Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


GDPR en het nut van een Data Protection Officer

De Data Protection Officer of functionaris gegevensbescherming is in het leven geroepen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming, beter gekend als GDPR. Maar wat is een Data Protection Officer? Waarin kan deze een meerwaarde bieden voor u als onderneming ?

Wat is een Data Protection Officer?

Een Data Protection Officer, afgekort DPO en vertaald functionaris gegevensbescherming, is een persoon die over de nodige expertise inzake gegevensbescherming beschikt. Enerzijds betreft dit de Algemene Verordening Gegevensbescherming, anderzijds alle regelgeving die verband houdt met privacy en gegevensbescherming.

Deze kan een persoon binnen uw onderneming zijn of een externe persoon. Indien u een interne persoon aanstelt als DPO mag er geen belangenconflict ontstaan. Zo zal de zaakvoerder niet de rol van Data Protection Officer op zich mogen nemen.

Verplicht?

Het aanstellen van een Data Protection Officer is niet steeds een keuze. In sommige gevallen bent u als onderneming verplicht. Dit is het geval wanneer u:

  1. een overheidsinstantie of – orgaan bent.
  2. op grote schaal bijzondere categorieën persoonsgegevens of strafrechterlijke gegevens verwerkt en dit tot uw hoofdactiviteit behoort.
  3. op grote schaal regelmatig en stelselmatig observaties van betrokkene verricht en dit tot uw hoofdactiviteit behoort.

Om te weten of u tot één van de gevallen behoort waarbij het aanstellen van een Data Protection Officer verplicht is, is het van belang te weten wat "hoofdactiviteit" en "op grote schaal" betekent.

Wat is "de hoofdactiviteit"?

Indien het verwerken van persoonsgegevens tot de kerntaken van uw onderneming behoort, behoort deze ontegensprekelijk tot de hoofdactiviteit. Met andere woorden moet het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de doelstellingen van de onderneming.

Voorbeeld: een ziekenhuis heeft als hoofdactiviteit zorgverlening. Het verwerken van persoonsgegevens is noodzakelijk voor de doelstelling van het ziekenhuis, namelijk zorg verlenen aan patiënten.

Hoeveel is "op grote schaal"?

Het is niet mogelijk om een getal op het begrip “op grote schaal” te plaatsen. Dit zal steeds per situatie bekeken moeten worden. Bij de beoordeling of een verwerking op grote schaal plaatsvindt dient rekening te worden gehouden met de territoriale spreiding, het aantal verwerkte gegevens en betrokkene, de duur van de activiteit, ...

Voorbeeld: De verwerking van persoonsgegevens door een bank wordt beschouw als "op grote schaal". De verwerking van persoonsgegevens door een arts dan weer niet.

Geen verplichting, toch een aanrader

Indien u als onderneming niet verplicht bent om een Data Protection Officer aan te stellen, kan het toch worden aanbevolen. Een DPO kan een meerwaarde bieden in uw voorbereiding om GDPR compliant te worden, alsook de verdere opvolging.

Taken

Een Data Protection Officer heeft verscheidene taken. Allereerst zal de DPO u informeren en adviseren omtrent de verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.

In het kader van de opmaak van register van verwerkingsactiviteiten, het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, implementeren van nieuwe procedures, … zal de DPO u bijstaan.

Daarnaast ziet de DPO ook toe op de naleving van de verplichtingen zoals opgelegd door de Verordening en andere regelgeving/bepalingen omtrent gegevensbescherming. Ook toekomstige ontwikkelingen inzake gegevensbescherming, zoals nieuwe wetgeving of rechtspraak worden opgevolgd. Dit zorgt ervoor dat u steeds op de hoogte bent van nieuwe ontwikkelingen op het vlak van gegevensbescherming, waardoor u tijdig kan ingrijpen.

Verder zal de DPO uw contactpunt zijn voor de toezichthoudende autoriteit. Hij zal met de toezichthoudende autoriteit samenwerken indien er een klacht of controle zou ontstaan.

Conclusie

Ook al bent u niet verplicht om een Data Protection Officer aan te stellen, kan dit toch nuttig zijn. Deze helpt u in verschillende opzichten om uw onderneming met gegevensbescherming te laten omgaan.

Indien u graag begeleid wordt bij de implementatie van de Verordening of een externe Data Protection Officer wenst aan stellen, kan u bij aternio terecht.


Meldingsplicht voor fiscalisten van agressieve grensoverschrijdende constructies

Fiscalisten zullen vanaf 1 juli 2020 agressieve grensoverschrijdende constructies moeten melden aan de fiscus. Dit kadert volledig in de ingezette strijd tegen internationale belastingontduiking. Het voorstel is grotendeels een weergave van actiepunt 12 van het internationaal plan van de OESO uit 2013 inzake Base Erosionand Profit Shifting (BEPS).

Transparante fiscale constructies

Op vandaag worden nog steeds fiscale constructies opgezet waarbij belastbare winsten worden verschoven naar belastingparadzijen of waarbij de totale belastingdruk op een andere kunstmatige manier fors wordt verlaagd. Op zich zijn deze constructies niet altijd illegaal, maar sinds de Panama Papers is een agressieve fiscale planning maatschappelijk niet meer verdedigbaar.

Centrale database

Op dinsdag 13 maart 2018 zijn de Europese ministers voor Economische en Financiële Zaken ('ECOFIN') bijeengekomen over de invoering van een meldingsplicht voor 'intermediairs'. Deze ontwerprichtlijn maakt deel uit van een reeks maatregelen die ontwijking van vennootschapsbelasting moeten helpen vermijden.

Intermediairs - zoals fiscale advocaten, belastingconsulenten, accountants - zullen daarom mogelijk schadelijke constructies moeten melden aan de nationale belastingsautoriteit. Via een centrale database zullen de lidstaten van de Europese Unie die informatie onderling uitwisselen. De lidstaten worden er verder toe verplicht sancties op te leggen aan intermediairs die de transparantiemaatregelen niet naleven.

Wat is 'agressief'?

De vraag stelt zich natuurlijk wat onder grensoverschrijdende 'agressieve planning' moet worden verstaan. Daarom zal door middel van "wezenskenmerken" worden bepaald welke types van  constructies aan de fiscus zullen moeten worden gerapporteerd. Dit betekent niet noodzakelijk dat een constructie schadelijk is. Wel dat ze mogelijk dient te worden onderzocht door de belastingautoriteiten. Veel constructies zijn immers volledig legitiem, het is dus een kwestie van uit te maken welke dat niet zijn.

Inwerkingtreding

De lidstraten krijgen tot 31 december 2019 de tijd om de richtlijn om te zetten in de nationale wetgeving. De nieuwe rapportageverplichtingen gelden vanaf 1 juli 2020. Op die datum zou de meldingsplicht ook in België  in werking moeten treden.

De lidstaten worden verplicht elke 3 maanden informatie uit te wisselen, dit binnen één maand na het einde van het kwartaal waarin de informatie is verstrekt. De eerste automatische informatie-uitwisseling zal dus uiterlijk op 31 oktober 2020 plaatsvinden.

Voor de finale richtlijn is tot slot eenparigheid van stemmen in de Raad nodig, na raadpleging van het Europees Parlement.


Elektronische openbare verkoop: interactief en online

Vanaf 1 mei 2018 kan een openbare verkoop niet alleen met fysieke maar ook met elektronische biedingen gebeuren. Een gemengd scenario is evenwel niet voorzien. Er moet dus vooraf gekozen worden tussen een fysieke of een gedematerialiseerde openbare verkoop.

Een elektronische openbare verkoop is interactief en speelt zich af gedurende een bepaalde periode. Publiciteit voor dergelijke interactieve openbare verkoop zal  gebeuren via het internet en/of via een affiche op het te verkopen onroerende goed.

Basisregels

Het Gerechtelijk Wetboek (art. 1193 en 1587) bevat hiervoor een aantal nieuwigheden.

  1. de toewijzing is bij opbod en geschiedt in één enkele gedematerialiseerde zitting;
  2. de verkoopsvoorwaarden, de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen worden vooraf bepaald;
  3. de notaris wijst het goed toe binnen een periode van maximaal 10 werkdagen na het ogenblik waarop de elektronische openbare verkoop is gesloten;
  4. de toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en door het opstellen van het proces-verbaal van toewijzing;
  5. de verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. Modaliteiten en kostprijs voor koper bij niet vervulling van de voorwaarde worden vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.

Toewijzing

Na het afsluiten van de biedingen heeft de notaris dus maximaal 10 werkdagen om het hoogste bod kenbaar te maken aan de verkoper of de verzoeker, de hoogste bieder te contacteren en de nodige verificaties omtrent de bieder te doen. De bekendmaking van het hoogste bod gebeurt online.

Op dezelfde dag van de bekendmaking wordt het bod van de bieder authentiek bekrachtigd door het ondertekenen van het proces-verbaal van toewijzing. De ondertekening vereist de persoonlijke verschijning van partijen of hun lasthebbers voor de notaris.

De termijn van 10 werkdagen is echt een maximum. Niets belet dat reeds bij de aanvang van de biedingen een afspraak in de agenda van de notaris wordt voorbehouden voor de ondertekening van het proces-verbaal. Bijvoorbeeld de eerstvolgende werkdag na het sluiten van de biedingen. Bij een fysieke openbare verkoop wordt het proces-verbaal van toewijzing zelf onmiddellijk na het sluiten van de biedingen getekend.

Instelprijs en instelpremie

Naar analogie met andere bestaande onlineveilingen zal met een instelprijs worden gewerkt. Dit kan alleen maar de slaagkans van de elektronische openbare verkoop vergroten. Nu er geen recht van hoger bod meer is, is het vaststellen van een 'juiste' instelprijs natuurlijk belangrijk. Mocht niemand een bod doen dan is er voorzien in de mogelijkheid van afmijning.

De wet voorziet een instelpremie voor elke openbare verkoop waarbij gewerkt wordt met een instelprijs. De bieder die bij aanvang van de openbare verkoop het eerste bod doet, gelijk of hoger dan de instelprijs, krijgt een premie van 1% gelijk aan zijn eerste bod. Voorwaarde is wel dat het goed finaal aan hem wordt toegewezen. Bij een elektronische openbare verkoop zal het dus belangrijk zijn om snel te zijn. De kans op de premie is hier allicht kleiner dan bij een traditionele openbare verkoop in een verkoopzaal.

Kosten

Er is geopteerd om te blijven werken met het bestaande systeem waarbij de koper een forfaitair aandeel in de rechten, kosten en erelonen betaalt. Dit is volgens een bepaald percentage op de verkoopprijs en de eventuele bijkomende lasten. Dit kostenpercentage is sinds 1 januari 2013 uniform voor heel België, uiteraard zijn er de regionale verschillen inzake registratierechten.

Het is niet uitgesloten dat de publiciteitskosten, die leveringskosten zijn voor de verkoper, niet langer worden afgewenteld op de koper. De algemene verkoopsvoorwaarden zullen dit duidelijk maken.

Registratie en waarborgen

Voorafgaande registratie via de elektronische identiteitskaart (eID) of digitale ID (Itsme) zal noodzakelijk zijn. Al zal ook kunnen gewerkt worden met een login en paswoord dat via de notaris kan worden bekomen.

Net zoals bij een fysieke openbare verkoop kan de notaris van iedere bieder een zekerheid of een borg eisen. Dit moet blijken uit de algemene verkoopsvoorwaarden.

Online platform

De Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen (Fednot) lanceert in mei 2018 het online platform langswaar men zal kunnen bieden.  Het platform zal toegankelijk zijn via de website van het notariaat.


Individuele ficheplicht voor ziekenhuisartsen in een maatschap

Erelonen van artsen in een ziekenhuis worden vaak centraal geïnd door het ziekenhuis. Vervolgens worden de erelonen verder verdeeld onder de verschillende artsen. We zien dat artsen zich in de praktijk hiervoor vaak groeperen in een “maatschap”. De maatschap zal daarbij alle erelonen ontvangen en verder verdelen onder de verschillende artsen volgens een bepaalde verdeelsleutel.

Fiscale onduidelijkheid

Vorig jaar ontstond er een discussie omtrent de opmaak van fiches 281.50 wanneer artsen zich hebben verenigd in zo’n maatschap. De Minister van Financiën was van oordeel dat de fiche in principe moet worden opgemaakt op naam van elk lid van de maatschap met zijn of haar deel in de inkomsten. In werkelijkheid zien we dat veel ziekenhuizen slechts één fiche opmaken op naam van de maatschap, en dus niet op naam van de individuele leden. Het ziekenhuis weet namelijk niet steeds welke verdeelsleutel de artsen onderling hebben afgesproken, bijgevolg weet het ziekenhuis ook niet hoeveel elke arts uiteindelijk ontvangt.

Indien er echter een fiche is opgemaakt op naam van de maatschap en niet op naam van de individuele leden, zijn de bedragen niet langer aftrekbaar als beroepskosten voor het ziekenhuis. Bovendien riskeert het ziekenhuis een aanslag geheime commissielonen.

Dit mocht een Limburgs ziekenhuis ondervinden na een fiscale controle, waarbij zij geconfronteerd werd met een miljoenenclaim.

Verduidelijking

Na overleg met de FOD Financiën heeft de FOD Volksgezondheid een brief uitgebracht aan de ziekenhuizen.  In de brief staat dat een fiche moet worden opgemaakt per individueel lid voor hun deel van de inkomsten. Er mag dus geen fiche mag worden opgemaakt op naam van de maatschap.

Dit betekent natuurlijk dat de ziekenhuizen tijdig moeten worden geïnformeerd over de verdeling binnen de maatschap. Desnoods moet dit gebeuren op basis van de gegevens die het ziekenhuis vanwege het RIZIV ontvangt. Dit zorgt er mogelijk voor dat de gerapporteerde bedragen kunnen verschillen van de werkelijk ontvangen bedragen.

Volgens de brief zal het ziekenhuis gelukkig niet verantwoordelijk worden gesteld voor een eventuele afwijking tussen de reële inkomsten van de maten versus de aangegeven bedragen. Voorwaarde is wel dat het ziekenhuis aantoont dat de nodige inspanningen zijn geleverd om de vereiste info op te vragen. Dit betekent wellicht dat het ziekenhuis dan geen fiscale sancties hoeft te vrezen. De verduidelijking geldt vanaf aanslagjaar 2018.


Onroerende verhuur optioneel met btw: dan toch?!

In het groot zomerakkoord van premier Michel werd, naast de belangrijke hervorming van de vennootschapsbelasting, voorzien in een optioneel stelsel waarbij onroerende verhuur voortaan kan worden onderworpen aan btw. Het idee werd al gauw weer afgevoerd omdat het financieel niet haalbaar bleek te zijn.

Maar dit weekend heeft de regering, in het kader van de begrotingscontrole, hierover dan tóch een akkoord bereikt.

Waarom?

Op vandaag is de verhuur van onroerende goederen in principe vrijgesteld van btw. Dit betekent echter ook dat de btw-kosten voor oprichtings-, verbouwings- en herstellingswerken van onroerende goederen niet kunnen worden afgetrokken door de eigenaar/verhuurder. Dit drijft de uiteindelijke huurprijs aanzienlijk naar omhoog.

Er bestaan wel enkele uitzonderingen op de vrijgestelde onroerende verhuur, zoals bijvoorbeeld de verhuur van opslagruimte, leasing, etc. Maar in de praktijk blijken de voorwaarden vrij streng.

De invoering van het optioneel stelsel voor btw-belaste onroerende verhuur (zoals dit in Nederland bijvoorbeeld al langer bestaat) zou alvast een grote stap voorwaarts zijn.

Met de invoering van het optioneel btw-stelsel voor onroerende verhuur wil onze regering alvast een einde stellen aan de competiviteitshandicap van Belgische operatoren op de Europese vastgoedmarkt.

Toepassingsgebied

Het stelsel zou enkel gelden voor professionele huurders, niet voor particulieren of openbare instellingen.

Zoals gezegd gaat het over een louter 'optioneel' stelsel. Men kan met andere woorden zelf kiezen om de verhuur van onroerende goederen al dan niet te onderwerpen aan btw. De optie voor btw moet wel zowel door de huurder als de verhuurder worden uitgeoefend.

De nieuwe regels zullen ook enkel gelden voor nieuwbouwprojecten (met inbegrip van fundamentele nieuwbouw).

Indien wordt geopteerd voor het btw-stelsel zal een bijzondere herzieningstermijn van 25 jaar van toepassing zijn.

Inwerkingtreding

Momenteel zijn er nog geen officiële teksten beschikbaar, maar hier en daar wordt reeds melding gemaakt dat het stelsel in werking zal treden voor nieuwbouwprojecten vanaf 1 oktober 2018.

Wordt vervolgd...

 

 


GDPR, de klok tikt ook na 25 mei 2018

GDPR is voor veel ondernemingen een woord dat ze niet kennen of liever niet horen. Nochtans dient vanaf 25 mei 2018 elke onderneming GDPR-compliant te zijn. Omwille daarvan is het toch belangrijk dat u zich bewust bent van de verplichtingen en de sancties die GDPR inhoudt.

GDPR, wat is het en waarom?

GDPR is de afkorting voor "General Data Protection Regulation". Het betreft een Europese verordening, die de persoonsgegevens van natuurlijke personen beoogt te beschermen. De GDPR-verordening is tot stand gekomen omwille van de digitalisering van onze wereld.  Bescherming van persoonsgegevens is hierin super belangrijk. Bedrijven zoals facebook en google verwerken namelijk heel wat persoonsgegevens, maar ze zijn heus niet alleen. Men kan gerust stellen dat zo goed als elke onderneming dit doet.

De tweede reden waarom de Europese verordening tot stand gekomen is, is de uniformiteit. Reeds voor de verordening was er een Europese richtlijn. Deze werd in elke lidstaat omgezet in nationaal recht, waardoor er tussen de lidstaten nog te vaak verschillen waren. Omwille hiervan heeft de Europese Unie gekozen om een verordening uit te vaardigen. Deze verordening is onmiddellijk van toepassing in elke lidstaat.

Toepassingsgebied van GDPR

De verordening is van toepassing van zodra persoonsgegevens van een natuurlijke persoon elektronisch worden verwerkt of op volgorde (alfabetisch, chronologisch) worden geordend. Verwerken dient ruim geïnterpreteerd te worden. Voorbeelden zijn ordenen, verzamelen, opslaan, bewerken, ...

De verordening voorziet ook enkele uitzonderingen op het toepassingsgebied. Het verwerken van persoonsgegevens in het kader van activiteiten die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen, of door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van zuiver huishoudelijke of persoonlijke activiteiten  vallen niet onder het toepassingsgebied. Ook de verwerking door een lidstaat in het kader van beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie wordt niet door de verordening beoogt.

Wat de territoriale bevoegdheid betreft, strekt deze zich uit tot buiten de EU. Vooreerst moeten alle verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers die zich binnen de EU bevinden aan de verordening voldoen. De verordening heeft ook een impact op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers buiten de EU. Zij zullen steeds aan de verordening moeten voldoen in de mate dat zij persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Unie bevinden, verwerken.

Meer rechten voor betrokkenen

De grote doelstelling van de verordening is de natuurlijke persoon meer bescherming bieden inzake zijn persoonsgegevens. Deze bescherming gaat gepaard met informatie verstrekken, controle uitoefenen alsook rechten toekennen.

De betrokkene, wiens persoonsgegevens verwerkt wordt, moet transparantie krijgen. Dit houdt in dat de betrokkene goed, duidelijk en in begrijpelijke taal geïnformeerd moet worden. De verordening voorziet zelf expliciet uit wat deze informatie moet bestaan. (art. 13 en 14 GDPR)

Daarnaast voorziet de verordening dat de betrokkene meer controle heeft over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Dit wordt mee verwezenlijkt door de rechten die aan de betrokkene zijn toegekend in de verordening. Deze rechten zijn: transparantie, rectificatie, inzage, wissing, beperking, bezwaar, vrije overdracht en geautomatiseerde besluitvorming. Door middel van deze rechten te kunnen uitoefenen, heeft de betrokkene de mogelijkheid om de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren en eventueel zelfs in te grijpen.

Indien dit alles nog niet voldoende zou zijn, kan de betrokkene steeds een klacht indienen bij de toezichthoudende autoriteit of een beroep instellen bij de rechter. Voor België is de toezichthoudende autoriteit de Privacycommissie.

Verplichtingen uit GDPR

Gepaard gaande de bescherming voor de persoonsgegevens van de betrokkene, zijn er ook meer en strengere verplichtingen voor de verwerkingsverantwoordelijke (en verwerker). Vooreerst moeten de verwerkingsverantwoordelijke steeds kunnen aantonen dat zij GDPR-compliant zijn. Dit houdt in dat de bewijslast inzake het voldoen van de verplichtingen bij de verwerkingsverantwoordelijke ligt. Om dit te kunnen aantonen, moet de verwerkingsverantwoordelijke een intern beleid voeren.

Dit intern beleid zorgt er ook voor dat aan andere verplichtingen uit de verordening wordt voldaan. Deze andere verplichtingen zijn het waarborgen van de rechten, procedures inzake datalekken en uitoefenen van rechten door betrokkenen, opstellen van een register van verwerkingsactiviteiten, privacyverklaringen, overeenkomsten (werknemers, klanten, leveranciers,...) conform maken, beveiliging van IT systeem verbeteren, ...

Gaat dit niet te ver?

Ondanks de goede bedoelingen van de verordening gaat dit alles wel heel ver. Iedereen is het er over eens dat bescherming van persoonsgegevens in een digitale wereld essentieel is. De verordening heeft evenwel ook kleine ondernemingen meegesleurd in haar gigantisch web van verplichtingen. Denk maar aan de bakker om de hoek, die uw persoonsgegevens verwerkt met als doel uw bestelling klaar te maken of aan huis te brengen. Ook deze wordt onderworpen aan de verordening.

Het feit dat de verordening voorziet in proportionaliteit, is maar een magere troost. De verordening voorziet dan weliswaar dat de verplichtingen enkel voldaan moeten worden in proportie met de mogelijkheden van de onderneming. Toch blijft het voor vele ondernemingen een huzarenstuk om te voldoen.

Conclusie

GDPR is voor bijna niemand de ver van het bed show. U negeert de verordening best niet aangezien de sancties niet min zijn. De administratieve boetes kunnen oplopen tot 20.000.000 euro of 4% van de wereldwijde omzet van het vorig belastbaar tijdperk indien dit hoger zou zijn. Het zal de Privacycommissie zijn die door middel van onderzoeks- en vervolgingsbevoegdheden controles zal uitvoeren. Het risico op controle vergroot uiteraard wanneer een betrokkene een klacht indient.

Indien u dit wenst, kan aternio u begeleiden om uw onderneming GDPR-compliant te maken.

 


Arbeidskaart en verblijfsvergunning: als werkgever verantwoordelijk?

Buitenlandse personen op een legale manier tewerkstellen is niet zo evident. Deze personen moeten namelijk over een geldige verblijfsvergunning én arbeidskaart beschikken. Als een werkgever een buitenlandse werknemer zou willen tewerkstellen, is het van belang om de daaraan gekoppelde verantwoordelijkheden en de eventuele gevolgen te kennen. Wij lichten deze daarom graag toe.

Arbeidskaart

Het aanvragen van een arbeidskaart is noodzakelijk voor niet-EER onderdanen. EER onderdanen hebben deze niet nodig. Daarnaast zijn nog enkele uitzonderingen: ondanks het feit dat zij geen EER onderdanen zijn, hoeven Zwitsers, Bulgaren, Kroaten en Roemenen geen arbeidskaart aan te vragen. Zij zijn daarvan vrijgesteld.

Er bestaan drie soorten arbeidskaarten, namelijk types A, B en C.
Arbeidskaart A geldt voor alle beroepen, voor onbepaalde duur en voor alle werkgevers.
Arbeidskaart C geldt eveneens voor alle beroepen en alle werkgevers, maar heeft een bepaalde duur van 1 jaar.
Deze twee arbeidskaarten blijven geldig indien men van werkgever veranderd.
Arbeidskaart B daarentegen geldt slechts voor 1 welbepaalde functie, bij 1 werkgever en slechts voor 1 jaar. Met andere woorden: arbeidskaart B is onlosmakelijk verbonden met een welbepaalde werkgever.
De termijn van de arbeidskaarten voor bepaalde duur (B en C) is wel verlengbaar onder bepaalde voorwaarden.

Een arbeidskaart dient steeds voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling te zijn verkregen. De arbeidskaarten A en C worden door de toekomstige werknemer zelf aangevraagd. De arbeidskaart B daarentegen dient door de werkgever in spe aangevraagd te worden, aangezien deze kaart enkel voor de specifieke tewerkstelling bij deze werkgever geldt. Deze arbeidskaart geeft ook een precair verblijfsrecht.

Naast de drie arbeidskaarten bestaan er ook nog 36 vrijstellingen. Indien men voldoet aan de voorwaarden van een vrijstelling, heeft men ook geen arbeidskaart nodig. De in de praktijk meest voorkomende vrijstellingen betreffen:
- de erkende vluchtelingen;
- het bezit van een permanente verblijfskaart;
- de hereniging met gezinsleden van EER-onderdanen;
- kort verblijf van 3 maanden;
- wetenschappelijke congressen; en
- vergaderingen in beperkte kring.

Verblijfsvergunning

Er bestaan twee soorten verblijven: kort of lang verblijf. Het kort verblijf betreft maximaal 90 dagen in een periode van 180 dagen. Het lang verblijf is logischerwijze een verblijf dat langer is dan deze 90 dagen.

Voor een kort verblijf zal men een Schengen-visum nodig hebben, tenzij men vrijgesteld is. Bepaalde nationaliteiten zijn vrijgesteld, waardoor zij vrij de Schengenzone kunnen betreden.  Voorbeelden van landen waarvan de burgers onder de vrijstelling vallen, zijn U.S.A., Canada, Japan,... . In de praktijk gaat het echter over heel wat landen. Deze zijn terug te vinden op de website van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.

Voor een lang verblijf is een machtiging vereist. Hiervoor zijn twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is de aanvraag in het buitenland van een visum D. Deze verkrijgt men op basis van een geldige arbeidskaart. De tweede mogelijkheid is de omzetting van het kort verblijf naar een gewettigd lang verblijf. Dit gebeurt in België.

Verantwoordelijkheden van de werkgever

Een werkgever mag enkel mensen met een geldige arbeidskaart tewerkstellen. Wat betreft de verblijfsvergunning is de werkgever niet verantwoordelijk. Echter een arbeidskaart verliest zijn waarde zonder een geldige verblijfsvergunning. Dit heeft als gevolg dat het bestaan van een geldige verblijfsvergunning wel degelijk van groot belang is voor de werkgever.

Ondanks dat het niet de verantwoordelijkheid van de werkgever is dat de werknemer een geldige verblijfsvergunning heeft, is het wel zijn verantwoordelijkheid om te controleren. Een werkgever kan zich niet bevrijdend op zijn onwetendheid beroepen. Meer zelfs, de werkgever moet bij een mogelijke sociale inspectie een kopie van de verblijfsvergunning kunnen voorleggen. Aangezien een verblijfsvergunning ingetrokken/geweigerd/niet omgezet of hernieuwd kan worden, moet de werkgever dit in de loop van de tewerkstelling toch opvolgen.

Zware gevolgen

Het gebrek aan een geldige verblijfsvergunning heeft dus een ongeldige arbeidskaart tot gevolg. Indien de werkgever op dat moment de werknemer nog tewerkstelt, begaat de werkgever daarin een fout. Deze maakt zich op dat moment schuldig aan het illegaal tewerkstellen van personen.

Hieraan zijn zware sancties verbonden in hoofde van de werkgever. Zo riskeert hij of zij een sanctie van niveau 4. Dit betekent een gevangenisstraf van 6 maanden tot 3 jaar en/of een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen. Indien het meerdere werknemers betreft, wordt de boete vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarvoor een inbreuk gepleegd is.

Naast deze sanctie, is de werkgever ook hoofdelijk aansprakelijk voor de repatriëringskosten en huisvesting. Hij zal ook het nog verschuldigde loon overeenkomstig de arbeidsovereenkomst moeten uitbetalen.

Conclusie

Als werkgever hebt u er alle belang bij om steeds een kopie van de verblijfsvergunning te bewaren in het dossier van de betrokken werknemer. Ook zal u bij het vervallen van de verblijfsvergunning nauwkeurig moeten opvolgen of deze vernieuwd wordt. Van zodra er geen geldige verblijfsvergunning ter beschikking is, houdt dit in dat u de betrokken werknemer illegaal tewerkstelt, met alle gevolgen van dien.

 


Nieuwe autofiscaliteit: Co² het doet wat met uw wagenpark

Een groener autopark, een bewuster ecologiebeleid, minder Co² in de lucht,… Het zijn deze nobele motieven die de regering Michel I hebben aangezet tot een grondige aanpassing van de aftrekbaarheid van autokosten. Omwille van deze doelstelling is bewust gekozen om zowel vennootschappen als eenmanszaken te beïnvloeden. We lichten graag deze veranderingen toe.

Vóór 1 januari 2018

Voor 1 januari 2018 werd in de personenbelasting een algemene aftrek van 75% voorzien. Dit wil zeggen dat alle eenmanszaken hun autokosten voor 75% konden aftrekken als beroepskosten. Bij de vennootschappen werd deze aftrek geregeld aan de hand van categorieën op grond van de Co²-uitstoot, die elk hun eigen aftrekpercentage hadden.

Vanaf 1 januari 2018

Vanaf 1 januari wordt de regeling die reeds bestond in de vennootschapsbelasting doorgetrokken naar de personenbelasting. Deze wetswijziging is het gevolg van de klimaatopwarming en de hiermee gepaard gaande bewustwording inzake ecologisch beleid. Reeds in het verleden is ingezet op het ecologisch stimuleren van vennootschappen op het vlak van wagens. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de eenmanszaken zouden volgen. Op deze manier worden ook zij gestimuleerd om een “groenere” wagen te kopen.

Voor wagens gekocht vanaf 1 januari 2018 zullen autokosten slechts aftrekbaar zijn als beroepskosten volgens het percentage gekoppeld aan de Co²-uitstoot van uw wagen.  "Gekocht vanaf" moet geïnterpreteerd worden als besteld. Wagens besteld voor 1 januari 2018, maar pas erna geleverd, behoren hier niet toe. De minister van Financiën heeft verduidelijkt dat, bij een leasing- of rentingovereenkomst ook de datum van het sluiten van deze overeenkomst geldt (en niet die van de uitvoering van de aankoopoptie).

Dit zijn de percentages:

  • 120 % voor een elektrische auto
  • 100 % voor een auto met een uitstoot van ten hoogste 60 g/km (benzine en diesel)
  • 90 % voor een auto met een uitstoot van 60 tot 105 (benzine en diesel)
  • 80 % voor een auto met uitstoot van 105 tot 115 (diesel) of 105 tot 125 (benzine)
  • 75 % voor een auto met uitstoot van 115 tot 145 (diesel) of 125 tot 155 (benzine)
  • 70 % voor een auto met uitstoot van 145 tot 170 (diesel) of 155 tot 180 (benzine)
  • 60 % voor een auto met uitstoot van 170 tot 195 (diesel) of 180 tot 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto met uitstoot van meer dan 195 (diesel) of meer dan 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto waarvoor geen gegevens beschikbaar zijn.

Overgangsregeling

Ondanks de goede doelstellingen van de hervorming, is het niet de bedoeling geweest om de rechtszekerheid in het gedrang te brengen.

Auto’s die voor 1 januari 2018 gekocht zijn, vallen dan ook niet verplicht onder deze aftrekbeperking. Voor deze auto’s is voorzien in een overgangsregeling. Deze regeling bestaat uit een keuzerecht: namelijk de nieuwe of oude regeling. Concreet betekent dit dat u uiteraard de meest voordelige regeling kiest. De overgangsregeling is wel enkel geldig in de personenbelasting. Vennootschappen vallen letterlijk van de wagen.

Voorbeeld. U heeft een auto met een Co²-uitstoot van 170 en een dieselmotor. Bij de toepassing van de  nieuwe regeling zal u een aftrekpercentage van 60% hebben. In tegenstelling heeft u volgens de oude regeling standaard een aftrek van 75%. In dit geval is het voordeligere om de oude regeling toe te passen. Echter voor ecologische auto's (benzine tot 125g/km; diesel tot 115 g/km) kan het ook voordeliger zijn aan de hand van de nieuwe regeling

Vanaf 1 januari 2020

Vanaf 1 januari 2020 wordt zelfs nog een stap verder gegaan. Vanaf dan zullen de categorieën, gekoppeld aan de Co²-uitstoot verdwijnen. Er komt dan een formule in de plaats. Weliswaar is ook hier de Co²-uitstoot de fundamentele factor. Er wordt ook opnieuw rekening gehouden met de soort brandstof.

De formule: aftrekpercentage = 120 – (0,5 x brandstofcoëfficiënt x Co²-uitstoot in g/km).  De brandstofcoëfficiënt is hierbij voor dieselmotor: 1, voor andere motor (bv. Benzine, LPG,…): 0,95, voor aardgas en minder dan 12 fiscale pk: 0,90.

Daarnaast wordt ook een maximaal en minimaal aftrekpercentage voorzien. Zo kan u maximaal een aftrekpercentage van 100% hebben. Het minimale percentage is vastgesteld op 50%. Enkel auto’s met een Co²-uitstoot vanaf 200g/km zullen een minimaal aftrekpercentage van 40% bezitten.

Vanaf 2020 wordt ook voor brandstofkosten de aftrekbaarheid volgens de formule berekend. Tot dan geldt een algemeen forfait van 75 %.

Aan de toepassing van de overgangsregeling voor wagens aangekocht voor 1 januari 2018 wordt niet geraakt. U zal voor de personenbelasting in dat geval nog steeds de keuze hebben tussen de oude en nieuwe regeling, waarbij de nieuwe regeling bovenstaande formule inhoudt.

Voorbeeld. U heeft een auto met een Co²-uitstoot van 170 en een dieselmotor. Met de nieuwe formule zou de aftrek slechts 35% bedragen. Deze wordt evenwel opgetrokken tot het minimale percentage, namelijk 50%. In geval de auto gekocht is na 1 januari 2018 zal er slechts een aftrekpercentage van 50% gelden. Is de auto aangekocht voor 1 januari 2018, dan zal het in dit geval voordeliger zijn om te kiezen voor de oude regeling, namelijk 75%.

Valse hybrides

De tijd van de valse hybrides is voorbij. Onder valse hybrides wordt verstaan auto's die zowel op brandstof als een elektrische batterij rijden, maar in de praktijk amper rijden op de elektrische batterij wegens te weinig energiecapaciteit. Voor deze belastinghervorming boden deze wagens een niet te verwaarlozen fiscaal voordeel. In concreto zijn dit wagens waarbij de batterij niet voldoende energiecapaciteit heeft (< 0,5 KWh per 100 Kg) of die een uitstoot hebben van meer dan 50g/km.

Vanaf 1 januari 2020 zullen de wagens die niet beantwoorden aan deze norm belast worden aan de hand van hun werkelijke Co²-uitstoot. Om te weten welk aftrekpercentage zij genieten, moeten zij de Co²-uitstoot van een overeenstemmend voertuig (op dezelfde brandstof) nemen als maatstaf. Dergelijke wagen wordt dus behandeld als een wagen die enkel op brandstof rijdt.

Conclusie

Indien u een nieuwe auto koopt, is het niet enkel belangrijk rekening te houden met allerhande snufjes of een fancy kleur, maar ook met de Co²-uitstoot. De keuze voor een Co²-vriendelijke wagen kan u veel geld besparen.

Indien u vragen heeft over autofiscaliteit kan u steeds bij ons terecht.