Nieuwe circulaire inzake GKS geen hapklare brok voor horeca

Op 6 november werd een circulaire (2017/C/70) gepubliceerd omtrent het geregistreerd kassasysteem (hierna GKS). Deze circulaire bevat naast een aantal nieuwe regels, ook een verduidelijking van alle eerdere administratieve berichtgeving.

Omzet als belangrijkste criterium

De belangrijkste parameter, voor het al dan niet hanteren van het GKS, is de omzet van de restaurant- en cateringdiensten die een onderneming verricht. Indien deze meer dan 25.000 euro op jaarbasis bedraagt, is een dergelijk kassasysteem sinds juli 2016 verplicht. Deze omzetdrempel houdt slechts rekening met maaltijden die ter plaatse worden verbruikt, deze dus die aan het btw-tarief van 12 procent zijn onderworpen.

Bij overschrijding van de omzetdrempel moet echter elke handeling van de horecazaak geregistreerd worden in de zogenaamde ‘witte kassa’. Ook degene die de grens niet mede bepalen, zoals de verkoop van meeneemgerechten en dranken.

Indien de omzet onder het grensbedrag blijft, kan de onderneming uiteraard vrijwillig opteren voor het GKS. Doet ze dit niet, dan blijft het uitreiken van een btw-bonnetje verplicht bij elke geserveerde maaltijd met bijhorende dranken.

Uitzondering op de regel

Als men voor restaurant- of cateringdiensten beroep doet op een onderaannemer, dan is men sowieso niet verplicht een GKS-ticket uit te reiken, op voorwaarde dat de onderaannemer zelf een GKS-ticket overhandigt.

Wat met meerdere inrichtingen onder éénzelfde btw-identificatienummer?

In dit geval moet de omzetdrempel per inrichting berekend worden. Wordt de grens vervolgens in een inrichting overschreden, dan moet enkel die inrichting het GKS hanteren.

Deze regel geldt niet voor materieel onderling verbonden inrichtingen. Dit zijn per definitie inrichtingen waartussen klanten zich kunnen bewegen, zonder dat ze daadwerkelijk het pand verlaten. In dit geval moet dus rekening gehouden worden met de totale omzet van alle inrichtingen.

Welke referentieperiode moet in acht genomen worden?

Als de drempel wordt overschreden, moet men verplicht registreren bij de overheid, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op het aangiftetijdvak. En maand later moet men dan vervolgens daadwerkelijk het systeem hanteren.

Starters moeten, op basis van het businessplan, ramen of ze al dan niet de omzetdrempel zullen overschrijden.

Vervangt het GKS het ontvangstendagboek?

De horeca-uitbater, die beroep doet op het GKS, moet voortaan geen dagboek van ontvangsten meer bijhouden. Hij is daarentegen wel verplicht dagelijks de nodige rapporten aan te maken, teneinde zijn verkopen te staven.

Nieuwe regeling voor foodtrucks en mobiele voedselkramen

Om concurrentieverstoring tussen mobiele voedselkramen en de lokale eetgelegenheden in te perken, heeft de overheid geopteerd voor strengere criteria. Indien de foodtruck, naast een uitklapbare toog en/of statafel(s), beschikt over minstens één bijkomend dienstenaspect (verwarming, sfeermuziek,…), is er sprake van een restaurantdienst. Multifunctionele voorzieningen, zoals bijvoorbeeld openbare zitbanken, worden niet aanzien als een bijkomend dienstenaspect.

Indien de handeling als een restaurantdienst wordt gekwalificeerd, is hij onderworpen aan het btw-tarief van 12 procent en komt hij in aanmerking voor de berekening van het drempelbedrag.

Tolerantie voor evenementen

Indien deze foodtrucks of mobiele voedselkramen in open lucht opgesteld staan tijdens een evenement m.b.t. podiumkunsten, wordt dit door de administratie aanzien als een levering van een goed. Bijgevolg is het btw-tarief van 6 procent van toepassing en komt men niet in aanmerking voor het GKS.

De redenering hierachter is dat er geen sprake kan zijn van concurrentieverstoring, aangezien het evenement afgeschermd is van de lokale horecazaken en men hoogstwaarschijnlijk een ticket heeft aangekocht om het terrein te betreden.

Eindelijk heldere kijk in 'witte kassa'?

De circulaire biedt zeker transparantie voor het merendeel van de horeca-handelingen. Weliswaar blijven er ook activiteiten die zeer moeilijk te kwalificeren zijn, doordat deze niet specifiek in de wet gedefinieerd worden. Voorzichtigheid is dus aangeraden, wil men niet voor verrassingen komen te staan.

 


Zomerakkoord 2017 laat ook personenbelasting 2018 niet koud

Zomerakkoord, weldra winterbesluiten

De federale regering heeft tijdens de zomer 2017 een akkoord bereikt over een aantal ingrijpende fiscale maatregelen. Dit akkoord moet een meer rechtvaardige fiscaliteit inzake vennootschapsbelasting garanderen.

Door de belastingdruk bij onze Belgische ondernemingen te verlagen hoopt de regering de concurrentiepositie tegenover het buitenland te verbeteren. Startende ondernemingen zullen meer zuurstof krijgen, hetgeen hun competitiviteit ongetwijfeld bevordert.

Het zomerakkoord bevat ook een aantal maatregelen  op het vlak van de personenbelasting. In wat volgt gaan we hier iets dieper op in .

Taks op effectenrekeningen

Vooreerst wordt er vanaf 1 januari 2018 een taks op effectenrekeningen  ingevoerd aan een tarief van 0,15 procent. Certificaten, trackers en niet-beursgenoteerde aandelen op effectenrekeningen worden belastbaar. De aandelen op naam vallen buiten de scope van de effectentaks.

Niettegenstaande de belastingvrije som van 500.000 euro per persoon, wordt het volledige bedrag belast indien deze grens overschreden wordt. Een regelrechte vermogenstaks dus, die het beleggen via de beurs niet bepaald stimuleert. Pensioenspaarfondsen en levensverzekeringen blijven wel buiten schot.

Vrijstelling van roerende voorheffing

De regering tracht voornoemde taks deels te compenseren door een gedeeltelijke vrijstelling van roerende voorheffing op dividenden van aandelen, ten belope van 627 euro. In tegenstelling tot voorgaande maatregel, zal dit de modale burger misschien overtuigen om spaargeld een zinvolle bestemming te geven.

Vervolgens wordt de vrijstelling op interesten van spaarboekjes gehalveerd van 1880 euro naar 940 euro. Vanaf dit bedrag zal er dus roerende voorheffing ingehouden worden door de financiële instelling in kwestie.

De inwerkingtreding is gepland voor de inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018.

Collectieve winstpremie

Voorts promoot het zomerakkoord de toekenning van een collectieve winstpremie door ondernemingen aan al hun werknemers. Belangrijkste voorwaarde is wel dat de premie niet meer dan 30 procent van de loonmassa mag bedragen. De premie is enkel onderhevig aan 13,07% RSZ-werknemersbijdragen en een inkomstenbelasting van 7 procent. Er dient gestipuleerd te worden dat dit gunstregime geen gevolgen heeft op de berekening van de loonnorm, evenmin zal een verschuiving worden toegestaan ten nadele van de toegekende klassieke bezoldigingen.

De invoering van een collectieve winstpremie is niet verplichtend voor de werkgever en legt ook geen participatieverplichting op in het kapitaal. In geen geval is de winstpremie aftrekbaar voor de werkgever.

De inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2018.

Pensioensparen

Op vlak van pensioensparen wordt een keuzestelsel ingevoerd. Ofwel kan de spaarder kiezen om jaarlijks 940 euro in te brengen tegen een belastingvermindering van 30 procent, ofwel kan hij opteren om 1200 euro te sparen tegen een vermindering van 25 procent. Het laatstgenoemde biedt een voordeel van 18 euro per jaar tegenover het eerste.

De inwerkingtreding is voorzien voor aanslagjaar 2019.

Belastingvrij bijklussen

Er kan vanaf 1 januari 2018 worden bijgeklust tot 6.000 EUR per jaar. Hierop zijn belastingen noch sociale bijdragen verschuldigd.. Werknemers en zelfstandigen die reeds een hoofdjob hebben moeten wel minstens een 4/5 tewerkstelling hebben. Dergelijke bijklusactiviteiten zijn wel beperkt tot het zogenaamde ‘vrijetijdswerk’. Hieronder vallen inkomsten uit sportactiviteiten, babysitten, gras afmaaien, e.a. Een Koninklijk Besluit zal nog voorzien in een uitgebreide maar zeer concrete lijst van bijklusactiviteiten.

Autokosten

In de personenbelasting zullen de fiscaal aftrekbare autokosten worden bepaald, zoals in de vennootschapsbelasting, in functie van de CO2-uitstoot van de wagen. Dit betekent dat de forfaitaire aftrek van 75% verdwijnt voor wagens aangekocht vanaf 1 januari 2018.

Dit wordt de formule: 120% - (0,5% x aantal gram CO2/Km). Voor benzinewagens wordt deze formule bijkomend vermenigvuldigd met 0,95. Er zal wel een minimum gelden van 50%, enkel wanneer de CO2-uitstoot meer dan 200 gr/km bedraagt, wordt de aftrek beperkt tot 40%.

Bij hybride wagens waarbij de batterij niet voldoende energiecapaciteit heeft (< 0,6 kwh per 100 kg), gebeurd de berekening op basis van de aanwezige brandstofmotor in de auto. Inzake voordeel alle aard van zo een hybride bedrijfswagen geldt de regeling zoals voor een wagen die louter rijdt op brandstof. Dit geldt, net zoals de regeling voor aftrek van autokosten, voor hybride voertuigen aangekocht vanaf 1 januari 2018.

De professionele min- en meerwaarden op personenwagens worden op dezelfde manier belast als in de vennootschapsbelasting in functie van de CO2-uitstoot.

Kortom

Het zomerakkoord biedt, afgezien van de effectentaks en de gewijzigde autofiscaliteit, een aantal  gunstmaatregelen inzake personenbelasting. De regering beoogt duidelijk een afname van inkomensbelasting door onder andere de introductie van fiscaal interessante verloningen.

We volgen de ontwikkelingen verder op de voet. Aarzel niet om ons te contacteren om te vernemen wat de gevolgen kunnen zijn voor u.


Uitkering van een onroerend goed bij vereffening fiscaal geoptimaliseerd

Tijdens de vereffening van een vennootschap worden de bezittingen ten gelde gemaakt en de schulden aangezuiverd. Vaak blijft, naast geld in speciën, een restdeel van het actief in de vennootschap met het oog op uitkering aan de aandeelhouders. Denk hierbij aan aandelen of onroerend goederen.

Indien deze financiële of materiële activa uitgekeerd worden aan de aandeelhouders, spreekt men van een uitbreng in natura. Hierna gaan we dieper in op de uitbreng in natura van een onroerend goed bij vereffening in één akte.

Uitbreng bij vereffening in één akte

De uitbreng in natura wordt vaak toegepast bij een ontbinding en vereffening van een vennootschap in één akte. Dit is slechts mogelijk als cumulatief aan volgende voorwaarden voldaan is (artikel 184 §5 W.Venn.):

  • er is geen vereffenaar aangesteld;
  • de schulden ten aanzien van derden zijn aangezuiverd;
  • alle aandeelhouders of vennoten zijn aanwezig op de algemene vergadering of geldig;
  • vertegenwoordigd en besluiten met éénparigheid van stemmen; en
  • de terugname van het resterend actief gebeurt door de aandeelhouders zelf.

Herwaardering

Bij de uitbreng van een onroerend goed moet rekening gehouden worden met de werkelijke waarde van dat goed. De eventuele meerwaarde is belastbaar en roerende voorheffing is verschuldigd. Zoals zo vaak is  anticiperen de boodschap.

Indien men de vereffening fiscaal wil optimaliseren, is het aangewezen de latente meerwaarde uit te drukken middels een herwaardering in het boekjaar voorafgaand aan de afsluiting van de vereffening (X-1). Vervolgens wordt de uitgedrukte meerwaarde in resultaat genomen, waardoor deze aan de vennootschapsbelasting wordt onderworpen. Naast een herwaardering, kan men ook opteren voor een terugneming van reeds geboekte afschrijvingen, voor zover de meerwaarde de opgebouwde afschrijvingen niet overtreft.

De vennootschap legt in jaar X-1  eveneens een liquidatiereserve aan. Op deze manier zal de uitgedrukte meerwaarde  bij latere uitkering niet als fiscaal uitgekeerd dividend beschouwd worden.  De 'meerwaarde' zit immers reeds vervat in de opgebouwde liquidatiereserve.

De meerwaarde op het onroerend goed is bijgevolg in jaar X-1 dus rechtstreeks onderworpen aan de vennootschapsbelasting en onrechtstreeks aan een anticipatieve heffing van 10 procent om de liquidatiereserve te bekomen.

Bij de latere uitkering in natura wordt deze meerwaarde niet meer onderworpen aan de roerende voorheffing. De liquidatieboni afkomstig van de uitkering van een liquidatiereserve zijn immers geen inkomsten van roerende goederen en kapitalen (artikel 21, 11° WIB 1992).

Indien men aan deze gunstmaatregel verzaakt, zal de latente meerwaarde in het jaar van vereffening onderworpen worden aan enerzijds de vennootschapsbelasting en anderzijds aan de roerende voorheffing van 30 procent op de gebruteerde waarde van het onroerend goed. Uitbreng in natura wordt op die manier wel heel duur.

Conclusie

Bij een uitbreng in natura ten gevolge van een vereffening moeten de bedragen, die kunnen toegerekend worden aan het fiscaal volgestort kapitaal en de liquidatiereserve, niet opgenomen worden in de aangifte roerende voorheffing.

Bijgevolg is het bijzonder nuttig om de eventuele meerwaarde op een onroerend goed reeds uit te drukken in het boekjaar, voorafgaand aan de liquidatie van de vennootschap. Door de meerwaarde in het resultaat op te nemen en vervolgens een liquidatiereserve aan te leggen,  is er geen toepassing van roerende voorheffing op de gebruteerde waarde van het onroerend goed.


Flexarbeid als oplossing voor tijdelijk meerwerk in de horeca

Nu het zomerseizoen officieel geopend is en de horecasector haar drukste periode beleeft, is de vraag naar flexibele werkkrachten hoog. De ondernemer heeft hierbij de keuze uit twee verschillende statuten, namelijk flexarbeid of traditioneel gelegenheidswerk.

Gelegenheidswerk en flexarbeid werden ingevoerd door de regering als onderdeel van het horecaplan. Bij de invoering van het geregistreerd kassasysteem, werd namelijk gevreesd dat tal van horecazaken het op korte termijn moeilijk zouden krijgen. Naast de flexarbeid en het gelegenheidswerk, werden nog tal van andere gunstmaatregelen voor de horecasector gelanceerd, mede om de zwarte geldstroom in de sector drastisch af te slanken.

De werknemers die reeds tewerkgesteld zijn bij de onderneming worden buiten beschouwing gelaten. Zij kunnen immers reeds genieten van een gunstig belastingtarief op overuren. De werkgever, op zijn beurt, heeft hier de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing als voorrecht.

Voorwaarden inzake tewerkstelling

Om voor flexarbeid in aanmerking te komen moet de werknemer 3 kwartalen geleden minstens 4/5 bij één of meerdere andere werkgevers gewerkt hebben. Gelegenheidswerk, op zijn beurt, is niet gebonden aan een tewerkstellingsvoorwaarde.

Contract

Bij flexarbeid moet op voorhand een raamovereenkomst gesloten worden, waarin de aard van de job zo specifiek mogelijk omschreven wordt. Nadien wordt er voor iedere opdracht een contract van bepaalde duur afgesloten. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.

Als men voor gelegenheidsarbeid kiest, moet er eveneens een contract van bepaalde duur worden opgesteld, echter voor maximum twee opeenvolgende dagen. De werkgever kan hoogstens 200 dagen per kalenderjaar een beroep doen op deze voordelige extra-arbeid. De werknemer daarentegen kan amper 50 dagen genieten van een voordelig RSZ-tarief in dit keuzestelsel.

Begin en einde van de arbeidsprestatie kunnen geregistreerd worden aan de hand van een aanwezigheidssysteem, dat complementair is met Dimona.

Voordelen voor de werknemer en werkgever

Het minimumloon bij flexarbeid bedraagt bruto 9,88 euro per uur, waarin het vakantiegeld (7,67% van het brutoloon) reeds vervat zit. Indien het minimumloon niet overschreden wordt, dient er geen bedrijfsvoorheffing te worden ingehouden, wat maakt dat het brutoloon ook meteen het nettoloon is. De werkgever is enkel een bijzondere RSZ-bijdrage van 25% verschuldigd op het loon.

Bij gelegenheidswerk moet de werkgever de normale patronale bijdragen betalen en is de werknemer eveneens 13,07% RSZ verschuldigd. Het netto-beroepsinkomen is onderworpen aan 33,31% belasting, die meteen ook bevrijdend werkt. De werknemer wordt dus niet aan het marginaal tarief belast.

Conclusie

Beide opties bieden fiscale transparantie en zijn  kostenbesparend zowel voor werkgever als werknemer, waardoor zijn niet voor verrassingen komen te staan. Toch blijkt flexarbeid op alle vlakken veruit de beste oplossing om tijdelijk meerwerk op te vangen. Er is immers geen beperking op het aantal dagen en de werknemer is vrijgesteld van inkomstenbelasting, indien aan alle voorwaarden voldaan is.

 


Crowdlending als alternatief voor lage spaarrente

Crowdlending is verwant aan crowdfunding, ware het niet dat bij crowdfunding de investeerder participeert in het kapitaal van de ambitieuze ondernemer.

Crowdlending is een alternatieve en toegankelijke financieringsbron voor startende vennootschappen die een nieuw project willen lanceren. Een natuurlijk persoon stelt, via een erkend platform, voor een bepaalde duur financiële middelen ter beschikking van een vennootschap en geniet tijdelijke belastingvrijstelling op de verworven intresten.

Een aantrekkelijk scenario dus voor beide partijen.

Voorwaarden tot vrijstelling roerende voorheffing

Aan het tijdelijke belastingvoordeel bij crowdlending zijn een aantal voorwaarden verbonden.

1° Kleine vennootschap

De ontlenende vennootschap moet beantwoorden aan de criteria van een kleine vennootschap in de zin van art. 15, §§ 1 tot 6, W.Venn. Een startende vennootschap moet de criteria bij het begin van het boekjaar te goeder trouw schatten. Natuurlijke personen zijn uitgesloten van de maatregel.

2° Aanvang van de activiteit niet ouder dan 48 maanden

De kredietnemende vennootschap mag hoogstens 48 maanden ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) of in een gelijkaardig register in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.  Het mag ook gaan om een gesplitste of gefuseerde entiteit, dan wel een overgang van éénmanszaak naar vennootschap. Voorwaarde blijft echter dat de oorspronkelijke onderneming ten hoogste 48 maanden mag ingeschreven zijn in het KBO.

3° Looptijd  van de lening is minimaal 4 jaar

4° Lening moet afgesloten zijn op basis van een jaarlijks te betalen interestvoet

5° Herfinancieringsleningen zijn uitgesloten

6° Tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform is vereist

7° Beperking van de vrijstelling van roerende voorheffing

Wil de geldverstrekker de absolute vrijstelling van roerende voorheffing  genieten dan is het maximale leenbedrag begrensd tot 9.965 euro per jaar, door indexering is dit 15.000 euro voor aanslagjaar 2018.

Enkel de interesten met betrekking tot de eerste uitgeleende schijf van 15.000 euro zijn gedurende een periode van vier jaar vrijgesteld.

Toepassing roerende voorheffing

Wanneer een hoger (globaal) bedrag is uitgeleend, dan moet het excedent worden opgenomen in de aangifte in de personenbelasting, behalve wanneer op dat gedeelte de roerende voorheffing reeds werd ingehouden door de kredietnemende vennootschap.

De fiscus aanvaardt dat het al dan niet inhouden van roerende voorheffing bekeken wordt door elke vennootschap afzonderlijk, zonder dat deze rekening moet houden met de eventuele leningen die de geldverstrekker zou hebben afgesloten met andere kredietnemers.

De interesten die worden voortgebracht na de eerste vier jaar vanaf de afsluiting van de lening, zijn niet meer vrijgesteld. In principe zal de roerende voorheffing op dat ogenblik aan de bron moeten worden ingehouden.

Mag men als bedrijfsleider crowdlending aanwenden?

Ook als bedrijfsleider kan men crowdlending aanwenden ten gunste van een vennootschap waar men een mandaat uitoefent. Let wel: de vrijstelling van roerende voorheffing is ondergeschikt aan de herkwalificatieregel.

Kortom

Crowdlending kan interessant zijn voor particulieren om overtollige liquide middelen fiscaal voordelig te investeren, tegen een rente die deze van de spaarboekjes ruimschoots overtreft.