Vraag tot rechtzetting: nieuw middel tegen negatieve beslissing over bezwaarschrift.

Door middel van een vraag tot rechtzetting kan een beslissing over een bezwaarschrift vanaf nu rechtgezet worden. De wet van 15 april 2018 heeft artikel 375 WIB'92 gewijzigd. Door deze aanpassing is een beslissing over een bezwaarschrift niet langer definitief. De vraag tot rechtzetting kan voor beslissingen genomen vanaf 1 mei 2018.

U bent niet akkoord met uw aanslagbiljet?

Wanneer de belastingplichtige het niet eens is met zijn aanslagbiljet omwille van de gevestigde aanslag, de opcentiemen, belastingverhogingen of boetes kan hij een bezwaarschrift indienen. Ook de echtgenoot of echtgenote aan wie de aanslag gevestigd is kan dergelijk bezwaarschrift indienen. Een tijdig bezwaarschrift moet ingediend worden voor het verstrijken van een termijn van 6 maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Van zodra de fiscus het bezwaarschrift ontvangt, geeft zij hierover bericht. Zij zal het bezwaarschrift onderzoeken en een beslissing nemen. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn en per aangetekende brief aan de belastingplichtige verstuurd te worden.

Rechtzetting van de beslissing over uw bezwaarschrift?

Voor de wet van 15 april 2018 was de beslissing over het bezwaarschrift definitief. Indien de belastingplichtige niet akkoord ging, moest hij noodgedwongen naar de rechtbank. Door de mogelijkheid om een rechtzetting aan de adviseur-generaal te vragen, verandert dit.

Deze vraag tot rechtzetting moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de beslissing over het bezwaarschrift worden ingediend. Er kan wel geen vraag tot rechtzetting meer worden ingediend, indien er reeds een vordering in rechte is ingediend.

Vraag tot rechtzetting is geen tweede bezwaarschrift

Indien u dit allemaal leest, zou u kunnen denken dat dit een extra mogelijkheid is om in bezwaar te gaan tegen uw aanslag. Dit is echter niet het geval. De vraag tot rechtzetting is een vraag om de beslissing over het bezwaarschrift recht te zetten. Het is dus geenszins een vraag om de aanslag te herzien.

De vraag tot rechtzetting heeft als doel om materiële vergissingen of feitelijke beoordelingen over het bezwaarschrift te kunnen rechtzetten.  In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij de beslissing over het bezwaarschrift niet juist was, maar door zijn definitief karakter kon dit niet meer aangepast worden. Een tussenkomst van de rechtbank was toen noodzakelijk. Door deze wetswijziging heeft de wetgever deze problematiek willen oplossen.

Laatste stap: naar de rechtbank

Indien de vraag tot rechtzetting negatief wordt beantwoord, kan de belastingplichtige hiertegen ook een beroep bij de rechtbank instellen. Dit kan binnen een maand vanaf de kennisgeving van het antwoord op de vraag tot rechtzetting. Hierbij geldt wel dat de termijn om een vordering in rechte in te stellen niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift.

Ook tegen de beslissing over het bezwaarschrift kan u een vordering bij de rechtbank instellen. Indien uw bezwaarschrift niet ingewilligd wordt, heeft u drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de niet-inwilliging om beroep bij de rechtbank aan te tekenen. Ook wanneer de fiscus 6 maanden na de ontvangst van uw bezwaarschrift nog geen beslissing nam, kan u naar de rechtbank stappen

Conclusie

Het is een goede zaak dat vanaf nu materiële fouten of incorrecte feitelijke beoordelingen toch nog rechtgezet kunnen worden. Maar laten we niet te snel juichen. De toekomst zal uitwijzen of een vraag om rechtzetting vaak ingewilligd zal worden.


Het nieuwe insolventierecht: iedereen ondernemer!

Het oude insolventierecht was volledig achterhaald. In 2017 werd daarom beslist om - naast de grondige hervorming van het vennootschapsrecht - ook het insolventierecht aan te pakken en volledig te moderniseren.

Met ingang van 1 mei zijn de oude Faillissementswet en de Wet Continuïteit van Ondernemingen ('WCO'-wet) samengevoegd tot een nieuw boek XX 'Insolventie van Ondernemingen' dat wordt ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Wat moet u zeker weten?

Begrip 'ondernemer'

Het oude insolventierecht speelde zich volledig af rond het achterhaalde begrip 'kooplieden' of 'handelaars', waardoor enkel zij en handelsvennootschappen het faillissement konden aanvragen.

In praktijk bestond dus het probleem dat bijvoorbeeld vrije beroepers, landbouwers, vzw's  of stichtingen niet failliet konden worden verklaard.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe insolventierecht wordt het begrip 'ondernemer' volledig opengetrokken. Een ondernemer is thans 'elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon, en elke organisatie  zonder rechtspersoonlijkheid.'

Voortaan zullen dus ook vrij beroepers failliet kunnen gaan.

Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals o.a. de Federale Staat, de Gemeenschappen en de  Gewesten worden evenwel uitgesloten.

Schuldkwijtschelding

De 'verschoonbaarheid' uit het oude insolventierecht wordt vervangen door  het begrip 'schuldkwijtschelding'. Een gefailleerde, die een natuurlijke persoon is, wordt op zijn verzoek bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. Men moet niet wachten tot de sluiting van het faillissement voor de schuldkwijtschelding.

Bij een toegekende schuldkwijtschelding wordt de (voormalige) echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde, die persoonlijk verbonden is voor de schuld die tijdens de duur van het huwelijk of de wettelijke samenwoning is aangegaan, in principe van die verplichting bevrijd.

Wrongful trading

Belangrijk is ook de nieuwe aansprakelijkheidsgrond bij een zogenaamde 'wrongful trading'. Indien een ondernemer, goed wetende dat een faillissement nadert, onverminderd zijn activiteiten verderzet, zal hij voortaan persoonlijk kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Inwerkingtreding

De nieuwe insolventiewet is in werking sinds 1 mei 2018.


Cateringkosten bij publicitair event nu ook 100% aftrekbaar in inkomstenbelasting

Wanneer een ondernemer cateringkosten maakt in het kader van een publicitaire activiteit, worden deze beschouwd als reclamekosten. Dergelijke cateringkosten zijn voortaan ook in de directe belastingen 100% aftrekbaar.

In een eerdere bijdrage gaven we al aan dat de cateringkosten op een event met een publicitair doel inzake btw al volledig aftrekbaar zijn. De minister van Financiën trekt deze visie dus nu ook door in de directe belastingen.

Receptiekosten vs kosten van onthaal

In de directe belasting geldt er een aftrekbeperking van 50% voor receptiekosten (art. 53, 8° WIB'92). Kosten van catering voor een bedrijfsevent kunnen in principe onder deze aftrekbeperking vallen.

Inzake btw bestaan gelijkaardige aftrekbeperkingen. Het gaat hierbij over kosten van onthaal waarop geen btw-aftrek kan worden toegepast (art. 45, §3, 4° van het WBTW), evenals op kosten van logies, spijzen en dranken (art. 45, §3, 3° WBTW, verwijzend naar artikel 18, §1). Bedoeld zijn het verschaffen van spijzen en dranken in restaurants en cafés, meer algemeen  wanneer beroep wordt gedaan op cateringdiensten.

Publiciteit

Maar indien u bijvoorbeeld een bedrijfsevent organiseert om een nieuw product te lanceren of media-aandacht te krijgen heeft dit een duidelijk publicitair doel. Het betreft dan in wezen reclame. En voor publiciteitskosten geldt de aftrekbeperking niét, reclamekosten zijn dus volledig aftrekbaar.

Onder druk van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, is de fiscus in 2015 uiteindelijk gezwicht op het vlak van btw. Cateringkosten in het kader van een event met een publicitair doel (reclame) zijn dus sindsdien wel aftrekbaar voor de btw (Beslissing E.T. 124.247, 13 maart 2015, Fisc. Act 2015, 12/1 en 13/1).

Harmonisatie btw en inkomstenbelasting

Maar op vlak van inkomstenbelasting bleef de fiscus voet bij stuk houden. De fiscus argumenteerde immers steeds dat kosten van onthaal inzake btw en receptiekosten inzake directe belasting een verschillende lading dekken.

Tot nu.

In een antwoord op een Parlementaire vraag bevestigt de minister van Financiën de aftrek van cateringkosten bij een event in de inkomstenbelasting (Mond. vr. nr. 23784, Johan Klaps, 14 maart 2018, Kamercomm. Fin., Criv 54, Com 844, 6).

Vanwaar de kentering?

Met het nieuwe standpunt komt de minister tegemoet aan de belofte uit het regeerakkoord om de regels inzake btw en inkomstenbelasting te harmoniseren.

Voortaan is er een 100% aftrek als beroepskost voor de cateringkosten die een ondernemer maakt voor een event waarbij hij bestaande of potentiële klanten uitnodigt én dat hoofdzakelijk de verkoop van producten of diensten tot doel heeft.

Men moet dus kijken naar het doel van de kosten (= reclame) en niet zozeer naar de aard (= spijzen en dranken). Zowel voor  inkomstenbelasting als btw moeten de kosten voor zo'n cateringevent dus beschouwd worden als aftrekbare reclamekosten en niet als receptiekosten.

 


Meldingsplicht voor fiscalisten van agressieve grensoverschrijdende constructies

Fiscalisten zullen vanaf 1 juli 2020 agressieve grensoverschrijdende constructies moeten melden aan de fiscus. Dit kadert volledig in de ingezette strijd tegen internationale belastingontduiking. Het voorstel is grotendeels een weergave van actiepunt 12 van het internationaal plan van de OESO uit 2013 inzake Base Erosionand Profit Shifting (BEPS).

Transparante fiscale constructies

Op vandaag worden nog steeds fiscale constructies opgezet waarbij belastbare winsten worden verschoven naar belastingparadzijen of waarbij de totale belastingdruk op een andere kunstmatige manier fors wordt verlaagd. Op zich zijn deze constructies niet altijd illegaal, maar sinds de Panama Papers is een agressieve fiscale planning maatschappelijk niet meer verdedigbaar.

Centrale database

Op dinsdag 13 maart 2018 zijn de Europese ministers voor Economische en Financiële Zaken ('ECOFIN') bijeengekomen over de invoering van een meldingsplicht voor 'intermediairs'. Deze ontwerprichtlijn maakt deel uit van een reeks maatregelen die ontwijking van vennootschapsbelasting moeten helpen vermijden.

Intermediairs - zoals fiscale advocaten, belastingconsulenten, accountants - zullen daarom mogelijk schadelijke constructies moeten melden aan de nationale belastingsautoriteit. Via een centrale database zullen de lidstaten van de Europese Unie die informatie onderling uitwisselen. De lidstaten worden er verder toe verplicht sancties op te leggen aan intermediairs die de transparantiemaatregelen niet naleven.

Wat is 'agressief'?

De vraag stelt zich natuurlijk wat onder grensoverschrijdende 'agressieve planning' moet worden verstaan. Daarom zal door middel van "wezenskenmerken" worden bepaald welke types van  constructies aan de fiscus zullen moeten worden gerapporteerd. Dit betekent niet noodzakelijk dat een constructie schadelijk is. Wel dat ze mogelijk dient te worden onderzocht door de belastingautoriteiten. Veel constructies zijn immers volledig legitiem, het is dus een kwestie van uit te maken welke dat niet zijn.

Inwerkingtreding

De lidstraten krijgen tot 31 december 2019 de tijd om de richtlijn om te zetten in de nationale wetgeving. De nieuwe rapportageverplichtingen gelden vanaf 1 juli 2020. Op die datum zou de meldingsplicht ook in België  in werking moeten treden.

De lidstaten worden verplicht elke 3 maanden informatie uit te wisselen, dit binnen één maand na het einde van het kwartaal waarin de informatie is verstrekt. De eerste automatische informatie-uitwisseling zal dus uiterlijk op 31 oktober 2020 plaatsvinden.

Voor de finale richtlijn is tot slot eenparigheid van stemmen in de Raad nodig, na raadpleging van het Europees Parlement.


Onroerende verhuur optioneel met btw: dan toch?!

In het groot zomerakkoord van premier Michel werd, naast de belangrijke hervorming van de vennootschapsbelasting, voorzien in een optioneel stelsel waarbij onroerende verhuur voortaan kan worden onderworpen aan btw. Het idee werd al gauw weer afgevoerd omdat het financieel niet haalbaar bleek te zijn.

Maar dit weekend heeft de regering, in het kader van de begrotingscontrole, hierover dan tóch een akkoord bereikt.

Waarom?

Op vandaag is de verhuur van onroerende goederen in principe vrijgesteld van btw. Dit betekent echter ook dat de btw-kosten voor oprichtings-, verbouwings- en herstellingswerken van onroerende goederen niet kunnen worden afgetrokken door de eigenaar/verhuurder. Dit drijft de uiteindelijke huurprijs aanzienlijk naar omhoog.

Er bestaan wel enkele uitzonderingen op de vrijgestelde onroerende verhuur, zoals bijvoorbeeld de verhuur van opslagruimte, leasing, etc. Maar in de praktijk blijken de voorwaarden vrij streng.

De invoering van het optioneel stelsel voor btw-belaste onroerende verhuur (zoals dit in Nederland bijvoorbeeld al langer bestaat) zou alvast een grote stap voorwaarts zijn.

Met de invoering van het optioneel btw-stelsel voor onroerende verhuur wil onze regering alvast een einde stellen aan de competiviteitshandicap van Belgische operatoren op de Europese vastgoedmarkt.

Toepassingsgebied

Het stelsel zou enkel gelden voor professionele huurders, niet voor particulieren of openbare instellingen.

Zoals gezegd gaat het over een louter 'optioneel' stelsel. Men kan met andere woorden zelf kiezen om de verhuur van onroerende goederen al dan niet te onderwerpen aan btw. De optie voor btw moet wel zowel door de huurder als de verhuurder worden uitgeoefend.

De nieuwe regels zullen ook enkel gelden voor nieuwbouwprojecten (met inbegrip van fundamentele nieuwbouw).

Indien wordt geopteerd voor het btw-stelsel zal een bijzondere herzieningstermijn van 25 jaar van toepassing zijn.

Inwerkingtreding

Momenteel zijn er nog geen officiële teksten beschikbaar, maar hier en daar wordt reeds melding gemaakt dat het stelsel in werking zal treden voor nieuwbouwprojecten vanaf 1 oktober 2018.

Wordt vervolgd...

 

 


Wat als een vennootschap onbeperkt aansprakelijke vennoot is?

Als een vennootschap een onbeperkt aansprakelijke vennoot is in een andere vennootschap, ontstaat er bijzondere informatieverplichtingen. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) geeft een overzicht van deze verplichtingen in haar Advies 2017/16.

Wat is een onbeperkt aansprakelijke vennoot?

Vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid zijn de vennootschap onder firma (VOF), de gewone commanditaire vennootschap (Comm.V), de commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.VA) en de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (CVOA). Ook de Europese coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid en het Economisch samenwerkingsverband (ESV) zijn vennootschapsvormen met onbeperkte aansprakelijkheid.

Wanneer echter een participatie wordt genomen in een buitenlandse vennootschap zijn de in dat land geldende vennootschapsrechtelijke regels van toepassing. Ook daar kan dus sprake zijn van een onbeperkte aansprakelijkheid.

Een onbeperkt aansprakelijke vennoot is onbegrensd gehouden voor de schulden van de vennootschap waarin zij participeert. Belangrijk om te weten is dat dergelijke vennoot aansprakelijk is met zijn volledige vermogen.

Neerleggingsplicht

Behoudens de wettelijk voorziene uitzonderingen, moeten Belgische vennootschappen op basis van artikel 100 W.Venn bepaalde informatie neerleggen bij de Nationale Bank van België. Een bijzonder aandachtspunt hierbij gaat naar de informatieverplichting met betrekking tot de vennootschappen waar een andere vennootschap onbeperkt aansprakelijk is.

Als die vennootschappen de gevraagde informatie reeds vermelden in de jaarrekening is dat voldoende. Zij hebben geen bijkomende neerleggingsplicht. Vennootschappen die reeds een volledig schema neerleggen, nemen deze informatie reeds op in de toelichting.

Over welke informatie gaat het?

Hierbij verwijst de CBN opnieuw naar de wettelijke bepalingen.

  1. Lijst. Er moet een lijst worden gemaakt van de vennootschappen waarbij de betreffende vennootschap onbeperkt aansprakelijk vennoot is. Voor elk van die vennootschappen wordt vermeld wat de maatschappelijke naam, de zetel, de rechtsvorm en het ondernemingsnummer is.
  2. Publicatie jaarrekeningen. De jaarrekening van elke vennootschap waarvoor de betreffende vennootschap onbeperkt aansprakelijk is, moet bij de jaarrekening van de onbeperkt aansprakelijke vennootschap worden gevoegd én hiermee samen openbaar worden gemaakt.

Als de betreffende vennootschap een volledig schema rapporteert, dan worden deze jaarrekeningen in de toelichting opgenomen. Als de betreffende vennootschap rapporteert onder een verkort schema of onder een microschema, dan wordt de informatie opgenomen onder de "andere in de toelichting op te nemen verplichtingen" ofwel achteraan de jaarrekening.

Indien een vennootschap op zichzelf geen jaarrekening moet publiceren, is ze toch verplicht de voornoemde informatie te verstrekken wanneer ze onbeperkt aansprakelijke vennoot is. Enige uitzonderingen hierop zijn die situaties waarbij (a) de jaarrekening van de vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid reeds openbaar wordt gemaakt of reeds is opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening of (b) de onbeperkt aansprakelijke vennoot een maatschap, tijdelijke handelsvennootschap of een stille handelsvennootschap betreft.

Maar ook...

De onbeperkt aansprakelijke vennootschap moet in de presentatie van haar jaarrekening een getrouw beeld schetsen van haar situatie.

De mogelijke verplichtingen die volgen uit het engagement van onbeperkt aansprakelijke vennoot moeten worden vermeld. Een passende voorziening kan worden aangelegd, indien er een schuld "waarschijnlijk of zeker" is geworden waardoor de  aansprakelijke vennoot aangesproken kan worden.

Er is echter geen verplichting om de waarderingsregels die van toepassing zijn op de onbeperkt aansprakelijke vennootschap toe te passen op de toe te voegen jaarrekening(en). De CBN beveelt wel aan om expliciet melding te maken van het feit dat de waarderingsregels van het KB/W.Venn niet worden toegepast.

Conclusie

Al te vaak wordt deze wettelijke voorziene bijzondere informeringsverplichtingen vergeten. Deze bijdrage is u gebracht onder het motto: een voorzichtige onbeperkt aansprakelijke vennootschap is een geadviseerde vennootschap.


Onterechte boekingen op rekening-courant, wees fiscaal op uw hoede

We merken in praktijk vaak dat bedrijfsleiders hun bankrekening en de bankrekening van de vennootschap door elkaar gebruiken. Dergelijke financiële stromen worden in de boekhouding tot uiting gebracht op de rekening-courant (i.e. lopende rekening) van de bedrijfsleider bij de vennootschap.

Het nazicht van de rekening-courant is een typische activiteit einde boekjaar. Zowel voor het bestuursorgaan als voor de accountant is hier een belangrijke taak weggelegd. Niet zelden worden bij het overlopen van de openstaande leveranciersschulden van de vennootschap overboekingen gedaan naar lopende rekeningen.

Een simpele aanrekening op de creditzijde van de lopende rekening van de bedrijfsleider kan soms zorgen voor onaangename verrassingen. Dit blijkt opnieuw uit een recent vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

Openstaande leveranciersschulden

In het kader van de jaarafsluiting van de vennootschap merkt de accountant van de vennootschap op dat er een belangrijk bedrag aan openstaande leveranciersschulden is. Omdat de vennootschap over onvoldoende financiële beschikte neemt de accountant aan dat deze leveranciers betaald werden door de bedrijfsleider.

De accountant rekent het openstaande leverancierssaldo aan op de rekening-courant van de bedrijfsleider bij de vennootschap. Bij een fiscale controle kunnen de door de bedrijfsleider beweerde betalingen niet worden aangetoond.

De fiscus was van oordeel dat er sprake was van niet-aangegeven meerwinsten. De boeking op de creditzijde van de lopende rekening wordt door de fiscus eveneens aanzien als een voordeel en dus als een belastbare bezoldiging van de bedrijfsleider. Het bedrag van de leveranciersschulden wil de fiscus tevens belasten in de bijzondere aanslag geheime commissielonen in de zin van art. 219 WIB'92.

De bedrijfsleider en de vennootschap gaan hier niet mee akkoord en trekken naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen die de zaak moet beslechten.

Belastbare bezoldiging

Het gegeven dat de bedrijfsleider geen enkel bewijs levert dat hij effectief met privé-gelden leveranciers van de vennootschap heeft betaald, leidt er niet noodzakelijk toe dat de creditering van de rekening-courant in hoofde van de bedrijfsleider een vorm van bezoldiging zou zijn.

De fiscus moet namelijk aantonen dat dat de sommen die op de rekening-courant van de bedrijfsleider worden ingeschreven, de tegenprestatie zijn voor diens activiteit binnen de vennootschap (Cass. 30 januari 1981, FJF, No. 82/26). Als dit bewijs niet wordt geleverd dan is er geen sprake van een belastbare bezoldiging.

Geheime commissielonen

De rechtbank is van oordeel dat het niet de bedrijfsleider is die met privé-middelen de leveranciers heeft betaald. Neen, zij stelt dat de vennootschap in het verleden met eigen (niet-aangegeven) opbrengsten haar leveranciers heeft betaald. Dergelijke verdoken meeromzet verantwoordt volgens haar evenwel geen aanslag geheime commissielonen.

De leveranciers die bij het afsluiten van de jaarrekening zijn afgeboekt, moeten als een “fictieve schuld” van de vennootschap worden beschouwd. De niet-aangegeven meeromzet wordt in de boekhouding eigenlijk verborgen door deze te boeken op het credit van de lopende rekening van de bedrijfsleider. Dergelijke boeking is een overschatting van passief. Indien door de fiscus een overschatting van passief wordt vastgesteld, kan er conform art. 219 WIB'92 geen sprake zijn van geheime commissielonen.

Verdoken meerwinsten

Wanneer boekhoudkundige of fiscale bepalingen worden overtreden en passiefbestanddelen worden overgewaardeerd, dan moeten deze elementen moeten worden beschouwd als “onzichtbare” reserves. De fiscale administratie stelt zelf dat dergelijke reserves kunnen bestaan uit “reserves die onder een onjuiste benaming onder de passiefbestanddelen voorkomen en aldus in feite winst verbergen (vermelding van fictieve of uitgedoofde schulden)”. In casu betreft het hier de onterechte boeking op de rekening-courant van de bedrijfsleider.

Overschattingen van passief behoren fiscaal steeds tot het vermogen van de vennootschap. Dergelijke onzichtbare vermogensbestanddelen kunnen op basis van art. 361 WIB'92 door de fiscus op ieder ogenblik worden belast. Het is hierbij van geen belang of deze overwaardering ontstaan is in vroegere belastbare tijdperken. In concreto oordeelt de rechtbank dat de leveranciersschulden die werden afgeboekt en ten onrechte werd gecrediteerd op de lopende rekening van de bedrijfsleider, als een overschatting van passief moeten worden belasten.

Conclusie

Spring steeds omzichtig om met niet gefundeerde boekingen op rekening-courant. Indien u het bewijs van privébetalingen aan leveranciers van de vennootschap niet kan leveren, hangt er namelijk een fiscaal zwaard van Damocles boven het hoofd van de vennootschap. Dergelijke boekingen kunnen door de fiscus in  elk geval op ieder moment worden belast als verdoken meerwinst.

Bron: Fisc. Koer., 2017/19/20, p. 902-904, Rb. Antwerpen 3 november 2017, rolnr. 16/4441/A


Nieuwe autofiscaliteit: Co² het doet wat met uw wagenpark

Een groener autopark, een bewuster ecologiebeleid, minder Co² in de lucht,… Het zijn deze nobele motieven die de regering Michel I hebben aangezet tot een grondige aanpassing van de aftrekbaarheid van autokosten. Omwille van deze doelstelling is bewust gekozen om zowel vennootschappen als eenmanszaken te beïnvloeden. We lichten graag deze veranderingen toe.

Vóór 1 januari 2018

Voor 1 januari 2018 werd in de personenbelasting een algemene aftrek van 75% voorzien. Dit wil zeggen dat alle eenmanszaken hun autokosten voor 75% konden aftrekken als beroepskosten. Bij de vennootschappen werd deze aftrek geregeld aan de hand van categorieën op grond van de Co²-uitstoot, die elk hun eigen aftrekpercentage hadden.

Vanaf 1 januari 2018

Vanaf 1 januari wordt de regeling die reeds bestond in de vennootschapsbelasting doorgetrokken naar de personenbelasting. Deze wetswijziging is het gevolg van de klimaatopwarming en de hiermee gepaard gaande bewustwording inzake ecologisch beleid. Reeds in het verleden is ingezet op het ecologisch stimuleren van vennootschappen op het vlak van wagens. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de eenmanszaken zouden volgen. Op deze manier worden ook zij gestimuleerd om een “groenere” wagen te kopen.

Voor wagens gekocht vanaf 1 januari 2018 zullen autokosten slechts aftrekbaar zijn als beroepskosten volgens het percentage gekoppeld aan de Co²-uitstoot van uw wagen.  "Gekocht vanaf" moet geïnterpreteerd worden als besteld. Wagens besteld voor 1 januari 2018, maar pas erna geleverd, behoren hier niet toe. De minister van Financiën heeft verduidelijkt dat, bij een leasing- of rentingovereenkomst ook de datum van het sluiten van deze overeenkomst geldt (en niet die van de uitvoering van de aankoopoptie).

Dit zijn de percentages:

  • 120 % voor een elektrische auto
  • 100 % voor een auto met een uitstoot van ten hoogste 60 g/km (benzine en diesel)
  • 90 % voor een auto met een uitstoot van 60 tot 105 (benzine en diesel)
  • 80 % voor een auto met uitstoot van 105 tot 115 (diesel) of 105 tot 125 (benzine)
  • 75 % voor een auto met uitstoot van 115 tot 145 (diesel) of 125 tot 155 (benzine)
  • 70 % voor een auto met uitstoot van 145 tot 170 (diesel) of 155 tot 180 (benzine)
  • 60 % voor een auto met uitstoot van 170 tot 195 (diesel) of 180 tot 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto met uitstoot van meer dan 195 (diesel) of meer dan 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto waarvoor geen gegevens beschikbaar zijn.

Overgangsregeling

Ondanks de goede doelstellingen van de hervorming, is het niet de bedoeling geweest om de rechtszekerheid in het gedrang te brengen.

Auto’s die voor 1 januari 2018 gekocht zijn, vallen dan ook niet verplicht onder deze aftrekbeperking. Voor deze auto’s is voorzien in een overgangsregeling. Deze regeling bestaat uit een keuzerecht: namelijk de nieuwe of oude regeling. Concreet betekent dit dat u uiteraard de meest voordelige regeling kiest. De overgangsregeling is wel enkel geldig in de personenbelasting. Vennootschappen vallen letterlijk van de wagen.

Voorbeeld. U heeft een auto met een Co²-uitstoot van 170 en een dieselmotor. Bij de toepassing van de  nieuwe regeling zal u een aftrekpercentage van 60% hebben. In tegenstelling heeft u volgens de oude regeling standaard een aftrek van 75%. In dit geval is het voordeligere om de oude regeling toe te passen. Echter voor ecologische auto's (benzine tot 125g/km; diesel tot 115 g/km) kan het ook voordeliger zijn aan de hand van de nieuwe regeling

Vanaf 1 januari 2020

Vanaf 1 januari 2020 wordt zelfs nog een stap verder gegaan. Vanaf dan zullen de categorieën, gekoppeld aan de Co²-uitstoot verdwijnen. Er komt dan een formule in de plaats. Weliswaar is ook hier de Co²-uitstoot de fundamentele factor. Er wordt ook opnieuw rekening gehouden met de soort brandstof.

De formule: aftrekpercentage = 120 – (0,5 x brandstofcoëfficiënt x Co²-uitstoot in g/km).  De brandstofcoëfficiënt is hierbij voor dieselmotor: 1, voor andere motor (bv. Benzine, LPG,…): 0,95, voor aardgas en minder dan 12 fiscale pk: 0,90.

Daarnaast wordt ook een maximaal en minimaal aftrekpercentage voorzien. Zo kan u maximaal een aftrekpercentage van 100% hebben. Het minimale percentage is vastgesteld op 50%. Enkel auto’s met een Co²-uitstoot vanaf 200g/km zullen een minimaal aftrekpercentage van 40% bezitten.

Vanaf 2020 wordt ook voor brandstofkosten de aftrekbaarheid volgens de formule berekend. Tot dan geldt een algemeen forfait van 75 %.

Aan de toepassing van de overgangsregeling voor wagens aangekocht voor 1 januari 2018 wordt niet geraakt. U zal voor de personenbelasting in dat geval nog steeds de keuze hebben tussen de oude en nieuwe regeling, waarbij de nieuwe regeling bovenstaande formule inhoudt.

Voorbeeld. U heeft een auto met een Co²-uitstoot van 170 en een dieselmotor. Met de nieuwe formule zou de aftrek slechts 35% bedragen. Deze wordt evenwel opgetrokken tot het minimale percentage, namelijk 50%. In geval de auto gekocht is na 1 januari 2018 zal er slechts een aftrekpercentage van 50% gelden. Is de auto aangekocht voor 1 januari 2018, dan zal het in dit geval voordeliger zijn om te kiezen voor de oude regeling, namelijk 75%.

Valse hybrides

De tijd van de valse hybrides is voorbij. Onder valse hybrides wordt verstaan auto's die zowel op brandstof als een elektrische batterij rijden, maar in de praktijk amper rijden op de elektrische batterij wegens te weinig energiecapaciteit. Voor deze belastinghervorming boden deze wagens een niet te verwaarlozen fiscaal voordeel. In concreto zijn dit wagens waarbij de batterij niet voldoende energiecapaciteit heeft (< 0,5 KWh per 100 Kg) of die een uitstoot hebben van meer dan 50g/km.

Vanaf 1 januari 2020 zullen de wagens die niet beantwoorden aan deze norm belast worden aan de hand van hun werkelijke Co²-uitstoot. Om te weten welk aftrekpercentage zij genieten, moeten zij de Co²-uitstoot van een overeenstemmend voertuig (op dezelfde brandstof) nemen als maatstaf. Dergelijke wagen wordt dus behandeld als een wagen die enkel op brandstof rijdt.

Conclusie

Indien u een nieuwe auto koopt, is het niet enkel belangrijk rekening te houden met allerhande snufjes of een fancy kleur, maar ook met de Co²-uitstoot. De keuze voor een Co²-vriendelijke wagen kan u veel geld besparen.

Indien u vragen heeft over autofiscaliteit kan u steeds bij ons terecht.


Nieuwe circulaire inzake GKS geen hapklare brok voor horeca

Op 6 november werd een circulaire (2017/C/70) gepubliceerd omtrent het geregistreerd kassasysteem (hierna GKS). Deze circulaire bevat naast een aantal nieuwe regels, ook een verduidelijking van alle eerdere administratieve berichtgeving.

Omzet als belangrijkste criterium

De belangrijkste parameter, voor het al dan niet hanteren van het GKS, is de omzet van de restaurant- en cateringdiensten die een onderneming verricht. Indien deze meer dan 25.000 euro op jaarbasis bedraagt, is een dergelijk kassasysteem sinds juli 2016 verplicht. Deze omzetdrempel houdt slechts rekening met maaltijden die ter plaatse worden verbruikt, deze dus die aan het btw-tarief van 12 procent zijn onderworpen.

Bij overschrijding van de omzetdrempel moet echter elke handeling van de horecazaak geregistreerd worden in de zogenaamde ‘witte kassa’. Ook degene die de grens niet mede bepalen, zoals de verkoop van meeneemgerechten en dranken.

Indien de omzet onder het grensbedrag blijft, kan de onderneming uiteraard vrijwillig opteren voor het GKS. Doet ze dit niet, dan blijft het uitreiken van een btw-bonnetje verplicht bij elke geserveerde maaltijd met bijhorende dranken.

Uitzondering op de regel

Als men voor restaurant- of cateringdiensten beroep doet op een onderaannemer, dan is men sowieso niet verplicht een GKS-ticket uit te reiken, op voorwaarde dat de onderaannemer zelf een GKS-ticket overhandigt.

Wat met meerdere inrichtingen onder éénzelfde btw-identificatienummer?

In dit geval moet de omzetdrempel per inrichting berekend worden. Wordt de grens vervolgens in een inrichting overschreden, dan moet enkel die inrichting het GKS hanteren.

Deze regel geldt niet voor materieel onderling verbonden inrichtingen. Dit zijn per definitie inrichtingen waartussen klanten zich kunnen bewegen, zonder dat ze daadwerkelijk het pand verlaten. In dit geval moet dus rekening gehouden worden met de totale omzet van alle inrichtingen.

Welke referentieperiode moet in acht genomen worden?

Als de drempel wordt overschreden, moet men verplicht registreren bij de overheid, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op het aangiftetijdvak. En maand later moet men dan vervolgens daadwerkelijk het systeem hanteren.

Starters moeten, op basis van het businessplan, ramen of ze al dan niet de omzetdrempel zullen overschrijden.

Vervangt het GKS het ontvangstendagboek?

De horeca-uitbater, die beroep doet op het GKS, moet voortaan geen dagboek van ontvangsten meer bijhouden. Hij is daarentegen wel verplicht dagelijks de nodige rapporten aan te maken, teneinde zijn verkopen te staven.

Nieuwe regeling voor foodtrucks en mobiele voedselkramen

Om concurrentieverstoring tussen mobiele voedselkramen en de lokale eetgelegenheden in te perken, heeft de overheid geopteerd voor strengere criteria. Indien de foodtruck, naast een uitklapbare toog en/of statafel(s), beschikt over minstens één bijkomend dienstenaspect (verwarming, sfeermuziek,…), is er sprake van een restaurantdienst. Multifunctionele voorzieningen, zoals bijvoorbeeld openbare zitbanken, worden niet aanzien als een bijkomend dienstenaspect.

Indien de handeling als een restaurantdienst wordt gekwalificeerd, is hij onderworpen aan het btw-tarief van 12 procent en komt hij in aanmerking voor de berekening van het drempelbedrag.

Tolerantie voor evenementen

Indien deze foodtrucks of mobiele voedselkramen in open lucht opgesteld staan tijdens een evenement m.b.t. podiumkunsten, wordt dit door de administratie aanzien als een levering van een goed. Bijgevolg is het btw-tarief van 6 procent van toepassing en komt men niet in aanmerking voor het GKS.

De redenering hierachter is dat er geen sprake kan zijn van concurrentieverstoring, aangezien het evenement afgeschermd is van de lokale horecazaken en men hoogstwaarschijnlijk een ticket heeft aangekocht om het terrein te betreden.

Eindelijk heldere kijk in 'witte kassa'?

De circulaire biedt zeker transparantie voor het merendeel van de horeca-handelingen. Weliswaar blijven er ook activiteiten die zeer moeilijk te kwalificeren zijn, doordat deze niet specifiek in de wet gedefinieerd worden. Voorzichtigheid is dus aangeraden, wil men niet voor verrassingen komen te staan.

 


De nieuwe innovatieaftrek stimuleert onderzoek en ontwikkeling

Sinds 1 juli 2016 is de octrooiaftrek vervangen door de innovatieaftrek. Deze aftrek voor innovatie-inkomsten bedraagt 85%. Daarnaast werden enkele zaken strenger en werd er in een aantal uitbreidingen voorzien. Door de invoering van de innovatieaftrek is België voor ondernemingen het land bij uitstek om onderzoek en ontwikkeling te verrichten.

Inleiding

Volgens de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) voldeed de oude octrooiaftrek niet aan punt 5 van het BEPS-actieplan. Het BEPS-actieplan bevat wereldwijde gecoördineerde afspraken om belastingontwijking te voorkomen. Het actieplan bestaat concreet uit 15 actiepunten die grondslaguitholling en winstverschuivingen moeten vermijden.

De octrooiaftrek, zoals deze bestond voor 1 juli 2016, liet echter nog teveel ruimte voor winstverschuivingen. De nieuwe innovatieaftrek heeft als doel enkel nog de belastingplichtigen, die zelf de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling hebben gedragen, een voordeliger belastingregime aan te bieden. Door de wet van 9 februari 2017 werd deze nieuwe innovatieaftrek retroactief ingevoerd.

Nexusbreuk

De nieuwe innovatieaftrek verschilt op verscheidene punten grondig van de octrooiaftrek. Deze nieuwe regeling voorziet twee strengere maatregelen. De eerste verstrenging is de vermenigvuldiging van de netto-innovatie-inkomsten met de nexusbreuk. De nexusbreuk is de weergave van de kwalificerende uitgaven in de totale uitgaven.

De kwalificerende uitgaven zijn de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling die de onderneming zelf uitvoerde of die aan een niet-verbonden onderneming uitbesteed werden. Voor de toepassing van de nexusbreuk mogen deze met 30% verhoogd worden.

De globale uitgaven zijn de uitgaven die de onderneming voor de ontwikkeling van een octrooi heeft gedaan of gedragen. Met andere woorden:

  • uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van het intellectueel eigendomsrecht dat de onderneming zelf heeft uitgevoerd
  • uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van het intellectueel eigendomsrecht dat de onderneming aan een niet-verbonden onderneming heeft uitbesteed
  • uitgaven voor de aanvraag en verwerving van het intellectueel eigendomsrecht
  • uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van het intellectueel eigendomsrecht dat de onderneming aan een verbonden onderneming heeft uitbesteed

Netto-inkomsten

In tegenstelling tot de octrooiaftrek, die berekend werd op de bruto-inkomsten, wordt de nieuwe innovatieaftrek berekend op de netto-inkomsten. Deze verandering is een verstrenging. De netto-innovatie-inkomsten worden bepaald doordat de ontvangen inkomsten nog verminderd moeten worden met de globale uitgaven.

In principe moeten de netto-innovatie-inkomsten per intellectueel eigendomsrecht worden bepaald. Indien dit in de praktijk niet haalbaar is, voorziet de wetgever een toegeving. In dergelijk geval is het toegestaan om de netto-innovatie-inkomsten per type of groep van producten te bepalen.

Op welke wijze de netto-innovatie-inkomsten worden bepaald, heeft ook een invloed op de toepassing van de nexusbreuk. De nexusbreuk wordt namelijk overeenkomstig de netto-innovatie-inkomsten bepaald. Dus in principe per intellectueel eigendomsrecht, tenzij bij uitzondering per type of groep van producten.

Uitbreiding van materieel toepassingsgebied

Ter compensatie van de verstrenging, werden ook enkele toepassingsgebieden ruimer gemaakt. De belangrijkste is de uitbreiding van het materieel toepassingsgebied. Dit uit zich ook doordat deze verruiming ook tot de naam “nieuwe innovatieaftrek” heeft geleid.

De uitbreiding van het materieel toepassingsgebied houdt in dat de aftrek niet langer beperkt is tot de inkomsten uit octrooien en aanvullende beschermingscertificaten. Onder de nieuwe innovatieaftrek vallen ook inkomsten uit kwekersrechten, weesgeneesmiddelen, data-of marktexclusiviteit en auteursrechtelijke beschermde computerprogramma’s.

Daarnaast werd ook het begrip "octrooi-inkomsten" uitgebreid.  Voortaan worden ook schadevergoedingen, verschuldigd wegens de schending van een intellectueel eigendomsrecht en bedragen, verkregen naar aanleiding van de vervreemding van een intellectueel eigendomsrecht als innovatie-inkomsten beschouwd.

Tijdelijke vrijstelling

De nieuwe innovatie-aftrek maakt het ook mogelijk om een deel van de winst reeds vrij te stellen bij de aanvraag van een in aanmerking komende intellectueel eigendomsrecht. Met andere woorden is het niet langer vereist dat er een toekenning is, vooraleer een onderneming van de aftrek gebruik zou kunnen maken. Voor ondernemingen is dit een belangrijke verandering. Aangezien de aanvraag op dat ogenblik nog lopende is, betreft het een tijdelijke vrijstelling. Indien de aanvraag wordt goedgekeurd, wordt de tijdelijke vrijstelling omgezet in een definitieve vrijstelling.

Behoud van de aftrek

Naast deze belangrijke verruimingen voorziet de nieuwe innovatieaftrek nog in twee belangrijke aanpassingen.

Sinds 1 juli 2016 gaat de aftrek niet meer verloren bij een belastingvrije inbreng, fusie, splitsing of een gelijkgestelde verrichting. Daarnaast mogen aftrek overschotten worden overdragen naar volgende belastbare tijdperken.

Niet-gebruikte aftrekken gaan bovendien niet langer verloren.

Overgangsbepaling

De nieuwe innovatieaftrek is retroactief in werking getreden. Ondanks dat zij pas door de wet van 9 februari 2017 is ingevoerd, geldt de innovatieaftrek voor innovatie-inkomsten vanaf 1 juli 2016.

De wetgever heeft echter wel voorzien in een overgangsregeling. De octrooiaftrek mag nog worden toegepast op octrooi-inkomsten verworven tot en met 30 juni 2021. Deze octrooi-inkomsten moeten verworven worden voor zelfontwikkelde octrooien, die reeds voor 1 juli 2016 werden aangevraagd of voor verbeterde octrooien en licentierechten die voor 1 juli 2016 zijn toegekend.

Naast deze voorwaarden heeft de wetgever ook een anti-misbruikbepaling ingevoerd. De overgangsregeling is niet van toepassing op vanaf 1 juli 2016 rechtstreeks of onrechtstreeks verworven octrooien van een verbonden vennootschap waarbij de overdragende vennootschap niet voor de octrooiaftrek of een analoge regeling in het buitenland in aanmerking komt. De wetgever wou hiermee vermijden dat door gebruik van de overgangsregeling alsnog winstverschuivingen zouden plaatsvinden.

Conclusie

Na het vergelijken van de strengere maatregelen en uitbreidingen, kunnen we concluderen dat de nieuwe innovatieaftrek een positieve zaak is.

Vooral de uitbreiding van het materiële toepassingsgebied zal voor veel bedrijven deuren openen.  Op die manier stimuleert de nieuwe innovatieaftrek onderzoek en ontwikkeling.

In tegenstelling tot de gekende hoge belastingdruk, is België op dit vlak een vooruitstrevend land met een uiterst gunstig belastingregime.