeld. Als grensoverschrijdend  wordt beschouwd de  constructie die ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land betreft.  Bovendien moet ten minste één van de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) niet alle deelnemers aan de constructie hebben hun fiscale woonplaats in hetzelfde rechtsgebied;
b) een of meer van de deelnemers aan de constructie heeft zijn fiscale woonplaats tegelijkertijd in meer dan één rechtsgebied;
c) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een bedrijf uit in een ander rechtsgebied via een vaste inrichting en de constructie behelst een deel of het geheel van het bedrijf van die vaste inrichting;
d) een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied zonder daar zijn fiscale woonplaats te hebben of zonder er een vaste inrichting te creëren;
e) een dergelijke constructie heeft mogelijk gevolgen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen of de vaststelling van het uiteindelijk belang.

Daarbij dient het constructies te betreffen die tot voornaamste, doch niet als enige, doel hebben om een belastingvoordeel te behalen (main benefit test).

Wezenskenmerken of hallmarks van de constructie

Teneinde de kosten en administratieve lasten voor zowel belastingdiensten als tussenpersonen tot een minimum te beperken en de richtlijn tot een doeltreffend afschrikmiddel  te maken moeten niet alle constructies worden gemeld. Dit is enkel het geval wanneer de grensoverschrijdende constructie één van de wezenskenmerken bezitten die in bijlage IV van de richtlijn zijn opgenomen.

Er zijn vijf categorieën van wezenskenmerken of hallmarks:
Categorie A - Algemene wezenskenmerken die aan de main benefit test zijn gekoppeld;
Categorie B - Specifieke wezenskenmerken die aan de main benefit test zijn gekoppeld;
Categorie C - Specifieke wezenskenmerken in verband met grensoverschrijdende transacties;
Categorie D - Specifieke wezenskenmerken in verband met automatische uitwisseling van inlichtingen en uiteindelijk belang; en
Categorie E - Specifieke wezenskenmerken in verband met verrekenprijzen.

Belangrijk is dat bepaalde categorieën uitsluitend in aanmerking mogen worden genomen wanneer ze voldoen aan de main benefit test.

Meldingen gekoppeld aan de main benefit test

Categorie A betreft  constructies waarbij er voorzien is in een geheimhoudingsclausule, een succes fee voor de tussenpersoon of wanneer men gebruikt maakt van een gestandaardiseerde marktklare  structuur of van gestandaardiseerde documenten.

Categorie B zijn constructies waarbij de belastingplichtige gebruik maakt van fiscale verliezen, inkomsten worden omgezet in vermogen, schenkingen of andere categorieën die lager of niet worden belast of middelen worden rondgepompt (round-tripping) door middel van tussengeschoven entiteiten zonder primair handelsdoel.

In categorie C zijn drie constructies gekoppeld aan de main benefit test. Meer bepaald die waarbij aftrekbare grensoverschrijdende betalingen gebeuren tussen twee of meer verbonden ondernemingen en (a) de ontvanger fiscaal inwoner is van een rechtsgebied dat geen vennootschapsbelasting heft (of heft tegen een nultarief of bijna-nultarief); (b) de betaling geniet een volledige belastingvrijstelling in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is of (c) de betaling geniet een fiscaal gunstregime in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is.

Verplichte meldingsplicht

Indien een constructie één van de wezenskenmerken bevat die voorkomen in de andere categorieën van C, D of E dan zal de constructie altijd moeten worden gemeld. Dit ongeacht of het behalen van een belastingvoordeel het belangrijkste doel is.

Onder categorie C is dit zo voor constructies waarbij hetzelfde actief bestanddeel wordt afgeschreven in meer dan één rechtsgebied;  in meer dan één rechtsgebied aanspraak wordt gemaakt op voorkoming van dubbele belasting voor hetzelfde inkomens- of vermogensbestanddeel; overdrachten van activa gebeuren waarbij er een wezenlijk verschil bestaat tussen het bedrag dat in de betrokken rechtsgebieden wordt aangemerkt als de voor die activa te betalen vergoeding of de ontvanger van de grensoverschrijdende betalingen fiscaal inwoner is in een rechtsgebied dat is opgenomen in een lijst van rechtsgebieden van derde landen die door de lidstaten gezamenlijk of in het kader van de OESO als niet-coöperatief zijn beoordeeld.

Categorie D betreft de constructies die beogen om de automatische inlichtingenuitwisseling te omzeilen of  waarbij de juridische of feitelijke eigendom niet-transparant is door gebruik te maken van personen, juridische constructies of structuren.

Categorie E tot slot is gericht op constructies waarbij verrekenprijzen op basis van unilaterale veiligehavenregels bepaald zijn; overdrachten gebeuren van moeilijk te waarderen immateriële activa of grensoverschrijdende intragroepsoverdrachten waarbij de geraamde jaarlijkse winst vóór interest en belastingen (ebit) van de overdrager of overdragers, tijdens de periode van drie jaar na de overdracht, minder dan 50 % bedraagt van de geraamde jaarlijkse ebit van die overdrager of overdragers indien de overdracht niet had plaatsgevonden.

Welke tussenpersoon moet melden?

Elke tussenpersoon of intermediair die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert.

Intermediair is ook een persoon die, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, rechtstreeks of onrechtstreeks materiële hulp, bijstand of advies heeft verleend.  Elke persoon heeft het recht het bewijs te leveren dat hij niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat hij bij een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie betrokken was.

Een tussenpersoon moet bovendien beantwoorden aan ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden: fiscaal inwoner van een lidstaat zijn; beschikken over een vaste inrichting in een lidstaat via welke de diensten in verband met de constructie worden verleend; opgericht zijn in of onder de toepassing van de wetten vallen van een lidstaat of ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in een lidstaat.

Moet de belastingplichtige melden?

Er worden de facto drie situaties voorzien waarin de belastingplichtige zelf moet melden.

De belastingplichtige heeft een meldingsplicht wanneer hij op geen enkel ogenblik een beroep heeft gedaan op tussenpersonen om de grensoverschrijdende constructie te realiseren. De meldingsplicht verschuift ook naar de belastingplichtige wanneer de tussenpersonen gevestigd zijn buiten de Europese Unie. Tot slot zal de belastingplichtige ook zelf moeten instaan voor de melding indien de betrokken tussenpersoon een beroep doet op een wettelijk beroepsgeheim en deze tussenpersoon opereert binnen de grenzen van dit beroepsgeheim.

Wat moet worden gemeld?

Volgende gegevens moeten worden gemeld:
a) de identificatiegegevens van intermediairs en relevante belastingplichtigen;
b) de wezenskenmerken op grond waarvan de grensoverschrijdende constructie gemeld moet worden;
c) een samenvatting van de inhoud van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie;
d) de datum waarop de eerste stap voor de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is of zal worden ondernomen;
e) de nationale bepalingen die aan de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie ten grondslag liggen;
f) de waarde van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie;
g) de lidstaat van de relevante belastingbetaler(s) en eventuele andere lidstaten waarop de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn; en
h) de identificatiegegevens van andere personen in een lidstaat, op wie de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij wordt vermeld met welke lidstaten deze personen verbonden zijn.

Wanneer wordt de constructie gemeld?

Naargelang wat het eerst plaatsvindt, is de intermediair of de belastingplichtige verplicht de grensoverschrijdende constructies waarvan zij kennis, bezit of controle hebben, te melden binnen dertig dagen te rekenen vanaf:
a) de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie beschikbaar is gesteld, of
b)  de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor gereed is implementatie, of
c) het ogenblik dat de eerste stap in de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is ondernomen.

Tussenpersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks materiële hulp, bijstand of advies hebben verleend, zijn tevens verplicht inlichtingen te verstrekken binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag nadat zij, rechtstreeks of onrechtstreeks, hulp, bijstand of advies hebben verstrekt.

In het geval van een marktklare constructie is de intermediair verplicht om de drie maanden een periodiek verslag op te stellen met een overzicht van nieuwe meldingsplichtige die ook voor de implementatie van deze constructie hebben gekozen.

Conclusie

Deze richtlijn verhoogt opnieuw de druk op tussenpersonen die betrokken worden bij grensoverschrijdende fiscale constructies. Zoveel is duidelijk. Hoe en wanneer België de richtlijn zal omzetten is nog af te wachten. In ieder geval zullen de sancties voor constructies die niet gemeld worden  doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Daarnaast zijn imago-  en reputatieschade eveneens het deel van de tussenpersoon die meent de richtlijn en haar nationale invulling naast zich neer te moeten leggen.


Globale erfovereenkomst en de Vlaamse fiscus

De stevige versoepeling en verduidelijking van de regels rond erfovereenkomsten is een geschenk voor zij die planning hoog in het vaandel dragen. De drastische hervorming van het federale erfrecht is een civielrechtelijke gegeven dat nu, alvast in Vlaanderen, heeft geleid tot nieuwe regels inzake schenk- en erfbelasting. Deze nieuwe regels treden in werking op 1 september 2018.

Naast de ondersteuning bij het nieuwe erfrecht springen vooral de lagere tarieven voor verkrijgingen buiten de rechte lijn en de invoering van nieuwe vrijstellingen in het oog. Deze bijdrage wil echter specifiek kijken naar enkele fiscale aandachtspunten bij het sluiten van een globale erfovereenkomst.

Globale erfovereenkomst

Een globale erfovereenkomst is een overeenkomst tussen ouder(s) en al hun vermoedelijke erfgenamen in de rechte neerdalende lijn. De overeenkomst stelt specifiek vast dat er tussen hen een evenwichtige verdeling is.

Toegekende voordelen, die juridisch of technisch niet noodzakelijk een schenking zijn, vormen elementen waarmee rekening kan worden gehouden. De specifieke persoonlijke of professionele situatie van één van de vermoedelijke erfgenamen kan ook zo een element zijn. Opvulling met een schuldvordering is eveneens mogelijk. De belangrijkste componenten zijn allicht de schenkingen die plaatsvonden voorafgaand aan de globale erfovereenkomst en/of deze die zijn toegekend in de overeenkomst zelf.

Niet belast in de schenk-en erfbelasting?

Belangrijke vraag is of de in de overeenkomst opgenomen huidige en vroegere schenkingen en voordelen belastbaar zijn in de schenk- of erfbelasting.

Door de invoeging van een nieuw artikel 2.8.3.0.5 in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) strekken schenkingen die niet aan registratie onderworpen zijn geweest en die vermeld worden in een toegelaten erfovereenkomst niet tot fiscaal bewijs van een schenking. In dit geval zijn deze schenkingen ook niet belastbaar. Voorwaarde is wel dat partijen in of onderaan de notariële akte, die de erfovereenkomst vaststelt, bevestigen dat deze schenkingen hebben plaatsgevonden voor de datum waarop de erfovereenkomst  gesloten werd.

Partijen of één van hen kunnen in een uitdrukkelijke fiscale verklaring, in of onderaan de akte, wel melden dat de schenkingen die niet aan registratie onderworpen  zijn geweest toch tot fiscaal bewijs strekken.  In dit geval worden deze  schenkingen wel onderworpen aan de schenkbelasting.

Voorbeeld

Een enige overblijvende ouder regelt met zijn twee kinderen de nalatenschap in een globale erfovereenkomst. De erfovereenkomst maakt melding van drie vermogensoverdrachten.

Aan kind A een bankgift van 50.000 euro die dateert van 5 jaar voor de opmaak van de erfovereenkomst én een schenking van 50.000 euro die geregeld wordt in de erfovereenkomst. De bankgift van 5 jaar geleden blijft onbelast. Voor de schenking geregeld in de erfovereenkomst geldt de overeenkomst als titel voor de schenking. Schenkbelasting is aldus verschuldigd maar er moet geen erfbelasting meer worden betaald als de  ouder overlijdt binnen de drie jaar na de schenking.

Aan kind B  een bankgift van 100.000 euro die dateert van zes maanden voor de opmaak van de erfovereenkomst. Twee keuzes zijn mogelijk. Keuze één partijen bevestigen uitsluitend dat deze bankgift heeft plaatsgevonden voor de datum waarop de erfovereenkomst  gesloten werd. Keuze twee partijen verklaren dat de erfovereenkomst voor deze schenking als titel geldt. Bij keuze één is er geen schenkbelasting verschuldigd maar moet er wel erfbelasting worden betaald als de ouder binnen de drie jaar na de schenking overlijdt. Bij keuze twee  is schenkbelasting verschuldigd maar de schenking komt niet meer in aanmerking voor de erfbelasting als de ouder overlijdt binnen de drie jaar na de schenking.

Voordelen opgenomen in de globale erfovereenkomst

Zoals gezegd kunnen partijen overeenkomen om toegekende voordelen mee te betrekken bij het bepalen van het evenwicht.  Ter illustratie kan gedacht worden aan genotschenkingen zoals het kosteloos in een onroerend goed laten wonen, het betalen van dure (buitenlandse) opleidings- en studiekosten of dienstengiften. Bij dienstengiften kan spontaan gedacht worden aan ouders die kosteloos helpen bij het verbouwen van een woning, bij tuinonderhoud of de opvang van kinderen.

Dergelijke voordelen hoeven niet noodzakelijk in het verleden te zijn gegeven. Het is mogelijk om voordelen op te nemen in de globale erfovereenkomst die in de toekomst uitwerking zullen hebben. Voorwaarde is wel deze voordelen dan vanaf de globale overeenkomst zijn verworven.

Het basisprincipe is dat de kwalificatie van een handeling als schenking wordt geregeld door het Burgerlijk Wetboek. M.a.w. als het geen schenking is volgens het Burgerlijk Wetboek is het in beginsel ook geen schenking voor de fiscus. De toegekend of toekomstige voordelen die als schenking kwalificeren worden dus gevat door het nieuwe artikel 2.8.3.0.5 VCF. Hierdoor is heffing van schenk- of erfbelasting, zoals hierboven geïllustreerd, mogelijk.

Een schenking van genot wordt door de meerderheid van de rechtsleer,  zowel op civielrechtelijk als op fiscaal gebied, beschouwt en belast als een schenking.

Kosten die betaald worden binnen het kader van  een wettelijke of natuurlijke verplichting tot onderhoud zijn geen schenkingen. Studiekosten van kinderen vallen in principe onder de ouderlijke onderhoudsverplichting en lopen door na hun meerderjarigheid voor zover hun opleiding of studie niet voltooid is. Indien studie- of opleidingskosten evenwel worden betaald buiten het kader van de wettelijke of natuurlijke onderhoudsverplichting zijn deze wel te beschouwen als schenkingen.

Dienstengiften die louter bestaan in het kosteloos presteren van diensten worden niet als een schenking beschouwd. Er is namelijk geen zakelijke verarming in hoofde van de dienstenverstrekker.

Toebedeling door middel van een schuldvordering

Het evenwicht tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn kan ook bereikt worden door toebedeling van een schuldvordering ten laste van de uitdrukkelijk in de overeenkomst aangeduide partijen. Bijvoorbeeld een kind krijgt het voornaamste vermogensbestanddeel met daaraan gekoppeld de verplichting om het andere kind te vergoeden.

Voorbeeld

Een enige overblijvende ouder regelt met zijn twee kinderen de nalatenschap in een globale erfovereenkomst. Hij schenkt in de overeenkomst (of heeft desgevallend voor de overeenkomst geschonken) aan kind A een onroerend goed van 350.000 euro  én kind B krijgt een schuldvordering toebedeeld van 175.000 euro ten opzichte van kind A.

Twee situaties zijn te onderscheiden.

Indien de schenking in de overeenkomst gebeurt onder last van het erkennen van een schuld door kind A aan kind B dan wordt die last afgetrokken van de schenking bij kind A en als schenking beschouwd voor Kind B (art. 2.8.3.0.1. VCF).

Indien de schenking voorafgaand  aan de globale overeenkomst is gebeurd en het opleggen van een schuld gebeurt in de overeenkomst is er m.i. geen sprake van een schenking. De erkenning van de schuldvordering is immers geen schenking in hoofde van de ouder én het is, bij gebrek aan animus donandi, ook geen schenking van kind A aan kind B.

Conclusie

De hervorming van de Vlaamse schenk- en erfbelasting komt (deels) tegemoet aan verzuchtingen en bezorgdheden die werden geuit in de rechtsleer. In het bijzonder voor wat betreft de globale erfovereenkomsten is de invoering van het nieuwe artikel 2.8.3.0.5 VCF een hele opluchting.

Raadpleeg de juristen bij aternio indien u meer informatie wenst over de globale erfovereenkomst.