aternio

Uitkering van een onroerend goed bij vereffening fiscaal geoptimaliseerd

Overzicht

Tijdens de vereffening van een vennootschap worden de bezittingen ten gelde gemaakt en de schulden aangezuiverd. Vaak blijft, naast geld in speciën, een restdeel van het actief in de vennootschap met het oog op uitkering aan de aandeelhouders. Denk hierbij aan aandelen of onroerend goederen.

Indien deze financiële of materiële activa uitgekeerd worden aan de aandeelhouders, spreekt men van een uitbreng in natura. Hierna gaan we dieper in op de uitbreng in natura van een onroerend goed bij vereffening in één akte.

Uitbreng bij vereffening in één akte

De uitbreng in natura wordt vaak toegepast bij een ontbinding en vereffening van een vennootschap in één akte. Dit is slechts mogelijk als cumulatief aan volgende voorwaarden voldaan is (artikel 184 §5 W.Venn.):

  • er is geen vereffenaar aangesteld;
  • de schulden ten aanzien van derden zijn aangezuiverd;
  • alle aandeelhouders of vennoten zijn aanwezig op de algemene vergadering of geldig;
  • vertegenwoordigd en besluiten met éénparigheid van stemmen; en
  • de terugname van het resterend actief gebeurt door de aandeelhouders zelf.

Herwaardering

Bij de uitbreng van een onroerend goed moet rekening gehouden worden met de werkelijke waarde van dat goed. De eventuele meerwaarde is belastbaar en roerende voorheffing is verschuldigd. Zoals zo vaak is  anticiperen de boodschap.

Indien men de vereffening fiscaal wil optimaliseren, is het aangewezen de latente meerwaarde uit te drukken middels een herwaardering in het boekjaar voorafgaand aan de afsluiting van de vereffening (X-1). Vervolgens wordt de uitgedrukte meerwaarde in resultaat genomen, waardoor deze aan de vennootschapsbelasting wordt onderworpen. Naast een herwaardering, kan men ook opteren voor een terugneming van reeds geboekte afschrijvingen, voor zover de meerwaarde de opgebouwde afschrijvingen niet overtreft.

De vennootschap legt in jaar X-1  eveneens een liquidatiereserve aan. Op deze manier zal de uitgedrukte meerwaarde  bij latere uitkering niet als fiscaal uitgekeerd dividend beschouwd worden.  De ‘meerwaarde’ zit immers reeds vervat in de opgebouwde liquidatiereserve.

De meerwaarde op het onroerend goed is bijgevolg in jaar X-1 dus rechtstreeks onderworpen aan de vennootschapsbelasting en onrechtstreeks aan een anticipatieve heffing van 10 procent om de liquidatiereserve te bekomen.

Bij de latere uitkering in natura wordt deze meerwaarde niet meer onderworpen aan de roerende voorheffing. De liquidatieboni afkomstig van de uitkering van een liquidatiereserve zijn immers geen inkomsten van roerende goederen en kapitalen (artikel 21, 11° WIB 1992).

Indien men aan deze gunstmaatregel verzaakt, zal de latente meerwaarde in het jaar van vereffening onderworpen worden aan enerzijds de vennootschapsbelasting en anderzijds aan de roerende voorheffing van 30 procent op de gebruteerde waarde van het onroerend goed. Uitbreng in natura wordt op die manier wel heel duur.

Conclusie

Bij een uitbreng in natura ten gevolge van een vereffening moeten de bedragen, die kunnen toegerekend worden aan het fiscaal volgestort kapitaal en de liquidatiereserve, niet opgenomen worden in de aangifte roerende voorheffing.

Bijgevolg is het bijzonder nuttig om de eventuele meerwaarde op een onroerend goed reeds uit te drukken in het boekjaar, voorafgaand aan de liquidatie van de vennootschap. Door de meerwaarde in het resultaat op te nemen en vervolgens een liquidatiereserve aan te leggen,  is er geen toepassing van roerende voorheffing op de gebruteerde waarde van het onroerend goed.

Terug naar overzicht
Geschreven door Ben Van den Branden
mail
tel
+32 (0)52 47 82 41
Meer bijdragen over