In Vlaanderen genieten feitelijk samenwonenden net als gehuwden en wettelijk samenwonenden van een lager belastingtarief bij overlijden. Gehuwde of wettelijk samenwonende koppels vallen vanaf de eerste dag van de samenwoning onder een gunstiger tarief. Voor feitelijk samenwonenden is dit niet het geval.

Feitelijk samenwonen?

Om als feitelijk samenwonend beschouwd te worden is het geslacht of de verwantschap van de personen irrelevant.

Wat zijn dan wel de vereisten? De samenwoners dienen voorafgaand aan het overlijden minstens één jaar ononderbroken te hebben samengewoond én een gemeenschappelijke huishouding te hebben gevoerd. Indien men voldoet aan deze twee vereisten valt men bij overlijden onder het gunstigere successietarief.

Let wel: om aanspraak te maken op vrijstelling voor de gezinswoning is een ononderbroken samenwoning van minstens drie jaar vereist.  Deze vrijstelling geldt alleen voor de langstlevende partner en niet voor de anderen die een aandeel verwerven in de gezinswoning.

Inschrijving in bevolkingsregister: weerlegbaar vermoeden

Hoe bewijst men dat men ononderbroken samenwoonde en een gemeenschappelijke huishouding voerde?

Meestal zal men het feitelijk samenwonen kunnen bewijzen door een uittreksel uit het bevolkingsregister voor te leggen. Inschrijving in het bevolkingsregister leidt namelijk tot het vermoeden van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Dit is echter  een weerlegbaar vermoeden. De fiscus kan, ondanks inschrijving op een gemeenschappelijk adres, alsnog trachten aan te tonen dat er in werkelijkheid geen sprake is van een feitelijke samenwoning.

Bewijs van samenwonen als men niet op hetzelfde adres is ingeschreven

Inschrijving op hetzelfde adres in het bevolkingsregister is geen noodzakelijke voorwaarde om te kunnen spreken van samenwonen. Bewijs van ononderbroken feitelijke samenwoning en het voeren van gemeenschappelijke huishouding kan ook geleverd worden door andere middelen.

Middelen die men als bewijs van ononderbroken feitelijke samenwoning kan voorleggen zijn onder meer: (officiële) briefwisseling aan de langstlevende en/of de overledene naar het gezamenlijk adres, verklaringen van derde personen (o.a. een arts), verwijzing naar de overlevende persoon als partner, levensgezel, of gelijkaardige benaming in het testament of overlijdensbericht, …

Gemeenschappelijke huishouding kan men aantonen aan de hand van verklaringen van vrienden en buren, rekeninguittreksels waaruit een (beperkte) financiële bijdrage blijkt of volmachten op elkaars rekeningen. Er hoeft niet noodzakelijk sprake te zijn van een geldelijke inbreng, denk hierbij aan een zorgrelatie. In een zorgrelatie draagt de samenwonende partner, die misschien geen eigen inkomen heeft, bij aan de dagdagelijkse huishoudelijke taken of de verzorging van de andere partner.

Conclusie

Een inschrijving in het bevolkingsregister is niet zaligmakend, maar is wel de meest voor de hand liggende manier om het feitelijk samenwonen aan te tonen. Bij gebrek hieraan kan men eventueel terugvallen op  werkelijke feiten die alsnog bewijzen dat er sprake is van feitelijke samenwoning.