aternio

Nieuwe afzonderlijke aanslag inzake minimumbezoldiging: the facts.

Overzicht

Het toekennen van een minimumbezoldiging aan minstens één bedrijfsleider is al vele jaren één van de voorwaarden om als vennootschap te genieten van het verlaagde belastingtarief. Door de wet van 25 december 2017, het resultaat van het inmiddels beruchte Zomerakkoord, is de jaarlijkse minimumbezoldiging opgetrokken van 36.000 euro naar 45.000 euro.

Er is echter ook een nieuwe afzonderlijke aanslag gecreëerd van 5% (vanaf aanslagjaar 2021 10%). Deze aanslag is van toepassing wanneer niet is voldaan aan de wettelijke minimumbezoldigingsregel voor bedrijfsleiders. De afzonderlijke aanslag staat los van het feit of de vennootschap al dan niet in aanmerking komt voor het verlaagde vennootschapstarief.

In de praktijk blijkt nogal wat onduidelijkheid te bestaan over de juiste toepassing van deze regel. Wat indien er helemaal geen bedrijfsleiders zijn in de vennootschap? Is deze afzonderlijke aanslag dan ook van toepassing? Wat met verbonden vennootschappen?

Minimumbezoldiging en afzonderlijke aanslag

Artikel 219quinquies §1 eerste lid WIB’92 luidt: “er wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd in hoofde van de vennootschap die ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk niet aan ten minste een van haar in artikel 32 WIB’92 bedoelde bedrijfsleiders een in paragraaf 2 bedoelde minimumbezoldiging heeft toegekend.”

De minimumbezoldiging is door de hervorming van de vennootschapsbelasting opgetrokken naar 45.000 euro. Indien het belastbaar resultaat lager is dan 45.000 euro, is de minimale bezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat na bezoldiging.

De nieuwe afzonderlijke aanslag bedraagt 5% (vanaf aanslagjaar 2021 10%) op het verschil tussen voornoemde minimumbezoldiging en de hoogste bezoldiging door de vennootschap toegekend aan één van haar bedrijfsleiders. De aanslag bedraagt dus nominaal maximaal 2.250 euro (vanaf aanslagjaar 2021 4.500 euro).

Een kleine vennootschap, in de zin van artikel 15, §§ 1 tot 6 Wetboek Vennootschappen, ontsnapt aan de afzonderlijke aanslag gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting.

Bedrijfsleider

Er zijn verschillende combinaties mogelijk om een vennootschap te besturen. Door één of meer natuurlijke personen, door één of meer rechtpersonen of door natuurlijke personen en rechtspersonen samen. Het woord bedrijfsleider is een fiscaal begrip. Artikel 32 WIB’92 stelt dat een bedrijfsleider per definitie steeds een natuurlijke persoon is.

Voor wat betreft de vennootschap met minstens één bedrijfsleider, ipso facto een natuurlijke persoon, is de regel dan ook duidelijk. Maar wat nu bij een vennootschap die uitsluitend door één of meer rechtspersonen wordt bestuurd. In  dergelijke vennootschap is er bijgevolg geen bedrijfsleider. Zo een vennootschap kan in se niet voldoen aan de voorwaarde omtrent de minimumbezoldiging gesteld in artikel 219 quinquies WIB’92.

Wil dit zeggen dat een vennootschap zonder bedrijfsleider gedoemd is tot de afzonderlijke aanslag? Neen, want artikel 219 quinquies WIB’92 is gewoon niet van toepassing op haar.

Wat met de vennootschap zonder bedrijfsleider?

Het kan niet genoeg benadrukt worden dat door de expliciete verwijzing naar bedrijfsleiders enkel bezoldigingen aan natuurlijke personen worden beoogd.

Belangrijk in de wettekst zijn daarenboven de woorden “aan ten minste een van haar (…) bedrijfsleiders”. Het woord “haar” is een bezittelijk voornaamwoord. Dit impliceert dat de vennootschap minstens één bedrijfsleider moet hebben om binnen de toepassing van deze nieuwe regel te vallen.  Er is geen sprake van het opleggen van een voorwaarde indien de vennootschap geen enkele bedrijfsleider in haar bestuur heeft. Indien er geen voorwaarde wordt gesteld, is er ook geen afzonderlijke aanslag voor het niet voldoen aan diezelfde voorwaarde.

Verbonden vennootschappen

De wet voorziet in artikel 219quinquies §6 WIB’92 een versoepeling voor bezoldigingen aan bedrijfsleiders in verbonden vennootschappen. Hierbij is het belangrijk om te weten wanneer er sprake is van verbonden vennootschappen.

Om als verbonden vennootschap te definiëren verwijst de wettekst naar artikel 11, 1° Wetboek Vennootschappen. Concreet betekent dit dat men verbonden is met die vennootschappen waarover een controlebevoegdheid wordt uitgeoefend; die een controlebevoegdheid over haar uitoefenen; waarmee zij een consortium (i.e. centrale leiding) vormt of die bij weten van haar bestuursorgaan onder de controle staan van genoemde vennootschappen. Daarenboven moet, voor de toepassing van de versoepeling, minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen.

De versoepeling bestaat eruit dat het totaal van de door verbonden vennootschappen aan één of meer gemeenschappelijk bedrijfsleiders gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking kan worden genomen. Het woord ‘kan‘ impliceert het optioneel karakter van de versoepeling. Men is dus vrij om al dan niet behandeld te worden als kwalificerende verbonden vennootschappen.

Indien er gebruik gemaakt wordt van de versoepeling, houdt dit in dat de som van de bedrijfsleidersbezoldigingen minstens gelijk moet zijn aan 75.000 euro. Het voordeel is dat niet elke vennootschap afzonderlijk een minimumbezoldiging van 45.000 euro moet toekennen. Het zijn de verbonden vennootschappen samen die een minimumbezoldiging van 75.000 euro moeten hebben.

Indien niet is voldaan aan de bezoldigingsvoorwaarde, dient de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat de afzonderlijke aanslag te betalen. De afzonderlijke aanslag bedraagt 5% (vanaf aanslagjaar 2021 10%) van het verschil van de minimumbezoldiging van 75.000 en de som van uitbetaalde bezoldigingen.

Wat met verbonden vennootschappen in de praktijk?

De versoepeling voor verbonden vennootschappen zorgt voor wat praktische onduidelijkheden.

Vooreerst is het realistisch dat verbonden vennootschappen hun boekjaar afsluiten op verschillende data. De vennootschap met de eerste afsluitdatum kan op dat ogenblik nog niet noodzakelijk weten of de minimumbezoldiging daadwerkelijk zal gehaald worden. De vennootschap met latere afsluitdatum kan beslissen tot wel of niet uitkeren van een passende bedrijfsleidersbezoldiging.  De keuze van de eerste vennootschap heeft dus een rechtstreekse invloed op de tweede vennootschap.

Dit is geen probleem indien finaal voldaan is aan de voorwaarde van minimumbezoldiging, maar wat indien uiteindelijk blijkt dat de minimumbezoldiging van 75.000 euro niet is gehaald? In voorkomend geval is het de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat die de afzonderlijke aanslag moet betalen. Dit hoogste belastbaar resultaat zal bij verbonden vennootschappen met verschillende afsluitdata pas achteraf kunnen worden beoordeeld. Het is actueel niet duidelijk hoe het een en ander praktisch zal verlopen.

Tantièmes

Op de algemene vergadering van aandeelhouders, die uiterlijk 6 maanden na het afsluiten van het boekjaar moet plaatsvinden, kan beslist worden om tantièmes, i.e. vergoeding voor het bestuur, uit te keren. Deze tantièmes werken fiscaal door op het afgesloten boekjaar van de vennootschap. Tantièmes aan bedrijfsleiders behoren tot de bezoldigingen die worden meegerekend voor het voldoen van de minimumbezoldiging. Op die manier kan een vennootschap na het afsluiten van het boekjaar nog fiscaal ingrijpen en alsnog ontsnappen aan de afzonderlijke aanslag.

Conclusie

Vennootschappen die enkel bestuurd worden door andere vennootschappen worden niet gevat door de nieuwe afzonderlijk aanslag van artikel 219quinquies WIB’92.  Vennootschappen met minstens één bedrijfsleider, ongeacht hun omvang, zullen wel rekening moeten houden met het minimum bezoldigingscriterium. Kwalificerende verbonden vennootschappen krijgen iets meer speelruimte maar het is vandaag niet duidelijk hoe dit in de praktijk zal werken.

Terug naar overzicht
Geschreven door Johan Lemmens
mail
tel
+32 (0)2 709 20 20
Meer bijdragen over